Oudedagsverplichting afwikkelen in 2026: keer de ODV op tijd uit en voorkom een heffing ineens

Heeft u als directeur-grootaandeelhouder vroeger pensioen in eigen beheer opgebouwd en dat omgezet in een oudedagsverplichting? Dan staat er nog een pensioenpotje op de balans van uw bv. Zodra u de AOW-leeftijd nadert, komt het erop aan: u moet de oudedagsverplichting op tijd afwikkelen. Start u de uitkeringen te laat, dan dreigt een zware sanctie: de hele waarde wordt ineens belast, met daarbovenop 20 procent revisierente. In dit artikel leest u hoe u de oudedagsverplichting in 2026 correct afwikkelt, welke termijnen u moet bewaken en welke keuzes u heeft.

Wat is een oudedagsverplichting?

Tot 2017 mochten directeuren-grootaandeelhouders pensioen opbouwen in eigen beheer. De eigen bv hield het pensioengeld dan zelf, in plaats van het bij een verzekeraar onder te brengen. Sinds 1 april 2017 mag dat niet meer. Wie toen pensioen in eigen beheer had, kon dat tussen 1 april 2017 en 31 december 2019 omzetten in een oudedagsverplichting, kortweg ODV. Dat is een vereenvoudigde pensioenverplichting in de bv. Sinds 2020 is omzetten of afkopen niet meer mogelijk. Elke ODV die nu nog op een balans staat, moet dus de komende jaren worden afgewikkeld.

Heeft uw bv zo’n ODV, dan moet u er twee dingen mee doen. U moet de ODV elk jaar oprenten en u moet de ODV op tijd laten uitkeren of omzetten in een lijfrente.

Hoe rent u de ODV op in 2026?

De bv verhoogt de stand van de ODV elk jaar met een marktrente die het ministerie vaststelt. Die rente is het gemiddelde van de zogenoemde U-rendementen over het vorige kalenderjaar. Voor 2026 is de marktrente vastgesteld op 2,593 procent. Dit percentage wordt elk jaar opnieuw bepaald; controleer dus jaarlijks het actuele cijfer voordat u de oprenting boekt.

Wanneer moeten de uitkeringen ingaan?

 Figuur 1: de termijnen rond de AOW-leeftijd.

Kiest u ervoor om de ODV zelf uit te keren, dan schrijft de wet een vast ritme voor. De waarde wordt uitgekeerd in twintig jaarlijkse termijnen. Het bedrag per jaar is steeds de stand van de ODV aan het begin van dat jaar, gedeeld door het aantal resterende jaren. De uitkering is loon uit vroegere dienstbetrekking en wordt belast in box 1 (zie figuur 1).

Het belangrijkste is het startmoment. De eerste termijn mag op zijn vroegst ingaan vijf jaar voor uw AOW-leeftijd. De eerste termijn moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd zijn gestart. Deze grens is de kern van de tijdige afwikkeling: mist u die, dan loopt u een groot risico.

Start u eerder dan de AOW-leeftijd, dan keert u ook langer uit. De periode van twintig jaar wordt dan verlengd met het aantal jaren dat de eerste termijn voor de AOW-leeftijd ligt. Begint u bijvoorbeeld drie jaar voor uw AOW-leeftijd, dan keert de bv uit in drieëntwintig jaarlijkse termijnen.

Rekenvoorbeeld: op tijd uitkeren of te laat

Figuur 2: op tijd uitkeren tegenover een misgelopen afwikkeling (bedragen 2026).

Onderstaand voorbeeld laat zien waarom een tijdige afwikkeling zoveel scheelt. De bedragen gelden voor het belastingjaar 2026 (zie figuur 2).

De situatie

De ODV van een dga staat bij het bereiken van de AOW-leeftijd op 200.000 euro. De dga moet kiezen: de ODV op tijd in termijnen uitkeren, of het risico lopen dat de afwikkeling misgaat.

Scenario A: u keert op tijd uit

De dga start de uitkering op tijd en keert de ODV uit in twintig termijnen. De eerste termijn is 200.000 euro gedeeld door 20, dus 10.000 euro. De resterende 190.000 euro wordt opgerent met de marktrente van 2,593 procent tot 194.927 euro; de tweede termijn is dan 194.927 euro gedeeld door 19, ofwel 10.259 euro. Elke termijn is belast in box 1, maar de heffing is netjes gespreid over twintig jaar.

Scenario B: de afwikkeling gaat mis

De dga start de termijnen niet op tijd of koopt de ODV af. Dat geldt als een oneigenlijke handeling. De volledige waarde van 200.000 euro wordt dan ineens belast in box 1. Daar bovenop komt revisierente van 20 procent van die waarde, ofwel 40.000 euro. De dga betaalt dus in een keer belasting over 200.000 euro plus 40.000 euro extra.

De conclusie: wikkelt de dga de ODV op tijd af in twintig termijnen, dan blijft de heffing gespreid. Bij een te late of onjuiste afwikkeling wordt de hele 200.000 euro ineens belast, met daarbovenop 40.000 euro revisierente.

Kunt u de ODV omzetten in een lijfrente?

In plaats van zelf uitkeren mag u de ODV ook geruisloos omzetten in een lijfrente of een lijfrenterekening bij een verzekeraar of bank. Geruisloos betekent dat u op dat moment geen belasting betaalt. Deze omzetting kan zelfs nog nadat de termijnen zijn ingegaan. Omzetten kan aantrekkelijk zijn: het geld verlaat de bv, de uitvoering ligt voortaan bij de bank of verzekeraar en u heeft meer keuze in de uitkeringsvorm. Taxcount rekent graag voor u door welke route in uw situatie het beste past.

Wat gebeurt er bij overlijden?

Overlijdt u voordat de termijnen zijn ingegaan, dan moeten de uitkeringen binnen twaalf maanden na het overlijden starten. Ze moeten toekomen aan uw erfgenamen of legatarissen, voor zover dat natuurlijke personen zijn. Overlijdt u nadat de termijnen zijn ingegaan, dan gaan de resterende termijnen op diezelfde personen over. Ook hier geldt: wordt dit niet op tijd of niet aan de juiste personen geregeld, dan dreigt de sanctie van heffing ineens plus revisierente. Leg daarom vast wie de termijnen moet ontvangen en informeer uw erfgenamen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer de balans. Ga na of er nog een ODV op de balans van uw bv staat.
  • Rent jaarlijks op. Verhoog de ODV elk jaar met de voorgeschreven marktrente, voor 2026 is dat 2,593 procent.
  • Bewaak het startmoment. Start de eerste termijn uiterlijk twee maanden na uw AOW-leeftijd.
  • Bereken de termijnen goed. Deel elk jaar de stand door het aantal resterende jaren.
  • Houd loonheffing in. Elke termijn is loon uit vroegere dienstbetrekking; de bv houdt loonheffing in en draagt die af.
  • Overweeg een lijfrente. Een geruisloze omzetting in een lijfrente kan meer flexibiliteit geven en de bv ontlasten.
  • Regel het bij overlijden. Zorg dat de termijnen binnen twaalf maanden na overlijden ingaan en aan de juiste erfgenamen toekomen.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet de eerste ODV-termijn uiterlijk ingaan?

Uiterlijk twee maanden na het bereiken van uw AOW-leeftijd. Eerder mag ook, tot maximaal vijf jaar voor de AOW-leeftijd. Mist u de uiterste grens, dan dreigt heffing ineens plus revisierente.

Mag ik eerder beginnen met uitkeren?

Ja, de eerste termijn mag ingaan vanaf vijf jaar voor uw AOW-leeftijd. De uitkeringsperiode wordt dan wel langer: de twintig jaar wordt verlengd met het aantal jaren dat u eerder start.

Wat kost het als de afwikkeling misgaat?

De volledige waarde van de ODV wordt dan ineens belast in box 1. Daar komt revisierente van 20 procent van de waarde bovenop. Bij een ODV van 200.000 euro is dat 40.000 euro extra, naast de belasting zelf.

Hoe hoog is de oprenting van de ODV in 2026?

Voor 2026 is de voorgeschreven marktrente 2,593 procent. Het percentage wordt elk jaar opnieuw vastgesteld op basis van de U-rendementen van het voorgaande jaar.

Kan ik de ODV nog omzetten in een lijfrente als de termijnen al lopen?

Ja, een geruisloze omzetting in een lijfrente of lijfrenterekening kan ook nog nadat de termijnen zijn ingegaan. U betaalt op het moment van omzetting geen belasting; de latere lijfrente-uitkeringen zijn belast in box 1.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount controleert of er nog een ODV op uw balans staat, bewaakt de oprenting en de termijnen, berekent de jaarlijkse uitkering en adviseert over de keuze tussen zelf uitkeren en omzetten in een lijfrente. Ook de afwikkeling bij overlijden nemen wij mee. Nadert u de AOW-leeftijd, of twijfelt u of uw ODV goed loopt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en termijnen kunnen wijzigen. Wat in uw situatie de beste keuze is, hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Laat u daarom altijd adviseren voordat u beslist.

Jaarruimte 2026: zo bouw je met lijfrente fiscaal voordelig pensioen op

Bouw je als ondernemer, dga of werknemer weinig of geen pensioen op? Dan loop je waarschijnlijk fiscaal voordeel mis. De belastingdienst geeft je namelijk ruimte om zelf een oudedagsvoorziening op te bouwen met een lijfrente, en die inleg mag je van je inkomen aftrekken. Hoeveel je mag aftrekken, heet de jaarruimte. Je jaarruimte 2026 bedraagt in beginsel 30% van je inkomen, na aftrek van een vast basisbedrag. Heb je de afgelopen jaren ruimte laten liggen, dan kun je die vaak alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In dit artikel leest je wat de jaarruimte precies is, welke bedragen en grenzen in 2026 gelden, hoe je de aftrek benut en welke valkuilen je moet vermijden.

Wat is de jaarruimte en waarom bestaat deze?

De overheid wil dat iedereen ongeveer evenveel fiscaal voordeel kan krijgen voor zijn oudedag. Bouw je via een werkgever pensioen op, dan gebeurt dat belastingvrij. Bouw je te weinig op, dan mag je het verschil zelf aanvullen met een lijfrente: een geblokkeerde oudedagsvoorziening bij een verzekeraar of bank die later in vaste termijnen wordt uitgekeerd. De premie die je stort, mag je van je inkomen aftrekken, maar alleen tot een maximum. Dat maximum is de jaarruimte.

De achterliggende gedachte is een pensioentekort. Alleen wie te weinig oudedag opbouwt, krijgt ruimte om dat fiscaal aan te vullen. Levert de berekening een positief bedrag op, dan is er per definitie een tekort en mag je premie aftrekken. Bouw je al volledig pensioen op, dan is er weinig of geen ruimte.

Voor wie is de jaarruimte interessant?

De jaarruimte is relevant voor iedereen met inkomen in box 1 die te weinig pensioen opbouwt. In de praktijk gaat het vooral om ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap die zelf geen pensioen opbouwen. Ook dga’s en werknemers met een beperkte pensioenregeling hebben vaak ruimte, net als mensen die net een baan zonder pensioen hebben of die na de verkoop of staking van hun onderneming een oudedagsvoorziening willen opbouwen.

Let op: de ruimte is strikt persoonlijk. Je kunt je eigen niet-gebruikte ruimte niet aan je partner overdragen. Voor de bv zelf geldt de regeling niet; die valt onder de loon- en vennootschapsbelasting.

Hoe berekent je je jaarruimte 2026?

De hoofdregel voor 2026 is: 30% van de premiegrondslag, verminderd met wat je al aan pensioen hebt opgebouwd. De premiegrondslag is je inkomen van vorig jaar (winst voor ondernemersaftrek, loon, freelance-resultaat en periodieke uitkeringen). Dat inkomen telt mee tot een plafond van 137.800 euro en wordt verminderd met een vrijgesteld basisbedrag, de AOW-franchise, van 19.172 euro. De maximale premiegrondslag komt daarmee op 118.628 euro, en de maximale jaarruimte voor 2026 op ongeveer 35.589 euro voordat je pensioenopbouw ervan af gaat. In figuur 1 zie je die berekening stap voor stap, uitgewerkt voor een winst van 60.000 euro.

Figuur 1: Van inkomen naar jaarruimte 2026 in vier stappen. Bij 60.000 euro inkomen en geen pensioenopbouw via een werkgever blijft 12.248 euro aftrekbare ruimte over.

De vermindering wegens pensioenopbouw heet de imputatie. Die zorgt ervoor dat je niet dubbel voordeel krijgt: wat je al via een werkgever opbouwt, gaat van je ruimte af. De gegevens hiervoor (de factor A of de ingelegde premies) vind je op je Uniform Pensioenoverzicht (UPO). De Belastingdienst biedt een online rekenhulp waarmee je je jaarruimte kunt berekenen.

Wat is de reserveringsruimte?

Heb je een jaar of meer niet je volledige jaarruimte benut, dan gaat die ruimte niet automatisch verloren. Je mag onbenutte ruimte van de afgelopen tien kalenderjaren alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In 2026 kun je zo maximaal 42.753 euro extra inleggen en aftrekken, bovenop de gewone jaarruimte van dat jaar. Het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar en gebeurt op verzoek in je aangifte. Vooral in een goed jaar, of in het jaar waarin je stopt met je onderneming, kan dit een fors voordeel opleveren. Figuur 2 laat zien hoe onbenutte ruimte uit tien jaar zich optelt tot het bedrag dat je alsnog mag aftrekken.

Figuur 2: Onbenutte jaarruimte per jaar over 2016 tot en met 2025. In dit voorbeeld telt dat op tot 40.100 euro, net binnen het maximum van 42.753 euro voor 2026.

Hoeveel belasting bespaar je? Een rekenvoorbeeld

Een groot voordeel van de lijfrenteaftrek is dat deze niet wordt afgetopt. Anders dan bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en de ondernemersaftrek, die in de hoogste schijf tegen maximaal 37,56% aftrekbaar zijn, telt de lijfrentepremie mee tegen je volledige tarief, tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dat een wezenlijk verschil.

Stel: een zzp’er had vorig jaar 60.000 euro winst en bouwt geen pensioen op. Haar premiegrondslag is 60.000 euro min de AOW-franchise van 19.172 euro, dus 40.828 euro. Haar jaarruimte is 30% daarvan, oftewel 12.248 euro. Stort zij dit bedrag op een lijfrenterekening, dan daalt haar belastbaar inkomen met 12.248 euro. Bij een tarief van 37,56% scheelt dat ruim 4.600 euro belasting nu. Over de uitkering betaalt zij later belasting, meestal tegen een lager tarief (zie figuur 3).

Figuur 3: Hetzelfde inkomen, twee keuzes. Wie de jaarruimte van 12.248 euro benut, betaalt bij een tarief van 37,56% ruim 4.600 euro minder belasting in het jaar van storting.

Welke lijfrentes zijn aftrekbaar en wanneer moet je betalen?

Toegelaten aanbieders en vormen

De premie is alleen aftrekbaar bij een toegelaten aanbieder. Dat is een verzekeraar of een geblokkeerde lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsonderneming (de zogenoemde bancaire lijfrente). Daarnaast moet de lijfrente een toegestane vorm hebben: een oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Bij die laatste mogen de termijnen niet meer bedragen dan 27.192 euro per jaar. Een polis of rekening die niet aan deze eisen voldoet, geeft geen recht op aftrek.

Betalen in het jaar zelf

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte geldt sinds 2011 geen terugwentelingstermijn meer. Je moet de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Een premie die je pas in het nieuwe jaar betaalt, telt niet meer mee voor het afgelopen jaar. Alleen bij een lijfrente die je aankoopt met stakingswinst geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Stop je met je onderneming? Let op de stakingslijfrente

Zet je de winst uit de staking of verkoop van je onderneming om in een lijfrente, dan gelden aparte, veel hogere maxima. Afhankelijk van je leeftijd en situatie kun je tot 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro omzetten, verminderd met eerder opgebouwde voorzieningen. Voor deze route geldt wel de terugwenteling van zes maanden. Omdat de bedragen en voorwaarden hier complex zijn, is advies vooraf verstandig.

Wat gebeurt er als je de lijfrente later afkoopt?

De premieaftrek is voorwaardelijk. Koop je de lijfrente later af, verpand je die, of gebruik je die anders dan voor periodieke oudedagsuitkeringen, dan neemt de fiscus de eerder afgetrokken premies en het behaalde rendement terug. Dit bedrag wordt belast in box 1 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bovenop de belasting ben je dan in beginsel 20% revisierente verschuldigd, een soort boete voor het verkeerd gebruiken van de regeling.

Er zijn uitzonderingen. Over een klein lijfrentetegoed met een waarde tot 5.513 euro is geen revisierente verschuldigd, en bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag je vervroegd afkopen tot 51.440 euro per jaar zonder deze gevolgen. Ook geldt: voor zover je de premies aantoonbaar niet hebt afgetrokken, is geen revisierente verschuldigd. Een saldoverklaring van de Belastingdienst kan de grondslag dan verlagen. Bewaar daarom je aangiften en betaalbewijzen goed.

De belangrijkste bedragen voor 2026 op een rij

ParameterWaarde 2026Vindplaats
Opbouwpercentage jaarruimte30%art. 3.127 lid 1
Aftoppingsgrens inkomen137.800 euroart. 3.127 lid 3
AOW-franchise19.172 euroart. 3.127 lid 3
Maximale premiegrondslag118.628 euroafgeleid
Maximale jaarruimte (voor imputatie)± 35.589 euroafgeleid
Maximale reserveringsruimte42.753 euroart. 3.127 lid 2
Terugblikperiode reserveringsruimte10 jaarart. 3.127 lid 2
Max. termijn tijdelijke oudedagslijfrente27.192 euro per jaarart. 3.125
Afkoopgrens klein tegoed (geen revisierente)5.513 euroart. 3.126a lid 5
Maximaal aftrektarief49,50%art. 2.10
Revisierente bij afkoopin beginsel 20%art. 30i AWR

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bereken je jaarruimte. Gebruik je inkomen van vorig jaar en je pensioenoverzicht (UPO), of de rekenhulp van de Belastingdienst.
  • Controleer de reserveringsruimte. Laat narekenen of je ruimte uit de afgelopen tien jaar alsnog kunt inhalen, tot 42.753 euro.
  • Kies een toegelaten product. Sluit de lijfrente af bij een erkende verzekeraar of bank, in een toegestane vorm.
  • Stort op tijd. Betaal de premie voor 31 december; voor de gewone ruimte is er geen terugwenteling.
  • Verwerk de aftrek in je aangifte. Neem de premie op als aftrekpost en vraag de reserveringsruimte expliciet aan.
  • Bewaar je stukken. Houd het UPO, de premiebevestiging en je aangiften bij voor eventuele controle of een latere saldoverklaring.
  • Denk vooruit bij afkoop. Bespreek de gevolgen van afkoop of verpanding vooraf, om onverwachte belasting en 20% revisierente te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel jaarruimte heb ik in 2026?

Je jaarruimte is in beginsel 30% van je premiegrondslag (je inkomen van vorig jaar, tot 137.800 euro, min de AOW-franchise van 19.172 euro), verminderd met je pensioenopbouw. De maximale jaarruimte voor 2026 is ongeveer 35.589 euro. De exacte uitkomst hangt af van je inkomen en je pensioen.

Kan ik onbenutte ruimte van vorige jaren nog gebruiken?

Ja. Via de reserveringsruimte mag je niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar alsnog inhalen, in 2026 tot maximaal 42.753 euro. Je vraagt dit aan in je aangifte; het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar.

Tot wanneer moet ik de premie betalen?

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte moet je de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Er is geen terugwenteling meer. Alleen bij een stakingslijfrente geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Is lijfrentepremie tegen het hoogste tarief aftrekbaar?

Ja. Anders dan de hypotheekrente en de ondernemersaftrek wordt de lijfrentepremie niet afgetopt op 37,56%. Je trekt de premie af tegen je volledige tarief, in 2026 tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dit een belangrijk voordeel.

Wat kost het afkopen van een lijfrente?

Bij afkoop worden de eerder afgetrokken premies en het rendement teruggenomen en belast in box 1. Daarbovenop ben je in beginsel 20% revisierente verschuldigd. Uitzonderingen gelden voor een klein tegoed tot 5.513 euro en voor afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot 51.440 euro per jaar.

Kan mijn partner mijn jaarruimte gebruiken?

Nee. De jaarruimte is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar tussen partners. Alleen degene die de premie zelf verschuldigd is en betaalt, kan aftrekken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een lijfrente kan tienduizenden euro’s aan aftrek opleveren, maar de berekening luistert nauw: een vergeten imputatie of een te hoge premie leidt tot correcties, en een verkeerde afkoop tot 20% revisierente. Taxcount berekent je jaar- en reserveringsruimte, controleert je pensioengegevens en bepaalt hoeveel je fiscaal voordelig kunt inleggen. Ook bij een staking of verkoop van je onderneming rekenen wij de aparte maxima voor je uit en begeleiden wij de aftrek in je aangifte. Wil je weten hoeveel ruimte je dit jaar hebt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen, dan weet je zeker dat je geen voordeel laat liggen en geen fouten maakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je voor je eigen geval altijd door een adviseur voorlichten.