Uw BV opheffen? Zo werkt de belastingafrekening in box 2 (2026)

Stopt u met uw BV, dan kijkt de Belastingdienst mee. Bij de liquidatie van een BV volgt altijd een eindafrekening in box 2: soms betaalt u belasting, soms levert het juist een aftrekbaar verlies op. In dit artikel leest u in gewone taal hoe dat werkt, met actuele tarieven en rekenvoorbeelden voor 2026.

BV opheffen: wat gebeurt er eigenlijk?

Een BV houdt niet zomaar op te bestaan. Eerst wordt de vennootschap ontbonden (artikel 2:19 BW). Zijn er dan nog bezittingen of schulden, dan blijft de BV bestaan totdat alles is afgewikkeld: de vereffening (artikel 2:23a BW). Tijdens die vereffening worden bezittingen verkocht, schulden betaald en wordt wat overblijft uitgekeerd aan de aandeelhouders.

Dat restbedrag heet het liquidatiesaldo. En juist dat saldo – of het ontbreken ervan – bepaalt hoe de belastingafrekening voor u uitpakt.

Waarom betaalt u belasting bij liquidatie van een BV?

Heeft u minimaal 5% van de aandelen in een BV, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Uw inkomsten daaruit vallen in box 2 van de inkomstenbelasting. Denk aan dividend, maar ook aan de winst bij verkoop van uw aandelen.

Bij een liquidatie verkoopt u uw aandelen niet. Toch wil de wetgever voorkomen dat waardestijgingen (of -dalingen) buiten beeld blijven als een BV verdwijnt. Daarom merkt de wet twee situaties aan als een fictieve vervreemding (artikel 4.16, lid 1, Wet IB 2001):

  • Onderdeel c: het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering telt als vervreemding;
  • Onderdeel g: het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang telt eveneens als vervreemding.

Kort gezegd: het einde van uw aandelenbelang leidt altijd tot een fiscale afrekening – óók als er geen euro wordt uitgekeerd.

Situatie 1: er blijft geld over (positief liquidatiesaldo)

Blijft er na de vereffening geld over voor u als aandeelhouder, dan is dat een liquidatie-uitkering. U betaalt alleen belasting over de winst, niet over uw eigen inbreng.

Hoe wordt de belaste winst berekend?

Het belaste voordeel is het bedrag dat u ontvangt boven uw verkrijgingsprijs (artikel 4.34 in samenhang met artikel 4.19 Wet IB 2001). De verkrijgingsprijs is – simpel gezegd – wat u ooit in de BV heeft gestoken:

  • het gestorte aandelenkapitaal;
  • agio (storting boven de nominale waarde);
  • informele kapitaalstortingen;
  • latere bijstortingen.
Rekenvoorbeeld: belaste winst bij opheffing
Onderdeel Bedrag
Liquidatiesaldo (uitkering) € 220.000
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Belast voordeel in box 2 € 70.000

 

Over dit voordeel betaalt u in 2026 het box 2-tarief: 24,5% over de eerste € 68.843 en 31% over het meerdere. In dit voorbeeld is dat afgerond € 17.225. Heeft u een fiscaal partner, dan geldt het lage tarief zelfs over maximaal € 137.686 aan gezamenlijk box 2-inkomen en blijft de heffing beperkt tot € 17.150.

En de dividendbelasting?

De BV moet bij de uitkering 15% dividendbelasting inhouden, maar alleen over het deel van de uitkering dat uitgaat boven het gemiddeld gestorte kapitaal op de aandelen (artikel 3, lid 1, onderdeel b, Wet DB 1965). Die dividendbelasting bent u niet extra kwijt: zij wordt als voorheffing verrekend met uw inkomstenbelasting in box 2.

Situatie 2: er blijft niets over (verlies op uw aandelen)

Blijft er na het betalen van alle schulden niets over, dan krijgt u als aandeelhouder geen uitkering. Uw aanmerkelijk belang houdt op te bestaan (artikel 4.16, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001) en de opbrengst wordt op nihil gesteld.

De verkrijgingsprijs die u nooit heeft terugverdiend, wordt dan een negatief vervreemdingsvoordeel: een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies neemt u fiscaal in aanmerking op het moment dat de vereffening is voltooid (artikel 4.46, lid 6, Wet IB 2001).

Rekenvoorbeeld: verlies bij opheffing
Onderdeel Bedrag
Liquidatie-opbrengst € 0
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) € 150.000

 

Er is in deze situatie geen dividendbelasting verschuldigd: er wordt immers niets uitgekeerd.

Wat kunt u met een verlies in box 2?

Een box 2-verlies is geld waard, maar u kunt het niet onbeperkt gebruiken. Artikel 4.49 Wet IB 2001 bepaalt hoe het verlies wordt verrekend:

  • Eerst terug: verrekening met box 2-inkomen van het voorafgaande kalenderjaar (carry-back);
  • Dan vooruit: verrekening met box 2-inkomen van de zes volgende kalenderjaren (carry-forward).

Daarna verdampt het verlies in box 2. Voorwaarde is bovendien dat de inspecteur het verlies bij beschikking heeft vastgesteld (artikel 4.50 Wet IB 2001) – controleer dat dus altijd.

Geen aandelen meer? Vraag de belastingkorting aan

Na de opheffing van uw enige BV heeft u vaak helemaal geen box 2-inkomen meer om het verlies mee te verrekenen. Voor die situatie biedt artikel 4.53 Wet IB 2001 een oplossing. Heeft u (en uw fiscaal partner) in het kalenderjaar en het voorafgaande jaar geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u de Belastingdienst verzoeken het openstaande verlies om te zetten in een belastingkorting van 24,5% van dat verlies.

Die korting verlaagt uw belasting in box 1 (inkomen uit werk en woning, zoals loon of AOW). De korting is te benutten in het jaar van omzetting en de zeven jaren daarna, maar uiterlijk tot en met het negende jaar na het verliesjaar.

Voorbeeld: bij een verlies van € 150.000 bedraagt de belastingkorting € 36.750 (24,5%). Dat bedrag gaat rechtstreeks af van uw inkomstenbelasting in box 1.

BV onder een holding? Dan werkt het anders

Worden de aandelen in de geliquideerde BV gehouden door uw holding, dan valt het resultaat bij de holding in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling en blijft heffing op dat niveau achterwege. Een verlies op de deelneming kan bij liquidatie onder voorwaarden wél aftrekbaar zijn via de liquidatieverliesregeling (artikel 13d Wet VPB 1969).

De box 2-afrekening bij u privé volgt pas wanneer de holding vermogen aan u uitkeert – of zelf wordt geliquideerd. Belastingheffing wordt zo uitgesteld, maar niet definitief voorkomen.

Vijf praktische aandachtspunten bij het opheffen van uw BV

  • Stel het juiste moment van de (fictieve) vervreemding vast; bij een verlies is dat de voltooiing van de vereffening.
  • Onderbouw de verkrijgingsprijs zorgvuldig – vooral informele kapitaalstortingen worden vaak vergeten.
  • Controleer of het verlies bij beschikking is vastgesteld door de Belastingdienst.
  • Beoordeel tijdig of verrekening binnen de termijnen haalbaar is, of dat de belastingkorting van artikel 4.53 Wet IB 2001 gunstiger is.
  • Let bij een uitkering op de juiste inhouding en aangifte van dividendbelasting.

Veelgestelde vragen

Betaal ik altijd belasting als ik mijn BV opheffen?

Nee. U betaalt alleen box 2-belasting als de liquidatie-uitkering hoger is dan uw verkrijgingsprijs. Is de uitkering lager of nihil, dan heeft u juist een verrekenbaar verlies.

Hoeveel belasting betaal ik in box 2 in 2026?

In 2026 betaalt u 24,5% over de eerste € 68.843 aan box 2-inkomen en 31% over het meerdere. Met een fiscaal partner geldt het lage tarief over maximaal € 137.686 gezamenlijk.

Hoe lang is een verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen?

Eén jaar terug en zes jaar vooruit binnen box 2. Heeft u geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u het restant laten omzetten in een belastingkorting van 24,5% die uw box 1-belasting verlaagt.

Moet mijn BV dividendbelasting inhouden bij liquidatie?

Alleen over het deel van de liquidatie-uitkering boven het gemiddeld gestorte kapitaal. Deze 15% wordt verrekend met uw inkomstenbelasting.

Conclusie: laat u adviseren vóór de liquidatie

De liquidatie van een BV leidt altijd tot een fiscale eindafrekening in box 2. Bij een positief saldo betaalt u belasting over de winst; blijft er niets over, dan ontstaat een verlies dat – mits goed begeleid – veel geld waard kan zijn. Het moment van afwikkeling, de onderbouwing van de verkrijgingsprijs en de keuze tussen verliesverrekening en de belastingkorting maken een groot verschil.

Overweegt u uw BV op te heffen? De adviseurs van Taxcount in Den Haag rekenen graag vooraf voor u uit wat de liquidatie fiscaal betekent – en hoe u een verlies optimaal benut. Neem vrijblijvend contact op via www.taxcount.nl.

Urencriterium 2026: haalt u de 1.225 uur en wat levert het op?

Werkt u als ondernemer hard aan uw bedrijf, dan wilt u ook de belastingvoordelen benutten die daarbij horen. De toegangspoort tot die voordelen is het urencriterium: de eis dat u genoeg tijd in uw onderneming steekt. Haalt u die drempel, dan mag u de ondernemersaftrek toepassen, met onder meer de zelfstandigenaftrek. Haalt u hem net niet, of kunt u uw uren niet aantonen, dan loopt u die aftrek mis of krijgt u achteraf een naheffing. In dit artikel leest u wat het urencriterium in 2026 precies inhoudt, welke uren meetellen, wat het u oplevert en hoe u uw uren waterdicht vastlegt.

Wat is het urencriterium?

Het urencriterium is de voorwaarde dat u minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteedt, en dat u daar (als u geen starter bent) ook het grootste deel van uw werktijd aan besteedt. Het criterium geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eenmanszaken, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Het geldt niet voor een bv (die valt onder de vennootschapsbelasting) en niet voor mensen met alleen loondienst of losse bijverdiensten.

Figuur 1 laat zien uit welke eisen het urencriterium bestaat en hoe de uitzondering voor starters werkt.

Figuur 1: de eisen van het urencriterium en de toegang tot de ondernemersaftrek.

De twee eisen: 1.225 uur en het grotendeelscriterium

Om het urencriterium te halen, moet u aan twee eisen voldoen die allebei gelden. Voor starters geldt alleen de eerste eis.

De 1.225-ureneis

U besteedt in het kalenderjaar ten minste 1.225 uur aan uw onderneming of ondernemingen. Dat komt neer op gemiddeld zo’n 24 uur per week. Deze drempel is een vast aantal en wordt niet naar rato verlaagd als u pas halverwege het jaar start: ook als starter in bijvoorbeeld juli moet u de volle 1.225 uur halen.

Het grotendeelscriterium (en de uitzondering voor starters)

Van al uw werktijd samen (uw onderneming, plus eventueel loondienst en bijverdiensten) moet meer dan de helft naar uw onderneming gaan. Deze tweede eis heet het grotendeelscriterium. Combineert u uw bedrijf met een baan, dan is dit vaak het lastigste punt: u moet aannemelijk maken dat u méér tijd aan de onderneming besteedt dan aan uw dienstbetrekking. Bent u starter (u was in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer), dan geldt het grotendeelscriterium niet en hoeft u alleen de 1.225 uur te halen.

Welke uren tellen mee (en welke niet)?

Alle tijd die u besteedt met het oog op de zakelijke belangen van uw bedrijf telt mee. Dat is dus veel meer dan alleen de declarabele of productieve uren. Denk aan administratie, het opstellen van offertes, reistijd en woon-werkverkeer, acquisitie, bijscholing om uw vakkennis op peil te houden en zelfs het afwikkelen van een gestaakt bedrijf.

Niet mee tellen onder meer ziekte-uren en uren waarin u alleen maar beschikbaar was zonder daadwerkelijk te werken. Er geldt wel een belangrijke tegemoetkoming bij zwangerschap: gedurende 16 weken rond de bevalling wordt u geacht gewoon te hebben doorgewerkt, zodat een zwangerschap uw urencriterium niet in gevaar brengt.

Wat levert het urencriterium op in 2026?

Haalt u het urencriterium, dan krijgt u toegang tot de ondernemersaftrek: een verzameling aftrekposten die uw belastbare winst verlagen. De belangrijkste bedragen voor 2026 staan in figuur 2.

Figuur 2: de aftrekposten die het urencriterium in 2026 ontsluit.

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dat bedrag is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd (in 2025 was het nog € 2.470) en daalt in 2027 verder naar € 900. Juist daardoor worden de andere aftrekposten relatief belangrijker. Starters krijgen bovenop de zelfstandigenaftrek de startersverhoging van € 2.123, die u in de eerste vijf jaar maximaal drie keer mag toepassen. Doet u speur- en ontwikkelingswerk met een S&O-verklaring, dan komt daar de S&O-aftrek van € 15.979 bij (met € 7.996 extra voor starters), mits u ook ten minste 500 S&O-uren maakt. Werkt uw partner onbetaald mee, dan kan de meewerkaftrek oplopen tot 4% van de winst.

Een rekenvoorbeeld maakt het concreet. Sara start in 2026 een webshop naast haar baan van drie dagen. Ze werkt 1.300 uur in de webshop. Als starter hoeft ze niet aan het grotendeelscriterium te voldoen, dus met 1.300 uur haalt ze het urencriterium. Ze krijgt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 plus de startersverhoging van € 2.123, samen € 3.323 minder belastbare winst. Let op: de MKB-winstvrijstelling (12,7% van de winst) en de stakingsaftrek kennen geen urencriterium; die krijgt u dus ook zonder de 1.225 uur.

Let op bij een meewerkende partner

Werkt uw partner of een familielid met u samen in een vof of maatschap, dan tellen die uren niet altijd mee. De uren tellen niet mee als het werk van de partner voor 70% of meer uit ondersteunende taken bestaat (zoals administratie, telefoon aannemen of schoonmaak) én zo’n samenwerkingsverband tussen niet-verwanten ongebruikelijk zou zijn. Beide voorwaarden moeten samen gelden.

Het klassieke voorbeeld uit de wetsgeschiedenis is de huisarts wiens echtgenoot alleen de administratie doet: die partneruren tellen niet mee. Overweegt u een vof of maatschap met uw partner, laat dan vooraf toetsen of diens uren meetellen. Dat voorkomt een verrassing achteraf.

Houd een sluitende urenadministratie bij

De bewijslast ligt bij u: u moet aannemelijk maken dat u de uren echt heeft gewerkt, ook als de Belastingdienst pas jaren later navordert. Een controleerbare urenadministratie met per dag de datum, de activiteit en het aantal uren is daarom in de praktijk onmisbaar. Te algemene omschrijvingen zoals ‘literatuuronderzoek’ zijn niet genoeg.

Kunt u de uren niet onderbouwen, dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. Begin daarom aan het begin van het jaar met bijhouden en wacht niet tot de aangifte. Taxcount stelt hiervoor desgewenst een urenstaat beschikbaar.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd het hele jaar uw uren bij. Noteer per dag datum, activiteit en aantal uren; ook administratie, reistijd en acquisitie tellen mee.
  • Toets het grotendeelscriterium. Heeft u ook een baan? Controleer dan of meer dan de helft van uw totale werktijd naar uw onderneming gaat (geldt niet voor starters).
  • Check uw starterspositie. Was u in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer, dan hoeft u alleen de 1.225 uur te halen en heeft u recht op de startersverhoging.
  • Toets partneruren vooraf. Werkt uw partner mee, ga dan na of diens uren meetellen voordat u een vof of maatschap aangaat.
  • Benut alle aftrekposten. Naast de zelfstandigenaftrek kunt u mogelijk de startersverhoging, S&O-aftrek en meewerkaftrek toepassen.
  • Denk aan de zwangerschapsregeling. Bij zwangerschap wordt u 16 weken geacht te hebben doorgewerkt; die uren tellen dus mee.

Veelgestelde vragen

Hoeveel uur is het urencriterium in 2026?

Het urencriterium is 1.225 uur per kalenderjaar, ongeacht wanneer u in het jaar bent gestart. Dat is gemiddeld ongeveer 24 uur per week. Daarnaast geldt voor niet-starters het grotendeelscriterium.

Wat is de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek € 1.200. Dit bedrag is de afgelopen jaren verlaagd en daalt in 2027 verder naar € 900. Starters krijgen bovendien de startersverhoging van € 2.123.

Tellen reistijd en administratie mee voor het urencriterium?

Ja. Alle tijd die u besteedt met het oog op de zakelijke belangen van uw onderneming telt mee, dus ook administratie, offertes, acquisitie, reistijd en bijscholing. Ziekte-uren en uren waarin u alleen beschikbaar was, tellen niet mee.

Geldt het urencriterium ook als ik daarnaast een baan heb?

Ja, maar dan is het grotendeelscriterium vaak het knelpunt: u moet aannemelijk maken dat u meer tijd aan uw onderneming besteedt dan aan uw dienstbetrekking. Bent u starter, dan vervalt die eis en telt alleen de 1.225 uur.

Wat gebeurt er als ik mijn uren niet kan aantonen?

Dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. De bewijslast ligt bij u, dus een sluitende urenadministratie is essentieel om uw recht op de aftrek veilig te stellen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Het urencriterium lijkt eenvoudig, maar de details bepalen of u de aftrek krijgt: het grotendeelscriterium naast een baan, de starterspositie, meetellende partneruren en vooral een bewijskrachtige urenadministratie. Taxcount helpt u om de eisen goed te toetsen, uw urenregistratie op orde te brengen en alle aftrekposten die u toekomen te benutten. Twijfelt u of u het urencriterium haalt of hoe u uw uren het beste vastlegt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u aftrekposten claimt.

Gratis hulpmiddelen

Download de documenten hieronder en ontvang ze direct in uw mailbox.

Zie ook:

Bronnen:

Uw BV opheffen? Zo werkt de belastingafrekening in box 2 (2026)

Stopt u met uw BV, dan kijkt de Belastingdienst mee. Bij de liquidatie van een BV volgt altijd een eindafrekening in box 2: soms betaalt u belasting, soms levert het juist een aftrekbaar verlies op. In dit artikel leest u in gewone taal hoe dat werkt, met actuele tarieven en rekenvoorbeelden voor 2026.

BV opheffen: wat gebeurt er eigenlijk?

Een BV houdt niet zomaar op te bestaan. Eerst wordt de vennootschap ontbonden (artikel 2:19 BW). Zijn er dan nog bezittingen of schulden, dan blijft de BV bestaan totdat alles is afgewikkeld: de vereffening (artikel 2:23a BW). Tijdens die vereffening worden bezittingen verkocht, schulden betaald en wordt wat overblijft uitgekeerd aan de aandeelhouders.

Dat restbedrag heet het liquidatiesaldo. En juist dat saldo – of het ontbreken ervan – bepaalt hoe de belastingafrekening voor u uitpakt.

Waarom betaalt u belasting bij liquidatie van een BV?

Heeft u minimaal 5% van de aandelen in een BV, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Uw inkomsten daaruit vallen in box 2 van de inkomstenbelasting. Denk aan dividend, maar ook aan de winst bij verkoop van uw aandelen.

Bij een liquidatie verkoopt u uw aandelen niet. Toch wil de wetgever voorkomen dat waardestijgingen (of -dalingen) buiten beeld blijven als een BV verdwijnt. Daarom merkt de wet twee situaties aan als een fictieve vervreemding (artikel 4.16, lid 1, Wet IB 2001):

  • Onderdeel c: het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering telt als vervreemding;
  • Onderdeel g: het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang telt eveneens als vervreemding.

Kort gezegd: het einde van uw aandelenbelang leidt altijd tot een fiscale afrekening – óók als er geen euro wordt uitgekeerd.

Situatie 1: er blijft geld over (positief liquidatiesaldo)

Blijft er na de vereffening geld over voor u als aandeelhouder, dan is dat een liquidatie-uitkering. U betaalt alleen belasting over de winst, niet over uw eigen inbreng.

Hoe wordt de belaste winst berekend?

Het belaste voordeel is het bedrag dat u ontvangt boven uw verkrijgingsprijs (artikel 4.34 in samenhang met artikel 4.19 Wet IB 2001). De verkrijgingsprijs is – simpel gezegd – wat u ooit in de BV heeft gestoken:

  • het gestorte aandelenkapitaal;
  • agio (storting boven de nominale waarde);
  • informele kapitaalstortingen;
  • latere bijstortingen.

Rekenvoorbeeld: belaste winst bij opheffing

Onderdeel Bedrag
Liquidatiesaldo (uitkering) € 220.000
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Belast voordeel in box 2 € 70.000

 

Over dit voordeel betaalt u in 2026 het box 2-tarief: 24,5% over de eerste € 68.843 en 31% over het meerdere. In dit voorbeeld is dat afgerond € 17.225. Heeft u een fiscaal partner, dan geldt het lage tarief zelfs over maximaal € 137.686 aan gezamenlijk box 2-inkomen en blijft de heffing beperkt tot € 17.150.

En de dividendbelasting?

De BV moet bij de uitkering 15% dividendbelasting inhouden, maar alleen over het deel van de uitkering dat uitgaat boven het gemiddeld gestorte kapitaal op de aandelen (artikel 3, lid 1, onderdeel b, Wet DB 1965). Die dividendbelasting bent u niet extra kwijt: zij wordt als voorheffing verrekend met uw inkomstenbelasting in box 2.

Situatie 2: er blijft niets over (verlies op uw aandelen)

Blijft er na het betalen van alle schulden niets over, dan krijgt u als aandeelhouder geen uitkering. Uw aanmerkelijk belang houdt op te bestaan (artikel 4.16, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001) en de opbrengst wordt op nihil gesteld.

De verkrijgingsprijs die u nooit heeft terugverdiend, wordt dan een negatief vervreemdingsvoordeel: een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies neemt u fiscaal in aanmerking op het moment dat de vereffening is voltooid (artikel 4.46, lid 6, Wet IB 2001).

Rekenvoorbeeld: verlies bij opheffing

Onderdeel Bedrag
Liquidatie-opbrengst € 0
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) € 150.000

 

Er is in deze situatie geen dividendbelasting verschuldigd: er wordt immers niets uitgekeerd.

Wat kunt u met een verlies in box 2?

Een box 2-verlies is geld waard, maar u kunt het niet onbeperkt gebruiken. Artikel 4.49 Wet IB 2001 bepaalt hoe het verlies wordt verrekend:

  • Eerst terug: verrekening met box 2-inkomen van het voorafgaande kalenderjaar (carry-back);
  • Dan vooruit: verrekening met box 2-inkomen van de zes volgende kalenderjaren (carry-forward).

Daarna verdampt het verlies in box 2. Voorwaarde is bovendien dat de inspecteur het verlies bij beschikking heeft vastgesteld (artikel 4.50 Wet IB 2001) – controleer dat dus altijd.

Geen aandelen meer? Vraag de belastingkorting aan

Na de opheffing van uw enige BV heeft u vaak helemaal geen box 2-inkomen meer om het verlies mee te verrekenen. Voor die situatie biedt artikel 4.53 Wet IB 2001 een oplossing. Heeft u (en uw fiscaal partner) in het kalenderjaar en het voorafgaande jaar geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u de Belastingdienst verzoeken het openstaande verlies om te zetten in een belastingkorting van 24,5% van dat verlies.

Die korting verlaagt uw belasting in box 1 (inkomen uit werk en woning, zoals loon of AOW). De korting is te benutten in het jaar van omzetting en de zeven jaren daarna, maar uiterlijk tot en met het negende jaar na het verliesjaar.

Voorbeeld: bij een verlies van € 150.000 bedraagt de belastingkorting € 36.750 (24,5%). Dat bedrag gaat rechtstreeks af van uw inkomstenbelasting in box 1.

BV onder een holding? Dan werkt het anders

Worden de aandelen in de geliquideerde BV gehouden door uw holding, dan valt het resultaat bij de holding in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling en blijft heffing op dat niveau achterwege. Een verlies op de deelneming kan bij liquidatie onder voorwaarden wél aftrekbaar zijn via de liquidatieverliesregeling (artikel 13d Wet VPB 1969).

De box 2-afrekening bij u privé volgt pas wanneer de holding vermogen aan u uitkeert – of zelf wordt geliquideerd. Belastingheffing wordt zo uitgesteld, maar niet definitief voorkomen.

Vijf praktische aandachtspunten bij het opheffen van uw BV

  • Stel het juiste moment van de (fictieve) vervreemding vast; bij een verlies is dat de voltooiing van de vereffening.
  • Onderbouw de verkrijgingsprijs zorgvuldig – vooral informele kapitaalstortingen worden vaak vergeten.
  • Controleer of het verlies bij beschikking is vastgesteld door de Belastingdienst.
  • Beoordeel tijdig of verrekening binnen de termijnen haalbaar is, of dat de belastingkorting van artikel 4.53 Wet IB 2001 gunstiger is.
  • Let bij een uitkering op de juiste inhouding en aangifte van dividendbelasting.

Veelgestelde vragen

Betaal ik altijd belasting als ik mijn BV opheffen?

Nee. U betaalt alleen box 2-belasting als de liquidatie-uitkering hoger is dan uw verkrijgingsprijs. Is de uitkering lager of nihil, dan heeft u juist een verrekenbaar verlies.

Hoeveel belasting betaal ik in box 2 in 2026?

In 2026 betaalt u 24,5% over de eerste € 68.843 aan box 2-inkomen en 31% over het meerdere. Met een fiscaal partner geldt het lage tarief over maximaal € 137.686 gezamenlijk.

Hoe lang is een verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen?

Eén jaar terug en zes jaar vooruit binnen box 2. Heeft u geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u het restant laten omzetten in een belastingkorting van 24,5% die uw box 1-belasting verlaagt.

Moet mijn BV dividendbelasting inhouden bij liquidatie?

Alleen over het deel van de liquidatie-uitkering boven het gemiddeld gestorte kapitaal. Deze 15% wordt verrekend met uw inkomstenbelasting.

Conclusie: laat u adviseren vóór de liquidatie

De liquidatie van een BV leidt altijd tot een fiscale eindafrekening in box 2. Bij een positief saldo betaalt u belasting over de winst; blijft er niets over, dan ontstaat een verlies dat – mits goed begeleid – veel geld waard kan zijn. Het moment van afwikkeling, de onderbouwing van de verkrijgingsprijs en de keuze tussen verliesverrekening en de belastingkorting maken een groot verschil.

Overweegt u uw BV op te heffen? De adviseurs van Taxcount in Den Haag rekenen graag vooraf voor u uit wat de liquidatie fiscaal betekent – en hoe u een verlies optimaal benut. Neem vrijblijvend contact op via www.taxcount.nl.