Intracommunautaire levering: wanneer u 0 procent btw mag rekenen bij een klant in een ander EU-land

U verkoopt goederen aan een bedrijf in Duitsland, België of Polen en zet 0 procent btw op de factuur, omdat dat nu eenmaal gebruikelijk is bij export binnen Europa. Toch is dat nultarief geen vanzelfsprekendheid: bij een intracommunautaire levering mag u alleen 0 procent btw rekenen als u het btw-identificatienummer van uw klant heeft, dat nummer in uw opgaaf ICP zet en kunt bewijzen dat de goederen Nederland echt hebben verlaten. Ontbreekt één van die voorwaarden, dan is de levering gewoon met 21 procent Nederlandse btw belast en krijgt u die naheffing zelf voor uw kiezen. In dit artikel leest u wanneer het nultarief geldt, hoe de opgaaf ICP werkt, welke termijnen en bedragen in 2026 gelden en welke bijzondere situaties (eigen voorraad in het buitenland, ketenverkopen en driehoekstransacties) extra aandacht vragen. Ook krijgt u een checklist waarmee u uw eigen administratie kunt nalopen.

Wat is een intracommunautaire levering?

Binnen de Europese Unie zijn er geen douanecontroles meer. Toch wil elk land de btw heffen over goederen die op zijn grondgebied worden gebruikt. Daarom is de grensoverschrijdende verkoop tussen ondernemers in twee delen geknipt, zoals u in figuur 1 ziet. U als verkoper past het nultarief toe: u rekent 0 procent btw en houdt gewoon recht op aftrek van de btw op uw eigen inkopen. Uw klant geeft in zijn eigen land een intracommunautaire verwerving aan en betaalt daar de btw, die hij meestal in dezelfde aangifte weer aftrekt. Er wordt dus niets kwijtgescholden: de heffing verschuift alleen naar het land van aankomst.

    Figuur 1: de levering in twee helften. U past in Nederland het nultarief toe en meldt de klant in uw opgaaf ICP; uw klant geeft de verwerving in zijn eigen land aan. VIES legt beide meldingen naast elkaar.

Die constructie heet een intracommunautaire levering. Ze geldt alleen bij verkoop aan een zakelijke afnemer. Verkoopt u aan particulieren in andere EU-landen, dan gelden de regels voor afstandsverkopen en betaalt u btw in het land van uw klant. Ook gaat het uitsluitend om goederen die fysiek van Nederland naar een ander EU-land gaan. Blijven de goederen in Nederland, dan brengt u gewoon Nederlandse btw in rekening, ook als de koper een buitenlands bedrijf is.

Omdat er geen grens meer is waar iemand meekijkt, controleert de Belastingdienst dit met gegevens. U meldt uw EU-leveringen per klant in een aparte opgaaf: de opgaaf intracommunautaire prestaties, meestal afgekort tot opgaaf ICP. Alle EU-landen wisselen die gegevens uit via het Europese systeem VIES en leggen uw melding naast wat uw klant in zijn eigen land aangeeft. Klopt dat niet met elkaar, dan volgt er vrijwel altijd een vraag van de Belastingdienst.

Wanneer mag u het nultarief toepassen?

Sinds 1 januari 2020 zijn de regels aangescherpt. Het btw-nummer van uw klant en een juiste opgaaf ICP zijn geen formaliteiten meer, maar echte voorwaarden voor het nultarief. In de praktijk komt het neer op vier eisen die alle vier moeten kloppen. Figuur 2 laat zien hoe u die vier vragen na elkaar langsloopt en wat er gebeurt zodra u er één met nee beantwoordt.

Figuur 2: beslisboom bij de vraag of u 0 procent btw mag rekenen. Valt één van de vier voorwaarden weg, dan is de levering een gewone Nederlandse levering tegen 21 procent btw.

1. De goederen gaan echt naar een ander EU-land

De goederen moeten in verband met uw levering daadwerkelijk vanuit Nederland naar een ander EU-land worden vervoerd. Bij een rechtstreekse verkoop aan uw klant maakt het niet uit wie het transport regelt, u of uw klant. Voor het bewijs maakt dat wel verschil: haalt uw klant de goederen zelf op, dan heeft u een verklaring van hem nodig. Verkoopt u in een keten, dan bepaalt juist wél wie het vervoer regelt welke schakel het nultarief mag toepassen; zie de sectie over ketentransacties verderop. Let ook op bij een bewerking onderweg: gaan uw onderdelen eerst naar een lakbedrijf in Frankrijk en pas daarna naar uw Franse koper, dan kan de levering fiscaal in Frankrijk plaatsvinden en heeft u daar een btw-registratie nodig.

2. Uw klant heeft een geldig btw-identificatienummer

Uw klant moet ondernemer zijn (of een rechtspersoon die geen ondernemer is) met een geldig btw-identificatienummer in een ander EU-land dan Nederland, en hij moet dat nummer aan u hebben doorgegeven. Belangrijk detail: het nummer hoeft niet te zijn afgegeven door het land waar de goederen aankomen. Een geldig Belgisch nummer volstaat, ook als de goederen in Duitsland worden afgeleverd. De Hoge Raad besliste dat in 2021 voor de regels zoals die vóór 2020 golden; de huidige Europese eis wijst dezelfde kant op, want die spreekt van een nummer uit een ander land dan het land van vertrek. Controleer het nummer wel vóór de eerste levering in het Europese systeem VIES en bewaar een afdruk of bevestiging van die controle. Wilt u ook de naam en het adres bevestigd zien, dan vraagt u die verificatie aan bij de Belastingdienst; VIES zelf geeft vaak alleen aan of een nummer geldig is.

3. U meldt de levering in uw opgaaf ICP

U neemt uw klant, zijn btw-identificatienummer en het totaalbedrag van uw leveringen aan hem op in de opgaaf ICP over het juiste tijdvak. Vergeet u dat, dan voldoet u niet aan een van de voorwaarden voor het nultarief. Gelukkig is herstel mogelijk: een onjuist btw-nummer in de opgaaf mag u corrigeren, en als u uw tekortkoming naar behoren kunt verklaren, mag de Belastingdienst het nultarief alsnog toestaan. Dat is een mogelijkheid, geen recht.

4. U kunt alles aantonen uit uw boeken en bescheiden

Het nultarief moet blijken uit uw administratie. De bewijslast ligt bij u, niet bij de Belastingdienst. Het goede nieuws is dat het bewijs vormvrij is: er zijn geen speciale documenten voorgeschreven. Denk aan de vervoersopdracht, de vrachtbrief, het verzendbewijs, de betaling van het transport en de correspondentie met uw klant. De Europese regels kennen daarnaast een veilige route: legt u een bepaalde combinatie van vervoersdocumenten over, dan móét de Belastingdienst aannemen dat de goederen zijn vervoerd, tenzij er aanwijzingen van misbruik zijn.

Daar komt nog een ongeschreven eis bij. Ook als u formeel alles goed doet, kan het nultarief worden geweigerd als uit objectieve gegevens blijkt dat u wist of had moeten weten dat u onderdeel was van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. Tegelijk mag de Belastingdienst zijn controletaak niet bij u neerleggen: zonder concrete aanwijzingen van onregelmatigheden hoeft u niet na te gaan of uw klant zijn eigen btw-verplichtingen nakomt. Krijgt u wel signalen, zoals waarschuwingsbrieven, ongebruikelijke leveradressen of vreemde betaalconstructies, dan wordt navraag doen wél van u verwacht.

Rekenvoorbeeld: wat een ontbrekend btw-nummer u kost

U verkoopt machineonderdelen voor 60.000 euro aan een Duitse ondernemer. Een vervoerder brengt de onderdelen van Rotterdam naar Keulen. In figuur 3 staan de twee scenario’s naast elkaar.

  • Goed geregeld: u factureert 60.000 euro met 0 procent btw, u vermeldt het Duitse btw-identificatienummer op de factuur, u neemt de klant en het bedrag op in uw opgaaf ICP en u bewaart de vrachtbrief. Uw klant geeft de verwerving in Duitsland aan en trekt die btw daar meestal weer af. Hij hoeft dus geen 12.600 euro Nederlandse btw voor te schieten, en u loopt geen risico.
  • Niet goed geregeld: het btw-nummer blijkt ongeldig, de levering staat niet in uw opgaaf ICP of u kunt het vervoer niet aantonen. Dan geldt het nultarief niet en is dit een gewone Nederlandse levering tegen 21 procent. Dat komt neer op ongeveer 12.600 euro die de Belastingdienst bij u naheft, plus belastingrente en mogelijk een boete. Of de btw over of uit het factuurbedrag wordt berekend, kan per situatie verschillen. In beide gevallen heeft u dat bedrag nooit aan uw klant gefactureerd, dus u draagt het in eerste instantie zelf.

Figuur 3: wat een ontbrekend btw-nummer u kost bij een levering van 60.000 euro. Links de goed geregelde situatie, rechts de naheffing van ongeveer 12.600 euro.

Het pijnlijke is dat zo’n fout zich meestal herhaalt. Wie één klant verkeerd in de administratie heeft staan, doet dat vaak bij elke levering aan die klant, kwartaal na kwartaal, tot een boekenonderzoek het aan het licht brengt.

Hoe werkt de opgaaf ICP?

De opgaaf ICP is een aparte digitale opgaaf naast uw btw-aangifte. U vermeldt per afnemer het btw-identificatienummer en het totaalbedrag van uw leveringen in dat tijdvak. Ook diensten aan EU-ondernemers die in hun eigen land de btw aangeven horen in de opgaaf, net als leveringen in een driehoekstransactie, waarover verderop meer. Btw die binnen Nederland is verlegd hoort er juist niet in. Bij zo’n verlegging brengt u geen btw in rekening omdat uw Nederlandse afnemer die zelf aangeeft; dat is iets anders dan een EU-levering. Uw inkopen horen er evenmin in. Het totaal van uw goederenleveringen moet aansluiten op rubriek 3b van uw btw-aangifte, het vakje waarin u uw leveringen naar andere EU-landen invult. Figuur 4 vat de termijnen en drempels samen.

Figuur 4: termijnen en drempels van de opgaaf ICP. Per maand is de hoofdregel, per kwartaal mag onder 50.000 euro en per jaar alleen met een vergunning.

Per maand of per kwartaal?

De hoofdregel is een opgaaf per maand, in te dienen uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op het tijdvak. U mag per kwartaal opgaaf doen zolang uw intracommunautaire goederenleveringen niet meer dan 50.000 euro per kwartaal bedragen, zowel in het kwartaal zelf als in elk van de vier voorafgaande kwartalen. Gaat u daar in een kwartaal overheen, dan stapt u vanaf dat kwartaal over op een maandopgaaf. Hoe u dat overgangskwartaal indient, hangt af van de maand waarin u de grens passeert.

Wanneer u de grens van 50.000 euro passeert Hoe u over dat kwartaal opgaaf doet
In de 1e maand van het kwartaal Drie afzonderlijke opgaven, een per maand
In de 2e maand van het kwartaal Een opgaaf over de eerste twee maanden en een over de laatste maand
In de 3e maand van het kwartaal Nog een opgaaf over het hele kwartaal, daarna per maand

U mag weer terug naar een kwartaalopgaaf als u vier kwartalen achter elkaar onder het drempelbedrag bent gebleven.

Een keer per jaar opgaaf doen

Kleinere exporteurs kunnen toestemming vragen voor een jaaropgaaf. Daarvoor moet u aan alle voorwaarden voldoen: u doet een keer per jaar btw-aangifte, uw jaaromzet is niet hoger dan 200.000 euro exclusief btw, uw intracommunautaire leveringen van goederen en diensten samen blijven onder 15.000 euro exclusief btw, u levert geen nieuwe of bijna nieuwe vervoermiddelen naar andere EU-landen en er is geen aanwijzing of gevaar van betrokkenheid bij btw-fraude. U vraagt de vergunning schriftelijk aan bij uw belastingkantoor en krijgt daarop een beschikking, waartegen u bezwaar kunt maken. Doet u het verzoek vóór 1 mei en ontvangt de Belastingdienst het ook vóór die datum, dan geldt de jaaropgaaf voor het lopende kalenderjaar, dus met ingang van 1 januari. Is uw verzoek later binnen, dan mag u pas vanaf het volgende kalenderjaar jaaropgaaf doen.

Behoort u tot een fiscale eenheid voor de btw?

Let dan goed op welk nummer u gebruikt. Een fiscale eenheid werkt niet over de grens. Bij handel met andere EU-landen doet het afzonderlijke onderdeel zaken, niet de eenheid als geheel. Op uw factuur en in uw opgaaf ICP hoort daarom het btw-identificatienummer van dat onderdeel te staan, niet dat van de fiscale eenheid. Doet u dat toch, dan sluit uw melding niet aan op de aangifte van uw klant en volgt vrijwel zeker een informatieverzoek.

Wat als uw klant geen btw-nummer geeft?

Niet elke zakelijke afnemer in de EU verricht een belaste verwerving. Vrijgestelde ondernemers, zoals sommige zorginstellingen en onderwijsinstellingen, en rechtspersonen die geen ondernemer zijn, blijven buiten de verwervingsheffing zolang hun inkopen uit andere EU-landen in het lopende én het voorafgaande kalenderjaar niet boven 10.000 euro uitkomen. Nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen tellen daarbij niet mee. Voor u als leverancier betekent dat: zo’n afnemer wordt als particulier behandeld en het nultarief is niet aan de orde. U heeft dan te maken met een afstandsverkoop, met btw in het land van uw klant.

Er is wel een belangrijke uitzondering. Geeft zo’n afnemer u toch zijn btw-identificatienummer, dan wordt hij geacht te hebben gekozen voor belaste verwerving. Zijn verwerving is dan belast en het nultarief komt weer in beeld, ook bij kleine bedragen. Vandaar de praktische vuistregel: krijgt u een geldig, in VIES verifieerbaar btw-identificatienummer, dan kunt u het nultarief toepassen (mits u ook aan de andere voorwaarden voldoet). Krijgt u geen nummer, ga er dan niet zomaar van uit dat 0 procent mag.

Past u zelf de kleineondernemersregeling toe, dan geldt dit alles niet voor uw verkopen: u doet geen btw-aangifte en geen opgaaf ICP, en u rekent geen btw. Let wel op bij uw inkopen in andere EU-landen. Geeft u daarbij uw eigen btw-identificatienummer aan uw leverancier, dan kiest u daarmee voor btw-heffing over die inkoop in Nederland, terwijl u die btw als kleine ondernemer niet kunt aftrekken.

Bijzondere situaties: voorraad, ketens en driehoekstransacties

Uw eigen goederen naar een ander EU-land brengen

Brengt u goederen naar een ander EU-land zonder ze te verkopen, bijvoorbeeld eigen voorraad naar een opslagpunt of fulfilmentcentrum, dan ziet de btw dat toch als een levering. Zo’n overbrenging leidt in beginsel tot een btw-registratie in dat land. Er zijn acht uitzonderingen, onder meer voor goederen die u tijdelijk gebruikt, goederen die naar een bewerker gaan en gereedschap dat u meeneemt voor een klus. Valt zo’n uitzondering later weg, bijvoorbeeld omdat het gereedschap daar blijft, dan wordt de overbrenging op dat moment alsnog geconstateerd. Voor gereedschap en goederen naar een bewerker houdt u een register bij; dat register is vormvrij, als uw administratie het maar aantoont.

Voorraad op afroep

Legt u voorraad aan bij een vaste klant in een ander EU-land, dan kunt u een registratie daar voorkomen met de regeling voorraad op afroep. Bij het overbrengen gebeurt er dan nog niets; pas als uw klant de goederen afroept, verricht u een intracommunautaire levering. Voorwaarde is onder meer dat de afnemer vooraf bekend is en daar een btw-nummer heeft, dat u zelf daar niet bent gevestigd, dat u een register bijhoudt en dat u de afnemer in uw opgaaf ICP vermeldt. Belangrijk is de termijn: de levering moet binnen twaalf maanden na aankomst plaatsvinden. Gebeurt dat niet, of raken de goederen zoek, worden ze vernietigd of gaan ze door naar een ander land, dan wordt het alsnog een overbrenging en ontstaat de buitenlandse registratieplicht alsnog. Er is ook goed nieuws: komen de goederen binnen de twaalf maanden ongebruikt terug naar Nederland, of neemt een andere afnemer de plaats in van de klant voor wie u de voorraad had bestemd, dan blijft de regeling gewoon in stand. Leg die wijziging wel vast in uw register.

Ketentransacties: aan welke schakel hangt het vervoer?

Verkoopt A aan B en B aan C, terwijl de goederen rechtstreeks van A naar C gaan, dan is er één transport en twee leveringen. Slechts één van die twee is de intracommunautaire levering met het nultarief. De hoofdregel sinds 2020: het vervoer wordt toegerekend aan de levering áán de tussenhandelaar. Deelt de tussenhandelaar zijn leverancier echter een btw-nummer mee van het land waar het vervoer begint, dan verricht hij zelf de intracommunautaire levering. Die mededeling is vormvrij, wat betekent dat u haar zelf goed moet vastleggen. Figuur 5 laat de hoofdregel en de uitzondering naast elkaar zien.

Figuur 5: bij een ketentransactie gaan de goederen rechtstreeks van A naar C, maar hoort het vervoer bij één van de twee leveringen. Alleen die levering krijgt het nultarief.

Wie is die tussenhandelaar? Volgens de Belastingdienst is bepalend wie tijdens het transport het risico van verlies of beschadiging draagt, ook als een andere schakel de vervoerder boekt. De eerste leverancier en de laatste afnemer kunnen nooit tussenhandelaar zijn. Leg daarom in uw contracten en leveringsvoorwaarden (bijvoorbeeld met Incoterms) vast wie dat risico draagt. Regelt de eerste leverancier of de laatste afnemer het transport, dan geldt de hoofdregel niet en moet per geval naar de Europese rechtspraak worden gekeken.

De vereenvoudigde ABC-regeling

Bij een driehoekstransactie tussen drie ondernemers in drie EU-landen kan de tussenhandelaar een registratie in het land van aankomst voorkomen. Dat is de vereenvoudigde ABC-regeling. De prijs daarvoor is precisie. Op de factuur van de tussenhandelaar moeten het btw-identificatienummer van de laatste afnemer staan én de woorden “btw verlegd”. Die formulering luistert nauw: het Europese Hof van Justitie besliste dat een omschrijving als “van btw vrijgestelde intracommunautaire driehoekstransactie” niet volstaat en dat u dit achteraf niet meer kunt herstellen. Gaat het mis, dan blijft u zitten met een registratieplicht in het land van aankomst én met btw die u niet kunt aftrekken. Ook de vermelding in de opgaaf ICP hoort bij deze regeling, al oordeelde het Hof dat dat een formele eis is. Laat uw factuursjabloon hierop nakijken en laat de opzet vooraf toetsen. In figuur 6 ziet u een voorbeeldfactuur met de verplichte onderdelen.

Figuur 6: voorbeeldfactuur bij de vereenvoudigde ABC-regeling, met de vier verplichte onderdelen waaronder de letterlijke vermelding “btw verlegd”.

Let op bij uw eigen inkopen: het verkeerde btw-nummer kost geld

Koopt u goederen in een ander EU-land en blijven die daar liggen, bijvoorbeeld in een magazijn of bij een bewerker, geef dan niet zomaar uw Nederlandse btw-identificatienummer op. Doet u dat wel, dan bent u de btw twee keer verschuldigd: in het land waar de goederen aankomen én in Nederland. Die Nederlandse btw mag u niet in uw aangifte aftrekken. U kunt haar alleen terugvragen met een apart verzoek, en dan moet u zelf aantonen dat in het andere land al btw is betaald.

Wat gebeurt er als het misgaat?

Het grootste risico is dat het nultarief wordt geweigerd. De levering is dan een gewone Nederlandse levering en de Belastingdienst heft 21 procent na, vermeerderd met belastingrente. Of u dat bedrag nog op uw klant kunt verhalen, is een civiele kwestie tussen u beiden en verloopt zelden soepel.

Daarnaast kan een gebrekkige opgaaf ICP een boete opleveren. Niet, niet op tijd, onvolledig of onjuist indienen is een verzuim, waarvoor de Belastingdienst een verzuimboete kan opleggen. Over de precieze maximumhoogte bestaat discussie: de wet verwijst naar de derde boetecategorie, terwijl het boetebeleid van de Belastingdienst een lager bedrag noemt. In de praktijk gaat het zelden zo hard: de inspecteur stuurt eerst een mededeling met een hersteltermijn en moet bij de hoogte rekening houden met de omstandigheden van uw geval. De bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting ontstond.

Een derde risico is stiller maar komt vaker voor: een mismatch. Uw opgaaf ICP wordt in het andere land vergeleken met de aangifte van uw klant. Bij een verschil vraagt de Belastingdienst eerst uw klant om opheldering, daarna het andere land, en in de laatste fase moeten factuurnummers, data en bedragen worden aangeleverd. In de praktijk betekent dat vaak een boekenonderzoek bij u.

Tot slot is er het risico van een onbedoelde buitenlandse registratieplicht, bijvoorbeeld doordat de twaalfmaandentermijn voor voorraad op afroep verstrijkt of doordat u eigen goederen naar het buitenland brengt zonder dat een uitzondering geldt. Wat dat kost, bepaalt het andere land, en dat valt buiten de Nederlandse regels.

Wat verandert er de komende jaren?

Europa moderniseert de btw met het pakket btw in het digitale tijdperk. Voor de handel binnen de EU zijn drie punten van belang. Er komt een uitgebreidere verlegging van btw en een vereenvoudiging waarmee u met één btw-registratie in meer landen kunt handelen; het Nederlandse wetsvoorstel daarvoor ligt bij de Tweede Kamer. De huidige regeling voorraad op afroep verdwijnt daarbij: die blijft gelden voor overbrengingen tot uiterlijk 30 juni 2028. En vanaf 1 juli 2030 volgen verplichte e-facturering en digitale rapportage. Of en wanneer de opgaaf ICP door die digitale rapportage wordt vervangen, is nog niet uitgekristalliseerd. Voor 2026 verandert er nog niets, maar wie nu een structuur met buitenlandse voorraad opzet, houdt hier het beste al rekening mee.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Btw-nummer controleren. Vraag het btw-identificatienummer van elke EU-klant op en controleer het vóór de eerste levering in VIES. Wilt u ook de naam en het adres bevestigd zien, vraag die verificatie dan aan bij de Belastingdienst. Bewaar een afdruk of bevestiging in uw klantdossier.
  • Controle herhalen. Toets bij vaste klanten periodiek opnieuw, bijvoorbeeld elk kwartaal. Een nummer kan worden ingetrokken zonder dat uw klant dat meldt.
  • Factuur compleet maken. Zet uw eigen btw-identificatienummer, dat van uw klant, de volledige naam en adres van beide partijen en een verwijzing naar het nultarief op de factuur. Een vereenvoudigde factuur mag hier niet.
  • Op tijd factureren. Reik de factuur uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na de levering.
  • Vervoersbewijs verzamelen. Bewaar per levering meerdere bewijzen van het vervoer, bijvoorbeeld de vrachtbrief, de transportfactuur en het betaalbewijs. De Europese regeling voor het bewijsvermoeden stelt eisen aan de combinatie van documenten en aan de onafhankelijkheid van de partijen die ze afgeven; laat toetsen welke combinatie in uw situatie volstaat, zeker als uw klant het vervoer zelf regelt.
  • Opgaaf ICP indienen. Dien de opgaaf uiterlijk in op de laatste dag van de maand na het tijdvak en controleer of het totaal aansluit op rubriek 3b van uw btw-aangifte.
  • Drempel bewaken. Houd bij of u per kwartaal onder 50.000 euro aan intracommunautaire goederenleveringen blijft; daarboven moet u maandelijks opgaaf doen.
  • Juiste btw-nummer bij een fiscale eenheid. Gebruik het nummer van het onderdeel dat levert, niet dat van de fiscale eenheid.
  • Fouten herstellen. Corrigeer een onjuist nummer of een vergeten levering zo snel mogelijk in de opgaaf ICP en leg vast waarom het misging.
  • Transportrisico vastleggen. Leg bij ketenverkopen contractueel vast wie tijdens het transport het risico draagt; dat bepaalt wie de tussenhandelaar is.
  • Voorraad in het buitenland monitoren. Bewaak de termijn van twaalf maanden bij voorraad op afroep en houd het voorgeschreven register bij.
  • Zeven jaar bewaren. Bewaar facturen, vervoersbescheiden en VIES-controles zeven jaar; voor gegevens over onroerende zaken geldt tien jaar.
  • Vooraf toetsen bij wijzigingen. Laat een nieuwe opzet met dropshipping, ketenverkopen of buitenlandse opslag vooraf beoordelen op een buitenlandse registratieplicht.

Veelgestelde vragen

Moet ik altijd een opgaaf ICP doen?

U doet opgaaf ICP over elk tijdvak waarin u goederen of diensten aan ondernemers in andere EU-landen heeft geleverd. Waren er in een tijdvak geen intracommunautaire prestaties, dan hoeft u geen opgaaf te doen. Past u de kleineondernemersregeling toe, dan hoeft u geen opgaaf ICP te doen over uw eigen leveringen. Voor uw inkopen uit andere EU-landen gelden wel administratieve verplichtingen.

Wat als het btw-nummer van mijn klant achteraf ongeldig blijkt?

Als u het nummer vóór de levering in VIES heeft gecontroleerd en dat heeft vastgelegd, staat u sterk. Uit de rechtspraak volgt dat een intrekking met terugwerkende kracht ná uw levering niet zonder meer voor uw rekening komt, mits u zelf zorgvuldig heeft gehandeld en dat kunt aantonen. Had u wel concrete aanwijzingen dat er iets niet klopte en heeft u daar niets mee gedaan, dan ligt het anders.

Mag ik 0 procent btw rekenen als mijn klant de goederen zelf ophaalt?

Ja, bij een rechtstreekse verkoop kan dat. Maar u moet dan wel kunnen aantonen dat de goederen naar een ander EU-land zijn gegaan, en daarvoor heeft u een verklaring van uw klant nodig. Laat hem een afhaalverklaring tekenen en vraag achteraf om een kopie van de vrachtbrief of een ander vervoersbewijs.

Is de opgaaf ICP hetzelfde als mijn btw-aangifte?

Nee, het zijn twee aparte opgaven. In uw btw-aangifte vermeldt u het totaal van uw intracommunautaire leveringen in rubriek 3b. In de opgaaf ICP splitst u dat bedrag uit per klant, met vermelding van het btw-identificatienummer. De twee moeten op elkaar aansluiten.

Wat gebeurt er als ik een levering vergeet te melden?

Herstel de opgaaf dan zo snel mogelijk. Een ontbrekende of onjuiste opgaaf is een verzuim waarvoor een boete mogelijk is, maar in de praktijk krijgt u eerst een mededeling met een hersteltermijn. Het grotere risico is dat het nultarief voor die levering wordt geweigerd; door snel te corrigeren en uit te leggen wat er misging, beperkt u dat risico.

Ik lever aan een particulier in België. Geldt het nultarief ook?

Nee. Bij verkoop aan particulieren in andere EU-landen gaat het om afstandsverkopen. De btw is dan verschuldigd in het land van uw klant. Voor kleine volumes bestaat een uitzondering, en u kunt de buitenlandse btw in Nederland aangeven via één digitaal loket, zodat u zich niet in elk land apart hoeft te registreren. De regels voor verkoop aan particulieren zijn een verhaal apart; laat die situatie los van dit artikel beoordelen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Bij intracommunautaire leveringen zit het risico zelden in de grote lijn en bijna altijd in de uitvoering: een klant die nooit is gecontroleerd in VIES, een opgaaf ICP die niet aansluit op rubriek 3b, een voorraad in Duitsland waarvan niemand de twaalfmaandentermijn bewaakt of een driehoekstransactie waarbij de juiste tekst op de factuur ontbreekt. Wij lopen uw EU-handel met u door: van de klantdossiers en factuursjablonen tot de aansluiting tussen uw aangifte en uw opgaaf ICP. Ook beoordelen wij of een nieuwe opzet met buitenlandse opslag, dropshipping of ketenverkopen een registratieplicht in het buitenland oproept, en helpen wij bij het herstellen van eerdere fouten.

Wilt u weten of uw btw-administratie een controle doorstaat? Neem contact op met Taxcount voor een beoordeling van uw EU-leveringen en uw opgaaf ICP.

Dit artikel bevat algemene informatie over de btw bij leveringen aan ondernemers in andere EU-landen en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur voordat u handelt.

Zie ook:

Herziening btw onroerende zaken: zo volgt u de btw-aftrek op uw bedrijfspand tien jaar lang

U koopt een bedrijfspand, trekt de btw af en denkt dat het daarmee klaar is. Toch staat die aftrek dan nog niet vast. Bij de herziening btw onroerende zaken moet u de aftrek nog negen boekjaren na het jaar van ingebruikneming zelf volgen en zo nodig corrigeren. Verandert het gebruik van btw-belast naar btw-vrij, dan betaalt u per jaar een tiende deel van de btw terug. Gaat het de andere kant op, dan kunt u btw juist alsnog terugkrijgen. In dit artikel leest u hoe de regeling werkt, wat er per 1 januari 2026 is veranderd voor dure verbouwingen en wat u zelf moet vastleggen om verrassingen te voorkomen.

Wat is de herziening van btw bij onroerende zaken?

Btw die u zelf op inkopen betaalt, heet voorbelasting. Die mag u aftrekken voor zover u de inkoop gebruikt voor werk of leveringen waarover u btw rekent. Bij een pand loopt dat gebruik jaren door en het kan onderweg veranderen. Een verdieping die u eerst met btw verhuurde aan een adviesbureau, verhuurt u drie jaar later zonder btw aan een tandarts of aan een bewoner. Daarom mag de aftrek niet eenmalig worden vastgesteld: de wet laat u de aftrek jaren volgen en corrigeren. Dat corrigeren heet herziening.

De basis staat in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de uitwerking in de artikelen 11 tot en met 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Belangrijk om te weten: de regeling werkt twee kanten op. Gebruikt u een pand eerst vrijgesteld en daarna belast, dan kunt u btw terugkrijgen die u eerder niet mocht aftrekken. Het Europese Hof van Justitie bevestigde dat al in 2006 in de zaak Uudenkaupungin Kaupunki. Herziening is dus niet alleen een risico, maar ook een kans.

Welke drie meetmomenten gelden bij aanschaf en eerste gebruik?

Moment 1: de bestemming bij de aankoop

U trekt de btw af naar de bestemming die het pand heeft op het moment dat de btw u in rekening wordt gebracht. Koopt u een pand om het met btw te verhuren, dan trekt u de btw volledig af, ook als het pand nog leegstaat. Wel moet die bestemming reëel zijn en met objectieve gegevens te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verhuuropdracht of een intentieverklaring van een huurder.

Moment 2: het eerste feitelijke gebruik

Blijkt bij het daadwerkelijk in gebruik nemen dat u te veel of te weinig hebt afgetrokken, dan corrigeert u dat direct. Te veel afgetrokken btw wordt u op dat moment verschuldigd, te weinig afgetrokken btw kunt u op verzoek terugkrijgen. Let op wat gebruiken betekent: het gaat om feitelijk gebruiken. Een pand inrichten, klaarmaken of testen is nog geen gebruik, oordeelde de Hoge Raad in 2008.

Moment 3: het einde van het boekjaar van ingebruikneming

In de laatste btw-aangifte van het boekjaar waarin u het pand in gebruik nam, rekent u opnieuw, nu op basis van de cijfers over het hele boekjaar. Dat percentage is uw ijkpunt. Alle correcties in de negen jaren daarna worden met dit percentage vergeleken. Een fout op dit moment werkt dus tien jaar door.

Hoe lang loopt de herzieningstermijn en wanneer corrigeert u?

Een onroerende zaak wordt voor de btw apart bekeken en gaat niet mee in de verdeelsleutel die u voor uw overige inkopen gebruikt. De aftrek wordt herzien in elk van de negen boekjaren na het jaar van ingebruikneming, telkens voor een tiende deel van de voorbelasting. Samen met het jaar van ingebruikneming is dat een periode van tien boekjaren, zoals u in figuur 1 ziet. De correctie hoort steeds in de aangifte over het laatste tijdvak van dat boekjaar. Een tijdvak is de periode waarover u btw-aangifte doet, meestal een maand of een kwartaal. De correctie hoort dus niet in het tijdvak waarin het gebruik feitelijk verandert.

   Figuur 1: de tien boekjaren waarin u de btw op uw bedrijfspand volgt, met het ijkpunt in het jaar van ingebruikneming en de afrekening in een keer bij verkoop.

Kleine schommelingen blijven buiten schot. Wijkt de aftrek volgens de jaarcijfers niet meer dan 10% af van de btw die u eerder aftrok, dan hoeft u dat jaar niets te corrigeren. Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan gaat u van btw-belast naar btw-vrij of omgekeerd. Dan geldt bovendien een ondergrens: is het herzieningsbedrag in dat boekjaar minder dan 500 euro, dan blijft de herziening achterwege.

Met boekjaar wordt uw eigen boekjaar bedoeld, dus de periode waarover u uw jaarcijfers opmaakt. Loopt uw boekjaar niet gelijk met het kalenderjaar, dan volgt de herzieningskalender uw boekjaar. Dat bepaalde de Hoge Raad in 2010. Gaat het pand halverwege de termijn verloren door brand, sloop of diefstal, dan hoeft u niet te herzien: verlies en vernietiging vallen buiten de regeling.

Welk spoor voor uw investering geldt, leest u af in figuur 2. Een pand volgt u tien boekjaren, een dure verbouwing sinds 2026 vijf boekjaren en gewone diensten vallen buiten de meerjarige herziening. Verderop in dit artikel leest u meer over die nieuwe regeling voor verbouwingen.

Figuur 2: beslisboom die per investering laat zien welk herzieningsspoor geldt en wat er gebeurt bij verkoop binnen tien boekjaren.

Rekenvoorbeeld: een bedrijfspand van 800.000 euro

Een bv koopt in 2026 een bedrijfspand voor 800.000 euro plus 168.000 euro btw en gebruikt het dat jaar volledig voor btw-belaste verhuur. De aftrek is 168.000 euro. De herzieningsjaren zijn 2027 tot en met 2035. Per jaar gaat het om een tiende deel, dus 16.800 euro. In de tabel en in figuur 3 ziet u wat er in vier verschillende jaren gebeurt.

Boekjaar Belast gebruik Aftrek volgens jaarcijfers Afwijking Gevolg
2027 100% 168.000 euro 0% geen herziening
2028 60% 100.800 euro 40% 40% van 16.800 euro, dus 6.720 euro terugbetalen
2029 95% 159.600 euro 5% geen herziening, want binnen de 10%-marge
2030 pand vrijgesteld verkocht n.v.t. n.v.t. resterende zes jaren in een keer: 100.800 euro terugbetalen

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een pand van 800.000 euro, met per jaar het belaste gebruik, de afwijking van het ijkpunt en het gevolg voor de btw.

Het voorbeeld laat zien waar het geld zit. Een gebruikswijziging van 40% in een enkel jaar kost 6.720 euro, maar een vrijgestelde verkoop halverwege de termijn kost in een keer 100.800 euro. Juist dat laatste bedrag wordt in de praktijk vergeten, omdat de verkoop zelf vrijgesteld is en er dus geen btw op de factuur staat.

Wat gebeurt er als u het pand binnen tien jaar verkoopt?

Verkoopt u binnen de termijn, dan wordt de rest van de termijn in een keer afgerekend in het tijdvak van levering. Bij een vrijgestelde levering geldt het pand voor die resterende jaren als volledig vrijgesteld gebruikt, dus betaalt u de btw over die jaren terug. Bij een belaste levering geldt het pand als volledig belast gebruikt. Dan hoeft u niets terug te betalen en kunt u btw die u eerder niet mocht aftrekken zelfs deels alsnog terugkrijgen.

Verkoopt u binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming, dan is de levering verplicht met btw. Daarna is de verkoop in principe vrijgesteld en kunt u alleen samen met de koper kiezen (opteren) voor een belaste levering. Die keuze mag u niet alleen maken: de koper moet het pand voor minstens 90% gebruiken voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken. Die eis wordt getoetst over het boekjaar van levering en het boekjaar daarna. De optie sneuvelt ook als de koper het pand niet vóór het einde van dat tweede boekjaar in gebruik neemt.

Kiest u samen met de koper voor een belaste levering, dan betaalt niet u maar de koper die btw aan de fiscus. De heffing wordt naar hem verlegd. Op uw factuur zet u dan geen btw-bedrag, maar de vermelding dat de btw is verlegd. Bij de koper begint vervolgens een nieuwe herzieningsperiode van tien boekjaren.

Haalt de koper de 90%-norm niet, dan vervalt de optie met terugwerkende kracht. De Hoge Raad besliste in 2022 dat de herzieningsbtw dan bij de verkoper kan worden nageheven, ook als die er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de koper aan de eis zou voldoen. Leg contractuele waarborgen en verklaringen dus goed vast.

Een prettig detail bij een verkoop: de opbrengst van het pand telt niet mee in de verdeelsleutel van dat jaar. Een incidentele pandverkoop drukt uw gewone btw-aftrek dus niet. Dat staat los van de afrekening van de resterende herzieningstermijn, die wel gewoon plaatsvindt. Deze twee sporen worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald.

Nieuw in 2026: dure verbouwingen worden ook gevolgd

Tot en met 2025 gold de herziening alleen voor goederen en niet voor diensten. Een verbouwing van 200.000 euro viel er dus buiten. Sinds 1 januari 2026 kent de wet het begrip investeringsdienst. Dat is werk aan een pand waar u meerdere jaren iets aan heeft. Materialen en installaties die na montage vast met het pand verbonden raken, horen erbij. Is de vergoeding 30.000 euro of meer (volgens de toelichting exclusief btw), dan wordt die verbouwing apart gevolgd en herzien in de vier boekjaren na ingebruikneming, telkens voor een vijfde deel.

Denk aan een gevel- of dakrenovatie, isolatie, grond- of asbestsanering, het plaatsen van keukens of badkamers, het vervangen van installaties en buitenschilderwerk. Volgens de informatie van de Belastingdienst geldt de regeling voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Nam u een verbouwing eerder in gebruik, laat dan toetsen of die inderdaad buiten de nieuwe regeling blijft. Bestaat een project uit meerdere opdrachten of facturen, dan is nog niet uitgekristalliseerd hoe u de grens van 30.000 euro toepast.

Praktisch betekent dit dat u niet alleen uw panden, maar ook uw grote onderhouds- en verduurzamingsprojecten in een overzicht moet zetten. Een verhuurder die in 2026 voor 120.000 euro laat isoleren en het pand vanaf 2028 vrijgesteld verhuurt, betaalt in 2028, 2029 en 2030 elk jaar een vijfde deel van de afgetrokken btw terug, dus ongeveer 5.000 euro per jaar.

Figuur 4 zet de twee sporen naast elkaar: het pand zelf en de dure verbouwing. Het overzicht daaronder vult aan wat er voor roerende bedrijfsmiddelen en overige diensten geldt.

Figuur 4: het pand volgt u tien boekjaren met 1/10 per jaar, een investeringsdienst vanaf 30.000 euro vijf boekjaren met 1/5 per jaar.

Wat u aanschaft Hoe lang volgen Correctie per jaar
Onroerende zaak (pand, grond, erfpachtrecht) jaar van ingebruikneming plus 9 boekjaren 1/10 van de voorbelasting
Investeringsdienst vanaf 30.000 euro (nieuw in 2026) jaar van ingebruikneming plus 4 boekjaren 1/5 van de voorbelasting
Roerend bedrijfsmiddel waarop u afschrijft jaar van ingebruikneming plus 4 boekjaren 1/5 van de voorbelasting
Overige diensten en niet-afschrijfbare zaken alleen correctie bij eerste gebruik geen meerjarige herziening

Wanneer begint de termijn van tien jaar opnieuw?

Wordt een pand zo ingrijpend verbouwd dat er voor de btw een nieuw gebouw ontstaat, dan geldt de ingebruikneming na die verbouwing als eerste ingebruikneming. Er begint dan een nieuwe termijn van tien boekjaren. Dat gebeurt niet snel. De Hoge Raad besliste in november 2022 dat alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie tot een nieuw gebouw kunnen leiden. Een verbouwing van miljoenen die de constructie ongemoeid laat, levert naar Nederlands recht in beginsel geen nieuw gebouw op. Een andere functie, een nieuwe uitstraling of een hoge investering zijn hoogstens aanwijzingen.

Voor u als eigenaar is dat onderscheid belangrijk. Is er geen nieuw gebouw ontstaan, dan loopt de oude termijn van het pand gewoon door en volgt de verbouwing hoogstens als investeringsdienst nog vier jaar mee. Ontstaat er wel een nieuw gebouw, dan start de volledige tienjaarstermijn opnieuw en kan een latere verkoop of gebruikswijziging veel duurder uitpakken. Bij grote projecten is het verstandig dit vooraf te laten beoordelen, ook omdat het Europese Hof van Justitie ruimer naar verbouwingen lijkt te kijken dan de Hoge Raad.

In welke situaties gaat het in de praktijk mis?

Leegstand

Leegstand is voor de btw geen belast en geen vrijgesteld gebruik. Leegstand leidt daarom op zichzelf niet tot herziening, maar de termijn loopt wel door. Staat een pand leeg dat u eerder met btw verhuurde en is het daarvoor nog steeds geschikt, dan gaat de rechter ervan uit dat u die belaste verhuur nog wilt. De btw op kosten om het pand in stand te houden blijft dan in beginsel aftrekbaar en de inspecteur moet het tegendeel aannemelijk maken. Voor kosten van een verbouwing geldt dit niet. Verkoopt u een nooit gebruikt pand vrijgesteld, dan wordt in een keer herzien.

