Ondernemer of resultaatgenieter: Het verschil dat je duizenden euro’s kan opleveren

Je start met je eigen werkzaamheden. Je stuurt je eerste facturen en de zaken beginnen te lopen. Dan komt de onvermijdelijke vraag van de Belastingdienst: ben je voor de inkomstenbelasting een ‘ondernemer’ of een ‘resultaatgenieter’? Het antwoord op deze vraag heeft grote financiële gevolgen. Het bepaalt namelijk of je recht hebt op duizenden euro’s aan extra belastingvoordeel. In dit artikel leggen we het verschil helder uit.

Hoewel de grens soms dun is, kun je het verschil grofweg zo zien:

  • Winst uit Onderneming (WUO): Je runt een echt bedrijf. Je investeert, loopt risico, maakt reclame en bent actief op zoek naar nieuwe klanten.
  • Resultaat uit Overige Werkzaamheden (ROW): Je hebt een serieuze bijverdienste. Je verricht betaalde werkzaamheden, maar er is geen sprake van een volwaardige, duurzame onderneming. Denk aan een eenmalige freelance klus of het geven van een paar lezingen per jaar.

De Belastingdienst kijkt altijd eerst of je ondernemer bent. Pas als dat niet het geval is, worden je inkomsten gezien als resultaat uit overige werkzaamheden.

De Belastingdienst gebruikt geen harde regels, maar kijkt naar het totaalplaatje. Om te bepalen of je ondernemer bent, stellen ze zichzelf (en jou) de volgende vragen:

  • Zelfstandigheid: Hoeveel opdrachtgevers heb je? Als je maar één of twee opdrachtgevers hebt, lijkt het meer op een verkapte dienstbetrekking.
  • Ondernemersrisico: Loop je financieel risico? Bijvoorbeeld als een klant niet betaalt of als je moet investeren in bedrijfsmiddelen.
  • Continuïteit: Hoeveel tijd besteed je aan je werkzaamheden? Is het een doorlopende activiteit?
  • Omvang: Hoeveel omzet maak je? Een hogere omzet wijst eerder op een onderneming.
  • Presentatie: Maak je reclame? Heb je een eigen website, briefpapier of visitekaartjes?

Hoe vaker je ‘ja’ kunt antwoorden op deze vragen, hoe groter de kans dat je als ondernemer wordt gezien.

Rekenvoorbeeld

Het belangrijkste verschil zit in de portemonnee. Een ondernemer heeft recht op de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Een resultaatgenieter niet. Laten we dit met een voorbeeld illustreren.

De situatie: Je hebt €40.000 aan inkomsten en €5.000 aan zakelijke kosten.

Scenario A: Je bent resultaatgenieter

  • Bruto resultaat: €40.000 – €5.000 = €35.000
  • Belastbaar inkomen: €35.000

Scenario B: Je bent ondernemer (en voldoet aan het urencriterium)

  • Winst voor aftrekposten: €40.000 – €5.000 = €35.000
  • Zelfstandigenaftrek 2025: – €2.470
  • Winst na zelfstandigenaftrek: €32.530
  • MKB-winstvrijstelling (12,7% van €32.530): – €4.131
  • Belastbaar inkomen: €28.399

De conclusie: Als ondernemer is je belastbare inkomen in dit voorbeeld ruim €6.600 lager. Dit leidt direct tot een aanzienlijk lagere belastingaanslag en mogelijk recht op hogere toeslagen.

Praktische Gevolgen

Tegenover het belastingvoordeel staan iets zwaardere administratieve verplichtingen voor de ondernemer:

  • Administratie: Een ondernemer moet een volledige boekhouding voeren en vaak een jaarrekening opstellen. Voor een resultaatgenieter volstaan overzichten van inkomsten en uitgaven.
  • Urencriterium: Om recht te hebben op de ondernemersaftrek, moet je een urenregistratie bijhouden en aannemelijk maken dat je minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteedt.

Conclusie en Advies

De kwalificatie ‘ondernemer voor de inkomstenbelasting’ is zeer waardevol, maar je moet deze status wel verdienen in de ogen van de Belastingdienst. De grens tussen winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden is niet altijd even duidelijk.

Twijfel je over je situatie of wil je zeker weten dat je alle fiscale voordelen benut? Laat je situatie dan door ons beoordelen. Wij helpen je de juiste kwalificatie te bepalen en zorgen ervoor dat je aangifte correct en zo voordelig mogelijk wordt ingediend.

Voorraadwaardering: Hoe de waarde van je voorraad je winst bepaalt

Heb je een bedrijf met een fysieke voorraad, zoals een fietshandel? Dan moet je aan het einde van het jaar de waarde van die voorraad bepalen voor op de balans. De manier waarop je dit doet, is niet zomaar een administratieve handeling; het heeft directe invloed op je winst en de hoeveelheid belasting die je betaalt.

De Belastingdienst eist dat je een methode kiest die past bij ‘goed koopmansgebruik’ en dat je deze methode consequent toepast. We leggen de meest voorkomende systemen uit met een eenvoudig voorbeeld.

Stel, je bent een fietshandelaar. We gebruiken simpele getallen voor het rekenvoorbeeld.

  • Op 1 januari koop je 10 fietsen in voor €100 per stuk.
  • Op 1 juli koop je nog eens 10 fietsen in voor €120 per stuk (de prijs is gestegen).
  • Je hebt in totaal 20 fietsen ingekocht.
  • Aan het einde van het jaar heb je 15 fietsen verkocht. Er zijn dus nog 5 fietsen in voorraad.

De vraag is: wat is de waarde van die 5 fietsen op je balans?

FIFO (First-In, First-Out)

Dit is de meest logische en gebruikte methode. De fiets die als eerste binnenkwam, wordt geacht als eerste te zijn verkocht. Denk aan een rij bij de kassa: wie het eerst komt, is het eerst aan de beurt. Je overgebleven voorraad bestaat dus uit de meest recent ingekochte fietsen.
Stel, je hebt 15 fietsen verkocht. Volgens FIFO zijn dat de eerste 10 van €100 en 5 van de partij van €120.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de laatste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €120 = €600.

LIFO (Last-In, First-Out)

Bij LIFO ga je ervan uit dat de laatst ingekochte fietsen als eerste worden verkocht. Denk aan een stapel borden: je pakt altijd het bovenste bord. Je overgebleven voorraad bestaat dus uit de oudste, en vaak goedkopere, fietsen.
Je hebt 15 fietsen verkocht. Volgens LIFO zijn dat de laatste 10 van €120 en 5 van de eerste partij van €100.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de eerste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.

Let op: In tijden van stijgende prijzen leidt LIFO tot een lagere voorraadwaarde en een hogere kostprijs van de omzet, wat resulteert in een lagere winst (en dus minder belasting op de korte termijn).

IJzeren Voorraadstelsel

Dit stelsel is speciaal voor bedrijven die een vaste, minimale voorraad moeten hebben om te kunnen draaien. We passen dit nu toe op ons voorbeeld, waarbij we de beginvoorraad als de ‘ijzeren voorraad’ beschouwen.

De ijzeren voorraad is vastgesteld op 10 fietsen tegen de vaste ‘ijzeren prijs’ van €100 per stuk. De 10 fietsen die later voor €120 worden ingekocht, zien we als aanvulling. We verkopen 15 fietsen. Volgens dit stelsel verkopen we eerst de ‘extra’ voorraad.

  1. We verkopen de 10 laatst ingekochte fietsen van €120.
  2. We moeten er nog 5 verkopen, dus we moeten onze ijzeren voorraad aanspreken.

Er blijven dus 5 fietsen over, die allemaal onderdeel zijn van de oorspronkelijke ijzeren voorraad. Dit creëert een tekort (manco) van 5 fietsen in onze ijzeren voorraad. De waarde van de 5 fietsen op de balans is gebaseerd op de vaste ijzeren prijs: Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.
Omdat we een tekort (manco) van 5 fietsen hebben, mogen we de kostprijs van deze 5 verkochte ‘ijzeren’ fietsen direct boeken tegen de huidige vervangingswaarde (de laatste inkoopprijs van €120). Dit verlaagt je winst. De kostprijs van de 15 verkochte fietsen is dus (10 x €120) + (5 x €120) = €1.800, wat hoger is dan bij de andere stelsels.

Aanbeveling en Conclusie

De keuze voor een waarderingsstelsel heeft direct effect op je balans en winst- en verliesrekening.

  • FIFO is de meest gangbare methode. Het geeft een realistisch beeld van de actuele waarde van je voorraad en wordt internationaal breed geaccepteerd.
  • GIP is een uitstekend alternatief dat prijsschommelingen dempt en administratief eenvoudig is.
  • LIFO wordt fiscaal minder vaak toegepast en kan een vertekend beeld geven van de werkelijke waarde op je balans.
  • Het IJzeren Voorraadstelsel is specialistisch en alleen relevant voor specifieke bedrijfstypen.

De beste keuze hangt af van je branche, de aard van je producten en je administratieve processen. Het is cruciaal om een stelsel te kiezen en dit consequent te hanteren. Wil je weten welk systeem het beste bij je onderneming past en wat de fiscale gevolgen zijn? Neem dan contact met ons op. Wij rekenen het graag voor je door. Wil je zeker weten dat je voorraad correct op de balans staat? Bekijk dan onze dienstenpagina over het opstellen en deponeren van de jaarrekening.

 

Ondernemen over de Grens: Wat is een Vaste Inrichting?

Droom je ervan om met je Nederlandse bedrijf de Duitse of Belgische markt te veroveren? Je opent een kantoor, start een werkplaats of richt een verkooplocatie in. Op dat moment krijg je fiscaal te maken met het begrip ‘vaste inrichting’. Een vaste inrichting is geen aparte juridische entiteit zoals een dochter-BV, maar een onderdeel van je Nederlandse onderneming in het buitenland. Dit heeft belangrijke fiscale gevolgen. In dit artikel leggen we uit wat een vaste inrichting is, wanneer je er een hebt en wat de consequenties zijn voor de belastingheffing.

Wanneer is er sprake van een vaste inrichting?

De Belastingdienst kijkt heel praktisch naar de situatie. Er is sprake van een vaste inrichting als je in een ander land een bedrijfsruimte hebt die voldoende is uitgerust om zelfstandig te functioneren en vanuit waar je goederen of diensten levert. Denk hierbij aan (belastingdienst):

  • Een winkel of andere vaste verkooplocatie.
  • Een werkplaats of fabriek met een kantoor.
  • De plek van waaruit de leiding van de onderneming wordt gevoerd.

Wat is het juist niet?

Bepaalde ruimtes worden expliciet niet als vaste inrichting gezien, omdat ze slechts een ondersteunend karakter hebben. Voorbeelden zijn:

  • Een opslagruimte of goederendepot.
  • Een kantoor dat uitsluitend wordt gebruikt voor reclame, onderzoek of het verzamelen van informatie.
  • Een vakantiewoning die je verhuurt.

De fiscale gevolgen van een vaste inrichting

Als je een vaste inrichting hebt, heeft dat twee belangrijke consequenties voor je winstbelasting.

  1. Belasting betalen in het buitenland
    Het land waar je vaste inrichting is gevestigd, mag belasting heffen over de winst die specifiek door die inrichting wordt behaald. Je moet de winst dus eerlijk verdelen tussen het Nederlandse hoofdkantoor en de buitenlandse vestiging. Dit moet gebeuren alsof het twee losse bedrijven zijn die met elkaar handelen tegen zakelijke prijzen (het ‘at arm’s length’-beginsel).
  2. Vrijstelling in Nederland (de objectvrijstelling)
    Gelukkig hoef je niet twee keer belasting te betalen. Dankzij de ‘objectvrijstelling’ in Nederland is de winst van je buitenlandse vaste inrichting hier vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De winst is immers al in het buitenland belast. Let op: deze vrijstelling geldt ook voor verliezen. Een verlies van de buitenlandse vestiging is dus in principe ook niet aftrekbaar in Nederland.

Conclusie en Advies

Het hebben van een vaste inrichting in het buitenland heeft directe fiscale gevolgen. Je moet een deel van je winst toerekenen aan het buitenland en daar belasting betalen, terwijl je in Nederland een vrijstelling krijgt. De regels voor het correct verdelen van de winst zijn complex en de internationale belastingverdragen zijn gedetailleerd. Een juiste aanpak is cruciaal om dubbele belasting of discussies met de Belastingdienst te voorkomen. Ben je internationaal actief of heb je plannen om de grens over te gaan? Neem dan contact met ons op. Wij zorgen ervoor dat je structuur fiscaal optimaal is en je aan alle regels voldoet.

Auto van de zaak of privé: zo maak je in 2026 de fiscaal slimste keuze

Gebruik je je auto zowel voor je bedrijf als privé, dan sta je voor een keuze die jaarlijks honderden tot duizenden euro’s kan schelen: zet je de auto van de zaak of houd je hem in privé? Veel ondernemers maken die keuze op gevoel, terwijl de fiscale gevolgen sterk verschillen. Bij een auto van de zaak trek je alle autokosten af, maar betaal je belasting over een vaste bijtelling. Bij een auto in privé is er geen bijtelling, maar mag je alleen een vast bedrag per zakelijke kilometer aftrekken. In dit artikel lees je hoe de keuze auto van de zaak of privé in 2026 uitpakt, welke bijtellingspercentages en bedragen gelden, en waar je op moet letten om achteraf geen naheffing te krijgen.

Wat betekent ‘auto van de zaak’ of ‘auto in privé’?

Rijd je een auto voor je onderneming en privé, dan bepaal je eerst of de auto ondernemingsvermogen (op de zaak) of privévermogen (in privé) is. Dat heet vermogensetikettering: het toedelen van een bezitting aan het bedrijf of aan privé. Die keuze bepaalt hoe de auto fiscaal werkt, en die keuze is niet altijd vrij (zie verderop over de grens van 1.000 kilometer).

De twee routes leiden tot totaal verschillende fiscale werelden. Figuur 1 zet ze naast elkaar: bij een auto op de zaak zijn alle kosten aftrekbaar maar volgt bijtelling, bij een auto in privé is er geen bijtelling maar geldt alleen een vaste kilometeraftrek.

Figuur 1: dezelfde auto, twee fiscale werelden. Auto op de zaak versus auto in privé (bedragen 2026).

Auto op de zaak: volledige kostenaftrek, maar wel bijtelling

Staat de auto op de zaak, dan gaan alle autokosten van de winst af: de afschrijving, brandstof of stroom, verzekering, onderhoud en motorrijtuigenbelasting. Daar staat tegenover dat je belasting betaalt over een vast bedrag voor het privégebruik, de bijtelling (formeel: een onttrekking). Je betaalt dus niet over je werkelijke privévoordeel, maar over een forfaitair percentage van de waarde van de auto.

Hoe hoog is de bijtelling in 2026?

De bijtelling is in 2026 ten minste 22% van de cataloguswaarde (de nieuwprijs inclusief btw en BPM). Voor een volledig elektrische auto (CO2-uitstoot 0 gram per kilometer) geldt een korting van 4%, maar alleen over de eerste € 30.000. Per saldo betaal je dan 18% tot € 30.000 en 22% over het meerdere; de korting is maximaal € 1.200 per jaar. Voor een auto die ouder is dan 16 jaar (de youngtimer) geldt 35%, berekend over de dagwaarde (de waarde in het economische verkeer) in plaats van de oude cataloguswaarde. Figuur 2 vat de drie percentages samen.

Figuur 2: de bijtellingspercentages voor 2026 en de twee grenzen die je uit elkaar moet houden.

Let op: de lage bijtelling voor elektrische auto’s wordt afgebouwd. In 2027 wordt het effectieve tarief 20% (korting nog 2%) en vanaf 2028 vervalt de korting. Schaf je in 2026 een elektrische auto aan, dan behoud je het bijtellingspercentage van dat jaar wel 60 maanden (vijf jaar) lang.

De bijtelling wordt verminderd met een eventuele eigen bijdrage of eigen kosten voor het privégebruik. De belaste bijtelling is bovendien nooit hoger dan de autokosten die je in de onderneming hebt afgetrokken.

Wanneer is de bijtelling nihil?

Rijd je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé, dan is de bijtelling nihil en houd je de volledige kostenaftrek. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privé. Je moet dat wel kunnen aantonen, bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie. Een losse verklaring is niet genoeg: bij een controle ligt de bewijslast dat je onder de 500 kilometer blijft bij jou.

Auto in privé: € 0,25 per zakelijke kilometer

Houd je de auto in privé, dan zijn de autokosten geen bedrijfskosten. Je mag voor je zakelijke ritten een vast bedrag aftrekken van je winst. Dat bedrag is per 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026). Meer dan dat vaste bedrag mag je niet aftrekken, ook al zijn je werkelijke kosten hoger. Houd daarom je zakelijke kilometers goed bij, zodat je de aftrek kunt onderbouwen.

Op de zaak of privé: welke keuze is voordeliger?

Welke optie het gunstigst is, hangt af van de cataloguswaarde van de auto, het aantal privékilometers, het aantal zakelijke kilometers en de werkelijke kosten. Een rekenvoorbeeld maakt dit concreet.

Stel: je rijdt een benzineauto met een cataloguswaarde van € 40.000 en maakt 6.000 privékilometers per jaar. Zet je de auto op de zaak, dan tel je 22% × € 40.000 = € 8.800 bij je winst (de werkelijke autokosten mag je er wel van aftrekken). Houd je de auto in privé en rijd je 10.000 zakelijke kilometers, dan trek je 10.000 × € 0,25 = € 2.500 af. Zoals figuur 1 laat zien: bij een goedkope auto met veel zakelijke en weinig privékilometers is ‘in privé’ vaak voordeliger, terwijl ‘op de zaak’ juist gunstiger kan zijn bij een dure of elektrische auto met veel privégebruik. Reken je eigen situatie altijd door voordat je kiest.

Let op de vermogensetikettering: de grens van 1.000 kilometer

De keuze op de zaak of privé is niet altijd vrij. Gebruik je de auto nagenoeg uitsluitend zakelijk, dan is hij verplicht ondernemingsvermogen. ‘Nagenoeg uitsluitend’ betekent minder dan 1.000 kilometer privé per jaar. Rijd je 1.000 kilometer of meer privé (of maak je 1.000 zakelijke kilometers of meer), dan is de auto keuzevermogen en mag je zelf kiezen.

Verwar deze grens niet met de bijtellingsgrens. De grens van 1.000 kilometer bepaalt de etikettering (op de zaak of privé), terwijl de grens van 500 kilometer bepaalt of er bijtelling volgt. Beide moet je dus apart toetsen. Je keuze kun je herzien totdat de aanslag over dat jaar definitief vaststaat; daarna alleen nog bij bijzondere omstandigheden, zoals een relevante wetswijziging. Leg je keuze daarom bewust vast in je administratie.

En de btw? De jaarlijkse correctie voor privégebruik

Heb je de btw op de aanschaf en de kosten van de auto afgetrokken, dan moet je jaarlijks een btw-correctie maken voor het privégebruik. Je geeft die correctie aan in de laatste btw-aangifte van het jaar. Je mag de verschuldigde btw forfaitair stellen op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en BPM). Een lager forfait van 1,5% geldt als je de auto zonder btw-aftrek hebt gekocht, of nadat de auto vijf jaar (inclusief het jaar van ingebruikname) in de onderneming is gebruikt. De uitkomst is nooit hoger dan de btw die je dat jaar hebt afgetrokken.

Kun je aannemelijk maken dat je werkelijke privégebruik lager is dan het forfait, dan mag je dat lagere bedrag gebruiken. Een sluitende kilometeradministratie is voor de btw niet verplicht, maar je moet het lagere privégebruik wel met een redelijke schatting kunnen onderbouwen.

Werknemer of dga met een auto van de zaak

Stel je als werkgever een auto ter beschikking aan een werknemer of aan jezelf als directeur-grootaandeelhouder (dga), dan loopt de bijtelling via de loonbelasting (artikel 13bis Wet LB 1964). De percentages, de grondslag en de grens van 500 kilometer zijn gelijk aan die voor de ondernemer. Het voordeel wordt verminderd met de eigen bijdrage die de werknemer betaalt voor privégebruik.

Wil je de bijtelling in de loonadministratie achterwege laten, dan kan de werknemer een ‘verklaring geen privégebruik auto’ bij de Belastingdienst aanvragen. Blijkt achteraf dat er toch meer dan 500 kilometer privé is gereden, dan wordt de belasting in beginsel bij de werknemer nageheven, tenzij jij als werkgever wist dat de verklaring onjuist was. Voor een uitsluitend zakelijk gebruikte bestelauto bestaat een vergelijkbare verklaring.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de etikettering. Toets of de auto verplicht ondernemingsvermogen is (minder dan 1.000 km privé) of keuzevermogen, en leg je keuze vast in de administratie.
  • Reken beide opties door. Vergelijk de bijtelling bij ‘op de zaak’ met de aftrek van € 0,25 per km bij ‘in privé’, op basis van de cataloguswaarde en je kilometers.
  • Houd een rittenregistratie bij. Wil je de nihil-bijtelling claimen (maximaal 500 km privé), dan is een sluitende rittenregistratie onmisbaar; woon-werkverkeer telt niet als privé.
  • Verwerk de bijtelling correct. Neem het juiste percentage (18%, 22% of 35%) over de juiste grondslag op in je aangifte of loonadministratie.
  • Vergeet de btw-correctie niet. Heb je btw afgetrokken, geef dan in de laatste aangifte van het jaar de correctie privégebruik aan (forfait 2,7% of 1,5%).
  • Administreer zakelijke kilometers. Rijd je zakelijk met een privéauto, houd die kilometers dan bij om de aftrek van € 0,25 per km te onderbouwen.

Veelgestelde vragen

Wat is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

In 2026 betaal je 18% bijtelling over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde en 22% over het bedrag daarboven. De korting is maximaal € 1.200 per jaar. Vanaf 2027 wordt de korting kleiner en vanaf 2028 vervalt hij.

Hoeveel privé mag ik rijden zonder bijtelling?

Maximaal 500 kilometer per jaar. Blijf je daaronder en kun je dat aantonen met een sluitende rittenregistratie, dan is de bijtelling nihil. Woon-werkverkeer telt niet als privékilometers.

Is de auto van de zaak of in privé voordeliger?

Dat hangt af van de prijs van de auto, het aantal privé- en zakelijke kilometers en de werkelijke kosten. Bij een goedkope auto met veel zakelijk en weinig privé is ‘in privé’ vaak gunstiger; bij een dure of elektrische auto met veel privégebruik kan ‘op de zaak’ beter uitpakken.

Wat is het verschil tussen de grens van 500 en 1.000 kilometer?

De grens van 500 kilometer bepaalt of je bijtelling betaalt. De grens van 1.000 kilometer bepaalt de vermogensetikettering: onder 1.000 km privé is de auto verplicht ondernemingsvermogen, daarboven mag je kiezen tussen op de zaak of privé.

Hoeveel kilometervergoeding mag ik in 2026 aftrekken?

Voor zakelijke ritten met een privéauto trek je in 2026 € 0,25 per kilometer af. Dit bedrag is verhoogd van € 0,23 en geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.

Hoe Taxcount je kan helpen

De keuze auto van de zaak of privé lijkt eenvoudig, maar de uitkomst hangt af van veel factoren: de cataloguswaarde, je kilometers, de CO2-uitstoot, de btw en de vermogensetikettering. Een verkeerde keuze of een onterechte nihil-claim kan leiden tot een naheffing met belastingrente. Taxcount rekent beide opties voor je door, beoordeelt de etikettering, richt je rittenregistratie en btw-correctie goed in en zorgt dat de bijtelling correct in je aangifte of loonadministratie komt. Wil je weten welke keuze voor jouw situatie het voordeligst is? Laat je situatie door Taxcount beoordelen. In de tussentijd kun je kijken of een zakelijke of privé auto het beste voor je is met onze zakelijk vs. privé auto dashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat je een keuze maakt.

Zie ook:

Belangrijke rechtspraken:

  • ECLI:NL:GHARL:2024:6420 (Privégebruik auto & Urencriterium)
  • ECLI:NL:GHARL:2024:7637 (Bijtelling bedrijfsauto)
  • ECLI:NL:RBZWB:2025:691 (Bewijslast 500km-grens)