Herinvesteringsreserve: zo schuif je belasting over je boekwinst door

 

Verkoop je een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maak je boekwinst en betaal je daar normaal meteen belasting over. Wil je opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuif je de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stel je de belasting uit. In 2026 moet je dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel lees je hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat je de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als je een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet je die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trek je de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor je er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat je duurzaam in je bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die je als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat je de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. Je verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boek je de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijf je minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaal je de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat jou zelf uitkomt.

Figuur 1: je vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: je verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, je hebt het voornemen om te herinvesteren en je herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet je onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat je tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteer je ten onrechte niet en verwerk je de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schend je de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regel je bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg je plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat je het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat je uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

Je moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin je de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doe je dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. Je trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die je duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt je voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount berekent je boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in je administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stel je belasting uit zonder dat je een onverwachte vrijval riskeert. Overweeg je een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

MKB-winstvrijstelling 2026: de vaste korting die je winst met 12,7% verlaagt

 

Als ondernemer betaal je inkomstenbelasting over de winst van je onderneming. Wat veel ondernemers niet beseffen, is dat een vast deel van die winst helemaal buiten de heffing blijft. Dat regelt de mkb-winstvrijstelling: in 2026 is 12,7% van je winst vrijgesteld, nadat eerst de ondernemersaftrek van de winst is afgehaald. Je hoeft er niets voor aan te vragen en je hoeft geen minimumaantal uren te werken. In dit artikel lees je wat de mkb-winstvrijstelling in 2026 inhoudt, voor wie zij geldt, hoe de berekening precies werkt en waar je op moet letten, ook in een jaar met verlies.

Wat is de mkb-winstvrijstelling?

De mkb-winstvrijstelling is een vaste korting op de winst van ondernemers. Zij is de allerlaatste stap voordat je belastbare winst uit onderneming vaststaat. Van de winst die overblijft nadat je de ondernemersaftrek hebt toegepast, is 12,7% vrijgesteld. Over dat deel betaal je geen inkomstenbelasting.

De vrijstelling werd in 2007 ingevoerd als tegenwicht voor de verlaging van de vennootschapsbelasting, om te voorkomen dat ondernemers massaal naar de bv zouden overstappen. Het is dus geen subsidie voor een bepaalde investering, maar een algemene verlaging van de belastbare winst die voor vrijwel elke ondernemer geldt.

Wie heeft recht op de mkb-winstvrijstelling?

De vrijstelling geldt voor iedereen die voor de inkomstenbelasting ondernemer is: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht de omvang of de sector. Sinds 2010 is er geen urencriterium meer, zodat ook parttime-ondernemers, ondernemers met een baan ernaast en starters ervan profiteren.

Een aantal groepen valt er buiten. Medegerechtigden, zoals een commanditaire (stille) vennoot, krijgen de vrijstelling niet. Ook resultaatgenieters (bijvoorbeeld freelancers met resultaat uit overige werkzaamheden) en terbeschikkingstellers (iemand die een pand aan de eigen bv verhuurt) hebben er geen recht op. Gewone werknemers en directeuren-grootaandeelhouders van een bv vallen er evenmin onder. De kernvraag is dus of je echt ondernemer bent; is dat het geval, dan volgt de vrijstelling vanzelf.

Hoe bereken je de mkb-winstvrijstelling?

De berekening gaat in twee stappen (zie figuur 1). Eerst neem je de gezamenlijke winst uit al je ondernemingen en haal je daar de ondernemersaftrek af. De ondernemersaftrek is de verzamelnaam voor aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Van het bedrag dat dan overblijft, is 12,7% vrijgesteld.

Figuur 1: de mkb-winstvrijstelling wordt in twee stappen berekend, na de ondernemersaftrek. Het percentage is de laatste jaren stap voor stap verlaagd tot 12,7% in 2026.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, je maakt in 2026 een winst van 60.000 euro en je hebt recht op 1.200 euro zelfstandigenaftrek. Eerst trek je de aftrek af: 60.000 euro min 1.200 euro is 58.800 euro. Daarover pas je de mkb-winstvrijstelling toe: 12,7% van 58.800 euro is afgerond 7.468 euro. Je belastbare winst wordt dan 58.800 euro min 7.468 euro, dus 51.332 euro. Je hoeft hiervoor niets aan te vragen; de vrijstelling wordt automatisch in je aangifte verwerkt.

Figuur 2: in het voorbeeld krimpt de winst van 60.000 euro via de ondernemersaftrek en de vrijstelling tot een belastbare winst van 51.332 euro.

Kenmerk Waarde in 2026
Vrijstellingspercentage 12,7% van de winst
Grondslag winst na aftrek van de ondernemersaftrek
Urencriterium niet vereist (vervallen sinds 2010)
Toepassing automatisch, geen keuze of aanvraag
Maximaal aftrektarief in hoogste schijf 37,56%

 

Wat betekent de vrijstelling in een jaar met verlies?

De mkb-winstvrijstelling werkt in beide richtingen. Lijd je verlies, dan verkleint de vrijstelling juist dat verlies met 12,7%. Bij een verlies van 10.000 euro blijft fiscaal 8.730 euro over om met andere jaren te verrekenen. Dat is bewust zo geregeld, omdat de vrijstelling feitelijk als een tariefmaatregel werkt. In een verliesjaar pakt zij dus nadelig uit, wat van belang is als je het verlies wilt verrekenen met winst uit andere jaren.

Waarom telt de vrijstelling niet altijd tegen het toptarief?

De vrijstelling verlaagt je belastbare winst, maar zij verlaagt niet het tarief. Sinds 2020 wordt het tarief waartegen aftrekposten zoals deze vrijstelling meetellen stap voor stap afgebouwd. Valt je inkomen in de hoogste schijf, dan telt de vrijstelling in 2026 mee tegen maximaal 37,56%, en niet tegen het toptarief van 49,50%. Voor ondernemers met een hoog inkomen ontstaat zo een verschil tussen het tarief van de winst en dat van de vrijstelling. Voor de meeste ondernemers speelt dit niet, omdat hun winst onder de bovengrens van de eerste schijf blijft.

Praktische checklist: dit regel je rond de mkb-winstvrijstelling

  • Ondernemerschap vaststellen: controleer of je echt ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en niet slechts medegerechtigde, resultaatgenieter of terbeschikkingsteller. Alleen dan heb je recht op de vrijstelling.
  • Volgorde bewaken: zorg dat eerst de ondernemersaftrek van de winst wordt afgehaald en pas daarna de 12,7% vrijstelling wordt berekend. De volgorde is dwingend en bepaalt de uitkomst.
  • Aangifte controleren: je hoeft niets aan te vragen, maar controleer wel dat de vrijstelling correct in je aangifte staat.
  • Verliesjaren doorrekenen: houd er rekening mee dat de vrijstelling een verlies verkleint. Betrek dit in je planning voor verliesverrekening.
  • Buitenlandse winst: heb je buitenlandse winst waarvoor je voorkoming van dubbele belasting claimt, laat dan de berekening controleren; de vrijstelling werkt door in die aftrek.

Veelgestelde vragen

Moet ik het urencriterium halen voor de mkb-winstvrijstelling?

Nee. Sinds 2010 geldt er geen urencriterium meer voor de mkb-winstvrijstelling. Ook als je weinig uren in je onderneming steekt, heb je recht op de vrijstelling, zolang je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

Hoeveel bedraagt de mkb-winstvrijstelling in 2026?

In 2026 is de vrijstelling 12,7% van de winst na aftrek van de ondernemersaftrek. In 2024 was dit nog 13,31% en het percentage is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd.

Moet ik de mkb-winstvrijstelling aanvragen?

Nee. De vrijstelling wordt automatisch toegepast in je aangifte inkomstenbelasting. Je hoeft geen keuze te maken en geen apart verzoek in te dienen.

Geldt de vrijstelling ook als ik verlies maak?

Ja, maar dan pakt zij nadelig uit. De vrijstelling verkleint je verlies met 12,7%, waardoor je minder verlies overhoudt om met andere jaren te verrekenen.

Krijgt een dga ook de mkb-winstvrijstelling?

Nee. De vrijstelling geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een directeur-grootaandeelhouder werkt via een bv en valt onder de vennootschapsbelasting en box 2, en heeft daarom geen recht op de mkb-winstvrijstelling.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount controleert of je als ondernemer kwalificeert, berekent je voordeel en zorgt dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling in de juiste volgorde en correct in je aangifte terechtkomen. Ook denken wij met je mee over de gevolgen in verliesjaren en bij buitenlandse winst, zodat je geen voordeel laat liggen en geen onnodig risico loopt. Wil je zeker weten dat je het maximale uit de ondernemersregelingen haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling van je situatie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

The Non-Resident DGA: How a Director-Major Shareholder Living Abroad with a Dutch BV Is Taxed

More and more entrepreneurs run a Dutch private limited company (BV) while living outside the Netherlands. If you own at least 5% of the shares in that BV and also direct it, you are a directeur-grootaandeelhouder (DGA), a director-major shareholder. Moving abroad does not make your Dutch tax obligations disappear; it changes them. This article explains how a non-resident DGA is taxed in the Netherlands and, just as importantly, which practical matters you need to arrange to stay compliant and avoid paying tax twice.

What is a “non-resident DGA”?

Two elements define the position. First, you hold a substantial interest (aanmerkelijk belang), generally 5% or more of the shares, in a company, which places that shareholding in box 2 of Dutch income tax. Second, you are a non-resident taxpayer: you live abroad but still receive Dutch-source income or hold Dutch assets. As a director of a Dutch-incorporated BV who has emigrated, you typically fall into exactly this category, and you file a Dutch non-resident income tax return, known as the “C-form” (C-biljet), rather than the ordinary resident return.

Is the BV still taxed in the Netherlands?

Yes. A BV incorporated in the Netherlands remains subject to Dutch corporate income tax (vennootschapsbelasting, VPB) on its worldwide profit, regardless of where its shareholder lives. There is, however, an important nuance: the place of effective management. If you run the company entirely from abroad, the other country may also claim the BV as a tax resident, and questions of substance, permanent establishment and even exit taxation can arise. Ensuring the BV has adequate Dutch substance, and analysing the applicable tax treaty, is therefore part of the picture whenever the director lives overseas.

How the non-resident DGA is taxed personally

Substantial interest income (box 2)

As a non-resident with a substantial interest in a Dutch-established company, the Netherlands taxes your box 2 income: dividends distributed to you and gains on the sale of your shares. Since 2024, box 2 has two brackets. For 2026, the rate is 24.5% up to €68,843 and 31% above that (for partners who qualify, the lower bracket runs to €137,686 combined). The top rate was reduced from 33% to 31% on 1 January 2025 and is unchanged for 2026. Whether the Netherlands may actually levy this tax, and at what maximum rate, also depends on the tax treaty between the Netherlands and your country of residence, so the treaty analysis always comes before the calculation.

Dutch dividend withholding tax

When your BV distributes a dividend, it normally withholds 15% Dutch dividend tax (dividendbelasting). For a resident this is an advance levy credited against the final assessment; for a non-resident the treatment depends on the treaty, which may reduce the rate or allow a refund. Keeping the dividend resolutions and withholding statements is essential to reconcile your box 2 position correctly.

Customary salary (gebruikelijk loon)

A DGA is generally required to pay themselves a customary salary. The statutory minimum norm for 2026 is €58,000, but the salary must be set at the highest of three benchmarks (comparable market wage, the highest-paid employee, or the statutory minimum). For a director living abroad, whether this Dutch wage rule and the taxation of director’s remuneration actually apply depends on the treaty. Directors’ fees are frequently allocated to the country where the company is established. This is one of the areas where non-resident DGAs most often need tailored advice.

Excessive borrowing from your own BV

If you borrow from your own company, the excessive-borrowing rules (Wet excessief lenen) can apply. Debts to your BV(s) above a €500,000 threshold (2025 and 2026) are treated as a deemed box 2 benefit and taxed accordingly. The threshold applies to the combined debt of you and your fiscal partner across all your companies, not per company, and non-resident DGAs are not exempt.

Dutch real estate and other Dutch-source income

For a non-resident, box 3 covers only Dutch-situated assets, principally real estate located in the Netherlands (declared at its WOZ value, less any related debt). Dutch bank balances abroad are not taxed here. Other Dutch-source income, for example a Dutch salary, pension or benefit, is reported in box 1 where the Netherlands has the right to tax it.

Qualifying non-resident status and the C-form

By default, a non-resident DGA reports only Dutch income, assets and deductions and is not entitled to Dutch personal deductions or tax credits. You may, however, be treated as a qualifying non-resident taxpayer (kwalificerende buitenlandse belastingplichtige) if you (a) live in the EU, EEA, Switzerland or the BES islands, and (b) have 90% or more of your income taxed in the Netherlands. Qualifying status requires an official income statement (inkomensverklaring) from the tax authority of your country of residence. In practice, a DGA whose main income arises abroad rarely meets the 90% test, so this status is the exception rather than the rule, but it is always worth checking. If you moved during the year, the year of migration is filed on an M-form rather than a C-form, so confirming your exact dates of residence matters.

Emigration: the protective assessment

A DGA who was a Dutch resident and then emigrates should expect a protective assessment (conserverende aanslag) on the latent box 2 claim in the shares at the moment of departure, together with a step-up in the acquisition price (verkrijgingsprijs). This assessment is usually deferred and can lapse after ten years, but it is triggered again by events such as a substantial dividend or a sale of the shares. If you emigrated with an existing BV, retrieving the protective assessment and the established acquisition price is a priority, they determine how future distributions and disposals are taxed.

Practical checklist: what to arrange

  • Authorisation and access. Arrange authorisation (machtiging) so your adviser can file for you, and sort out DigiD or an alternative route early. This is often the biggest practical bottleneck for people living abroad.
  • Correct address registration. Make sure the Dutch tax authority has your current foreign address; authorisation letters and assessments are sent there, and an outdated address causes months of delay.
  • Treaty analysis first. Establish which country may tax your dividends, director’s fees and capital gains before filing, to prevent double taxation.
  • Keep the deed of incorporation, capital contribution, dividend resolutions, withholding statements and the acquisition price of your shares.
  • Coordinate both countries. Align the Dutch return with your filing in your country of residence and claim any treaty relief or foreign tax credit.
  • Mind the deadlines and back years. Non-residents are frequently invited to file several years at once; late filing can lead to penalties.
  • Review substance and management. Check that the BV’s Dutch substance still matches where and how it is actually run.

Avoiding double taxation

Because both the Netherlands and your country of residence may look at the same income, the tax treaty is your main protection against double taxation. It allocates the right to tax between the two countries and provides either an exemption or a credit. Getting this right, and filing consistently in both jurisdictions, is where most value (and most risk) sits for an internationally mobile DGA.

Frequently asked questions

Do I still pay Dutch tax if I live abroad but own a Dutch BV? Usually yes. The BV pays Dutch corporate income tax, and you as the shareholder can be taxed in the Netherlands on box 2 income (dividends and share gains) and on Dutch assets, subject to the applicable treaty.

Which return do I file? A non-resident files the C-form. If you emigrated or immigrated during the year, that year is filed on the M-form instead.

Can I claim Dutch deductions and tax credits? Only if you are a qualifying non-resident taxpayer, broadly, if you live in the EU/EEA, Switzerland or the BES islands and 90% or more of your income is taxed in the Netherlands, evidenced by an income statement from your country of residence.

Do I have to take a salary from my BV? As a DGA you are generally expected to, based on the customary-salary rules (a €58,000 minimum norm for 2026), but for a director abroad the treaty determines whether and where that remuneration is taxed.

What happens to my shares when I emigrate? The Netherlands typically issues a protective assessment on the built-up value of your substantial interest and records a stepped-up acquisition price; keep this documentation for future dividends or a sale.

How Taxcount can help

Taxcount B.V. advises international entrepreneurs and non-resident DGAs on Dutch corporate and personal tax, treaty positions, dividend planning and the full C-form filing process, from authorisation to submission. If you live abroad and own a Dutch BV, we can review your position and make sure nothing is missed. In the mean time you can check if you have all your bases in order with our non-resident DGA document checklist.

This article provides general information about Dutch tax rules for non-resident director-major shareholders and is not tax advice. Rates, thresholds and treaty outcomes change and depend on your personal situation; please seek advice tailored to your circumstances.

Aanmerkelijk belang in box 2: waarom de 5%-grens u duizenden euro’s kan schelen

Je hebt aandelen in een bv, als directeur-grootaandeelhouder (dga) of als belegger met een fors pakket. Zodra je belang de grens van 5% raakt, heb je een aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment vallen je dividend en verkoopwinst niet meer in box 3, maar in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verandert hoeveel belasting je betaalt en welke verplichtingen je hebt. In dit artikel lees je wanneer je een aanmerkelijk belang hebt, welke tarieven in 2026 gelden en hoe je met slimme planning duizenden euro’s kunt besparen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

De wet verdeelt aandeelhouders in twee groepen. Kleine beleggers betalen belasting over hun vermogen in box 3. Wie een groot belang in een vennootschap heeft, is voor de wet meer ondernemer dan belegger. Die aandeelhouder betaalt belasting in box 2 over het werkelijke inkomen uit de aandelen: dividend en de winst bij verkoop.

De grens ligt bij 5%. Je hebt een aanmerkelijk belang als je, alleen of samen met je fiscale partner, direct of indirect (bijvoorbeeld via een holding) ten minste 5% van de uitgegeven aandelen van een vennootschap bezit. Dat staat in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De regel geldt ook voor buitenlandse vennootschappen, voor coöperaties en voor bepaalde beleggingsfondsen.