Gefaseerde ingebruikneming en zelfstandige delen

Bestaat een gebouw uit delen die u los kunt gebruiken of verhuren, zoals units, verdiepingen of appartementen, dan beoordeelt u de ingebruikneming en de herziening per zelfstandig deel. Er loopt dan per deel een eigen termijn. Is het gebouw niet te splitsen, dan begint de termijn voor het geheel zodra het eerste deel in gebruik wordt genomen.

Privégebruik van een deel van het pand

Gebruikt u een deel van het pand privé of voor andere dan bedrijfsdoeleinden, dan is de btw alleen aftrekbaar voor het zakelijke deel. De verdeling berekent u op basis van werkelijk gebruik, bijvoorbeeld naar vierkante meters of gebruiksuren. Een verdeling op basis van omzet is hier niet de hoofdregel. Leg die onderbouwing vast, want u moet de verhouding jaarlijks kunnen toetsen.

In of uit de kleineondernemersregeling

Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan wisselt u van de belaste naar de vrijgestelde sfeer of omgekeerd. Dat roept herziening op over de resterende jaren van uw pand. Alleen als het bedrag in dat boekjaar onder 500 euro blijft, hoeft u niets te doen. Wie een pand met btw heeft gekocht, doet er dus goed aan de kleineondernemersregeling niet zonder rekenwerk aan te vragen.

Zonnepanelen op een verhuurd pand

Verhuurt u een woning met zonnepanelen erop, dan geldt de verhuur van die panelen meestal als onderdeel van de vrijgestelde woningverhuur. Daardoor kunt u onverwacht met herziening te maken krijgen op de btw die u bij de aanschaf aftrok. Voor aftrek uit de jaren vóór 2023 mag u de verhuur van de panelen tot het einde van de herzieningstermijn nog als losse belaste prestatie blijven zien.

Bedrijfsoverdracht

Draagt u uw onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over, en geldt dat voor de btw als de overgang van een onderneming, dan treedt de overnemer in uw plaats, ook voor de lopende herzieningstermijn. Draag de herzieningsgegevens dan ook echt over: aanschafbtw, jaar van eerste gebruik, vastgesteld aftrekpercentage en het gebruik per jaar. Verkoopt u los een pand, dan neemt de koper de termijn niet over en rekent u zelf in een keer af. Draagt u midden in het jaar over, dan is de herzieningsbtw pas aan het einde van het boekjaar verschuldigd en niet naar rato. Btw-schulden van voor de overgang blijven bij de overdrager, en een afspraak met de Belastingdienst gaat niet automatisch mee over op de koper.

Belaste verhuur: bewaak het 90%-criterium per boekjaar

Verhuurt u met btw op basis van een gezamenlijke keuze met uw huurder, dan hangt uw aftrek aan die keuze. De eis is dat de huurder het pand voor minstens 90% gebruikt voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken. Dat wordt per boekjaar getoetst, voor het eerst over het boekjaar waarin de huurder met toepassing van het keuzerecht is gaan huren. Voldoet de huurder in een boekjaar niet aan de eis, dan moet hij u dat binnen vier weken na afloop van dat boekjaar schriftelijk melden en een afschrift naar de inspecteur sturen. Spreek in het huurcontract daarnaast af dat hij u elk jaar actief informeert, ook als hij de norm wel haalt: u heeft dat signaal nodig voor uw eigen aangifte.

Blijft de huurder in een boekjaar onder de 90%, dan kan de belaste verhuur dat jaar in stand blijven, tenzij hij dit redelijkerwijs kon voorzien. Blijft hij ook het volgende boekjaar onder de norm, dan geldt vanaf dat laatste boekjaar de vrijstelling. U wordt dan over de resterende jaren een deel van de eerder afgetrokken btw verschuldigd, en uw huurder moet zijn aftrek op de huur corrigeren. Ook een huurderswissel, gebruik als woning of het samenvoegen van huurder en verhuurder tot één btw-ondernemer (een fiscale eenheid) kan de belaste verhuur beëindigen.

Wat legt u vast en hoe lang bewaart u het?

De kern van de regeling is administratie. Houd per onroerende zaak, en sinds 2026 ook per investeringsdienst van 30.000 euro of meer, een herzieningsdossier bij. Daarin legt u vier gegevens vast:

  • De betaalde btw op de aankoop, de bouw of de dienst.
  • Het boekjaar waarin u het pand of de dienst voor het eerst feitelijk in gebruik nam.
  • Het aftrekpercentage dat u aan het einde van dat boekjaar hebt vastgesteld, met de berekening erbij.
  • Het gebruik per boekjaar, uitgesplitst naar btw-belast en btw-vrij gebruik.

Uw administratie moet zo zijn ingericht dat de verschuldigde btw en de aftrek per tijdvak zijn vast te stellen en dat een controle binnen redelijke tijd mogelijk is. De algemene bewaartermijn is zeven jaar. Voor gegevens over onroerende zaken en rechten daarop gaat de Belastingdienst uit van tien jaar, wat aansluit bij de lengte van de herzieningstermijn. Bewaar dus de koopakte, de bouw- en verbouwingsfacturen, de huurovereenkomsten, de 90%-verklaringen en uw herzieningsberekeningen. Digitaliseren mag, zolang de gegevens volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven.

Wat kost het als u de herziening vergeet?

Voldoet u een verschuldigd herzieningsbedrag niet op aangifte, dan legt de inspecteur een naheffingsaanslag op. Daarbij komt belastingrente, die voor de btw in 2026 5% bedraagt. Betaalt u niet, niet volledig of te laat, dan kan een verzuimboete volgen: een boete waarvoor geen opzet nodig is. Is het niet betalen te wijten aan opzet of grove schuld, dan kan een vergrijpboete van maximaal 100% van de niet betaalde belasting worden opgelegd. Bij herzieningsbedragen van tienduizenden euro’s per jaar is dat een serieus risico.

De inspecteur kan tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de schuld is ontstaan naheffen. Omdat de schuld per boekjaar ontstaat, loopt er per herzieningsjaar een eigen termijn. Is uw vastgoedadministratie gebrekkig, dan kan de inspecteur een informatiebeschikking nemen: een formeel besluit waarin hij vaststelt dat uw administratie niet aan de eisen voldoet. Blijft die beschikking in stand, dan verschuift de bewijslast en moet u overtuigend aantonen dat de aanslag onjuist is.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Inventariseer uw vastgoed. Zet alle panden, gronden en rechten op een rij die u de afgelopen tien jaar hebt gekocht, gebouwd of verkregen en waarbij btw in rekening is gebracht.
  • Leg het jaar van eerste gebruik vast. Noteer per pand het boekjaar waarin u het feitelijk in gebruik nam en reken vanaf daar negen herzieningsjaren af.
  • Bepaal uw ijkpunt. Stel in de laatste aangifte van het jaar van ingebruikneming het aftrekpercentage vast op basis van de jaarcijfers en bewaar de berekening.
  • Toets elk boekjaar het gebruik. Vergelijk de verhouding belast en vrijgesteld gebruik met het ijkpunt en corrigeer als de afwijking groter is dan 10%.
  • Corrigeer in het juiste tijdvak. Zet de herziening in de aangifte over het laatste tijdvak van uw boekjaar, niet in het tijdvak waarin het gebruik veranderde.
  • Zet uw verbouwingen erbij. Neem vanaf 2026 elke dienst aan een pand van 30.000 euro of meer op in uw overzicht en volg die vier jaar na ingebruikneming.
  • Reken vóór een verkoop. Laat vóór levering doorrekenen of een belaste levering met verlegging voordeliger is dan een vrijgestelde verkoop.
  • Bewaak de 90%-verklaringen. Bij verhuur toetst u elk boekjaar en laat u de huurder binnen vier weken na het boekjaar melden als hij de norm niet haalt; bij een verkoop met btw legt u de verklaring vast in de akte en vraagt u de koper na het boekjaar van levering en het jaar daarna om zijn bevestiging.
  • Bewaar tien jaar. Houd het vastgoeddossier tien jaar beschikbaar in plaats van de gebruikelijke zeven jaar.
  • Draag gegevens over bij overname. Neem bij koop of verkoop van een onderneming het herzieningsdossier op in de overdracht.

Veelgestelde vragen

Hoelang moet ik de btw op een bedrijfspand volgen?

Het jaar waarin u het pand in gebruik neemt plus de negen boekjaren daarna, dus tien boekjaren in totaal. In elk van die negen jaren kan een tiende deel van de btw worden gecorrigeerd. Voor investeringsdiensten van 30.000 euro of meer geldt sinds 2026 een kortere periode van vijf boekjaren.

Wanneer hoef ik niets te corrigeren?

Als de aftrek volgens uw jaarcijfers niet meer dan 10% afwijkt van de btw die u eerder aftrok. Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan gaat u van btw-belast naar btw-vrij of omgekeerd; dan geldt daarnaast een ondergrens van 500 euro per boekjaar. U moet de toets wel elk jaar uitvoeren en kunnen onderbouwen.

In welke btw-aangifte hoort de correctie?

In de aangifte over het laatste tijdvak van uw boekjaar. Wijzigt het gebruik in maart, dan verwerkt u dat dus niet in het eerste kwartaal, maar in het laatste tijdvak van dat boekjaar. Een correctie in een ander tijdvak maakt uw aangifte onjuist.

Kan de herziening ook geld opleveren?

Ja. Gaat een pand van vrijgesteld naar belast gebruik, bijvoorbeeld van woningverhuur naar belaste bedrijfsverhuur of doordat u uit de kleineondernemersregeling stapt, dan krijgt u per jaar een tiende deel van de btw alsnog terug. Bij een pand van een miljoen euro is elk herzieningsjaar ongeveer 21.000 euro waard.

Geldt de nieuwe regeling voor investeringsdiensten ook voor mijn verbouwing uit 2025?

Volgens de informatie van de Belastingdienst niet: de regeling geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Nam u de verbouwing eerder in gebruik, laat dan toetsen of die buiten de vijfjaarsherziening blijft. De btw op het pand zelf blijft wel gewoon binnen de tienjaarstermijn vallen.

Wat gebeurt er als ik het pand binnen tien jaar verkoop?

Dan rekent u de resterende jaren in een keer af in het tijdvak van levering. Verkoopt u vrijgesteld, dan betaalt u de btw over die jaren terug. Verkoopt u met btw via de optie belaste levering, dan geldt het pand als volledig belast gebruikt en betaalt de koper de verlegde btw aan de fiscus.

Hoe Taxcount u kan helpen

De herziening van btw op vastgoed staat of valt met een systeem dat tien jaar meegaat, en bij gemengd gebruik ook met een goed onderbouwde berekening. Taxcount zet dat voor u op: wij inventariseren uw panden en investeringsdiensten, bepalen per object het jaar van eerste gebruik en het aftrekpercentage, en leggen een herzieningsdossier aan dat u jaarlijks kunt bijwerken. Ook toetsen wij uw huurcontracten en leveringsakten op de 90%-eisen en de verklaringen die daarbij horen.

Staat er een verkoop, verbouwing of huurderswissel op de planning, dan rekenen wij vooraf door wat de fiscale gevolgen zijn en welk moment het gunstigst is. Denkt u dat er in de afgelopen jaren een correctie is gemist, dan brengen wij in kaart wat nog te herstellen is en wat buiten de naheffingstermijn valt. Wilt u weten of uw vastgoed btw-technisch op orde is? Leg uw situatie aan ons voor, dan bekijken wij het met u.

Dit artikel bevat algemene informatie op basis van de regels en bedragen die golden op het moment van schrijven (2026) en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en termijnen kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een beslissing neemt.

Belaste verhuur en btw: zo kiest u voor btw op de huur en houdt u uw aftrek overeind

U verhuurt een bedrijfspand, een unit of een werkkamer en u heeft daar net flink in geïnvesteerd. De btw op die verbouwing loopt snel op tot tienduizenden euro’s. Of u die btw mag aftrekken, hangt af van één keuze in uw huurovereenkomst: kiest u samen met uw huurder voor belaste verhuur, dus voor btw op de huur? Verhuur is namelijk in principe vrijgesteld van btw, en zonder btw op de huur is de btw op uw pand een kostenpost. In dit artikel leest u wanneer u mag kiezen voor btw op de huur, welke eisen de Belastingdienst in 2026 stelt aan het 90%-criterium en aan uw contract, wat er gebeurt als uw huurder die norm niet haalt, en wat u praktisch moet vastleggen om uw aftrek te behouden.

Wat betekent belaste verhuur precies?

De wet bepaalt dat het verhuren en verpachten van onroerende zaken is vrijgesteld van btw (artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968). Vrijgesteld klinkt gunstig, maar dat is het meestal niet. Vrijgesteld betekent: geen btw op de huurfactuur, en dus ook geen recht op aftrek van de btw die u zelf betaalde bij de aankoop, de nieuwbouw, de verbouwing, de verduurzaming en het onderhoud van het pand.

Op die vrijstelling bestaan vijf uitzonderingen. Bij vier daarvan is de verhuur automatisch met btw belast. De vijfde is de optie belaste verhuur: verhuurder en huurder kiezen samen voor btw op de huur. Die keuze wordt in de praktijk “opteren” genoemd. Doel is het voorkomen van btw die in de keten blijft hangen. Gebruikt uw huurder het pand voor btw-belaste activiteiten, dan is de btw op de huur voor hem geen last, terwijl u als verhuurder de btw op het pand terugkrijgt.

Voor de verhuur van woningen bestaat die keuzemogelijkheid niet. Woningverhuur voor langere tijd blijft vrijgesteld, zonder aftrek.

Wanneer is verhuur al met btw belast zonder dat u hoeft te kiezen?

Bij vier vormen van verhuur regelt de wet de btw-heffing zelf. Opteren is daar dus niet nodig. Het gaat om de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines, om verhuur binnen een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf aan mensen die er kort verblijven, om parkeerruimte voor voertuigen en lig- en bergplaatsen voor vaartuigen, en om safeloketten. Verhuurt u een van deze zaken, controleer dan vooral of u de btw ook daadwerkelijk factureert.

Daarnaast is er een goedkeuring voor congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte. Verhuurt u zo’n ruimte per huurder feitelijk voor maximaal één maand, gebruikt de huurder de ruimte uitsluitend daarvoor, en maakt u kenbaar dat u btw in rekening brengt, dan is de verhuur belast zonder dat u hoeft te opteren.

Short stay: de belangrijkste wijziging voor 2026

Verhuurt u gemeubileerde woonruimte voor korte periodes, dan valt die verhuur van rechtswege buiten de vrijstelling. U berekent dus btw en u heeft volledig recht op aftrek. Per 1 januari 2026 gaat die verhuur wel naar het algemene tarief van 21 procent, omdat het verlaagde tarief voor het verstrekken van logies per die datum is vervallen. Kortdurende verhuur van afgebakende percelen op kampeerterreinen en in caravanparken blijft wel onder het verlaagde tarief van 9 procent vallen.

Wanneer is sprake van kort verblijf? In het beleidsbesluit gaat de staatssecretaris er in ieder geval van uit dat daarvan sprake is als de huurtermijn contractueel maximaal zes maanden is én het feitelijke verblijf ook maximaal zes maanden duurt. Bij langere periodes moet u als verhuurder aannemelijk maken dat het toch om kort verblijf gaat. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 1 juli 2025 dat de verhuur van 24 gemeubileerde appartementen voor drie of vijf maanden inderdaad onder deze uitzondering valt. Het ging in die zaak om teruggaafverzoeken van 127.472 euro en 287.523 euro. Het is een uitspraak van een gerechtshof, dus cassatie is niet uitgesloten. Beslissend is de aard van de prestatie: verblijfsruimten die zijn toegerust voor kort verblijf, zonder dat de tijdelijke bewoner de zorg voor de inventaris draagt. Dat huurders zich inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) of permanente bewoning zoeken, doet daar niet aan af.

Wanneer mag u kiezen voor btw op de huur?

De optie belaste verhuur kent drie inhoudelijke voorwaarden. Aan alle drie moet zijn voldaan, en aan de eerste ook nog elk jaar opnieuw. Figuur 1 laat de hele route zien, inclusief de vraag of uw verhuur misschien al van rechtswege belast is.

     Figuur 1: de route naar btw op de huur in vier vragen. Bij elke vraag ziet u wat het antwoord betekent: van rechtswege belast, vrijgesteld, of opteren mogelijk.

Uw huurder haalt de 90%-eis

Uw huurder moet het pand volledig of nagenoeg volledig gebruiken voor activiteiten waarvoor hij zelf btw mag aftrekken. “Nagenoeg volledig” betekent 90 procent of meer. Een kledingzaak, een groothandel of een adviesbureau haalt die norm doorgaans wel. Een huisarts, een verzekeringstussenpersoon, een school of een bank juist niet, omdat hun omzet grotendeels is vrijgesteld. Fictieve prestaties, zoals privégebruik, tellen niet mee als aftrekgerechtigd gebruik. In figuur 2 ziet u waar de grenzen liggen.

Voor zes aangewezen branches volstaat 70 procent: werkgeversbelangenorganisaties, reisbureaus (inclusief verzekeringsbemiddeling), makelaardij in onroerende zaken, juridisch zelfstandige arbodiensten, postvervoersbedrijven en openbare radio- en televisieorganisaties. Andere branches kunnen alleen worden toegevoegd op verzoek aan het ministerie.

Figuur 2: de drie zones van aftrekgerechtigd gebruik. Onder 70 procent is opteren niet mogelijk, tussen 70 en 90 procent alleen voor zes aangewezen branches, en vanaf 90 procent kunt u samen met uw huurder kiezen.

De toets vindt plaats bij de start én daarna elk boekjaar van de huurder. Let op dat woord: het gaat om het boekjaar van de huurder, niet om uw eigen boekjaar. Haalt uw huurder de norm door onvoorziene omstandigheden één jaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie, ook als die onderschrijding in het tweede jaar evenmin te voorzien was. Die uitzondering geldt bovendien niet voor het eerste boekjaar.

Het pand wordt niet als woning gebruikt

Opteren kan niet voor een gebouw of een gedeelte daarvan dat als woning wordt gebruikt. De wet omschrijft niet wat een woning is, dus dit is een feitelijke vraag en de bewijslast ligt bij u. Een appartement dat uitsluitend als kantoor en voor representatieve doeleinden wordt gebruikt, is geen woning; opteren mag dan. Slaagt u niet in het bewijs dat het pand niet tevens als woning diende, dan wordt uw aftrek geweigerd. Hof Arnhem-Leeuwarden liet dat op 2 september 2025 nog zien.

U past de kleineondernemersregeling niet toe

Een verhuurder die de kleineondernemersregeling (KOR) toepast, kan niet opteren. De achtergrond is logisch: met de KOR laat u zich juist ontheffen van de btw-verplichtingen waar opteren u aan onderwerpt. Wilt u met btw verhuren, dan moet u zich dus niet aanmelden voor de KOR, of zich juist afmelden. Let op: na afmelding kunt u de KOR pas na het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw kiezen. De Hoge Raad oordeelde in 1997 dat de minister deze uitsluiting mocht regelen; inmiddels staat zij in de wet zelf. Ook uw huurder haalt de 90%-eis nooit als hij de KOR toepast, want een KOR-ondernemer heeft geen recht op aftrek en mag op zijn facturen geen btw vermelden.

Hoe legt u de keuze vast? De formele eisen zijn hard

De keuze voor belaste verhuur legt u vast in de schriftelijke huurovereenkomst, of u dient samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur. Een digitale overeenkomst is gelijkgesteld met een schriftelijke. Dient u een verzoek in, dan beslist de inspecteur bij een beslissing waartegen u bezwaar kunt maken.

In de huurovereenkomst of het verzoek moeten vier gegevens staan: dat de verhuur met btw plaatsvindt, een omschrijving van het pand met zowel de plaatselijke als de kadastrale aanduiding, de datum waarop het boekjaar van de huurder begint, en een door de huurder ondertekende verklaring dat hij aan de 90%-eis voldoet. Ontbreekt één van die gegevens, dan is in beginsel niet rechtsgeldig geopteerd en is de verhuur vrijgesteld. Dat is geen theoretisch risico: in een zaak die eindigde bij de Hoge Raad op 1 juni 2018 ontbraken de kadastrale aanduiding, de begindatum van het boekjaar en de ondertekende verklaring. De naheffing bedroeg 339.250 euro, met daarnaast een vergrijpboete van 84.812 euro. Figuur 3 zet de vier gegevens naast elkaar.

Figuur 3: de vier gegevens die in de huurovereenkomst horen, met daaronder het gevolg als er één ontbreekt en de reparatiemogelijkheid die dan nog bestaat.

Er is wel een reparatiemogelijkheid. Heeft u gehandeld alsof rechtsgeldig was geopteerd, dus btw berekend en gefactureerd, en is over de hele periode aan de 90%-norm (of 70%-norm) voldaan, dan mag de keuze terugwerken tot de in het verzoek genoemde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Heeft u niet zo gehandeld, dan is maximaal drie maanden terugwerkende kracht mogelijk.

U kunt per onroerende zaak kiezen, maar ook per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte. Dat mag zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte, zoals een werkkamer in een pand dat verder als woning wordt gebruikt, mits die verhuur een echte economische activiteit is en niet alleen op papier bestaat. Is het pand gesplitst in appartementsrechten, dan moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Wat levert de keuze op? Een rekenvoorbeeld

Stel dat u als bv een winkelpand verbouwt voor 200.000 euro exclusief btw. De aannemer factureert daarover 42.000 euro btw (21 procent). U verhuurt het pand voor 30.000 euro huur per jaar aan een kledingzaak met uitsluitend btw-belaste omzet. Figuur 4 zet de twee uitkomsten naast elkaar.

Verhuurt u vrijgesteld, dan is die 42.000 euro definitief verloren; u kunt dat bedrag alleen nog verwerken in een hogere huurprijs. Kiest u samen met de kledingzaak voor belaste verhuur, dan trekt u de 42.000 euro af. Over de huur berekent u vervolgens 6.300 euro btw per jaar, en die trekt uw huurder volledig af. De btw kost geen van beide partijen iets, terwijl u 42.000 euro terugkrijgt. Precies daarom is dit een van de meest waardevolle keuzes in vastgoed, en precies daarom is een fout in de vastlegging zo duur.

Figuur 4: vrijgesteld verhuren tegenover opteren, met de bedragen uit dit rekenvoorbeeld. Links blijft 42.000 euro btw als kostenpost hangen, rechts krijgt u die volledig terug.

De kerncijfers en termijnen voor 2026 op een rij

Waar het om gaat Norm of termijn in 2026
Gebruik door de huurder 90 procent of meer aftrekgerechtigd gebruik
Verlaagde norm aangewezen branches 70 procent
Ingebruikneming door de huurder vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon
Melding als de norm niet is gehaald de huurder meldt dit binnen 4 weken na afloop van zijn boekjaar aan u, met afschrift aan de inspecteur
Onvoorziene onderschrijding 1 boekjaar toegestaan, 2 opeenvolgende jaren niet
Herzieningstermijn op het pand 9 boekjaren na het jaar van eerste gebruik, 1/10 per jaar
Terugwerkende kracht bij formeel gebrek tot de verzochte datum bij herstel, anders maximaal 3 maanden
Congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte belast zonder opteren feitelijke huurduur maximaal 1 maand per huurder
Btw-tarief short stay per 1-1-2026 21 procent (kortdurende verhuur van kampeerplaatsen blijft onder het verlaagde tarief van 9 procent)
Omzetgrens kleineondernemersregeling 20.000 euro jaaromzet in Nederland
Herziening blijft achterwege bij een afwijking van 10 procent of minder, en bij in- of uitstappen in de KOR in ieder geval onder 500 euro

 

Figuur 5: de toetsmomenten op een rij, van de ondertekening van de huurovereenkomst tot het einde van de herzieningstermijn van tien jaar.

Hoe lang loopt de keuze en wanneer eindigt hij?

De keuze voor belaste verhuur is onherroepelijk. U kunt er niet op terugkomen, ook niet door met dezelfde huurder een nieuwe huurovereenkomst te sluiten. Dat is bewust zo geregeld, om te voorkomen dat partijen met de herzieningsregeling gaan schuiven. Pakt de keuze later ongunstig uit, dan zit u er dus aan vast.

De optie eindigt alleen van rechtswege. Dat gebeurt bij het einde van de verhuur, bij een wisseling van huurder, wanneer het pand door een verbouwing een nieuw vervaardigd goed wordt, wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen, wanneer huurder en verhuurder tot één fiscale eenheid gaan behoren, en wanneer de huurder de 90%-norm niet langer haalt, behalve bij een onvoorziene onderschrijding in één boekjaar. Bij een wisseling van huurder wordt in de vakliteratuur aangenomen dat u met de nieuwe huurder opnieuw moet opteren; laat dat bij elke huurderswissel controleren.

Verkoopt u het pand, dan loopt de optie volgens de staatssecretaris door bij de nieuwe verhuurder. In de literatuur wordt daar buiten de gevallen van een overdracht van een onderneming aan getwijfeld, omdat de wet uitgaat van een keuze van deze verhuurder met deze huurder. Draagt u niet één pand over maar een hele verhuurexploitatie, bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere onroerende zaken, dan kan de overdracht van een onderneming (artikel 37d Wet OB 1968) van toepassing zijn. Laat dat bij een verkoop altijd apart beoordelen, ook vanwege de gevolgen voor de overdrachtsbelasting.

Wat gebeurt er als de 90%-eis niet wordt gehaald?

Vervalt de optie, of blijkt dat nooit rechtsgeldig is geopteerd, dan is de verhuur vanaf de aanvang vrijgesteld. Dat werkt twee kanten op. U betaalt via de herzieningsregels de eerder afgetrokken btw op het pand alsnog (deels) terug, verspreid over de resterende jaren van de tienjaarstermijn. Herziening betekent dat u eerder afgetrokken btw achteraf deels terugbetaalt als het gebruik van het pand verandert; bij panden loopt dat negen boekjaren na het jaar van eerste gebruik door, met een tiende deel per jaar. En uw huurder moet de btw die hij op de huurtermijnen heeft afgetrokken corrigeren, voor zover hem ten onrechte met btw is verhuurd. Figuur 6 volgt beide sporen tot en met de naheffing.

Wie draagt uiteindelijk de rekening? Bij de vergelijkbare optie belaste levering heeft de Hoge Raad op 25 februari 2022 beslist dat de herzienings-btw bij de leverancier kan worden nageheven, ook als die redelijkerwijs mocht aannemen dat zijn afnemer de 90%-eis zou halen. Op Europees niveau geldt dat herzienings-btw wordt nageheven bij degene die die btw heeft afgetrokken. Bij belaste verhuur is dat de verhuurder. Voor de belaste verhuur is dit nog niet in rechtspraak bevestigd, maar u bent wel degene die de aftrek claimde. Het gedrag van uw huurder is daarmee in de praktijk uw risico. Leg het beoogde gebruik daarom contractueel vast en neem een clausule op waarmee u schade kunt verhalen als uw huurder de norm niet haalt of u niet tijdig informeert.

Figuur 6: wat er bij u en bij uw huurder gebeurt als de optie vervalt of nooit rechtsgeldig was, tot en met de naheffing met belastingrente en een mogelijke vergrijpboete.

Naast de naheffing kan de Belastingdienst belastingrente rekenen; voor de btw is die in 2026 5 procent. Bij opzet of grove schuld kan daarnaast een vergrijpboete volgen.

Leegstand: wat als uw huurder het pand nog niet gebruikt?

Neemt uw huurder het pand niet in gebruik vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon, dan is niet aan de norm voldaan en valt de verhuur met terugwerkende kracht in de vrijstelling. Gelukkig wordt “gebruiken” ruim opgevat: het begint al zodra uw huurder feitelijke handelingen verricht die zijn gericht op btw-belaste prestaties. Dat hij daar uiteindelijk niet aan toe komt, is niet fataal. De Hoge Raad besliste dat in 2011 voor een huurder die een informatiebalie plaatste om units in de markt te zetten, maar nooit tot onderverhuur kwam. Documenteer inrichtings- en verhuurinspanningen dus zorgvuldig: dat kan uw optie redden.

Loopt die termijn voor ingebruikneming, de referentieperiode, toch af, dan bestaat een goedkeuring om de ingangsdatum op te schorten. Daarvoor gelden vijf voorwaarden, waaronder dat het eerste gebruik ten minste zes aaneengesloten maanden voor btw-belaste prestaties plaatsvindt en dat u ermee instemt dat de herzieningstermijn pas begint in het jaar van feitelijk gebruik. Wordt de eerste huurovereenkomst ontbonden of verstrijkt hij zonder dat de huurder het pand in gebruik nam, dan kan een tweede huurovereenkomst in de plaats treden, mits die is gesloten binnen twee boekjaren na het boekjaar van ontbinding of verstrijken. Leegstand zelf leidt overigens niet tot herziening van de aanschaf-btw; de btw op instandhoudingskosten in een leegstandsjaar volgt de verhouding belast en vrijgesteld van dat jaar.

Belaste verhuur en de kleineondernemersregeling: let op de omzetgrens

Verhuurt u op kleine schaal, dan is de kleineondernemersregeling verleidelijk. Denk aan een pand dat u naast uw hoofdactiviteit verhuurt. Twee punten worden daarbij vaak gemist.

Het eerste punt is de omzetgrens. Voor de jaaromzet in Nederland waaraan de grens van 20.000 euro wordt getoetst, tellen ook de vergoedingen voor uw vrijgestelde verhuur én voor de vrijgestelde levering van onroerende zaken mee. Huur zonder btw telt dus wel mee. Alleen als de verhuur niet tot uw gebruikelijke bedrijfsactiviteiten hoort, blijft die vergoeding buiten de grens. Verhuurt u naast uw gewone omzet ook nog vrijgesteld een pand, dan kunt u daardoor onbedoeld boven de 20.000 euro uitkomen en uw KOR verliezen. Omgekeerd blijft de verkoopprijs van een pand dat u in uw bedrijf gebruikte buiten de jaaromzet, en valt die verkoop ook buiten de KOR-vrijstelling zelf.

Het tweede punt is de herziening bij een sfeerovergang. Stapt u in of uit de KOR, of vervalt uw optie belaste verhuur, dan gaat u van de belaste naar de vrijgestelde sfeer of terug. Dan kan herziening van eerder afgetrokken btw op het pand spelen. Herziening blijft achterwege als de aftrek in dat boekjaar niet meer dan 10 procent afwijkt, en bij het aanvangen of beëindigen van de KOR in ieder geval als het herzieningsbedrag in dat boekjaar onder 500 euro blijft.

Nog een punt voor verhuurders die niet in Nederland zijn gevestigd: sinds 1 januari 2025 mag een ondernemer die wel in de Europese Unie maar niet in Nederland is gevestigd de Nederlandse kleineondernemersregeling kiezen, mits hij zowel onder de Nederlandse grens van 20.000 euro als onder de Unie-grens van 100.000 euro blijft. Voor verhuurders uit landen buiten de Europese Unie blijft de regeling gesloten.

Wat is het verschil met de optie belaste levering?

Bij de koop en verkoop van bestaand vastgoed bestaat een vergelijkbare keuze: de optie belaste levering. Die twee regelingen lijken op elkaar, maar wijken op vier punten af, en juist die verschillen leiden tot fouten.

  • De toetsperiode. Bij een levering moet de koper zowel in het boekjaar van levering als in het daaropvolgende boekjaar aan de 90%-eis voldoen, dus twee boekjaren. Bij verhuur is dat één boekjaar.
  • De vorm. Bij een levering legt u de keuze vast in de notariële akte of in een gezamenlijk verzoek; bij verhuur in de huurovereenkomst of in een verzoek.
  • De verlegging. Bij een door optie belaste levering wordt de btw naar de koper verlegd. Bij belaste verhuur bestaat geen verlegging: u blijft als verhuurder zelf de btw verschuldigd.
  • Het object. Bij een levering geldt de goedkeuring voor een niet-zelfstandig gedeelte niet voor werkkamers in een woning of een pantry, terwijl de Hoge Raad dat bij verhuur juist toestaat.

Koopt u een pand met btw en verhuurt u het daarna met btw, dan sluiten die toetsperiodes van twee en één boekjaar niet op elkaar aan. Het is denkbaar dat u uw belaste verhuur behoudt via de goedkeuring bij leegstand, terwijl de levering alsnog vrijgesteld blijkt te zijn. Een regel die dat oplost bestaat niet. Laat in zo’n geval beide termijnen apart in de gaten houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Optieclausule in het contract. Zet in de huurovereenkomst voor bedrijfsruimte uitdrukkelijk dat de verhuur met btw plaatsvindt zodra uw huurder de 90%-norm (of 70%-norm) haalt en u zelf de kleineondernemersregeling niet toepast, of dien samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur.
  • Vier verplichte gegevens. Controleer of de overeenkomst uitdrukkelijk vermeldt dat met btw wordt verhuurd, en of zij de plaatselijke en de kadastrale aanduiding bevat, de begindatum van het boekjaar van de huurder, en een door de huurder ondertekende 90%-verklaring.
  • Toets het gebruik van uw huurder. Vraag vóór de ondertekening na welke omzet uw huurder maakt en of die btw-belast is; controleer of hij onder de 70%-branches valt.
  • Jaarlijkse controle inregelen. Spreek af dat uw huurder u na elk boekjaar bericht of hij de norm nog haalt, en dat hij u binnen vier weken schriftelijk informeert als dat niet zo is, met een afschrift aan de inspecteur.
  • Verhaalsclausule opnemen. Leg contractueel vast dat uw huurder aansprakelijk is voor de btw-schade als hij de 90%-norm niet haalt of u te laat informeert.
  • Ingebruikneming vastleggen. Bewaar bewijs dat uw huurder het pand vóór het einde van zijn boekjaar in gebruik nam, inclusief inrichtings- en verhuurinspanningen bij een langere aanloop.
  • Herzieningstermijn bijhouden. Houd per pand een overzicht bij van het jaar van eerste gebruik, de afgetrokken btw en de resterende jaren van de tienjaarstermijn.
  • Signaleer wijzigingen. Meld een nieuwe huurder, een nieuwe eigenaar, een ingrijpende verbouwing, gebruik als woning of het ontstaan van een fiscale eenheid direct bij uw adviseur; de optie kan dan van rechtswege zijn geëindigd.
  • Splits servicekosten. Factureer nutsvoorzieningen die uw huurder zelf kan bepalen (eigen meter, afrekening op werkelijk verbruik) apart, want die vormen een van de verhuur te onderscheiden prestatie met een eigen btw-regime.
  • KOR-grens narekenen. Tel uw vrijgestelde huuropbrengsten mee bij de toets aan de omzetgrens van 20.000 euro, en beoordeel bij in- of uitstappen of herziening op het pand speelt.

Veelgestelde vragen

Kan ik altijd kiezen voor btw op de huur?

Nee. Uw huurder moet het pand voor 90 procent of meer gebruiken voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken, het pand mag niet als woning worden gebruikt en u mag als verhuurder de kleineondernemersregeling niet toepassen. Voor zes aangewezen branches, zoals makelaardij en reisbureaus, volstaat 70 procent.

Wat gebeurt er als mijn huurder de 90%-eis niet meer haalt?

Haalt hij de norm door onvoorziene omstandigheden één boekjaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie en is de verhuur vrijgesteld. U betaalt dan via de herzieningsregels een deel van de eerder afgetrokken btw terug en uw huurder corrigeert zijn aftrek op de huurtermijnen.

Kan ik de keuze voor btw op de huur later terugdraaien?

Nee, de keuze is onherroepelijk. Ook een nieuwe huurovereenkomst met dezelfde huurder verandert daar niets aan. De optie eindigt alleen van rechtswege, bijvoorbeeld bij het einde van de verhuur, bij een huurderswissel of wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen.

Mijn huurovereenkomst mist de kadastrale gegevens. Wat nu?

Dan is formeel niet rechtsgeldig geopteerd en loopt uw aftrek gevaar. Heeft u wel btw gefactureerd en is de hele periode aan de 90%-norm voldaan, dan bestaat een goedkeuring waarmee de keuze terugwerkt tot de beoogde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Laat dit direct oppakken, want dit is de duurste en meest voorkomende fout.

Ik verhuur gemeubileerde appartementen voor drie maanden. Moet ik opteren?

Nee. Gemeubileerde verhuur voor kort verblijf is van rechtswege met btw belast en geeft u volledig aftrekrecht. Per 1 januari 2026 geldt daarvoor het algemene tarief van 21 procent. Zorg dat u de feitelijke verhuurduur en de mate van dienstverlening kunt aantonen.

Kan ik voor een deel van mijn pand kiezen voor btw?

Ja. U kunt opteren per onroerende zaak en per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte, en zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte zoals een werkkamer in een verder als woning gebruikt pand, mits die verhuur een echte economische activiteit is. Bij splitsing in appartementsrechten moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw bij verhuur van vastgoed is een regeling waarin een klein formeel gebrek tot een naheffing van honderdduizenden euro’s kan leiden. Taxcount controleert uw huurovereenkomsten op de vier verplichte gegevens, toetst of uw huurder de 90%-norm of de 70%-norm haalt, en herstelt gebreken via de bestaande goedkeuringen zolang dat nog kan. Wij rekenen voor u door wat belaste verhuur oplevert bij een aankoop, verbouwing of verduurzaming, houden de herzieningstermijn van tien jaar per pand bij en signaleren gebeurtenissen die uw optie van rechtswege beëindigen, zoals een huurderswissel of een verkoop. Ook bij short stay, leegstand en de samenloop met de kleineondernemersregeling brengen wij de gevolgen in beeld voordat u een keuze maakt.

Verhuurt u bedrijfsruimte of staat er een investering in uw pand op de planning? Laat uw huurovereenkomst en uw btw-positie door ons beoordelen voordat de aannemer factureert. Een korte controle vooraf is vaak het verschil tussen volledige aftrek en een kostenpost.

Dit artikel bevat algemene informatie over de btw bij verhuur van onroerende zaken en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels, termijnen en beleidsbesluiten kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke en zakelijke omstandigheden, waaronder het feitelijke gebruik door uw huurder. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscaal adviseur voordat u een keuze maakt of vastlegt.

De verleggingsregeling in de btw: wanneer u “btw verlegd” op de factuur zet en hoe u dure fouten voorkomt

Werkt u als onderaannemer in de bouw, koopt u diensten in bij een buitenlandse leverancier of handelt u in schroot, oud metaal of mobiele telefoons? Dan komt u de verleggingsregeling tegen. Bij deze regeling betaalt niet u als verkoper de btw, maar draagt uw klant de btw af. U stuurt daarom een factuur zonder btw, met de vermelding “btw verlegd”. Dat klinkt eenvoudig, maar juist op de factuur gaat het vaak mis, en een verkeerde factuur kan zowel u als uw klant duur komen te staan. In dit artikel leest u wat de verleggingsregeling btw inhoudt, wanneer u deze in 2026 moet toepassen, wat er precies op de factuur hoort, hoe u een fout herstelt en wat u daarna in uw administratie moet bewaren.

Wat is de verleggingsregeling?

Normaal geldt in de btw een simpele hoofdregel: wie een goed levert of een dienst verricht, rekent btw en draagt die af aan de Belastingdienst. Bij de verleggingsregeling wordt die rol omgedraaid. De btw wordt “verlegd” naar uw afnemer: niet u, maar uw klant geeft de btw aan in zijn eigen btw-aangifte.

Voor u als verkoper betekent dit dat u een factuur stuurt zonder btw-bedrag, met daarop de tekst “btw verlegd” en het btw-identificatienummer van uw klant. Uw klant vermeldt de verlegde btw in zijn aangifte als verschuldigd en mag die in dezelfde aangifte weer aftrekken, voor zover hij recht op aftrek heeft. Per saldo betaalt hij dan niets. De btw schuift dus alleen op papier van de ene naar de andere partij (zie figuur 1).

   Figuur 1: bij de hoofdregel int en betaalt de verkoper de btw; bij verlegging factureert hij zonder btw en geeft de koper de btw aan, die hij in dezelfde aangifte weer aftrekt.

Waarom bestaat deze regeling? Bij prestaties van buitenlandse ondernemers is het vooral een kwestie van gemak: de buitenlandse leverancier hoeft zich dan niet in Nederland te registreren voor de btw. Bij de binnenlandse verleggingen is het doel fraudebestrijding. Als het afdragen en het aftrekken van de btw bij dezelfde partij liggen, kan een leverancier de btw niet eerst innen en daarna laten verdwijnen terwijl zijn afnemer diezelfde btw wel aftrekt.

Wanneer geldt de verleggingsregeling?

De verleggingsregeling geldt niet altijd, maar alleen in een aantal aangewezen situaties. Die vallen uiteen in twee groepen: grensoverschrijdende gevallen en binnenlandse gevallen. Figuur 2 laat zien welke vraag u per opdracht moet stellen.

Figuur 2: beslisboom “Moet ik de btw verleggen?”, met de vier uitkomsten buitenlandse leverancier, onderaanneming of uitlening, aangewezen goederen en transacties, en gewone btw.

Inkoop bij een buitenlandse leverancier

Neemt u een dienst of levering af van een ondernemer die niet in Nederland woont of gevestigd is, dan verlegt die leverancier de Nederlandse btw naar u. Dat geldt ook als hij hier wel een vestiging heeft, zolang die vestiging niet bij de opdracht betrokken is. Dit raakt vrijwel elk bedrijf dat diensten inkoopt bij een buitenlands bedrijf, bijvoorbeeld software, advies, marketing of transport, of dat een buitenlandse aannemer of monteur in Nederland laat werken. U ontvangt dan een factuur zonder Nederlandse btw en geeft de btw zelf aan in uw aangifte.

Binnenlandse verlegging in aangewezen sectoren

Daarnaast heeft de wetgever binnen Nederland een aantal fraudegevoelige sectoren en transacties aangewezen waarvoor verlegging verplicht is. De belangrijkste zijn:

  • onderaanneming en het uitlenen van personeel bij werk van stoffelijke aard aan onroerende zaken of schepen;
  • de levering van een onroerende zaak waarbij partijen voor btw-heffing hebben gekozen;
  • goud en halffabrikaten met een zuiverheid van ten minste 325/1000, en beleggingsgoud waarvoor de verkoper voor btw-heffing kiest;
  • executieverkopen, bijvoorbeeld door een hypotheekhouder, deurwaarder of curator;
  • de levering van mobiele telefoons, computerchips, spelcomputers, laptops en tablets;
  • telecommunicatiediensten tussen aanbieders van die diensten;
  • gas- en elektriciteitscertificaten en de overdracht van CO2-emissierechten;
  • de handel in oud materiaal, afval en schroot, met de bijbehorende verwerkingsdiensten.

In de praktijk gaat het op vier manieren mis. Een onderaannemer zet uit gewoonte toch 21 procent btw op zijn factuur. Een bouwbedrijf heeft niet door dat zijn opdrachtgever een eigenbouwer is. Een schroothandelaar controleert het btw-nummer van zijn afnemer niet. En een ondernemer ontvangt een buitenlandse factuur met btw en trekt die btw toch af.

Let op: de eigenbouwer in de bouw

De grootste valkuil in de bouw is de eigenbouwer. Een eigenbouwer is iemand die zonder opdracht van een derde en in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard tot stand laat brengen, bijvoorbeeld een projectontwikkelaar of een bedrijf dat met een vast concept woningen renoveert. De wet stelt zo iemand gelijk met een aannemer. Het gevolg is dat de partij die voor hem werkt als onderaannemer geldt en dus moet verleggen. Algehele leiding over het werk is voldoende; u hoeft het werk niet zelf uit te voeren. Ziet u deze rol over het hoofd, dan staat er ten onrechte btw op de factuur, met alle gevolgen van dien.

Wat valt onder “werk van stoffelijke aard”?

Voor de binnenlandse bouwverlegging moet het gaan om fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak. Onderhoud, schoonmaak, tuinaanleg en tuinonderhoud vallen er wel onder. Zuiver intellectueel of begeleidend werk niet: denk aan een architect, een administratieve bouwbegeleider of het uitlenen van verkeersbegeleiders bij wegwerkzaamheden. Ook geldt de verlegging niet als het werk voor meer dan de helft op de eigen vestigingsplaats van de onderaannemer gebeurt, of als het werk ondergeschikt is aan de koop van een bestaande zaak.

Levert u een pakket van werkzaamheden?

Bestaat uw opdracht uit meerdere handelingen die in elkaar overlopen, dan is eerst de vraag of u voor de btw één prestatie of meerdere losse prestaties verricht. Verlegt u de btw omdat één onderdeel onder een verleggingsregeling valt, terwijl het geheel als één andere, ondeelbare dienst wordt gezien, dan raakt u de verlegging kwijt en is de btw alsnog bij u verschuldigd. Dit speelt bijvoorbeeld bij het inzamelen, sorteren en rapporteren van afval en bij het leveren en monteren van goederen. Over de afvalketen loopt op dit moment een procedure bij de Hoge Raad, waarin het gerechtshof en de advocaat-generaal tot verschillende uitkomsten komen. Levert u zo’n pakket, laat dan vooraf toetsen wat u precies levert, in plaats van achteraf.

Wat moet er op de factuur staan?

Bij verlegging is de factuur geen formaliteit maar de spil van de regeling. Op een correcte verleggingsfactuur staat geen btw-bedrag, maar wel de vermelding “btw verlegd”. Voor de binnenlandse verlegging bij onderaanneming en het uitlenen van personeel luidt de voorgeschreven tekst “omzetbelasting verlegd”. Verder vermeldt u het btw-identificatienummer van uw afnemer, naast uw eigen btw-nummer, en de volledige naam en het volledige adres van beide partijen.

De aanduiding moet voldoende specifiek zijn. Een enkele vermelding als “nultarief” of “vrijstelling” volstaat niet, omdat uw klant aan de hand van uw factuur moet kunnen zien dat hij de btw moet aangeven. De factuur reikt u uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na die waarin u de prestatie hebt verricht. In figuur 3 ziet u hoe zo’n factuur eruitziet en welke drie onderdelen moeten kloppen.

Figuur 3: voorbeeld van een verleggingsfactuur, met het btw-nummer van de afnemer, een factuur zonder btw-bedrag en de vermelding “omzetbelasting verlegd” uitgelicht.

Besteedt u het factureren uit, of stelt uw afnemer de factuur op (self-billing), dan blijft u als presterende ondernemer altijd verantwoordelijk voor de juistheid. Bij self-billing moet u dat vooraf schriftelijk afspreken, moet elke factuur door u worden aanvaard en staat op de factuur “factuur uitgereikt door afnemer”. Factureert een buitenlandse leverancier onder verlegging, dan gelden meestal de factuurregels van zijn eigen land; factureert de afnemer zelf, dan die van het land van de afnemer.

Leg in uw offerte en opdrachtbevestiging ook vast of uw prijs exclusief of inclusief btw is. Dat lijkt een detail, maar het bepaalt later of u ten onrechte gefactureerde btw kunt terugvragen zonder die aan uw klant te moeten vergoeden.

Wat gaat er mis als u tóch btw op de factuur zet?

Zet u btw op de factuur terwijl verlegging geldt, dan gebeuren er twee onaangename dingen tegelijk. U wordt die btw verschuldigd op grond van de factuur zelf: u moet het bedrag afdragen alleen al omdat het op de factuur staat. Tegelijk mag uw afnemer die btw niet aftrekken, ook niet als hij het bedrag netjes aan u heeft betaald. De Belastingdienst kan de btw dan naheffen, bij u als opsteller of bij de afnemer die ten onrechte heeft afgetrokken.

Belangrijk voor de afnemer: de Belastingdienst hoeft niet eerst een naheffingsaanslag aan uw leverancier op te leggen. De rechter heeft bevestigd dat de te veel afgetrokken btw meteen bij de afnemer mag worden nageheven, ook als op voorhand duidelijk is dat de leverancier het bedrag toch niet zou betalen. Als afnemer kunt u zich er dus niet achter verschuilen dat uw leverancier de fout maakte: in een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van u verwacht dat u zelf had kunnen zien dat er geen btw op de factuur hoorde.

Bovenop de naheffing kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro; in de praktijk wordt vaak een deel van dat maximum opgelegd. Ook rekent de Belastingdienst belastingrente over de nageheven btw: voor de btw is dat in 2026 5 procent per jaar, gerekend vanaf 1 januari na het jaar waarover u te weinig hebt afgedragen. Omdat een factuurfout vaak pas jaren later aan het licht komt, loopt die rente op. Gaat de leverancier failliet voordat de fout is hersteld, dan is de te veel betaalde btw voor de afnemer definitief verloren; de rechter heeft bevestigd dat hij die btw dan niet alsnog mag aftrekken.

Rekenvoorbeeld: onderaanneming

Een onderaannemer verricht voor 50.000 euro metselwerk aan een woning, in opdracht van een hoofdaannemer. Omdat het een werk van stoffelijke aard aan een onroerende zaak in onderaanneming is, geldt verlegging. De onderaannemer factureert 50.000 euro zonder btw, met de vermelding “omzetbelasting verlegd” en het btw-nummer van de hoofdaannemer. De hoofdaannemer geeft 10.500 euro verlegde btw aan (21 procent) en trekt diezelfde 10.500 euro weer af: per saldo betaalt hij niets.

Zet de onderaannemer tóch 10.500 euro btw op de factuur, dan is hij dat bedrag verschuldigd op grond van artikel 37 van de wet Omzetbelasting 1968, terwijl de hoofdaannemer de 10.500 euro niet mag aftrekken. De btw wordt dan bij een van beiden nageheven, met belastingrente en een mogelijke verzuimboete erbovenop. Eén verkeerde regel op de factuur kan zo 10.500 euro plus rente en boete kosten (zie figuur 4).

Figuur 4: de correcte verleggingsfactuur levert een saldo van nul op; met btw op de factuur volgt een naheffing van 10.500 euro plus belastingrente en een verzuimboete van ten hoogste 6.709 euro.

Hoe herstelt u een onjuiste factuur?

Een foute verleggingsfactuur is te repareren, maar alleen op de juiste manier en op tijd. U neemt de oorspronkelijke factuur terug of u reikt een echte creditfactuur uit die duidelijk en ondubbelzinnig naar de oorspronkelijke factuur verwijst. Daarna stuurt u een nieuwe, correcte factuur zonder btw en met de juiste verleggingsvermelding.

Een interne correctie in uw eigen boekhouding is niet genoeg. De Belastingdienst mag verlangen dat u uw klant er actief bij betrekt en de factuur samen met hem rechtzet. Dat geldt zelfs als uw klant de btw nooit heeft afgetrokken en dat gezien zijn situatie ook niet zou hebben gedaan: beslissend is dat het gevaar heeft kunnen bestaan dat de Belastingdienst niet meteen zou vaststellen dat de factuur niet voor aftrek mocht worden gebruikt. Verder moet u kunnen aantonen dat uw afnemer de te veel gefactureerde btw niet heeft afgetrokken, niet meer kan aftrekken, of alsnog op aangifte heeft voldaan. Herstelt u niet, dan blijft u de btw verschuldigd en loopt uw afnemer zijn aftrek mis.

Moet u de btw ook aan uw klant terugbetalen? Dat hangt af van wat u met hem hebt afgesproken. Een creditfactuur voor het volle btw-bedrag, waarmee u het bedrag dus aan uw klant vergoedt, mag alleen worden geëist als u zonder die vergoeding onterecht voordeel zou houden. Hebt u exclusief btw geoffreerd, dan is de btw economisch bij uw klant gebleven en ligt de vergoeding voor de hand; hebt u een prijs inclusief btw afgesproken, dan is dat vaak anders. Bewaar uw offerte en opdrachtbevestiging daarom bij het factuurdossier: die stukken bepalen de uitkomst.

Wat als u inkoopt onder de verleggingsregeling?

Ook aan de inkoopkant kunt u de fout in gaan. Ontvangt u een factuur mét btw terwijl verlegging geldt, bijvoorbeeld van een buitenlandse leverancier of van een onderaannemer, trek die btw dan niet af. Stuur de factuur terug en vraag om een correcte factuur zonder btw. Trekt u de btw toch af, dan corrigeert de Belastingdienst dat bij u, omdat u bij verlegging had kunnen weten dat er geen btw op de factuur hoorde.

Krijgt u een correcte verleggingsfactuur, dan geeft u de verlegde btw in uw aangifte aan als verschuldigd en trekt u die in hetzelfde tijdvak weer af, maar alleen voor zover u de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteert u deels vrijgesteld, dan draagt u per saldo dus wel btw af. Controleer bij inkoop ook of uw eigen btw-identificatienummer klopt op de factuur en of de leverancier daadwerkelijk ondernemer is.

Hoe lang moet u uw verleggingsfacturen bewaren?

Bij verlegging moet uit uw administratie blijken dat u de regeling terecht hebt toegepast en wie uw afnemer was. Die onderbouwing moet u ook jaren later nog kunnen laten zien. De wet verplicht u uw administratie zo te voeren en te bewaren dat uw rechten en verplichtingen daaruit altijd duidelijk blijken, en de gegevens ten minste zeven jaar te bewaren. Voor gegevens over onroerende zaken en rechten daarop geldt een bewaartermijn van tien jaar, dus ook voor de facturen van bouw- en verbouwwerk aan een pand (zie figuur 5).

Figuur 5: bewaartermijnen van zeven jaar voor uw facturen, offertes en overige administratie, en van tien jaar voor gegevens over onroerende zaken.

Bewaart u uw facturen digitaal, dan mag dat, mits de weergave juist en volledig is, de gegevens de hele bewaartermijn beschikbaar blijven en ze binnen redelijke tijd leesbaar te maken zijn. Voor een balans en een staat van baten en lasten die u op papier hebt gekregen geldt een uitzondering: die mag u niet alleen digitaal bewaren, u moet ook het papieren stuk houden. Voldoet uw administratie niet, dan kan de Belastingdienst een zogenoemde informatiebeschikking afgeven. Wordt die definitief, dan draait de bewijslast om: u moet dan zelf overtuigend aantonen dat een naheffingsaanslag te hoog is, in plaats van dat de Belastingdienst hem moet onderbouwen. Juist bij verlegging is dat een reëel risico, omdat de toepassing van de regeling uit uw facturen en vastleggingen moet blijken.

Praktische checklist: zo houdt u de verleggingsregeling op orde

  • Beoordeel per transactie: ga bij elke opdracht na of een verleggingsregeling geldt, op grond van de vestigingsplaats van de leverancier, de hoedanigheid van de afnemer en de aard van de prestatie.
  • Controleer het btw-nummer: vraag het btw-identificatienummer van uw afnemer op en controleer of het geldig is; zonder vaststelbare identiteit vervalt de verlegging.
  • Zet de juiste tekst op de factuur: vermeld “btw verlegd” (of “omzetbelasting verlegd” bij bouw en uitlening) en zet er geen btw-bedrag op.
  • Vermeld beide partijen volledig: naam, adres en btw-nummer van zowel u als uw afnemer horen op de factuur.
  • Factureer op tijd: reik de factuur uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na de prestatie.
  • Let op de eigenbouwer: check in de bouw of uw opdrachtgever als aannemer of eigenbouwer geldt, want dan moet u verleggen.
  • Kwalificeer een pakket van werkzaamheden: verlegt u op grond van één onderdeel van een samenhangende opdracht, laat dan eerst vaststellen of het geheel voor de btw één prestatie is.
  • Leg vast of de prijs exclusief btw is: noteer dat in offerte en opdrachtbevestiging; het bepaalt of u een foutief gefactureerd btw-bedrag kunt terugvragen zonder het aan uw klant te vergoeden.
  • Controleer inkoopfacturen: trek geen btw af van een factuur met btw waar verlegging hoort; laat die eerst corrigeren.
  • Herstel fouten actief en samen met uw klant: corrigeer een onjuiste factuur met een echte creditfactuur, betrek uw afnemer erbij en toon aan dat hij niets heeft afgetrokken.
  • Houd uw administratie bij: leg de uitgereikte en ontvangen facturen en de verlegde btw vast. Verricht u diensten voor zakelijke klanten in andere EU-landen die daar zelf de btw aangeven, dan neemt u die op in de opgaaf ICP, de aparte opgave van EU-klanten per btw-nummer. Btw die naar u is verlegd hoort daar niet in.
  • Bewaar zeven jaar, bij vastgoed tien jaar: houd facturen en onderliggende vastleggingen leesbaar beschikbaar, ook als u ze alleen digitaal bewaart.

Veelgestelde vragen

Wat betekent “btw verlegd” op een factuur?

Het betekent dat niet de verkoper maar de koper de btw aangeeft en afdraagt. De verkoper stuurt een factuur zonder btw-bedrag; de koper vermeldt de verlegde btw in zijn eigen aangifte en trekt die in dezelfde aangifte weer af als hij recht op aftrek heeft.

Wat moet ik als koper doen bij een verleggingsfactuur?

U geeft de verlegde btw in uw btw-aangifte aan als verschuldigd en trekt die in hetzelfde tijdvak weer af, voor zover u de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteert u deels vrijgesteld, dan blijft een deel van de btw voor uw rekening. Dit geldt ook bij inkoop bij een leverancier buiten Nederland: die verlegt de Nederlandse btw naar u, en u geeft die zelf aan.

Mag ik btw aftrekken die ten onrechte op een factuur staat?

Nee. Staat er btw op een factuur terwijl verlegging geldt, dan bestaat daarvoor geen recht op aftrek, ook niet als u het bedrag hebt betaald. Laat de factuur eerst corrigeren voordat u iets aftrekt.

Kan de Belastingdienst de btw bij mij naheffen terwijl mijn leverancier de fout maakte?

Ja. De Belastingdienst hoeft niet eerst uw leverancier een naheffingsaanslag op te leggen en mag de te veel afgetrokken btw meteen bij u naheffen, ook als duidelijk is dat uw leverancier niet zou betalen. In een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van u verwacht dat u zelf ziet dat er geen btw op de factuur hoort.

Hoe lang moet ik mijn verleggingsfacturen bewaren?

Ten minste zeven jaar, en tien jaar als het om onroerende zaken gaat. Digitaal bewaren mag, zolang de facturen volledig, beschikbaar en leesbaar blijven. Is uw administratie gebrekkig, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren en moet u zelf aantonen dat een naheffing te hoog is.

Welke boete en rente riskeer ik bij een verkeerde verleggingsfactuur?

Naast naheffing van de btw kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro, plus belastingrente van 5 procent per jaar over de nageheven btw. Bij opzet of grove schuld kunnen de gevolgen hoger uitvallen. Laat uw facturen daarom vooraf controleren.

Hoe Taxcount u kan helpen

De verleggingsregeling lijkt eenvoudig, maar de praktijk zit vol valkuilen: de eigenbouwer die u over het hoofd ziet, de buitenlandse factuur met btw die u niet mag aftrekken, de factuurvermelding die net niet klopt en het pakket werkzaamheden dat voor de btw één prestatie blijkt te zijn. Taxcount beoordeelt voor u wanneer verlegging geldt, controleert uw uitgaande en inkomende facturen, begeleidt het herstel van fouten uit eerdere jaren voordat de Belastingdienst naheft, en kijkt mee of uw administratie en bewaartermijnen op orde zijn. Wilt u weten of uw facturen aan de eisen voor 2026 voldoen? Laat uw situatie door ons toetsen, dan weet u zeker dat u niet voor de btw van een ander opdraait.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd adviseren voordat u beslissingen neemt.

De margeregeling voor tweedehands goederen: zo betaalt u btw over alleen uw winstmarge

Koopt u tweedehands spullen in en verkoopt u die weer door? Dan loopt u tegen een lastige vraag aan: hoeveel btw moet u afdragen? Wie een gebruikte fiets, auto of kast koopt van een particulier, krijgt geen btw in rekening en kan dus ook niets aftrekken. Zou u bij verkoop btw over de hele prijs rekenen, dan betaalt u te veel. Voor deze situatie bestaat de margeregeling: u betaalt dan btw over alleen uw winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. In dit artikel leest u wat de margeregeling voor tweedehands goederen inhoudt, wanneer u deze in 2026 mag toepassen en wat u praktisch moet regelen om problemen met de Belastingdienst te voorkomen.

Wat is de margeregeling?

De margeregeling laat een handelaar in tweedehands goederen btw betalen over zijn winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. De winstmarge is het verschil tussen wat u voor een goed ontvangt (de verkoopprijs) en wat u er zelf voor betaald hebt (de inkoopprijs). De btw zit al in die marge verrekend (artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968).

De regeling voorkomt dat er dubbele btw op tweedehands goederen komt te drukken. In de prijs van een gebruikt goed zit vaak nog een restje btw van toen het nieuw was. Als u dan bij verkoop opnieuw btw over de hele prijs zou rekenen, stapelt btw zich op btw. Vakmensen noemen dat cumulatie. Door btw alleen over uw marge te rekenen, betaalt u precies over de waarde die u zelf toevoegt en blijft de prijs voor uw klant scherp.

Voor wie geldt de margeregeling?

De margeregeling is bedoeld voor wederverkopers: ondernemers die gebruikte goederen kopen om ze weer door te verkopen. Denk aan handelaren in tweedehands auto’s en fietsen, kringloop- en vintagewinkels, inkoop en verkoop van witgoed en elektronica, en handel in tweedehands meubels, kleding en boeken. De regeling speelt vooral wanneer u inkoopt bij particulieren of bij andere partijen die u geen btw in rekening (kunnen) brengen.

U hoeft niet dagelijks in tweedehands goederen te handelen om wederverkoper te zijn. Volgens een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad uit 2024 is ook iemand die maar één keer een ingekocht margegoed doorverkoopt een wederverkoper, zolang hij het goed met het oog op wederverkoop heeft gekocht. Beslissend is dus waarom u het goed hebt gekocht, niet hoe vaak u handelt.

Wanneer mag u de margeregeling toepassen?

De margeregeling geldt niet zomaar voor elk tweedehands goed. Er zijn twee kernvoorwaarden: u moet het goed hebben gekocht van een leverancier die u geen aftrekbare btw in rekening bracht, en er mag geen dubbele heffing dreigen. Voldoet u daar niet aan, dan geldt de gewone btw-regeling. De beslisboom hierna helpt u snel bepalen welke route voor u geldt (zie figuur 1).

Figuur 1: Beslisboom om te bepalen of u de margeregeling mag toepassen. De herkomst van het ingekochte goed bepaalt welke route u volgt.

Van wie moet u hebben ingekocht?

De wet somt limitatief op van welke leveranciers het goed afkomstig mag zijn (artikel 28b, lid 2). Deze lijst mag niet worden opgerekt naar vergelijkbare gevallen. Het goed moet aan u zijn geleverd door een van de volgende vijf partijen (zie figuur 2):

  • Een particulier: iemand die geen ondernemer is en dus geen btw in rekening brengt.
  • Een vrijgestelde ondernemer: een ondernemer die de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel r toepast.
  • Een KOR-ondernemer: een ondernemer die de kleineondernemersregeling toepast (de btw-vrijstelling geldt bij een jaaromzet in Nederland tot 20.000 euro, of tot 100.000 euro omzet in de EU voor ondernemers buiten Nederland), voor een afgeschreven bedrijfsmiddel.
  • Een andere wederverkoper: die op zijn beurt ook de margeregeling toepaste.
  • Een leverancier uit een andere EU-lidstaat: bij een levering die daar onder een vergelijkbare margeregeling of vrijstelling viel.

Figuur 2: De vijf toegestane leveranciers (artikel 28b, lid 2, a tot en met e) van wie een margegoed afkomstig mag zijn. Deze lijst is limitatief.

Er mag geen dubbele btw dreigen

De margeregeling is een uitzondering en mag alleen worden gebruikt voor zover dat nodig is om dubbele heffing te voorkomen. Is de btw op het goed eerder gewoon afgetrokken, dan zit er geen restje btw meer in en dreigt er geen cumulatie. In dat geval mag u de margeregeling niet toepassen. Het Hof Amsterdam bevestigde dit begin 2026 in een zaak waarin een handelaar in tweedehands witgoed goederen uit Duitsland als margegoed verkocht, terwijl de Duitse leverancier de btw al had afgetrokken. De naheffing en boete bleven in stand.

Hoe berekent u de btw over uw marge?

U berekent de btw over uw winstmarge, waarbij de btw in die marge is begrepen. Bij het algemene tarief van 21 procent (2026) rekent u dus 21/121 deel van de marge als btw. Twee regels horen daarbij: u vermeldt op uw verkoopfactuur geen apart btw-bedrag (artikel 28h), en u trekt over het margegoed geen voorbelasting af (artikel 28e).

Rekenvoorbeeld

Stel, u koopt een tweedehands fiets van een particulier voor 200 euro en verkoopt die voor 350 euro (zie figuur 3).

  • Uw winstmarge is 350 euro min 200 euro is 150 euro (inclusief btw).
  • De verschuldigde btw is 150 euro maal 21/121, dus ongeveer 26 euro.
  • Zonder de margeregeling zou u btw over de hele 350 euro rekenen: dat is ongeveer 61 euro.

In dit voorbeeld scheelt de margeregeling u dus ongeveer 35 euro aan af te dragen btw op één fiets. Verkoopt u een goed met verlies, dan is er geen positieve marge en draagt u over dat goed geen btw af.

Figuur 3: Rekenvoorbeeld van de btw op een tweedehands fiets. Btw over de winstmarge (ongeveer 26 euro) tegenover btw over de hele verkoopprijs (ongeveer 61 euro).

Wat is de globalisatieregeling?

Handelt u in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan is het per stuk bijhouden van inkoop- en verkoopprijzen bewerkelijk. Voor aangewezen goederen zoals vervoermiddelen, kleding, meubels en boeken mag u daarom de globalisatieregeling gebruiken (artikel 28d). U berekent de winstmarge dan niet per goed, maar over een heel aangiftetijdvak samen: alle margeverkopen min alle marge-inkopen in dat tijdvak (zie figuur 4). Een handig gevolg is dat een negatieve marge in het ene tijdvak mag worden verrekend met een positieve marge in een volgend tijdvak. Zegt u de globalisatieregeling op, dan werkt dat pas vanaf het volgende kalenderjaar en geldt de keuze ten minste vijf kalenderjaren.

Figuur 4: Twee manieren om de winstmarge te berekenen: per goed (standaard) of per aangiftetijdvak (de globalisatieregeling).

Gelden er aparte regels voor kunst, verzamelingen en antiek?

Ja. Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten vallen niet automatisch onder de margeregeling voor gebruikte goederen. Daarvoor bestaat een aparte regeling die alleen op uw eigen verzoek geldt (artikel 28c), bijvoorbeeld als u de kunst zelf invoert of rechtstreeks van de maker koopt. Handelt u in kunst, verzamelobjecten of antiek, lees dan ons aparte artikel over de margeregeling voor kunst. Verkoopt u zowel gewone tweedehands goederen als kunst, dan kunnen beide regelingen naast elkaar spelen.

Welke risico’s loopt u bij verkeerde toepassing?

Past u de margeregeling ten onrechte toe, dan zijn de gevolgen fors. De Belastingdienst heft de btw dan na over de volledige vergoeding tegen het normale tarief, dus niet slechts over de marge, en legt daar belastingrente en meestal een verzuimboete bovenop. In de eerder genoemde Hof-uitspraak bleven naheffingsaanslagen en boetes van enkele duizenden euro’s per tijdvak in stand, en een beroep op een verdedigbaar standpunt slaagde niet.

Belangrijk om te weten: de bewijslast ligt bij u als wederverkoper. U moet kunnen aantonen dat elk margegoed afkomstig is van een toegestane leverancier en dat er bij inkoop geen aftrekbare btw in rekening is gebracht. Een vermelding als “gebruikt” of “geen btw” op een inkoopfactuur is daarvoor niet genoeg. Zorg daarom voor een sluitende inkoopadministratie met inkoopverklaringen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal of u wederverkoper bent. Koopt u gebruikte goederen in met het doel ze weer te verkopen? Dan bent u waarschijnlijk wederverkoper, ook bij incidentele verkoop.
  • Controleer de herkomst van elk goed. Ga na of u hebt ingekocht bij een particulier, een vrijgestelde ondernemer, een KOR-ondernemer, een andere margehandelaar of een vergelijkbare EU-leverancier.
  • Check of er btw is afgetrokken. Was bij de inkoop btw in rekening gebracht die aftrekbaar was, pas dan de margeregeling niet toe.
  • Vermeld geen btw op de verkoopfactuur. Bij de margeregeling zet u geen apart btw-bedrag op de factuur; de btw zit in de prijs verrekend.
  • Trek geen voorbelasting af op margegoederen. Over goederen die u onder de margeregeling verkoopt, mag u geen inkoop-btw aftrekken.
  • Houd de winstmarge controleerbaar bij. Leg per goed, of bij globalisatie per tijdvak, vast wat u betaalde en ontving.
  • Bewaar inkoopverklaringen. Bij inkoop van particulieren legt u de herkomst en de leveranciersstatus schriftelijk vast; de bewijslast ligt bij u.
  • Overweeg de globalisatieregeling. Handelt u in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan bespaart de marge per tijdvak u administratief werk.

Veelgestelde vragen

Moet ik de margeregeling verplicht toepassen?

Voor gewone gebruikte goederen geldt de margeregeling in beginsel automatisch als aan de voorwaarden is voldaan. U mag echter per levering toch voor de normale btw-regeling kiezen (artikel 28f). Dat kan gunstig zijn als uw afnemer de btw kan aftrekken.

Mag ik btw op mijn factuur zetten bij een margeverkoop?

Nee. Bij de margeregeling vermeldt u geen apart btw-bedrag op de verkoopfactuur. De btw is in de vergoeding begrepen. Wel is het verstandig te vermelden dat u de margeregeling toepast.

Wat als ik een goed met verlies verkoop?

Is uw verkoopprijs lager dan uw inkoopprijs, dan is er geen positieve marge en draagt u over dat goed geen btw af. Bij de globalisatieregeling kunt u een negatieve marge zelfs verrekenen met positieve marges in een volgend tijdvak.

Geldt de margeregeling ook voor kunst en antiek?

Voor kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiek geldt een aparte regeling die alleen op verzoek werkt (artikel 28c). Die vraagt u apart aan bij de Belastingdienst. Zie hiervoor ons artikel over de margeregeling voor kunst.

Wat gebeurt er als ik de margeregeling ten onrechte toepas?

Dan heft de Belastingdienst btw na over de volledige verkoopprijs, met belastingrente en meestal een verzuimboete. De bewijslast dat aan alle voorwaarden is voldaan, ligt bij u als wederverkoper.

Hoe Taxcount u kan helpen

De margeregeling levert een reëel btw-voordeel op, maar de voorwaarden zijn strikt en de bewijslast ligt volledig bij u. Taxcount helpt u om te beoordelen of de margeregeling in uw situatie mag worden toegepast, richt uw inkoop- en margeadministratie zo in dat die een controle doorstaat, en adviseert of de globalisatieregeling voor u voordeliger is. Ook bij handel met het buitenland of een mix van gewone goederen en kunst denken wij met u mee. Wilt u zeker weten dat u de btw op uw tweedehands handel goed regelt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u actie onderneemt.

Bijleenregeling en hypotheekrenteaftrek: hoe je overwaarde je aftrek kan beperken

Veel huiseigenaren gaan ervan uit dat de rente op hun hypotheek altijd aftrekbaar is zolang het geld in de eigen woning zit. Dat klopt niet altijd. Wie een woning verkoopt met overwaarde en daarna een nieuwe woning koopt, krijgt te maken met de bijleenregeling en de aflossingsstand. Die twee regels bepalen samen welk deel van de nieuwe hypotheek nog recht geeft op renteaftrek. Een verkeerde keuze bij het afsluiten van de hypotheek kan de aftrek onbedoeld helemaal laten vervallen.

 

Wat is de bijleenregeling?

De bijleenregeling verplicht je om de overwaarde van je oude woning opnieuw in je nieuwe woning te steken als je maximale renteaftrek wilt behouden. De overwaarde die je niet herinvesteert, telt niet mee voor de eigenwoningschuld. Over dat deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar in box 1; die schuld verhuist naar box 3.
De regeling is vastgelegd in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Kort gezegd: je eigenwoningschuld voor de nieuwe woning is gelijk aan de verwervingskosten van die woning, verminderd met je eigenwoningreserve.

 

Wat is de eigenwoningreserve (overwaarde)?

De eigenwoningreserve is de fiscale naam voor je overwaarde bij verkoop. Je berekent die als de verkoopprijs van de oude woning, verminderd met de nog openstaande eigenwoningschuld en de verkoopkosten zoals de makelaarscourtage. Dit staat in artikel 3.119aa van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De eigenwoningreserve blijft na verkoop drie jaar staan. Investeer je die binnen die termijn niet opnieuw in een eigen woning, dan vervalt het restant. Zolang de reserve loopt, verlaagt zij de eigenwoningschuld van je volgende woning.

 

De aflossingsstand: je opgebouwde looptijd verhuist mee

Voor hypotheken die vanaf 2013 zijn afgesloten geldt de aflossingseis: je moet ten minste annuïtair en in maximaal 360 maanden volledig aflossen (artikel 3.119c). Wie eerder al een eigenwoningschuld had, neemt de al verstreken looptijd mee naar de nieuwe lening. Dit heet de aflossingsstand (artikel 3.119d).
Concreet: heb je op je oude hypotheek al tien jaar renteaftrek gehad, dan resteert voor het overeenkomstige deel van je nieuwe hypotheek geen 360 maanden meer, maar 240. Kies je voor de nieuwe lening toch een looptijd van 30 jaar, dan los je voor dat deel te langzaam af. Het gevolg is dat dat deel niet aan de aflossingseis voldoet en de rente erover niet aftrekbaar is.

Praktijkvoorbeeld: een langere looptijd die de renteaftrek kostte

Een klant verkocht in 2025 zijn woning met een aanzienlijke overwaarde en kocht een nieuwe woning. Voor de aankoop sloot hij een annuïteitenhypotheek af met een looptijd van 30 jaar. De financieel adviseur koos bewust voor die lange looptijd, omdat lage maandlasten belangrijker waren dan de renteaftrek.
Fiscaal pakte dit als volgt uit. Door de bijleenregeling kon maar een klein deel van de nieuwe hypotheek als eigenwoningschuld kwalificeren, omdat de overwaarde niet volledig opnieuw was geïnvesteerd. En dat kleine deel had via de aflossingsstand een kortere resterende looptijd moeten krijgen dan de gekozen 30 jaar. Doordat de hele lening over 360 maanden liep, voldeed ook dat deel niet aan de aflossingseis. Per saldo bleef er nauwelijks aftrekbare eigenwoningschuld over en was de hypotheekrente niet aftrekbaar.
De les: de keuze voor lage maandlasten en de keuze voor renteaftrek gaan niet altijd samen. Wie beide wil afwegen, moet de fiscale gevolgen kennen voordat de hypotheek wordt getekend, niet pas bij de aangifte.

Hoe voorkom je dat je renteaftrek misloopt?

Laat de fiscale opzet van je hypotheek toetsen voordat je tekent. Belangrijke aandachtspunten zijn: hoeveel overwaarde herinvesteer je, hoeveel maanden renteaftrek heb je al gehad, en welke looptijd hoort daar fiscaal bij. Soms is het mogelijk de lening te splitsen in een deel dat wel aan de aflossingseis voldoet en een deel dat je bewust in box 3 laat vallen. Zo maak je een geïnformeerde keuze tussen maandlasten en aftrek.

 

Veelgestelde vragen

Is de rente op mijn hypotheek altijd aftrekbaar als ik het geld voor mijn woning gebruik?
Nee. De aftrekbaarheid volgt de fiscale kwalificatie van de schuld, niet het gebruik van het geld. Ook een lening die je voor de aankoop van je woning afsluit, kan geheel of deels in box 3 vallen als niet aan de voorwaarden is voldaan.
Moet ik mijn hele overwaarde opnieuw in mijn woning steken?
Voor maximale renteaftrek wel. Het deel van de overwaarde dat je niet herinvesteert, verlaagt je aftrekbare eigenwoningschuld. Over het overeenkomstige deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar.
Waarom kan een looptijd van 30 jaar een probleem zijn?
Op zichzelf is 30 jaar toegestaan; dat is het wettelijke maximum. Het probleem ontstaat als je al eerder renteaftrek hebt gehad. De al verstreken jaren gaan via de aflossingsstand van je oude schuld mee, waardoor de resterende toegestane looptijd korter is dan 30 jaar.
Hoelang blijft mijn overwaarde meetellen?
De eigenwoningreserve vervalt drie jaar na de verkoop van je oude woning. Daarna telt een niet-benut deel niet meer mee.
Kan ik de aftrek nog herstellen na het tekenen?
Soms. Afhankelijk van de situatie kan de lening worden aangepast of gesplitst zodat een deel alsnog aan de aflossingseis voldoet. Dit vraagt maatwerk en werkt meestal pas vanaf een volgend jaar.

 

Advies nodig over uw hypotheek en renteaftrek?

Taxcount rekent uw situatie graag door voordat u een hypotheek tekent of uw aangifte indient. Wij toetsen de bijleenregeling, de eigenwoningreserve en de aflossingsstand en laten zien welk deel van uw rente aftrekbaar is. Neem contact op via www.taxcount.nl of bezoek ons aan de Lange Voorhout 86 te Den Haag.

Deze tekst bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Bedragen, tarieven en termijnen zijn afhankelijk van het belastingjaar en van uw persoonlijke situatie. Laat uw eigen situatie beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Btw-correctie privégebruik auto: zo betaalt u jaarlijks btw over het privégebruik van uw auto van de zaak

Rijdt u in een auto van de zaak en gebruikt u die ook privé? Dan hebt u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik waarschijnlijk afgetrokken. Voor het deel dat u privé rijdt, hebt u dan eigenlijk te veel afgetrokken. De Belastingdienst wil dat u dat verschil één keer per jaar rechtzet met de btw-correctie privégebruik auto. Deze correctie is makkelijk te vergeten, omdat u die niet in uw gewone kwartaalaangifte doet maar in de laatste btw-aangifte van het jaar. In dit artikel leest u wanneer de correctie speelt, hoe u het bedrag berekent met het forfait van 2,7% of 1,5% of op basis van uw werkelijke gebruik, en wat u praktisch moet regelen.

Wat is de btw-correctie privégebruik auto?

Koopt of leaset u een auto voor uw onderneming, dan mag u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik (zoals brandstof en reparaties) aftrekken als voorbelasting. Dat mag alleen voor het deel waarmee u belaste omzet maakt. Zolang u de auto puur zakelijk gebruikt, is er niets aan de hand.

Gebruikt u de auto ook privé, dan hebt u over dat privédeel eigenlijk te veel btw afgetrokken. De wet lost dit op door uw privégebruik één keer per jaar te behandelen als een dienst die u aan uzelf verricht. Over die zogenoemde fictieve dienst betaalt u btw. Zo betaalt u alsnog de btw terug die bij het privégebruik hoort. In gewone taal: u corrigeert aan het eind van het jaar de btw die u eerder te ruim hebt afgetrokken.

Wanneer moet u de correctie toepassen?

De btw-correctie speelt zodra aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste behoort de auto tot uw ondernemingsvermogen en hebt u bij de aanschaf, de lease, het onderhoud of het gebruik btw afgetrokken. Ten tweede gebruikt u, uw personeel of de directeur-grootaandeelhouder (DGA) de auto ook privé.

Let op: woon-werkverkeer telt voor de btw als privégebruik. Dit is door de hoogste belastingrechter bevestigd en geldt zelfs voor een thuiswerker die maar af en toe naar kantoor rijdt. Ook als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, rijdt u dus vrijwel altijd een stukje privé. De correctie speelt daarom bij bijna elke auto van de zaak waarvan de btw is afgetrokken.

U hoeft de correctie niet toe te passen als u geen btw hebt afgetrokken, bijvoorbeeld bij een marge-auto of een auto die u van een particulier kocht. Ook een volledig vrijgestelde ondernemer maakt de correctie niet. En kunt u aantonen dat de auto helemaal niet privé wordt gebruikt, dan is er evenmin een correctie. Het onderstaande schema helpt u bepalen of de correctie voor u speelt (zie figuur 1).

  Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de btw-correctie privégebruik auto voor u speelt.

Hoe berekent u de btw-correctie?

U betaalt de btw over het werkelijke privégebruik van de auto. Omdat dat lastig precies bij te houden is, mag u kiezen: u gebruikt een vast forfait, of u rekent met uw werkelijke privégebruik. U mag altijd het laagste van de twee aangeven. Welk forfaitpercentage bij uw auto hoort, ziet u in figuur 2.

Figuur 2: welk forfait past bij uw auto, 2,7% of het verlaagde 1,5%.

Met het forfait van 2,7%

Hebt u geen administratie waaruit uw privégebruik blijkt, dan stelt u de verschuldigde btw op 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Dit forfait geldt ook voor lease-auto’s. U hoeft dan niets bij te houden: u rekent simpelweg met de catalogusprijs. Rijdt de auto maar een deel van het jaar mee, dan verlaagt u het forfait naar evenredigheid, bijvoorbeeld 6/12 als u de auto op 1 juli in gebruik neemt. Het forfait mag u alleen gebruiken als u alle btw op de autokosten hebt afgetrokken en uit uw administratie niet blijkt hoeveel u privé rijdt. Het uitkomstbedrag is meteen de btw die u betaalt: u telt er dus niet apart nog eens 21% bovenop.

Het verlaagde forfait van 1,5%

In twee situaties gebruikt u 1,5% in plaats van 2,7% van de catalogusprijs. De eerste situatie is een auto die u langer dan vier jaar geleden voor het eerst bent gaan gebruiken: vanaf het vijfde jaar na het jaar van ingebruikname geldt het lagere percentage. Dat komt doordat de aanschaf-btw dan is uitgewerkt en alleen de kosten van onderhoud en gebruik overblijven. De tweede situatie is een auto die u zonder btw-aftrek hebt gekocht, zoals een marge-auto of een auto van een particulier. Voor het overige blijft de berekening hetzelfde. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages als voor gewone auto’s.

Doet u ook btw-vrijgestelde dingen en kunt u de btw op de auto daardoor maar deels aftrekken, dan verlaagt u het forfait naar rato van uw aftrekrecht. Bij bijvoorbeeld 50% vrijgestelde omzet wordt het forfait van 2,7% dus verlaagd tot 1,35%. De onderstaande tabel vat de percentages samen.

Situatie Forfait (van catalogusprijs incl. btw en bpm)
Standaard: btw afgetrokken, auto binnen vier jaar na ingebruikname 2,7%
Auto langer dan vier jaar in gebruik (vanaf het vijfde jaar) 1,5%
Auto gekocht zonder btw-aftrek (marge-auto of van particulier) 1,5%
Deels vrijgestelde (gemengde) omzet: forfait naar rato verlaagd bijv. 1,35%

 

Op basis van uw werkelijke privégebruik

Het forfait is een aanbod, geen verplichting. Kunt u aantonen dat u minder privé rijdt, dan mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. U betaalt dan btw over de kosten die echt aan het privégebruik zijn toe te rekenen: de aanschaf, het onderhoud en het gebruik, telkens zonder btw en alleen voor zover u die btw hebt afgetrokken. De aanschafkosten telt u niet in één keer mee, maar verdeeld over vijf jaar (elk jaar een vijfde deel). Vanaf het zesde jaar tellen de aanschafkosten helemaal niet meer mee, waardoor de correctie dan een stuk lager uitvalt. Over die aan het privégebruik toe te rekenen kosten betaalt u het algemene btw-tarief van 21% (het tarief dat in 2026 geldt).

Het bewijs levert u met een sluitende kilometeradministratie waaruit de verhouding tussen zakelijke en privékilometers blijkt. Hebt u die niet, dan mag u het privégebruik ook onderbouwen met een redelijke schatting op basis van andere gegevens, zoals de aard van uw onderneming, de functie van de gebruiker en de manier waarop de auto privé wordt gebruikt. Belangrijk: ontbreekt een rittenadministratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar aannemen dat u vrijwel alles (bijvoorbeeld 99%) privé rijdt. De rechter heeft bepaald dat het privégebruik dan redelijk moet worden geschat. Wilt u met zo’n schatting van het forfait afwijken, dan moet uw onderbouwing wel volledig en juist zijn; een achteraf in elkaar gezette berekening met gaten wordt niet geaccepteerd.

Rekenvoorbeeld

Stel, u hebt een auto met een catalogusprijs van 45.000 euro, inclusief btw en bpm. U hebt de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik volledig afgetrokken en u gebruikt de auto het hele jaar ook privé, zonder dat u uw privégebruik bijhoudt. De correctie via het forfait bedraagt dan 2,7% van 45.000 euro, oftewel 1.215 euro. Dat bedrag geeft u aan in uw laatste btw-aangifte van het jaar.

Neemt u dezelfde auto pas op 1 september in gebruik, dan rekent u met 4/12: 4/12 van 2,7% van 45.000 euro komt uit op 405 euro. Is de auto ouder dan vijf jaar, dan rekent u met 1,5% van 45.000 euro, oftewel 675 euro. En kunt u met een rittenadministratie aantonen dat u maar weinig privé rijdt, dan mag u een lager bedrag aangeven en betaalt u dus minder btw. Figuur 3 laat de berekening in stappen zien.

Figuur 3: de correctie in drie stappen: catalogusprijs maal het forfait geeft de te betalen btw.

Is er een maximum aan de correctie?

Ja. De correctie kan nooit hoger zijn dan de btw die u dat jaar daadwerkelijk hebt afgetrokken. Valt de afgetrokken btw in de eerste vier jaar lager uit dan het forfait, dan is de correctie beperkt tot de som van twee bedragen: de btw op onderhoud en gebruik die u dat jaar hebt afgetrokken, plus een vijfde deel van de bij aanschaf afgetrokken btw. Bij een auto die u langer dan vier jaar geleden in gebruik nam, of die u zonder btw-aftrek kocht, is de correctie zelfs beperkt tot alleen de dat jaar afgetrokken btw op onderhoud en gebruik. Zo betaalt u nooit meer terug dan u ooit hebt afgetrokken.

Wat als uw werknemer een eigen bijdrage betaalt?

Betaalt uw werknemer of de DGA een vergoeding voor het privégebruik, dan verandert de berekening. Is die vergoeding kostendekkend, dan draagt u btw af over de ontvangen vergoeding en past u het forfait niet toe. Is de vergoeding niet kostendekkend, dan vergelijkt u de btw over de vergoeding met de uitkomst van het forfait en volgt u de regels van de Belastingdienst. Belangrijk is dat een te lage eigen bijdrage aan een verbonden gebruiker (zoals een werknemer, bestuurder of familielid) niet loont: in dat geval mag de Belastingdienst uitgaan van de normale, marktconforme waarde. Let op dat een vaste inhouding op het salaris die losstaat van hoeveel er werkelijk privé wordt gereden, niet als zo’n vergoeding telt; dan geldt gewoon de fictieve dienst en berekent u de correctie op de normale manier.

Gelden er bijzondere situaties?

Een paar situaties vragen om extra aandacht. Gebruikt u de auto deels voor vrijgestelde omzet, dan verlaagt u de correctie naar evenredigheid, bijvoorbeeld tot 1,35% bij 50% vrijgestelde omzet, omdat u de btw ook maar deels hebt afgetrokken. Werkt u met een maatschap of vof en hebt u de auto privé gekocht, dan mag het samenwerkingsverband onder voorwaarden toch de 2,7%- of 1,5%-regeling toepassen. En bestaat uw privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een eenvoudige rekenmethode gebruiken: u rekent met de afstand woning-werk maal het aantal keren dat u die rijdt, en u mag daarbij uitgaan van 214 werkdagen per jaar (naar verhouding minder als u parttime werkt of de auto pas in de loop van het jaar krijgt). Zo kunt u de correctie soms lager vaststellen. Twijfelt u over uw situatie, laat de berekening dan vooraf toetsen.

Bestelauto die u verplicht ter beschikking stelt

Voor sommige bestelauto’s geldt een uitzondering. Stelt u een bestelauto om niet ter beschikking en hebt u door de aard van het werk (bijvoorbeeld wisselende, moeilijk bereikbare projectlocaties) feitelijk geen reële keuze, terwijl het privégebruik zich beperkt tot woon-werkverkeer, dan kan het zijn dat er helemaal geen btw-correctie hoeft plaats te vinden. Het bedrijfsbelang staat dan voorop en het privévoordeel van de werknemer is daaraan ondergeschikt. Dit is maatwerk: laat een dergelijke situatie altijd apart beoordelen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of de correctie speelt: hebt u btw afgetrokken op een auto van de zaak die ook privé (inclusief woon-werkverkeer) wordt gebruikt? Dan geldt de correctie.
  • Kies uw methode: reken met het forfait (2,7% of 1,5% van de catalogusprijs) of met uw werkelijke privégebruik, en geef het laagste bedrag aan.
  • Gebruik het juiste percentage: 1,5% als de auto langer dan vier jaar in gebruik is of zonder btw-aftrek is gekocht, anders 2,7%; verlaag verder naar rato bij vrijgestelde omzet (bijvoorbeeld 1,35%).
  • Reken naar tijdsgelang: gebruikt u de auto maar een deel van het jaar, verlaag het forfait dan evenredig (bijvoorbeeld 6/12).
  • Bewaar uw onderbouwing: houd een sluitende kilometeradministratie bij als u van het forfait wilt afwijken, of leg volledige en juiste gegevens vast voor een redelijke schatting.
  • Verwerk de correctie op tijd: geef het bedrag aan en betaal het in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar, niet in een gewone kwartaalaangifte.
  • Let op oudere en dure auto’s: bij weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar is de werkelijke correctie vaak lager dan het forfait; dat verschil kunt u claimen.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet ik de btw-correctie privégebruik auto aangeven?

U geeft de correctie aan in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar. Voor de meeste ondernemers is dat de aangifte over het vierde kwartaal of over december. U doet dit dus maar één keer per jaar (zie figuur 4).

Figuur 4: u geeft de correctie één keer per jaar aan, in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar.

Hoeveel btw betaal ik met het forfait?

Standaard betaalt u 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Bij een auto van 45.000 euro is dat 1.215 euro per jaar. Voor auto’s die langer dan vier jaar in gebruik zijn of zonder btw-aftrek zijn gekocht, geldt 1,5%. Bij deels vrijgestelde omzet verlaagt u het percentage naar rato, bijvoorbeeld tot 1,35%.

Telt woon-werkverkeer mee als privégebruik?

Ja. Voor de btw geldt woon-werkverkeer als privégebruik. Zelfs als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, moet u daarom vrijwel altijd de correctie toepassen. Bestaat het privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een vereenvoudigde berekening gebruiken met 214 werkdagen per jaar.

Kan ik minder betalen dan het forfait?

Ja, als u kunt aantonen dat u weinig privé rijdt. Met een sluitende kilometeradministratie of een goed onderbouwde schatting mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. Ontbreekt een administratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar uitgaan van bijna volledig privégebruik, maar moet het privégebruik redelijk worden geschat. Afwijken loont vooral bij dure auto’s, weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar.

Geldt de correctie ook voor een elektrische auto?

Ja. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages en regels als voor benzine- en dieselauto’s.

Wat gebeurt er als ik de correctie vergeet?

Dan hebt u te veel btw afgetrokken. De Belastingdienst kan dat naheffen en rekent daarover belastingrente; voor de btw is dat 5% in 2026. Corrigeert u een vergeten of te lage correctie zelf met een suppletie, dan volgt daarvoor in beginsel geen betaalverzuimboete meer (dat is sinds 2 juni 2023 het beleid). Alleen bij opzet of grove schuld kan de Belastingdienst nog een vergrijpboete opleggen, die kan oplopen tot 100% van de te weinig betaalde btw. Controleer de correctie daarom elk jaar, want zij valt buiten uw gewone aangiften.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw-correctie privégebruik auto lijkt eenvoudig, maar de keuze tussen het forfait en uw werkelijke gebruik kan flink schelen. Taxcount berekent voor u wat het voordeligst is, beoordeelt of u het verlaagde forfait van 1,5% of een naar rato verlaagd percentage mag toepassen en helpt u de correctie correct te verwerken in uw laatste btw-aangifte. Ook als u een eigen bijdrage van personeel ontvangt, de auto deels voor vrijgestelde omzet gebruikt of een bestelauto verplicht ter beschikking stelt, zorgen wij dat de berekening klopt en dat u niet te veel btw afdraagt. Wilt u weten of u de correctie juist toepast en of u niet te veel betaalt? Laat uw situatie beoordelen door Taxcount en voorkom naheffingen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is nadrukkelijk geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Het BUA: wanneer u de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen wel of niet mag aftrekken

December is voor veel ondernemers de maand van kerstpakketten, relatiegeschenken en een personeelsfeest. Wat u daarbij vaak niet weet: de btw op dit soort uitgaven mag u lang niet altijd aftrekken. Een aparte regeling, het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (het BUA), sluit de btw-aftrek uit voor uitgaven met een prive- of consumptief karakter voor derden en personeel. In dit artikel leest u wat het BUA precies is, welke uitgaven eronder vallen en hoe de belangrijkste ontsnapping werkt: de drempel van 227 euro per ontvanger per jaar. Ook laten we zien hoe u de btw-aftrek op relatiegeschenken en personeel correct beoordeelt en welke fouten u eind van het boekjaar wilt voorkomen. Zo weet u wanneer u een correctie moet maken en wanneer de btw gewoon aftrekbaar blijft.

Wat is het BUA?

Als ondernemer mag u normaal de btw op uw zakelijke inkopen aftrekken van de btw die u aan de Belastingdienst afdraagt. Die aftrekbare btw heet voorbelasting (artikel 15 Wet op de omzetbelasting 1968). Het BUA maakt daar een uitzondering op. Het sluit de aftrek uit voor bepaalde uitgaven die vooral een prive- of consumptief karakter hebben, ook al maakt uw onderneming ze om zakelijke redenen.

Het gaat om drie soorten uitgaven: het voeren van een zekere staat (dure statusuitgaven), relatiegeschenken en andere giften, en verstrekkingen aan uw personeel. Heeft u de btw op zulke uitgaven al afgetrokken, dan moet u die aftrek aan het einde van het boekjaar corrigeren als het BUA van toepassing is. Die correctie hoort thuis in de laatste btw-aangifte van dat boekjaar.

Welke uitgaven raakt het BUA?

Het BUA speelt bij uitgaven met een prive- of consumptief karakter. Grofweg gaat het om drie situaties: relatiegeschenken en giften, verstrekkingen aan personeel, en een aantal uitzonderingen met eigen regels (zie figuur 1). Hierna lichten we ze toe.

Figuur 1: bij welke uitgaven u de btw-aftrek moet beoordelen, en de 227-euro-drempel als uitgang.

Relatiegeschenken en giften

Een relatiegeschenk of gift is elke prestatie die u zonder vergoeding of onder de kostprijs aan een ander doet, uit zakelijke motieven of vrijgevigheid. Denk aan een cadeau voor een klant of leverancier, of een gift aan een stichting. Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. In de praktijk gaat het om ontvangers die voor 30 procent of minder recht op aftrek hebben, zoals particulieren of vrijgestelde organisaties. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw wel gewoon aftrekt, dan speelt het BUA niet.

Verstrekkingen aan personeel

Bij personeel gaat het om zaken die uw werknemers voor persoonlijke doeleinden krijgen: huisvesting, loon in natura (zoals een kerstpakket, telefoon of computer), gelegenheid tot sport of ontspanning, prive-vervoer en andere persoonlijke voorzieningen. Het moet gaan om personeel dat op het moment van verstrekken bij u in dienst is, niet om oud-medewerkers.

Wat valt er buiten het BUA?

Een aantal verstrekkingen valt bewust buiten het BUA en heeft eigen regels. Spijzen en dranken vallen onder de aparte kantineregeling. Verder blijven besloten busvervoer voor woon-werkverkeer, een fiets van maximaal 749 euro inclusief btw (onder voorwaarden) en outplacement buiten schot. Ook de auto van de zaak valt sinds 1 juli 2011 niet meer onder het BUA: het privegebruik daarvan wordt via een andere correctie geregeld (de zogenoemde fictieve dienst).

De drempel van 227 euro per ontvanger

De belangrijkste ontsnapping is de drempel. Blijven de kosten per ontvanger onder 227 euro (exclusief btw) per boekjaar, dan hoeft u niets te corrigeren en blijft de btw aftrekbaar. Komt u daar bovenuit, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar, dus niet alleen over het deel boven 227 euro (zie figuur 2). U toetst per ontvanger en per boekjaar, dus per klant, per relatie of per werknemer.

Heeft de ontvanger een eigen bijdrage betaald waarover u btw afdraagt, dan blijft uw aftrek in stand tot het bedrag van die verschuldigde btw. Let op een belangrijke wijziging: sinds 1 januari 2024 mag u die eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om zo onder de 227-euro-drempel te blijven. Voor de drempeltoets telt dus de volledige kostprijs.

Figuur 2: bij overschrijding van de drempel vervalt de aftrek over het hele bedrag, niet alleen over het meerdere.

Rekenvoorbeeld

Stel: u geeft een werknemer een kerstgeschenk met een kostprijs van 300 euro (exclusief btw) en vraagt daarvoor 100 euro (exclusief btw) eigen bijdrage. U trekt eerst 63 euro btw af (21 procent van 300 euro). Over de eigen bijdrage draagt u 21 euro btw af (21 procent van 100 euro). De kostprijs is 300 euro en dus hoger dan 227 euro, waardoor de drempel is overschreden. De eigen bijdrage telt sinds 2024 niet meer mee om eronder te blijven. De BUA-correctie is dan 63 euro min 21 euro, dus 42 euro die u niet mag aftrekken (zie figuur 3).

Figuur 3: de btw-correctie voor het kerstgeschenk in vier stappen, van kostprijs tot correctie van 42 euro.

De belangrijkste bedragen en grenzen (2026) op een rij
Onderwerp Bedrag / grens Toelichting
Drempel per ontvanger 227 euro excl. btw per jaar Eronder: geen correctie. Erboven: btw over het hele bedrag niet aftrekbaar.
Grens aftrekgerechtigde ontvanger 30 procent of minder Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger nauwelijks aftrekt.
Fiets (uitzondering) 749 euro incl. btw Tot dit bedrag volledige aftrek; leasefiets maximaal 130 euro aftrek.
Kantineregeling 9 procent van (kostprijs + 25 procent) Aparte rekenregel voor eten en drinken; staat los van de 227-euro-toets.
Auto van de zaak (forfait) 2,7 procent (of 1,5 / 1,35 procent) Loopt buiten het BUA om, via een fictieve dienst.

 

De kantineregeling: aparte rekenregel voor eten en drinken

Verstrekt u als werkgever eten en drinken aan uw personeel onder de kostprijs, bijvoorbeeld in een eigen bedrijfskantine, dan geldt een aparte rekenregel. De aftrek is dan uitgesloten tot 9 procent van het verschil tussen enerzijds de aanschafkosten (exclusief btw) plus 25 procent, en anderzijds het bedrag dat u uw personeel in rekening brengt. Dit kantinebedrag staat los van de 227-euro-drempel: u telt het er niet bij op. Heeft u een eigen kantine, houd deze berekening dan apart bij.

Bijzondere situaties: auto, parkeren, fiets en kerstpakketten

Voor een aantal veelvoorkomende verstrekkingen heeft de staatssecretaris in een beleidsbesluit uit 2020 uitgelegd hoe het uitpakt. Hierna zetten we de hoofdlijnen op een rij (zie figuur 4).

Figuur 4: vier veelvoorkomende situaties met hun eigen regel of grens.

Auto van de zaak

Het privegebruik van een auto van de zaak valt sinds 2011 niet meer onder het BUA, maar wordt gecorrigeerd via een vast forfait. Dat forfait bedraagt 2,7 procent van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm). Vanaf het zesde jaar en bij een auto die u zonder btw-aftrek heeft gekocht (een marge-auto), geldt een verlaagd forfait van 1,5 procent. Bij een auto waarvan u de btw maar deels heeft afgetrokken, is dit 1,35 procent.

Parkeergelegenheid

Biedt u uw personeel parkeergelegenheid aan, dan geldt dit als verstrekt voor bedrijfsdoeleinden. Het prive-element gaat daarin op, zodat er geen BUA-correctie nodig is.

Fiets van de zaak

Een eigen bijdrage van de werknemer (ook in de vorm van verlofdagen of brutoloon) brengt u eerst in mindering op de inkoopprijs van de fiets. Blijft het saldo op of onder 749 euro inclusief btw, dan is de btw volledig aftrekbaar en volgt er geen correctie voor eventueel ander privegebruik. Ligt de prijs na de eigen bijdrage hoger dan 749 euro, dan is de aftrek uitgesloten voor het meerdere boven 749 euro. Voor een leasefiets is de btw in de leasetermijnen aftrekbaar tot maximaal 130 euro.

Kerstpakketten en loon in natura

Bij een volledig btw-belaste ondernemer is de btw op kerstpakketten aftrekbaar zolang het totaal per werknemer per jaar op of onder 227 euro blijft. Een volledig vrijgestelde ondernemer heeft sowieso geen recht op aftrek, ook onder 227 euro. Bent u een gemengde ondernemer (deels belast, deels vrijgesteld), dan volgt de aftrek de toerekening: is de uitgave direct aan belaste omzet toe te rekenen, dan is de btw aftrekbaar mits onder 227 euro; is deze direct vrijgesteld, dan is er geen aftrek; horen de kosten bij de algemene kosten, dan geldt de pro rata met uitsluiting boven 227 euro.

Wanneer geldt het BUA niet? Het primair ondernemingsbelang

Het BUA geldt niet als een verstrekking primair in het belang van uw onderneming is en het persoonlijke voordeel van de werknemer daaraan ondergeschikt is. De rechter stelt hierbij wel een strenge eis: er moeten bijzondere omstandigheden zijn die u als ondernemer dwingen de verstrekking te doen. Een bekend voorbeeld is de noodzakelijke huisvesting van buitenlandse uitzendkrachten die geen eigen keuzevrijheid hebben. Ook een gift kan buiten het BUA blijven als die aantoonbaar rechtstreeks het bedrijfsbelang dient, bijvoorbeeld om de afname van uw producten te bevorderen. Kunt u dat onderbouwen, dan blijft uw aftrek in stand. Leg daarom goed vast aan wie en met welk zakelijk doel u verstrekkingen doet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd een overzicht bij. Noteer per boekjaar en per ontvanger welke relatiegeschenken, giften en personeelsverstrekkingen u heeft gedaan en wat de kostprijs (exclusief btw) daarvan is.
  • Toets aan de 227-euro-drempel. Blijft u per ontvanger onder 227 euro, dan hoeft u niets te doen. Zit u erboven, dan corrigeert u de afgetrokken btw over het hele bedrag.
  • Reken een eigen bijdrage niet weg. Sinds 2024 mag u een eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om onder de drempel te blijven.
  • Beoordeel de ontvanger bij relatiegeschenken. Alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken (30 procent of minder), speelt het BUA.
  • Maak de kantineberekening apart. Heeft u een eigen kantine, pas dan de 9-procent-regeling toe naast de gewone drempeltoets.
  • Verwerk de correctie op tijd. De BUA-correctie hoort in de laatste btw-aangifte van het boekjaar.
  • Onderbouw een uitzondering. Meent u dat een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient, leg de bijzondere omstandigheden dan schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Wat betekent BUA?

BUA staat voor het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het is de regeling die de btw-aftrek uitsluit voor bepaalde uitgaven met een prive- of consumptief karakter, zoals relatiegeschenken en verstrekkingen aan personeel.

Mag ik de btw op een kerstpakket aftrekken?

Dat mag als de totale kosten per werknemer op of onder 227 euro (exclusief btw) per jaar blijven. Komt u daarboven, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar. Tel alle verstrekkingen aan dezelfde werknemer in het boekjaar bij elkaar op.

Geldt de drempel van 227 euro per geschenk of per jaar?

Per ontvanger per boekjaar, niet per afzonderlijk geschenk. U telt alle relatiegeschenken of verstrekkingen aan dezelfde persoon in het boekjaar bij elkaar op en toetst dat totaal aan de 227 euro.

Speelt het BUA ook bij een geschenk aan een andere ondernemer?

Meestal niet. Bij relatiegeschenken geldt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw aftrekt, dan hoeft u niets te corrigeren.

Wanneer moet ik de BUA-correctie doen?

De correctie verwerkt u in de laatste btw-aangifte van het boekjaar. U berekent dan per ontvanger of de drempel is overschreden en corrigeert de te veel afgetrokken btw.

Valt de auto van de zaak onder het BUA?

Nee. Sinds 1 juli 2011 valt de auto van de zaak niet meer onder het BUA. Het privegebruik wordt gecorrigeerd via een forfait van 2,7 procent van de catalogusprijs (in bepaalde gevallen 1,5 of 1,35 procent).

Hoe Taxcount u kan helpen

Het BUA is een regeling waarin makkelijk fouten sluipen, vooral rond december. Een gemiste correctie kan leiden tot een naheffing met belastingrente en soms een boete, terwijl u omgekeerd ook onnodig aftrek kunt mislopen door te veel te corrigeren. Taxcount helpt u de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen correct te beoordelen: we brengen uw verstrekkingen in kaart, toetsen ze aan de 227-euro-drempel en de uitzonderingen, maken zo nodig de kantineberekening en beoordelen of een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient. Wilt u zeker weten dat uw btw-aangifte op dit punt klopt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen, dan weet u precies waar u aan toe bent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd door een fiscaal adviseur informeren voordat u besluiten neemt.

Zie ook:

De samenloopvrijstelling: zo voorkomt u dubbele belasting bij de koop of verkoop van vastgoed

U koopt een nieuw bedrijfspand, een stuk bouwgrond of u laat uw pand ingrijpend verbouwen. Dan kunnen er ineens twee belastingen tegelijk opduiken: btw op de levering en overdrachtsbelasting op de verkrijging. Betaalt u die dan allebei over dezelfde transactie? In de meeste gevallen niet. De zogeheten samenloopvrijstelling zorgt ervoor dat u niet dubbel betaalt. In dit artikel leest u wanneer een levering van vastgoed met btw is belast, wanneer de samenloopvrijstelling geldt en wat u praktisch moet regelen om deze vrijstelling veilig te benutten.

Wat is de samenloopvrijstelling?

Als u in Nederland een onroerende zaak verkrijgt, betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting. Dat is een belasting op de verkrijging van een pand of stuk grond. Wordt over diezelfde levering ook btw geheven, dan zou u twee belastingen tegelijk over dezelfde transactie betalen. Om dat te voorkomen bestaat de samenloopvrijstelling. De regel is eenvoudig: is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

De centrale vraag is dus steeds: is deze levering belast met btw? Dat bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt. De belangen zijn groot, want btw en overdrachtsbelasting op vastgoed lopen al snel in de tienduizenden tot honderdduizenden euro.

Wanneer is de levering van vastgoed belast met btw?

De hoofdregel is dat de levering van een onroerende zaak is vrijgesteld van btw. Bij “oud” vastgoed dat al langer in gebruik is, is er dus meestal geen btw en betaalt u alleen overdrachtsbelasting. Op die hoofdregel zijn drie belangrijke uitzonderingen, waarbij de levering juist wel met btw is belast (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom voor de btw-status van een vastgoedlevering. De hoofdregel is vrijstelling; drie uitzonderingen maken de levering btw-belast, waarna de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Een nieuw gebouw binnen twee jaar

De levering van een nieuw gebouw (of een deel daarvan) met bijbehorend terrein is verplicht belast met btw tot uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikneming. De datum van eerste ingebruikneming bepaalt dus wanneer die tweejaarstermijn afloopt (zie figuur 2). Legt u die datum goed vast, dan weet u zeker of de levering nog binnen de termijn valt.

  Figuur 2: binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming is de levering van een nieuw gebouw verplicht belast met btw; daarna is de levering vrijgesteld en geldt alleen overdrachtsbelasting.

Een bouwterrein

De levering van een bouwterrein is eveneens verplicht belast met btw. Een bouwterrein is onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd. Ook de levering van een terrein met een te slopen gebouw kan onder omstandigheden als levering van bouwgrond gelden, waardoor er btw is verschuldigd.

De optie belaste levering

Verkoper en koper kunnen er samen voor kiezen om een levering toch met btw te belasten. Dat kan als de koper de zaak voor ten minste 90 procent gebruikt voor prestaties waarvoor hij recht op btw-aftrek heeft. U legt deze keuze vast in de notariele akte van levering. Voor een koper met recht op btw-aftrek is een btw-belaste levering vaak juist gunstig: hij trekt de btw af en bespaart via de samenloopvrijstelling de overdrachtsbelasting.

Let op: ook een ingrijpende verbouwing kan meetellen. Ontstaat door de verbouwing “in wezen nieuwbouw”, dan is er fiscaal een nieuw vervaardigd goed en begint een nieuwe termijn van eerste ingebruikneming. De lat hiervoor ligt hoog en de beoordeling is sterk feitelijk.

Hoe werkt de vrijstelling in de praktijk? Een rekenvoorbeeld

Stel, u koopt een net opgeleverd bedrijfspand van 500.000 euro (exclusief btw), binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming. Deze levering is verplicht belast met btw: 500.000 euro maal 21 procent is 105.000 euro btw. Omdat de levering met btw is belast, is de verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting dankzij de samenloopvrijstelling.

Gebruikt u het pand voor btw-belaste prestaties, dan trekt u de 105.000 euro als voorbelasting af. Per saldo houdt u dan geen btw-last over en betaalt u geen overdrachtsbelasting. Was dezelfde levering vrijgesteld van btw geweest, dan zou u over de verkrijging het algemene overdrachtsbelastingtarief van 10,4 procent (het tarief 2026 voor niet-woningen zoals bedrijfspanden en grond) betalen, oftewel ruim 50.000 euro. Het verschil tussen beide routes is dus fors (zie figuur 3).

Figuur 3: bij een btw-belaste levering vervalt de overdrachtsbelasting en is de btw aftrekbaar; bij een vrijgestelde levering betaalt u 10,4 procent overdrachtsbelasting.

Wat geldt er bij de overname van een hele onderneming?

Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over, inclusief het vastgoed dat daarbij hoort, dan geldt een bijzondere regel. Voor de btw wordt geacht dat er geen levering plaatsvindt (de overgang van een algemeenheid van goederen). Er is dan geen btw. En zonder btw is de samenloopvrijstelling in beginsel niet van toepassing, waardoor over de verkrijging van het vastgoed juist wel overdrachtsbelasting wordt geheven.

Om dubbele of onbedoelde heffing te voorkomen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat de samenloopvrijstelling in deze situatie tocht kan gelden, onder twee voorwaarden. Ten eerste zou de levering zonder deze bijzondere regel belast zijn geweest (bijvoorbeeld omdat het om een nieuw pand binnen de tweejaarstermijn gaat). Ten tweede is de zaak nog niet als bedrijfsmiddel gebruikt, of had de verkrijger de btw sowieso niet kunnen aftrekken. Bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed is het dus verstandig deze voorwaarden vooraf te laten toetsen.

Waarop moet u letten om fouten te voorkomen?

De samenloop van twee heffingswetten maakt fouten makkelijk. Een levering die ten onrechte als vrijgesteld of juist als belast is behandeld, een gemiste tweejaarstermijn of een niet goed vastgelegde optie kan leiden tot een naheffing van btw of overdrachtsbelasting, met belastingrente en soms een boete. In bepaalde gevallen speelt bovendien een strafheffing overdrachtsbelasting bij structuren die bewust btw-belast worden gemaakt. Laat de kwalificatie van uw transactie daarom tijdig beoordelen, het liefst voordat de akte passeert.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Beoordeel de btw-status. Ga na of de levering verplicht met btw is belast (nieuw gebouw binnen twee jaar, bouwterrein) of vrijgesteld is. Dit bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt.
  • Leg de datum van eerste ingebruikneming vast. Zo kunt u aantonen of de levering nog binnen de tweejaarstermijn valt.
  • Regel de optie belaste levering op tijd. Wilt u kiezen voor een btw-belaste levering, neem die keuze dan op in de notariele akte en onderbouw dat de koper de zaak voor minstens 90 procent voor btw-belaste prestaties gebruikt.
  • Trek de voorbelasting juist af. Trek de btw af volgens het werkelijke gebruik van het pand en houd rekening met latere herziening.
  • Let op bij een bedrijfsoverdracht. Verkoopt of koopt u een onderneming met vastgoed, laat dan toetsen of de goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is.
  • Bewaar uw documentatie. Leg de kwalificatie, de akte en de btw-berekening vast, zodat u bij vragen van de Belastingdienst alles kunt onderbouwen.

Veelgestelde vragen

Wat is de samenloopvrijstelling precies?

Het is een vrijstelling die voorkomt dat u over dezelfde vastgoedtransactie zowel btw als overdrachtsbelasting betaalt. Is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Betaal ik altijd overdrachtsbelasting als er geen btw is?

Bij vastgoed dat vrijgesteld is van btw (meestal ouder vastgoed) betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting over de verkrijging. Het niet-woningtarief bedraagt in 2026 10,4 procent. Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt 2 procent, en voor een andere woning 8 procent.

Is een btw-belaste levering nadelig voor mij?

Niet als u recht op btw-aftrek heeft. U trekt de btw dan af en bespaart bovendien de overdrachtsbelasting. Voor kopers zonder btw-aftrek (bijvoorbeeld vrijgestelde ondernemers of particulieren) ligt dat anders, omdat de btw dan een kostenpost wordt.

Geldt de vrijstelling ook bij een verbouwing?

Alleen als de verbouwing zo ingrijpend is dat fiscaal een nieuw vervaardigd pand ontstaat (“in wezen nieuwbouw”). Dan start een nieuwe tweejaarstermijn en kan de levering btw-belast zijn. Of daarvan sprake is, hangt sterk af van de feiten en verdient een aparte beoordeling.

Wat moet ik doen bij de overname van een bedrijf met vastgoed?

Laat vooraf toetsen of de bijzondere goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is. Bij een overgang van een onderneming is er namelijk geen btw, waardoor de vrijstelling niet automatisch werkt en er anders overdrachtsbelasting verschuldigd kan zijn.

Hoe Taxcount u kan helpen

Vastgoedtransacties zitten fiscaal vol met termijnen, kwalificatievragen en de samenloop van twee belastingen. Een verkeerde inschatting kan u tienduizenden euro naheffing en rente kosten, terwijl een goede structurering juist veel voordeel oplevert. Taxcount beoordeelt vooraf of uw levering btw-belast of vrijgesteld is, of de optie belaste levering verstandig is en of de samenloopvrijstelling toepasbaar is, ook bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed. Wij zorgen dat de juiste keuzes op tijd in de akte staan en dat uw btw-aftrek klopt. Wilt u zeker weten dat u geen dubbele belasting betaalt? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw transactie voordat de akte passeert.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Aftrek van voorbelasting: hoe u met het pro rata bepaalt hoeveel btw u mag aftrekken bij gemengd gebruik

U betaalt btw op vrijwel al uw inkopen. Levert uw onderneming alleen btw-belaste prestaties, dan trekt u die btw gewoon volledig af. Maar wat als u daarnaast ook omzet heeft waarover geen btw wordt berekend, bijvoorbeeld verhuur van een woning, verzekeringsbemiddeling, zorg of onderwijs? Dan mag u de betaalde btw, de zogenoemde voorbelasting, niet volledig aftrekken. U moet die splitsen in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel. Dit artikel legt uit hoe de aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik werkt, hoe u het pro rata berekent, wanneer u mag rekenen met het werkelijke gebruik en waar u op moet letten bij dure investeringen en de meerjarige herziening. Ook staan we stil bij een belangrijke wijziging per 1 januari 2026.

Wat is voorbelasting en wanneer mag u die aftrekken?

Btw werkt met verrekening. De btw die u aan uw klanten in rekening brengt, draagt u af aan de Belastingdienst. De btw die u zelf op uw inkopen betaalt, mag u daarvan aftrekken. Die inkoop-btw heet de voorbelasting. Per saldo drukt de btw zo op de eindverbruiker en niet op u als ondernemer.

Er is een belangrijke voorwaarde. U mag de voorbelasting alleen aftrekken voor zover u de ingekochte goederen en diensten gebruikt voor btw-belaste handelingen. Verricht u uitsluitend belaste prestaties, dan is de voorbelasting volledig aftrekbaar en heeft u met de splitsingsregels uit dit artikel niets te maken. Heeft u daarnaast ook prestaties zonder recht op aftrek, dan komt de splitsing in beeld.

Wanneer moet u de btw splitsen?

Splitsen is nodig zodra u gemengd presteert. Dat betekent dat u naast btw-belaste omzet ook omzet heeft zonder btw, of activiteiten waarvoor u geen vergoeding vraagt. Denk aan een adviseur die daarnaast vrijgestelde verzekeringen bemiddelt, een verhuurder met zowel belaste als vrijgestelde verhuur, een zorg- of onderwijsinstelling met een belaste kantine, of een pand dat u deels zakelijk en deels prive gebruikt.

De splitsing gaat in de basis om drie soorten inkopen (zie figuur 1). Inkopen die u uitsluitend voor belaste omzet gebruikt, leveren volledige aftrek op. Inkopen die u uitsluitend voor vrijgestelde omzet gebruikt, geven geen aftrek. En de kosten die u voor beide gebruikt, de zogenoemde algemene kosten, mag u maar deels aftrekken. Dat laatste deel bepaalt u met het pro rata.

Figuur 1: verdeel uw inkopen in drie groepen; alleen de algemene kosten worden met het pro rata beperkt.

Het loont om zoveel mogelijk inkopen rechtstreeks aan de belaste of vrijgestelde activiteit te koppelen. Dat heet directe toerekening. Hoe scherper u dat doet, hoe kleiner de pot met algemene kosten die door het pro rata wordt beperkt, en hoe hoger uw aftrek.

Hoe berekent u het pro rata?

Het pro rata is een omzetverhouding. U deelt de omzet waarvoor u recht op aftrek heeft door uw totale omzet, beide bedragen zonder btw. De uitkomst is een percentage dat u naar boven afrondt op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw die op uw algemene kosten drukt.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, u heeft 200.000 euro belaste omzet en 50.000 euro vrijgestelde omzet, samen 250.000 euro. Op uw algemene kosten, zoals huisvesting en administratie, drukt 10.000 euro voorbelasting. Uw pro rata is dan 200.000 gedeeld door 250.000, oftewel 80 procent. U mag dus 8.000 euro aftrekken. De overige 2.000 euro is niet aftrekbaar en blijft als kostenpost drukken.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van het pro rata bij een verhouding van 200.000 euro belaste en 50.000 euro vrijgestelde omzet.

Mag u ook op basis van het werkelijke gebruik splitsen?

Ja. Als aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van uw algemene kosten een ander beeld geeft dan de omzetverhouding, dan splitst u op basis van dat werkelijke gebruik. U meet dat met een objectieve verdeelsleutel, bijvoorbeeld het aantal vierkante meters, kubieke meters of gebruiksuren. In het voorbeeld hierboven mag u, als u kunt aantonen dat de betrokken ruimtes en middelen in werkelijkheid voor 90 procent aan de belaste activiteit worden besteed, 9.000 euro in plaats van 8.000 euro aftrekken.

Let op twee dingen. U mag niet mixen: voor alle algemene kosten samen kiest u een methode, dus of het pro rata, of het werkelijke gebruik. En wie afwijkt van de omzetverhouding, moet aannemelijk maken dat zijn methode als geheel nauwkeuriger is. De bewijslast ligt dus bij u. Voor een onroerende zaak met gemengd gebruik schrijft de wet het werkelijke gebruik zelfs voor.

Aftrek naar bestemming en de meerjarige herziening

U bepaalt de aftrek op het moment dat u de factuur ontvangt, op basis van de bestemming die u de inkoop dan geeft. Wijkt het gebruik bij de eerste ingebruikneming af van die bestemming, dan corrigeert u dat. Te veel afgetrokken btw wordt alsnog verschuldigd, te weinig afgetrokken btw krijgt u op verzoek terug. Een reele belaste bestemming op het aanschafmoment is essentieel: zonder die intentie vervalt de aftrek en volgt naheffing.

Voor dure bedrijfsmiddelen stopt het daar niet. Daarvoor geldt een meerjarige herziening (zie figuur 3). Voor onroerende zaken volgt de Belastingdienst de aftrek nog negen boekjaren na het jaar van ingebruikname, telkens voor een tiende deel. Voor roerende bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, geldt vier boekjaren, telkens een vijfde deel. Verandert in zo’n jaar de verhouding tussen belast en vrijgesteld gebruik met meer dan 10 procent, dan corrigeert u een deel van de eerder afgetrokken btw. Blijft de afwijking onder de 10 procent, dan hoeft u niets te doen.

Figuur 3: de herzieningstermijnen per soort investering, inclusief de nieuwe categorie investeringsdiensten per 2026.

Nieuw per 1 januari 2026: herziening van investeringsdiensten

Sinds 1 januari 2026 vallen ook dure diensten aan onroerende zaken onder de herziening. Het gaat om investeringsdiensten met een vergoeding van ten minste 30.000 euro exclusief btw per dienst, zoals een grote verbouwing, renovatie of groot onderhoud aan een pand. Deze diensten worden, net als roerende bedrijfsmiddelen, afzonderlijk gevolgd en herzien over vijf boekjaren, telkens een vijfde deel. De regeling geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik worden genomen. Gebruikt u zo’n pand deels vrijgesteld, dan is het belangrijk om deze diensten voortaan apart in uw administratie bij te houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of u gemengd presteert. Heeft u naast btw-belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding? Dan moet u de voorbelasting splitsen.
  • Splits uw inkopen in drie groepen. Alleen belast (volledig aftrekbaar), alleen vrijgesteld (geen aftrek) en gemengd (algemene kosten). Reken zoveel mogelijk direct toe.
  • Bereken het pro rata correct. Aftrekbare omzet gedeeld door totale omzet, exclusief btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten.
  • Overweeg het werkelijke gebruik. Geeft een verdeling op vierkante meters of uren een gunstiger en objectief onderbouwd beeld, laat die methode dan toetsen. Mix geen methoden.
  • Herreken aan het einde van het boekjaar. Pas per aangifte een voorlopig pro rata toe en corrigeer dit in de laatste aangifte op basis van de jaarcijfers.
  • Houd de herzieningsadministratie bij. Voor onroerende zaken tien jaar, voor roerende bedrijfsmiddelen en investeringsdiensten vijf jaar. Toets jaarlijks aan de 10 procent-grens.
  • Let op investeringsdiensten vanaf 2026. Registreer verbouwingen, renovaties en groot onderhoud aan panden vanaf 30.000 euro apart voor de herziening.

Veelgestelde vragen

Wat is voorbelasting precies?

Voorbelasting is de btw die u zelf op uw inkopen betaalt. Die btw mag u aftrekken van de btw die u aan uw klanten in rekening brengt, voor zover u de inkopen gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Wanneer moet ik de btw splitsen?

Zodra u naast belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding heeft. De btw op kosten die u voor beide gebruikt, mag u dan maar voor een deel aftrekken.

Hoe bereken ik het pro rata?

Deel uw aftrekbare omzet door uw totale omzet, beide zonder btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw van uw algemene kosten.

Mag ik kiezen tussen pro rata en werkelijk gebruik?

U rekent standaard met het pro rata. Alleen als u aannemelijk maakt dat het werkelijke gebruik een nauwkeuriger beeld geeft, mag u dat gebruiken. U moet dat wel objectief onderbouwen en u mag de methoden niet mengen.

Wat verandert er per 2026 aan de herziening?

Vanaf 1 januari 2026 vallen ook investeringsdiensten aan onroerende zaken van 30.000 euro of meer onder de meerjarige herziening. Deze worden vijf jaar lang gevolgd, net als roerende bedrijfsmiddelen.

Wat gebeurt er als ik te veel btw aftrek?

De Belastingdienst heft de te veel afgetrokken btw na, met belastingrente en mogelijk een boete. Omdat investeringsgoederen vijf of tien jaar in de herziening blijven, kan een fout jaren doorwerken.

Hoe Taxcount u kan helpen

De aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik is foutgevoelig. De keuze tussen pro rata en werkelijk gebruik, de directe toerekening, de jaarlijkse herrekening en de herziening over vijf of tien jaar vragen om een zorgvuldige aanpak, zeker sinds de nieuwe regels voor investeringsdiensten. Een fout in het aanschafjaar van een pand of dure dienst werkt jaren door en kan leiden tot naheffing met rente.

Taxcount helpt u om uw btw-aftrek scherp en aantoonbaar juist in te richten. Wij beoordelen of u gemengd presteert, zetten een heldere administratieve splitsing op, onderbouwen zo nodig een gunstigere verdeelsleutel op basis van werkelijk gebruik en bewaken uw herzieningsverplichtingen. Wilt u zeker weten dat u niet te veel of te weinig btw aftrekt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook: