Jaarruimte 2026: zo bouwt u met lijfrente fiscaal voordelig pensioen op

Bouwt u als ondernemer, dga of werknemer weinig of geen pensioen op? Dan loopt u waarschijnlijk fiscaal voordeel mis. De belastingdienst geeft u namelijk ruimte om zelf een oudedagsvoorziening op te bouwen met een lijfrente, en die inleg mag u van uw inkomen aftrekken. Hoeveel u mag aftrekken, heet de jaarruimte. Uw jaarruimte 2026 bedraagt in beginsel 30% van uw inkomen, na aftrek van een vast basisbedrag. Hebt u de afgelopen jaren ruimte laten liggen, dan kunt u die vaak alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In dit artikel leest u wat de jaarruimte precies is, welke bedragen en grenzen in 2026 gelden, hoe u de aftrek benut en welke valkuilen u moet vermijden.

Wat is de jaarruimte en waarom bestaat deze?

De overheid wil dat iedereen ongeveer evenveel fiscaal voordeel kan krijgen voor zijn oudedag. Bouwt u via een werkgever pensioen op, dan gebeurt dat belastingvrij. Bouwt u te weinig op, dan mag u het verschil zelf aanvullen met een lijfrente: een geblokkeerde oudedagsvoorziening bij een verzekeraar of bank die later in vaste termijnen wordt uitgekeerd. De premie die u stort, mag u van uw inkomen aftrekken, maar alleen tot een maximum. Dat maximum is de jaarruimte.

De achterliggende gedachte is een pensioentekort. Alleen wie te weinig oudedag opbouwt, krijgt ruimte om dat fiscaal aan te vullen. Levert de berekening een positief bedrag op, dan is er per definitie een tekort en mag u premie aftrekken. Bouwt u al volledig pensioen op, dan is er weinig of geen ruimte.

Voor wie is de jaarruimte interessant?

De jaarruimte is relevant voor iedereen met inkomen in box 1 die te weinig pensioen opbouwt. In de praktijk gaat het vooral om ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap die zelf geen pensioen opbouwen. Ook dga’s en werknemers met een beperkte pensioenregeling hebben vaak ruimte, net als mensen die net een baan zonder pensioen hebben of die na de verkoop of staking van hun onderneming een oudedagsvoorziening willen opbouwen.

Let op: de ruimte is strikt persoonlijk. U kunt uw eigen niet-gebruikte ruimte niet aan uw partner overdragen. Voor de bv zelf geldt de regeling niet; die valt onder de loon- en vennootschapsbelasting.

Hoe berekent u uw jaarruimte 2026?

De hoofdregel voor 2026 is: 30% van de premiegrondslag, verminderd met wat u al aan pensioen hebt opgebouwd. De premiegrondslag is uw inkomen van vorig jaar (winst voor ondernemersaftrek, loon, freelance-resultaat en periodieke uitkeringen). Dat inkomen telt mee tot een plafond van 137.800 euro en wordt verminderd met een vrijgesteld basisbedrag, de AOW-franchise, van 19.172 euro. De maximale premiegrondslag komt daarmee op 118.628 euro, en de maximale jaarruimte voor 2026 op ongeveer 35.589 euro voordat uw pensioenopbouw ervan af gaat. In figuur 1 ziet u die berekening stap voor stap, uitgewerkt voor een winst van 60.000 euro.

  Figuur 1: Van inkomen naar jaarruimte 2026 in vier stappen. Bij 60.000 euro inkomen en geen pensioenopbouw via een werkgever blijft 12.248 euro aftrekbare ruimte over.

De vermindering wegens pensioenopbouw heet de imputatie. Die zorgt ervoor dat u niet dubbel voordeel krijgt: wat u al via een werkgever opbouwt, gaat van uw ruimte af. De gegevens hiervoor (de factor A of de ingelegde premies) vindt u op uw Uniform Pensioenoverzicht (UPO). De Belastingdienst biedt een online rekenhulp waarmee u uw jaarruimte kunt berekenen.

Wat is de reserveringsruimte?

Hebt u een jaar of meer niet uw volledige jaarruimte benut, dan gaat die ruimte niet automatisch verloren. U mag onbenutte ruimte van de afgelopen tien kalenderjaren alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In 2026 kunt u zo maximaal 42.753 euro extra inleggen en aftrekken, bovenop de gewone jaarruimte van dat jaar. Het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar en gebeurt op verzoek in uw aangifte. Vooral in een goed jaar, of in het jaar waarin u stopt met uw onderneming, kan dit een fors voordeel opleveren. Figuur 2 laat zien hoe onbenutte ruimte uit tien jaar zich optelt tot het bedrag dat u alsnog mag aftrekken.

Figuur 2: Onbenutte jaarruimte per jaar over 2016 tot en met 2025. In dit voorbeeld telt dat op tot 40.100 euro, net binnen het maximum van 42.753 euro voor 2026.

Hoeveel belasting bespaart u? Een rekenvoorbeeld

Een groot voordeel van de lijfrenteaftrek is dat deze niet wordt afgetopt. Anders dan bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en de ondernemersaftrek, die in de hoogste schijf tegen maximaal 37,56% aftrekbaar zijn, telt de lijfrentepremie mee tegen uw volledige tarief, tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dat een wezenlijk verschil.

Stel: een zzp’er had vorig jaar 60.000 euro winst en bouwt geen pensioen op. Haar premiegrondslag is 60.000 euro min de AOW-franchise van 19.172 euro, dus 40.828 euro. Haar jaarruimte is 30% daarvan, oftewel 12.248 euro. Stort zij dit bedrag op een lijfrenterekening, dan daalt haar belastbaar inkomen met 12.248 euro. Bij een tarief van 37,56% scheelt dat ruim 4.600 euro belasting nu. Over de uitkering betaalt zij later belasting, meestal tegen een lager tarief (zie figuur 3).

Figuur 3: Hetzelfde inkomen, twee keuzes. Wie de jaarruimte van 12.248 euro benut, betaalt bij een tarief van 37,56% ruim 4.600 euro minder belasting in het jaar van storting.

Welke lijfrentes zijn aftrekbaar en wanneer moet u betalen?

Toegelaten aanbieders en vormen

De premie is alleen aftrekbaar bij een toegelaten aanbieder. Dat is een verzekeraar of een geblokkeerde lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsonderneming (de zogenoemde bancaire lijfrente). Daarnaast moet de lijfrente een toegestane vorm hebben: een oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Bij die laatste mogen de termijnen niet meer bedragen dan 27.192 euro per jaar. Een polis of rekening die niet aan deze eisen voldoet, geeft geen recht op aftrek.

Betalen in het jaar zelf

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte geldt sinds 2011 geen terugwentelingstermijn meer. U moet de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Een premie die u pas in het nieuwe jaar betaalt, telt niet meer mee voor het afgelopen jaar. Alleen bij een lijfrente die u aankoopt met stakingswinst geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Stopt u met uw onderneming? Let op de stakingslijfrente

Zet u de winst uit de staking of verkoop van uw onderneming om in een lijfrente, dan gelden aparte, veel hogere maxima. Afhankelijk van uw leeftijd en situatie kunt u tot 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro omzetten, verminderd met eerder opgebouwde voorzieningen. Voor deze route geldt wel de terugwenteling van zes maanden. Omdat de bedragen en voorwaarden hier complex zijn, is advies vooraf verstandig.

Wat gebeurt er als u de lijfrente later afkoopt?

De premieaftrek is voorwaardelijk. Koopt u de lijfrente later af, verpandt u die, of gebruikt u die anders dan voor periodieke oudedagsuitkeringen, dan neemt de fiscus de eerder afgetrokken premies en het behaalde rendement terug. Dit bedrag wordt belast in box 1 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bovenop de belasting bent u dan in beginsel 20% revisierente verschuldigd, een soort boete voor het verkeerd gebruiken van de regeling.

Er zijn uitzonderingen. Over een klein lijfrentetegoed met een waarde tot 5.513 euro is geen revisierente verschuldigd, en bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag u vervroegd afkopen tot 51.440 euro per jaar zonder deze gevolgen. Ook geldt: voor zover u de premies aantoonbaar niet hebt afgetrokken, is geen revisierente verschuldigd. Een saldoverklaring van de Belastingdienst kan de grondslag dan verlagen. Bewaar daarom uw aangiften en betaalbewijzen goed.

De belangrijkste bedragen voor 2026 op een rij

Parameter Waarde 2026 Vindplaats
Opbouwpercentage jaarruimte 30% art. 3.127 lid 1
Aftoppingsgrens inkomen 137.800 euro art. 3.127 lid 3
AOW-franchise 19.172 euro art. 3.127 lid 3
Maximale premiegrondslag 118.628 euro afgeleid
Maximale jaarruimte (voor imputatie) ± 35.589 euro afgeleid
Maximale reserveringsruimte 42.753 euro art. 3.127 lid 2
Terugblikperiode reserveringsruimte 10 jaar art. 3.127 lid 2
Max. termijn tijdelijke oudedagslijfrente 27.192 euro per jaar art. 3.125
Afkoopgrens klein tegoed (geen revisierente) 5.513 euro art. 3.126a lid 5
Maximaal aftrektarief 49,50% art. 2.10
Revisierente bij afkoop in beginsel 20% art. 30i AWR

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw jaarruimte. Gebruik uw inkomen van vorig jaar en uw pensioenoverzicht (UPO), of de rekenhulp van de Belastingdienst.
  • Controleer de reserveringsruimte. Laat narekenen of u ruimte uit de afgelopen tien jaar alsnog kunt inhalen, tot 42.753 euro.
  • Kies een toegelaten product. Sluit de lijfrente af bij een erkende verzekeraar of bank, in een toegestane vorm.
  • Stort op tijd. Betaal de premie voor 31 december; voor de gewone ruimte is er geen terugwenteling.
  • Verwerk de aftrek in uw aangifte. Neem de premie op als aftrekpost en vraag de reserveringsruimte expliciet aan.
  • Bewaar uw stukken. Houd het UPO, de premiebevestiging en uw aangiften bij voor eventuele controle of een latere saldoverklaring.
  • Denk vooruit bij afkoop. Bespreek de gevolgen van afkoop of verpanding vooraf, om onverwachte belasting en 20% revisierente te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel jaarruimte heb ik in 2026?

Uw jaarruimte is in beginsel 30% van uw premiegrondslag (uw inkomen van vorig jaar, tot 137.800 euro, min de AOW-franchise van 19.172 euro), verminderd met uw pensioenopbouw. De maximale jaarruimte voor 2026 is ongeveer 35.589 euro. De exacte uitkomst hangt af van uw inkomen en uw pensioen.

Kan ik onbenutte ruimte van vorige jaren nog gebruiken?

Ja. Via de reserveringsruimte mag u niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar alsnog inhalen, in 2026 tot maximaal 42.753 euro. U vraagt dit aan in uw aangifte; het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar.

Tot wanneer moet ik de premie betalen?

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte moet u de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Er is geen terugwenteling meer. Alleen bij een stakingslijfrente geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Is lijfrentepremie tegen het hoogste tarief aftrekbaar?

Ja. Anders dan de hypotheekrente en de ondernemersaftrek wordt de lijfrentepremie niet afgetopt op 37,56%. U trekt de premie af tegen uw volledige tarief, in 2026 tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dit een belangrijk voordeel.

Wat kost het afkopen van een lijfrente?

Bij afkoop worden de eerder afgetrokken premies en het rendement teruggenomen en belast in box 1. Daarbovenop bent u in beginsel 20% revisierente verschuldigd. Uitzonderingen gelden voor een klein tegoed tot 5.513 euro en voor afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot 51.440 euro per jaar.

Kan mijn partner mijn jaarruimte gebruiken?

Nee. De jaarruimte is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar tussen partners. Alleen degene die de premie zelf verschuldigd is en betaalt, kan aftrekken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een lijfrente kan tienduizenden euro’s aan aftrek opleveren, maar de berekening luistert nauw: een vergeten imputatie of een te hoge premie leidt tot correcties, en een verkeerde afkoop tot 20% revisierente. Taxcount berekent uw jaar- en reserveringsruimte, controleert uw pensioengegevens en bepaalt hoeveel u fiscaal voordelig kunt inleggen. Ook bij een staking of verkoop van uw onderneming rekenen wij de aparte maxima voor u uit en begeleiden wij de aftrek in uw aangifte. Wilt u weten hoeveel ruimte u dit jaar hebt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen, dan weet u zeker dat u geen voordeel laat liggen en geen fouten maakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u voor uw eigen geval altijd door een adviseur voorlichten.

 

Btw-aftrek op lunch voor uw personeel: zo werken het BUA en de kantineregeling

 

Veel werkgevers regelen iets te eten voor hun medewerkers: een gezamenlijke lunch, een gevulde koelkast of broodjes op kantoor. Sympathiek, maar de btw op die inkopen mag u niet zomaar volledig terugvragen. De Belastingdienst controleert hier actief op en corrigeert de vooraftrek als de regels van het BUA, het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting, worden overschreden. Op deze pagina leest u hoe de regeling werkt, wanneer u moet corrigeren en welke mogelijkheden er zijn als u al een correctie heeft ontvangen.

Waarom mag u de btw op personeelslunches niet altijd aftrekken?

De btw op zakelijke kosten is normaal gesproken aftrekbaar als voorbelasting. Voor uitgaven waar uw personeel privé voordeel van heeft, zoals eten en drinken, geldt echter een uitzondering. De wetgever vindt dat dit consumptie is en heeft de aftrek daarom beperkt via het BUA. De regeling kent een drempel: blijft het voordeel per medewerker onder 227 euro per jaar (bedrag exclusief btw, controleer jaarlijks het actuele bedrag), dan mag u de btw gewoon aftrekken. Komt het voordeel daarboven, dan moet u corrigeren.

Let op: voor eten en drinken dat uw medewerkers in een horecagelegenheid nuttigen, geldt een aparte en strengere regel. Die btw is nooit aftrekbaar, ongeacht het bedrag.

De kantineregeling in vier stappen

Verstrekt u eten en drinken op de zaak, bijvoorbeeld via een kantine, koelkast of lunchtafel, dan geldt niet de gewone BUA-regel maar de speciale kantineregeling. Die werkt zo:

  • Stap 1. Tel de inkoopkosten van al het eten en drinken in het jaar op, exclusief btw.
  • Stap 2. Verhoog dit bedrag met een opslag van 25 procent.
  • Stap 3. Trek de bedragen af die medewerkers zelf hebben betaald (de kantineontvangsten).
  • Stap 4. Deel de uitkomst door het aantal medewerkers. Blijft het bedrag per medewerker, samen met eventuele andere personeelsverstrekkingen, onder de 227 euro-grens, dan hoeft u niets te corrigeren. Komt het erboven, dan betaalt u het verlaagde btw-tarief (9 procent, tarief kan per jaar wijzigen) over het verschil terug aan de Belastingdienst.

De grens van 227 euro en de vuistregel van 83 dagen

Een handige vuistregel: kost de lunch 2,75 euro per medewerker per dag, dan bereikt u de drempel van 227 euro bij ongeveer 83 verstrekkingsdagen per jaar. Wie fulltime op kantoor werkt, zit daar ruim boven. Maar medewerkers die deeltijd werken, thuiswerken of veel afwezig zijn, blijven er vaak onder. De toets gebeurt per medewerker, niet voor het bedrijf als geheel. Dat onderscheid wordt in de praktijk nogal eens vergeten, ook door de Belastingdienst.

Praktijkvoorbeeld: gecorrigeerd bij 2,75 euro per dag

Een werkgever verzorgde dagelijks voor 2,75 euro per medewerker eten tijdens de pauze op de zaak en trok de btw op de inkopen volledig af. Bij een boekenonderzoek corrigeerde de Belastingdienst de volledige vooraftrek: bij ruim 200 werkdagen per jaar komt de kostprijs per medewerker immers ruim boven de 227 euro uit.

Toch bleek er meer mogelijk dan de correctie zomaar accepteren. Uit de aanwezigheidsregistratie volgde dat een flink deel van het personeel door deeltijd en thuiswerken onder de 83 lunchdagen bleef en dus buiten de correctie hoort te vallen. Lunches tijdens werkoverleg en met klanten dienden bovendien vooral het bedrijfsbelang; de Europese rechter heeft beslist dat zulke maaltijden buiten de aftrekbeperking vallen. En de rekensom zelf bleek te hoog: er was gerekend met bedragen inclusief btw en zonder de eigen bijdragen die medewerkers betaalden. Het resultaat: een fors lagere correctie na bezwaar.

Gecorrigeerd door de Belastingdienst? Dit zijn uw mogelijkheden

Een correctie op de vooraftrek is geen eindstation. In bezwaar valt vaak veel te halen, onder meer met deze argumenten:

  • De toets moet per medewerker op werkelijke verstrekkingsdagen gebeuren, niet op een schatting voor het hele personeelsbestand.
  • Maaltijden die vooral het bedrijf dienen, zoals doorwerklunches, werkoverleg en lunches met relaties, vallen op grond van Europese rechtspraak buiten de regeling.
  • Eigen bijdragen van medewerkers verlagen de berekening. Voor jaren tot en met 2023 mochten die ook bij de drempeltoets worden meegenomen.
  • Alleen inkopen waarop daadwerkelijk btw drukt tellen mee, tegen de kostprijs exclusief btw en tegen het juiste tarief.

De bezwaartermijn is kort: zes weken na de naheffingsaanslag. Snel handelen loont dus.

Veelgestelde vragen

Geldt de 227 euro-grens per medewerker of voor het hele bedrijf?

Per medewerker, per jaar. Eén medewerker boven de grens betekent dus niet dat u voor iedereen moet corrigeren.

Tellen koffie en thee ook mee?

Ja, alle spijzen en dranken die u op de zaak verstrekt tellen mee in de kantineberekening.

Wat als medewerkers zelf meebetalen aan de lunch?

Eigen bijdragen verlagen de uitkomst van de kantineberekening. Over de bijdrage draagt u wel btw af, maar de kans dat u onder de drempel blijft wordt groter.

Geldt dit ook voor borrels en personeelsfeesten?

Ja, ook die verstrekkingen tellen mee voor de 227 euro-grens. Vindt de borrel buiten de deur in de horeca plaats, dan is de btw sowieso niet aftrekbaar.

Ik heb al een correctie of naheffing ontvangen. Heeft bezwaar zin?

Vaak wel. De berekening van de Belastingdienst is regelmatig te grof: geen toets per medewerker, geen rekening met zakelijke lunches of eigen bijdragen. Laat de correctie altijd controleren voordat de bezwaartermijn van zes weken verstrijkt.

Gratis hulpmiddelen

Download de documenten hieronder en ontvang ze direct in uw mailbox.

Hulp nodig bij een btw-correctie?

Taxcount helpt ondernemers bij btw-controles, bezwaarprocedures en het slim inrichten van personeelsverstrekkingen. Neem vrijblijvend contact op via www.taxcount.nl of bezoek ons kantoor aan het Lange Voorhout 86 in Den Haag.

Disclaimer: deze pagina bevat algemene informatie en is geen advies voor uw specifieke situatie. Bedragen en tarieven zijn jaargebonden; raadpleeg de actuele cijfers of uw adviseur.

Investeringsaftrek in de BV: zo betaalt u minder vennootschapsbelasting

Investeert uw bv in machines, installaties, inventaris of duurzame bedrijfsmiddelen? Dan mag u vaak meer aftrekken dan alleen de gewone afschrijving. De investeringsaftrek geeft uw bv een extra aftrekpost die de winst verlaagt en dus de vennootschapsbelasting drukt. Er zijn drie vormen: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringsaftrek (EIA) en de milieu-investeringsaftrek (MIA). Voor een bv gelden bovendien een paar extra spelregels die aftrek bij aankopen binnen de eigen groep tegengaan. In dit artikel leest u hoe de investeringsaftrek in de bv in 2026 werkt, welke bedragen gelden en waar u op moet letten.

Wat is investeringsaftrek?

De wetgever wil investeren aanmoedigen. Daarom mag uw bv boven op de normale afschrijving nog een deel van de investering aftrekken. Voor de bv loopt dit via de vennootschapsbelasting: de winst wordt met dezelfde winstregels bepaald als bij een ondernemer in de inkomstenbelasting. Er zijn drie vormen van investeringsaftrek, die figuur 1 naast elkaar zet.

Figuur 1: de drie vormen van investeringsaftrek en hun percentages (2026).

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is de algemene aftrek voor kleinere totale investeringen en geldt bij vrijwel elke investering. De energie-investeringsaftrek (EIA) geeft 40% extra aftrek voor bedrijfsmiddelen die op de Energielijst staan. De milieu-investeringsaftrek (MIA) geeft afhankelijk van de categorie 45%, 36% of 27% extra aftrek voor bedrijfsmiddelen op de Milieulijst. U kunt KIA combineren met EIA of MIA, maar EIA en MIA niet allebei op dezelfde investering toepassen. In alle gevallen kiest u in de aangifte vennootschapsbelasting voor de aftrek.

Hoeveel KIA krijgt uw bv in 2026?

De KIA hangt af van het totale investeringsbedrag in het jaar. In 2026 komt u in aanmerking als u tussen € 2.901 en € 398.236 investeert. Figuur 2 laat de volledige tabel zien.

Figuur 2: de KIA-tabel 2026 en de belangrijkste aandachtspunten voor de bv.

Een voorbeeld maakt het concreet. Koopt uw bv in 2026 een machine van € 50.000, dan valt dat bedrag in de schijf van 28%. De KIA is dan 28% × € 50.000 = € 14.000 extra aftrek, boven op de gewone afschrijving. Bij een vennootschapsbelastingtarief van 19% scheelt dat € 2.660 belasting; bij 25,8% zelfs € 3.612. De KIA telt over het hele investeringsbedrag van het jaar samen. Let op de ondergrens: een bedrijfsmiddel telt alleen mee als de investering per bedrijfsmiddel € 450 of meer bedraagt.

EIA en MIA: extra aftrek voor duurzame investeringen

Investeert uw bv in energiezuinige of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen, dan kan de EIA of MIA een fors voordeel opleveren, boven op de KIA. De EIA is 40% van de energie-investering, de MIA is 45%, 36% of 27% afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. Anders dan de KIA rekenen EIA en MIA alleen over de kwalificerende, aangemelde investering, niet over uw totale investeringsbedrag.

Hier geldt een harde voorwaarde: u moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting elektronisch aanmelden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Deze termijn is fataal. Wie te laat meldt, verliest het recht op EIA of MIA, ook in een verder bonafide situatie. De bedrijfsmiddelen moeten bovendien op de Energielijst of Milieulijst staan (die jaarlijks wordt vernieuwd) en niet eerder gebruikt zijn, met een ondergrens van € 2.500 per bedrijfsmiddel.

Let op als bv: geen aftrek bij transacties binnen de groep

Dit is het punt dat de investeringsaftrek in de bv onderscheidt van die bij een eenmanszaak. De vennootschapsbelasting sluit investeringsaftrek uit als uw bv een bedrijfsmiddel koopt van of via een gelieerde partij. Dat is onder meer het geval bij een aankoop tegen uitreiking van aandelen, of bij een verplichting tegenover iemand die (direct of indirect) voor ten minste een derde aandeelhouder is of dat in de afgelopen vijf jaar was, of tegenover een andere bv waarin hetzelfde belang van een derde speelt.

In gewone taal: koopt uw bv iets van de directeur-grootaandeelhouder (dga) of van een zuster- of moeder-bv uit dezelfde groep, dan kan de aftrek vervallen. Ook een certificaathouder die via een stichting administratiekantoor (STAK) het volledige belang houdt, geldt als gelieerd. Er bestaat wel een versoepeling: voor reële transacties met gelieerde partijen (bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel uit het privévermogen van de dga) staat een besluit de aftrek toch toe. Laat zulke transacties daarom vooraf toetsen, zodat u niet achteraf de aftrek misloopt.

Welke bedrijfsmiddelen zijn uitgesloten?

Niet elke aankoop geeft recht op investeringsaftrek. Uitgesloten zijn onder meer grond, woonhuizen, personenauto’s die niet voor beroepsvervoer worden gebruikt, effecten, vorderingen, goodwill, vergunningen en dieren. Ook bedrijfsmiddelen die u hoofdzakelijk aan derden ter beschikking stelt (verhuurt), tellen niet mee voor de KIA. Twijfelt u of een investering kwalificeert, dan is dat het moment om een fiscalist te raadplegen.

Pas op voor de desinvesteringsbijtelling

Verkoopt of onttrekt uw bv een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het investeringsjaar, en gaat het in totaal om meer dan € 2.900, dan volgt een desinvesteringsbijtelling. Dat betekent dat hetzelfde percentage dat u destijds heeft afgetrokken, weer bij de winst wordt geteld. Houd hier rekening mee als u een bedrijfsmiddel binnen enkele jaren weer van de hand wilt doen, zodat u niet voor een onverwachte bijtelling komt te staan.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Kies in de aangifte. Zonder expliciete keuze in de aangifte vennootschapsbelasting krijgt u geen investeringsaftrek.
  • Meld EIA/MIA op tijd. Meld een energie- of milieu-investering binnen drie maanden na de verplichting aan bij RVO; deze termijn is fataal.
  • Toets transacties binnen de groep. Koopt uw bv van de dga of een gelieerde bv, laat dan vooraf toetsen of de aftrek in stand blijft (art. 8 lid 8 Wet Vpb).
  • Controleer de uitsluitingen. Grond, woningen, gewone personenauto’s, goodwill en aan derden verhuurde zaken geven geen aftrek.
  • Let op de ondergrenzen. KIA vanaf € 450 per bedrijfsmiddel; EIA en MIA vanaf € 2.500 per bedrijfsmiddel.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Verkoop binnen vijf jaar leidt tot een desinvesteringsbijtelling; plan verkopen bewust.

Veelgestelde vragen

Kan een bv ook investeringsaftrek krijgen?

Ja. De investeringsaftrek werkt via de vennootschapsbelasting door naar de bv. De KIA, EIA en MIA gelden dus ook voor bv’s, met een paar extra spelregels voor transacties binnen de eigen groep. Een fiscale beleggingsinstelling is wel uitgesloten.

Hoeveel is de KIA in 2026?

Bij een totale investering tussen € 2.901 en € 71.683 is de KIA 28% van het investeringsbedrag. Daarboven geldt een vast bedrag van € 20.072, dat vanaf € 132.746 geleidelijk afneemt. Boven € 398.236 is er geen KIA meer.

Kan ik KIA, EIA en MIA combineren?

U kunt de KIA combineren met de EIA of de MIA. U mag echter niet zowel de EIA als de MIA op dezelfde investering toepassen. Voor elke aftrek kiest u afzonderlijk in de aangifte.

Wat gebeurt er als ik EIA of MIA te laat aanmeld?

Dan vervalt het recht op die aftrek. De aanmeldtermijn van drie maanden bij RVO is fataal en kan niet achteraf worden hersteld, ook niet als u er verder recht op had. Meld een investering dus direct aan.

Wat is de desinvesteringsbijtelling?

Verkoopt of onttrekt uw bv een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar voor meer dan € 2.900, dan telt de fiscus een deel van de eerder genoten aftrek weer bij de winst. Zo wordt een deel van het voordeel teruggenomen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De investeringsaftrek is een van de aantrekkelijkste aftrekposten voor een bv, maar de details bepalen of u het voordeel echt krijgt: de juiste KIA-schijf, een tijdige RVO-melding voor EIA en MIA, de uitsluiting bij transacties binnen de groep en de desinvesteringsbijtelling. Taxcount beoordeelt uw investeringen, zorgt voor de juiste keuzes in de aangifte vennootschapsbelasting en bewaakt de termijnen, zodat u geen aftrek misloopt. Wilt u weten hoeveel investeringsaftrek uw bv kan benutten? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen. In de tussentijd kan u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u investeringsaftrek claimt.

Zie ook:

Bronnen:

Holdingstructuur opzetten: het verschil dat uw winst beschermt en uw belasting uitstelt

Veel ondernemers houden de aandelen van hun bv privé, tot het moment dat er echt iets op het spel staat: een goede winst, een pand in de zaak, plannen voor opvolging of een mogelijke verkoop. Dan komt de vraag op of het niet slimmer is om een holding op te richten en de werk-bv daaronder te hangen. Een holding oprichten kan grote voordelen geven, maar het “omhangen” van uw aandelen is fiscaal een verkoop, en zonder de juiste route betaalt u daarover direct belasting in box 2. Gelukkig kent de wet vrijstellingen waarmee u een holdingstructuur kunt opzetten zonder nu af te rekenen. In dit artikel leest u wat een holding is, welke routes er zijn (aandelenfusie, juridische fusie of splitsing en geruisloze omzetting), welke voorwaarden gelden en wat u praktisch moet regelen. De bedragen en tarieven gelden voor het belastingjaar 2026.

Wat is een holding en waarom zou u er een oprichten?

Bij een holdingstructuur houdt u de aandelen van uw bedrijfs-bv (de werkmaatschappij) niet zelf, maar via een aparte moeder-bv: de holding. In de werkmaatschappij zit het eigenlijke bedrijf, met het personeel, de klanten en dus de risico’s. De holding zit daarboven en houdt alleen de aandelen, vaak samen met spaargeld, beleggingen of een pand.

Het voordeel: winst kan als dividend van de werkmaatschappij naar de holding, weg van de bedrijfsrisico’s. Verkoopt de holding later de werkmaatschappij, dan is die verkoopwinst bij de holding in de regel onbelast dankzij de deelnemingsvrijstelling (de vrijstelling waardoor winst op een dochter-bv bij de moeder-bv onbelast blijft). Zolang het geld in de holding blijft, stelt u de belasting in box 2 uit tot het moment dat u het naar privé haalt.

Het verschil in cijfers: verkopen met of zonder holding

Twee rekenvoorbeelden maken het verschil concreet. In beide gevallen verkoopt u uw bedrijf met een verkoopwinst van 1.000.000 euro. We rekenen met de box 2-tarieven van 2026 (24,5% tot 68.843 euro en 31% over het meerdere) en gaan ervan uit dat u dat jaar geen ander inkomen in box 2 heeft.

Rekenvoorbeeld 1: u houdt de aandelen privé, zonder holding. De verkoopwinst van 1.000.000 euro valt direct in box 2. Over de eerste 68.843 euro betaalt u 24,5%, dat is 16.866 euro. Over de resterende 931.157 euro betaalt u 31%, dat is 288.659 euro. Samen komt de box 2-belasting uit op ongeveer 305.525 euro, zodat u netto 694.475 euro overhoudt. Figuur 1 laat deze situatie zien.

Figuur 1: Bedrijf verkopen zonder holding, de verkoopwinst valt direct in box 2.

Rekenvoorbeeld 2: u heeft een holding. De holding verkoopt de werkmaatschappij en dezelfde verkoopwinst van 1.000.000 euro valt onder de deelnemingsvrijstelling. Daardoor betaalt u op dat moment 0 euro belasting en komt het volledige bedrag van 1.000.000 euro beschikbaar in de holding. Box 2-belasting betaalt u pas wanneer u geld vanuit de holding naar privé uitkeert, en u bepaalt zelf wanneer en in welk tempo. Figuur 2 toont dit scenario.

Figuur 2: Bedrijf verkopen met holding, de verkoopwinst blijft onbelast via de deelnemingsvrijstelling.

Het verschil tussen figuur 1 en figuur 2 laat zien waarom veel ondernemers een holding oprichten voordat een verkoop in beeld komt. Let op: het gaat om uitstel, niet om afstel. Keert u de volledige 1.000.000 euro later in één jaar uit naar privé, dan betaalt u alsnog ongeveer 305.525 euro box 2-belasting. Het voordeel zit in het uitstel (u kunt met het geld ondertussen doorbeleggen of herinvesteren) en in de mogelijkheid om de uitkering te spreiden over meerdere jaren, zodat u vaker het lage tarief van 24,5% benut. Alle bedragen zijn afgerond.

Waarom is het “omhangen” naar een holding een belaste verkoop?

Houdt u de aandelen van uw bv al privé, dan is het overdragen aan een nieuwe holding fiscaal een vervreemding: elke overgang van aandelen uit uw vermogen telt als een verkoop, ook een ruil of inbreng. Over de waardestijging (het verschil tussen de waarde nu en uw oorspronkelijke verkrijgingsprijs) zou u dan direct box 2-belasting moeten betalen.

Een voorbeeld maakt dit concreet. Stel, uw aandelen in de werk-bv zijn 1.500.000 euro waard en uw verkrijgingsprijs (het bedrag waarvoor u de aandelen ooit kreeg) is 50.000 euro. Zonder vrijstelling zou u bij het omhangen moeten afrekenen over 1.450.000 euro. Tegen de box 2-tarieven van 2026 is dat ongeveer 445.000 euro belasting, en dat terwijl u zelf geen euro in handen krijgt. Om precies dit te voorkomen kent de wet een aantal geruisloze routes.

Welke routes zijn er om een holding op te richten zonder af te rekenen?

De wet biedt drie hoofdroutes om een holdingstructuur op te zetten zonder dat u nu belasting betaalt. Welke route past, hangt af van uw uitgangssituatie: houdt u de aandelen privé, heeft u al een bv-structuur, of drijft u nog een eenmanszaak of vof? Figuur 3 helpt u om in één oogopslag te bepalen welke route bij uw situatie past.

Figuur 3: Beslisboom, welke route past bij uw situatie?

Route 1: de aandelenfusie

Bij een aandelenfusie ruilt u uw aandelen in de werk-bv tegen nieuwe aandelen van de holding. U draagt uw aandelen dus over aan de holding en krijgt daarvoor aandelen in de holding terug. Op verzoek betaalt u op dat moment niets: uw oude, lage verkrijgingsprijs schuift door naar de holdingaandelen. De belastingclaim verdwijnt niet, hij schuift mee. Voorwaarde is onder meer dat de holding met de ruil meer dan de helft van de stemrechten in de werk-bv verkrijgt.

Route 2: de juridische fusie of splitsing

Bij een juridische fusie smelten twee of meer bv’s samen; het vermogen gaat “onder algemene titel” (automatisch, in één keer) over. Bij een juridische splitsing gebeurt het omgekeerde: het vermogen van een bv wordt geheel of deels afgesplitst naar één of meer andere bv’s. De splitsing is een veelgebruikte manier om een holding boven een bestaande werk-bv te plaatsen, of om bijvoorbeeld het vastgoed apart te zetten van de onderneming. Ook hier geldt: op verzoek geen directe heffing.

Er zijn twee vormen van juridische splitsing. Bij een gewone splitsing (ook wel afsplitsing) blijft de werk-bv gewoon bestaan en komt er een nieuwe holding tussen u en de werk-bv, zoals te zien is in figuur 4.

Figuur 4: Gewone splitsing (afsplitsing), er komt een nieuwe holding tussen u en de werk-bv; de werk-bv blijft bestaan.

Bij een zuivere splitsing houdt de gesplitste bv juist op te bestaan. Het vermogen gaat onder algemene titel over naar twee of meer nieuwe bv’s, die vervolgens onder de holding hangen. Figuur 5 laat dit stap voor stap zien.

Figuur 5: Zuivere splitsing, de oorspronkelijke werk-bv verdwijnt en het vermogen gaat over naar twee of meer nieuwe bv’s.

Route 3: eerst een eenmanszaak of vof omzetten

Heeft u nog een eenmanszaak of vof, dan zet u de onderneming eerst geruisloos om in een bv (een omzetting zonder direct af te rekenen over de stille reserves en goodwill). Daarna kunt u, ondanks het driejaarsverbod op verkoop van de nieuwe aandelen, tóch een holding plaatsen via een aandelenfusie of juridische fusie. U legt dan schriftelijk aan de Belastingdienst vast dat de holdingaandelen in de plaats treden van de oude aandelen.

Wat is de belangrijkste voorwaarde: zakelijke redenen

De rode draad bij alle routes is dat de stap zakelijke redenen moet hebben: herstructurering, spreiding van risico of voorbereiding van opvolging. Een holding tussenschuiven vlak voor een geplande verkoop, alleen om de belasting uit te stellen, wordt geweigerd. De wet spreekt van transacties die “in overwegende mate zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing”.

Dit is geen theoretisch risico. In een bekende zaak schoof een ondernemer vlak vóór een concrete verkoop een holding tussen; het verwachte fiscale voordeel was ruim 9 miljoen euro. De rechter oordeelde dat de stap vooral was gericht op uitstel van een acute heffing en weigerde de vrijstelling. De les: richt uw holding op ruim voordat een verkoop concreet wordt, en leg de zakelijke redenen goed vast. Zekerheid vooraf vragen bij de Belastingdienst kan; dat gebeurt met een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is.

Waar moet u op letten nadat de holding staat?

Een holdingstructuur is niet alleen iets om op te zetten, maar ook om te onderhouden. Een paar aandachtspunten die in de praktijk vaak spelen:

  • Lenen van uw bv: leent u samen met uw partner meer dan 500.000 euro van al uw eigen vennootschappen samen, dan wordt het meerdere belast alsof het dividend is. Een holdingstructuur verruimt dit plafond niet, want alle schulden aan al uw bv’s tellen bij elkaar op.
  • Dividend uitkeren: voordat de bv dividend uitkeert, moet het bestuur toetsen of de bv daarna haar rekeningen kan blijven betalen (de uitkeringstoets). Zonder deugdelijke toets kunnen bestuurders aansprakelijk zijn voor een tekort.
  • Vermogen binnen een fiscale eenheid verplaatsen: verplaatst u een pand of bedrijfsonderdeel met stille reserves van de ene bv naar de andere binnen een fiscale eenheid, en verkoopt of ontvoegt u die bv binnen zes jaar (soms drie jaar), dan moet u alsnog afrekenen over de meerwaarde. Hiervoor bestaat geen tegenbewijsregeling.
  • Vastgoed en overdrachtsbelasting: zit er vastgoed in de structuur, houd dan rekening met de overdrachtsbelasting. Sinds 1 juli 2025 gelden nieuwe vrijstellingen bij fusie, interne reorganisatie en splitsing, met eigen driejaarstermijnen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal uw uitgangssituatie: houdt u de aandelen privé, heeft u al een bv-structuur of drijft u nog een eenmanszaak of vof? Dit bepaalt welke route (aandelenfusie, splitsing of eerst een geruisloze omzetting) voor u geschikt is.
  • Toets de zakelijke redenen: zorg dat er een duidelijke zakelijke aanleiding is (risicospreiding, opvolging, herstructurering) en dat er geen concrete verkoop op korte termijn speelt.
  • Vraag zekerheid vooraf: laat de Belastingdienst de faciliteit vóór de transactie bevestigen met een beschikking, zeker bij grotere belangen.
  • Dien de verzoeken op tijd in: de doorschuiving in box 2 werkt alleen op verzoek; laat dit tijdig indienen, uiterlijk voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat.
  • Leg de verkrijgingsprijs vast: administreer de doorgeschoven verkrijgingsprijs zorgvuldig, zodat later duidelijk is welke claim is meegegaan.
  • Regel de notariële uitvoering: een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing loopt via de notaris; stem de stappen op elkaar af.
  • Bewaak de driejaarstermijnen: let op de termijnen na een geruisloze omzetting en bij de overdrachtsbelasting; verkoop binnen die termijnen kan een vrijstelling terugdraaien.
  • Houd het lenen en het dividend in de gaten: bewaak jaarlijks per 31 december het totaal van uw leningen bij de bv en leg de uitkeringstoets bij dividend schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Kost een holding oprichten belasting?

Niet direct, als u een van de wettelijke routes gebruikt (aandelenfusie, juridische fusie of splitsing) en op verzoek de doorschuiving toepast. Uw oude verkrijgingsprijs schuift dan door naar de holdingaandelen. Zonder deze routes is het omhangen een belaste verkoop in box 2.

Wat is het voordeel van een holding bij verkoop?

Verkoopt de holding de werkmaatschappij, dan is de verkoopwinst bij de holding meestal onbelast door de deelnemingsvrijstelling. U betaalt pas box 2-belasting als u geld naar privé haalt. Bij verkoop van privé gehouden aandelen betaalt u direct af, zoals figuur 1 en figuur 2 laten zien.

Kan ik nog een holding oprichten als ik mijn bedrijf wil verkopen?

Dat is riskant. Een holding tussenschuiven met een concrete verkoop in zicht wordt vrijwel zeker geweigerd, omdat de stap dan vooral is gericht op uitstel van belasting. Richt uw holding daarom op ruim voordat een verkoop speelt.

Wat is het verschil tussen een gewone en een zuivere splitsing?

Bij een gewone splitsing (afsplitsing) blijft de werk-bv bestaan en komt er een nieuwe holding tussen u en de werk-bv (figuur 3). Bij een zuivere splitsing verdwijnt de oorspronkelijke bv en gaat het vermogen over naar twee of meer nieuwe bv’s (figuur 4).

Ik heb een eenmanszaak. Kan ik direct een holding krijgen?

Niet in één stap. U zet uw eenmanszaak of vof eerst geruisloos om in een bv. Daarna kunt u, ook binnen het driejaarsverbod, een holding plaatsen via een aandelenfusie of juridische fusie, mits u schriftelijk verklaart dat de holdingaandelen in de plaats treden van de oude aandelen.

Hoeveel mag ik lenen van mijn eigen bv?

U mag samen met uw partner tot 500.000 euro lenen van al uw eigen vennootschappen samen, de eigenwoningschuld meestal niet meegeteld. Boven dat bedrag wordt het meerdere belast als fictief dividend in box 2. Een extra bv in de structuur verhoogt dit plafond niet.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een holding oprichten levert vaak veel op, maar de valkuilen zitten in de details: de juiste route, de zakelijke onderbouwing, de verzoeken en de termijnen. Taxcount brengt uw situatie in kaart, adviseert over de best passende route (aandelenfusie, fusie of splitsing, of eerst een geruisloze omzetting), verzorgt de aanvraag van zekerheid vooraf bij de Belastingdienst en stemt de uitvoering af met uw notaris. Ook daarna houden wij de aandachtspunten voor u bij, van het leenplafond tot de uitkeringstoets en de driejaarstermijnen.

Overweegt u een holding op te richten of wilt u uw bestaande structuur laten optimaliseren? Laat uw situatie vrijblijvend beoordelen door de adviseurs van Taxcount, dan weet u precies welke stappen voor u het meeste opleveren.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u een holdingstructuur opzet of wijzigt.

Zie ook:

Willekeurige afschrijving: zo bepaalt u zelf wanneer u aftrekt

Normaal schrijft u een bedrijfsmiddel in vaste stappen af en verdeelt u de kosten over minstens vijf jaar. Voor sommige investeringen mag u zelf bepalen in welk tempo u afschrijft. Dat heet willekeurige afschrijving. Door de aftrek naar voren te halen, verlaagt u uw winst in een vroeg jaar en betaalt u later belasting. In dit artikel leest u wat willekeurige afschrijving is, voor wie zij geldt, welke voorwaarden er in 2026 gelden en wat zij oplevert.

Wat is willekeurige afschrijving?

Bij gewone afschrijving trekt u ieder jaar maximaal 20% van de aanschafprijs af, zodat u er minstens vijf jaar over doet. Met willekeurige afschrijving bepaalt u dat tempo zelf. U mag het af te schrijven bedrag naar eigen keuze over de jaren verdelen en zelfs in het eerste jaar alles ineens aftrekken.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. U schrijft niet meer af, maar wel eerder. Doordat u de aftrek naar voren haalt, betaalt u de belasting pas later. Zo houdt u het geld langer in het bedrijf en bespaart u rente. Het gaat dus om een liquiditeits- en rentevoordeel en om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt de regeling?

Willekeurige afschrijving is niet voor alle investeringen mogelijk. Zij geldt voor twee groepen:

Milieu-investeringen (VAMIL): ondernemingen die investeren in een bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat en dat nieuw en nog niet gangbaar is. Deze variant geldt voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en er is geen urencriterium.

Startende ondernemers: natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek (de startersaftrek) mogen sneller afschrijven op hun investeringen. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Voorwaarden in 2026

Welke voorwaarden gelden, hangt af van de variant.

Voor milieu-investeringen (VAMIL):

  • Het bedrijfsmiddel staat op de Milieulijst en is nieuw en niet eerder gebruikt.
  • U meldt de investering binnen drie maanden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
  • De kosten bedragen minstens € 2.500 per melding.
  • U mag 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de overige 25% volgt de normale afschrijvingsregels.
  • VAMIL gaat wel samen met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA).

Voor startende ondernemers:

  • U bent een natuurlijk persoon met recht op de startersaftrek in dat jaar.
  • Uw investering blijft binnen het jaarlijkse plafond, dat gelijk is aan het maximale investeringsbedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Over het meerdere geldt de normale afschrijving.

Voor beide varianten geldt dat u de keuze voor willekeurige afschrijving in uw aangifte moet maken; het gebeurt niet automatisch. Voldoet u binnen de sanctietermijn (vijf jaar voor starters, tien jaar voor zeeschepen) niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een startende ondernemer koopt een machine van € 50.000. De restwaarde is nihil en de levensduur vijf jaar. We rekenen met een belastingtarief van ongeveer 37%.

Scenario A: normale afschrijving

  • Afschrijving: € 10.000 per jaar, vijf jaar lang.
  • Belastingvoordeel: ongeveer € 3.700 per jaar.
  • Het voordeel is gelijkmatig over vijf jaar verdeeld.

Scenario B: willekeurige afschrijving

  • Afschrijving: de volle € 50.000 in jaar 1.
  • Belastingvoordeel jaar 1: ongeveer 37% x € 50.000 = € 18.500.
  • In de jaren erna is er niets meer af te schrijven, dus geen aftrek meer.

De conclusie: in scenario B betaalt u in jaar 1 ongeveer € 18.500 minder belasting dan zonder de machine, terwijl dat bij scenario A pas over vijf jaar oploopt. Het totale voordeel is in beide gevallen even groot; met willekeurige afschrijving heeft u het geld alleen eerder tot uw beschikking.

Praktische gevolgen

Willekeurige afschrijving levert geen extra aftrek op, alleen vervroeging. Dat maakt de timing belangrijk. Let op het volgende:

  • Maak de keuze in uw aangifte. De faciliteit komt niet automatisch.
  • Meld milieu-investeringen op tijd bij RVO, binnen drie maanden. Te laat melden betekent geen recht op VAMIL.
  • Bewaak het plafond bij de startersvariant en houd rekening met uitgesloten bedrijfsmiddelen.
  • Denk aan het tarief. In een verlieslatend of laagbelast jaar kan vervroegd afschrijven juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo op basis van uw verwachte winst.
  • Houd rekening met de terugname. Verandert het gebruik of verkoopt u het bedrijfsmiddel binnen de termijn, dan kan het voordeel worden teruggedraaid.

Conclusie en advies

Willekeurige afschrijving is een aantrekkelijke manier om belasting uit te stellen en geld in uw onderneming te houden, vooral bij milieu-investeringen en voor startende ondernemers. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel, geen permanente aftrek. Het rendement hangt sterk af van de timing en van uw verwachte winst en tarief.

Overweegt u een investering in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel, of bent u een startende ondernemer die versneld wil afschrijven? Laat de fiscalisten van Taxcount berekenen wat het u oplevert en wanneer vervroegd afschrijven verstandig is, zodat u het maximale uit uw investering haalt.

Zie ook:

Herinvesteringsreserve: zo schuift u belasting over uw boekwinst door

 

Verkoopt u een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maakt u boekwinst en betaalt u daar normaal meteen belasting over. Wilt u opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuift u de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stelt u de belasting uit. In 2026 moet u dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel leest u hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat u de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als u een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet u die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trekt u de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor u er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat u duurzaam in uw bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die u als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat u de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. U verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boekt u de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijft u minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaalt u de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat u zelf uitkomt.

Figuur 1: u vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: u verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, u hebt het voornemen om te herinvesteren en u herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet u onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat u tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteert u ten onrechte niet en verwerkt u de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schendt u de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regelt u bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg uw plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat u het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat u uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

U moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin u de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doet u dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. U trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die u duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt uw voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount berekent uw boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in uw administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stelt u belasting uit zonder dat u een onverwachte vrijval riskeert. Overweegt u een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

MKB-winstvrijstelling 2026: de vaste korting die uw winst met 12,7% verlaagt

 

Als ondernemer betaalt u inkomstenbelasting over de winst van uw onderneming. Wat veel ondernemers niet beseffen, is dat een vast deel van die winst helemaal buiten de heffing blijft. Dat regelt de mkb-winstvrijstelling: in 2026 is 12,7% van uw winst vrijgesteld, nadat eerst de ondernemersaftrek van de winst is afgehaald. U hoeft er niets voor aan te vragen en u hoeft geen minimumaantal uren te werken. In dit artikel leest u wat de mkb-winstvrijstelling in 2026 inhoudt, voor wie zij geldt, hoe de berekening precies werkt en waar u op moet letten, ook in een jaar met verlies.

Wat is de mkb-winstvrijstelling?

De mkb-winstvrijstelling is een vaste korting op de winst van ondernemers. Zij is de allerlaatste stap voordat uw belastbare winst uit onderneming vaststaat. Van de winst die overblijft nadat u de ondernemersaftrek hebt toegepast, is 12,7% vrijgesteld. Over dat deel betaalt u geen inkomstenbelasting.

De vrijstelling werd in 2007 ingevoerd als tegenwicht voor de verlaging van de vennootschapsbelasting, om te voorkomen dat ondernemers massaal naar de bv zouden overstappen. Het is dus geen subsidie voor een bepaalde investering, maar een algemene verlaging van de belastbare winst die voor vrijwel elke ondernemer geldt.

Wie heeft recht op de mkb-winstvrijstelling?

De vrijstelling geldt voor iedereen die voor de inkomstenbelasting ondernemer is: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht de omvang of de sector. Sinds 2010 is er geen urencriterium meer, zodat ook parttime-ondernemers, ondernemers met een baan ernaast en starters ervan profiteren.

Een aantal groepen valt er buiten. Medegerechtigden, zoals een commanditaire (stille) vennoot, krijgen de vrijstelling niet. Ook resultaatgenieters (bijvoorbeeld freelancers met resultaat uit overige werkzaamheden) en terbeschikkingstellers (iemand die een pand aan de eigen bv verhuurt) hebben er geen recht op. Gewone werknemers en directeuren-grootaandeelhouders van een bv vallen er evenmin onder. De kernvraag is dus of u echt ondernemer bent; is dat het geval, dan volgt de vrijstelling vanzelf.

Hoe berekent u de mkb-winstvrijstelling?

De berekening gaat in twee stappen (zie figuur 1). Eerst neemt u de gezamenlijke winst uit al uw ondernemingen en haalt daar de ondernemersaftrek af. De ondernemersaftrek is de verzamelnaam voor aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Van het bedrag dat dan overblijft, is 12,7% vrijgesteld.

Figuur 1: de mkb-winstvrijstelling wordt in twee stappen berekend, na de ondernemersaftrek. Het percentage is de laatste jaren stap voor stap verlaagd tot 12,7% in 2026.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, u maakt in 2026 een winst van 60.000 euro en u hebt recht op 1.200 euro zelfstandigenaftrek. Eerst trekt u de aftrek af: 60.000 euro min 1.200 euro is 58.800 euro. Daarover past u de mkb-winstvrijstelling toe: 12,7% van 58.800 euro is afgerond 7.468 euro. Uw belastbare winst wordt dan 58.800 euro min 7.468 euro, dus 51.332 euro. U hoeft hiervoor niets aan te vragen; de vrijstelling wordt automatisch in uw aangifte verwerkt.

Figuur 2: in het voorbeeld krimpt de winst van 60.000 euro via de ondernemersaftrek en de vrijstelling tot een belastbare winst van 51.332 euro.

Kenmerk Waarde in 2026
Vrijstellingspercentage 12,7% van de winst
Grondslag winst na aftrek van de ondernemersaftrek
Urencriterium niet vereist (vervallen sinds 2010)
Toepassing automatisch, geen keuze of aanvraag
Maximaal aftrektarief in hoogste schijf 37,56%

 

Wat betekent de vrijstelling in een jaar met verlies?

De mkb-winstvrijstelling werkt in beide richtingen. Lijdt u verlies, dan verkleint de vrijstelling juist dat verlies met 12,7%. Bij een verlies van 10.000 euro blijft fiscaal 8.730 euro over om met andere jaren te verrekenen. Dat is bewust zo geregeld, omdat de vrijstelling feitelijk als een tariefmaatregel werkt. In een verliesjaar pakt zij dus nadelig uit, wat van belang is als u het verlies wilt verrekenen met winst uit andere jaren.

Waarom telt de vrijstelling niet altijd tegen het toptarief?

De vrijstelling verlaagt uw belastbare winst, maar zij verlaagt niet het tarief. Sinds 2020 wordt het tarief waartegen aftrekposten zoals deze vrijstelling meetellen stap voor stap afgebouwd. Valt uw inkomen in de hoogste schijf, dan telt de vrijstelling in 2026 mee tegen maximaal 37,56%, en niet tegen het toptarief van 49,50%. Voor ondernemers met een hoog inkomen ontstaat zo een verschil tussen het tarief van de winst en dat van de vrijstelling. Voor de meeste ondernemers speelt dit niet, omdat hun winst onder de bovengrens van de eerste schijf blijft.

Praktische checklist: dit regelt u rond de mkb-winstvrijstelling

  • Ondernemerschap vaststellen: controleer of u echt ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en niet slechts medegerechtigde, resultaatgenieter of terbeschikkingsteller. Alleen dan hebt u recht op de vrijstelling.
  • Volgorde bewaken: zorg dat eerst de ondernemersaftrek van de winst wordt afgehaald en pas daarna de 12,7% vrijstelling wordt berekend. De volgorde is dwingend en bepaalt de uitkomst.
  • Aangifte controleren: u hoeft niets aan te vragen, maar controleer wel dat de vrijstelling correct in uw aangifte staat.
  • Verliesjaren doorrekenen: houd er rekening mee dat de vrijstelling een verlies verkleint. Betrek dit in uw planning voor verliesverrekening.
  • Buitenlandse winst: hebt u buitenlandse winst waarvoor u voorkoming van dubbele belasting claimt, laat dan de berekening controleren; de vrijstelling werkt door in die aftrek.

Veelgestelde vragen

Moet ik het urencriterium halen voor de mkb-winstvrijstelling?

Nee. Sinds 2010 geldt er geen urencriterium meer voor de mkb-winstvrijstelling. Ook als u weinig uren in uw onderneming steekt, hebt u recht op de vrijstelling, zolang u ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

Hoeveel bedraagt de mkb-winstvrijstelling in 2026?

In 2026 is de vrijstelling 12,7% van de winst na aftrek van de ondernemersaftrek. In 2024 was dit nog 13,31% en het percentage is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd.

Moet ik de mkb-winstvrijstelling aanvragen?

Nee. De vrijstelling wordt automatisch toegepast in uw aangifte inkomstenbelasting. U hoeft geen keuze te maken en geen apart verzoek in te dienen.

Geldt de vrijstelling ook als ik verlies maak?

Ja, maar dan pakt zij nadelig uit. De vrijstelling verkleint uw verlies met 12,7%, waardoor u minder verlies overhoudt om met andere jaren te verrekenen.

Krijgt een dga ook de mkb-winstvrijstelling?

Nee. De vrijstelling geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een directeur-grootaandeelhouder werkt via een bv en valt onder de vennootschapsbelasting en box 2, en heeft daarom geen recht op de mkb-winstvrijstelling.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount controleert of u als ondernemer kwalificeert, berekent uw voordeel en zorgt dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling in de juiste volgorde en correct in uw aangifte terechtkomen. Ook denken wij met u mee over de gevolgen in verliesjaren en bij buitenlandse winst, zodat u geen voordeel laat liggen en geen onnodig risico loopt. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit de ondernemersregelingen haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling van uw situatie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

Innovatiebox: zo betaalt u 9% belasting over uw innovatiewinst

Ontwikkelt uw bv zelf iets innovatiefs, zoals een product, een techniek of software? Dan betaalt u over de winst daaruit misschien veel meer belasting dan nodig. Met de innovatiebox wordt die innovatiewinst namelijk effectief tegen 9 procent belast, in plaats van tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief van 25,8 procent. Daar staan wel strenge voorwaarden tegenover. In dit artikel leest u wat de innovatiebox is, wanneer uw onderneming kwalificeert en hoe het voordeel wordt berekend.

Wat is de innovatiebox?

De innovatiebox is een fiscale faciliteit voor winst uit innovatie (artikel 12b Wet op de vennootschapsbelasting 1969). Normaal betaalt een bv over haar winst 25,8 procent vennootschapsbelasting in de hoogste schijf. Valt een deel van de winst in de innovatiebox, dan wordt over dat deel effectief maar 9 procent belasting geheven.

Technisch is het geen apart tarief, maar een grondslagvermindering: van de innovatiewinst wordt maar een deel in de belasting betrokken en de rest is vrijgesteld. Het effect is dat u per saldo 9 procent betaalt over de winst die in de box valt. De innovatiebox is een keuze: u moet er bij uw aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor kiezen.

Voor wie is de innovatiebox bedoeld?

De innovatiebox is bedoeld voor lichamen die vennootschapsbelasting betalen en zelf onderzoek en ontwikkeling doen: in de praktijk vooral de bv en de nv. Kern is dat u een eigen immaterieel activum hebt voortgebracht, bijvoorbeeld een zelf ontwikkelde uitvinding, techniek, werkwijze of software, en dat daarvoor een S&O-verklaring (WBSO) is afgegeven.

Typische situaties zijn een technologiebedrijf dat software of hardware ontwikkelt, een maakbedrijf met een zelf ontworpen productieproces of machine, of een onderneming die licentie-inkomsten of royalty’s ontvangt uit eigen technologie. Ook als u een deel van het ontwikkelwerk uitbesteedt, kunt u de box benutten, mits u het activum voor eigen rekening en risico ontwikkelt en zelf de regie voert. Voor een eenmanszaak of vof is de innovatiebox niet van toepassing; die vallen onder de inkomstenbelasting.

Wanneer kwalificeert u voor de innovatiebox?

De toegang tot de innovatiebox verloopt in twee stappen (zie figuur 1). De eerste stap geldt altijd: u hebt een S&O-verklaring (WBSO) nodig voor het speur- en ontwikkelingswerk dat tot het activum heeft geleid. Zonder die verklaring is er geen toegang.

Figuur 1: de toegang verloopt in twee stappen. De S&O-verklaring is altijd nodig; grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig.

De tweede stap geldt alleen voor grotere belastingplichtigen. Zij hebben naast de S&O-verklaring een tweede toegangsbewijs nodig, bijvoorbeeld een octrooi, een kwekersrecht, software, een geneesmiddelvergunning of een vergelijkbaar recht. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan de S&O-verklaring alleen. U bent een kleinere belastingplichtige als uw voordelen uit innovatie over vijf jaar samen onder 37,5 miljoen euro blijven en de omzet van uw groep onder 250 miljoen euro. Merken, logo’s en vergelijkbare zaken kwalificeren nooit, omdat hun succes vooral van marketing afhangt.

Hoe wordt het voordeel berekend?

Het voordeel geldt pas nadat u de drempel hebt ingelopen. Alle ontwikkelkosten en eventuele innovatieverliezen moeten eerst tegen het gewone tarief zijn terugverdiend voordat het lage tarief begint. Daarnaast wordt het voordeel beperkt door de zogenoemde nexusbreuk: eigen onderzoek telt volledig mee, maar werk dat u uitbesteedt aan een eigen groepsvennootschap verlaagt het voordeel (zie figuur 2).

Figuur 2: eerst loopt u de drempel in, daarna past u de nexusbreuk toe. Over het kwalificerende voordeel dat overblijft, betaalt u effectief 9%.

Een rekenvoorbeeld laat de omvang zien. Stel, uw bv heeft 300.000 euro aan kwalificerende innovatiewinst, na aftrek van de drempel en toepassing van de nexusbreuk. Zonder innovatiebox betaalt u daarover 25,8 procent, dat is 77.400 euro. Met de innovatiebox wordt maar een deel van die winst belast, zodat u per saldo 9 procent betaalt, dat is 27.000 euro. Het voordeel is dan 77.400 euro min 27.000 euro is 50.400 euro in dat jaar (zie figuur 3).

Figuur 3: over 300.000 euro innovatiewinst betaalt u met de innovatiebox 27.000 euro in plaats van 77.400 euro, een voordeel van 50.400 euro.

De vereenvoudigde regeling voor het mkb

Voor kleinere bedrijven bestaat een praktische, forfaitaire route. Daarbij stelt u het kwalificerende voordeel vast op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar. U mag deze route gebruiken als u in het jaar zelf of in een van de twee voorafgaande jaren een kwalificerend activum hebt voortgebracht, en per activum maximaal drie jaar.

Deze forfaitaire regeling scheelt veel rekenwerk, omdat u het voordeel niet uitgebreid hoeft te onderbouwen met een aparte voordeelberekening en nexusbreuk. Voor bedrijven met een beperkte innovatiewinst is dit vaak de eenvoudigste manier om toch van de innovatiebox te profiteren.

Waar moet u op letten?

De innovatiebox is een keuzefaciliteit: doet u niets, dan volgt geen sanctie, maar u betaalt dan wel te veel belasting. De risico’s zitten in de toepassing. Maakt u niet aannemelijk dat u zelf een kwalificerend activum hebt voortgebracht, dan wordt de box geweigerd. Een S&O-verklaring alleen is niet genoeg: u moet kunnen aantonen welk activum u zelf hebt ontwikkeld.

Let daarnaast op de terugname, ook wel clawback genoemd. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die aanvraag uiteindelijk afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog bij de winst geteld. Groeit uw onderneming van klein naar groot zonder tweede toegangsbewijs, dan vervalt de box direct vanaf dat boekjaar. Zorg ten slotte voor een goede administratie waarin u het bezit van het activum, de hoogte van de voordelen en de berekeningswijze vastlegt.

Praktische checklist: dit regelt u rond de innovatiebox

  • WBSO aanvragen: vraag tijdig een S&O-verklaring aan en behoud die; zonder WBSO is er geen toegang tot de innovatiebox.
  • Activum vastleggen: beschrijf welk eigen product, welke techniek of software u hebt ontwikkeld; kennis, databases, merken en logo’s tellen niet mee.
  • Tweede toegangsbewijs regelen: controleer als grotere onderneming of u naast de WBSO een octrooi, kwekersrecht, software of vergelijkbaar recht hebt.
  • Keuze maken in de aangifte: kies bij uw aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor toepassing van de innovatiebox.
  • Drempel en nexus berekenen: loop eerst de ontwikkelkosten in en pas de nexusbreuk toe; leg de berekening onderbouwd vast.
  • Forfait overwegen: bekijk of de eenvoudige forfaitaire regeling (25 procent van de winst, maximaal 25.000 euro) voor u volstaat.
  • Administratie op orde houden: leg het bezit van het activum, de voordelen en de berekeningswijze vast, zodat u bij een controle sterk staat.

Veelgestelde vragen

Hoeveel belasting bespaar ik met de innovatiebox?

Over de winst die in de box valt betaalt u effectief 9 procent in plaats van 25,8 procent, een verschil van 16,8 procentpunt. Bij 300.000 euro innovatiewinst scheelt dat ongeveer 50.400 euro belasting per jaar.

Heb ik een octrooi nodig voor de innovatiebox?

Niet altijd. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan een S&O-verklaring (WBSO). Grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig, zoals een octrooi, kwekersrecht of software.

Geldt de innovatiebox ook voor een eenmanszaak of vof?

Nee. De innovatiebox is een regeling in de vennootschapsbelasting en geldt alleen voor bv’s, nv’s en andere belastingplichtige lichamen. Een eenmanszaak of vof valt onder de inkomstenbelasting.

Wat is de forfaitaire innovatiebox?

Dat is een vereenvoudigde route waarbij u het voordeel vaststelt op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar en maximaal drie jaar per activum. U hoeft dan geen uitgebreide voordeelberekening te maken.

Kan het voordeel later worden teruggenomen?

Ja, in bepaalde gevallen. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog belast. Dit heet de clawback.

Moet ik de innovatiebox zelf aanvragen?

U kiest er bij uw aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor. In de praktijk maken veel bedrijven vooraf afspraken met de Belastingdienst over de toepassing; bij het mkb-forfait is dat vooroverleg niet verplicht.

Hoe Taxcount u kan helpen

De innovatiebox kan een fors en structureel voordeel opleveren, maar de toegangs- en onderbouwingseisen zijn zwaar. Taxcount beoordeelt of u een kwalificerend activum hebt voortgebracht, regelt en bewaakt de S&O-verklaring en een eventueel tweede toegangsbewijs, en berekent uw voordeel met de drempel en de nexusbreuk. Voor kleinere ondernemingen bekijken wij of de eenvoudige forfaitaire regeling het meeste oplevert.

Wilt u weten of uw bv in aanmerking komt voor het effectieve tarief van 9 procent? Leg uw innovatie voor aan Taxcount, dan onderzoeken wij de mogelijkheden en zorgen wij voor een goede onderbouwing.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Deelnemingsvrijstelling: zo blijft winst uit uw dochter-bv onbelast

Heeft u een holding met daaronder een of meer werk-bv’s, dan is de deelnemingsvrijstelling waarschijnlijk de belangrijkste fiscale regeling voor u. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst uit een dochtervennootschap bij uw holding onbelast blijven. Zo betaalt u niet twee keer vennootschapsbelasting over dezelfde winst. In dit artikel leest u wanneer sprake is van een deelneming, wat er wel en niet onder de vrijstelling valt, en waar u op moet letten om verrassingen te voorkomen.

Wat is de deelnemingsvrijstelling?

Als een bv winst maakt, betaalt zij daarover vennootschapsbelasting. Keert die bv de winst daarna als dividend uit aan haar moeder-bv, dan zou de moeder er nog een keer belasting over betalen. Datzelfde speelt bij de verkoop van een dochter: de verkoopwinst weerspiegelt vaak winst die al belast is of nog belast wordt. De deelnemingsvrijstelling voorkomt die dubbele heffing. Voordelen uit een deelneming, zoals dividend en verkoopwinst, blijven bij de moeder buiten de winst en dus onbelast.

De vrijstelling werkt twee kanten op. Niet alleen winst en dividend zijn vrijgesteld, ook een verlies op de deelneming is niet aftrekbaar, en de kosten van aankoop of verkoop van de deelneming zijn dat evenmin. Wie een deelneming met winst verkoopt, hoeft dus niets af te rekenen. Wie hem met verlies verkoopt, kan dat verlies in beginsel niet aftrekken.

Wanneer is sprake van een deelneming?

Er is sprake van een deelneming bij een belang van ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Dat kan een Nederlandse of een buitenlandse vennootschap zijn. Ook een belang van 5 procent in een fonds voor gemene rekening telt mee, en bij een coöperatie is elk lidmaatschap al genoeg. Voor bepaalde belangen in EU-vennootschappen kan onder voorwaarden ook het stemrecht meetellen.

Zakt uw belang onder de 5 procent, dan is er in beginsel geen deelneming meer. Er geldt echter een aflooptermijn van drie jaar als u het belang daarvoor meer dan een jaar onafgebroken boven de 5 procent hield. In die periode blijft de vrijstelling nog gelden. De beslisboom in figuur 1 laat zien hoe u stap voor stap beoordeelt of uw belang onder de vrijstelling valt.

 Figuur 1: beslisboom in vier stappen. U toetst achtereenvolgens of u ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt, of u het belang als belegging houdt, of de dochter laagbelast is en of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming. Groen betekent dat de vrijstelling geldt, rood dat die niet geldt.

Rekenvoorbeeld

Een holding bezit 100 procent van de aandelen in een werk-bv. De werk-bv maakt 500.000 euro winst, betaalt daarover vennootschapsbelasting en keert 300.000 euro als dividend uit aan de holding. Door de deelnemingsvrijstelling is dat dividend van 300.000 euro bij de holding volledig onbelast. Verkoopt de holding de werk-bv later voor 2.000.000 euro meer dan de aankoopprijs, dan is ook die verkoopwinst van 2.000.000 euro vrijgesteld (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van een holding met een werk-bv. Links keert de werk-bv uit een winst van 500.000 euro een dividend van 300.000 euro uit, rechts verkoopt de holding de werk-bv met 2.000.000 euro verkoopwinst. In beide gevallen betaalt de holding 0 euro vennootschapsbelasting, dus blijft 2.300.000 euro onbelast binnen de holding.

Wanneer geldt de vrijstelling niet?

De deelnemingsvrijstelling geldt niet altijd. Houdt u een belang als belegging en is de dochter laagbelast, dan is er sprake van een beleggingsdeelneming. In dat geval geldt de vrijstelling in beginsel niet. Er is dan pas toch vrijstelling als het een kwalificerende beleggingsdeelneming is: de dochter wordt naar Nederlandse begrippen reëel belast, of haar bezittingen bestaan doorgaans voor minder dan de helft uit laagbelaste beleggingen. Dit onderscheid speelt vooral bij internationale structuren. Ook een fiscale beleggingsinstelling valt buiten de vrijstelling. Deze afwegingen ziet u terug in de beslisboom (figuur 1).

Waar u verder op moet letten

Verandert het regime van een belang, bijvoorbeeld doordat een deelneming een beleggingsdeelneming wordt of andersom, dan moet u het resultaat splitsen over de perioden waarin de vrijstelling wel en niet gold. Dat heet compartimenteren. Let ook op eerder afgewaardeerde vorderingen op de dochter: bij verkoop of omzetting daarvan kan een bijtelling volgen. Deze onderwerpen zijn technisch, dus laat ze bij twijfel beoordelen door een adviseur.

Wat levert de vrijstelling op?

De waarde van de vrijstelling hangt samen met het tarief van de vennootschapsbelasting. In 2026 is dat tarief 19 procent over de winst tot 200.000 euro en 25,8 procent over het meerdere. Doordat dividend en verkoopwinst onbelast blijven, kan de deelnemingsvrijstelling bij een bedrijfsverkoop of een winstuitkering binnen het concern een zeer groot voordeel opleveren.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Belang toetsen. Ga na of u ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt; alleen dan is er een deelneming.
  • Karakter bepalen. Beoordeel of u het belang als belegging houdt en of de dochter laagbelast is; dat bepaalt of de vrijstelling geldt.
  • Kosten juist verwerken. Houd aan- en verkoopkosten van de deelneming en een deelnemingsverlies buiten aftrek.
  • Regimewijziging signaleren. Verandert de status van een deelneming, laat dan de compartimentering beoordelen.
  • Vorderingen bewaken. Let bij een eerder afgewaardeerde vordering op de dochter op een mogelijke bijtelling bij verkoop of omzetting.

Veelgestelde vragen

Vanaf welk percentage geldt de deelnemingsvrijstelling?

Vanaf een belang van 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Bij een coöperatie is elk lidmaatschap al voldoende.

Is dividend uit mijn werk-bv onbelast?

Ja, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, blijft het dividend dat uw holding uit de werk-bv ontvangt onbelast in de vennootschapsbelasting.

Is de verkoopwinst van een dochter belast?

Nee, als de deelnemingsvrijstelling geldt, is de winst bij verkoop van de deelneming vrijgesteld. Een verlies bij verkoop is dan echter ook niet aftrekbaar.

Wat is een beleggingsdeelneming?

Een deelneming die u als belegging houdt in een laagbelaste vennootschap. Daarop geldt de vrijstelling in beginsel niet, tenzij het een kwalificerende beleggingsdeelneming is.

Zijn de aankoopkosten van een deelneming aftrekbaar?

Nee. De kosten van aankoop en verkoop van een deelneming vallen onder de vrijstelling en zijn niet aftrekbaar van de winst.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of uw belangen onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook bij internationale structuren en beleggingsdeelnemingen. Wij helpen u bij de opzet van een holdingstructuur, bij de verwerking van dividend en verkoopwinst in de aangifte vennootschapsbelasting en bij lastige onderwerpen zoals compartimentering en afgewaardeerde vorderingen. Overweegt u een herstructurering of verkoop? Laat uw situatie vooraf door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

Te veel belasting betaald? Zo vraagt u geld over oude jaren terug

Ontdekt u dat u in een eerder jaar te veel belasting heeft betaald, bijvoorbeeld door een vergeten aftrekpost, een fout in uw aangifte of een te hoge aanslag? Dan is dat geld vaak nog terug te halen. Wie te veel betaalde belasting wil terugvragen, heeft twee routes: binnen zes weken via een bezwaar, en daarna nog jarenlang via een verzoek om ambtshalve vermindering. In dit artikel leest u welke route wanneer geldt, welke termijnen in 2026 hard zijn en hoe u voorkomt dat u geld definitief laat liggen.

Twee routes naar teruggaaf

Zodra u een belastingaanslag of beschikking ontvangt, kunt u daartegen bezwaar maken. Bezwaar is uw formele protest bij de Belastingdienst. De termijn is zes weken en start op de dag na de dagtekening, de datum die op het aanslagbiljet staat. Betaalt of draagt u belasting zelf af op aangifte, zoals btw of loonheffing, dan start de termijn op de dag na de betaling of inhouding. Binnen die zes weken kunt u de aanslag inhoudelijk laten corrigeren en houdt u al uw rechten open.

Is de termijn van zes weken voorbij, dan is de aanslag onherroepelijk: definitief. Toch bestaat er dan nog een tweede route. De inspecteur kan een onjuiste aanslag ambtshalve verminderen en te veel betaalde belasting alsnog teruggeven. Ambtshalve vermindering is een correctie die de Belastingdienst buiten de bezwaartermijn om verleent, op uw verzoek of uit eigen beweging. Dient u per ongeluk te laat bezwaar in, dan wordt dat bezwaar niet inhoudelijk behandeld, maar automatisch als zo’n verzoek opgevat. Het verschil met bezwaar is belangrijk: bij de meeste belastingen kunt u tegen een afwijzing van dit verzoek niet in beroep bij de rechter. Alleen bij de inkomstenbelasting staat die weg wel open.

Termijnen en voorwaarden

De tijd is bij het terugvragen van belasting de belangrijkste grens. Twee termijnen bepalen wat mogelijk is:

  • Bezwaar: zes weken na de dagtekening van de aanslag, of na de dag van betaling of inhouding bij belastingen die u zelf afdraagt.
  • Ambtshalve vermindering: tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar. In 2026 betekent dit dat u nog terecht kunt voor het jaar 2021 en later; voor oudere jaren is de termijn verstreken.

Naast de termijn gelden nog enkele voorwaarden. U moet de gevraagde aangifte hebben gedaan en uw administratie op orde hebben, anders krijgt u alleen teruggaaf als u overtuigend aantoont dat de aanslag onjuist is. Verder werkt een latere, gunstige uitspraak van de rechter of nieuw beleid niet met terugwerkende kracht: over jaren die al definitief vaststonden voordat die uitspraak er was, krijgt u langs deze weg geen geld terug. De box 3-zaken lieten dit scherp zien. Wie destijds bezwaar had gemaakt, kreeg rechtsherstel; wie dat niet deed, kreeg dat niet, ook niet na het bekende Kerstarrest. De Hoge Raad bevestigde dit in 2026 nog eens definitief voor de zogenoemde niet-bezwaarmakers. Ten slotte kunt u een gemiste keuze uit uw aangifte, bijvoorbeeld een regeling waarvoor u toen had moeten kiezen, langs deze route niet meer herstellen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer ontdekt in juli 2026 dat hij in zijn aangifte inkomstenbelasting 2022 een aftrekpost van € 10.000 is vergeten. De aanslag 2022 is al lang definitief, dus bezwaar kan niet meer. Een verzoek om ambtshalve vermindering kan nog wel, tot en met 31 december 2027 (vijf jaar na afloop van 2022). We vergelijken twee scenario’s: hij onderneemt niets, of hij dient tijdig een verzoek in. Ter illustratie gaan we uit van een belastingvoordeel van € 3.700 dat de vergeten aftrekpost oplevert; het werkelijke bedrag hangt af van uw tarief.

  Scenario A – niets doen Scenario B – verzoek indienen
Vergeten aftrekpost 2022 € 10.000 € 10.000
Teruggaaf belasting € 0 € 3.700
Resultaat aanspraak vervalt € 3.700 terug

De conclusie: met een simpele brief haalt de ondernemer € 3.700 terug die hij anders definitief was kwijtgeraakt. Let op: over zo’n teruggaaf van inkomstenbelasting vergoedt de Belastingdienst in beginsel geen rente.

Praktische gevolgen

  • Bewaak de zes weken: twijfelt u of een aanslag klopt, maak dan tijdig bezwaar, desnoods pro forma. Bij een pro forma bezwaar stelt u binnen de termijn uw rechten veilig en levert u de motivering later aan.
  • Verstuurt u per post: uw bezwaar is nog op tijd als het vóór het einde van de termijn op de bus is gedaan en binnen een week na afloop is ontvangen.
  • Voor oude jaren: dien een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om ambtshalve vermindering in, binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar.
  • Bent u buiten uw schuld te laat: bijvoorbeeld door ziekte of een verkeerd bezorgde aanslag, dan kan de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. Dien uw bezwaar dan alsnog in binnen zes weken nadat de belemmering is weggevallen.
  • Btw en loonheffing zijn een plicht, geen keuze: ontdekt u dat u over de afgelopen vijf jaar te veel of te weinig btw heeft betaald, dan moet u dit corrigeren met een suppletie, een verplichte herstelmelding. Ook in uw voordeel. Voor de loonheffing geldt een vergelijkbare plicht via het correctiebericht. Niet of te laat corrigeren kan een boete opleveren.
  • Vraag uw kosten terug: wordt uw aanslag in bezwaar herroepen door een fout van de Belastingdienst, dan heeft u recht op een kostenvergoeding. Vraag die aan vóórdat de Belastingdienst uitspraak op uw bezwaar doet, anders bent u te laat.

Conclusie en advies

Te veel betaalde belasting terugvragen is vaak eenvoudiger dan gedacht: een tijdige brief volstaat meestal. De grootste valkuil zijn de termijnen. Na zes weken is de aanslag definitief en resteert alleen de route van ambtshalve vermindering, en na vijf jaar vervalt ook die. Wie op tijd handelt, houdt niet alleen deze aanspraak open, maar profiteert ook mee van gunstige uitspraken die later komen. De beoordeling of u nog iets kunt terughalen, welke route past en hoe u de aanvraag het sterkst onderbouwt, luistert nauw en verschilt per belasting. Vermoedt u dat u in een eerder jaar te veel heeft betaald, of twijfelt u over een lopende aanslag? Laat uw situatie dan door de fiscalisten van Taxcount beoordelen; wij controleren welke termijn nog loopt en verzorgen het bezwaar of het verzoek voor u.