Niet alleen gewone aandelen tellen. Je hebt ook een aanmerkelijk belang bij:

  • opties op ten minste 5% van de aandelen (rechten om aandelen te kopen);
  • winstbewijzen die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering;
  • ten minste 5% van de stemmen in een coöperatie;
  • ten minste 5% van één soort aandelen, bijvoorbeeld letteraandelen of preferente aandelen.

Belangrijk om te weten: deze categorieën mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Wie 4% aandelen en 4% opties heeft, zit dus onder de grens. En de grens is hard: precies 5% telt, 4,9% niet.

Ook zonder eigen 5% in box 2

De wet kent drie uitbreidingen die in de praktijk vaak worden gemist. De Belastingdienst toetst daarom breder dan alleen je eigen aandelenpakket.

Ten eerste de meesleepregeling: heb je eenmaal een aanmerkelijk belang, dan vallen ook al je overige aandelen, opties en winstbewijzen in dezelfde vennootschap in box 2. Ten tweede de meetrekregeling: bezit je zelf minder dan 5%, maar heeft je partner, een (groot)ouder of een (klein)kind van je of je partner wél een aanmerkelijk belang in dezelfde vennootschap, dan valt je kleine pakket toch in box 2. Broers en zussen tellen hierbij niet mee. Ten derde het fictieve aanmerkelijk belang: is bij je ooit een doorschuifregeling toegepast, bijvoorbeeld bij de geruisloze inbreng van je onderneming in een bv of bij vererving van aandelen, dan blijft een belang onder de 5% toch als aanmerkelijk belang gelden.

Een voorbeeld van de meetrekregeling: vader heeft 96% van de aandelen in de familie-bv, dochter heeft 4%. De dochter zit onder de 5%, maar wordt door het belang van haar vader meegetrokken. Haar dividend valt daardoor gewoon in box 2. Voor je betekent dit: kijk niet alleen naar je eigen belang, maar naar de hele familiekring rond de vennootschap.

Tarieven box 2 in 2026

In 2026 kent box 2 twee schijven. Over de eerste € 68.843 aan inkomen uit aanmerkelijk belang betaal je 24,5%. Over alles daarboven betaal je 31%. Heb je een fiscale partner, dan kun je het inkomen verdelen en geldt de lage schijf tot € 137.686 gezamenlijk. Dat maakt de verdeling van dividend een belangrijk planningsinstrument.

Rekenvoorbeeld

De situatie: Karin is dga van een bv met flinke winstreserves. Zij wil in 2026 € 140.000 dividend uitkeren aan privé. Karin is gehuwd; haar echtgenoot heeft geen eigen inkomen in box 2.

Scenario A: Karin geeft het volledige dividend bij zichzelf aan

Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief € 68.843 24,5% € 16.867
Hoog tarief € 71.157 31% € 22.059
Totaal € 140.000 € 38.926

 

Scenario B: Karin verdeelt het dividend met haar fiscale partner

Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief (2 × € 68.843) € 137.686 24,5% € 33.733
Hoog tarief € 2.314 31% € 717
Totaal € 140.000 € 34.450

 

De conclusie: door het dividend in de aangifte te verdelen over beide fiscale partners betaal je € 34.450 in plaats van € 38.926. Dat scheelt € 4.476 aan belasting bij precies dezelfde uitkering. Spreiden over meerdere jaren kan een vergelijkbaar effect hebben.

Praktische gevolgen

Een aanmerkelijk belang brengt verplichtingen mee die verder gaan dan de aangifte alleen. Je geeft dividend en verkoopwinst aan in box 2. Daarnaast moet je de verkrijgingsprijs van je aandelen vastleggen: het bedrag dat fiscaal als je aankoopprijs geldt. Die verkrijgingsprijs bepaalt later hoeveel verkoopwinst belast wordt. Werk je als dga voor je eigen bv, dan geldt bovendien de gebruikelijkloonregeling: je moet jezelf een zakelijk salaris toekennen. Verhuur je privévermogen aan je bv, zoals een pand, dan valt dat onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.

Let verder op momenten waarop je positie ongemerkt verandert. Een huwelijk, een echtscheiding, een statutenwijziging, het certificeren van aandelen of een wijziging in een familiefonds kan leiden tot een fictieve vervreemding, waarbij de Belastingdienst afrekent alsof je je aandelen hebt verkocht. Ook goed om te weten: wie alleen via de meetrekregeling een aanmerkelijk belang heeft, krijgt geen toegang tot de doorschuifregelingen bij schenken en erven en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Conclusie en advies

De 5%-grens van het aanmerkelijk belang bepaalt of je aandeleninkomen in box 2 of box 3 valt, en dat verschil loopt snel in de duizenden euro’s. De regels kijken verder dan je eigen pakket: partner, familie in de rechte lijn, opties, soortaandelen en oude doorschuiftrajecten tellen mee. Tegelijk biedt box 2 kansen, zoals het verdelen van dividend met je fiscale partner of het spreiden van uitkeringen over meerdere jaren. Twijfel je of je een aanmerkelijk belang hebt, of wil je weten wat het voordeligste uitkeringsmoment is? De adviseurs van Taxcount rekenen je situatie graag door en zorgen dat je geen grens of faciliteit over het hoofd ziet. Neem gerust contact op voor een vrijblijvende kennismaking.

 

Aandelen certificeren via een STAK: zo scheidt u zeggenschap en financieel belang

Wilt u de touwtjes van uw onderneming in handen houden, maar het financiële belang alvast (deels) overdragen aan uw kinderen of medewerkers? Dan is het certificeren van aandelen via een STAK vaak de oplossing. U brengt uw aandelen onder in een stichting administratiekantoor, die de zeggenschap krijgt, terwijl u via certificaten recht houdt op het dividend en de waarde. De grote vraag is meestal: kost dat belasting in box 2? In dit artikel leest u wat certificering inhoudt, waarom ondernemers ervoor kiezen, wanneer het fiscaal geruisloos verloopt en aan welke voorwaarden u in 2026 moet voldoen.

Wat is het certificeren van aandelen?

Bij certificering splitst u een aandeel in twee delen: de zeggenschap en het economische belang. De zeggenschap is het stemrecht in de aandeelhoudersvergadering. Het economische belang is het recht op dividend en op de waarde van het aandeel. U draagt uw aandelen in administratie over aan een stichting administratiekantoor, kortweg de STAK. Die stichting wordt de nieuwe juridische eigenaar van de aandelen en mag stemmen (zie figuur 1).

In ruil geeft de stichting certificaten aan u uit. Als certificaathouder ontvangt u voortaan het dividend en deelt u in de waarde, maar u stemt niet meer zelf. De afspraken tussen de STAK en de certificaathouders staan in de administratievoorwaarden, niet in de statuten van de bv. De stichting zelf wordt opgericht bij notariële akte met een passend doel.

  Figuur 1: certificering in beeld. Links de uitgangssituatie, waarin stemrecht en dividend nog in één hand zitten. Rechts de situatie na certificering: de STAK is juridisch eigenaar van de aandelen en stemt in de aandeelhoudersvergadering, terwijl u als certificaathouder recht houdt op dividend en waarde.

Waarom zou u aandelen certificeren?

Certificering is populair bij familiebedrijven en bij directeur-grootaandeelhouders die aan bedrijfsopvolging of estate planning doen. U kunt de aandelen of certificaten geleidelijk overdragen aan uw kinderen, terwijl u zelf blijft stemmen en dus de leiding houdt. Zo bereidt u de opvolging voor zonder de zeggenschap meteen uit handen te geven.

Er zijn meer redenen. U kunt werknemers of investeerders laten meedelen in de winst zonder dat zij stemrecht krijgen. En u kunt de continuïteit van het bedrijf waarborgen en versnippering van de zeggenschap voorkomen. Certificering speelt alleen bij een bv of nv, want die hebben aandelen. Voor een eenmanszaak of vof is de regeling niet aan de orde.

Kost certificeren belasting in box 2?

Houdt u 5 procent of meer van de aandelen of certificaten, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Dividend en winst bij verkoop worden dan belast in box 2 van de inkomstenbelasting. In 2026 is het box 2-tarief 24,5 procent over de eerste 68.843 euro aan inkomen uit aanmerkelijk belang, en 31 procent over het meerdere. Fiscale partners kunnen het lage tarief samen benutten tot 137.686 euro.

De kernvraag bij certificering is of de overdracht van uw aandelen aan de STAK belast wordt als een verkoop. De Belastingdienst kijkt daarvoor door de stichting heen. Kunnen de certificaten worden gelijkgesteld met de aandelen, in vaktaal vereenzelvigd, dan wordt u gewoon als de aandeelhouder behandeld. Dan geldt: de overdracht aan de STAK is geen vervreemding, dus u rekent niet af over de meerwaarde. Bovendien schuift uw verkrijgingsprijs, het bedrag waarvoor u de aandelen fiscaal geacht wordt te hebben verkregen, geruisloos door naar de certificaten. De belastingclaim verdwijnt dus niet, maar schuift mee naar de toekomst.

Rekenvoorbeeld: certificeren zonder afrekening

Stel, een directeur-grootaandeelhouder houdt alle aandelen in zijn bv. De verkrijgingsprijs is 18.000 euro en de werkelijke waarde is 2.000.000 euro. Hij richt een STAK op en brengt de aandelen daarin onder tegen uitgifte van certificaten. Voldoen de administratievoorwaarden aan alle eisen, dan is er op dat moment geen box 2-heffing en houden de certificaten dezelfde verkrijgingsprijs van 18.000 euro. Lukt de vereenzelviging niet, dan kan de inbreng wél als verkoop gelden. Ontbreekt dan een zakelijke prijs, dan wordt gerekend met de werkelijke waarde: over 2.000.000 euro min 18.000 euro, dus 1.982.000 euro, kan dan box 2-belasting verschuldigd worden (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld bij een verkrijgingsprijs van 18.000 euro en een werkelijke waarde van 2.000.000 euro. Lukt de vereenzelviging, dan is er geen box 2-heffing en schuift de verkrijgingsprijs door naar de certificaten. Lukt zij niet, dan geldt de inbreng als verkoop en kan over de meerwaarde van 1.982.000 euro ongeveer 609.945 euro box 2-belasting verschuldigd worden.

Wanneer verloopt certificering fiscaal geruisloos?

Vereenzelviging mag alleen als aan een reeks voorwaarden is voldaan. Die staan in het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang. De kern is dat het certificaat economisch precies hetzelfde voorstelt als het aandeel. Voor ieder ingeleverd aandeel komt een gelijk certificaat terug. Alle dividenden, bonusaandelen en liquidatie-uitkeringen op de aandelen gaan onmiddellijk door naar u als certificaathouder.

Daarnaast mag de STAK de aandelen niet zomaar verkopen of verpanden, en kunnen de certificaten alleen worden ingetrokken tegen teruggave van de aandelen. De certificaten moeten net zo goed verhandelbaar zijn als de aandelen. En er mogen geen bepalingen in de statuten of voorwaarden staan die de gelijkstelling belemmeren. Blijft uw volledige financiële belang bij uzelf en gaan er geen rechten naar derden, dan is er geen belaste vervreemding (zie figuur 3).

Figuur 3: beslisboom langs de vijf voorwaarden uit het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang. Is het antwoord op alle vragen ja, dan worden de certificaten met de aandelen vereenzelvigd en verloopt de certificering fiscaal geruisloos. Één nee levert een belaste vervreemding op.

Wat regelt u juridisch?

Voor een certificering richt u eerst een stichting op bij notariële akte, met een passend doel. Vervolgens stelt u administratievoorwaarden op die aan alle bovenstaande eisen voldoen. Daarna levert u de aandelen aan de stichting, geeft de STAK certificaten uit en werkt u het aandeelhoudersregister bij. Wilt u certificaathouders het recht geven de aandeelhoudersvergadering bij te wonen, dan regelt u dat vergaderrecht in de statuten. De voorwaarden moeten doorlopend zuiver blijven: één storende bepaling kan de vereenzelviging in gevaar brengen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Aanmerkelijk belang bepalen. Ga na of u, eventueel samen met uw partner, 5 procent of meer van de aandelen, winstrechten of stemmen houdt. Alleen dan speelt box 2.
  • Doel vaststellen. Bepaal waarom u certificeert: opvolging, continuïteit of het belonen van werknemers of investeerders. Dat stuurt de opzet.
  • STAK oprichten. Laat de stichting bij notariële akte oprichten met een passend statutair doel.
  • Administratievoorwaarden opstellen. Zorg dat de voorwaarden aan alle vereenzelvigingseisen voldoen, zodat de certificering geruisloos verloopt.
  • Certificaten uitgeven en register bijwerken. Lever de aandelen, geef de certificaten uit en houd het aandeelhoudersregister actueel.
  • Laten toetsen. Laat de akte en de voorwaarden vooraf controleren door een fiscalist of notaris; een kleine fout kan een belaste vervreemding opleveren.

Veelgestelde vragen

Wat is een STAK?

Een STAK is een stichting administratiekantoor. Deze stichting houdt uw aandelen juridisch en oefent het stemrecht uit. In ruil geeft zij certificaten uit aan de oorspronkelijke aandeelhouder, die daarmee het financiële belang houdt.

Behoud ik het dividend als ik mijn aandelen certificeer?

Ja. Als certificaathouder houdt u recht op het dividend en op de waarde van de aandelen. De voorwaarden schrijven voor dat de STAK ontvangen dividenden onmiddellijk aan u doorbetaalt.

Moet ik box 2-belasting betalen als ik certificeer?

In de regel niet. Als de certificaten met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd, is de overdracht aan de STAK geen vervreemding en rekent u niet af. Uw verkrijgingsprijs schuift door naar de certificaten. Lukt de vereenzelviging niet, dan kan er wél box 2-heffing ontstaan.

Kan ik met certificaten mijn bedrijf overdragen aan mijn kinderen?

Ja. U kunt certificaten geleidelijk aan uw kinderen overdragen of schenken, terwijl u zelf blijft stemmen. Certificering wordt daarom vaak gecombineerd met de bedrijfsopvolgingsregeling en met schenken.

Geldt certificering ook voor een eenmanszaak?

Nee. Certificering werkt alleen bij een bv of nv, omdat daar aandelen zijn. Een eenmanszaak of vof heeft geen aandelen om te certificeren.

Hoe Taxcount u kan helpen

Certificering is een krachtig instrument, maar of het fiscaal geruisloos verloopt, hangt volledig af van de akte en de administratievoorwaarden. Eén bepaling die de gelijkstelling van certificaten en aandelen verstoort, kan een belaste vervreemding opleveren met een forse box 2-afrekening. Ook bij vastgoed in de structuur en bij dubbele STAK-constructies loont het om vooraf goed te toetsen. Taxcount beoordeelt of uw certificering aan alle voorwaarden voldoet, hoe u dit combineert met opvolging of schenking en hoe u een belaste vervreemding voorkomt. Wilt u uw zeggenschap en belang veilig scheiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw opzet.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Periodieke gift aftrekken: het verschil dat je honderden euro’s per jaar kan opleveren

Geef je ieder jaar aan een goed doel, je kerk, een museum of een vereniging? Dan laat je waarschijnlijk geld liggen. Een gewone gift is namelijk pas aftrekbaar boven een drempel en tot een maximum. Leg je dezelfde gift vast als periodieke gift, dan trek je het volledige bedrag af, zonder drempel. Bij precies dezelfde donatie houd je zo netto meer over. In dit artikel lees je wat een periodieke gift is, welke voorwaarden in 2026 gelden en hoeveel je ermee kunt besparen.

Wat is het verschil tussen een gewone en een periodieke gift?

De inkomstenbelasting kent twee soorten aftrekbare giften. Een gewone gift is een losse donatie. Die is alleen aftrekbaar voor zover je meer geeft dan de drempel, en tot een maximum. In 2026 is de drempel 1 procent van je drempelinkomen (met een minimum van 60 euro) en het maximum 10 procent van dat inkomen. Alles onder de drempel telt dus niet mee.

Een periodieke gift is een gift die je schriftelijk vastlegt en minimaal vijf jaar lang jaarlijks doet. Het grote voordeel: de drempel en het lage maximum vervallen. Je trekt het volledige bedrag af. In 2026 geldt alleen nog een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar, dat voor de meeste gevers geen rol speelt.

Hoeveel levert een periodieke gift op?

Stel, je drempelinkomen is 80.000 euro en je schenkt 2.000 euro per jaar aan een goed doel met ANBI-status. Als gewone gift is de drempel 1 procent van 80.000 euro, dus 800 euro. Aftrekbaar is dan 1.200 euro. Als periodieke gift vervalt die drempel en trek je het volle bedrag van 2.000 euro af.

Bij een aftrektarief van 37,56 procent (het maximumtarief voor aftrekposten in 2026 bij een hoog inkomen) scheelt dat extra afgetrokken bedrag van 800 euro ongeveer 300 euro belasting per jaar. Over de looptijd van vijf jaar is dat zo’n 1.500 euro extra voordeel, bij exact dezelfde gift (zie figuur 1).

Figuur 1: dezelfde gift van 2.000 euro levert als periodieke gift een hogere aftrek op dan als gewone gift, doordat de drempel vervalt.

Aan welke voorwaarden moet een periodieke gift voldoen?

Tegenover het voordeel staat een verplichting: je bindt je voor langere tijd. Een periodieke gift is een vaste en gelijkmatige jaarlijkse uitkering die uiterlijk eindigt bij overlijden. De belangrijkste voorwaarden zijn de volgende (zie figuur 2).

  • Minimaal vijf jaar. Je verplicht je om minstens vijf jaar achter elkaar jaarlijks ongeveer hetzelfde bedrag te schenken.
  • Schriftelijk vastgelegd. Sinds 2014 hoeft dat niet meer bij de notaris. Een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling volstaat. De Belastingdienst heeft daarvoor een standaardformulier.
  • Een kwalificerende ontvanger. De ontvanger moet een ANBI, een culturele ANBI of een kwalificerende vereniging zijn. Voor verenigingen geldt de eis van volledige rechtsbevoegdheid en ten minste 25 leden zonder winststreven.
  • Geen tegenprestatie. Je geeft vrijwillig en er mag niets tegenover staan (dus geen contributie, lot of andere tegenprestatie).
  • Een reeel overlijdensrisico. De verplichting moet uiterlijk bij overlijden eindigen en er moet werkelijke onzekerheid over de looptijd zijn. Een kunstmatig weggenomen sterfterisico voldoet niet.

Figuur 2: de vier kernvoorwaarden voor een periodieke gift. Voldoe je niet aan deze eisen, dan val je terug op de gewone giftenaftrek.

Let op: alleen betalingen vanaf de datum van de overeenkomst tellen mee als periodieke gift. Leg de gift dus vast voordat je de eerste kwalificerende betaling doet.

Extra aftrek bij een culturele ANBI

Geef je aan een culturele ANBI, bijvoorbeeld een museum, theater of orkest, dan mag je de gift voor de aftrek met 25 procent verhogen. Die verhoging is in 2026 maximaal 1.250 euro per jaar, wat overeenkomt met een culturele gift van 5.000 euro. De multiplier geldt zowel voor periodieke als voor gewone giften. Fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek onderling; de extra aftrek is per huishouden begrensd.

Wat als de gift eerder stopt?

Voldoe je niet aan de vormvereisten, of is de looptijd korter dan vijf jaar, dan is er geen aftrekbare periodieke gift. De gift telt dan hooguit als gewone gift, met drempel en maximum. Stopt de gift binnen vijf jaar buiten je schuld, bijvoorbeeld door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan blijft de aftrek in stand als de overeenkomst een clausule bevat dat de gift bij inkomensdaling mag eindigen. Ontbreekt die clausule, dan val je terug op de gewone giftenaftrek. Neem zo’n clausule dus altijd op.

Praktische checklist: wat je moet regelen

In vier stappen leg je een periodieke gift correct vast (zie figuur 3).

Figuur 3: in vier stappen een periodieke gift regelen. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste betaling doet.

  • Controleer de status van de ontvanger. Zoek de instelling op in het register “ANBI opzoeken” en controleer of het (ook) een culturele ANBI is.
  • Gebruik het standaardformulier. Vraag de instelling om de “Overeenkomst periodieke gift” van de Belastingdienst en vul die volledig in.
  • Leg vast voor de eerste betaling. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste kwalificerende betaling doet; eerdere betalingen tellen niet mee.
  • Neem een inkomensdalingsclausule op. Zo blijft je aftrek in stand als je de gift door omstandigheden eerder moet stoppen.
  • Betaal elk jaar hetzelfde bedrag. Maak de gift minimaal jaarlijks over en houd het bedrag gelijkmatig.
  • Verwerk de aftrek in de aangifte. Neem de gift op in je aangifte inkomstenbelasting; fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek zo gunstig mogelijk.
  • Bewaar akte en betaalbewijzen. Houd de overeenkomst en de bankafschriften bij voor het geval de Belastingdienst vragen stelt.

Veelgestelde vragen

Is een periodieke gift altijd voordeliger dan een gewone gift?

Voor wie meerdere jaren een vast bedrag geeft, vrijwel altijd. De drempel vervalt, waardoor je volledige gift aftrekbaar is. Voor een eenmalige of wisselende gift is de gewone giftenaftrek meestal voldoende.

Heb ik een notaris nodig?

Nee. Sinds 2014 volstaat een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling. De Belastingdienst heeft hiervoor een standaardformulier.

Wat is het maximum in 2026?

Voor periodieke giften geldt geen drempel en een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar (voor jou en je fiscale partner samen). Voor vrijwel iedereen is je volledige gift dus aftrekbaar.

Hoeveel bedraagt het maximale aftrektarief?

De giftenaftrek valt onder de tariefmaatregel. Bij een hoog inkomen telt de aftrek in 2026 mee tegen ten hoogste 37,56 procent, niet tegen het toptarief.

Kan ik ook aan een vereniging periodiek schenken?

Ja, mits de vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft, minstens 25 leden telt en niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Voor gewone giften geldt deze route niet; die moeten naar een (culturele) ANBI.

Ik ben dga. Kan ik beter vanuit mijn bv geven?

Sinds 2025 is de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Voor een dga die structureel geeft, is de periodieke gift in de inkomstenbelasting daarom vaak het aangewezen instrument. Laat je situatie doorrekenen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een periodieke gift is eenvoudig, maar de details bepalen of de aftrek standhoudt: de juiste akte, de looptijd, de inkomensdalingsclausule en de status van de ontvanger. Een kleine fout laat je terugvallen op de lagere gewone giftenaftrek. Taxcount controleert of je giften optimaal zijn ingericht, of je de culturele multiplier kunt benutten en hoe jij en je partner de aftrek het gunstigst verdelen. Voor dga’s bekijken wij bovendien of privé geven na de wijziging van 2025 voordeliger is dan geven vanuit de bv. Wil je zeker weten dat je het maximale uit je giften haalt? Leg je situatie voor aan Taxcount en wij toetsen je giftenaftrek. In de tussentijd kun je gebruik maken van onze schenkingsdashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

pensioen internationale organisatie belasting/pension international organization tax

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Je woont in Nederland en ontvangt pensioen van een internationale organisatie, bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de NAVO, de ruimtevaartorganisatie ESA of het Europees Octrooibureau. Geef je dat pensioen volledig op als inkomen in box 1? Dan betaal je waarschijnlijk te veel belasting. Een deel van je pensioen is namelijk opgebouwd uit je eigen premies, waarover je destijds al belasting betaalde. Dat deel hoort niet in box 1, maar in box 3. Dit splitsen heet de splitsingsmethode. In dit artikel lees je hoe het werkt, voor welke organisaties het geldt en wat je moet regelen om deze besparing veilig te benutten.

Waarom is je pensioen belast en je salaris niet was?

Werknemers van internationale organisaties betalen over hun salaris meestal geen Nederlandse belasting. De organisatie houdt vaak zelf een interne heffing in. Voor het pensioen ligt dat anders: dat mag Nederland volgens de gewone regels belasten. De hoofdregel is daarom dat je pensioenuitkering volledig meetelt als loon in box 1.

Op die hoofdregel bestaat een belangrijke uitzondering. Voor zover je aannemelijk maakt dat over de opbouw van je pensioen destijds al een belasting naar het inkomen is geheven, hoeft dat deel niet nogmaals in box 1. Bij deze regelingen betaalde je je eigen premie uit je netto-inkomen, dus die was niet aftrekbaar. Dat deel is dus al belast geweest en verhuist naar box 3, waar de waarde van dat pensioenrecht als bezitting meetelt.

Wat is de splitsingsmethode?

De splitsingsmethode verdeelt een pensioenuitkering over twee boxen. Het deel dat is opgebouwd met werkgeverspremies blijft belast in box 1 (als loon). Het deel dat je zelf uit je netto-inkomen betaalde, valt in box 3 (als vermogen). Omdat box 3 vaak veel lager wordt belast dan het progressieve tarief in box 1, kan dit duizenden euro per jaar schelen.

Voor het Europees Octrooibureau en de zogeheten Gecoordineerde Pensioenregeling (onder meer NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT) heeft de staatssecretaris een praktische goedkeuring gegeven. Je hoeft dan niet je premiegegevens over tientallen jaren te bewijzen. In plaats daarvan geldt een vast forfait: twee derde van de jaarlijkse uitkering geef je aan in box 1, en een derde valt buiten box 1. De waarde van dat een derde geef je aan in box 3. Toeslagen (allowances) en de tax adjustment horen wel volledig in box 1 (zie figuur 1).

Figuur 1: bij het forfait blijft twee derde van de uitkering in box 1 en verhuist een derde naar box 3; allowances en de tax adjustment horen volledig in box 1.

Een rekenvoorbeeld

Een alleenstaande gepensioneerde van 71 jaar ontvangt 21.000 euro pensioen uit de Gecoordineerde Pensioenregeling en daarnaast 500 euro tax adjustment. In box 1 geeft hij twee derde van 21.000 euro (14.000 euro) plus de 500 euro tax adjustment aan, samen 14.500 euro. Het overige een derde (7.000 euro) valt buiten box 1. De waarde daarvan in box 3 berekent hij door 7.000 euro te vermenigvuldigen met de leeftijdsfactor uit de wet, die bij 71 jaar 8 bedraagt: 8 maal 7.000 euro is 56.000 euro. Zo geeft hij jaarlijks 7.000 euro minder aan in het progressief belaste box 1, tegenover een box 3-bezitting van 56.000 euro (zie figuur 2).

Figuur 2: uitwerking van het rekenvoorbeeld. Van de uitkering van 21.000 euro blijft 14.500 euro in box 1; 7.000 euro wordt met factor 8 een box 3-bezitting van 56.000 euro.

Let op: voor het VN-pensioenfonds UNJSPF ligt dezelfde verhouding vast in het pensioenreglement. De werknemer draagt de helft van wat de werkgever betaalt; de eigen bijdrage is dus ook hier een derde van de totale premie, in alle opbouwjaren. Het beleidsbesluit geldt formeel alleen voor het EOB en de Gecoordineerde Pensioenregeling, dus voor een VN-pensioen is doorgaans meer onderbouwing of overleg met de Belastingdienst nodig.

Voor welke organisaties geldt dit?

De regeling geldt voor in Nederland wonende gepensioneerden en nabestaanden van internationale organisaties. In de praktijk gaat het onder meer om de Verenigde Naties (met het pensioenfonds UNJSPF), het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling van NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT. Ook pensioenen van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank, UNESCO, UNICEF, de WHO en de WTO kunnen eronder vallen.

Belangrijke uitzondering: pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting. Voor die pensioenen speelt de splitsingsmethode dus niet (zie figuur 3).

Figuur 3: de splitsingsmethode geldt voor pensioenen van veel internationale organisaties, maar niet voor de EU en de ECB (die zijn vrijgesteld).

Wanneer geldt de splitsing juist niet?

De splitsingsmethode geldt alleen voor een ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een invaliditeitspensioen (uitkering bij arbeidsongeschiktheid) is fiscaal een risicoverzekering zonder opbouw en is daarom volledig belast in box 1. Ook de bijbehorende toeslagen en de tax adjustment volgen het regime van de hoofduitkering en vallen dus in box 1.

Verder is er een aandachtspunt bij oude opbouwjaren. Tot en met belastingjaar 2024 was een deel van de vroegste opbouw (van voor 1995) in bepaalde internationale situaties nog onbelast. Vanaf 1 januari 2025 is die vrijstelling vervallen. De precieze gevolgen van deze wetswijziging zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, dus over oudere jaren is maatwerk nodig.

Waarop moet je letten?

Het grootste risico is niet een naheffing, maar dat je voordeel laat liggen door je pensioen volledig in box 1 op te geven. Wie de splitsing wel toepast, moet het box 3-deel daadwerkelijk als bezitting aangeven en dit ieder jaar opnieuw berekenen met de leeftijdsfactor. Wijk je af van het forfait, dan moet je het premieverloop over de hele opbouwperiode kunnen onderbouwen. En je moet kiezen: de forfaitaire benadering en de oudere saldomethode mogen niet worden gecombineerd. Zonder tijdig en verifieerbaar bewijs wordt de uitkering alsnog volledig in box 1 belast, zo blijkt uit de rechtspraak.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de herkomst van je pensioen. Ga na van welke organisatie je pensioen komt en of het een ouderdoms- of nabestaandenpensioen is (en dus geen invaliditeitspensioen).
  • Sluit EU en ECB uit. Komt je pensioen van de Europese Unie of de Europese Centrale Bank, dan is het vrijgesteld en speelt de splitsing niet.
  • Vraag premieoverzichten op. Vraag bij de pensioenuitvoerder de jaaropgaven en, bij de VN, je Annual Pension Statement op. Zonder bewijs blijft alles in box 1.
  • Geef het box 3-deel aan. Reken de waarde van het niet-belaste deel jaarlijks om met de leeftijdsfactor en neem die als bezitting op in box 3.
  • Kies bewust tussen forfait en saldomethode. De twee faciliteiten kun je niet combineren; laat doorrekenen welke voor jou het gunstigst is.
  • Controleer openstaande aanslagen. Staan er nog aanslagen open over eerdere jaren, dan kunnen die soms alsnog worden hersteld.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over mijn VN- of NAVO-pensioen in Nederland?

Ja. Anders dan het salaris tijdens je dienstverband mag Nederland je pensioen belasten. Met de splitsingsmethode betaal je alleen over het werkgeversdeel in box 1; het deel dat je zelf uit je netto-inkomen opbouwde, valt in box 3.

Hoeveel van mijn pensioen valt in box 3?

Bij het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling geldt een forfait van een derde in box 3 en twee derde in box 1. De waarde van dat een derde bereken je met een leeftijdsafhankelijke factor uit de wet.

Geldt de regeling ook voor een pensioen van de EU?

Nee. Pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn volledig vrijgesteld van Nederlandse belasting. De splitsingsmethode is daar niet aan de orde.

Wat als ik een invaliditeitspensioen ontvang?

Een invaliditeitspensioen is volledig belast in box 1. Er vindt geen splitsing plaats, omdat er geen sprake is van opbouw met eigen premies.

Kan ik te veel betaalde belasting van eerdere jaren terugkrijgen?

Dat kan soms. Voor jaren waarvan de aanslag nog niet definitief vaststaat, kan de splitsing alsnog worden toegepast. Laat je aanslagen en aangiften daarom nakijken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Het pensioen van een internationale organisatie is fiscaal specialistisch werk: de juiste box, het forfait of het werkelijke premieverloop, de leeftijdsfactor voor box 3 en de keuze tussen faciliteiten luisteren nauw. Een fout kost je ofwel jaarlijks onnodig belastinggeld, ofwel een langlopende discussie met de Belastingdienst. Taxcount beoordeelt van welke regeling je pensioen komt, past de splitsingsmethode correct toe, verzorgt zo nodig het overleg met de inspecteur en controleert of oude jaren nog te herstellen zijn. Ontvang je pensioen van de VN, NAVO, ESA, het EOB of een vergelijkbare organisatie? Laat je aangifte door Taxcount toetsen en betaal niet meer belasting dan nodig.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

 

English version


You live in the Netherlands and receive a pension from an international organisation, for example the United Nations, NATO, the space agency ESA or the European Patent Office. Do you report that pension in full as income in box 1? Then you are probably paying too much tax. Part of your pension was built up from your own contributions, on which you already paid tax at the time. That part does not belong in box 1, but in box 3. Dividing the pension in this way is called the split method. This article explains how it works, which organisations it applies to and what you need to arrange to secure this saving safely.

Why is your pension taxed while your salary was not?

Employees of international organisations usually pay no Dutch tax on their salary. The organisation often applies its own internal levy. Pensions are treated differently: the Netherlands may tax them under the ordinary rules. The main rule is therefore that your pension payment counts in full as salary in box 1.

There is an important exception to this main rule. To the extent that you can make it plausible that tax on income was already levied on the build-up of your pension, that part does not have to be taxed again in box 1. Under these schemes you paid your own contribution out of your net income, so it was not deductible. That part has therefore already been taxed and moves to box 3, where the value of the pension right counts as an asset.

What is the split method?

The split method divides a pension payment across two boxes. The part built up with employer contributions remains taxed in box 1 (as salary). The part you paid yourself out of your net income falls in box 3 (as wealth). Because box 3 is often taxed much more lightly than the progressive rate in box 1, this can save thousands of euro per year.

For the European Patent Office and the so-called Co-ordinated Pension Scheme (including NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT) the State Secretary has issued a practical approval. You then do not have to prove your contribution history going back decades. Instead a fixed ratio applies: you report two thirds of the annual payment in box 1, and one third falls outside box 1. You report the value of that one third in box 3. Allowances and the tax adjustment do belong entirely in box 1 (see figure 1).

Figure 1: under the fixed ratio two thirds of the payment stays in box 1 and one third moves to box 3; allowances and the tax adjustment belong entirely in box 1.

A worked example

A single pensioner aged 71 receives 21,000 euro of pension from the Co-ordinated Pension Scheme, plus 500 euro of tax adjustment. In box 1 he reports two thirds of 21,000 euro (14,000 euro) plus the 500 euro tax adjustment, being 14,500 euro in total. The remaining one third (7,000 euro) falls outside box 1. He calculates its box 3 value by multiplying 7,000 euro by the statutory age factor, which is 8 at the age of 71: 8 times 7,000 euro is 56,000 euro. In this way he reports 7,000 euro less each year in progressively taxed box 1, against a box 3 asset of 56,000 euro (see figure 2).

Figure 2: the worked example. Of the 21,000 euro payment, 14,500 euro stays in box 1; 7,000 euro becomes a box 3 asset of 56,000 euro using factor 8.

Which organisations does this apply to?

The scheme applies to pensioners and surviving dependants living in the Netherlands who worked for international organisations. In practice this includes the United Nations (with the UNJSPF pension fund), the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme of NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT. Pensions from, for example, the IMF, the World Bank, UNESCO, UNICEF, the WHO and the WTO may also fall under it.

Important exception: pensions from the European Union and the European Central Bank are exempt from Dutch tax. The split method therefore does not apply to those pensions (see figure 3).

Figure 3: the split method applies to pensions from many international organisations, but not to the EU and the ECB (which are exempt).

When does the split not apply?

The split method applies only to an old-age or survivor pension. A disability pension (a payment on incapacity for work) is, for tax purposes, an insurance without build-up and is therefore taxed in full in box 1. The related allowances and the tax adjustment follow the treatment of the main payment and so also fall in box 1.

There is a further point of attention for older build-up years. Up to and including tax year 2024, part of the earliest build-up (from before 1995) was still untaxed in certain international situations. From 1 January 2025 that exemption has lapsed. The precise consequences of this change in the law are not yet fully settled, so older years call for a tailored assessment.

What should you watch out for?

The biggest risk is not an additional assessment, but leaving money on the table by reporting your pension in full in box 1. Anyone who does apply the split must actually report the box 3 part as an asset and recalculate it each year using the age factor. If you depart from the fixed ratio, you must be able to substantiate the contribution history for the whole build-up period. And you have to choose: the fixed-ratio approach and the older balance method may not be combined. Without timely and verifiable evidence the payment is taxed in full in box 1 after all, as the case law shows.

Practical checklist: what to arrange

  • Determine the origin of your pension. Establish which organisation your pension comes from and whether it is an old-age or survivor pension (and therefore not a disability pension).
  • Rule out the EU and the ECB. If your pension comes from the European Union or the European Central Bank, it is exempt and the split does not apply.
  • Request contribution statements. Ask the pension administrator for the annual statements and, at the UN, your Annual Pension Statement. Without evidence everything stays in box 1.
  • Report the box 3 part. Convert the value of the untaxed part each year using the age factor and report it as an asset in box 3.
  • Choose deliberately between fixed ratio and balance method. The two facilities cannot be combined; have it calculated which one is most favourable for you.
  • Check open assessments. If assessments over earlier years are still open, they can sometimes be corrected retroactively.

Frequently asked questions

Do I have to pay Dutch tax on my UN or NATO pension?

Yes. Unlike your salary during your employment, the Netherlands may tax your pension. With the split method you pay tax only on the employer part in box 1; the part you built up yourself from your net income falls in box 3.

How much of my pension falls in box 3?

For the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme a fixed ratio of one third in box 3 and two thirds in box 1 applies. You calculate the value of that one third using a statutory age-dependent factor.

Does the scheme also apply to an EU pension?

No. Pensions from the European Union and the European Central Bank are fully exempt from Dutch tax. The split method does not come into play there.

What if I receive a disability pension?

A disability pension is taxed in full in box 1. No split takes place, because there is no build-up from your own contributions.

Can I reclaim tax overpaid in earlier years?

Sometimes you can. For years whose assessment is not yet final, the split can still be applied. It is therefore worth having your assessments and returns reviewed.

How Taxcount can help you

A pension from an international organisation is specialist tax work: the correct box, the fixed ratio or the actual contribution history, the age factor for box 3 and the choice between facilities all require precision. A mistake either costs you unnecessary tax every year, or leads to a lengthy dispute with the Tax Administration. Taxcount assesses which scheme your pension comes from, applies the split method correctly, arranges any consultation with the inspector where needed and checks whether earlier years can still be corrected. Do you receive a pension from the UN, NATO, ESA, the EPO or a comparable organisation? Have your return reviewed by Taxcount and pay no more tax than necessary.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, thresholds and conditions may change and the outcome depends on your personal situation. Always seek personal advice before making tax decisions.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeer je als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) je in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag je 45, 36 of 27 procent van je investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en je moet de investering op tijd melden. In dit artikel lees je wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel je kunt aftrekken en wat je moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij je elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag je eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager en je betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Ben je alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heb je geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor je geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet je minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

\"\"

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

\"\"

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet je investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet je investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat je de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

Je moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat je de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kies je voor de MIA in je aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meld je te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als je de melding wel op tijd hebt verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kun je de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag je de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat je deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee je zelf bepaalt wanneer je afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. Je moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

\"\"

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet je kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoop je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet je een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als je van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van je MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of je bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijg je geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in je aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar je stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. Je moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag je ze niet allebei gebruiken; je kiest de gunstigste. De MIA mag je wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kun je de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteer je van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount je kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of je investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweeg je een duurzame investering? Leg je plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in Nederland

Heb je dit jaar geïnvesteerd in nieuwe machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen? Dan laat je mogelijk geld liggen. Met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) mag je in 2026 een fors bedrag, tot € 20.072, extra van je winst aftrekken, bovenop de gewone afschrijving. Veel ondernemers vergeten deze aftrek of berekenen hem verkeerd. In dit artikel lees je wie recht heeft op de KIA, hoeveel je kunt aftrekken en waar je op moet letten om het maximale voordeel te behalen.

Wat is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek?

De KIA is een extra aftrekpost voor ondernemers die in een jaar bedrijfsmiddelen kopen. Je mag eenmalig een deel van het totale investeringsbedrag van je winst aftrekken. Daardoor betaal je over dat jaar minder inkomsten- of vennootschapsbelasting. De belangrijkste kenmerken:

  • Extra aftrek bovenop de afschrijving. De afschrijving is het jaarlijks ten laste van de winst brengen van een deel van de aanschafprijs. De KIA komt daar los bovenop en is dus een netto-voordeel.
  • Voor bijna elke ondernemer. Eenmanszaken, vof’s, maatschappen én bv’s komen in aanmerking. Er geldt gén urencriterium en zelfs geen volledig ondernemerschap: ook een medegerechtigde en zelfs een ondernemer in een verliesjaar kan de aftrek krijgen.
  • Dit zijn zaken die je langer dan een jaar in je bedrijf gebruikt, zoals machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen, geen voorraad.
  • Hoogte volgt uit een tabel. Hoeveel je mag aftrekken hangt af van het totale bedrag dat je dat jaar investeert. Bij weinig investeren krijg je niets, bij heel veel investeren ook niet; het maximum zit in het midden.

De KIA-tabel voor 2026 (art. 3.41 Wet IB 2001) ziet er zo uit:

Investeringsbedrag in 2026 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
niet meer dan € 2.900 geen aftrek (€ 0)
€ 2.901 t/m € 71.683 28% van het investeringsbedrag
€ 71.684 t/m € 132.746 € 20.072 (vast maximum)
€ 132.747 t/m € 398.236 € 20.072 min 7,56% van het deel boven € 132.746
meer dan € 398.236 geen aftrek (€ 0)

Let op: investeringen onder € 450 per bedrijfsmiddel tellen niet mee. Boven een totaal van € 398.236 vervalt de KIA volledig.

Wanneer heb je recht op de KIA?

De Belastingdienst toetst een aantal voorwaarden. Je komt in aanmerking als je aan al deze punten voldoet:

  • Je investeert in kwalificerende bedrijfsmiddelen. Het gaat om bedrijfsmiddelen die je zakelijk gebruikt en die niet zijn uitgesloten.
  • Er is winst uit onderneming. Je bent ondernemer of medegerechtigde. Ontbreekt een bron van inkomen, dan bestaat er geen recht op aftrek.
  • Je totale investering ligt tussen € 2.901 en € 398.236. Buiten deze grenzen is de KIA nihil. De grens geldt per onderneming.
  • Het is geen uitgesloten bedrijfsmiddel. Denk aan goodwill, woonhuizen, personenauto’s of zaken die je hoofdzakelijk aan derden verhuurt (art. 3.45 en 3.46).
  • Elk bedrijfsmiddel kost minstens € 450. Losse aankopen onder dat bedrag tellen niet mee voor de aftrek.
  • Je kiest voor de KIA bij de aangifte. De aftrek wordt niet automatisch toegepast; je vraagt hem zelf aan. Vergeet je dat, dan kun je tot vijf jaar later alsnog een verzoek om „ambtshalve vermindering” doen.

Voldoe je aan al deze punten, dan verlaagt de KIA je belastbare winst, en dus je aanslag. Investeer je samen met anderen in een vof of maatschap? Dan geldt de samentelregeling: de investeringen worden bij elkaar opgeteld voor de tabelrij en de KIA wordt naar rato verdeeld. Laat dit altijd goed berekenen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil € 140.000 investeren in nieuwe machines. Hij betaalt belasting tegen ongeveer 37%. Hij kan alles in 2026 aanschaffen, of de investering spreiden over eind 2026 en begin 2027.

Scenario A: alles in 2026 Scenario B: gespreid 2026 + 2027
Investering € 140.000 in één jaar € 70.000 + € 70.000
Toepasselijke schijf afbouwschijf 28%-schijf (per jaar)
KIA € 19.524 € 19.600 + € 19.600 = € 39.200
Belastingvoordeel (± 37%) ± € 7.224 ± € 14.504

De conclusie: in scenario A valt de investering in de afbouwschijf en levert de KIA € 19.524 op (€ 20.072 min 7,56% van € 7.254). Door de investering te spreiden (scenario B) blijf je twee keer in de gunstige 28%-schijf en loopt de KIA op tot € 39.200. Dat is bijna een verdubbeling, goed voor ongeveer € 7.280 extra belastingvoordeel. Spreiden moet natuurlijk wél zakelijk verantwoord zijn, en de investeringsverplichting telt mee in het jaar waarin je die aangaat.

Praktische gevolgen

  • Vraag de KIA actief aan. De aftrek is een keuze in je aangifte. Ben je hem vergeten? Dan is herstel mogelijk via ambtshalve vermindering, tot vijf jaar na afloop van het jaar.
  • Bereken het totale investeringsbedrag zorgvuldig. De juiste tabelrij bepaalt je aftrek. Één verkeerde optelling kan honderden euro’s schelen.
  • Let op de desinvesteringsbijtelling. Verkoop je een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na aanschaf, dan moet je (een deel van) de aftrek terugnemen. Leg het toegepaste KIA-percentage daarom goed vast.
  • Pas de samentelregeling toe bij samenwerkingsverbanden. Zonder juiste samentelling claim je al snel te veel of te weinig; de inspecteur corrigeert naar rato.
  • Uitgesloten bedrijfsmiddelen tellen niet. Goodwill, woonhuizen en personenauto’s vallen buiten de regeling. Zonnepanelen mogen juist wél als zelfstandig bedrijfsmiddel meetellen.
  • Planning loont. Door investeringen slim over de jaargrens te spreiden blijf je binnen de gunstige schijven en vermijd je de bovengrens van € 398.236.

Conclusie en advies

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is een van de eenvoudigste en meest voordelige aftrekposten voor ondernemers: tot € 20.072 extra aftrek in 2026, zonder urencriterium en zelfs in een verliesjaar. De valkuilen zitten in de details, de juiste tabelrij, uitgesloten bedrijfsmiddelen, de samentelregeling en de desinvesteringsbijtelling. Twijfel je of je het maximale voordeel benut, of wil je je investeringen fiscaal slim plannen? Laat je situatie beoordelen door de adviseurs van Taxcount; wij rekenen je KIA precies uit en zorgen dat je geen aftrek laat liggen. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Zie ook:

Energie-investeringsaftrek 2026: 40% extra aftrek

Investeer je als ondernemer in zonnepanelen, een warmtepomp, een zuinig bedrijfsgebouw of andere energiebesparende bedrijfsmiddelen? Dan kan de energie-investeringsaftrek (EIA) je in 2026 een flink belastingvoordeel opleveren. Met de EIA mag je 40 procent van je investering extra van de winst aftrekken, bovenop de gewone afschrijving. Veel ondernemers laten dit voordeel liggen omdat ze de investering niet op tijd melden of niet weten dat hun bedrijfsmiddel op de Energielijst staat. In dit artikel lees je wat de energie-investeringsaftrek in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel de aftrek bedraagt en wat je praktisch moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de energie-investeringsaftrek?

De energie-investeringsaftrek (EIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in energiebesparende of duurzame bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij je elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag je in 2026 eenmalig 40 procent van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager en je betaalt over dat jaar minder inkomstenbelasting.

De EIA geldt niet voor elk bedrijfsmiddel. Het gaat om nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Energielijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan zonnepanelen, warmtepompen, energiezuinige bedrijfsgebouwen, elektrificatie van productieprocessen en zuinig transport. Voor gebruikte (tweedehands) bedrijfsmiddelen bestaat geen recht op EIA. In vier stappen benut je de regeling (zie figuur 1).

Figuur 1: van investering tot aftrek, de EIA in vier stappen.

Wie komt in aanmerking voor de EIA?

De energie-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de EIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) geldt de EIA alleen voor echte ondernemers. Ben je alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heb je geen recht op de EIA. Je drijft de onderneming dan namelijk niet voor eigen rekening.

Hoeveel bedraagt de EIA in 2026?

In 2026 bedraagt de energie-investeringsaftrek 40 procent van het bedrag dat je in kwalificerende bedrijfsmiddelen investeert. Dit percentage is hetzelfde als in 2025. Per bedrijfsmiddel moet je minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Er geldt ook een maximum: per jaar telt maximaal 153 miljoen euro aan energie-investeringen mee. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote bedrijven.

Parameter (2026) Waarde
Aftrekpercentage EIA 40% van het investeringsbedrag
Minimale investering per bedrijfsmiddel 2.500 euro
Maximaal bedrag aan energie-investeringen per jaar 153 miljoen euro
Meldingstermijn bij de RVO 3 maanden na het aangaan van de verplichting
Desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen 5 jaar

 

Rekenvoorbeeld: een tuinder investeert in 2026 voor 50.000 euro in een warmtepomp die op de Energielijst staat en meldt de investering op tijd bij de RVO. De EIA is 40 procent van 50.000 euro, dus 20.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 7.400 euro belasting (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de EIA bij een investering van 50.000 euro in een warmtepomp.

Aan welke voorwaarden moet je investering voldoen?

Om de energie-investeringsaftrek te krijgen, moet je investering aan drie inhoudelijke eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Energielijst van dat jaar staan, en de investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen. De RVO geeft een verklaring af waaruit blijkt dat het inderdaad om een energie-investering gaat.

De Energielijst is in beginsel bepalend. Toch kan een bedrijfsmiddel dat niet letterlijk op de lijst staat soms toch in aanmerking komen, namelijk als het functioneel gelijkwaardig is en aan dezelfde eisen voldoet. Twijfel je of je investering kwalificeert, laat dit dan vooraf toetsen.

Melden bij de RVO: let op de driemaandstermijn

Naast de inhoudelijke eisen moet je zelf twee dingen op tijd doen. Je moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint te lopen op het moment dat je de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook als daaraan nog een voorwaarde is verbonden, zoals een vergunning, begint de termijn al te lopen. Daarnaast kies je voor de EIA in je aangifte.

De driemaandstermijn is hard. Meld je te laat, dan vervalt het recht op de EIA volledig, ook als je de investering wel op tijd hebt verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. De rechter houdt hier streng aan vast. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht en wacht niet op eventuele voorwaarden.

Kun je de EIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag je de energie-investeringsaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Dat levert een dubbel voordeel op. De EIA en de milieu-investeringsaftrek (MIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. Je moet dan kiezen welke regeling voor jou het gunstigst uitpakt: de EIA van 40 procent of de MIA van 45, 36 of 27 procent, afhankelijk van de categorie. Combineren met de willekeurige afschrijving (Vamil) is bij de EIA niet mogelijk. Figuur 3 zet de EIA, MIA en KIA naast elkaar (zie figuur 3).

Figuur 3: EIA, MIA en KIA vergeleken. Let op: EIA en MIA mag je niet allebei voor dezelfde investering.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoop je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet je een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als je van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van je EIA-investering goed.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer de Energielijst. Kijk of je bedrijfsmiddel op de Energielijst van dat jaar staat of functioneel gelijkwaardig is.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Kies voor de EIA in de aangifte. Neem de aftrek op in je aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Maak de juiste keuze bij samenloop. Bereken vooraf of de EIA of de MIA het hoogste voordeel geeft als beide mogelijk zijn.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar je stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de energie-investeringsaftrek in 2026?

In 2026 is de EIA 40 procent van het investeringsbedrag. Je moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Energielijst staan.

Kan ik de EIA en de KIA voor dezelfde investering gebruiken?

Ja. Voor dezelfde investering mag je de energie-investeringsaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek naast elkaar toepassen. De EIA en de milieu-investeringsaftrek (MIA) sluiten elkaar wel uit; daarbij moet je kiezen.

Wat gebeurt er als ik de investering te laat meld bij de RVO?

Dan vervalt je recht op de EIA volledig. De termijn van drie maanden is fataal. Beslissend is dat de melding binnen die termijn door de RVO is ontvangen, niet het moment waarop je deze hebt verstuurd.

Geldt de EIA ook voor mijn bv?

Ja. Een bv kan de energie-investeringsaftrek benutten via de vennootschapsbelasting. De voorwaarden zijn vergelijkbaar met die voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Krijg ik de EIA voor een tweedehands machine?

Nee. De energie-investeringsaftrek geldt alleen voor nieuwe, niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. Voor gebruikte bedrijfsmiddelen bestaat geen recht op EIA.

Hoe Taxcount je kan helpen

De energie-investeringsaftrek kan je een aanzienlijk belastingvoordeel opleveren, maar staat of valt met een tijdige melding en een goede toetsing aan de Energielijst. Taxcount beoordeelt of je investering kwalificeert, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding bij de RVO en berekent bij samenloop of de EIA of de MIA voor jou het gunstigst is. Ook zorgen wij dat de aftrek correct in je aangifte terechtkomt. Wil je weten of je geplande investering recht geeft op de EIA? Leg je situatie aan ons voor, dan rekenen wij het voordeel voor je uit. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook: