De kleineondernemersregeling (KOR): geen btw rekenen bij een omzet tot 20.000 euro

 

U bent net gestart als zzp’er, u verkoopt zelfgemaakte producten of u heeft een kleine onderneming naast uw baan. De btw-aangifte kost u elk kwartaal tijd, terwijl uw omzet nog bescheiden is. Dan komt u al snel de kleineondernemersregeling (KOR) tegen. Met de KOR hoeft u bij een omzet tot 20.000 euro per jaar geen btw meer aan uw klanten te rekenen en doet u in de meeste gevallen geen btw-aangifte meer. Daar staat wel iets tegenover: u mag de btw op uw eigen inkopen niet meer aftrekken. In dit artikel leggen we uit hoe de kleineondernemersregeling in 2026 werkt, voor wie de KOR voordelig is, hoe u zich aanmeldt en waar u op moet letten.

Wat is de kleineondernemersregeling (KOR)?

De kleineondernemersregeling is een vrijwillige btw-vrijstelling voor ondernemers met een kleine omzet. Normaal rekent u btw (omzetbelasting) aan uw klanten, draagt u die af aan de Belastingdienst en trekt u de btw op uw inkopen daarvan af. Kiest u voor de KOR, dan verandert dit: u rekent geen btw meer aan uw klanten en u hoeft voor uw gewone Nederlandse omzet geen btw-aangifte meer te doen. Ook bent u ontheven van de meeste administratieve verplichtingen voor de btw.

De keerzijde is dat u de btw die u zelf betaalt op inkopen en investeringen niet meer mag terugvragen. Op uw facturen mag u bovendien op geen enkele manier btw vermelden. De KOR is dus een vrijstelling zonder recht op aftrek: u ruilt de btw-aftrek in voor minder administratie en, als u aan particulieren levert, vaak een prijsvoordeel.

De regeling is rechtsvormneutraal. Niet alleen zzp’ers en eenmanszaken kunnen de KOR gebruiken, maar ook een bv, een vof, een maatschap, een stichting of een vereniging. Voorwaarde is wel dat de onderneming in Nederland is gevestigd of hier een vaste inrichting heeft van waaruit omzet wordt gemaakt.

Voor wie is de KOR interessant?

De KOR is vooral aantrekkelijk als u voornamelijk levert aan particulieren of aan andere afnemers die de btw toch niet kunnen aftrekken. Voor hen is ‘geen btw op de factuur’ een echt prijsvoordeel, of het levert u een ruimere marge op. Ook is de regeling gunstig als u weinig btw op uw inkopen betaalt, want dan verliest u met de KOR maar weinig aftrek.

Levert u juist veel aan btw-plichtige bedrijven, dan pakt de KOR vaak nadelig uit. Die bedrijven kunnen de btw namelijk gewoon aftrekken, dus voor hen maakt het geen verschil of u btw rekent. U mist dan wel de aftrek van de btw op uw eigen kosten. Hetzelfde geldt als u grote investeringen doet of veel inkoopt: dan is het verlies van de aftrek meestal groter dan het voordeel. Typische situaties waarin de KOR goed uitpakt zijn kleine (neven)ondernemingen, een hobby die net een onderneming vormt en particuliere eigenaren van zonnepanelen. Met het onderstaande stappenplan bepaalt u snel of de KOR in uw geval waarschijnlijk voordelig is (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de KOR iets voor u is. U doorloopt vier vragen: blijft uw omzet onder 20.000 euro, levert u vooral aan particulieren, en betaalt u weinig btw op inkopen. Bij ‘nee’ op de laatste twee vragen laat u het voordeel eerst doorrekenen.

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

Of u de KOR mag gebruiken hangt af van uw jaaromzet in Nederland. Die mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. Voor die grens telt u vrijwel al uw Nederlandse omzet mee, exclusief btw. Ook bepaalde vrijgestelde omzet telt mee, zoals de verhuur van onroerend goed als dat uw gewone bedrijfsactiviteit is. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, bijvoorbeeld een bestelbus of een bedrijfspand, telt juist niet mee.

Heeft u meerdere activiteiten, dan telt u die bij elkaar op. U kunt uw onderneming niet opsplitsen om onder de grens te blijven. De Hoge Raad heeft bevestigd dat alle bedrijfsactiviteiten van een ondernemer samen worden genomen (HR 27 januari 2023). Wie bijvoorbeeld naast een adviespraktijk ook zonnepanelen exploiteert, telt de omzet van beide op voor de toets aan de 20.000 euro.

Blijft u binnen de grens, dan kunt u kiezen voor de KOR. Komt u in de loop van het jaar toch boven de 20.000 euro uit, dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alles daarna zijn weer gewoon met btw belast, met de bijbehorende aangifteplicht.

Hoe meldt u zich aan en kunt u weer opzeggen?

De KOR is een keuzeregeling. U meldt de toepassing aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Wilt u de KOR dus vanaf een bepaald kwartaal gebruiken, meld u dan ruim op tijd aan, minimaal vier weken van tevoren. Een adviseur mag de aanmelding namens u verzorgen.

U kunt de KOR ook weer opzeggen. Dat heet wederopzegging. Na een opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het kalenderjaar waarin u opzegt én het hele daaropvolgende kalenderjaar. Sinds 1 januari 2025 is de vroegere verplichting om minimaal drie jaar mee te doen vervallen. U kunt uw keuze dus jaarlijks heroverwegen, met inachtneming van deze wachttermijn na opzegging. De figuur hieronder zet de belangrijkste termijnen op een rij (zie figuur 2).

Figuur 2: de termijnen van de KOR. U meldt zich minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak aan, de vrijstelling gaat daarna in, en na opzegging geldt een wachttijd tot en met het volgende kalenderjaar.

Kunt u de KOR ook in andere EU-landen gebruiken?

Sinds 1 januari 2025 kan een in Nederland gevestigde ondernemer de KOR onder voorwaarden ook in andere EU-lidstaten toepassen. Dit heet de grensoverschrijdende KOR. Voorwaarde is dat uw totale jaaromzet in de hele Europese Unie niet meer dan 100.000 euro bedraagt. U moet zich hiervoor vooraf aanmelden en krijgt een apart identificatienummer. De precieze formaliteiten, zoals de voorafgaande kennisgeving en de kwartaalrapportages, laat u het beste vooraf door een adviseur uitwerken.

Wanneer blijft u toch btw verschuldigd?

Ook met de KOR bent u in een aantal situaties toch btw verschuldigd. De vrijstelling geldt niet voor de levering van een nieuw vervoermiddel naar een ander EU-land en niet voor de levering van een onroerende zaak die u in uw bedrijf heeft gebruikt. Die blijven regulier belast.

Daarnaast blijft u btw verschuldigd bij een buitenlandse verleggingsregeling en bij intracommunautaire verwervingen boven de 10.000 euro. Koopt u dus voor meer dan 10.000 euro per jaar goederen in uit een ander EU-land, dan geeft u daarover in Nederland btw aan, ook al past u verder de KOR toe. Voor dat deel doet u dan alsnog aangifte.

Let op de herziening van btw op investeringen

Stapt u over van belast ondernemen naar de vrijgestelde KOR, dan kan de zogeheten herziening van btw-aftrek spelen. Dit betekent dat u eerder afgetrokken btw op investeringen deels moet terugbetalen als u die investering korter geleden heeft gedaan. Voor onroerende zaken geldt een herzieningstermijn van tien jaar, voor roerende investeringsgoederen vijf jaar.

Er zijn drempels die de herziening beperken. Herziening blijft achterwege als de afwijking in een boekjaar niet meer dan 10 procent is. Voor roerende investeringsgoederen, zoals zonnepanelen of een computer, blijft herziening bij overgang naar de KOR na het jaar van eerste gebruik achterwege als het herzieningsbedrag lager is dan 500 euro. Doet u binnenkort grote investeringen, laat dan vooraf doorrekenen wat de KOR betekent voor uw btw-aftrek.

Rekenvoorbeeld: is de KOR voor u voordelig?

Een zzp’er verkoopt zelfgemaakte producten aan particulieren. Zij heeft 15.000 euro omzet per jaar en betaalt 1.000 euro btw op haar inkopen. Zonder de KOR draagt zij over haar verkopen 21 procent btw af, dat is 3.150 euro, waarvan zij 1.000 euro voorbelasting mag aftrekken. Per saldo draagt zij dan 2.150 euro af.

Kiest zij voor de KOR, dan rekent zij geen btw aan haar particuliere klanten en doet zij geen aangifte. Zij mist wel de aftrek van 1.000 euro. Omdat haar klanten de btw toch niet konden aftrekken, is de KOR voor haar per saldo voordelig: zij houdt meer marge over of kan een scherpere prijs bieden, en bespaart bovendien administratie. Voor een ondernemer die vooral aan bedrijven levert, die de btw wél aftrekken, levert ‘geen btw rekenen’ geen voordeel op en weegt het verlies van de 1.000 euro aftrek juist negatief. De figuur hieronder zet beide situaties naast elkaar (zie figuur 3).

Figuur 3: de situatie met en zonder KOR vergeleken bij 15.000 euro omzet en 1.000 euro btw op inkopen. Zonder KOR draagt de ondernemer per saldo 2.150 euro af en doet elk kwartaal aangifte; met KOR vervalt de aangifte en de btw, maar ook de aftrek van 1.000 euro.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw jaaromzet. Tel al uw Nederlandse omzet exclusief btw en al uw activiteiten samen op en controleer of u onder de 20.000 euro per kalenderjaar blijft.
  • Bepaal uw klantengroep. Levert u vooral aan particulieren, dan is de KOR meestal voordelig; levert u vooral aan btw-plichtige bedrijven, dan vaak niet.
  • Reken uw inkopen en investeringen door. Weeg het verlies van de btw-aftrek af tegen het voordeel; grote investeringen op korte termijn pleiten meestal tegen de KOR.
  • Meld u op tijd aan. Dien uw melding minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak in bij de Belastingdienst.
  • Pas de gevolgen consequent toe. Vermeld geen btw op uw facturen en vraag geen voorbelasting terug zolang u de KOR gebruikt.
  • Bewaak de omzetgrens. Houd uw omzet gedurende het jaar in de gaten; bij overschrijding rekent u vanaf die verkoop weer btw en meldt u dit bij de Belastingdienst.
  • Let op grensoverschrijdende situaties. Bij inkopen uit de EU boven 10.000 euro of gebruik van de KOR in andere lidstaten gelden aanvullende regels en aangifteverplichtingen.

Veelgestelde vragen

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

De jaaromzet in Nederland mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. U telt hiervoor al uw activiteiten samen op, exclusief btw. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft telt niet mee.

Moet ik met de KOR nog btw-aangifte doen?

Voor uw gewone Nederlandse omzet niet. U bent ontheven van de meeste btw-administratie en van de periodieke aangifte. Alleen in bijzondere situaties, zoals inkopen uit de EU boven 10.000 euro of een buitenlandse verleggingsregeling, blijft u voor dat deel aangifteplichtig.

Kan ik de btw op mijn inkopen nog terugvragen met de KOR?

Nee. De KOR is een vrijstelling zonder recht op aftrek. U mag de btw op uw inkopen en investeringen niet meer aftrekken zolang u de regeling gebruikt.

Hoe meld ik mij aan voor de KOR?

U meldt de KOR aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Meld u dus ruim op tijd aan. Een adviseur mag dit namens u doen.

Wat gebeurt er als ik boven de 20.000 euro uitkom?

Dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alle latere leveringen zijn weer met btw belast, en u doet daarvoor weer aangifte.

Kan ik de KOR ook weer opzeggen?

Ja. Na opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het jaar van opzegging en het hele daaropvolgende kalenderjaar. De vroegere verplichting om drie jaar mee te doen is per 2025 vervallen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze voor de KOR lijkt eenvoudig, maar pakt per situatie heel verschillend uit. Het verschil zit in uw klantengroep, uw inkopen, geplande investeringen en eventuele grensoverschrijdende activiteiten. Taxcount rekent voor u door of de kleineondernemersregeling in uw geval voordelig is, let daarbij op de gevolgen voor uw btw-aftrek en een mogelijke herziening, en verzorgt zo nodig de aanmelding bij de Belastingdienst. Ook bewaken we samen met u de omzetgrens, zodat u niet voor verrassingen komt te staan. Wilt u weten of de KOR bij uw onderneming past? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd adviseren voordat u een beslissing neemt.

 

Meewerkaftrek 2026: zo verwerkt u het meewerken van uw partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Kostenegalisatiereserve: zo verdeelt u grote, terugkerende kosten gelijkmatig over de jaren

 

Sommige kosten in uw onderneming komen niet elk jaar even hoog terug, maar af en toe in een grote uitgave in een keer. Denk aan groot onderhoud aan een pand, een schip of een installatie dat maar eens in de zoveel jaar nodig is. Zonder maatregel zakt uw winst in het onderhoudsjaar fors in, terwijl die in de jaren ervoor te hoog lijkt. De kostenegalisatiereserve lost dat op: u zet elk jaar alvast een vast bedrag opzij, zodat de kosten gelijkmatig over de jaren drukken. In dit artikel leest u wat de kostenegalisatiereserve is, wanneer u er gebruik van mag maken en waar u op moet letten.

Wat is de kostenegalisatiereserve?

De kostenegalisatiereserve, ook wel egalisatiereserve, is een fiscale reserve waarmee u een toekomstige, ongelijk verdeelde kostenpost gelijkmatig over de jaren verdeelt (artikel 3.53, lid 1, onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001). U verwacht in de toekomst een grote uitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud, en u reserveert daar nu al jaarlijks een deel voor. Daardoor drukt elk jaar een gelijk bedrag op uw winst, in plaats van een enkele piek in het jaar waarin u de kosten maakt.

De reserve berust op goed koopmansgebruik, de fiscale spelregels voor het bepalen van de jaarwinst. Het is een keuzerecht: u mag de reserve vormen, maar u bent daartoe niet verplicht. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u normaal activeert en over meerdere jaren afschrijft.

Voor wie is de reserve interessant?

De kostenegalisatiereserve is er voor alle ondernemingen met periodiek terugkerende, ongelijk verdeelde kosten die in een later jaar tot een uitgavenpiek leiden. Denk aan groot onderhoud aan een schip, een pand of een machine, of aan een grote, verplichte keuring. De reserve geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, vof of maatschap, als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Voor de vennootschapsbelasting werkt de regeling door via artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de praktijk is het belang van deze reserve de laatste jaren afgenomen. Sinds een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 1998 (het Baksteenarrest) kunt u voor veel toekomstige kosten een voorziening vormen, die vaak ruimere mogelijkheden biedt. De kostenegalisatiereserve speelt daardoor vooral nog een rol in situaties waarin geen voorziening mogelijk is.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Uit de rechtspraak zijn vier voorwaarden afgeleid waaraan u tegelijk moet voldoen. Ten eerste worden de kosten in de toekomst ongelijkmatig over de jaren uitgegeven. Ten tweede zijn de kosten opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in de jaren waarover u reserveert. Ten derde leiden die kosten in een later jaar tot een echte piek in de uitgaven; dit wordt het piekvereiste genoemd. En ten vierde bestaat er een redelijke mate van zekerheid dat u de uitgaven daadwerkelijk gaat doen, bijvoorbeeld op grond van een onderhoudsplan of keuringsschema (zie figuur 1).

Figuur 1: u mag alleen een kostenegalisatiereserve vormen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet. Ontbreekt de piek in de uitgaven, dan is de reserve niet mogelijk.

Ontbreekt de piek, bijvoorbeeld bij min of meer gelijkmatig jaarlijks onderhoud, dan is er geen grond voor een egalisatiereserve. Verder geldt een belangrijke beperking, het inhaalverbod: u mag alleen vooruit reserveren vanaf het moment dat de toekomstige kosten zijn opgeroepen. U mag geen bedrag inhalen over jaren die al voorbij zijn.

Hoe berekent u de jaarlijkse toevoeging?

De jaarlijkse toevoeging aan de reserve heet de dotatie. U bepaalt die volgens goed koopmansgebruik en een bestendige gedragslijn, wat betekent dat u de methode elk jaar op dezelfde manier toepast. Bij de hoogte mag u rekening houden met verwachte loon- en prijsstijgingen (artikel 3.53, lid 2 in samenhang met artikel 3.26 Wet inkomstenbelasting 2001).

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel, uw schip moet eens in de vijf jaar groot onderhoud krijgen dat naar schatting 50.000 euro kost. U mag dan jaarlijks 50.000 euro gedeeld door 5 is 10.000 euro aan de reserve toevoegen (zie figuur 2). Verwacht u dat de kosten door prijsstijging oplopen, bijvoorbeeld met 10 procent per jaar, dan mag u met die stijging rekening houden en jaarlijks een wat hoger bedrag reserveren. In het jaar waarin u het onderhoud laat uitvoeren, valt de reserve vrij tegen de werkelijke uitgave.

Figuur 2: door jaarlijks 10.000 euro te reserveren, verdeelt u het onderhoud van 50.000 euro gelijkmatig over vijf jaar. In jaar 5 valt de reserve vrij tegen de werkelijke kosten.

Kostenegalisatiereserve of voorziening: wat is het verschil?

Naast de reserve bestaat de voorziening, een andere manier om toekomstige kosten alvast ten laste van de winst te brengen. Het belangrijkste verschil is het inhaalverbod. Bij de kostenegalisatiereserve mag u niet inhalen over verstreken jaren, terwijl dat bij een voorziening in beginsel wel kan.

Sinds het Baksteenarrest van 1998 is de ruimte voor een voorziening flink verruimd. Daardoor is de praktijkbetekenis van de kostenegalisatiereserve afgenomen: voor veel toekomstige kosten biedt een voorziening nu meer mogelijkheden. Het is daarom verstandig om per situatie te laten toetsen welke van de twee het gunstigst uitpakt.

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve is bedoeld voor een concreet doel. Zodra dat doel vervalt, moet u de reserve geheel of gedeeltelijk laten vrijvallen. Dat betekent dat het opzijgezette bedrag weer als winst meetelt en wordt belast. Vrijval is onder meer aan de orde als het onderhoud definitief niet doorgaat, als u niet langer van plan bent de uitgave te doen, als er geen sprake meer is van een ongelijke verdeling, of als u uw onderneming staakt.

Een geruisloze doorschuiving, waarbij een ander uw onderneming fiscaal voortzet zonder dat u hoeft af te rekenen, geldt niet als staking. In dat geval hoeft de reserve dus niet vrij te vallen. Houd doorlopend in de gaten of de grond voor uw reserve nog bestaat, zodat u een verplichte vrijval niet mist.

Praktische checklist: dit regelt u rond de kostenegalisatiereserve

  • Kostensoort bepalen: controleer of het echt om kosten gaat en niet om de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u activeert en afschrijft; alleen kosten komen in aanmerking.
  • Piek aantonen: leg vast dat de kosten ongelijk over de jaren terugkomen met een duidelijke piek in een jaar; zonder piek is geen reserve mogelijk.
  • Zekerheid onderbouwen: bewaar een onderhoudsplan, keuringsschema of andere stukken waaruit blijkt dat de uitgave redelijk zeker is.
  • Dotatie berekenen: verdeel de geschatte kosten over de jaren en houd waar nodig rekening met loon- en prijsstijging; pas de methode elk jaar op dezelfde manier toe.
  • Inhaalverbod respecteren: reserveer alleen vooruit en haal geen bedrag in over jaren die al voorbij zijn.
  • Voorziening vergelijken: laat ook toetsen of een voorziening mogelijk is; die is sinds 1998 vaak ruimer en voordeliger.
  • Vrijval bewaken: houd bij of het doel van de reserve nog bestaat en laat de reserve vrijvallen zodra dat doel vervalt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een kostenegalisatiereserve en sparen?

Bij deze reserve zet u niet echt geld op een aparte rekening, maar u verlaagt uw fiscale winst met een jaarlijks bedrag. Zo verdeelt u de belastingdruk gelijkmatig over de jaren. In het jaar waarin u de kosten maakt, valt de reserve vrij en wordt zij verrekend met de werkelijke uitgave.

Mag ik voor jaarlijks onderhoud een egalisatiereserve vormen?

Nee. De regeling is alleen bedoeld voor kosten die ongelijk over de jaren terugkomen en tot een piek leiden. Onderhoud dat elk jaar ongeveer hetzelfde kost, mist die piek en komt daarom niet in aanmerking.

Kan ik een reserve vormen voor de aanschaf van een nieuwe machine?

Nee. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel. Een machine activeert u en schrijft u over meerdere jaren af; daarvoor bestaan andere regelingen, zoals de willekeurige afschrijving of de investeringsaftrek.

Is een voorziening beter dan een kostenegalisatiereserve?

Dat hangt af van uw situatie. Sinds 1998 biedt een voorziening voor veel toekomstige kosten ruimere mogelijkheden, onder meer omdat het inhaalverbod daar niet geldt. Het is verstandig beide opties te laten vergelijken.

Geldt de kostenegalisatiereserve ook voor mijn bv?

Ja. Via de vennootschapsbelasting werkt de regeling ook door naar bv’s en andere belastingplichtige lichamen. De voorwaarden zijn dezelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een kostenegalisatiereserve in uw situatie is toegestaan en voordelig is, vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Taxcount bekijkt of aan het piekvereiste en de overige voorwaarden is voldaan, berekent een onderbouwde jaarlijkse dotatie en vergelijkt de reserve met de mogelijkheid van een voorziening. Ook bewaken wij de momenten waarop de reserve moet vrijvallen, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Wilt u weten of u een grote, terugkerende kostenpost fiscaal slim kunt spreiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Willekeurige afschrijving 2026: zelf uw afschrijvingstempo bepalen en belasting uitstellen

 

Investeert u in een bedrijfsmiddel, dan schrijft u de aanschafprijs normaal in vaste jaarlijkse stappen af. Bij bepaalde investeringen mag u dat tempo echter zelf bepalen. Dat heet willekeurige afschrijving en het levert u een liquiditeits- en rentevoordeel op: u haalt de aftrek naar voren, verlaagt uw winst in een vroeg jaar en betaalt de belasting pas later. In 2026 geldt willekeurige afschrijving vooral voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (de VAMIL) en voor investeringen van startende ondernemers. In dit artikel leest u hoe willekeurige afschrijving werkt, voor wie zij geldt, wat zij oplevert en aan welke voorwaarden en termijnen u moet voldoen.

Wat is willekeurige afschrijving?

Normaal schrijft u een bedrijfsmiddel in vaste stappen af: per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs (bij goodwill 10%), zodat u er minstens vijf jaar over doet. Bij willekeurige afschrijving mag u dat tempo zelf kiezen. U verdeelt het af te schrijven bedrag (de aanschaf- of voortbrengingskosten min de restwaarde) naar eigen inzicht over de jaren. U mag dus in het begin veel of zelfs alles ineens afschrijven.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. U schrijft niet meer af, maar wel eerder. Door de aftrek naar voren te halen, verlaagt u uw winst in een vroeg jaar en betaalt u de belasting pas later. Zo houdt u het geld langer in het bedrijf (het liquiditeitsvoordeel) en bespaart u rente (het rentevoordeel). De totale aftrek over de jaren blijft gelijk; het gaat dus om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt willekeurige afschrijving?

Willekeurige afschrijving is geen algemene regeling, maar geldt voor twee specifieke groepen: investeerders in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en startende ondernemers.

Milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL)

De VAMIL geldt voor alle ondernemingen die investeren in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat, in Nederland nog niet gangbaar is en niet eerder is gebruikt. Deze variant staat open voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en zelfs voor medegerechtigden zoals een commanditaire vennoot. Een urencriterium geldt hierbij niet. Voor milieu-bedrijfsmiddelen mag u sinds 2011 wel maar 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de resterende 25% volgt de normale afschrijvingsregels.

Startende ondernemers

De startersvariant geldt voor natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek, de startersaftrek. Zij mogen op hun investeringen versneld afschrijven, tot een investeringsplafond dat gelijk is aan het maximale bedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor 2026 is dat plafond 398.236 euro. Over het meerdere gelden de normale afschrijvingsregels. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Wat levert willekeurige afschrijving op?

Het voordeel is een rente- en liquiditeitsvoordeel. Een voorbeeld maakt het duidelijk (zie figuur 1). Een startende ondernemer koopt een machine van 50.000 euro met een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nul. Normaal trekt hij vijf jaar lang 10.000 euro per jaar af. Met willekeurige afschrijving mag hij in jaar 1 bijvoorbeeld het volle bedrag van 50.000 euro aftrekken. Tegen een tarief van ongeveer 37% scheelt dat in jaar 1 zo’n 18.500 euro minder belasting. In de jaren daarna betaalt hij dat weer terug, omdat er niets meer valt af te schrijven. Het blijft dus uitstel.

Figuur 1: bij normale afschrijving verdeelt u de kosten over vijf jaar; bij willekeurige afschrijving haalt u de aftrek naar voren. De totale aftrek blijft gelijk.

Let op dat willekeurige afschrijving geen permanent voordeel oplevert. In een jaar met weinig of geen winst kan het naar voren halen van de aftrek juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo daarom op basis van de winst en de tarieven die u de komende jaren verwacht.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

De voorwaarden verschillen per variant. Voor beide geldt dat u de keuze voor willekeurige afschrijving in uw aangifte maakt; de faciliteit wordt niet automatisch toegepast.

Bij milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) moet u de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De kosten moeten minstens 2.500 euro per melding bedragen. De VAMIL is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA). De vier stappen voor een milieu-bedrijfsmiddel staan in figuur 2. Bij de startersvariant bewaakt u het investeringsplafond en let u erop dat bepaalde bedrijfsmiddelen (zoals goederen die u aan derden ter beschikking stelt) zijn uitgesloten.

Figuur 2: de vier stappen bij willekeurige afschrijving van een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL), van investeren tot het combineren met de MIA.

Parameter Waarde in 2026 Geldt voor
Willekeurig af te schrijven deel 75% van de kosten milieu-bedrijfsmiddelen
Drempel per melding 2.500 euro milieu-bedrijfsmiddelen
Meldingstermijn bij RVO binnen 3 maanden milieu-bedrijfsmiddelen
Investeringsplafond 398.236 euro startende ondernemers
Sanctietermijn (terugname) 5 jaar (zeeschepen: 10 jaar) startende ondernemers / zeeschepen

 

Waar moet u op letten?

Voldoet u binnen de sanctietermijn niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen. De boekwaarde wordt dan alsnog gesteld op de waarde zonder willekeurige afschrijving, waardoor het genoten voordeel wordt teruggedraaid. Deze terugname geldt bijvoorbeeld als u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar anders gaat gebruiken of verkoopt.

Ook is willekeurige afschrijving niet bedoeld voor constructies. In een uitspraak van de rechtbank uit 2019 draaide het om een samenwerkingsverband dat alleen was opgezet om via willekeurige afschrijving een fiscaal voordeel te creëren en de machines daarna door te verkopen aan een gelieerde bv. De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een echte onderneming; de verliezen werden teruggedraaid en er volgde een boete. Er moet dus een reële onderneming met een winstverwachting achter de investering zitten.

Praktische checklist: dit regelt u bij willekeurige afschrijving

  • Variant bepalen: ga na of uw investering een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL) is of dat u als starter met de verhoogde zelfstandigenaftrek in aanmerking komt.
  • Tijdig melden bij RVO: meld een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO. Zonder tijdige melding vervalt het recht op VAMIL.
  • Drempel en plafond bewaken: controleer of de kosten van een milieu-bedrijfsmiddel minstens 2.500 euro zijn en of uw investering als starter binnen het plafond van 398.236 euro blijft.
  • Keuze in de aangifte: neem de keuze voor willekeurige afschrijving op in uw aangifte; de faciliteit komt niet vanzelf.
  • Tempo plannen: stem het afschrijvingstempo af op de winst en tarieven die u de komende jaren verwacht, zodat de aftrek maximaal rendeert.
  • Terugname voorkomen: houd rekening met de sanctietermijn van vijf jaar (zeeschepen tien jaar) en bewaar de gegevens, zodat u een terugname kunt onderbouwen of voorkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen willekeurige afschrijving en investeringsaftrek?

Willekeurige afschrijving verandert alleen het tempo waarin u afschrijft en levert een timingvoordeel op; de totale aftrek blijft gelijk. Investeringsaftrek (zoals KIA, EIA of MIA) is een extra aftrekpost boven op de normale afschrijving en verlaagt uw winst dus blijvend.

Kan ik VAMIL en MIA combineren?

Ja. De willekeurige afschrijving voor milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA). De combinatie met de energie-investeringsaftrek (EIA) is echter uitgesloten.

Moet ik de milieu-investering melden?

Ja. U moet een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting melden bij RVO. Zonder tijdige melding bestaat er geen recht op willekeurige afschrijving.

Levert versneld afschrijven altijd voordeel op?

Nee. In een jaar met weinig of geen winst slaat de aftrek tegen een laag tarief neer en kan het naar voren halen nadelig zijn. Het voordeel hangt af van uw winst en de tarieven per jaar.

Mag mijn bv ook als starter versneld afschrijven?

Nee. De startersvariant geldt alleen voor natuurlijke personen met recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek. Bv’s en andere rechtspersonen zijn hiervan uitgesloten, maar kunnen wel gebruikmaken van de VAMIL voor milieu-bedrijfsmiddelen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of uw investering in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving, verzorgt de tijdige melding bij RVO en berekent het plafond voor starters. Vooral bij het plannen van het afschrijvingstempo over meerdere jaren valt vaak voordeel te halen, want de beste keuze hangt af van uw verwachte winst en tarieven. Wij zorgen dat de keuze correct in uw aangifte komt en dat u geen terugname riskeert. Wilt u het maximale liquiditeitsvoordeel uit uw investering halen? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Schenking op papier: zo hevelt u vermogen over zonder het geld nu al weg te geven

 

Veel ouders willen alvast vermogen overhevelen naar hun kinderen, maar kunnen of willen het geld nog niet missen. Vaak zit het vermogen vast in de eigen woning of in de onderneming. De schenking op papier biedt dan uitkomst: u schenkt op papier, terwijl het geld bij u blijft. Zo verkleint u vast uw latere nalatenschap en bespaart u mogelijk erfbelasting. Deze constructie werkt fiscaal alleen als u zich aan strikte voorwaarden houdt, waaronder een notariële akte en het jaarlijks daadwerkelijk betalen van 6% rente. In dit artikel leest u hoe een schenking op papier werkt, welke voorwaarden gelden in 2026 en waar de valkuilen zitten.

Wat is een schenking op papier?

Een schenking op papier heet officieel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid. U maakt het geld niet echt over, maar erkent op papier dat u een bedrag schuldig bent aan bijvoorbeeld uw kind. U spreekt af dat dit bedrag pas opeisbaar is bij uw overlijden. U houdt het geld dus zelf, maar uw kind heeft nu al een vordering op u.

Waarom doen mensen dit? Door nu te schenken wordt uw latere nalatenschap kleiner. Bij uw overlijden staat er immers een schuld aan uw kind tegenover uw bezit. Over de schenking betaalt u nu schenkbelasting, maar vaak valt die binnen de jaarlijkse vrijstelling. Daarnaast betaalt u jaarlijks 6% rente aan uw kind, waarmee u opnieuw belastingvrij vermogen verschuift. Figuur 1 laat de stappen zien, van de schuldigerkenning tot het overlijden.

 Figuur 1: zo verloopt een schenking op papier, van schuldigerkenning tot overlijden.

Hoeveel mag u belastingvrij schenken in 2026?

Voor een schenking van ouders aan een kind is in 2026 jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld. Blijft de schenking daaronder, dan betaalt u geen schenkbelasting en hoeft u zelfs geen aangifte te doen. Het is een zogenoemde voetvrijstelling: alleen het bedrag boven de vrijstelling wordt belast. Over dat meerdere betaalt een kind 10% schenkbelasting, zolang de verkrijging in 2026 niet boven 158.669 euro uitkomt. Daarboven geldt 20%.

Let op de samentelling. Alle schenkingen die u en uw partner in één kalenderjaar aan hetzelfde kind doen, worden bij elkaar opgeteld en als één schenking belast. Een schenking op papier telt dus samen met eventuele contante schenkingen in datzelfde jaar. Voor een kind tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling: 33.129 euro vrij besteedbaar of 69.009 euro als het geld naar een dure studie gaat. Op die eenmalige vrijstelling moet u wel een beroep doen in de aangifte.

Waarom bespaart u er later erfbelasting mee?

Bij uw overlijden staat de schuld die u op papier bent aangegaan als aftrekpost tegenover uw bezit. Uw nalatenschap is daardoor kleiner. Erft uw kind, dan geldt in 2026 een vrijstelling van 26.230 euro; over het meerdere betaalt uw kind 10% erfbelasting, of 20% boven 158.669 euro. Door tijdens leven jaarlijks op papier te schenken, verschuift u vermogen tegen de jaarlijkse schenkvrijstelling en verkleint u het bedrag dat later tegen die tarieven wordt belast. De jaarlijkse 6% rente die u aan uw kind betaalt, verschuift bovendien extra vermogen zonder heffing.

Welke voorwaarden gelden er? De valkuil van artikel 10

De wet kent een belangrijke valkuil: artikel 10 van de Successiewet. Houdt u tot uw overlijden het voordeel van het geld, doordat u geen of te weinig rente betaalt, dan wordt u geacht het genot van die vordering te hebben gehouden. Het gevolg is hard: bij uw overlijden wordt het volledige schuldig erkende bedrag alsnog met erfbelasting belast, alsof u nooit had geschonken. Om dat te voorkomen gelden drie eisen, samengevat in figuur 2.

  • Notariële akte: de schenking die pas opeisbaar is bij overlijden moet bij de notaris worden vastgelegd. Ontbreekt de akte, dan vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in de nalatenschap.
  • Rente van 6%: over het schuldig erkende bedrag spreekt u een jaarlijkse rente van ten minste 6% af. Dit percentage staat vast in de wet.
  • De rente wordt daadwerkelijk elk jaar betaald. Bijschrijven of een jaar overslaan mag niet. Wie een jaar de rente vergeet, laat de hele constructie omvallen. Vergeten rente moet u samengesteld inhalen. Een op het moment van overlijden nog lopende rentetermijn van maximaal een jaar mag na overlijden alsnog worden betaald.

Figuur 2: de drie harde eisen. Voldoet u niet aan alle drie, dan grijpt artikel 10 SW in.

Artikel 10 werkt alleen als de ontvanger uw partner is of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Bij een schenking aan bijvoorbeeld een goede vriend mist de constructie dan ook zijn doel. Ook een te lage rente telt als genot: betaalt u minder dan de vereiste 6%, dan grijpt artikel 10 alsnog in.

Rekenvoorbeeld

Stel, een ouder erkent in 2026 eenmalig 30.000 euro schuldig aan een kind en legt dit bij de notaris vast. Van dat bedrag is 6.908 euro vrijgesteld (de jaarlijkse kindvrijstelling). Over de resterende 23.092 euro betaalt het kind 10% schenkbelasting, ofwel 2.309 euro. De ouder maakt elk jaar 6% van 30.000 euro, dus 1.800 euro rente, over aan het kind. Bij overlijden staat de schuld van 30.000 euro in de nalatenschap en drukt daardoor het bezit. Vergeet de ouder één jaar de 1.800 euro te betalen, dan grijpt artikel 10 in en wordt de volle 30.000 euro bij overlijden alsnog als erfrechtelijke verkrijging belast. Figuur 3 vat de bedragen samen.

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een schenking op papier van 30.000 euro in 2026.

Wat betekent dit voor uw aangifte in box 3?

De schenking op papier heeft ook gevolgen voor de inkomstenbelasting. Bij uw kind is de vordering een bezitting in box 3; bij u is de schuld een box 3-schuld. Voor die schuld geldt in 2026 een schuldendrempel: schulden tellen pas mee voor zover het totaal boven 3.800 euro uitkomt, of boven 7.600 euro als u het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft. Heeft u al andere schulden, dan is die drempel mogelijk al verbruikt. De jaarlijkse 6% rente telt bij uw kind als inkomen en bij u als een aftrekpost binnen de regels van box 3.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Ga naar de notaris: laat de schuldigerkenning die pas bij overlijden opeisbaar is altijd in een notariële akte vastleggen.
  • Spreek 6% rente af: leg in de akte een jaarlijkse rente van ten minste 6% vast over het schuldig erkende bedrag.
  • Betaal de rente elk jaar echt: maak de rente jaarlijks daadwerkelijk over, bij voorkeur via een automatische overboeking, en bewaar het bewijs.
  • Blijf binnen de vrijstelling: schenk per jaar niet meer op papier dan de kindvrijstelling van 6.908 euro als u geen schenkbelasting wilt betalen, en tel contante schenkingen mee.
  • Doe zo nodig aangifte: schenkt u boven de vrijstelling of doet u een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling, doe dan tijdig aangifte schenkbelasting.
  • Denk aan de liquiditeit: zorg dat de schuld met opgelopen rente bij overlijden uit de nalatenschap kan worden voldaan.

Veelgestelde vragen

Moet een schenking op papier per se via de notaris?

Ja. Voor een schenking die pas opeisbaar is bij uw overlijden is een notariële akte verplicht. Zonder die akte vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in uw nalatenschap.

Waarom moet ik 6% rente betalen?

De wet eist 6% rente om te voorkomen dat u het volledige voordeel van het geschonken bedrag zelf houdt. Betaalt u geen of te weinig rente, dan grijpt artikel 10 van de Successiewet in en wordt het volledige bedrag bij overlijden alsnog met erfbelasting belast.

Wat gebeurt er als ik één jaar de rente vergeet?

Dan valt de constructie in beginsel om. Bij overlijden wordt het hele schuldig erkende bedrag alsnog belast. U kunt vergeten rente wel samengesteld inhalen, maar het is verstandig de betaling elk jaar goed vast te leggen.

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij aan mijn kind schenken?

In 2026 is jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld voor een schenking van ouders aan een kind. Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling van 33.129 euro, of 69.009 euro voor een dure studie.

Kan ik dit ook doen als mijn vermogen in mijn woning zit?

Ja, dat is juist een veelvoorkomende reden. U hoeft het geld niet over te maken; u erkent het op papier schuldig. Wel moet u de jaarlijkse rente daadwerkelijk kunnen betalen en moet de schuld bij overlijden voldaan kunnen worden.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een schenking op papier is fiscaal aantrekkelijk, maar staat of valt met de juiste uitvoering. Taxcount berekent hoeveel u jaarlijks belastingvrij kunt overhevelen, stemt de schenking af met uw notaris en zorgt dat de rente, de aangifte schenkbelasting en de verwerking in box 3 kloppen. Ook kijken wij naar de samenhang met uw totale vermogensplanning en uw nalatenschap. Wilt u weten of een schenking op papier in uw situatie voordeel oplevert? Leg uw plannen aan ons voor, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u uit.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR): zo draagt u een familiebedrijf fiscaal voordelig over

 

Wilt u uw onderneming overdragen aan uw kinderen, of erft u een familiebedrijf, dan kan de belasting flink oplopen. De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voorkomt dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt door schenk- of erfbelasting. De regeling stelt het grootste deel van het ondernemingsvermogen vrij: in 2026 de eerste 1.543.500 euro voor 100% en het meerdere voor 75%. Daar staan wel voorwaarden tegenover, waaronder een bezitseis voor de gever en een voortzettingseis voor de opvolger. In dit artikel leest u hoe de BOR werkt, welke bedragen en voorwaarden in 2026 gelden en hoe u een overdracht het beste voorbereidt.

Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling?

Wie een onderneming erft of geschonken krijgt, moet daarover in beginsel schenk- of erfbelasting betalen. Voor kinderen is dat 10% tot 158.669 euro en 20% daarboven. Dat kan een bedrijf in de problemen brengen als het geld om de belasting te betalen vastzit in machines, voorraad of panden. Daarom bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling. Die stelt het grootste deel van het ondernemingsvermogen vrij, zodat de onderneming gewoon kan doorgaan.

De vrijstelling is voorwaardelijk. Dat betekent dat u de vrijstelling eerst krijgt en dat deze pas definitief wordt als de opvolger het bedrijf lang genoeg voortzet. Belangrijk is dat de BOR gaat over de overdracht in de privésfeer, dus van persoon naar persoon, en niet over een transactie binnen de onderneming zelf.

Voor wie is de BOR bedoeld?

De regeling is bedoeld voor de overdracht van een familiebedrijf naar de volgende generatie, zowel bij overlijden als bij schenking tijdens leven. Zij geldt voor de eenmanszaak, voor de vennoot in een vof of maatschap, en voor de directeur-grootaandeelhouder die een aanmerkelijk belang van 5% of meer in een bv houdt. Bij een schenking moet de ontvanger op het moment van de schenking ten minste 21 jaar oud zijn. Bij vererving geldt geen leeftijdseis. De regeling is niet bedoeld voor beleggingsvermogen: alleen echt ondernemingsvermogen komt in aanmerking.

Hoeveel is er vrijgesteld in 2026?

Is de onderneming niet meer waard dan 1.543.500 euro, dan is de verkrijging voor 100% vrijgesteld. Is de onderneming meer waard, dan is het deel tot 1.543.500 euro voor 100% vrijgesteld en het meerdere voor 75%. Over de resterende 25% betaalt u wel belasting, maar daarvoor kunt u tot tien jaar uitstel van betaling krijgen. Zou het bedrijf bij verkoop in losse onderdelen meer opbrengen dan bij voortzetting, dan is dat verschil bovendien volledig vrijgesteld.

De grens van 1.543.500 euro wordt beoordeeld op het niveau van de hele onderneming, niet per verkrijger. Krijgen twee kinderen samen één onderneming die meer waard is, dan heeft ieder recht op de helft van de 100%-vrijstelling, dus 771.750 euro, en is het meerdere voor 75% vrijgesteld.

Rekenvoorbeeld: een ouder schenkt een onderneming met een waarde van 2.000.000 euro aan een kind van 30 jaar en had het bedrijf al 8 jaar. Vrijgesteld is 100% over de eerste 1.543.500 euro, plus 75% over het meerdere van 456.500 euro, dus 342.375 euro. In totaal is 1.885.875 euro voorwaardelijk vrijgesteld en blijft 114.125 euro belast. Zet het kind het bedrijf drie jaar voort, dan wordt de vrijstelling definitief. Figuur 1 werkt dit voorbeeld uit.

 Figuur 1: de vrijstelling in 2026, uitgewerkt op een onderneming van 2.000.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Aan de vrijstelling zitten drie kernvoorwaarden: een bezitseis, een voortzettingseis en de eis dat het om kwalificerend ondernemingsvermogen gaat. Figuur 2 vat ze samen.

Figuur 2: de drie kernvoorwaarden waaraan u moet voldoen voor de vrijstelling.

De bezitseis

De overledene moet de onderneming minstens 1 jaar vóór het overlijden hebben gehad. Een schenker moet de onderneming minstens 5 jaar vóór de schenking hebben gehad. Per 2026 worden deze termijnen langer naarmate de gever ouder is: de termijn loopt op voor gevers die ruim boven de AOW-leeftijd zitten. Schenken op hoge leeftijd of kort na aankoop van een onderneming kan de regeling dus blokkeren.

De voortzettingseis

De opvolger moet de onderneming na de overdracht minstens 3 jaar voortzetten. Deze termijn is per 2025 verkort van vijf naar drie jaar. Verkoopt of staakt de opvolger eerder, of zet hij de aandelen om in preferente aandelen, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding en wordt alsnog belasting geheven.

Kwalificerend ondernemingsvermogen

Alleen echt ondernemingsvermogen telt mee. Beleggingsvermogen en verhuurd vastgoed kwalificeren niet; verhuurd vastgoed wordt sinds 2024 wettelijk als beleggingsvermogen aangemerkt. Voor bedrijfsmiddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt en die meer waard zijn dan 103.000 euro per bedrijfsmiddel, telt sinds 2025 alleen het zakelijke deel mee. Woon-werkverkeer geldt daarbij niet als privégebruik. Figuur 3 laat zien wat wel en niet meetelt.

Figuur 3: welk vermogen wel en niet meetelt voor de bedrijfsopvolgingsregeling.

Hoe vraagt u de BOR aan?

De vrijstelling krijgt u niet automatisch. U moet deze zelf aanvragen, en wel gelijktijdig met de aangifte schenk- of erfbelasting. Doet u dat niet, dan betaalt u belasting over de volledige waarde van de onderneming. Doet zich binnen de voortzettingsperiode van drie jaar een gebeurtenis voor die strijdig is met de voorwaarden, dan moet u dat binnen acht maanden melden. Wijzigt door de verdeling van een nalatenschap wie welk deel van het bedrijf krijgt, dan moet die verdeling binnen twee jaar na het overlijden plaatsvinden om de regeling optimaal te kunnen benutten.

In de praktijk loopt de BOR bijna altijd samen met de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting. Beide regelingen hebben eigen voorwaarden die op elkaar moeten aansluiten. Een goede afstemming vooraf voorkomt dat u het ene voordeel benut en het andere misloopt.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Beoordeel het vermogen: laat vaststellen welk deel van uw bedrijf echt ondernemingsvermogen is en welk deel als beleggingsvermogen buiten de regeling valt.
  • Bewaak de bezitseis: controleer of de gever de onderneming lang genoeg heeft: 1 jaar bij overlijden, 5 jaar bij schenken, en langer bij hoge leeftijd.
  • Plan de voortzetting: zorg dat de opvolger de onderneming minstens 3 jaar kan en wil voortzetten zonder verkoop of staking.
  • Let op de leeftijd bij schenken: bij een schenking moet de ontvanger minstens 21 jaar oud zijn.
  • Vraag de vrijstelling actief aan: claim de BOR in de aangifte schenk- of erfbelasting en meld wijzigingen binnen acht maanden.
  • Stem af met de inkomstenbelasting: combineer de BOR met de doorschuifregeling en laat beide op elkaar aansluiten.

Veelgestelde vragen

Hoeveel van mijn bedrijf is in 2026 vrijgesteld?

De eerste 1.543.500 euro aan ondernemingsvermogen is voor 100% vrijgesteld, en het meerdere voor 75%. Over de belaste 25% kunt u tot tien jaar uitstel van betaling krijgen.

Hoelang moet ik het bedrijf voortzetten?

De voortzettingseis is sinds 2025 drie jaar. Verkoopt of staakt u de onderneming binnen die periode, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding.

Telt verhuurd vastgoed mee voor de BOR?

Nee. Verhuurd vastgoed wordt sinds 2024 wettelijk als beleggingsvermogen aangemerkt en komt niet in aanmerking voor de vrijstelling. Alleen echt ondernemingsvermogen telt mee.

Moet ik de vrijstelling zelf aanvragen?

Ja. U claimt de vrijstelling in de aangifte schenk- of erfbelasting. Vraagt u de BOR niet aan, dan betaalt u belasting over de volledige waarde van de onderneming.

Kan ik ook schenken kort voordat ik met pensioen ga?

Dat kan, maar let op de bezitseis. Als schenker moet u de onderneming minstens 5 jaar hebben gehad, en die termijn loopt op naarmate u ouder bent. Plan de overdracht daarom tijdig.

Hoe Taxcount u kan helpen

De bedrijfsopvolgingsregeling levert een van de grootste fiscale voordelen op bij een bedrijfsoverdracht, maar de voorwaarden zijn technisch en de belangen groot. Taxcount beoordeelt of uw bedrijf kwalificeert, waardeert het ondernemingsvermogen, bewaakt de bezits- en voortzettingseis en stemt de BOR af met de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting. Wij verzorgen de aangifte en begeleiden de overdracht van begin tot eind. Overweegt u uw familiebedrijf over te dragen of staat u voor een erfenis met ondernemingsvermogen? Leg uw situatie aan ons voor, dan brengen wij de mogelijkheden en de planning voor u in kaart. In de tussentijd kan u gebruik maken van onze BOR-calculator.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Box 1, 2 en 3: zo werkt het boxenstelsel van de inkomstenbelasting

Betaalt u belasting over uw loon, uw winst, dividend uit uw bv of uw spaargeld? Dan krijgt u te maken met het boxenstelsel: de indeling van de inkomstenbelasting in box 1, 2 en 3. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels, en de wet bepaalt in welke box een inkomen of vermogen thuishoort. Die indeling is niet vrijblijvend, want een fout in de boxindeling leidt tot een onjuiste aangifte, navordering en belastingrente. In box 3 is er sinds de rechtspraak van de Hoge Raad bovendien een extra route: u mag aantonen dat uw werkelijke opbrengst lager was dan het bedrag waarover u belasting betaalt. In dit artikel leest u wat in elke box valt, welke tarieven in 2026 gelden, hoe de rangorde werkt, wat de tegenbewijsregeling in box 3 voor u betekent en wat u praktisch moet regelen.

Wat is het boxenstelsel?

De inkomstenbelasting werkt met een gesloten boxenstelsel. Dat betekent dat al uw inkomen en vermogen wordt ingedeeld in drie groepen: box 1 (werk en woning), box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). Elke box heeft een eigen manier van rekenen en een eigen tarief. De belasting van de drie boxen wordt daarna bij elkaar opgeteld, en van dat totaal gaan uw heffingskortingen af.

Gesloten betekent ook dat u niet vrij tussen de boxen kunt schuiven. Een verlies in de ene box mag u in principe niet aftrekken van winst in een andere box, en een inkomen dat in box 1 hoort, kunt u niet in box 3 laten vallen omdat dat tarief lager is. De onderstaande tabel geeft in het kort weer wat er in elke box valt en welk tarief in 2026 geldt. Figuur 1 zet daaronder de drie boxen, de tarieven van 2026 en de rangorde nog eens naast elkaar.

Box Wat valt hierin? Tarief 2026
Box 1: werk en woning Winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, pensioen en uitkeringen, en het saldo van de eigen woning 35,75%, 37,56% en 49,50% (oplopend)
Box 2: aanmerkelijk belang Dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv of nv 24,5% tot en met 68.843 euro, daarboven 31%
Box 3: sparen en beleggen Spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto 36% over het rendement, boven een heffingvrij vermogen van 59.357 euro

   Figuur 1: Het boxenstelsel in 2026: wat in elke box valt, welk tarief geldt en hoe de rangorde box 1, box 2 en box 3 werkt.

 

Box 1: werk en woning

In box 1 valt uw actieve inkomen. Denk aan winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, pensioen en uitkeringen. Ook bijverdiensten die geen onderneming en geen loon zijn vallen hier, in de wet resultaat uit overige werkzaamheden genoemd. Uw eigen woning hoort er eveneens bij: u telt een vast percentage van de WOZ-waarde bij uw inkomen op, het eigenwoningforfait, en trekt de hypotheekrente ervan af. Box 1 heeft een oplopend tarief, ook wel progressief tarief genoemd: over een hoger inkomen betaalt u een hoger percentage. In het tarief van de eerste schijf zitten ook de premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) verwerkt.

Voor wie de AOW-leeftijd in 2026 nog niet heeft bereikt, geldt 35,75% over de eerste 38.883 euro, daarna 37,56% tot en met 78.426 euro en 49,50% over het meerdere. Heeft u de AOW-leeftijd wel bereikt, dan betaalt u over die eerste schijf 17,85%, omdat u geen AOW-premie meer betaalt. Bent u geboren voor 1 januari 1946, dan loopt uw eerste schijf door tot 41.123 euro.

Aftrekposten in box 1 tellen niet altijd tegen uw hoogste tarief mee. Voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de vrijstelling voor vermogen dat u aan uw eigen bv ter beschikking stelt, de aftrekbare kosten van de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten, giften en alimentatie) geldt in 2026 een maximaal aftrektarief van 37,56%. Verdient u meer dan 78.426 euro, dan levert een euro aftrek u dus geen 49,50% op, maar 37,56%.

Box 2: aanmerkelijk belang

Box 2 is de box voor de grootaandeelhouder. U valt hierin als u, samen met uw fiscale partner, een belang van 5% of meer heeft in een bv of nv. Dat heet een aanmerkelijk belang. Het dividend dat u uit uw bv haalt en de winst die u maakt bij verkoop van uw aandelen worden in box 2 belast.

In 2026 kent box 2 twee schijven: 24,5% over de eerste 68.843 euro en 31% over het meerdere. Over inkomen in box 2 betaalt u geen premies volksverzekeringen. Heeft u een fiscale partner, dan kunt u het box 2-inkomen onderling verdelen. Zo benut u de lage schijf twee keer, samen dus tot en met 137.686 euro. Voor een directeur-grootaandeelhouder grijpen box 1 en box 2 op elkaar in via het gebruikelijk loon en de afweging tussen loon en dividend. Die afweging vraagt altijd een berekening voor uw eigen situatie.

Box 3: sparen en beleggen

In box 3 valt uw privévermogen dat niet al in box 1 of box 2 wordt belast: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto. Box 3 is de box die de afgelopen jaren het meest is veranderd, en die verandering is nog niet klaar.

Hoe wordt uw box 3-inkomen in 2026 berekend?

Box 3 belast niet uw werkelijke opbrengst, maar een forfaitair rendement: een percentage dat de wet vooraf vaststelt. Dat percentage verschilt per soort vermogen. Over het zo berekende rendement betaalt u 36% inkomstenbelasting. Peildatum is 1 januari van het belastingjaar: uw vermogen op die datum bepaalt de heffing over het hele jaar. U betaalt pas belasting boven het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon, of 118.714 euro voor fiscale partners samen.

Soort vermogen (2026) Forfaitair rendement
Banktegoeden, spaargeld en contant geld 1,28% (voorlopig percentage)
Overige bezittingen, zoals beleggingen en een tweede woning 6,00%
Schulden (aftrekbaar van uw rendement) 2,70%

Let op het woord voorlopig bij de banktegoeden. Dit percentage wordt pas na afloop van 2026 definitief vastgesteld op basis van de werkelijke spaarrente. Voor uw voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst met 1,28%.

Wat als uw werkelijke opbrengst lager was?

Dan mag u dat aantonen, en betaalt u over uw werkelijke rendement in plaats van over het forfait. Dit heet de tegenbewijsregeling. De achtergrond is een reeks uitspraken van de Hoge Raad. In het Kerstarrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het toenmalige box 3-stelsel in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht voor wie een lager werkelijk rendement had dan het forfait. Op 6 juni 2024 besliste de Hoge Raad dat ook de opvolgende regelingen dat probleem niet oplossen voor wie meer heeft dan alleen spaargeld. Voor spaarders klopt het forfait redelijk, maar bij beleggingen en vastgoed wordt een succesvolle en een ongelukkige belegger nog altijd gelijk behandeld.

Belangrijk is dat dit oordeel ook geldt voor het stelsel dat vanaf 2023 loopt, en dus ook voor 2026. Tegenbewijs is daarmee geen uitzondering voor oude jaren, maar een structurele mogelijkheid zolang het forfaitaire stelsel bestaat. Het kabinet wil overstappen op een heffing over het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam dat wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet definitief vast.

Wat telt mee als werkelijk rendement?

De Hoge Raad heeft daar vaste rekenregels voor gegeven, en die vallen vaak anders uit dan mensen verwachten. Meegerekend worden uw directe opbrengsten (rente, dividend en huur) en de waardestijging of waardedaling van uw bezittingen, ook als u niets heeft verkocht. Die ongerealiseerde waardestijging maakt uw werkelijke rendement dus juist hoger.

Niet meegerekend worden uw kosten, met een belangrijke uitzondering: de rente over uw box 3-schulden mag u wel aftrekken. Ook de drempel voor schulden blijft hier buiten beschouwing, zodat al uw box 3-rente meetelt. Over die kostenaftrek loopt nog discussie: de advocaat-generaal bij de Hoge Raad vindt dat ook andere kosten, zoals verbeteringskosten, aftrekbaar zouden moeten zijn, dus houd rekening met nieuwe procedures. Er wordt niet gecorrigeerd voor inflatie, u kijkt naar uw hele box 3-vermogen zonder het heffingvrije vermogen eraf te halen, en u rekent per jaar. Een slecht beleggingsjaar kunt u dus niet verrekenen met een goed jaar. Heeft u een fiscale partner, dan volgt uw deel van het werkelijke rendement uw aandeel in de gezamenlijke grondslag. Figuur 2 zet naast elkaar wat wel en wat niet meetelt bij uw werkelijke rendement.

Figuur 2: Werkelijk rendement in box 3: wat wel en wat niet meetelt volgens de rekenregels van de Hoge Raad.

Een tweede woning of ander vastgoed in box 3

Voor vastgoed gelden aanvullende regels uit vier uitspraken van de Hoge Raad van 20 december 2024. Gebruikt u de woning zelf, dan levert dat eigen gebruik voor het werkelijke rendement geen voordeel op: het wordt op nihil gesteld. De waardeontwikkeling bepaalt u door de WOZ-waarde van het jaar zelf te vergelijken met de WOZ-waarde van het jaar erna. Koopt of verkoopt u in de loop van het jaar, dan wordt die waardeontwikkeling tijdsevenredig tussen koper en verkoper verdeeld. Een waardestijging die het gevolg is van verbouwing of uitbreiding telt niet mee als opbrengst. Voor gewoon onderhoud geldt dat niet, en de grens tussen onderhoud en verbetering is in de praktijk vaak een discussiepunt.

Op twee punten is het laatste woord nog niet gesproken. Het kabinet vindt dat eigen gebruik wel een voordeel oplevert, namelijk de huur die u bij normale verhuur zou kunnen vragen, terwijl de Hoge Raad dat voordeel op nihil stelt. En bij een aankoop of verkoop in de loop van het jaar is nog niet beslist of de datum van de koopovereenkomst of van de levering telt. Laat vastgoed in box 3 daarom altijd apart doorrekenen.

Oude jaren: rechtsherstel over 2017 tot en met 2022

Voor de jaren 2017 tot en met 2022 geldt een aparte wet, de Wet rechtsherstel box 3. Die rekent uw box 3-inkomen over die jaren opnieuw uit, met per jaar een eigen percentage voor spaargeld, voor overige bezittingen en voor schulden. Deze herberekening werkt eenzijdig in uw voordeel: zij wordt alleen toegepast als uw box 3-inkomen daardoor lager uitvalt dan volgens de oude berekening, en uw inkomen wordt nooit lager gesteld dan nul. Voor 2021 bedroeg het percentage voor banktegoeden bijvoorbeeld 0,01%, tegen 5,69% voor overige bezittingen. Wie vooral spaarde is met het rechtsherstel dus flink beter af; wie belegde heeft eerder iets aan de tegenbewijsregeling.

Of u nog aan die oude jaren toekomt, hangt af van wat u destijds heeft gedaan. Voor 2021 en later kan iedere belastingplichtige een lager werkelijk rendement opgeven. Voor 2019 en 2020 geldt dat alleen als uw definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet definitief vaststond of daarna is opgelegd, en u tijdig heeft gevraagd om een ambtshalve vermindering. Dat is een verlaging van een aanslag die al vaststaat, buiten de gewone bezwaartermijn om. Voor 2017 en 2018 moet uw bezwaar hebben meegelopen in de procedure massaal bezwaar, waarin een paar proefzaken worden uitgeprocedeerd voor een hele groep, of moet uw aanslag na het Kerstarrest zijn ontvangen, plus een tijdig verzoek om ambtshalve vermindering.

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad hierover een streep getrokken. Wie over de jaren 2017 tot en met 2020 geen of niet op tijd bezwaar maakte, de zogenoemde niet-bezwaarmaker, heeft geen recht op teruggaaf. Deze groep hoopte via de procedure massaal bezwaar plus alsnog geld terug te krijgen; die route is met deze uitspraak gesloten. Voor 2021 en latere jaren staat de tegenbewijsregeling wel open. Krijgt u een box 3-vermindering, dan vergoedt de Belastingdienst daarover in de regel geen rente. Dat geldt niet alleen bij oude jaren, maar bij elke vermindering. Figuur 3 laat per jaargroep zien of tegenbewijs voor u nog openstaat en hoe u het doorgeeft.

Figuur 3: Beslisboom: was uw werkelijke rendement lager dan het forfait, en komt u over dat belastingjaar nog aan bod?

Zo geeft u een lager werkelijk rendement door

Een beroep op de tegenbewijsregeling doet u niet met een gewone brief. U moet het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) gebruiken, dat sinds 10 juli 2025 in Mijn Belastingdienst staat. Per belastingjaar heeft u een apart formulier nodig, en aanvullende stukken kunt u tot zes weken na verzending van het formulier nasturen. Vanaf de aangifte over 2025 kunt u het werkelijke rendement ook rechtstreeks in uw aangifte opgeven.

De bewijslast ligt bij u. U moet uw hele box 3-vermogen in dat jaar onderbouwen, niet alleen het bestanddeel dat slecht rendeerde. Bewaar dus per jaar uw rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten van uw beleggingen. Reken bovendien eerst door of tegenbewijs u werkelijk iets oplevert: doordat ongerealiseerde waardestijgingen meetellen en kosten niet aftrekbaar zijn, valt het werkelijke rendement vaak hoger uit dan verwacht.

Hoe bepaalt de wet in welke box iets valt?

Omdat de tarieven per box verschillen, is het belangrijk dat een inkomen in de juiste box terechtkomt. Daarvoor kent de wet de rangorderegeling. Past een voordeel in meerdere boxen, dan geldt de box die als eerste in de wet staat: box 1 gaat voor box 2, en box 2 gaat voor box 3. Die volgorde werkt ook binnen een box, waar winst uit onderneming voorgaat op loon en loon voorgaat op resultaat uit overige werkzaamheden.

Een gevolg van de rangorde is dat vermogen dat inkomen in box 1 of box 2 oplevert, niet ook in box 3 wordt meegeteld. Verhuurt u bijvoorbeeld een pand aan uw eigen bv, dan valt dat pand in box 1 en niet in box 3. Schulden volgen daarbij het vermogen waar zij bij horen. Er zijn wel uitzonderingen. Een schuld waarvan de rente in box 1 of box 2 niet aftrekbaar is, komt juist in box 3 terecht. En een eigenwoningschuld die u voor 2013 heeft afgesloten, blijft dwingend in box 1. Het overgangsrecht gaat hier voor de rangorde: de Hoge Raad besliste op 14 maart 2025 dat u die lening niet naar box 3 kunt overbrengen.

De wet bevat daarnaast maatregelen tegen boxhoppen: het tijdelijk verplaatsen van vermogen rond de peildatum van 1 januari om box 3-heffing te ontlopen. Haalt u vermogen minder dan drie maanden uit box 3, dan wordt het toch in box 3 belast en is tegenbewijs niet mogelijk. Bij drie tot zes maanden, en bij zes tot achttien maanden via een beleggingsinstelling of een buitenlands beleggingslichaam, kunt u nog aantonen dat u zakelijke en niet-fiscale redenen had. Slaagt dat niet, dan betaalt u in twee boxen tegelijk.

Kunt u een verlies uit de ene box met een andere box verrekenen?

In beginsel niet. Het boxenstelsel is gesloten, dus een verlies blijft binnen zijn eigen box. Een verlies in box 1 verrekent u binnen box 1: drie jaar terug en negen jaar vooruit. Een verlies in box 2 verrekent u binnen box 2: een jaar terug en zes jaar vooruit. Box 3 kent in de praktijk geen verrekenbaar verlies. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 is wettelijk vastgelegd dat het voordeel uit sparen en beleggen op ten minste nul wordt gesteld, en ook bij tegenbewijs verrekent u een slecht jaar niet met een goed jaar. Of een negatief werkelijk rendement tot een verrekenbaar box 3-verlies kan leiden, is nog niet uitgekristalliseerd.

Op de geslotenheid bestaat een belangrijke uitzondering. Heeft u een verlies uit aanmerkelijk belang dat u niet meer in box 2 kon verrekenen, en hebben u en uw fiscale partner in het jaar zelf en het jaar daarvoor geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u dat verlies op verzoek omzetten in een belastingkorting van 25%. Die korting gaat af van uw box 1-belasting. Er geldt een wachttijd van minstens een jaar, de korting leidt niet tot een teruggaaf en u kunt haar niet met box 3-inkomen verrekenen. Wel kunt u een onbenut deel doorschuiven naar een volgend jaar. Let op de volgorde: de korting gaat af voor uw heffingskortingen, waardoor een deel van die heffingskortingen kan verdampen.

Wat is het verzamelinkomen en waarom telt het?

Naast de belasting per box telt de wet ook uw drie boxinkomens bij elkaar op, na verrekening van verliezen en voor aftrek van de heffingskortingen. Die optelsom heet het verzamelinkomen. Het is niet alleen de basis voor uw belasting, maar ook de maatstaf voor inkomensafhankelijke regelingen: uw heffingskortingen, toeslagen en allerlei eigen bijdragen. In 2026 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal 3.115 euro en is die nihil vanaf een verzamelinkomen van 78.426 euro. De arbeidskorting bedraagt maximaal 5.685 euro en is nihil vanaf een arbeidsinkomen van 132.920 euro.

Heeft u een fiscale partner, dan mag u gemeenschappelijke posten zoals de eigen woning, het box 2-inkomen, de box 3-grondslag en de persoonsgebonden aftrek jaarlijks vrij onderling verdelen. Dat beïnvloedt niet alleen de belasting, maar via het verzamelinkomen ook uw kortingen en toeslagen. Let op een uitzondering: leidt rechtsherstel of tegenbewijs in box 3 tot een herrekening, dan volgt de extra persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten en giften) de verdeling die u in de aangifte koos voor zorgkosten of giften. Wilt u die anders verdelen, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering nodig.

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel dat u in 2026 60.000 euro loon uit uw eigen bv ontvangt, dat uw bv 50.000 euro dividend aan u uitkeert en dat u 150.000 euro privévermogen heeft. Het loon wordt progressief belast in box 1. Het dividend valt binnen de eerste schijf van box 2 en wordt belast tegen 24,5%, dus 12.250 euro. Van uw privévermogen blijft 59.357 euro onbelast; over het rendement op het meerdere betaalt u 36% in box 3. De drie uitkomsten worden opgeteld en verminderd met uw heffingskortingen. Was uw werkelijke rendement op dat vermogen lager dan het forfait, dan kunt u dat via de tegenbewijsregeling laten meewegen. Figuur 4 werkt dit voorbeeld per box uit, met de heffing per box en de optelsom tot het verzamelinkomen.

Figuur 4: Rekenvoorbeeld: loon, dividend en privévermogen van een dga in 2026, met de heffing per box en het verzamelinkomen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de juiste box. Ga per inkomen en per vermogensbestanddeel na of het in box 1, box 2 of box 3 hoort, en respecteer de rangorde: box 1 voor box 2 voor box 3.
  • Gebruik de tarieven en grenzen van 2026. Reken met de schijven van box 1, de grens van 68.843 euro in box 2 en het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon in box 3.
  • Houd de peildatum in het oog. Voor box 3 telt uw vermogen op 1 januari. Vermijd tijdelijke boxwisselingen rond die datum, want die kunnen tot dubbele heffing leiden.
  • Reken uw werkelijke rendement in box 3 door. Was uw opbrengst lager dan het forfait, dan kan tegenbewijs lonen. Reken het eerst uit, want ongerealiseerde waardestijgingen tellen mee en kosten zijn niet aftrekbaar.
  • Bewaar uw box 3-dossier per jaar. Rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten heeft u nodig om een lager rendement aannemelijk te maken.
  • Controleer uw oude aanslagen. Voor 2021 en latere jaren kunt u het formulier Opgaaf werkelijk rendement gebruiken. Voor 2017 tot en met 2020 is een tijdig bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering voorwaarde.
  • Verdeel gemeenschappelijke posten. Heeft u een fiscale partner, verdeel dan de eigen woning, het box 2-inkomen en het box 3-vermogen bewust, en kijk ook naar het effect op toeslagen.
  • Bewaak uw verliezen. Verreken verliezen binnen de juiste box en vergeet een oud aanmerkelijkbelangverlies niet: dat kan via een belastingkorting van 25% alsnog tegen box 1 worden ingezet.
  • Geef alles volledig aan. Meld al uw inkomen en vermogen, ook buitenlandse rekeningen en crypto. Verzwijgen leidt tot navordering, belastingrente en mogelijk een boete.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen box 1, 2 en 3?

Box 1 belast uw werk en woning: winst, loon, uitkering, pensioen en de eigen woning, tegen een oplopend tarief. Box 2 belast dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv. Box 3 belast uw overige privévermogen, zoals spaargeld en beleggingen. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels.

Welke tarieven gelden in 2026?

Box 1 kent 35,75%, 37,56% en 49,50% voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Box 2 kent 24,5% tot en met 68.843 euro en 31% daarboven. Box 3 kent een tarief van 36% over het berekende rendement, met een heffingvrij vermogen van 59.357 euro per persoon.

Wat is de rangorderegeling?

De rangorderegeling bepaalt in welke box een inkomen valt als het in meerdere boxen zou kunnen vallen. De volgorde is box 1 voor box 2 voor box 3. Daardoor valt een pand dat u aan uw eigen bv verhuurt in box 1 en niet in box 3.

Kan ik in box 3 belasting terugkrijgen als mijn rendement lager was?

Dat kan via de tegenbewijsregeling. U maakt dan aannemelijk dat uw werkelijke rendement lager was dan het forfait en betaalt over dat werkelijke rendement. U gebruikt daarvoor het formulier Opgaaf werkelijk rendement, per belastingjaar apart. Reken het eerst door, want kosten zijn niet aftrekbaar en waardestijgingen tellen wel mee.

Krijg ik nog rechtsherstel als ik nooit bezwaar heb gemaakt?

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 niet. De Hoge Raad besliste op 25 juni 2026 dat niet-bezwaarmakers over die jaren geen recht hebben op teruggaaf. Voor 2021 en latere jaren kunt u wel een lager werkelijk rendement opgeven, ook zonder eerder bezwaar.

Kan ik een verlies uit box 3 verrekenen met box 1?

Nee. Verliezen blijven binnen hun eigen box en box 3 kent geen verlies. De enige uitzondering op het gesloten stelsel is een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang: dat kunt u na beëindiging van uw belang omzetten in een belastingkorting van 25% tegen uw box 1-belasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount bepaalt voor u in welke box uw inkomen en vermogen thuishoren, berekent per box de belasting en zorgt dat de rangorde en de verliesverrekening kloppen. Wij rekenen daarbij ook de keuzes door die echt verschil maken: loon of dividend uit uw bv, de verdeling van gemeenschappelijke posten met uw fiscale partner, en de vraag of uw box 3-vermogen beter in box 3 blijft of via een bv naar box 2 gaat. Voor box 3 rekenen wij uw werkelijke rendement per jaar uit en toetsen wij of een beroep op de tegenbewijsregeling u daadwerkelijk iets oplevert, inclusief de onderbouwing op het verplichte formulier.

Twijfelt u over uw boxindeling, over een openstaande aanslag uit een eerder jaar of over de fiscale gevolgen van uw vermogen? Leg uw situatie aan ons voor, dan beoordelen wij die en zetten wij de mogelijkheden voor u op een rij.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Het forfaitaire percentage voor banktegoeden in 2026 is nog voorlopig, en de rechtspraak over box 3 is nog in beweging. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat u besluiten neemt.

Werkruimte in de woning 2026: wanneer zijn de kosten van uw werkkamer aftrekbaar?

 

Werkt u als ondernemer (deels) vanuit huis, dan is de vraag al snel of u de kosten van uw werkkamer van de winst mag aftrekken. Denk aan een deel van de huur of afschrijving, energie, schoonmaak en inrichting. Veel ondernemers gaan ervan uit dat dit mag, maar de wet is streng: de kosten van een werkruimte in de eigen woning zijn in de meeste gevallen juist níet aftrekbaar. Alleen als uw werkruimte aan twee strenge eisen voldoet, is aftrek mogelijk. In dit artikel leest u hoe de regeling in 2026 werkt, wanneer u de kosten wél mag aftrekken en wat u praktisch moet regelen.

 

Wat valt onder een werkruimte in de woning?

Een werkruimte is elke ruimte in of bij uw woning die u voor uw werk gebruikt. Dat is een ruim begrip: het gaat niet alleen om een kantoor of werkkamer, maar ook om een praktijk- of behandelruimte, een atelier of een garage die u als opslag gebruikt. Onder de kosten van de werkruimte valt vrijwel alles wat met de ruimte te maken heeft: afschrijving of het huurdeel, energie, schoonmaak, behang- en schilderwerk, stoffering en de inrichting zoals een bureau en kasten.

De regeling geldt voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap), voor medegerechtigden en voor mensen met resultaat uit overige werkzaamheden. Ze geldt voor koop- én huurwoningen, en ook voor een tweede woning, een woonschip of een woonwagen. Voor een bv met een dga geldt een eigen, vergelijkbare regeling.

Waarom zijn de kosten meestal niet aftrekbaar?

De wet bepaalt dat de kosten van een werkruimte in uw woning niet van de winst aftrekbaar zijn, ook al werkt u er elke dag. Dit geldt zolang de woning tot uw privévermogen behoort, wat bij de meeste ondernemers het geval is, en sinds 2017 net zo voor huurwoningen. Een werkplek in de woonkamer, een slaapkamer of een zolderkamer telt dus nooit mee voor aftrek. De wetgever heeft hier bewust een grove grens getrokken om discussies over gemengde kosten te voorkomen.

De uitzondering: twee eisen die allebei moeten worden gehaald

Er is één uitzondering. Uw werkruimte moet dan aan twee eisen voldoen, en die gelden allebei tegelijk. De eerste is de zelfstandigheidseis, de tweede is de inkomenseis. De beslisboom hierna laat in één oogopslag zien of uw kosten aftrekbaar zijn (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom. Alleen als u alle vragen met ja beantwoordt, zijn de kosten aftrekbaar.

De zelfstandigheidseis

De werkruimte moet naar verkeersopvatting, dus zoals mensen er in het dagelijks leven tegenaan kijken, een zelfstandig deel van de woning vormen. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen voorzieningen zoals sanitair, zodat u de ruimte in principe apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. Ontbreekt een eigen toilet of eigen ingang, dan is dat in de rechtspraak vrijwel altijd fataal. Een aanbouw of uitbreiding van de woning helpt op zichzelf niet: het gaat om echte zelfstandigheid. Ook massaal thuiswerken tijdens de coronacrisis heeft deze eis niet versoepeld.

De inkomenseis

Naast de zelfstandigheidseis moet u een groot deel van uw arbeidsinkomen in de werkruimte verdienen. Bij het arbeidsinkomen tellen uw winst, uw loon en uw bijverdiensten samen. Welke eis precies geldt, hangt ervan af of u ook een werkplek buiten uw woning heeft.

Uw situatie Inkomenseis om af te trekken
U heeft ook een werkplek buiten de woning Minimaal 70% van uw arbeidsinkomen verdient u ín de werkruimte thuis
U heeft geen werkplek buiten de woning Minimaal 70% verdient u in of vanuit de werkruimte thuis én minimaal 30% echt ín de werkruimte

Figuur 2: de twee eisen en de inkomensdrempels van 70 procent en 30 procent.

Let op: een werkplek elders wordt ruim opgevat. Ook een flexplek die u deelt of die maar één dag per week beschikbaar is, telt al mee als werkruimte buiten de woning. Daardoor geldt dan de zwaardere eis dat u 70 procent ín de thuiswerkruimte moet verdienen. De bewijslast ligt bij u: u moet aannemelijk kunnen maken dat u aan de inkomenseis voldoet, bijvoorbeeld met een onderbouwde urenverdeling.

Rekenvoorbeeld: Eva is rijinstructeur en heeft geen kantoor elders. Zij plant en administreert alles vanuit een verbouwde garage met eigen ingang en eigen toilet. Haar winst is 55.000 euro en ander inkomen heeft zij niet. Vrijwel alles verdient zij vanuit de garage, ruim 70 procent, dus de eerste toets haalt zij. Maar echt ín de garage verdient zij, gemeten naar haar administratie-uren, maar zo’n 15 procent. Zij haalt de 30-procenteis niet, dus de kosten zijn niet aftrekbaar.

Koop- of huurwoning: maakt het verschil?

Voor de hoofdregel maakt het geen verschil of u een koop- of huurwoning heeft: in beide gevallen zijn de kosten van een niet-kwalificerende werkruimte niet aftrekbaar. Vroeger kon een huurder het huurrecht soms tot het ondernemingsvermogen rekenen en zo de huisvestingskosten aftrekken, maar die route is sinds 2017 afgesloten.

De uitsluiting geldt alleen zolang de woning tot uw privévermogen behoort. Wie de woning of een zelfstandige werkruimte tot het ondernemingsvermogen rekent, valt buiten deze regeling. Die keuze ligt in beginsel al bij de start van uw onderneming vast en is later moeilijk te wijzigen. Tegenover de aftrek staan dan wel andere gevolgen, zoals een bijtelling voor het privégebruik en belasting over de verkoopwinst. Sinds 2025 zijn bepaalde woonkosten ook in dat geval van aftrek uitgesloten. Dit is maatwerk: laat u hierover goed adviseren.

Praktische checklist: wat u moet nagaan

  • Bepaal of u een werkruimte gebruikt. Elke ruimte die u voor uw werk gebruikt telt mee, ook een opslag of atelier.
  • Toets de zelfstandigheid. Heeft de ruimte een eigen ingang én eigen sanitair, zodat u hem apart zou kunnen verhuren?
  • Check of u een werkplek elders heeft. Ook een gedeelde of beperkt beschikbare flexplek telt mee en verzwaart de inkomenseis.
  • Reken de inkomenseis na. Verdient u genoeg van uw arbeidsinkomen in of vanuit de werkruimte om aan de 70- of 30-procenteis te voldoen?
  • Leg uw onderbouwing vast. Houd een urenverdeling bij tussen thuis en elders; de bewijslast ligt bij u.
  • Trek niets af als u niet kwalificeert. Voer huisvestings-, energie- en inrichtingskosten dan niet op in uw aangifte.

Veelgestelde vragen

Mag ik de kosten van mijn werkkamer thuis aftrekken?

Meestal niet. Kosten van een werkruimte in uw privéwoning zijn alleen aftrekbaar als de ruimte een zelfstandig deel van de woning is (met eigen ingang en sanitair) én u er een groot deel van uw arbeidsinkomen verdient. Voldoet u niet aan beide eisen, dan zijn de kosten niet aftrekbaar.

Wat betekent de zelfstandigheidseis precies?

De werkruimte moet zo zelfstandig zijn dat u hem apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen sanitair. Een werkplek in de woonkamer of op zolder voldoet niet.

Geldt de regeling ook voor een huurwoning?

Ja. Sinds 2017 gelden voor een huurwoning dezelfde regels als voor een koopwoning. De kosten zijn alleen aftrekbaar als de werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet.

Telt een flexplek bij een opdrachtgever als werkruimte elders?

Ja. Ook een gedeelde flexplek of een werkplek die maar één dag per week beschikbaar is, telt als werkruimte buiten uw woning. Dan geldt de zwaardere eis dat u 70 procent van uw arbeidsinkomen ín de werkruimte thuis moet verdienen.

Wat gebeurt er als ik de kosten ten onrechte aftrek?

De Belastingdienst corrigeert dan de afgetrokken kosten, inclusief samenhangende posten zoals energie, schoonmaak en inrichting. Trek deze kosten daarom alleen af als u zeker weet dat u aan alle voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount u kan helpen

De regels rond de werkruimte in de woning zijn streng en er wordt in de praktijk veel over geprocedeerd. Taxcount beoordeelt of uw werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet, rekent de 70- en 30-procenteis voor u na en adviseert of het aantrekkelijk is om een zelfstandige werkruimte tot uw ondernemingsvermogen te rekenen. Zo weet u zeker dat u aftrek benut waar het mag en correcties voorkomt waar het niet mag. Twijfelt u of uw werkkamer aftrekbaar is? Leg uw situatie aan ons voor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.\

 

Zelfstandigenaftrek 2026: zo verlaagt u als ondernemer uw belastbare winst

Als onde rnemer betaalt u inkomstenbelasting over uw winst. Voldoet u aan een aantal voorwaarden, dan mag u een vast bedrag van die winst aftrekken voordat de belasting wordt berekend. Dat is de zelfstandigenaftrek. In 2026 is het bedrag lager dan u van vroeger gewend bent, want de aftrek wordt al jaren stap voor stap afgebouwd. Toch blijft het de moeite waard, zeker voor starters. In dit artikel leest u wat de zelfstandigenaftrek in 2026 inhoudt, wanneer u er recht op heeft, hoeveel de aftrek bedraagt en wat u praktisch moet regelen om hem veilig te benutten.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een vast bedrag dat u als ondernemer van uw winst mag aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager, en dus betaalt u minder inkomstenbelasting. De aftrek hoort bij de ondernemersaftrek, een verzamelnaam voor fiscale voordelen die alleen voor ondernemers gelden. De zelfstandigenaftrek is niet afhankelijk van de hoogte van uw winst: het is een vast bedrag, geen percentage.

Wie heeft recht op de zelfstandigenaftrek?

De aftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Werknemers, freelancers zonder onderneming en directeuren-grootaandeelhouders van een bv hebben er geen recht op.

De belangrijkste voorwaarde is het urencriterium. U moet in het jaar minimaal 1.225 uur aan uw onderneming besteden (zie figuur 1). Kunt u dat niet aannemelijk maken, dan vervalt de aftrek. Houd daarom een goede urenadministratie bij. Had u aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan krijgt u de volledige aftrek. Bent u bij het begin van het jaar al AOW-gerechtigd, dan is de aftrek de helft.

Figuur 1: het urencriterium van 1.225 uur per jaar bepaalt of u recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

Hoeveel bedraagt de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek 1.200 euro. Voor wie bij het begin van het jaar al de AOW-leeftijd heeft, is dit de helft: 600 euro. De aftrek werkt tegen maximaal het tarief van de tweede schijf, dat in 2026 37,56 procent bedraagt. Bij het volledige bedrag levert de aftrek dus ongeveer 451 euro belastingvoordeel op.

Situatie (2026) Bedrag Maximaal voordeel
Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd) 1.200 euro circa 451 euro
Zelfstandigenaftrek (AOW-leeftijd bereikt) 600 euro circa 225 euro
Startersaftrek (extra, zie hierna) 2.123 euro circa 797 euro

De startersaftrek: extra voordeel in de eerste jaren

Bent u een startende ondernemer, dan krijgt u boven op de zelfstandigenaftrek een extra bedrag: de startersaftrek van 2.123 euro in 2026. U bent starter als u in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer was en in die periode niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek heeft gehad. U kunt de startersaftrek daardoor maximaal drie keer krijgen, meestal in uw eerste drie jaar. Samen met de zelfstandigenaftrek trekt u dan 3.323 euro af.

De startersaftrek kent nog een voordeel. Anders dan de gewone zelfstandigenaftrek mag u de aftrek als starter drie jaar lang ook verrekenen met ander inkomen in box 1, zoals loon uit een dienstverband. Zo profiteert u ook als uw onderneming nog weinig winst maakt.

Wat gebeurt er als uw winst te laag is?

De zelfstandigenaftrek kan niet hoger zijn dan uw winst. Maakt u te weinig winst, dan blijft een deel van de aftrek onbenut. Dat deel gaat niet verloren: het heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en u mag het in de volgende negen jaar alsnog van de winst aftrekken. Laat dit onbenutte deel per beschikking door de Belastingdienst vaststellen, zodat het doorschuiven later niet ter discussie staat. Let op: dit winstplafond geldt niet voor de startersaftrek.

Rekenvoorbeeld

Tom start in 2026 een klusbedrijf. Hij haalt het urencriterium en maakt 20.000 euro winst. Als starter trekt hij de zelfstandigenaftrek van 1.200 euro en de startersaftrek van 2.123 euro af, samen 3.323 euro (zie figuur 2). Zijn belastbare winst daalt daardoor naar 16.677 euro. Daarna wordt over de resterende winst ook nog de MKB-winstvrijstelling berekend, waardoor zijn belastbare winst verder daalt.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van starter Tom. Door 3.323 euro aftrek daalt zijn belastbare winst van 20.000 naar 16.677 euro.

Let op: wijziging vanaf 2027

Het kabinet heeft aangekondigd de startersaftrek per 1 januari 2027 te schrappen, zonder overgangsregeling. Voor het belastingjaar 2026 geldt de startersaftrek van 2.123 euro nog wel. Start u nu, dan kunt u er in 2026 dus nog van profiteren. De gewone zelfstandigenaftrek daalt naar verwachting verder na 2026.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Urenadministratie bijhouden. Noteer het hele jaar door uw gewerkte uren, zodat u de 1.225 uur van het urencriterium kunt aantonen.
  • Starterstatus toetsen. Ga na of u in de afgelopen vijf jaar geen ondernemer was en de aftrek hooguit twee keer had; alleen dan heeft u recht op de startersaftrek.
  • Aftrek claimen in de aangifte. Vermeld de zelfstandigenaftrek en eventuele startersaftrek in uw aangifte inkomstenbelasting.
  • Onbenut deel laten vaststellen. Is uw winst lager dan de aftrek, vraag dan een beschikking niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek aan om het bedrag negen jaar te kunnen doorschuiven.
  • Startersaftrek benutten in 2026. De startersaftrek vervalt naar verwachting per 2027; gebruik hem zolang het nog kan.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de zelfstandigenaftrek in 2026?

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 1.200 euro. Heeft u bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd bereikt, dan is het de helft: 600 euro.

Wat is het verschil tussen zelfstandigenaftrek en startersaftrek?

De zelfstandigenaftrek krijgt elke ondernemer die aan het urencriterium voldoet. De startersaftrek is een extra bedrag van 2.123 euro dat u in uw eerste jaren als starter boven op de zelfstandigenaftrek krijgt, maximaal drie keer.

Moet ik het urencriterium halen voor de zelfstandigenaftrek?

Ja. U moet minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteden en dat aannemelijk kunnen maken. Zonder het urencriterium heeft u geen recht op de aftrek.

Wat als mijn winst lager is dan de aftrek?

Dan kunt u de aftrek niet volledig benutten. Het onbenutte deel heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en mag u in de volgende negen jaar alsnog aftrekken. Voor starters geldt bovendien dat zij de aftrek drie jaar met ander box 1-inkomen mogen verrekenen.

Verdwijnt de startersaftrek?

Het kabinet wil de startersaftrek per 1 januari 2027 afschaffen. In 2026 kunt u de startersaftrek nog toepassen als u aan de voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of u aan het urencriterium en de starterseisen voldoet, berekent uw voordeel en zorgt dat de zelfstandigenaftrek en startersaftrek correct in uw aangifte terechtkomen. Ook helpen wij bij het vastleggen van een onbenut deel via een beschikking, zodat u niets laat liggen. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit de ondernemersaftrek haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Buying shares in a company that owns property: do you owe transfer tax?

See English below/Zie Engelse versie beneden

Een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie laat zien waar de grens ligt. Hier is de uitleg in gewone taal.


Stel dat een onderneming wordt geherstructureerd. Er wordt een nieuwe holding bovenop geplaatst en de bestaande aandelenbelangen worden daarin ingebracht. Een van die belangen bezit toevallig een pand. Mag de fiscus dan belasting heffen alsof dat pand is verkocht? Volgens het Europese Hof van Justitie: nee — niet wanneer het pand gewoon blijft waar het is.

Wat gebeurde er precies?

In de Portugese zaak werd een nieuwe holding opgericht. De aandeelhouder bracht zijn bestaande aandelenbelangen in en kreeg in ruil daarvoor alle aandelen in die nieuwe holding. Een van de ingebrachte vennootschappen bezat twee panden.

De Portugese fiscus zag dit als een verkapte overdracht van onroerend goed en hief een belasting die vergelijkbaar is met de Nederlandse overdrachtsbelasting. De ondernemer was het daar niet mee eens — en kreeg gelijk.

Voor en na: er komt een holding bovenop, maar de panden blijven bij dezelfde werkmaatschappij.

Waarom geen belasting?

Het Hof keek niet naar het etiket dat de belasting in Portugal droeg, maar naar wat er economisch werkelijk gebeurde. De conclusie was eenvoudig: het onroerend goed wisselde noch juridisch, noch feitelijk van eigenaar. De panden bleven bij de werkmaatschappij. Wat veranderde, was alleen de eigendomsstructuur daarboven — er werd een holding tussengeschoven.

Voor dit soort herstructureringen bestaat een Europese regel: lidstaten mogen daarop geen enkele indirecte belasting heffen. Een uitzondering voor “echte” overdrachten van onroerend goed gold hier niet, juist omdat geen enkel pand van eigenaar wisselde.

In gewone taal: het tussenschuiven van een holding is geen verkapte verkoop van een pand. Een onderneming die haar structuur opschoont of klaarmaakt voor de toekomst, moet niet worden belast alsof het onroerend goed is verhandeld.

En in Nederland?

Nederland kent een vergelijkbaar mechanisme. Wie aandelen koopt in een vennootschap die hoofdzakelijk uit onroerend goed bestaat (een zogenoemde onroerendezaakrechtspersoon), kan met overdrachtsbelasting te maken krijgen — ook al koopt hij formeel “aandelen” en geen stenen.

Tegelijk voorziet de Nederlandse wet al in vrijstellingen voor reorganisaties en fusies binnen een concern. Veel van de herstructureringen die door deze Europese uitspraak worden beschermd, zouden hier daarom al onbelast zijn. Het wordt pas interessant wanneer een herstructurering net buiten die Nederlandse vrijstellingen valt: dan kan deze uitspraak aanvullende argumenten bieden.

De les voor ondernemers en hun adviseurs: kijk zorgvuldig naar de fiscale gevolgen voordat u herstructureert. De juiste route kan het verschil maken tussen geen belasting en een onverwachte aanslag.

Neem contact op→

Dit artikel is een algemene uitleg voor een breed publiek en vormt geen fiscaal of juridisch advies. De uitkomst van een specifieke situatie hangt af van de feiten en van de toepasselijke wet- en regelgeving, die kan wijzigen. Laat uw eigen situatie altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

 

English version

A recent ruling by the European Court of Justice shows where the line is drawn. Here is the plain-language version.


Imagine a business is being restructured. A new holding company is placed on top, and the existing shareholdings are contributed into it. One of those shareholdings happens to own a building. Can the tax authority then levy tax as if that building had been sold? According to the European Court of Justice: no — not when the building simply stays where it is.

What actually happened?

In the Portuguese case, a new holding company was set up. The shareholder contributed its existing shareholdings and received all the shares in that new holding company in return. One of the contributed companies owned two properties.

The Portuguese tax authority saw this as a disguised transfer of real estate and levied a tax similar to the Dutch transfer tax (overdrachtsbelasting). The entrepreneur disagreed — and was proven right.

Before and after: a holding company is added on top, but the properties remain with the same operating company.

Why no tax?

The Court did not look at the label the tax carried in Portugal, but at what actually happened in economic terms. The conclusion was simple: the real estate changed hands neither in law nor in fact. The properties stayed with the operating company. What changed was only the ownership structure above it — a holding company was inserted.

For this kind of restructuring there is a European rule: member states may not levy any indirect tax on it. An exception for “genuine” real estate transfers did not apply here, precisely because no property changed owner.

In plain terms: inserting a holding company is not a disguised sale of a building. A business that tidies up its structure or prepares it for the future should not be taxed as if the real estate had been traded.

And in the Netherlands?

The Netherlands has a similar mechanism. Anyone buying shares in a company that consists mainly of real estate (a so-called onroerendezaakrechtspersoon, a real-estate entity) can face transfer tax — even though they are formally buying “shares” rather than bricks.

At the same time, Dutch law already provides exemptions for reorganisations and mergers within a group. Many of the restructurings protected by this European ruling would therefore already be untaxed here. It only gets interesting when a restructuring falls just outside those Dutch exemptions: then this ruling can offer additional arguments.

The takeaway for entrepreneurs and their advisers: look carefully at the tax consequences before you restructure. The right route can make the difference between no tax and an unexpected assessment.

Get in touch→

This article is a general explanation for a broad audience and is not tax or legal advice. The outcome of any specific situation depends on the facts and on the applicable laws and regulations, which may change. Always have your own situation reviewed by an adviser.

See also: