Aanmerkelijk belang in box 2: waarom de 5%-grens u duizenden euro’s kan schelen

U heeft aandelen in een bv, als directeur-grootaandeelhouder (dga) of als belegger met een fors pakket. Zodra uw belang de grens van 5% raakt, heeft u een aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment vallen uw dividend en verkoopwinst niet meer in box 3, maar in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verandert hoeveel belasting u betaalt en welke verplichtingen u heeft. In dit artikel leest u wanneer u een aanmerkelijk belang heeft, welke tarieven in 2026 gelden en hoe u met slimme planning duizenden euro’s kunt besparen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

De wet verdeelt aandeelhouders in twee groepen. Kleine beleggers betalen belasting over hun vermogen in box 3. Wie een groot belang in een vennootschap heeft, is voor de wet meer ondernemer dan belegger. Die aandeelhouder betaalt belasting in box 2 over het werkelijke inkomen uit de aandelen: dividend en de winst bij verkoop.

De grens ligt bij 5%. U heeft een aanmerkelijk belang als u, alleen of samen met uw fiscale partner, direct of indirect (bijvoorbeeld via een holding) ten minste 5% van de uitgegeven aandelen van een vennootschap bezit. Dat staat in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De regel geldt ook voor buitenlandse vennootschappen, voor coöperaties en voor bepaalde beleggingsfondsen.

Niet alleen gewone aandelen tellen. U heeft ook een aanmerkelijk belang bij:

  • opties op ten minste 5% van de aandelen (rechten om aandelen te kopen);
  • winstbewijzen die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering;
  • ten minste 5% van de stemmen in een coöperatie;
  • ten minste 5% van één soort aandelen, bijvoorbeeld letteraandelen of preferente aandelen.

Belangrijk om te weten: deze categorieën mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Wie 4% aandelen en 4% opties heeft, zit dus onder de grens. En de grens is hard: precies 5% telt, 4,9% niet.

Figuur 1 loopt de vragen langs waarmee u bepaalt of uw aandelen in box 2 of in box 3 vallen. De laatste twee vragen komen in de volgende paragraaf aan bod.

   Figuur 1: vier vragen die bepalen of uw aandeleninkomen in box 2 of in box 3 valt.

Ook zonder eigen 5% in box 2

De wet kent drie uitbreidingen die in de praktijk vaak worden gemist. De Belastingdienst toetst daarom breder dan alleen uw eigen aandelenpakket.

Ten eerste de meesleepregeling: heeft u eenmaal een aanmerkelijk belang, dan vallen ook al uw overige aandelen, opties en winstbewijzen in dezelfde vennootschap in box 2. Ten tweede de meetrekregeling: bezit u zelf minder dan 5%, maar heeft uw partner, een (groot)ouder of een (klein)kind van u of uw partner wél een aanmerkelijk belang in dezelfde vennootschap, dan valt uw kleine pakket toch in box 2. Broers en zussen tellen hierbij niet mee. Ten derde het fictieve aanmerkelijk belang: is bij u ooit een doorschuifregeling toegepast, bijvoorbeeld bij de geruisloze inbreng van uw onderneming in een bv of bij vererving van aandelen, dan blijft een belang onder de 5% toch als aanmerkelijk belang gelden.

Een voorbeeld van de meetrekregeling: vader heeft 96% van de aandelen in de familie-bv, dochter heeft 4%. De dochter zit onder de 5%, maar wordt door het belang van haar vader meegetrokken. Haar dividend valt daardoor gewoon in box 2. Voor u betekent dit: kijk niet alleen naar uw eigen belang, maar naar de hele familiekring rond de vennootschap.

Figuur 2 laat zien wie er tot die familiekring hoort en wie erbuiten valt.

Figuur 2: de meetrekregeling geldt voor uw fiscale partner en voor familie in de rechte lijn; broers en zussen tellen niet mee.

Tarieven box 2 in 2026

In 2026 kent box 2 twee schijven. Over de eerste € 68.843 aan inkomen uit aanmerkelijk belang betaalt u 24,5%. Over alles daarboven betaalt u 31%. Heeft u een fiscale partner, dan kunt u het inkomen verdelen en geldt de lage schijf tot € 137.686 gezamenlijk. Dat maakt de verdeling van dividend een belangrijk planningsinstrument.

Figuur 3 zet beide schijven naast elkaar, met en zonder verdeling over een fiscale partner.

Figuur 3: de twee schijven van box 2 in 2026; met een fiscale partner loopt de lage schijf door tot € 137.686 samen.

Rekenvoorbeeld

De situatie

Karin is dga van een bv met flinke winstreserves. Zij wil in 2026 € 140.000 dividend uitkeren aan privé. Karin is gehuwd; haar echtgenoot heeft geen eigen inkomen in box 2.

Scenario A: Karin geeft het volledige dividend bij zichzelf aan
Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief € 68.843 24,5% € 16.867
Hoog tarief € 71.157 31% € 22.059
Totaal € 140.000   € 38.926

 

Scenario B: Karin verdeelt het dividend met haar fiscale partner
Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief (2 × € 68.843) € 137.686 24,5% € 33.733
Hoog tarief € 2.314 31% € 717
Totaal € 140.000   € 34.450

 

De conclusie: door het dividend in de aangifte te verdelen over beide fiscale partners betaalt Karin € 34.450 in plaats van € 38.926. Dat scheelt € 4.476 aan belasting bij precies dezelfde uitkering. Spreiden over meerdere jaren kan een vergelijkbaar effect hebben.

Figuur 4 zet de twee scenario’s van Karin naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde uitkering van € 140.000, twee keer een andere belastingdruk.

Praktische gevolgen

Een aanmerkelijk belang brengt verplichtingen mee die verder gaan dan de aangifte alleen. U geeft dividend en verkoopwinst aan in box 2. Daarnaast moet u de verkrijgingsprijs van uw aandelen vastleggen: het bedrag dat fiscaal als uw aankoopprijs geldt. Die verkrijgingsprijs bepaalt later hoeveel verkoopwinst belast wordt. Werkt u als dga voor uw eigen bv, dan geldt bovendien de gebruikelijkloonregeling: u moet uzelf een zakelijk salaris toekennen. Verhuurt u privévermogen aan uw bv, zoals een pand, dan valt dat onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.

Let verder op momenten waarop uw positie ongemerkt verandert. Een huwelijk, een echtscheiding, een statutenwijziging, het certificeren van aandelen of een wijziging in een familiefonds kan leiden tot een fictieve vervreemding, waarbij de Belastingdienst afrekent alsof u uw aandelen heeft verkocht. Ook goed om te weten: wie alleen via de meetrekregeling een aanmerkelijk belang heeft, krijgt geen toegang tot de doorschuifregelingen bij schenken en erven en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Conclusie en advies

De 5%-grens van het aanmerkelijk belang bepaalt of uw aandeleninkomen in box 2 of box 3 valt, en dat verschil loopt snel in de duizenden euro’s. De regels kijken verder dan uw eigen pakket: partner, familie in de rechte lijn, opties, soortaandelen en oude doorschuiftrajecten tellen mee. Tegelijk biedt box 2 kansen, zoals het verdelen van dividend met uw fiscale partner of het spreiden van uitkeringen over meerdere jaren. Twijfelt u of u een aanmerkelijk belang heeft, of wilt u weten wat het voordeligste uitkeringsmoment is? De adviseurs van Taxcount rekenen uw situatie graag door en zorgen dat u geen grens of faciliteit over het hoofd ziet. Neem gerust contact op voor een vrijblijvende kennismaking.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Asset deal of share deal: zo bepaalt u hoe u uw bedrijf het beste verkoopt

U hebt jaren aan uw bedrijf gebouwd en er dient zich een koper aan. Dan komt vrijwel meteen de vraag op tafel die het financiële resultaat van de hele verkoop bepaalt: verkoopt u de bezittingen en schulden van het bedrijf, of verkoopt u de aandelen in uw bv? Dat is de keuze tussen een asset deal en een share deal. Die keuze bepaalt wie welke belasting betaalt, of er btw over de transactie loopt, welke contracten en welke medewerkers meegaan, en welke risico’s ook na de overdracht bij u blijven liggen. In dit artikel leest u wat beide routes fiscaal betekenen, welke faciliteiten en drempels in 2026 gelden, en wat u het beste jaren vooraf al regelt.

Wat is het verschil tussen een asset deal en een share deal?

Bij een asset deal, ook wel activa-passivatransactie genoemd, verkoopt u de onderdelen van het bedrijf: het pand, de machines, de voorraad, de klantenkring en de goodwill. Met goodwill bedoelen we de waarde van uw naam, uw klantenkring en uw marktpositie, die niet in losse bezittingen zit. Het bedrijf zelf blijft juridisch achter bij u; alleen de inhoud gaat over. Bij een share deal verkoopt u de aandelen in de bv. Het bedrijf verandert dan niet: alle contracten, vergunningen en arbeidsovereenkomsten blijven staan waar ze staan, want de bv blijft dezelfde partij.

Of u die keuze überhaupt hebt, hangt af van uw rechtsvorm. Hebt u een eenmanszaak, een vof of een maatschap, dan zijn er geen aandelen en is elke verkoop automatisch een activa-passivatransactie. De keuze verschuift dan naar de vraag of u vooraf nog een bv tussen uzelf en de onderneming zet. Hebt u wel een bv, dan kunt u kiezen: de bv verkoopt haar onderneming, of u verkoopt de aandelen in de bv. Figuur 1 laat zien welke route bij welke rechtsvorm hoort en hoe de verkoopwinst dan wordt belast.

    Figuur 1: uw rechtsvorm bepaalt of u kunt kiezen tussen een asset deal en een share deal, en hoe de verkoopwinst wordt belast.

In de praktijk lopen de belangen tegengesteld. Kopers willen meestal een asset deal: zij kiezen precies uit wat zij overnemen, laten het verleden van de onderneming achter en mogen afschrijven op de betaalde goodwill. Verkopers willen meestal een share deal: die is fiscaal vaak gunstiger, en het verleden gaat mee de deur uit. Dat verschil in belang komt terug in de prijs. Wie de fiscale gevolgen van beide routes kent, onderhandelt daar bewuster over. Figuur 2 zet naast elkaar wat er bij elke route meegaat en wat achterblijft of nog actie vraagt.

Figuur 2: wat er bij een asset deal en bij een share deal meegaat, en wat achterblijft of nog actie van u vraagt.

Wat betekent een asset deal voor u als IB-ondernemer?

Waarover rekent u af?

Verkoopt u als ondernemer voor de inkomstenbelasting uw hele onderneming, dan is dat fiscaal een staking. U rekent in één keer af over alles wat nog niet eerder is belast. Daar horen drie dingen bij: de stille reserves, dat wil zeggen het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van uw bezittingen, de goodwill die u in de loop der jaren hebt opgebouwd, en de fiscale reserves die nog op uw balans staan. Bij elkaar is dat de stakingswinst, en die valt in box 1.

Belangrijk is dat u de koopsom per bedrijfsmiddel toerekent. Staat er in de koopovereenkomst geen prijs per onderdeel, dan moet de koopsom in redelijkheid worden verdeeld over de bezittingen en de goodwill. Legt u de verdeling wel vast, dan moet die met de werkelijkheid overeenkomen. De bewijslast ligt bij u, zeker als u later van de verdeling in de koopovereenkomst wilt afwijken. Onderbouw de verdeling daarom met taxaties op het moment dat u tekent, niet achteraf.

Welke faciliteiten verzachten de rekening in 2026?

Tegenover die afrekening staan drie regelingen die de belastingdruk verlagen of uitstellen.

  • In 2026 mag u maximaal 3.630 euro van de stakingswinst aftrekken. Die aftrek geldt eenmaal in uw leven, dus als u eerder al een onderneming hebt beëindigd, is hij mogelijk al gebruikt.
  • MKB-winstvrijstelling. Van de winst die overblijft na de ondernemersaftrek is in 2026 12,7 procent vrijgesteld. Die vrijstelling geldt ook over stakingswinst.
  • U mag een deel van de stakingswinst omzetten in een lijfrente en daarmee de belasting uitstellen tot het moment waarop de uitkeringen binnenkomen. In 2026 is dat maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro, afhankelijk van uw leeftijd, van arbeidsongeschiktheid en van het moment waarop de uitkeringen ingaan. Wat u al aan pensioen en lijfrente hebt opgebouwd, gaat van dat maximum af.

Aan de stakingslijfrente zitten twee harde voorwaarden. De premie moet uiterlijk zes maanden na afloop van het stakingsjaar zijn betaald of verrekend; het bedrag schuldig blijven is niet genoeg. En er mag geen sprake zijn van een vooraf afgesproken doorverkoop of van een op het moment van de overdracht al vaststaande liquidatie. Staat vast dat de onderneming kort daarna wordt opgeheven of dat de verkoop aan een derde vrijwel rond is, dan vervalt de aftrek volledig. De maatstaf is dus wat vaststaat, niet wat u van plan bent.

Verkoopt u alles, of een deel?

Het maakt fiscaal verschil of u de hele onderneming staakt of maar een deel. Bij een gedeeltelijke staking vervallen de stakingsaftrek en de doorschuifregeling, terwijl een herinvesteringsreserve juist alleen bij een gedeeltelijke staking in stand kan blijven. Van een gedeeltelijke staking is al sneller sprake dan ondernemers denken: ook de verkoop van alleen een deel van uw klantenbestand met wat inventaris telt mee, als uw onderneming daardoor in korte tijd duurzaam en flink kleiner wordt.

  Hele onderneming Deel van de onderneming
Stakingsaftrek ja, maximaal 3.630 euro nee
Stakingslijfrente ja ja
Herinvesteringsreserve nee, valt verplicht vrij mogelijk, als u nog wilt herinvesteren
Doorschuiven naar een nieuwe onderneming ja, op verzoek nee

 

Wilt u na de verkoop opnieuw ondernemen, dan kunt u de stakingswinst doorschuiven naar die nieuwe onderneming. U doet daarvoor een verzoek bij uw aangifte. U krijgt dan een conserverende aanslag, dat is een aanslag die wel wordt opgelegd maar die u nog niet hoeft te betalen, en u moet herinvesteren in het jaar van de staking of binnen twaalf maanden daarna, in een onderneming waaruit u zelf winst geniet. Let op: verliezen uit het verleden kunt u niet met dat doorgeschoven inkomen verrekenen. Hebt u nog te verrekenen verliezen, dan kan doorschuiven juist ongunstig uitpakken.

Twee posten die u makkelijk over het hoofd ziet

De eerste is de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u bedrijfsmiddelen mee waarop u investeringsaftrek hebt gehad, en zijn er sinds het begin van dat investeringsjaar nog geen vijf jaar verstreken, dan telt u hetzelfde percentage weer bij uw winst op zodra u in een jaar voor meer dan 2.900 euro desinvesteert. Meer dan u destijds hebt afgetrokken, wordt nooit bijgeteld. Vraag vóór de onderhandelingen een investeringsoverzicht van de laatste vijf jaar op en neem de uitkomst mee in de prijs.

De tweede is de herinvesteringsreserve, waarmee u de winst op een verkocht bedrijfsmiddel tijdelijk opzij zet om later opnieuw te investeren. Staat die nog op uw balans en staakt u de hele onderneming, dan valt de reserve verplicht vrij in de stakingswinst. Vergeet u dat, dan is het probleem niet weg: de Belastingdienst kan de reserve in een later jaar alsnog belasten, ook als uw onderneming dan feitelijk niet meer bestaat.

Wat betekent een share deal, en wie betaalt dan de belasting?

Verkoopt uw holding de aandelen? Dan geldt de deelnemingsvrijstelling

Houdt een holding-bv de aandelen in uw werk-bv, dan is de winst bij verkoop van die aandelen in beginsel onbelast. Dat komt door de deelnemingsvrijstelling, een regeling die voorkomt dat dezelfde winst twee keer met vennootschapsbelasting wordt belast. Zij geldt als de holding ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal van de werk-bv bezit. Dit is de reden dat een verkopende directeur-grootaandeelhouder (DGA) vrijwel altijd naar de share deal kijkt: de meerwaarde die bij een asset deal in de vennootschapsbelasting zou vallen, blijft nu buiten de heffing.

De keerzijde staat minder vaak in de presentatie van de adviseur. De opbrengst zit dan wel in de holding en niet op uw privérekening. Wilt u er privé over beschikken, dan volgt bij de uitkering alsnog heffing in box 2. En de kosten van de verkoop, van advocaat en notaris tot adviseurs en zelfs uw eigen interne uren, zijn bij de holding niet aftrekbaar. Dat aftrekverbod geldt alleen als de verkoop ook echt doorgaat. Ketst een transactie definitief af, dan zijn de kosten van dat traject in beginsel wel aftrekbaar. Verkoopt u de aandelen daarna alsnog aan een andere partij, dan moet per kostenpost worden beoordeeld of u die kosten ook zonder dat eerste traject had gemaakt. Kosten die pas een gevolg zijn van de verkoop, zoals een afscheidsbonus die u ná de overdracht toekent, vallen buiten het aftrekverbod. Leg daarom per factuur vast op welke transactie en op welke fase zij ziet; achteraf is dat niet meer te reconstrueren.

Houdt u de aandelen privé? Dan loopt de verkoop via box 2

Bezit u de aandelen rechtstreeks, zonder holding, dan is de verkoopwinst belast in box 2. Het belaste voordeel is de overdrachtsprijs min de verkrijgingsprijs, dat wil zeggen wat u destijds voor de aandelen hebt betaald. In 2026 betaalt u in box 2 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over het meerdere.

Hier ligt precies het spiegelbeeld van de holdingsituatie: de kosten tellen in box 2 juist wél mee. Aankoopprovisie, honoraria van adviseurs en notariskosten verhogen de verkrijgingsprijs, en de verkoopkosten verlagen de overdrachtsprijs. De grens is dat de kosten in onmiddellijk verband met de verkrijging moeten staan. Betaalde schenkbelasting, kosten om de verkrijgingsprijs te laten vaststellen en rente over de periode dat u de aandelen hield, tellen niet mee.

Let op één valkuil. Is uw bv ooit ontstaan uit een geruisloze inbreng van een eenmanszaak, dan kan de verkrijgingsprijs negatief zijn. In dat geval wordt bij de verkoop meer belast dan u aan verkoopprijs ontvangt. Vraag daarom vóór de onderhandelingen op wat uw fiscale verkrijgingsprijs is.

Wanneer is de verkoop fiscaal een feit?

Voor box 2 telt niet de datum van de notariële akte, maar het moment waarop de koopovereenkomst perfect wordt en het economische belang overgaat. Bij een transactie rond de jaarwisseling bepaalt dat in welk jaar u de belasting betaalt. Werkt u met een opschortende voorwaarde, bijvoorbeeld een blokkeringsregeling in de statuten, dan verschuift het moment naar de vervulling van die voorwaarde.

Wat als de prijs later nog verandert?

Een nabetaling of earn-out, dat is een deel van de prijs dat pas later wordt betaald als het bedrijf bepaalde resultaten haalt, werkt in box 2 anders dan onder de deelnemingsvrijstelling. Bij de holding valt een latere prijsaanpassing gewoon onder de vrijstelling en blijft die dus onbelast. In box 2 wordt in het jaar van de verkoop de hele overdrachtsprijs belast, ook het deel dat u nog niet hebt ontvangen. Staat de prijs niet vast, dan maakt u een schatting. Valt de opbrengst hoger uit, dan wordt het meerdere belast zodra u het ontvangt. Valt zij lager uit, dan telt het nadeel pas mee bij de laatste termijn.

Wat daarbij de doorslag geeft, is de tekst van de koopovereenkomst. Voert u alleen uit wat u al had afgesproken, bijvoorbeeld een balansgarantie waarin u garandeert dat de balans klopt en de prijs daalt als dat niet zo blijkt, dan is verdedigbaar dat de correctie terugwerkt naar het jaar van verkoop en dat die aanslag wordt verminderd. Over dat punt lopen de opvattingen in de vakliteratuur uiteen, dus laat de tekst van zo’n garantie vooraf fiscaal beoordelen. Spreekt u later alsnog een nieuwe prijs af, dan valt het nadeel in het jaar van die nieuwe afspraak. Een prijsverlaging die jaren later wordt overeengekomen, moet bovendien zakelijk zijn en aantoonbaar; anders wordt zij niet geaccepteerd.

Verkoopt u aan familie, tegen een vriendenprijs?

Ontbreekt een tegenprestatie of is de prijs tot stand gekomen in een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan rekent de Belastingdienst met de waarde in het economische verkeer. De Hoge Raad legt daarbij de nadruk op de bedoeling om de ander te bevoordelen: is die er niet, dan is er geen reden voor correctie. Bij een verkoop binnen de familie is de vastgelegde onderbouwing van de prijs daarom uw hele verweer. Leg de onderhandelingen en de waardering schriftelijk vast.

Rekenvoorbeeld: wat scheelt de routekeuze in de praktijk?

Stel: uw bedrijf is 800.000 euro waard. De fiscale boekwaarde van de bezittingen is 300.000 euro, dus er zit 500.000 euro aan meerwaarde en goodwill in. U hebt de AOW-leeftijd nog niet bereikt en verder geen ander inkomen in box 1. De bedragen hieronder zijn afgerond en dienen ter illustratie; uw eigen uitkomst hangt af van uw overige inkomen, uw leeftijd en de afspraken in de koopovereenkomst.

Figuur 3 laat eerst stap voor stap zien hoe die 500.000 euro bij een eenmanszaak tot een aanslag leidt.

Figuur 3: van meerwaarde naar aanslag bij een eenmanszaak, met de stakingsaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de stakingslijfrente.

Route Belasting bij de verkoop Toelichting
Eenmanszaak, activatransactie afgerond 204.400 euro in box 1 stakingswinst 500.000 euro, min 3.630 euro stakingsaftrek, min 12,7 procent MKB-winstvrijstelling, dus 433.331 euro belastbaar
Bv verkoopt de onderneming 115.400 euro vennootschapsbelasting boekwinst 500.000 euro: 19 procent over de eerste 200.000 euro en 25,8 procent over de rest. Het geld zit daarna nog in de bv
Holding verkoopt de aandelen 0 euro bij de holding deelnemingsvrijstelling. De verkoopkosten zijn niet aftrekbaar en bij uitkering naar privé volgt nog box 2
DGA verkoopt de aandelen privé afgerond 204.800 euro in box 2 opbrengst 800.000 euro, min 25.000 euro verkoopkosten, min 100.000 euro verkrijgingsprijs, dus 675.000 euro belast tegen 24,5 en 31 procent

 

Twee dingen vallen op. De eerste route en de laatste komen toevallig bijna op hetzelfde bedrag uit, maar de weg ernaartoe verschilt volledig; bij de eenmanszaak kunt u de rekening bijvoorbeeld nog verlagen met een stakingslijfrente. Zet u in het eerste voorbeeld 143.732 euro om in een lijfrente, dan daalt de aanslag naar afgerond 133.300 euro. Dat is uitstel, geen afstel: over de latere uitkeringen betaalt u alsnog belasting. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: de belasting bij de verkoop per route, bij een bedrijfswaarde van 800.000 euro en een boekwaarde van 300.000 euro.

Het tweede punt is dat de holdingroute in de tabel en in figuur 4 op nul lijkt uit te komen, maar dat niet is. Het geld staat dan in uw holding. Haalt u het naar privé, dan komt de box 2-heffing er alsnog achteraan. De vergelijking is dus pas eerlijk als u meeneemt wanneer en waarvoor u het geld nodig hebt.

Moet u btw rekenen over een asset deal?

Meestal niet, en dat is geen keuze maar een wettelijke regel. Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan wordt geacht dat er geen levering of dienst plaatsvindt. De koper treedt voor de btw in uw plaats. Die regel geldt van rechtswege zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Er zijn twee voorwaarden. Ten eerste moet u een geheel overdragen waarmee de koper zelfstandig een economische activiteit kan uitoefenen. De verkoop van alleen een voorraad producten of van losse machines valt daar niet onder. Blijft een onderdeel achter dat noodzakelijk is om de onderneming te drijven, dan is het geen algemeenheid meer. Of u het bedrijfspand in eigendom of in huur overdraagt, maakt niet uit; ook een huurrecht kan volstaan, mits het echt meegaat. Ten tweede moet de koper op het moment van de overdracht de bedoeling hebben om de onderneming voort te zetten en niet om haar meteen op te heffen en leeg te verkopen.

Brengt u toch btw in rekening terwijl deze regel geldt, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. De Belastingdienst kan die btw onder omstandigheden zelfs bij de koper naheffen. Dat is een discussie die u eenvoudig voorkomt: leg de voortzettingsbedoeling van de koper schriftelijk vast in de koopovereenkomst. Verplicht is dat niet, maar het kost niets en het is achteraf uw bewijs.

Twee aandachtspunten blijven. Btw-schulden die zijn ontstaan vóór de overdracht kunnen alleen bij u worden nageheven, niet bij de koper, en afspraken die u met de Belastingdienst hebt gemaakt gaan niet mee over. Laat lopende contracten bovendien intact meegaan in plaats van ze te beëindigen en de koper nieuwe te laten sluiten: doet u dat wel, dan kan de regeling alsnog niet van toepassing zijn.

Wanneer roept de verkoop overdrachtsbelasting op?

Zit er onroerend goed in de transactie, dan verdient de overdrachtsbelasting een eigen controle. In 2026 is het algemene tarief 10,4 procent en geldt voor woningen die niet als eigen hoofdverblijf worden gebruikt 8 procent.

Het verrassende nadeel bij een asset deal

Omdat bij een kwalificerende asset deal voor de btw geen levering plaatsvindt, kunt u ook geen beroep meer doen op de samenloopvrijstelling die dubbele heffing van btw en overdrachtsbelasting voorkomt. Er bestaat een goedkeuring die dit repareert, maar die kent eigen voorwaarden. Zit er vastgoed in de deal, laat dit dan vooraf toetsen. Het is een van de weinige punten waarop een fiscaal gunstige btw-behandeling tot een hogere rekening elders leidt.

Ook een aandelenverkoop kan belast zijn

Verkoopt u aandelen in een vennootschap die vooral vastgoed bezit, dan kan die verkoop toch overdrachtsbelasting oproepen. De wet merkt zo’n vennootschap aan als onroerendezaakrechtspersoon. Daarvoor moeten drie horden worden genomen. De bezittingen moeten voor meer dan 50 procent uit onroerende zaken bestaan en tegelijk voor ten minste 30 procent uit Nederlands vastgoed, gemeten naar de werkelijke waarde en niet naar de boekwaarde. Die onroerende zaken moeten voor ten minste 70 procent van hun waarde dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren daarvan; de feitelijke activiteiten tellen, niet de omschrijving in de statuten. En de koper moet een kwalificerend belang bereiken, in de regel ten minste een derde.

Voor de meeste MKB-bedrijven pakt dit gunstig uit: een gewone werk-bv met een eigen bedrijfspand valt hierbuiten, omdat het pand dienstbaar is aan de onderneming en niet aan de exploitatie van vastgoed. Een vastgoed-bv die aan derden verhuurt, valt er juist onder. Twee dingen zijn dan van belang. Er geldt een terugblik van een jaar, dus de balans tijdelijk verwateren met liquide middelen werkt niet. En verkopen in twee tranches helpt evenmin: verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde koper en zijn naaste kring worden bij elkaar opgeteld, zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Bij een belaste verkrijging van aandelen doet niet de notaris maar de koper zelf aangifte.

Eerst een bv tussen uzelf en uw onderneming zetten?

Wie een eenmanszaak heeft en fiscaal liever een share deal doet, kan de onderneming eerst inbrengen in een bv en daarna de aandelen verkopen. Dat kan geruisloos, dus zonder direct af te rekenen. Er zit alleen een stevige rem op. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng, dan geldt het vermoeden dat de inbreng onderdeel was van een plan om de onderneming over te dragen, en dan vervalt de faciliteit. U mag tegenbewijs leveren, maar de bewijslast ligt volledig bij u. De termijn begint te lopen op de oprichtingsdatum van de bv. Figuur 5 laat die route en die termijn zien.

 Figuur 5: eerst een bv tussen uzelf en de onderneming zetten en daarna de aandelen verkopen, met de driejaarstermijn na de inbreng.

Het alternatief is een ruisende inbreng: u rekent direct af, zet de stakingswinst om in een stakingslijfrente en de bv mag daarna afschrijven over de hogere waarde. De vuistregel uit de vakliteratuur is eenvoudig. Past de stakingswinst binnen de ruimte voor lijfrenteaftrek, dan is een ruisende inbreng meestal de betere keuze. Is de stakingswinst hoger, dan komt de geruisloze inbreng in beeld. Reken beide varianten door voordat u een letter of intent tekent.

Zit uw onderneming al in een concern, dan gelden vergelijkbare wachttijden. Is binnen een fiscale eenheid, waarbij meerdere bv’s samen één aangifte doen, vermogen met een meerwaarde verschoven en wordt de betrokken vennootschap daarna verkocht, dan volgt herwaardering naar de werkelijke waarde, tenzij er zes jaar zijn verstreken. Alleen als een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan is overgedragen tegen uitgifte van nieuwe aandelen, geldt een kortere termijn van drie jaar; die eis van uitgifte van aandelen is hard. Die sanctie kent geen tegenbewijs. Bij een verkoop onder ontbindende voorwaarden begint de klok bovendien later te lopen dan de koopovereenkomst suggereert, namelijk pas als vaststaat dat aan alle voorwaarden is voldaan. De les is steeds dezelfde: herstructureer vóórdat een verkoopproces begint, niet erna.

Draagt u over aan uw kind? Dan is verkopen vaak niet de route

Gaat het bedrijf naar de volgende generatie, dan is de vraag niet asset of share, maar verkopen of doorschuiven. Bij vererving en bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen, dat wil zeggen een belang van ten minste 5 procent in een bv, kunt u samen met de verkrijger verzoeken de overgang niet als vervreemding aan te merken, voor zover de waarde is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. U rekent dan niet af; de claim schuift door naar uw kind. Bij schenking geldt sinds 1 januari 2025 dat de verkrijger 21 jaar of ouder moet zijn; de oude eis van 36 maanden dienstbetrekking is vervallen.

Beleggingsvermogen gaat niet mee. Als ondernemingsvermogen telt het vermogen dat aan de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met beleggingsvermogen tot ten hoogste 5 procent daarvan. Panden die u meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking stelt, vallen erbuiten, net als bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer die u voor meer dan een klein deel privé gebruikt. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privégebruik. Let er verder op dat de doorschuifregeling in box 2 zelf geen bezits- of voortzettingseis kent; die eisen gelden in de schenk- en erfbelasting, waar de voortzettingstermijn per 1 januari 2026 is verkort van vijf naar drie jaar.

Welke risico’s blijven na de verkoop bij u liggen?

Met de handtekening onder de akte bent u er niet. Vier regelingen lopen door, en juist die worden in de prijsonderhandeling het vaakst vergeten. Figuur 6 zet de termijnen op een rij.

Figuur 6: de aansprakelijkheden en termijnen die na de overdracht doorlopen.

Aansprakelijkheid bij verkoop van een kasrijke of beleggende bv

Verkoopt u, samen met uw partner en bloedverwanten in de rechte lijn, een belang van ten minste een derde in een vennootschap waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen bestaan, en liquide middelen tellen daarbij mee, dan kunt u nog jaren na de verkoop aansprakelijk worden gesteld. Het gaat om de volledige vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop, ongeacht waar die winst vandaan komt, plus de vennootschapsbelasting over de drie jaren daarna voor zover die samenhangt met de reserves die op het moment van verkoop in de bv zaten.

Die aansprakelijkheid ontstaat alleen als het vermogen van de vennootschap buiten de normale bedrijfsvoering is verminderd, in de vijf jaar vóór, in het jaar van of in de drie jaar na de verkoop. Een gewone winstuitkering of de betaling van vennootschapsbelasting telt daar niet voor mee. De omvang van de onttrekking is echter niet relevant: in beginsel kan één euro al genoeg zijn om de aansprakelijkheid in werking te zetten. De mogelijkheid om u vrij te pleiten is sinds 2015 sterk versmald en de bewijslast ligt bij u. Zij geldt alleen nog voor een deel van de reserves, en dan nog alleen als de zaken en rechten waarop die reserves zien na de verkoop ten minste zes maanden in de bv blijven.

Twee maatregelen hebben in de rechtspraak geholpen. De eerste is uitvoerig en aantoonbaar onderzoek naar de achtergrond van de koper en naar zijn plannen met de aankoop. De tweede is het bedrag aan latent verschuldigde vennootschapsbelasting via de kwaliteitsrekening van de notaris aan de vennootschap betalen. Die rechtspraak dateert wel van vóór de aanscherping van 15 september 2015, dus onder het huidige recht bieden deze maatregelen minder zekerheid dan destijds. Ze blijven niettemin het beste dat u kunt doen. Leg vóór de overdracht schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht: dat dossier is achteraf uw enige verweer.

Aansprakelijkheid uit een fiscale eenheid

Maakte de verkochte bv deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan blijft zij hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting van de hele eenheid over de periode waarin zij daarvan deel uitmaakte. Hoofdelijk aansprakelijk betekent dat de Belastingdienst de hele schuld bij haar kan opeisen. De wet regelt niet wie dat uiteindelijk draagt, dus dat moet in de koopovereenkomst worden afgesproken. Bestond er een fiscale eenheid voor de btw, dan geldt daar een aansprakelijkheid zonder ontsnappingsmogelijkheid, die pas eindigt als de bv feitelijk niet meer tot die eenheid behoort én u de inspecteur daarover schriftelijk hebt geïnformeerd. Zet die melding op de checklist voor de dag van de overdracht.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Treedt u bij de overdracht af als bestuurder, dan bent u niet van uw verleden af. U blijft aansprakelijk voor belastingschulden die tijdens uw bestuur zijn ontstaan, ook als de aanslag pas veel later wordt opgelegd. Kan de vennootschap in die periode niet betalen, dan moet dat onverwijld bij de ontvanger zijn gemeld, in de praktijk uiterlijk twee weken na de dag waarop betaald had moeten worden.

Wat regelt u civielrechtelijk en voor uw personeel?

Hier zit het praktische verschil tussen de twee routes, en het is precies omgekeerd aan het fiscale beeld.

Bij een share deal gaat er één ding over: het aandeel, geleverd bij notariële akte. Wel moet u eerst de blokkeringsregeling in de statuten volgen, de bepaling die u meestal verplicht de aandelen eerst aan uw mede-aandeelhouders aan te bieden. Een overdracht in strijd met zo’n statutaire beperking is ongeldig.

Bij een asset deal moet elk vermogensbestanddeel afzonderlijk worden geleverd. Onroerende zaken gaan via een notariële akte met inschrijving in de openbare registers, vorderingen via een akte met mededeling aan de debiteur. Schulden gaan alleen over als de schuldeiser toestemming geeft, en een contract gaat alleen over met medewerking van de wederpartij. Daar zit de pijn: change-of-controlbepalingen, huurcontracten, leases, vergunningen en licenties moeten stuk voor stuk worden nagelopen. Begin daar vroeg mee, want het duurt vrijwel altijd langer dan gepland.

Voor uw medewerkers geldt het omgekeerde. Bij een asset deal die kwalificeert als overgang van onderneming gaan de arbeidsovereenkomsten van rechtswege mee over, en blijft u nog een jaar hoofdelijk verbonden voor verplichtingen van vóór de overgang. Pensioen kent een eigen regime. Bij een share deal blijft de bv gewoon de werkgever en verandert er arbeidsrechtelijk niets. Bij beide routes geldt wel het adviesrecht van de ondernemingsraad. Het advies moet worden gevraagd op een moment waarop het nog invloed kan hebben op uw besluit, en wijkt u van het advies af, dan moet u de uitvoering een maand opschorten. Hebt u geen ondernemingsraad, dan informeert u de medewerkers zelf over het besluit, de datum, de reden en de gevolgen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de route vroeg. De keuze tussen asset deal en share deal vraagt vaak jaren voorbereiding. Begin het gesprek voordat een koper zich meldt, niet erna.
  • Laat het bedrijf waarderen. Zonder een onderbouwde waardering weet u niet hoe groot de meerwaarde is en kunt u de routes niet vergelijken.
  • Vraag uw verkrijgingsprijs op. Bij een verkoop in box 2 bepaalt de verkrijgingsprijs de heffing. Na een geruisloze inbreng kan die negatief zijn.
  • Check de stakingsaftrek. Die geldt eenmaal in uw leven. Laat oude aangiften nakijken als u eerder een onderneming hebt beëindigd.
  • Reken de lijfrenteruimte door. Doe dat voordat de overdrachtsdatum vastligt, en houd rekening met de betaaltermijn van zes maanden na afloop van het stakingsjaar.
  • Haal het investeringsoverzicht op. Investeringsaftrek uit de laatste vijf jaar kan een desinvesteringsbijtelling opleveren die de opbrengst verlaagt.
  • Leg de koopprijsverdeling vast. Verdeel de koopsom per bedrijfsmiddel en onderbouw dat met taxaties op het moment van tekenen.
  • Beoordeel de btw. Gaat een hele onderneming over, dan mag u geen btw factureren. Leg de voortzettingsbedoeling van de koper vast in de overeenkomst.
  • Toets het vastgoed apart. Zit er onroerend goed in de deal, controleer dan de samenloop met de overdrachtsbelasting en of de bv als onroerendezaakrechtspersoon geldt.
  • Bewaak de wachttijden. Drie jaar na een geruisloze inbreng, en drie of zes jaar na een interne overdracht binnen een fiscale eenheid. Hebt u eerder een bedrijfsfusie of afsplitsing gedaan, waarbij een onderdeel van uw bedrijf naar een andere bv is verplaatst, laat dan vóór de verkoop toetsen of de fiscale faciliteit in stand blijft; de rechtspraak op dat punt is in 2026 gewijzigd.
  • Documenteer de koper. Verkoopt u een bv met veel beleggingen of spaargeld, leg dan schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht.
  • Meld het einde van een btw-eenheid. Zonder schriftelijke melding aan de inspecteur loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid gewoon door.
  • Vraag de ondernemingsraad tijdig om advies. Of informeer uw medewerkers als er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is.

 

Veelgestelde vragen

Is een share deal altijd voordeliger voor de verkoper?

Nee. Voor een DGA met een holding is de share deal meestal het gunstigst, omdat de deelnemingsvrijstelling de verkoopwinst vrijstelt. Maar de opbrengst zit dan in de holding en bij uitkering naar privé volgt alsnog box 2. Hebt u een eenmanszaak, dan bestaat de keuze niet en is de vraag vooral of u vooraf een bv tussen uzelf en de onderneming zet.

Moet u btw rekenen als u uw onderneming verkoopt?

Draagt u een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan geldt van rechtswege dat er geen levering plaatsvindt en mag u geen btw factureren. Doet u dat toch, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. Bij een aandelenverkoop speelt dit niet, omdat de bv dezelfde ondernemer blijft.

Kunt u de belasting over de stakingswinst uitstellen?

Ja, op twee manieren. U kunt de stakingswinst omzetten in een lijfrente, in 2026 tot maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro afhankelijk van uw situatie. Of u schuift de winst door naar een nieuwe onderneming, mits u binnen twaalf maanden herinvesteert. Beide routes stellen de heffing uit; ze stellen haar niet af.

Zijn uw advieskosten bij de verkoop aftrekbaar?

Dat hangt af van de route. Verkoopt uw holding de aandelen, dan zijn de aan- en verkoopkosten niet aftrekbaar, ook niet uw eigen interne uren. Verkoopt u de aandelen privé, dan verlagen de verkoopkosten juist uw belaste voordeel in box 2. Bij een asset deal zijn transactiekosten in beginsel gewone ondernemingskosten.

Kunt u na de verkoop nog aansprakelijk worden gesteld?

Ja. Verkoopt u aandelen in een bv waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen of liquide middelen bestaan, dan kunt u aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting van die bv over het jaar van verkoop en de drie jaren daarna. Ook aansprakelijkheden uit een fiscale eenheid en uit uw bestuursperiode lopen door. Onderzoek naar de koper en goede contractuele afspraken beperken dat risico.

U wilt uw bedrijf overdragen aan uw kind. Geldt dit artikel dan ook?

Gedeeltelijk. Bij een overdracht binnen de familie is doorschuiven meestal aantrekkelijker dan verkopen. Bij vererving en schenking van aanmerkelijkbelangaandelen kunt u de box 2-claim doorschuiven voor zover die ziet op het ondernemingsvermogen. Bij schenking moet uw kind 21 jaar of ouder zijn. Beleggingsvermogen gaat niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze tussen een asset deal en een share deal is vrijwel altijd het duurste besluit van een verkooptraject, en de beste beslissing neemt u jaren voordat de koper zich meldt. Taxcount rekent beide routes voor u door op basis van uw eigen cijfers, brengt de meerwaarde en de fiscale reserves in kaart en laat zien wat een geruisloze of ruisende inbreng in uw situatie oplevert. Wij toetsen de btw-behandeling, de samenloop met de overdrachtsbelasting bij vastgoed, de wachttijden na een eerdere herstructurering en de aansprakelijkheden die na de overdracht doorlopen. Ook de fiscale bepalingen in de koopovereenkomst nemen wij met u door, van de koopprijsverdeling tot de earn-out en de balansgarantie.

Overweegt u de komende jaren te verkopen of ligt er al een bod op tafel? Laat uw situatie dan vrijblijvend beoordelen, zodat u weet welke route in uw geval het meeste oplevert en welke stappen u nu al moet zetten.

Dit artikel bevat algemene informatie over de verkoop van een onderneming en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie, uw rechtsvorm en de afspraken in de koopovereenkomst. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een transactie aangaat.

Zie ook:

Terugbetaling van gestort kapitaal: zo haal je geld uit je bv zonder directe heffing in box 2

Je wil geld uit je bv naar privé halen, boven je salaris, maar je ziet op tegen de belasting die daarbij hoort. Over een dividenduitkering betaal je in 2026 24,5 procent tot en met 68.843 euro en 31 procent over het meerdere. Er bestaat een route die dat kan uitstellen: de terugbetaling van gestort kapitaal. Wat je ooit zelf op je aandelen heeft ingelegd, kun je onder voorwaarden onbelast terugkrijgen. De wetgever stelt daar wel drie formele eisen aan, en één gemiste of te laat gezette stap maakt de hele uitkering alsnog belast. In dit artikel lees je wanneer een terugbetaling van gestort kapitaal onbelast blijft, waarom agio eerst moet worden omgezet in aandelenkapitaal, en wat je geregeld moet hebben vóórdat het geld je bv verlaat.

Wat is een terugbetaling van gestort kapitaal?

Als je bv geld overmaakt naar je als aandeelhouder, moet duidelijk zijn waar dat geld vandaan komt. Komt het uit de winst, dan is het dividend en betaal je daarover belasting in box 2. Komt het uit het geld dat je zelf ooit in de bv heeft gestopt, dan krijg je in feite je eigen inleg terug. Zo’n teruggaaf hoort niet belast te zijn: je wordt er niet rijker van.

De wet onderscheidt drie soorten geld die een bv kan uitkeren:

  1. Gestort aandelenkapitaal: het geld dat je bij oprichting of later als kapitaal hebt gestort. Dit mag je onbelast terugkrijgen.
  2. Agio: het geld dat je meer hebt betaald dan de nominale waarde van je aandelen. Dit moet eerst worden omgezet naar aandelenkapitaal.
  3. Ingehouden winst: winst die je niet hebt uitgedeeld. Dit is dividend en belast.

De drie voorwaarden voor onbelaste terugbetaling

Niet elke terugbetaling van gestort kapitaal is onbelast. Je moet aan drie voorwaarden voldoen. Mis je er één, dan wordt de hele terugbetaling belast als dividend.

Voorwaarde 1: het geld moet echt gestort kapitaal zijn

Dit lijkt simpel, maar het kan ingewikkelder zijn dan je denkt. Je bv is opgericht met (bijvoorbeeld) 100 euro nominaal kapitaal, en je hebt meer geld in de bv gestopt. Dat extra geld is “agio” — je hebt meer betaald dan de nominale waarde. Dat agio is niet onbelast terug te halen zolang het in het agio-deel zit.

Voorbeeld 1: Je richt je bv op met 1 aandeel van 100 euro nominaal kapitaal. Je stort 90.000 euro extra. Totaal heb je 90.100 euro ingelegd, maar alleen 100 euro daarvan is “gestort kapitaal” — de rest (90.000 euro) is agio. Dit agio kan je alleen onbelast terugkrijgen als je het eerst in aandelenkapitaal omzet (zie verderop).

\n

Voorwaarde 2: het moet goedgekeurd worden door de aandeelhoudersvergadering

\n

Je kunt niet zomaar geld uit je bv halen. Je moet dit voorstel voorleggen in de aandeelhoudersvergadering en het goedkeuren. Dit moet gebeuren VÓÓR het geld de bv verlaat. Doe je het daarna, dan telt het niet.

\n

Voorbeeld 2: Je stuurt je accountant op maandag geld door naar privé (500.000 euro, bedoeld als terugbetaling van kapitaal). Dinsdag hou je een aandeelhoudersvergadering en legt dit voor. Te laat! De goedkeuring moet voor de betaling komen.

\n

Bij bv met één aandeelhouder (jezelf): je kan dit informeel doen (jezelf goedkeuren), maar je moet het wel vastleggen in een notulen of e-mail. Zonder schriftelijk bewijs, twijfelt de Belastingdienst.

\n

Voorwaarde 3: de balans moet in orde zijn

\n

De bv moet voldoende middelen hebben. De waarde van het gestort kapitaal plus eventueel nog ingehouden winst moet gelijk of hoger zijn dan het bedrag dat je teruggaat krijgen. Klinkt logisch, maar veel ondernemers rekenen dit fout.

\n

Voorbeeld 3: Je bv heeft een balans van 200.000 euro (waarvan 100.000 gestort kapitaal en 100.000 ingehouden winst). Je wil jezelf 150.000 euro teruggeven. De Belastingdienst kan dan zeggen: “Je hebt maar 100.000 euro gestort kapitaal, dus die 150.000 euro kan niet helemaal gestort kapitaal zijn; het restant (50.000 euro) moet dividend zijn.”

\n

Hoe je agio omzet in gestort kapitaal

\n

Veel bv’s hebben agio — geld dat je meer hebt betaald dan nominaal. Dit agio kun je onbelast terugkrijgen, maar dan moet het eerst in aandelenkapitaal worden omgezet. Hier zijn de stappen:

\n

    \n

  1. Hou een aandeelhoudersvergadering. Besluit dat je het agio (bijvoorbeeld 90.000 euro) omzet in aandelenkapitaal.
  2. \n

  3. Wijzig je statuten. Dit moet formeel vastgelegd worden in je statuten.
  4. \n

  5. Stort het nog niet uit. Je bv hoeft niets te doen; het geld blijft in de bv, maar het status verandert van “agio” naar “gestort kapitaal”.
  6. \n

  7. Nu kan je het onbelast terugbetalen. Met de volgende aandeelhoudersvergadering kan je dit nieuwe gestort kapitaal onbelast teruggeven.
  8. \n

\n

Dit kost je geen geld, het gebeurt alleen op papier. Veel ondernemers laten dit moment liggen en betalen onnodig box 2-belasting over hun eigen geld.

\n

Praktische checklist: voor je geld uit je bv haalt

\n

    \n

  • Controleer je balans. Hoeveel gestort kapitaal zit er in je bv? Alleen dit bedrag kan je onbelast terughalen.
  • \n

  • Zet agio om in gestort kapitaal. Dit gaat makkelijk en levenseft veel belasting op. Doen!
  • \n

  • Hou een aandeelhoudersvergadering. Vastleggen dat je jezelf het bedrag teruggaat betalen.
  • \n

  • Documenteer dit goed. Notulen van de vergadering, schriftelijke goedkeuring als je alleen aandeelhouder bent.
  • \n

  • Bet het geld daarna uit. Niet andersom.
  • \n

  • Controleer de timing. Gebeurt dit alles in dezelfde periode (maand)? Goed. Of spreidt je het uitdrukkelijk zodat duidelijk is dat eerst de goedkeuring en dan de betaling komt? Ook goed.
  • \n

  • Laat je accountant dit checken. Zeker als het veel geld betreft.
  • \n

\n

Twee meer voorbeelden

\n

Voorbeeld: terugbetaling in de praktijk

\n

Jouw bv is vijf jaar geleden opgericht met 1.000 euro kapitaal, en je hebt 200.000 euro extra gestort. De balans toont nu 210.000 euro (je hebt 10.000 euro winst gemaakt). Van dit alles is:

\n

    \n

  • 1.000 euro: nominaal gestort kapitaal
  • \n

  • 200.000 euro: agio (extra gestort, geen nominaal kapitaal)
  • \n

  • 9.000 euro: ingehouden winst
  • \n

\n

Stap 1: Zet het agio (200.000 euro) om in gestort kapitaal. Nu is de balans:

\n

    \n

  • 201.000 euro gestort kapitaal
  • \n

  • 9.000 euro ingehouden winst
  • \n

\n

Stap 2: Je wil jezelf 150.000 euro uitbetalen. Met de aandeelhoudersvergadering goed je dit goed. De terugbetaling mag onbelast gebeuren.

\n

Stap 3: De bv betaalt je 150.000 euro. Dit is onbelast.

\n

Na afwikkeling heeft je bv nog 60.000 euro (150.000 euro gestort kapitaal, 9.000 euro winst, minus de 150.000 euro die je eruit hebt gehaald). Hiervan is 51.000 euro gestort kapitaal en 9.000 euro ingehouden winst.

\n

Voorbeeld: wat fout kan gaan

\n

Je houdt de aandeelhoudersvergadering NADAT je jezelf het geld hebt overgemaakt. De Belastingdienst ziet dat en zegt: “Dit geld is niet goedgekeurd voordat het werd uitbetaald; dus het telt als dividend en je betaal je hier box 2-belasting over.” Resulaat: je betaal alsnog 24,5% of 31% belasting.

\n

Veelgestelde vragen

\n

Kan ik dit ook doen als ik niet de enige aandeelhouder ben?

\n

Ja, maar dan moet ELKE aandeelhouder instemmen in de aandeelhoudersvergadering. Heb je een partner met 50%, dan moet die ook akkoord gaan.

\n

Hoeveel keer per jaar kan ik dit doen?

\n

In principe onbeperkt, zolang er gestort kapitaal in de bv zit. Veel ondernemers doen dit meermaals per jaar. Telkens moet je wel die formele stappen volgen.

\n

Mag ik meer terugbetalen dan ik heb gestort?

\n

Nee. Je bv moet de middelen hebben. Heb je 100.000 euro gestort en je bv heeft maar 80.000 euro, dan kan je maximaal 80.000 euro onbelast terugkrijgen.

\n

Telt agio ook als gestort kapitaal?

\n

Alleen als je het expliciet hebt omgezet. In de basis: nee. Je moet actief beslissen dat het agio in gestort kapitaal wordt omgezet (statuten wijzigen, aandeelhoudersvergadering).

\n

Hoe Taxcount je kan helpen

\n

Dit lijkt ingewikkelder dan het is, maar de formele vereisten zijn strikt. Één misstap en je betaalt onnodig veel box 2-belasting. Taxcount controleert je bv-balans, adviseert op het moment van agio-omzetting, begeleidt je bij de aandeelhoudersvergadering, en zorgt dat alle papierwerk klopt. Wil je jezelf geld uit je bv halen? Vraag ons eerst, zodat je geen geld weggooitaan belasting.

\n

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen individueel fiscaal advies. De regels zijn strikt en de Belastingdienst controleert scherp. Vraag altijd advies voordat je jezelf geld teruggaat betalen.

\n

Zie ook:

\n

Heffingskortingen in 2026: zo zorg je dat je geen korting op je belasting misloopt

Bijna iedereen die in Nederland belasting betaalt, heeft recht op heffingskortingen: kortingen die je belastingaanslag rechtstreeks verlagen. Toch laten veel mensen elk jaar geld liggen, omdat een deel van die kortingen alleen bij je terechtkomt als je er zelf om vraagt. In dit artikel lees je welke heffingskortingen er in 2026 zijn, hoeveel ze bedragen en, belangrijker nog, hoe je voorkomt dat een korting verloren gaat. We leggen uit waarom je zonder aangifte een teruggaaf kunt mislopen, wat er misgaat bij twee banen en welke ruimte je als ondernemer, DGA of partner hebt om meer uit je kortingen te halen. Zo weet je precies wat je praktisch moet regelen.

Wat is een heffingskorting?

Je belasting wordt in twee stappen berekend. Eerst wordt de belasting over box 1, 2 en 3 bij elkaar opgeteld. Daarna gaan de heffingskortingen daarvan af. Een heffingskorting verlaagt dus niet je inkomen, maar direct het bedrag dat je aan belasting en premies betaalt. Eén euro korting is één euro minder betalen. Dat maakt heffingskortingen waardevoller dan een aftrekpost van hetzelfde bedrag.

De meeste heffingskortingen zijn inkomensafhankelijk. Ze bouwen op naarmate je meer werkt, of ze bouwen juist af naarmate je inkomen stijgt. Daardoor verandert het bedrag dat je krijgt van jaar tot jaar met je situatie.

Welke heffingskortingen zijn er in 2026?

De wet kent zeven heffingskortingen. Samen vormen zij de standaardheffingskorting. Niet iedereen heeft recht op alle zeven; het hangt af van je inkomen, je leeftijd en je gezinssituatie. Het overzicht hieronder laat de belangrijkste bedragen voor 2026 zien, en of de korting al automatisch in je loon wordt verwerkt (zie figuur 1).

Figuur 1: De zeven heffingskortingen in 2026 met hun maximumbedragen en of ze automatisch in je loon zitten. De twee blauw gemarkeerde kortingen, de combinatiekorting en de korting groene beleggingen, moet je zelf aanvragen.

De twee bekendste kortingen zijn de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De algemene heffingskorting krijgt vrijwel iedere belastingplichtige. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.115 euro en daalt met 6,398% van het deel van je verzamelinkomen boven 29.736 euro. Vanaf een inkomen van ongeveer 78.400 euro is zij nihil. De arbeidskorting krijg je als je werkt. Zij loopt op tot maximaal 5.685 euro en daalt daarna met 6,51% van het arbeidsinkomen boven 45.592 euro, tot zij bij ongeveer 132.900 euro op nihil uitkomt.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is er voor werkende ouders met een jong kind. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.032 euro. De ouderenkorting (maximaal 2.067 euro) en de alleenstaande ouderenkorting (540 euro) gelden vanaf de AOW-leeftijd. De jonggehandicaptenkorting (923 euro) is er voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering. De korting voor groene beleggingen is klein (ongeveer 27 euro per persoon) en verdwijnt bovendien na 2027, dus alleen 2026 is nog interessant.

Waarom je nooit meer korting krijgt dan je aan belasting betaalt

Er zit een rem op de heffingskortingen. Je krijgt nooit meer korting dan het bedrag dat je werkelijk aan belasting en premies verschuldigd bent. Wie weinig inkomen heeft, kan zijn korting dus niet helemaal benutten. Het deel dat je niet kunt gebruiken, vervalt. Dat treft vooral mensen met een laag inkomen, en het kan ook gebeuren als je een grote aftrekpost of een verlies in mindering brengt: daardoor daalt de belasting die je verschuldigd bent, en daarmee de ruimte om kortingen tegen af te zetten.

Er is één uitzondering. Verdien je weinig en heeft je partner een goed inkomen, dan kan de algemene heffingskorting soms via je partner worden uitbetaald. Sinds 2023 geldt die uitbetaling alleen nog voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1963. Voor jongere partners vervalt de onbenutte korting. Volgens de plannen van het kabinet komt er vanaf naar verwachting 2028 een gedeeltelijke uitbetaling terug voor jongere partners, maar dat is nu nog geen geldend recht.

De grootste gemiste kans: een teruggaaf die je zelf moet ophalen

Je werkgever of uitkeringsinstantie verwerkt een deel van je heffingskortingen al maandelijks in de loonheffing. Dat gebeurt alleen als je daarvoor een verzoek hebt gedaan, en het mag maar bij één werkgever tegelijk. Wat er te veel is ingehouden, is een voorheffing die je met je aanslag verrekent. Maar dat gaat niet vanzelf: zonder aangifte of voorlopige teruggaaf wordt dat bedrag niet aan je uitbetaald. Bij een teruggaaf van 18 euro of minder blijft de aanslag zelfs op nul staan.

Dit is de meest voorkomende gemiste kans. Wie een deel van het jaar heeft gewerkt, bij geen enkele werkgever de korting liet toepassen, of een korting heeft die niet in het loon zit, heeft vaak recht op geld terug. Vooral scholieren, studenten, seizoenswerkers en herintreders lopen zo elk jaar een teruggaaf mis. Herken je een van de vier situaties hierna, dan is aangifte doen de moeite waard (zie figuur 2).

Figuur 2: Vier situaties waarin je een teruggaaf kunt mislopen. Herken je er één, dan levert een aangifte of een voorlopige teruggaaf je geld op; zonder aangifte betaalt de Belastingdienst het te veel ingehouden bedrag niet uit.

Het goede nieuws: je kunt tot vijf jaar terug alsnog aangifte doen. Voor 2026 betekent dat dat de jaren 2021 tot en met 2026 nog openstaan (zie figuur 3). Een aangifte binnen die termijn verplicht de Belastingdienst om een aanslag op te leggen en de te veel ingehouden belasting terug te betalen. Dat kan zomaar vijf keer hetzelfde bedrag opleveren in plaats van één keer. Let op: dit werkt alleen zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Ligt die er al, dan is herstel vaak niet meer mogelijk.

Figuur 3: Over de jaren 2021 tot en met 2026 kun je nog aangifte doen, zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Jaren ouder dan vijf jaar zijn gesloten. Elk jaar schuift deze termijn een jaar op.

Kortingen die niet in je loon zitten

Twee kortingen worden nooit automatisch in de loonheffing verwerkt: de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de korting voor groene beleggingen. Die krijg je dus alleen via de aangifte of een voorlopige teruggaaf. Een ouder met een kind onder de 12 jaar en een lager arbeidsinkomen dan de partner loopt zonder aangifte tot 3.032 euro mis. Dat is geen klein bedrag, en het is puur een kwestie van het op de juiste plek invullen.

Ook de jonggehandicaptenkorting en sommige verschillen tussen loon en aangifte moet je soms zelf rechttrekken. Wie recht heeft op een Wajong-uitkering, heeft recht op de jonggehandicaptenkorting, ook als die niet in het loon is verwerkt. Bewaar in dat geval de stukken van het UWV waaruit dat recht blijkt.

Meer halen uit je kortingen als partners

Heb je een fiscale partner, dan kunnen jullie samen sturen. Je mag een aantal inkomsten en aftrekposten vrij tussen jullie beiden verdelen: de eigen woning, box 2-inkomen, de grondslag van box 3 en de persoonsgebonden aftrek. Door slim te verdelen kun je de heffingskortingen van de partner met het laagste inkomen activeren en tegelijk voorkomen dat de algemene heffingskorting van de andere partner te ver wordt afgebouwd. Die keuze maak je elk jaar opnieuw bij de aangifte, en je mag haar nog wijzigen zolang beide aanslagen niet definitief vaststaan.

Voor een DGA speelt daarnaast de verhouding tussen loon en dividend. Omdat ook de belasting over box 2 en box 3 meetelt bij het bepalen van de ruimte voor je kortingen, kan een DGA met een laag salaris zijn korting soms alsnog benutten door in dat jaar dividend uit te keren. Laat die afweging altijd doorrekenen, want het samenspel met andere regelingen is gevoelig.

Let op bij twee banen, een verhuizing of de AOW-leeftijd

Twee banen of uitkeringen tegelijk

De loonheffingskorting mag maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie lopen. Laat je de korting bij twee werkgevers tegelijk toepassen, dan is er te weinig belasting ingehouden en volgt een bijbetaling op je aanslag. Laat je de korting bij niemand toepassen, dan betaal je het jaar door te veel en moet je het via de aangifte terugvragen. Kies dus bewust bij welke werkgever de korting loopt.

Verhuizing van of naar het buitenland

Woon je niet het hele jaar in Nederland, dan wordt je heffingskorting naar tijd herrekend. Een eerder aangevraagde voorlopige teruggaaf klopt dan vaak niet meer. Laat die in het jaar van verhuizing opnieuw bekijken.

Het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt

In het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt, verandert je premieplicht en daarmee de opbouw van je kortingen. Ook hier geldt: controleer of je voorlopige teruggaaf nog klopt, zodat je achteraf niet hoeft bij te betalen.

Werken in Nederland en wonen over de grens

Woon je in het buitenland en werk of onderneem je in Nederland, dan krijg je dezelfde kortingen als een inwoner alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent. De belangrijkste voorwaarde is dat je 90% of meer van je inkomen in Nederland verdient en in de EU, de EER, Zwitserland of op de BES-eilanden woont. Sinds 1 januari 2026 is de inkomensverklaring van je woonland geen harde voorwaarde meer; je mag ook op andere manieren aantonen dat je aan de eis voldoet. Zit je net onder de 90%, laat je situatie dan beoordelen, want er lopen procedures die het strikte 90%-criterium ter discussie stellen.

Praktische checklist: zo benut je jouw heffingskortingen

  • Doe aangifte, ook als het niet hoeft. Heb je maar een deel van het jaar gewerkt of geen korting laten toepassen, dan staat er vaak een teruggaaf klaar die je alleen via de aangifte ontvangt.
  • Kijk vijf jaar terug. De jaren 2021 tot en met 2026 staan nog open. Controleer of je over eerdere jaren nog een teruggaaf kunt claimen, zolang er nog geen definitieve aanslag ligt.
  • Vraag de combinatiekorting actief aan. Heb je een kind onder de 12 jaar en werk je met een lager inkomen dan je partner? Deze korting zit niet in je loon en loopt tot 3.032 euro.
  • Laat de loonheffingskorting maar bij één werkgever lopen. Zo voorkom je een bijbetaling bij twee banen of uitkeringen tegelijk.
  • Verdeel slim met je partner. Verdeel eigen woning, box 2, box 3 en aftrekposten zo dat beide partners hun kortingen benutten. De keuze mag elk jaar opnieuw.
  • Herzie je voorlopige teruggaaf bij een levensgebeurtenis. Bij verhuizing, de AOW-leeftijd of een nieuwe baan verandert je korting; pas de voorlopige teruggaaf tijdig aan.
  • Bewaar bewijsstukken. Denk aan UWV-stukken bij de jonggehandicaptenkorting en, bij wonen in het buitenland, aan bewijs van je Nederlandse inkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een heffingskorting en een aftrekpost?

Een aftrekpost verlaagt je belastbare inkomen; het voordeel hangt af van je tarief. Een heffingskorting verlaagt rechtstreeks je belasting: één euro korting is altijd één euro minder betalen.

Krijg ik heffingskortingen automatisch?

Een deel wel, via je loon. Maar de combinatiekorting en de korting groene beleggingen zitten niet in je loon, en te veel ingehouden belasting wordt pas terugbetaald na een aangifte of voorlopige teruggaaf. Zonder actie loop je die mis.

Ik heb weinig verdiend. Krijg ik dan alle korting?

Niet altijd. Je krijgt nooit meer korting dan je aan belasting en premies betaalt. Bij een laag inkomen vervalt het deel dat je niet kunt benutten, tenzij de uitbetaling via je partner mogelijk is.

Kan ik een gemiste korting nog terugvragen?

Ja, tot vijf jaar terug via een aangifte, zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Voor 2026 staan de jaren 2021 tot en met 2026 nog open.

Waarom moet ik bijbetalen terwijl ik korting heb?

Dat gebeurt meestal als je bij twee werkgevers tegelijk de loonheffingskorting liet toepassen. Er is dan te weinig belasting ingehouden en het verschil komt op je aanslag.

Ik woon in het buitenland en werk in Nederland. Heb ik recht op de kortingen?

Alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent: kort gezegd, minstens 90% van je inkomen in Nederland belast en wonend in de EU, EER, Zwitserland of op de BES-eilanden. Zit je er net onder, laat je situatie dan beoordelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

De regels rond heffingskortingen zijn eenvoudig in principe, maar de winst zit in de details: welke korting je misloopt, of een aangifte over een oud jaar nog loont, hoe je met je partner verdeelt en hoe je een bijbetaling voorkomt. Taxcount rekent je situatie door, controleert of er over de afgelopen vijf jaar nog een teruggaaf te halen is en zorgt dat je geen korting laat liggen. Voor ondernemers, DGA’s en grensarbeiders kijken we naar het samenspel met je overige inkomsten. Wil je weten of je alles uit je heffingskortingen haalt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de familie- en samenwerkingssfeer: zo draag je een bedrijfspand over zonder belasting

Draag je je bedrijf over aan je kind, ga je samenwerken in een maatschap of vof, of zet je je eenmanszaak om in een bv? Vaak zit er dan een bedrijfspand of stuk grond in het bedrijf. Over de overgang van vastgoed betaal je normaal overdrachtsbelasting, en dat kan bij een bedrijfspand flink oplopen. Toch hoef je dat in veel familie- en samenwerkingssituaties niet. De wet kent een aantal vrijstellingen die de belasting achterwege laten, mits je het bedrijf echt voortzet en je jezelf meestal nog drie jaar aan de onderneming verbonden houdt. In dit artikel lees je wanneer een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting geldt, welke voorwaarden er zijn en waar je in 2026 op moet letten.

Wanneer betaal je overdrachtsbelasting?

Koop of krijg je een gebouw of grond in Nederland, dan betaal je meestal overdrachtsbelasting. Je berekent die belasting over de waarde van de onroerende zaak. Het tarief hangt af van het soort object. Voor een bedrijfspand of grond geldt in 2026 het algemene tarief van 10,4%. Voor een woning die je zelf gaat bewonen geldt 2%, en voor een andere woning (bijvoorbeeld voor de verhuur) sinds 2026 8%.

Soort onroerende zaak (2026) Tarief
Woning die je zelf als hoofdverblijf gaat bewonen 2%
Andere woning (bijvoorbeeld verhuur of tweede woning) 8%
Bedrijfspand, grond en overige onroerende zaken 10,4%

Bij een bedrijfspand van bijvoorbeeld 500.000 euro betekent het algemene tarief dus al 52.000 euro belasting. Een vrijstelling kan dat hele bedrag besparen (zie figuur 1). In drie familie- en samenwerkingssituaties hoef je die belasting niet te betalen.

Figuur 1: de overdrachtsbelasting op een bedrijfspand van 500.000 euro met en zonder vrijstelling, plus de overdrachtsbelastingtarieven voor 2026.

De drie vrijstellingen op een rij

In drie situaties laat de wet de overdrachtsbelasting achterwege: bij een overname binnen de familie, bij het inbrengen of omzetten van je onderneming, en bij het uit elkaar gaan van een samenwerking. Figuur 2 laat zien welke vrijstelling bij welke situatie hoort. Let op: een woning of woongedeelte valt nooit onder deze bedrijfsvrijstellingen.

Figuur 2: de drie vrijstellingen in de familie- en samenwerkingssfeer en de kernvoorwaarde per situatie.

Vrijstelling 1: het bedrijf overnemen binnen de familie

Neem je kind, kleinkind, broer of zus van de ondernemer het bedrijf over, of de echtgenoot of geregistreerd partner van zo iemand, dan is de overgang van het bedrijfspand vrijgesteld. Een pleegkind telt mee als kind, en een half- of pleegbroer of half- of pleegzus telt mee als broer of zus.

Er gelden twee belangrijke voorwaarden. Het pand moet bij het bedrijf horen en nodig zijn voor het bedrijf, en de overnemer moet het bedrijf helemaal zelf voortzetten. Een woning of het woongedeelte van een pand valt niet onder de vrijstelling.

Let op de richting: de vrijstelling werkt maar één kant op. Een overdracht van ouder naar kind is vrijgesteld, maar een overdracht terug van kind naar ouder niet. Ook een overdracht aan je eigen echtgenoot valt er niet onder.

Vrijstelling 2: je onderneming inbrengen of omzetten

Breng je je onderneming in een samenwerking in, of zet je die om in een bv, dan blijft de overdrachtsbelasting over het bedrijfspand achterwege. Er zijn twee varianten.

Inbreng in een maatschap, vof of cv

Ga je samenwerken met een familielid of een derde en breng je je onderneming in in een maatschap, vennootschap onder firma (vof) of commanditaire vennootschap (cv), dan geldt de vrijstelling. Je moet dan wel de hele onderneming inbrengen, inclusief de bezittingen en schulden die een rol spelen in het bedrijf. In ruil wordt je op de kapitaalrekening bijgeschreven voor ten minste 90% van de waarde van je onderneming. Krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld (een tegoed op je medevennoten), dan vervalt de vrijstelling.

Omzetting in een nv of bv

Zet je je eenmanszaak of aandeel in een samenwerking om in een bv, dan is de overgang van het pand naar de bv vrijgesteld. Je krijgt in ruil aandelen. Naast die aandelen mag je maximaal 10% van wat op de aandelen is gestort in geld of als vordering terugkrijgen. Blijf je onder die grens, dan betaalt de bv geen overdrachtsbelasting over het pand.

Rekenvoorbeeld. Karin brengt haar notarispraktijk met kantoorpand in in haar nieuwe bv (zie figuur 3). De onderneming is 1.000.000 euro waard. De bv geeft haar aandelen voor 960.000 euro; voor de resterende 40.000 euro krijgt ze een vordering op de bv. Die 40.000 euro blijft ruim onder de 10%-grens. De vrijstelling geldt dus en de bv betaalt niets over het kantoorpand.

Figuur 3: de omzetting van een eenmanszaak in een bv, waarbij de vordering (4%) onder de 10%-grens blijft en de bv geen overdrachtsbelasting betaalt.

Vrijstelling 3: uit elkaar gaan

Stop je de samenwerking en gaat het pand terug naar degene die het ooit inbracht, dan mag dat belastingvrij. Voorwaarde is wel dat bij de inbreng destijds de inbrengvrijstelling is gebruikt. Zo betaal je geen overdrachtsbelasting bij het aangaan van de samenwerking en ook niet bij het uit elkaar gaan.

Let op: de driejaarseis

Bij inbreng en omzetting geldt een belangrijke voorwaarde achteraf (zie figuur 4). Blijf je niet minstens drie jaar vennoot, hou je de aandelen in de bv niet drie jaar, of stop je de onderneming binnen drie jaar, dan wordt de overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Deze terugname wordt in de praktijk een “clawback” genoemd.

Figuur 4: de driejaarseis. Stap je binnen drie jaar uit, dan volgt een clawback; daarna staat de vrijstelling definitief vast.

Er is één uitweg die in de regeling zelf staat. Stap je binnen die drie jaar over naar een andere samenwerking, of zet je alsnog om in een bv, dan blijft de terugname buiten toepassing. Ook bij een latere bedrijfsfusie, interne reorganisatie of splitsing loopt de termijn door zonder dat je hoeft af te rekenen. Plan een vervolgstap dus zorgvuldig, want het verkeerd getimede uitstappen kan de belasting alsnog oproepen.

Tegenvoorbeeld. Anne brengt haar advocatenpraktijk met kantoorpand in voor 600.000 euro in een maatschap met Paula. Twee jaar later laat Anne 200.000 euro uitbetalen. Daardoor daalt haar aandeel binnen drie jaar. De eerder niet-geheven overdrachtsbelasting is nu alsnog verschuldigd.

Vastgoed dat via de familie bij je komt

Naast deze bedrijfsvrijstellingen kent de wet ook regels voor vastgoed dat door persoonlijke gebeurtenissen bij je terechtkomt. Sommige verkrijgingen worden voor de overdrachtsbelasting helemaal niet als verkrijging gezien: erven, een woning of pand dat door je huwelijk in de gemeenschap valt, de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap, en verkrijging door verjaring. Daarover betaal je geen overdrachtsbelasting.

Krijg je bij het verdelen van een gezamenlijk bezit een groter deel toebedeeld dan je eigen aandeel, dan is alleen dat meerdere belast. Je betaalt de belasting dan niet over de hele waarde, maar over het stuk dat je erbij krijgt. Zo voorkomt de wet dat je belasting betaalt over vermogen dat al van jezelf was.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste vrijstelling: stel vast of het gaat om een familieoverdracht, een inbreng of omzetting, of een beëindiging van de samenwerking. Elke situatie heeft eigen voorwaarden.
  • Splits woning en bedrijf: een woning of woongedeelte valt niet onder de bedrijfsvrijstelling. Laat de waarde van het bedrijfsdeel apart bepalen.
  • Breng de hele onderneming in: bij inbreng of omzetting moeten alle bezittingen en schulden die een functie in het bedrijf hebben mee overgaan.
  • Bewaak de 10%-grens: krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld of in geld, dan vervalt de vrijstelling.
  • Houd de drie jaar in de gaten: blijf minstens drie jaar vennoot of aandeelhouder en zet de onderneming voort, anders volgt alsnog een aanslag.
  • Doe een beroep bij de aangifte: een vrijstelling moet je actief inroepen. De notaris of adviseur vermeldt dit in de akte en in de aangifte overdrachtsbelasting.
  • Laat de opzet vooraf toetsen: de voorwaarden zijn strikt en de bedragen groot. Een controle vooraf voorkomt een dure verrassing achteraf.

Veelgestelde vragen

Geldt de vrijstelling ook voor de woning bij het bedrijf?

Nee. De bedrijfsvrijstellingen gelden alleen voor het bedrijfsdeel. Een woning of het woongedeelte valt erbuiten en daarover betaal je de normale overdrachtsbelasting (2% als hoofdverblijf, anders 8%).

Kan ik mijn bedrijf belastingvrij overdragen aan mijn partner?

De familievrijstelling geldt voor een kind, kleinkind, broer of zus, en hun echtgenoot of partner. Je eigen echtgenoot valt er niet onder. Soms is een andere route mogelijk, bijvoorbeeld via een inbreng. Laat dit vooraf beoordelen.

Wat gebeurt er als ik binnen drie jaar stop?

Dan wordt de eerder niet-geheven overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Er zijn uitzonderingen als je binnen die periode overstapt naar een andere samenwerkingsvorm of omzet in een bv. De voorwaarden daarvoor zijn precies en het is verstandig ze vooraf te laten toetsen.

Moet ik de vrijstelling zelf aanvragen?

Ja. Je moet er bij de aangifte overdrachtsbelasting uitdrukkelijk een beroep op doen. Meestal regelt de notaris dit in de akte. Vergeet je het, dan kun je het vaak nog herstellen via bezwaar, maar dat is niet altijd zeker.

Geldt de vrijstelling ook als ik mijn bedrijf overdraag aan een medewerker?

De familievrijstelling geldt alleen binnen de genoemde familiekring. Voor een overdracht aan een derde, zoals een medewerker, kan een andere route nodig zijn, bijvoorbeeld eerst samenwerken en later overnemen. Dit vraagt om maatwerk.

Hoe Taxcount je kan helpen

De vrijstellingen in de overdrachtsbelasting kunnen tienduizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en een kleine fout in de opzet of de timing kan de vrijstelling doen vervallen. Taxcount beoordeelt of je bedrijfsoverdracht, inbreng of omzetting onder een vrijstelling valt, splitst waar nodig het bedrijfsdeel en het woondeel, bewaakt de 10%-grens en de driejaarstermijn, en zorgt dat het beroep op de vrijstelling correct in de aangifte en de akte terechtkomt. Overweeg je een bedrijfsoverdracht of een omzetting naar een bv? Laat je situatie dan vooraf door ons beoordelen, zodat je niet onnodig overdrachtsbelasting betaalt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen. Of een vrijstelling in je geval geldt, hangt af van je persoonlijke situatie en van de exacte vormgeving van de transactie. Laat je situatie daarom altijd vooraf beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Startersvrijstelling overdrachtsbelasting 2026: geen belasting bij een woning tot 555.000 euro

Koopt u een huis, dan betaalt u normaal gesproken overdrachtsbelasting. Bent u nog geen 35 jaar en gaat u zelf in de woning wonen, dan kunt u die belasting eenmalig helemaal uitsparen met de startersvrijstelling. Maar er zijn strikte voorwaarden: uw leeftijd, de prijs van de woning en een verklaring die vooraf bij de notaris moet kloppen. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 recht heeft op de startersvrijstelling, welke tarieven gelden, en welke technische regelingen de belasting kunnen verlagen als de vrijstelling niet van toepassing is.

Welke tarieven gelden er in 2026?

De overdrachtsbelasting kent in 2026 drie tarieven (zie figuur 1). Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, betaalt u 2% over de waarde. Voor een woning die u niet zelf gaat bewonen, bijvoorbeeld een beleggings- of vakantiewoning, geldt 8%. Dat percentage is per 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor niet-woningen, zoals een bedrijfspand of een stuk grond, blijft het algemene tarief 10,4%.

Wat koopt u? Tarief 2026
Eigen woning (hoofdverblijf), starter tot 35 jaar 0% (startersvrijstelling)
Eigen woning (hoofdverblijf), overige gevallen 2%
Woning die u niet zelf bewoont 8%
Niet-woning (bedrijfspand, grond) 10,4%

   Figuur 1: de vier tarieven voor de overdrachtsbelasting in 2026. 0 procent met de startersvrijstelling, 2 procent voor een eigen woning als hoofdverblijf, 8 procent voor een woning zonder eigen bewoning (verlaagd van 10,4 procent) en 10,4 procent voor een niet-woning.

Wanneer heeft u recht op de startersvrijstelling?

U betaalt geen overdrachtsbelasting als u aan alle onderstaande voorwaarden voldoet (zie figuur 2). De vrijstelling geldt per persoon: koopt u samen met een partner, dan wordt voor ieder afzonderlijk getoetst.

  • Leeftijd: u bent 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar op het moment van de overdracht bij de notaris.
  • Eigen bewoning: u gaat de woning zelf gebruiken als hoofdverblijf, dus niet tijdelijk. U schrijft zich er in en woont er ook echt.
  • Eenmalig: u heeft de startersvrijstelling niet eerder gebruikt. Het is een eenmalige regeling.
  • Woningwaardegrens: de woning is niet meer waard dan 555.000 euro (grens voor 2026).
  • Schriftelijke verklaring: u legt vooraf bij de notaris schriftelijk vast dat u zelf in de woning gaat wonen en dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft gebruikt.

Figuur 2: beslisboom voor de startersvrijstelling. Beantwoordt u alle vijf de vragen met ja, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting. Is een antwoord nee, dan vervalt de vrijstelling en betaalt u 2 procent over de hele waarde.

De vrijstelling is niet beperkt tot een eerste woning. Ook als u eerder al een woning bezat, kunt u er als jonge doorstromer gebruik van maken, zolang u de vrijstelling nog niet eerder heeft ingezet.

Let op: de grens van 555.000 euro is een harde drempel

De woningwaardegrens is geen vrijgesteld bedrag, maar een drempel (zie figuur 3). Kost de woning 555.001 euro, dan geldt de vrijstelling helemaal niet, ook niet voor het deel tot 555.000 euro. U betaalt dan over de hele waarde het tarief van 2%. Zit u met de prijs dicht bij de grens, dan is dit een belangrijk aandachtspunt.

Figuur 3: de woningwaardegrens is een harde drempel. Een woning van 555.000 euro is vrijgesteld, een woning van 555.001 euro kost 2 procent over de hele waarde (ruim 11.000 euro). De grens loopt op van 525.000 euro in 2025 naar 615.000 euro in 2027.

De grens verandert elk jaar mee met de gemiddelde stijging van de woningwaarden en wordt telkens een jaar vooruit bekendgemaakt. Voor 2027 is al bekend dat de grens omhoog gaat naar 615.000 euro. Voor 2026 geldt 555.000 euro (in 2025 was dit 525.000 euro).

Koopt u aandelen in een vastgoed-bv? Dan geldt de vrijstelling niet

Koopt u geen huis rechtstreeks, maar aandelen in een bv die een woning bezit, dan kunt u de startersvrijstelling niet gebruiken. Ook het lage tarief van 2% geldt dan niet: zo’n aandelenverkrijging is altijd belast tegen het algemene tarief. Koopt u wel een lidmaatschapsrecht van bijvoorbeeld een wooncooperatie waarmee u een woning mag gebruiken, dan kan de vrijstelling juist wel gelden.

Rekenvoorbeeld: een koppel van 32 en 37 jaar

Een stel koopt samen een woning van 300.000 euro. Ieder koopt de helft, dus 150.000 euro. Beiden verklaren dat zij er zelf gaan wonen; de 32-jarige verklaart ook dat hij de vrijstelling nog nooit heeft gebruikt. Omdat per persoon wordt getoetst, pakt de aankoop voor beiden anders uit (zie figuur 4).

  • Persoon van 32 jaar: over 150.000 euro geen overdrachtsbelasting. Voordeel: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro.
  • Persoon van 37 jaar: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro belasting.

Figuur 4: bij samen kopen wordt per persoon getoetst. De koper van 32 jaar voldoet aan de voorwaarden en betaalt niets; de koper van 37 jaar voldoet niet aan de leeftijdseis en betaalt 2 procent over zijn aandeel van 150.000 euro.

Let op: betaalt de een de belasting van de ander, dan kan dat een schenking zijn waarover schenkbelasting verschuldigd is.

Geen vrijstelling? Deze regelingen verlagen de grondslag

Ook als u geen recht heeft op de vrijstelling, kunt u soms over een lager bedrag belasting betalen. Dat is iets anders dan een vrijstelling: u betaalt wel, maar over een lagere grondslag.

Zelf aangebrachte zaken

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening iets aan de woning aangebracht, bijvoorbeeld een keuken, dakkapel of aanbouw, en koopt u het pand later? Dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde van wat u zelf heeft aangebracht. Voorwaarde is onder meer dat u nog geen eigenaar van de grond was toen u de verbetering aanbracht, en dat de prijs niet al vooraf was vastgesteld. Bewaar de aannemingsovereenkomsten en rekeningen als bewijs.

Doorverkoop binnen zes maanden

Verkoopt iemand een pand binnen zes maanden aan u door, dan betaalt u alleen belasting over het bedrag boven de vorige koopprijs. Kocht de vorige eigenaar het pand voor 100.000 euro en koopt u het twee maanden later voor 120.000 euro, dan betaalt u overdrachtsbelasting over 20.000 euro. Deze regeling speelt vaak bij snelle doorverkoop, projectontwikkeling en familietransacties.

Erfpacht, opstal en beklemming

Koopt u een recht van erfpacht of opstal, dan telt niet alleen de prijs van het recht mee, maar ook de jaarlijkse canon, omgerekend naar een bedrag ineens. Bij een canon van 2.400 euro per jaar en een looptijd van twaalf jaar komt dat bijvoorbeeld neer op ruim 20.000 euro extra grondslag. Bij gemeentelijke erfpacht met een afkoopsom is de berekening weer anders. Laat dit vooraf uitrekenen, want het kan een groot verschil maken.

De verklaring bij de notaris: geen formaliteit

De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting: op het moment van de overdracht bij de notaris moet aan alle voorwaarden zijn voldaan. De schriftelijke verklaring moet dus vooraf klaar zijn. Ontbreekt de verklaring, dan is de vrijstelling weg, en een eenmaal gebruikte startersvrijstelling kunt u niet terugdraaien om hem voor een duurdere woning te bewaren. Controleer daarom altijd of de verklaring bij de notaris klopt en compleet is.

Ook bij bijzondere situaties luistert het nauw. Koopt u een garage of stukje grond van een andere verkoper bij de woning, dan moet dat op dezelfde dag gebeuren, anders geldt daarvoor het hoge tarief. En koopt u een kavel om zelf te bouwen, dan is er pas sprake van een woning zodra de fundering er ligt.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw leeftijd op de overdrachtsdatum. U moet op de dag van de overdracht 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn.
  • Blijf onder de woningwaardegrens. Voor 2026 is dat 555.000 euro; de grens is een harde drempel, geen vrijgesteld bedrag.
  • Regel de verklaring vooraf. Zorg dat de schriftelijke verklaring bij de notaris klaar en juist is voor de overdracht.
  • Verdeel de eigendom bewust. Bij een leeftijdsverschil rond de 35 jaar loont het om de verdeling van de eigendom vooraf te bespreken.
  • Onderbouw grondslagverlagingen. Bewaar bewijs van zelf aangebrachte zaken, van een doorverkoop binnen zes maanden of van erfpachtvoorwaarden.
  • Let op aandelen in een vastgoed-bv. Koopt u aandelen in plaats van de woning zelf, dan gelden vrijstelling en laag tarief niet.

Veelgestelde vragen

Tot welk bedrag geldt de startersvrijstelling in 2026?

De woning mag in 2026 niet meer waard zijn dan 555.000 euro. Is de woning duurder, dan vervalt de vrijstelling volledig en betaalt u 2% over de hele waarde. Voor 2027 gaat de grens naar 615.000 euro.

Hoe oud mag ik zijn voor de startersvrijstelling?

U moet 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn op het moment van de overdracht bij de notaris. Vanaf uw 35e verjaardag voldoet u niet meer aan de leeftijdseis, ook niet op de verjaardag zelf.

Mag ik de vrijstelling meer dan een keer gebruiken?

Nee. De startersvrijstelling is eenmalig. Heeft u hem eerder gebruikt, dan kunt u er geen tweede keer een beroep op doen. U verklaart bij de notaris dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft benut.

Geldt de vrijstelling ook als ik samen met mijn partner koop?

De vrijstelling wordt per persoon getoetst. Voldoet uw partner niet aan de voorwaarden, bijvoorbeeld door de leeftijd, dan betaalt hij of zij over het eigen aandeel wel 2%, terwijl u over uw aandeel vrijgesteld kunt zijn.

Wat gebeurt er als de verklaring bij de notaris ontbreekt?

Dan heeft u geen recht op de vrijstelling. De verklaring moet vooraf klaar zijn, omdat op het moment van de overdracht aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Controleer dit dus altijd voor het passeren van de akte.

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik zelf al aan de woning heb verbouwd?

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening zaken aangebracht en koopt u het pand later, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde daarvan. Er gelden wel voorwaarden en de bewijslast ligt bij u.

Hoe Taxcount u kan helpen

De startersvrijstelling kan u duizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en de grens is hard. Een verkeerd getimede overdracht, een ontbrekende verklaring of een woning net boven de grens kost het hele voordeel. Bij hogere aankopen, samengestelde transacties, erfpacht of aankoop via een bv is een goede planning vooraf nog belangrijker. Taxcount beoordeelt uw situatie, controleert of u aan de voorwaarden voldoet en stemt de aankoop en de verklaring af met uw notaris. Overweegt u een woningaankoop? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u tekent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Belastingvrij schenken in 2026: hoeveel je per jaar mag geven aan je kind, kleinkind of iemand anders

U wilt uw kind of kleinkind financieel een zetje geven: een bijdrage aan een verbouwing, een auto, of gewoon een bedrag als steun in de rug. Dan komt al snel de vraag hoeveel u belastingvrij mag schenken in 2026 en vanaf welk bedrag de ontvanger een aanslag van de Belastingdienst krijgt. De Successiewet, de wet die de schenk- en erfbelasting regelt, stelt elk kalenderjaar een vast bedrag vrij: 6.908 euro van ouders aan een kind en 2.769 euro in alle andere gevallen. Wat daarbij vaak wordt vergeten, is dat alle schenkingen aan dezelfde persoon in hetzelfde kalenderjaar bij elkaar worden opgeteld, ook als vader en moeder ieder afzonderlijk schenken. In dit artikel leest u welke bedragen in 2026 gelden, hoe die samentelling precies werkt, wat u boven de vrijstelling betaalt en wanneer u aangifte schenkbelasting moet doen. Zo weet u vooraf of uw schenking helemaal buiten de heffing blijft.

Wat is een schenking en wie betaalt de schenkbelasting?

Een schenking is fiscaal gezien een gift: u geeft iets weg en krijgt daar niets voor terug. Dat kan geld zijn, maar net zo goed een auto, een pakket aandelen, een stuk grond of het kwijtschelden van een lening. Ook een bedrag dat u op papier schuldig blijft, is een schenking. Over wat iemand op deze manier krijgt, is in principe schenkbelasting verschuldigd.

De belasting wordt betaald door de ontvanger, in de wet de begiftigde genoemd. Dat is een belangrijk verschil met wat veel mensen denken: niet u als schenker, maar uw kind of kleinkind krijgt de aanslag. In de praktijk spreken ouders vaak af dat zij de belasting voor hun rekening nemen, maar let op: die betaling is zelf ook weer een schenking en telt dus mee.

Nederlandse schenkbelasting is alleen aan de orde als de schenker op het moment van de schenking in Nederland woonde. Voor emigranten geldt bovendien nog een aantal jaren een fictie, waarover verder in dit artikel meer.

Hoeveel mag u in 2026 belastingvrij schenken?

In 2026 gelden twee jaarlijkse vrijstellingen. Het bedrag hangt af van de relatie tussen de schenker en de ontvanger.

Wie schenkt? Aan wie? Belastingvrij bedrag 2026
Ouder of ouders Eigen kind, adoptiekind, stiefkind, pleegkind of schoonkind 6.908 euro
Alle andere gevallen Kleinkind, uw eigen partner, broer, zus, oom, tante, vriend of derde 2.769 euro

 

Een schoonkind valt fiscaal onder het kindbegrip, maar deelt de vrijstelling van 6.908 euro met uw eigen kind: er is dus één vrijstelling voor het paar en niet twee.

Beide bedragen gelden per kalenderjaar en per ontvanger. Blijft u eronder, dan betaalt de ontvanger niets en hoeft er geen aangifte te worden gedaan. Krijgt u toch een brief van de Belastingdienst waarin om aangifte wordt gevraagd, dan moet u die wel doen, ook als er niets te betalen is. Volgend jaar mag u hetzelfde bedrag opnieuw belastingvrij schenken. Figuur 1 zet de twee vrijstellingen naast elkaar.

     Figuur 1: De twee jaarlijkse vrijstellingen in 2026: 6.908 euro van ouders aan een kind en 2.769 euro in alle andere gevallen.

Juist die herhaling maakt de regeling waardevol. Bij twee ouders en twee kinderen gaat het elk jaar om twee keer 6.908 euro dat volledig buiten de heffing blijft. Over een reeks jaren wordt uw nalatenschap daardoor bovendien kleiner, zodat later ook minder snel erfbelasting verschuldigd is.

De vrijstelling van ouders aan een kind: 6.908 euro

Schenkt u als ouder aan uw kind, dan is in 2026 6.908 euro vrijgesteld. De leeftijd van uw kind doet daarbij niet ter zake: de jaarlijkse vrijstelling geldt voor een kind van vier net zo goed als voor een kind van vijfenvijftig. Komt u boven het bedrag uit, dan is alleen het meerdere belast.

De vrijstelling in alle andere gevallen: 2.769 euro

Voor iedere andere schenker geldt in 2026 een vrijstelling van 2.769 euro. Het maakt daarbij niet uit hoe dicht de familieband is: een grootouder, een oom, een schoonouder, een broer of iemand zonder familieband valt allemaal onder hetzelfde bedrag. Deze vrijstelling geldt per schenker, dus uw kind kan in hetzelfde jaar van twee verschillende ooms elk 2.769 euro belastingvrij ontvangen.

Wat niet kan, is de twee vrijstellingen bij elkaar optellen. Een kind dat van zijn ouders 6.908 euro krijgt, kan daarnaast niet ook nog 2.769 euro van diezelfde ouders belastingvrij ontvangen. Er geldt per schenker en per jaar één vrijstelling.

Bij dit bedrag hoort één aandachtspunt. De wettekst laat niet met zoveel woorden zien of bij overschrijding alleen het bedrag bóven de 2.769 euro wordt belast, of de hele schenking. De Belastingdienst rekent in haar eigen uitleg met het bedrag boven de vrijstelling, en dat is ook de rekenwijze die wij in dit artikel aanhouden. In de vakliteratuur is die vraag echter niet volledig uitgemaakt. Komt uw schenking dicht bij de 2.769 euro uit, laat de uitwerking dan vooraf toetsen, of blijf gewoon net onder het bedrag.

Los hiervan bestaan er nog bijzondere, ruimere vrijstellingen, bijvoorbeeld voor schenkingen aan een goededoelenorganisatie met een ANBI-status (een algemeen nut beogende instelling) en voor de schenking van een onderneming via de bedrijfsopvolgingsregeling. Die vallen buiten dit artikel.

Waarom alle schenkingen in één jaar bij elkaar worden opgeteld

Dit is het punt waarop het in de praktijk het vaakst misgaat. De Successiewet behandelt alle schenkingen van dezelfde schenker aan dezelfde ontvanger binnen één kalenderjaar als één schenking. Schenkt u in maart 4.000 euro en in november nog eens 4.000 euro aan uw zoon, dan is dat fiscaal één schenking van 8.000 euro en is 1.092 euro belast.

Schenkingen van vader en moeder tellen samen

Voor een schenking aan een kind worden de bedragen van beide ouders bij elkaar opgeteld, ook als de ouders gescheiden zijn of nooit met elkaar gehuwd waren. Vader en moeder gelden dus samen als één schenker. Geven vader en moeder ieder 5.000 euro aan hun dochter, dan is dat één schenking van 10.000 euro en geldt er één vrijstelling van 6.908 euro. Twee keer de vrijstelling benutten door de bedragen over beide ouders te verdelen, werkt dus niet. Figuur 2 laat zien hoe die twee bedragen samenkomen en wat er dan aan schenkbelasting overblijft.

Figuur 2: Schenkingen van vader en moeder aan hetzelfde kind gelden als één schenking, met één vrijstelling.

Partners gelden als één persoon

Dezelfde gedachte geldt aan beide kanten van de schenking. Partners worden voor de schenkbelasting als één persoon gezien, zowel als gever als als ontvanger. Schenken twee gehuwde grootouders aan hetzelfde kleinkind, dan is er samen één vrijstelling van 2.769 euro. En schenkt u aan uw zoon én aan zijn echtgenote, dan worden die twee bedragen meestal ook samengevoegd.

Voor ongehuwd samenwonenden geldt dit alleen als zij fiscaal partner zijn. Daarvoor moeten zij onder andere meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven en een notarieel samenlevingscontract met zorgverplichting hebben, gedurende twee jaar voorafgaand aan de schenking. Staan zij al ten minste vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres ingeschreven, dan is dat contract niet nodig.

Er is één uitzondering die vaak wordt gemist: schenkt u aan uw eigen partner, dan geldt de samenvoeging niet. Voor zo’n schenking geldt de vrijstelling van 2.769 euro, met daarboven het tarief van 10 procent dat voor partners geldt.

Let ook op de aanstaande partner. Doet u een schenking in de twaalf maanden vóór een huwelijk, dan wordt gedaan alsof dat huwelijk op het moment van de schenking al bestond. Dat kan gunstig uitpakken: een aanstaand schoonkind komt daardoor onder het kindbegrip te vallen. Het kan ook betekenen dat bedragen worden samengevoegd die u los had bedoeld. Laat dit narekenen als er een huwelijk op de planning staat.

De grens van het kalenderjaar is hard

Een kalenderjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Schenkt u op 31 december en opnieuw op 1 januari, dan zijn dat twee losse schenkingen met elk hun eigen vrijstelling. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk bevestigd dat dit geen ontoelaatbare constructie is, ook niet als de beide schenkingen duidelijk samenhangen. Wilt u meer overhevelen dan de jaarvrijstelling toelaat, dan is spreiden over de jaargrens dus de eenvoudigste route.

Figuur 3 maakt dat concreet: door twee keer 6.908 euro te schenken rond de jaarwisseling gaat er binnen enkele weken 13.816 euro belastingvrij naar uw kind.

Figuur 3: Spreiden over de jaargrens: twee kalenderjaren betekent twee volledige vrijstellingen.

Wat betaalt de ontvanger boven de vrijstelling?

Komt het totaal boven de vrijstelling uit, dan wordt eerst de vrijstelling van de schenking afgetrokken. Over wat er overblijft, geldt het volgende tarief.

Waarde schenking na aftrek vrijstelling Partner of kind Kleinkind of verdere afstammeling Overige personen
Tot en met 158.669 euro 10 procent 18 procent 30 procent
Boven 158.669 euro 20 procent 36 procent 40 procent

 

Het hogere percentage voor klein- en achterkleinkinderen komt voort uit een opslag: voor afstammelingen in de tweede of verdere graad wordt de berekende belasting met 80 procent verhoogd. Van 10 procent wordt zo effectief 18 procent. Figuur 4 geeft de tarieven en die opslag in één overzicht.

Figuur 4: De tarieven schenkbelasting 2026 over het bedrag boven de vrijstelling.

Een rekenvoorbeeld, hetzelfde als in figuur 2. Stel dat u en uw partner in 2026 ieder 5.000 euro schenken aan uw dochter van dertig, in verschillende maanden. Door de samentelling is dat één schenking van 10.000 euro. Daarvan is 6.908 euro vrijgesteld, zodat 3.092 euro belast blijft tegen 10 procent. Uw dochter betaalt dan ongeveer 309 euro. Had u 5.000 euro in december 2026 en 5.000 euro in januari 2027 geschonken, dan waren beide bedragen onder de jaarvrijstelling gebleven en was er niets verschuldigd.

Nog een voorbeeld. Schenkt u als grootouder 4.000 euro aan uw kleinzoon, dan is 2.769 euro vrijgesteld en blijft 1.231 euro belast. Tegen 18 procent betaalt uw kleinzoon ongeveer 222 euro. Ook hier had spreiden over twee kalenderjaren de heffing volledig kunnen voorkomen.

Wie geldt fiscaal als uw kind?

Voor de hogere vrijstelling van 6.908 euro moet de ontvanger een kind zijn. Dat begrip is ruimer dan alleen uw eigen, biologische kinderen. Onder kind vallen ook een adoptiekind en een stiefkind. Een pleegkind telt mee als u het gedurende ten minste vijf jaar vóór zijn eenentwintigste als eigen kind hebt onderhouden en opgevoed. Ook een kind waarover u samen het gezag of de voogdij hebt, en een kind waarvan het biologisch ouderschap uit een genetische test blijkt, worden gelijkgesteld.

Een schoonkind valt fiscaal eveneens onder het kindbegrip. Dat levert echter geen extra vrijstelling op, omdat uw kind en zijn partner via de partnerregeling als één persoon gelden. Er is dus één vrijstelling van 6.908 euro voor het paar, niet twee.

Over één punt verschillen fiscalisten van mening: of de kindvrijstelling voor een stiefkind blijft gelden nadat u van de ouder van dat kind bent gescheiden. De Successiewet en de algemene wetsdefinitie sluiten hier niet naadloos op elkaar aan en er is geen rechterlijke uitspraak die de vraag beslecht. Speelt dit in uw situatie, laat de schenking dan vooraf toetsen.

De eenmalig verhoogde vrijstelling: iets anders dan de jaarlijkse vrijstelling

Naast de jaarlijkse vrijstelling bestaat er een eenmalig verhoogde vrijstelling voor een schenking van ouders aan een kind. Die is in 2026 33.129 euro voor een vrij te besteden bedrag, of 69.009 euro als het geld voor een aanzienlijk duurdere dan gebruikelijke studie of beroepsopleiding is bestemd. Voorwaarde is dat het kind op het moment van de schenking tussen de achttien en veertig jaar is. De dag van de veertigste verjaardag telt nog mee.

Is uw kind al veertig of ouder maar zijn partner nog niet, dan kan de vrijstelling via die partner alsnog worden benut, mits die partner er zelf geen beroep op doet. Uw kind en zijn partner kunnen de verhoging dus niet twee keer gebruiken. Deze route rust op een goedkeuring in beleid en niet op de wettekst zelf, dus laat de toepassing vooraf toetsen.

Bij deze vrijstelling zijn drie punten van belang. Ten eerste is zij echt eenmalig: heeft uw kind eerder een verhoogde vrijstelling voor een schenking van u gebruikt, dan kan dat niet nog een keer. Ten tweede moet er aangifte worden gedaan en moet in die aangifte uitdrukkelijk een beroep op de vrijstelling worden gedaan. Dat is een harde voorwaarde: gebeurt het niet, dan is er zonder meer belasting verschuldigd en kan het beroep later niet meer worden hersteld. Ten derde kunt u in het jaar waarin u de verhoogde vrijstelling benut, niet ook nog de jaarlijkse vrijstelling van 6.908 euro gebruiken.

Benut u de verhoging maar deels, dan gaat het restant definitief verloren. U kunt de vrijstelling niet in stukken over meerdere jaren gebruiken.

Voor de variant van 69.009 euro voor een dure studie gelden bovendien extra eisen. De opleiding moet minstens 20.000 euro per jaar kosten, exclusief levensonderhoud. De schenking moet in een notariële akte zijn vastgelegd, met daarin de studie, de verwachte kosten en de voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar van de schenking aan de opleiding is besteed. Voor een schenking in 2026 betekent dat: besteed vóór 2029. Het geld mag niet worden gebruikt om eerder aangegane studieschulden af te lossen, en voor deze vrijstelling mag u de schenking niet op papier schuldig blijven; het bedrag moet daadwerkelijk zijn betaald.

In welk jaar valt uw schenking precies?

Omdat de samentelling per kalenderjaar werkt, is de datum van de schenking beslissend. Fiscaal gaat het om het moment waarop de schenkingsovereenkomst tot stand komt. Sinds 2003 gelden daarvoor in beginsel geen vormvereisten meer: de overeenkomst komt tot stand zodra de ontvanger het aanbod niet direct afwijst. Bij een gewone overboeking gaat het in de praktijk om de datum van de overboeking.

Rond de jaarwisseling is dat een aandachtspunt, want ook de datum van bijschrijving kan een rol spelen. Wilt u een schenking bewust in het ene of het andere jaar laten vallen, schenk dan niet op de laatste of de eerste dag van het jaar maar met een paar dagen marge, en leg de afspraak schriftelijk vast.

Hebt u een voorwaarde aan de schenking gekoppeld die pas later in vervulling gaat, bijvoorbeeld dat uw kind het bedrag krijgt zodra het een woning koopt, dan geldt de schenking fiscaal pas in het jaar waarin die voorwaarde wordt vervuld. De vrijstelling en de aangiftetermijn schuiven dan mee.

Schenkt u iets anders dan geld, dan is de waarde in het economische verkeer op de schenkingsdatum beslissend, dus de prijs die een willekeurige koper op die dag zou betalen, en niet wat u er zelf voor hebt betaald. Voor beursgenoteerde effecten geldt de slotkoers van de laatste beursdag vóór de schenking. Bij een woning, een stuk grond of een pakket aandelen in uw eigen bv is een onderbouwde waardering dus onmisbaar.

Schenkt u een woning of een stuk grond, dan is er nog een gunstige regel: de overdrachtsbelasting die over de schenking wordt betaald, komt in mindering op de schenkbelasting over hetzelfde bedrag. Dubbele heffing wordt op die manier voorkomen.

Wanneer moet u aangifte schenkbelasting doen?

Blijft het totaal van uw schenkingen in het jaar onder de vrijstelling, dan hoeft er geen aangifte te worden gedaan en is er niets te betalen. Komt het bedrag erboven, dan doet de ontvanger aangifte schenkbelasting. De aangifte gaat online via Mijn Belastingdienst.

De termijn is ruim: de wet bepaalt dat die niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking is gedaan. In de praktijk betekent dat: doe aangifte vóór 1 maart van het jaar na de schenking. De wetgever heeft voor dit systeem gekozen omdat pas na afloop van het jaar valt te beoordelen of alle schenkingen bij elkaar boven de vrijstelling uitkomen.

Wacht niet op een brief. Formeel ontstaat de wettelijke aangifteplicht pas doordat de Belastingdienst u uitnodigt om aangifte te doen, maar u kunt in bepaalde gevallen gehouden zijn er zelf om te vragen. De Belastingdienst gaat er daarom van uit dat u een belaste schenking op eigen initiatief aangeeft. Ontvangt u wél een brief, dan moet u aangifte doen, ook als er per saldo niets te betalen is.

Doet u een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling, dan is aangifte altijd verplicht, ook als er per saldo niets te betalen is. Zonder dat beroep in de aangifte bestaat de vrijstelling eenvoudig niet. Handig om te weten: schenker en ontvanger mogen samen één aangifte doen, wat dubbel werk voorkomt. Krijgen partners beide een schenking, dan legt de Belastingdienst wel aan ieder van hen een eigen aanslag op.

Figuur 5 vat de drie mogelijke uitkomsten samen in een beslisboom.

Figuur 5: Beslisboom: moet u aangifte schenkbelasting doen?

Wat gebeurt er als u te laat bent of geen aangifte doet?

Bij een te late of ontbrekende aangifte kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Dat is een boete voor een vormfout, waarvoor geen opzet nodig is. Het wettelijk maximum is 6.709 euro, maar in het boetebeleid is de standaardboete gesteld op 7 procent daarvan, dus ongeveer 470 euro. Het maximum is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarin iemand jaar na jaar in verzuim blijft.

Een belangrijke waarborg: van een verzuim is pas sprake als u geen gevolg hebt gegeven aan een aanmaning die u daadwerkelijk heeft bereikt. De Belastingdienst moet aannemelijk maken dat die aanmaning is verzonden én ontvangen. Is de aanmaning eenmaal binnen, dan is de termijn hard: ook een aangifte die één dag te laat is, levert een verzuim op. Alleen als u werkelijk niets te verwijten valt, blijft de boete uit; drukte of ziekte van uw partner zijn daarvoor in beginsel niet genoeg.

Onderschat daarnaast de lange nasleep niet. Is er nooit aangifte gedaan, dan begint de termijn waarbinnen de Belastingdienst een aanslag kan opleggen volgens de rechtspraak van de Hoge Raad pas te lopen na de inschrijving van de overlijdensakte van de schenker of de ontvanger. Een vergeten schenking kan daardoor tientallen jaren later nog opduiken, vaak juist op het moment dat de nalatenschap wordt afgewikkeld.

Twee situaties die vaak worden vergeten

Overlijdt de schenker binnen 180 dagen, dan verschuift de schenking naar de erfenis

Alles wat iemand in de laatste 180 dagen voor zijn overlijden heeft weggegeven, wordt fiscaal behandeld als een erfenis. Dat geldt ook voor een gewone jaarlijkse schenking aan een kind: die valt niet onder de uitzonderingen op deze regel. Betaalde schenkbelasting komt in mindering op de erfbelasting, maar bij meerdere schenkingen in dat jaar slechts naar een evenredig deel.

Voor een schenking waarop de eenmalig verhoogde vrijstelling is geclaimd geldt wél een uitzondering: die blijft buiten de erfenis. Wie op korte termijn nog vermogen wil overdragen, kan aan die vrijstelling dus meer hebben dan aan een reeks gewone jaarschenkingen.

Praktisch gevolg: een schenkingsronde die vlak voor een overlijden wordt gedaan, bijvoorbeeld in een periode van ernstige ziekte, levert vaak niet het beoogde voordeel op. Wie op deze manier de nalatenschap wil verkleinen, is er verstandig aan te beginnen zolang dat rustig en gespreid kan.

Figuur 6 zet deze 180 dagen naast het andere risico uit dit artikel, de verzuimboete bij een te late of ontbrekende aangifte.

Figuur 6: Twee risico’s: de 180 dagen vóór het overlijden en de verzuimboete bij een te late aangifte.

Na emigratie blijft de Nederlandse schenkbelasting nog jaren gelden

Schenkbelasting wordt geheven als de schenker in Nederland woonde. Twee ficties verlengen dat. Een Nederlander die naar het buitenland verhuist, wordt nog tien jaar na vertrek geacht in Nederland te wonen. Voor iemand met een andere nationaliteit geldt die fictie één jaar. Woonde de schenker nooit in Nederland, dan is er geen Nederlandse schenkbelasting.

Voor ondernemers en dga’s die naar het buitenland vertrekken is dit relevant: het schenkingsplan voor de kinderen verandert niet meteen door de verhuizing, en bij een schenking in een ander land kan bovendien de belastingheffing daar meespelen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd een schenkingsoverzicht per jaar en per ontvanger bij. Noteer datum, bedrag en ontvanger van elke schenking, inclusief schenkingen op papier, kwijtscheldingen en giften in natura. Zonder dat overzicht is de samentelling niet te controleren.
  • Stem af met de andere ouder. Schenkingen van vader en moeder aan hetzelfde kind worden opgeteld, ook na een scheiding. Spreek af wie wat schenkt, zodat u samen niet ongemerkt boven 6.908 euro uitkomt.
  • Toets het bedrag aan de juiste vrijstelling. 908 euro van ouders aan een kind, 2.769 euro in alle andere gevallen, per kalenderjaar en per schenker.
  • Spreid over de jaargrens als u meer wilt overhevelen. Een schenking in december en een schenking in januari zijn twee jaren en dus twee vrijstellingen. Houd wel een paar dagen marge rond de jaarwisseling aan, zodat over het jaar geen discussie kan ontstaan.
  • Leg de schenkingsdatum schriftelijk vast. Een korte schenkingsbrief of een bankafschrift met datum voorkomt discussie over het jaar waarin de schenking valt.
  • Laat niet-geldschenkingen waarderen. Bij aandelen, een auto, een woning of grond geldt de waarde in het economische verkeer op de schenkingsdatum.
  • Doe aangifte vóór 1 maart van het volgende jaar. Dat geldt zodra het totaal boven de vrijstelling uitkomt en altijd als u een beroep doet op de eenmalig verhoogde vrijstelling.
  • Regel de eenmalige vrijstelling op tijd en volledig. Controleer de leeftijdsgrens van veertig jaar, doe het beroep uitdrukkelijk in de aangifte en zorg bij de studievariant voor een notariële akte.
  • Wees voorzichtig met schenken in de laatste levensfase. Overlijdt de schenker binnen 180 dagen, dan wordt de schenking bij de erfenis geteld.
  • Denk aan de emigratieficties. Tien jaar voor Nederlanders en één jaar voor anderen: een verhuizing naar het buitenland maakt de Nederlandse heffing niet direct onmogelijk.

Veelgestelde vragen

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij aan mijn kind schenken?

In 2026 mag u als ouder 6.908 euro per kalenderjaar aan uw kind schenken zonder dat er schenkbelasting verschuldigd is. Onder kind vallen ook een stiefkind, een pleegkind en een adoptiekind. De leeftijd van uw kind maakt voor deze jaarlijkse vrijstelling niet uit.

Tellen schenkingen van mijn vader en mijn moeder apart mee?

Nee. Voor de schenkbelasting gelden uw ouders samen als één schenker, ook als zij gescheiden zijn of nooit gehuwd waren. Schenken zij ieder 5.000 euro, dan is dat fiscaal één schenking van 10.000 euro met één vrijstelling van 6.908 euro.

Moet ik aangifte doen als de schenking onder de vrijstelling blijft?

Nee. Blijft het totaal van de schenkingen van dezelfde schenker in het kalenderjaar onder de vrijstelling, dan is er geen schenkbelasting verschuldigd en hoeft er geen aangifte te worden gedaan. Krijgt u toch een brief waarin om aangifte wordt gevraagd, dan moet u die wel doen. Komt u boven de vrijstelling uit, dan doet de ontvanger aangifte vóór 1 maart van het jaar na de schenking. Bij een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling is aangifte altijd nodig.

Hoeveel schenkbelasting betaalt mijn kleinkind?

Voor een kleinkind geldt de vrijstelling van 2.769 euro. Over het meerdere betaalt uw kleinkind 18 procent tot en met 158.669 euro en 36 procent daarboven. Die percentages zijn hoger dan bij een kind, omdat de berekende belasting voor klein- en achterkleinkinderen met 80 procent wordt verhoogd. Komt de schenking net boven 2.769 euro uit, laat de uitwerking dan toetsen: over de vraag of alleen het meerdere of de hele schenking wordt belast, bestaat in de vakliteratuur nog discussie.

Mag ik op 31 december en op 1 januari schenken en zo twee keer de vrijstelling gebruiken?

Ja. De samentelling werkt strikt per kalenderjaar en de jaargrens is hard. Een schenking op 31 december en een schenking op 1 januari zijn twee schenkingen met elk hun eigen vrijstelling. De Hoge Raad heeft bevestigd dat dit geen wetsontduiking is. Zorg wel dat de data aantoonbaar zijn.

Kan ik de jaarlijkse vrijstelling combineren met de eenmalig verhoogde vrijstelling?

Niet in hetzelfde jaar. Doet u in een bepaald jaar een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling van 33.129 euro of 69.009 euro, dan kunt u in dat jaar niet daarnaast nog de jaarlijkse vrijstelling van 6.908 euro benutten. In de jaren daarvoor en daarna kunt u de jaarlijkse vrijstelling gewoon gebruiken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Schenken lijkt eenvoudig, maar de rekening komt vaak uit een hoek die u niet had verwacht: een tweede schenking later in het jaar, een bedrag van de andere ouder, een schenking op papier uit een eerder jaar of een overlijden kort na de schenking. Taxcount brengt uw schenkingen per jaar en per ontvanger in kaart, rekent voor wat een voorgenomen schenking kost en laat zien wat het oplevert om te spreiden of om juist de eenmalig verhoogde vrijstelling in te zetten.

Wij verzorgen daarnaast de aangifte schenkbelasting, letten op het tijdig en juist doen van het beroep op een verhoogde vrijstelling en stellen de schenkingsbrief of de afspraken met de notaris af op uw plannen. Gaat het om vermogen in uw bv, om aandelen of om een bedrijfsoverdracht binnen de familie, dan kijken wij in één keer ook naar box 2 en de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat de schenkbelasting en de inkomstenbelasting op elkaar afgestemd blijven.

Wilt u weten wat u dit jaar nog belastingvrij kunt schenken, of wat een groter plan over meerdere jaren betekent? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie op basis van de regels en bedragen zoals die gelden voor het belastingjaar 2026 en is geen fiscaal advies. Tarieven, vrijstellingen en drempelbedragen worden jaarlijks aangepast en wetgeving en beleid kunnen wijzigen. De uitkomst in uw eigen situatie hangt af van de persoonlijke omstandigheden, zoals de relatie tussen schenker en ontvanger, eerdere schenkingen en de aard van het geschonken vermogen. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscaal adviseur voordat u besluiten neemt.

Beleggingsvermogen of ondernemingsvermogen: zo bepaal je de grens en herstructureer je op tijd voor een bedrijfsoverdracht

U wilt uw bedrijf over een paar jaar overdragen aan uw kind of aan een opvolger. In de bv zit naast de echte onderneming ook vermogen dat daar eigenlijk niets mee te maken heeft: opgepotte winst op een spaarrekening, een effectenportefeuille of een pand dat u aan een derde verhuurt. Dat vermogen heet beleggingsvermogen, en juist daarover krijgt u geen belastingvoordeel bij de overdracht. Dat kan zomaar honderdduizenden euro’s schelen. In dit artikel leest u wat beleggingsvermogen bij bedrijfsopvolging precies is, hoe u de grens met ondernemingsvermogen bepaalt, en hoe u dat vermogen vooraf kunt afzonderen zonder de fiscale faciliteiten te verspelen. Ook leest u welke termijnen u in de gaten moet houden, want te laat beginnen is bij dit onderwerp de duurste fout.

Waarom scheelt dit onderscheid zoveel geld?

De wetgever wil niet dat een gezond bedrijf bij een overdracht stukloopt op belasting. Daarom bestaan er twee faciliteiten. De bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting stelt in 2026 100 procent vrij over de eerste 1.543.500 euro aan ondernemingsvermogen per bedrijf en 75 procent over het meerdere. Heeft uw holding twee echt zelfstandige bedrijven, dan geldt die schijf per bedrijf; door alleen een bv te splitsen krijgt u de schijf niet twee keer. De doorschuifregeling in box 2 zorgt ervoor dat u de belasting over de waardestijging van uw aandelen niet direct hoeft af te rekenen, maar doorschuift naar uw opvolger.

Beide faciliteiten kennen precies dezelfde tweedeling: alleen het deel van de waarde dat is toe te rekenen aan de onderneming telt mee. Over het beleggingsdeel rekent u gewoon af. Het tarief in box 2 is in 2026 24,5 procent tot een inkomen van 68.843 euro en 31 procent daarboven, en de schenkbelasting voor kinderen loopt op tot 20 procent. Zit er een miljoen aan beleggingen in uw bv, dan is dat dus geen theoretisch verschil.

De winst van herstructureren zit niet in een hogere vrijstelling. Die zit erin dat u vermogen dat toch niet kwalificeert simpelweg niet meeschenkt.

Wat is beleggingsvermogen precies?

Het opvallende is dat de wet dit begrip nergens definieert. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak volgen wel drie vaste regels.

Het gaat om het saldo, niet om de bezitting alleen

Beleggingsvermogen is het saldo van de beleggingen en de schulden die u daarvoor bent aangegaan. Heeft u een effectenportefeuille van 800.000 euro die u deels met een lening van 300.000 euro heeft gefinancierd, dan telt in beginsel 500.000 euro als beleggingsvermogen. Wel moet er een duidelijk verband zijn tussen de schuld en de bezitting waarvoor u die schuld aanging.

Alleen blijvend overtollig vermogen telt mee

Geld is pas beleggingsvermogen als het voor de onderneming geen enkele functie meer heeft. Een overnamekas, een buffer voor een slecht jaar, geld dat is bestemd voor een investering of voor een reorganisatie: dat is geen beleggingsvermogen. Tijdelijk overtollige middelen mag u wegzetten, mits u redelijkerwijs kunt aannemen dat het geld op tijd weer beschikbaar is voor de onderneming en het risico vergelijkbaar is met een langlopend deposito bij een bank. Speculatieve posities vallen daar niet onder.

De bewijslast is verdeeld. Gaat het om de vraag of een bezitting op de balans van de onderneming mag staan, dan moet de inspecteur aannemelijk maken dat en tot welk bedrag uw middelen blijvend overtollig zijn. Claimt u vervolgens de vrijstelling, dan moet u zelf aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan. In de praktijk wint daarom degene die zijn dossier op orde heeft. Een investeringsplan of een onderbouwd overnamebudget op papier is hier goud waard. Dat het ook fout kan gaan, laat een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2025 zien: daarin werd 42,7 miljoen euro aan opgepotte dividenden, liquiditeiten en effecten in een holding aangemerkt als blijvend overtollig. Op die uitspraak is in de vakliteratuur kritiek, dus het laatste woord is er nog niet over gezegd, maar zij laat wel zien hoe groot het risico is.

Drie harde uitsluitingen in de wet

Naast deze open norm kent de wet sinds 2024 en 2025 een aantal categorieën die hoe dan ook niet meetellen. Deze uitsluitingen zijn hard: een goede reden helpt hier niet.

  • Een belang in een ander lichaam. Aandelen in een andere bv tellen niet mee, tenzij de bezittingen en schulden van die bv aan u worden toegerekend. Dat toerekenen mag als u daarin direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft van ten minste 5 procent, of een verwaterd belang van minder dan 5 procent maar ten minste 0,5 procent.
  • Aan derden verhuurd vastgoed. Een onroerende zaak die meer dan bijkomstig aan iemand anders ter beschikking is gesteld, telt niet mee. De wet noemt geen percentage. In de praktijk wordt meer dan bijkomstig ingevuld als ongeveer 10 procent verhuur aan derden, al lopen de opvattingen precies op die grens uiteen. Verhuur aan uw eigen werkmaatschappij valt hier niet onder.
  • Duur gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen. Een bedrijfsmiddel met een waarde van 103.000 euro of meer telt niet mee voor zover het voor meer dan bijkomstig andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. Denk aan een dure auto, een boot, een kunstwerk of een vakantiewoning. De grens ligt bij 90 procent zakelijk gebruik. Woon-werkverkeer geldt niet als privégebruik. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd; in 2025 was het nog 100.000 euro.

Figuur 1 zet die volgorde op een rij: eerst de vraag of het bestanddeel nog een functie heeft voor de onderneming, daarna de drie uitsluitingen. Loopt u ze alle drie zonder treffer door, dan telt het bestanddeel mee als ondernemingsvermogen.

   Figuur 1: is het vermogensbestanddeel ondernemingsvermogen of beleggingsvermogen? Eerst de functie voor de onderneming, daarna de drie wettelijke uitsluitingen.

Bij verhuurd vastgoed wordt tijdsevenredig gerekend, zoals figuur 2 laat zien. De wetgever geeft zelf dit voorbeeld. Een loods is 500.000 euro waard. De ene helft, dus 250.000 euro, is volledig in eigen gebruik. De andere helft is 40 procent van de tijd in eigen gebruik en 60 procent verhuurd aan een derde. Van die tweede helft geldt 60 procent van 250.000 euro, dus 150.000 euro, als beleggingsvermogen. Over de resterende 350.000 euro gelden de gewone regels.

Figuur 2: bij deels verhuurd vastgoed telt alleen het verhuurde deel als beleggingsvermogen, en dan naar de tijd waarin het aan een derde ter beschikking staat.

Kortdurende verhuur valt buiten de uitsluiting: vakantiewoningen, hotelkamers, zalen, tennisbanen en teeltpacht. Vastgoed dat nog in ontwikkeling is, telt evenmin als verhuurd. Let op het verschil: gaat het om woningen die een vakantiepark of een hotelketen voor bewoning ter beschikking stelt, dan geldt de uitsluiting juist wel. Een vakantiewoning die u zelf of uw gezin gebruikt, valt onder de regeling voor dure gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen. En een woning die u aan een personeelslid ter beschikking stelt, valt er ook onder: een personeelslid geldt volgens de Belastingdienst als een ander.

En vorderingen?

Een vordering van de bv op u, op familie of op een derde wordt voor de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel niet als ondernemingsvermogen gezien. Het beleidsbesluit van 2026 zegt het onomwonden: zulke vorderingen wijken niet wezenlijk af van andere beleggingen. Heeft u een rekening-courantschuld aan uw eigen bv, dan verkleint die dus de vrijstelling bij de overdracht.

Wat levert afzonderen op? Een rekenvoorbeeld

Stel: uw holding is 6.000.000 euro waard. Daarvan is 4.000.000 euro de werkmaatschappij en 2.000.000 euro bestaat uit effecten en spaargeld dat geen functie meer heeft in de onderneming. U schenkt in 2026 alle aandelen aan uw dochter. Figuur 3 laat zien hoe de structuur er voor en na een afsplitsing uitziet.

Figuur 3: de beleggingen gaan bij een afsplitsing naar een nieuwe bv, de onderneming blijft achter in de bestaande structuur.

Zonder herstructurering

Het kwalificerende ondernemingsvermogen is 4.000.000 euro. De vrijstelling bedraagt 100 procent over 1.543.500 euro plus 75 procent over 2.456.500 euro, samen 3.385.875 euro. Uw dochter verkrijgt 6.000.000 euro, dus de belaste verkrijging is 2.614.125 euro.

Met herstructurering

U splitst de effecten en het spaargeld vooraf af naar een aparte Beleggingen bv, die u zelf houdt. U schenkt alleen de aandelen in de holding met de onderneming, dus 4.000.000 euro. De vrijstelling is nog steeds 3.385.875 euro, maar nu op een verkrijging van 4.000.000 euro. De belaste verkrijging is 614.125 euro.

Figuur 4: dezelfde vrijstelling, maar op een kleinere verkrijging. De belaste verkrijging daalt van 2.614.125 euro naar 614.125 euro.

Het verschil is 2.000.000 euro aan belaste verkrijging, zoals figuur 4 naast elkaar zet. Het beleggingsvermogen blijft bij u en vererft later gewoon, dus de belasting daarover is niet verdwenen. Wel is die losgekoppeld van de bedrijfsoverdracht, en houdt u liquiditeit achter de hand om de belasting over het niet-vrijgestelde deel te betalen. Dit voorbeeld is sterk vereenvoudigd; laat uw eigen situatie doorrekenen.

Let op: BOR en doorschuifregeling rekenen in 2026 verschillend

Tot en met 2024 kende de bedrijfsopvolgingsregeling een doelmatigheidsmarge: beleggingsvermogen tot 5 procent van het ondernemingsvermogen mocht u toch als ondernemingsvermogen meetellen. Die marge is voor de bedrijfsopvolgingsregeling afgeschaft per 1 januari 2025.

Voor de doorschuifregeling in box 2 bestaat de marge in 2026 nog wel. De afschaffing daarvan is wettelijk al geregeld, maar treedt pas in werking op een nog te bepalen tijdstip. Volgens de fiscale beleidsagenda kan dat naar verwachting niet eerder dan 1 januari 2028.

Praktisch gevolg: de twee sporen van uw overdracht hebben in 2026 een verschillende grondslag. U moet dus twee berekeningen maken en beide in het dossier vastleggen. Vraag uw adviseur daar expliciet om, want dit wordt in de praktijk regelmatig over het hoofd gezien.

Welke route past bij uw situatie?

Er zijn verschillende manieren om vermogen te verplaatsen. Ze zijn lang niet allemaal geschikt om beleggingen af te zonderen. In de tabel hieronder ziet u het overzicht, daarna volgt de toelichting.

Route Geschikt om beleggingsvermogen af te zonderen?
Juridische afsplitsing Ja, dit is het aangewezen instrument. De enige echte poort is de toets op zakelijke overwegingen.
Zuivere splitsing Ja, maar de oorspronkelijke bv houdt op te bestaan. Dat brengt extra risico op eindafrekening mee.
Bedrijfsfusie Beperkt. De overdracht van louter beleggingen of deelnemingen geldt niet als een onderneming.
Juridische fusie Niet om vermogen te scheiden, wel om een structuur op te schonen.
Aandelenfusie Ja, als voorbereidende stap: eerst een holding boven de werkmaatschappij, daarna afsplitsen.
Geruisloze omzetting Ja, en sinds oktober 2025 ruimer. Dit is de route voor de ondernemer zonder bv.
Fiscale eenheid Technisch mogelijk, maar riskant door de sanctie bij ontvoeging.

 

De juridische afsplitsing: de standaardroute

Bij een juridische afsplitsing gaan de beleggingen naar een nieuwe bv, blijft de onderneming achter in de bestaande bv, en houdt u beide. Daarna schenkt u alleen de aandelen in de ondernemings-bv. De wetgever heeft deze route uitdrukkelijk goedgekeurd voor een reële bedrijfsopvolging. Sterker nog, de wetsgeschiedenis noemt precies dit voorbeeld: een houdster splitsen in een vennootschap met de aandelen in de werkmaatschappij en een vennootschap met het overige beleggingsvermogen, en vervolgens de eerste schenken.

De afsplitsing blijft buiten de winst als aan alle wettelijke eisen is voldaan. Wordt een van die eisen niet gehaald, dan kunt u vooraf een gezamenlijk verzoek indienen bij de inspecteur van de splitsende vennootschap. Ook als de vrijstelling van rechtswege lijkt te gelden, is een verzoek verstandig: een onjuiste toepassing blijkt pas bij de aanslag, en een splitsing kunt u niet terugdraaien.

De bedrijfsfusie: meestal geen optie

Bij een bedrijfsfusie draagt u een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over tegen uitreiking van aandelen. Het beleidsbesluit van 21 augustus 2025 stelt uitdrukkelijk dat de inbreng van deelnemingen, en in het algemeen van deelnemingen samen met bedrijfspanden, niet kwalificeert. Beleggingen die met blijvend overtollig geld zijn gefinancierd vormen geen tak van bedrijvigheid. Ook de klassieke variant waarbij de onderneming naar de werkmaatschappij gaat en het pand in de holding achterblijft, strandt vaak op deze eis.

De fiscale eenheid: geruisloos schuiven, maar met een prijs

Binnen een fiscale eenheid worden interne transacties genegeerd, dus u kunt daar op het oog geruisloos reorganiseren. Er zit echter een sanctie op. Draagt u binnen de eenheid een vermogensbestanddeel met een stille reserve over en eindigt de eenheid daarna, dan moet u dat bestanddeel alsnog op de marktwaarde zetten. De termijn is zes kalenderjaren, of drie kalenderjaren als het ging om een onderneming die is overgedragen tegen uitreiking van aandelen. Er is geen tegenbewijs mogelijk: de motieven doen niet ter zake.

Het advies uit de vakliteratuur is daarom eenduidig. Voer een uitzakoperatie niet binnen de fiscale eenheid uit, maar via een bedrijfsfusie of een afsplitsing buiten de eenheid. Daarna kunt u desgewenst opnieuw een fiscale eenheid aanvragen.

Heeft u nog geen bv? De geruisloze omzetting is ruimer geworden

Voor een eenmanszaak, vof of maatschap loopt de scheiding niet via een splitsing, maar via de omzetting naar een bv zelf. Een beleidsbesluit van 24 oktober 2025 keurt goed dat u bij die omzetting vermogensbestanddelen onttrekt, mits het resterende deel nog steeds een onderneming vormt. Nieuw is dat dit ook mag bij vermogen dat verplicht tot de onderneming behoort. Voorheen was dat op geen enkele wijze toegestaan.

Let hierbij op drie dingen. Wat achterblijft mag zelf geen zelfstandig bedrijf vormen. Over de stille reserves die u daarbij realiseert krijgt u geen stakingsaftrek, al kunt u die reserves wel omzetten in een lijfrente. En het vastgoed dat u onttrekt valt daarna meestal onder de terbeschikkingstellingsregeling: u verhuurt het dan privé aan uw eigen bv en wordt over dat resultaat in box 1 belast. Onttrekken is doorgaans alleen aantrekkelijk als er een boekverlies is; laat dit dus vooraf doorrekenen.

Wanneer accepteert de Belastingdienst de herstructurering?

De belangrijkste horde is de toets op misbruik. Een afsplitsing is niet gefacilieerd als zij in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Ontbreken zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden, dan wordt misbruik vermoed. U mag dat vermoeden weerleggen.

Twee ontwikkelingen maken deze poort in 2026 gunstiger dan voorheen. Ten eerste oordeelde de Hoge Raad in februari 2026 dat het tweede bewijsvermoeden, dat automatisch gold als u de aandelen binnen drie jaar aan een onafhankelijke partij verkocht, in strijd is met de Europese fusierichtlijn en buiten toepassing moet blijven. Een algemeen vermoeden van ontwijking is niet toegestaan. De inspecteur moet dus weer zelf met bewijs komen. Ten tweede accepteerde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 januari 2023 een afsplitsing waarbij een pand naar een zustervennootschap ging om het uit de risicosfeer van de onderneming te halen. Die zaak ging over de overdrachtsbelasting, maar de toets was destijds gelijk aan die in de vennootschapsbelasting en de redenering wordt in de praktijk breed gevolgd: het uiteindelijke belang bleef gelijk, en dat is geen misbruik.

Wat als zakelijke reden telt, is dus ruimer dan veel ondernemers denken. Bescherming tegen aansprakelijkheids- en schadeclaims is een solide motief. Efficiëntie en kostenbesparing ook, mits die besparing niet verwaarloosbaar is naast het belastingvoordeel. En u mag in beginsel de fiscaal gunstigste weg kiezen naar een niet-fiscaal einddoel, zolang die weg net zozeer voor de hand ligt als de alternatieven.

Wat wel misgaat, is te laat beginnen. Het motief wordt beoordeeld op het moment waarop de overeenkomst onherroepelijk tot stand komt, niet bij de uitvoering. In een zaak bij het gerechtshof Den Haag lag er op 21 december een verkoopopdracht, op 8 januari een bod, op 7 maart de bedrijfsfusie en op 23 maart de aandelenverkoop. De faciliteit ging verloren. Herstructureer dus nooit tijdens een lopend verkooptraject.

Twee termijnen die uw planning bepalen

Rond een overdracht lopen twee termijnen die elkaar opvolgen: de bezitseis vóór de schenking of vererving en de voortzettingsperiode erna. Figuur 5 zet ze op een tijdlijn, met de sanctietermijnen van de fiscale eenheid eronder.

Figuur 5: de bezitseis van vijf jaar vóór de overdracht en de voortzettingsperiode van drie jaar erna, met de sanctietermijnen van de fiscale eenheid.

De bezitseis: vijf jaar bij schenking, een jaar bij overlijden

Voor de bedrijfsopvolgingsregeling moet u als schenker vijf jaar aan de bezitseis voldoen, en als erflater een jaar. Per 1 januari 2026 is daar een belangrijke zin aan toegevoegd: dat geldt alleen voor zover uw belang in die periode niet is toegenomen. Groeit uw eigen aandeel in het bedrijf, dan begint voor dat toegenomen deel een nieuwe termijn. Dat geldt bij vrijwel elke vorm van groei: aankoop, inkoop van aandelen van een medeaandeelhouder, een emissie of een herstructurering. Er zijn precies drie uitzonderingen: een overgang door huwelijksvermogensrecht, een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding, en vermogen dat de erflater zelf eerder met een bedrijfsopvolgingsvrijstelling heeft verkregen.

De Hoge Raad besliste op 30 januari 2026 in een sprekende zaak. Een schenkster hield via een beheer-bv 49 procent in een vennootschap met hoortoestellencentra en optiekcentra; haar neef hield 51 procent. Bij een ruziesplitsing kreeg zij alle hoortoestellencentra en de neef de optiekcentra. Haar belang liep van 49 naar 100 procent. Toen zij twee jaar later schonk, gold de vrijstelling maar voor 49 procent. De advocaat-generaal vatte het kernachtig samen: zij had feitelijk het ene bedrijf gekocht voor het andere.

Goed nieuws is er ook. Koopt u een bedrijf erbij dat vervolgens opgaat in uw bestaande onderneming, dan is er geen sprake van een subjectieve uitbreiding en begint er geen nieuwe termijn. En sinds 1 januari 2026 is de eis vervallen dat een herstructurering fiscaal geruisloos moet verlopen om de bezitsperiode te laten doortellen. Uitgangspunt is nu dat de economische gerechtigdheid gelijk blijft; dat de juridische huls verandert, is geen bezwaar.

Er is wel een nieuwe voorwaarde voor in de plaats gekomen. Het doortellen werkt alleen als het aanmerkelijk belang voor en na de fusie of splitsing via dezelfde soort vermogensbestanddelen werd gehouden, dus via dezelfde soort aandelen of winstbewijzen. Wat dezelfde soort precies betekent, staat niet in de wet. Het ligt in de rede dat het omruilen van gewone aandelen tegen letteraandelen of preferente aandelen een andere soort oplevert, waardoor de termijn opnieuw gaat lopen, maar zekerheid is daar op dit moment nog niet over. Laat dit dus voorleggen als u met letteraandelen werkt.

De voortzettingsperiode: drie jaar na de overdracht

Na de schenking of vererving geldt een voortzettingsperiode. Die is per 1 januari 2026 verkort van vijf naar drie jaar. In die periode mag uw opvolger onder meer niet vervreemden, de aandelen niet omzetten in preferente aandelen en de aanspraak op toekomstige winst niet beperken. Gebeurt dat toch, dan vervalt de vrijstelling naar rato. Van een vervalgebeurtenis moet binnen acht maanden aangifte worden gedaan.

Sinds 2026 is een herstructurering binnen die drie jaar mogelijk zonder dat de vrijstelling vervalt, mits het belang van de verkrijger in de oorspronkelijk verkregen onderneming niet afneemt, de onderneming wordt voortgezet, de verkrijger geen medegerechtigde wordt en hij geen andere tegenprestatie ontvangt dan vermogensbestanddelen van dezelfde soort. Een bijbetaling in geld is dus niet toegestaan. Er zitten twee scherpe randen aan. De bescherming werkt uitsluitend op verzoek van de verkrijger; de inspecteur beslist bij beschikking waartegen bezwaar openstaat. Zonder verzoek is er geen bescherming, ook niet als het belang materieel gelijk blijft. En het omzetten van aandelen in preferente aandelen valt buiten die regeling en is dus in het geheel niet te repareren.

Dat laatste is een reëel risico bij letteraandelen. Lopen de winstreserves van verschillende letters na verloop van tijd uiteen, dan kan een hybride aandeel ontstaan waarvan het preferente deel niet aan het voortzettingsvereiste voldoet.

Vergeet de overdrachtsbelasting niet

Gaat er bij de splitsing Nederlands vastgoed over, dan is overdrachtsbelasting het uitgangspunt. Er bestaat een vrijstelling voor de splitsing. De voorwaarden daarvan zijn per 1 juli 2025 gewijzigd, waardoor zij mogelijk niet meer gelijklopen met die in de vennootschapsbelasting. Ga er daarom niet zonder meer van uit dat een goedkeuring voor de ene heffing ook voor de andere geldt, en laat dit per situatie toetsen.

Krijgt u bij een splitsing aandelen in een vennootschap die vastgoed bezit, dan geldt de vrijstelling alleen als uw belang in de waarde van dat vastgoed niet toeneemt. Neemt het wel toe, dan betaalt u over die toename. Het beleidsbesluit geeft dit voorbeeld: A en B houden elk de helft in een bv met een pand van 100.000 euro en een pand van 60.000 euro. Na de splitsing houdt A alle aandelen in de bv met het eerste pand en B in de bv met het tweede. Beiden waren gerechtigd tot 80.000 euro; A stijgt naar 100.000 euro en betaalt dus over 20.000 euro.

Positief nieuws is dat vastgoed binnen een concern mag achterblijven bij een overdracht van de onderneming, zonder dat de voortzettingseis voor de overdrachtsbelasting wordt geschonden. Voorwaarde is dat de verkrijgende vennootschap de onderneming de resterende drie jaar binnen dat concern voortzet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Maak een vermogensopstelling per peildatum. Zet per bezitting op papier wat het feitelijke gebruik is, welk deel van uw vastgoed tijdsevenredig aan derden is verhuurd en welke bedrijfsmiddelen boven 103.000 euro uitkomen met hun gebruikspercentage.
  • Onderbouw uw liquiditeiten. Leg vast waarvoor het spaargeld bestemd is: een investeringsplan, een overnamekas, een buffer of een reorganisatie. Zonder onderbouwing is het vermoedelijk beleggingsvermogen.
  • Reken twee grondslagen door. De 5 procent-marge geldt in 2026 nog voor de doorschuifregeling in box 2, maar niet meer voor de bedrijfsopvolgingsregeling. Leg beide berekeningen vast.
  • Bouw een motiefdossier op. Notulen, adviezen, een risicoanalyse en een kwantificering van de niet-fiscale baten tegenover het fiscale voordeel. De datum die telt is die van de overeenkomst waarmee u zich onherroepelijk verbindt, niet die van de uitvoering.
  • Vraag zekerheid vooraf. Dien het verzoek gezamenlijk in en voor de splitsing of fusie, bij de juiste inspecteur. De beslistermijn is in beginsel acht weken, de bezwaartermijn zes weken.
  • Bewaak de termijnenkalender. Bezitseis van een of vijf jaar, voortzettingseis van drie jaar met aangifteplicht binnen acht maanden, de sanctietermijn van zes of drie kalenderjaren bij een fiscale eenheid, en bij een geruisloze omzetting negen maanden voor de voorovereenkomst en vijftien maanden voor de oprichting.
  • Herstructureer niet tijdens een verkooptraject. Is er al een bod of een concrete gesprekspartner, dan kost een herstructurering vrijwel zeker de faciliteit.
  • Toets letteraandelen per soort. Geeft een aandeel statutair geen belang bij de onderliggende werkmaatschappij, dan verdwijnt het indirecte aanmerkelijk belang en daarmee de faciliteit.
  • Dien binnen de voortzettingsperiode altijd een verzoek in. De bescherming bij een herstructurering werkt uitsluitend op verzoek van de verkrijger, waarop de inspecteur bij beschikking beslist. De wet noemt geen termijn voor dat verzoek, maar dien het bij voorkeur in vóór de herstructurering.
  • Houd rekening met de kosten. Kosten van advies, waardering, notaris en de aangiften voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn bij de bv niet aftrekbaar en gelden als een uitdeling aan de aandeelhouder.

Veelgestelde vragen

Mag ik spaargeld in mijn bv houden zonder de vrijstelling kwijt te raken?

Ja, zolang dat geld een functie heeft voor de onderneming. Een buffer, een overnamekas of geld voor een geplande investering is geen beleggingsvermogen. Zodra het geld blijvend overtollig is, telt het niet mee in de vrijstelling. Zorg dus dat u schriftelijk kunt onderbouwen waarvoor het bestemd is.

Telt een pand dat ik aan mijn eigen werkmaatschappij verhuur wel mee?

Dat kan, maar niet automatisch. De wettelijke uitsluiting voor verhuurd vastgoed geldt niet bij verhuur aan een bv waarin u zelf een aanmerkelijk belang heeft. Zit het pand in een aparte bv die zelf geen onderneming drijft, dan telt het alleen mee als de bezittingen van die bv aan de holding worden toegerekend. Verhuurt u het pand privé aan uw bv, dan kan het meelopen in de vrijstelling, mits het dienstbaar is aan de onderneming van de bv en uw opvolger tegelijk de aandelen verkrijgt.

Hoe lang van tevoren moet ik beginnen met herstructureren?

Reken op minimaal vijf jaar voor een schenking. Dat is de bezitseis, en een herstructurering waarbij uw belang toeneemt laat die termijn voor het toegenomen deel opnieuw beginnen. Wacht u tot er een koper in beeld is, dan is het vrijwel zeker te laat.

Kan ik de beleggings-bv later belastingvrij verkopen?

Dat hangt ervan af. Houdt een holding de aandelen, dan is de verkoopwinst alleen vrijgesteld als de deelnemingsvrijstelling geldt: de regel die winst op een belang van 5 procent of meer bij de moeder-bv onbelast laat. Ligt het zwaartepunt van de activiteiten bij beleggen, dan geldt die vrijstelling niet zonder meer. U komt er dan alleen als de dochter een redelijke winstbelasting betaalt, of als minder dan de helft van haar bezittingen laagbelaste beleggingen zijn. Bij vastgoed pakt dat vaak gunstiger uit dan bij een pure effectenportefeuille.

Wat gebeurt er als de inspecteur het niet eens is met mijn splitsing?

Dan is de afsplitsing niet gefacilieerd en moet de vennootschap afrekenen over stille reserves en goodwill, zonder dat er geld binnenkomt. Bij een zuivere splitsing komt daar nog een eindafrekening bij. Omdat een splitsing niet terug te draaien is, is zekerheid vooraf vragen hier geen luxe.

Ik heb mijn bedrijf al geschonken. Mag ik nu nog herstructureren?

Binnen de voortzettingsperiode van drie jaar kan dat, mits het belang van de verkrijger niet afneemt en de onderneming wordt voortgezet. U moet daarvoor wel een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij beschikking beslist. De wet noemt geen termijn voor dat verzoek, maar dien het bij voorkeur in vóór de herstructurering: zonder verzoek is er geen bescherming. Het omzetten van aandelen in preferente aandelen valt buiten die bescherming.

Hoe Taxcount u kan helpen

Bij een bedrijfsoverdracht komt alles samen: schenk- en erfbelasting, inkomstenbelasting in box 2, vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting. Taxcount brengt eerst in kaart welk deel van uw vermogen als ondernemingsvermogen kwalificeert en welk deel niet, en rekent de twee grondslagen voor de bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling apart door. Daarna kijken we welke route bij uw structuur past, stellen we het verzoek aan de Belastingdienst op en bouwen we het motiefdossier op dat u nodig heeft als de inspecteur vragen stelt. Ook bewaken we de termijnen, van de bezitseis tot de voortzettingsperiode.

Denkt u er binnen vijf jaar aan uw bedrijf over te dragen? Laat uw situatie dan nu beoordelen, zolang u de tijd nog aan uw kant heeft. Neem contact op met Taxcount voor een vrijblijvend gesprek.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt volledig af van uw persoonlijke en zakelijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u handelt.

De doorschuifregeling aanmerkelijk belang: zo draag je de aandelen in je bv over zonder direct box 2-belasting te betalen

U heeft jaren aan uw bedrijf gebouwd en denkt na over de volgende stap: uw kind laten instappen, de aandelen schenken, of gewoon weten wat er fiscaal gebeurt als u er niet meer bent. De wet behandelt zo’n overgang als een verkoop van uw aandelen, ook als u er geen euro voor ontvangt. Zonder faciliteit is er dan direct belasting in box 2 verschuldigd over de volledige waardestijging van uw aandelen, terwijl er geen geld binnenkomt. De doorschuifregeling aanmerkelijk belang voorkomt dat: op verzoek schuift de belastingclaim door naar uw opvolger, voor het deel van de waarde dat aan de echte onderneming is toe te rekenen. In dit artikel leest u wanneer de regeling geldt, welk deel u kunt doorschuiven, welke voorwaarden en termijnen in 2026 gelden en wat u zelf moet regelen om de faciliteit niet te verspelen.

Wat is de doorschuifregeling in box 2?

Houdt u 5 procent of meer van de aandelen in een bv of nv, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Dat belang zit in box 2. Verkoopt u de aandelen, dan betaalt u belasting over het verschil tussen de overdrachtsprijs (uw opbrengst) en de verkrijgingsprijs (wat u er fiscaal voor heeft betaald).

De wet behandelt ook overlijden en schenken als een verkoop. Bij overlijden ontstaat een zogenoemde fictieve vervreemding: de wet doet alsof u de aandelen op de dag van overlijden heeft verkocht. Bij een schenking ontbreekt een prijs, en dan rekent de fiscus met de waarde in het economische verkeer, dus de zakelijke marktwaarde. In beide gevallen is er dus belasting verschuldigd zonder dat er geld is ontvangen. Vaak moet dat geld dan uit de bv komen, waarover opnieuw box 2-belasting verschuldigd is.

De doorschuifregeling haalt die directe heffing weg. Op verzoek wordt de overgang niet als vervreemding aangemerkt voor het deel van de waarde dat is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de bv. Belangrijk om te weten: het gaat om uitstel, niet om afstel. Uw opvolger neemt uw verkrijgingsprijs over, zodat de claim later alsnog wordt afgerekend. Dat is precies het verschil met de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting, die wel een echte vrijstelling geeft.

Over het deel dat u niet kunt doorschuiven, betaalt u in 2026 het gewone box 2-tarief:

Inkomen uit aanmerkelijk belang (2026) Tarief
tot en met 68.843 euro (fiscale partners samen 137.686 euro) 24,5 procent
boven 68.843 euro 31 procent

 

Figuur 1 laat in vijf stappen zien of doorschuiven in uw situatie mogelijk is, en zo ja of dat volledig of maar gedeeltelijk kan.

    Figuur 1: in vijf stappen naar de vraag of u kunt doorschuiven.

Wanneer kunt u de doorschuifregeling gebruiken?

De wet kent vier situaties waarin de claim kan doorschuiven. Ze lijken op elkaar, maar de spelregels verschillen per situatie. Twee daarvan kennen wel een ondernemingstoets, de andere twee niet.

Bij uw overlijden

Overlijdt u als aandeelhouder, dan is er in beginsel een fictieve vervreemding. Artikel 4.17a kan die terugnemen voor het ondernemingsvermogensdeel. De faciliteit werkt alleen op verzoek van alle betrokkenen samen, dus de erfgenamen namens u als erflater en de verkrijger. Gaan de aandelen over door een legaat, dan moet die overgang binnen twee jaar na het overlijden plaatsvinden.

Bij de verdeling van de nalatenschap

Neemt een van de kinderen het bedrijf over en worden de anderen uitgekocht, dan is dat een tweede overgang: eerst van u naar de erfgenamen samen, daarna tussen de erfgenamen onderling. De doorschuifregeling geldt ook voor die tweede stap, mits de verdeling binnen twee jaar na het overlijden gebeurt. Deze variant kent geen ondernemingstoets: de volledige claim schuift door, ook als er beleggingsvermogen in de bv zit.

Als u de aandelen schenkt aan uw opvolger

Draagt u de aandelen tijdens uw leven over aan een opvolger, meestal een kind, dan geldt een leeftijdseis: uw opvolger moet op het moment van de overdracht 21 jaar of ouder zijn. De oude eis dat de opvolger al 36 maanden in dienst was bij de vennootschap, is per 1 januari 2025 vervallen en vervangen door deze leeftijdsgrens. Let op: bij de doorschuifregeling voor een eenmanszaak of vof is die dienstbetrekkingseis juist wel blijven staan.

Bij een schenking geldt bovendien een plafond: u kunt nooit meer doorschuiven dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie, dus alles wat u als vergoeding bedingt, ook de verplichting van uw opvolger om iemand anders te betalen. Betaalt uw opvolger iets, of moet hij bijvoorbeeld een broer of zus uitkopen, dan is er in die mate geld beschikbaar om de belasting te betalen en wordt de faciliteit teruggenomen. De Hoge Raad besliste in 2019 dat ook een last om aan een derde te betalen als tegenprestatie geldt: in die zaak schonk een vader een pakket van 34,8 miljoen euro aan de ene zoon, onder de verplichting 4,9 miljoen euro aan de andere zoon te betalen.

Bij huwelijk, huwelijkse voorwaarden of scheiding

Gaan de aandelen (deels) over naar uw partner door het aangaan van een huwelijksgemeenschap, door het wijzigen van huwelijkse voorwaarden of door een scheiding, dan geldt een aparte variant. Die werkt van rechtswege: u hoeft niets te vragen, en wilt u juist wel afrekenen, dan kunt u daarom verzoeken. Er is geen ondernemingstoets, dus de hele claim schuift door. Bij een scheiding moet u binnen twee jaar na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap verdelen. Die termijn begint te lopen op het moment dat het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank wordt ingediend.

Overlijdt u terwijl u in gemeenschap van goederen bent gehuwd, dan gaat de regeling voor overlijden voor op de huwelijksvermogensrechtelijke route.

Bij vererving en bij schenking geldt dat een zogenoemd meetrek-aanmerkelijk belang niet meedoet. Dat is een klein belang van onder de 5 procent dat alleen in box 2 valt omdat een naast familielid een aanmerkelijk belang heeft. Een fictief aanmerkelijk belang, dat is een belang onder de 5 procent dat als aanmerkelijk belang blijft gelden omdat er eerder is doorgeschoven, mag juist wel.

Figuur 2 zet de vier routes naast elkaar, met per route of er een ondernemingstoets geldt, of u een verzoek moet doen en welke termijn u moet bewaken.

Figuur 2: de vier routes en de spelregels die per route verschillen.

Welk deel van de waarde mag u doorschuiven?

Alleen het deel dat aan het ondernemingsvermogen is toe te rekenen. Dat is het vermogen dat echt in de onderneming wordt gebruikt. Over het beleggingsvermogen, zoals overtollig spaargeld, een beleggingsportefeuille of aan derden verhuurd vastgoed, rekent u af.

De wet gunt u daarbij een kleine marge: bovenop het ondernemingsvermogen mag u beleggingsvermogen meenemen tot ten hoogste 5 procent van de waarde van dat ondernemingsvermogen. Deze doelmatigheidsmarge is voor de bedrijfsopvolgingsregeling al per 1 januari 2025 geschrapt, maar geldt in 2026 voor de doorschuifregeling in box 2 nog steeds. De afschaffing gaat pas in bij Koninklijk Besluit en wordt niet vóór 1 januari 2028 verwacht. In 2026 lopen de twee regelingen op dit punt dus uiteen, en dat betekent twee berekeningen in hetzelfde dossier.

Een rekenvoorbeeld maakt het concreet. De cijfers zijn afgeleid van het voorbeeld uit de parlementaire toelichting bij de regeling.

Stel dat u alle aandelen in uw bv houdt. De waarde is 1.000.000 euro: 800.000 euro ondernemingsvermogen en 200.000 euro beleggingsvermogen. Uw verkrijgingsprijs is 300.000 euro. U overlijdt en uw twee kinderen erven de aandelen samen. Figuur 3 laat zien hoe die waarde uiteenvalt.

Figuur 3: alleen het ondernemingsvermogen plus de marge van 5 procent schuift door.

  • Doorschuifbaar: 000 euro ondernemingsvermogen plus 5 procent daarvan (40.000 euro) is 840.000 euro. Voor dat deel is er op verzoek geen vervreemding.
  • Belast: de resterende 160.000 euro.
  • Verkrijgingsprijs: u mag uw verkrijgingsprijs zoveel mogelijk aan het belaste deel toerekenen, maar niet meer dan de overdrachtsprijs van dat deel. Dus 160.000 euro.
  • Uitkomst: 000 euro min 160.000 euro is nihil. Er is geen box 2-belasting verschuldigd. De resterende verkrijgingsprijs van 140.000 euro schuift door naar uw kinderen, ieder 70.000 euro. Hun verkrijgingsprijs wordt daarmee ieder 150.000 euro: 80.000 euro voor het belaste deel (de helft van de overdrachtsprijs van 160.000 euro) plus 70.000 euro doorgeschoven verkrijgingsprijs.

Had u een lagere verkrijgingsprijs, bijvoorbeeld 100.000 euro, dan valt het anders uit. Dan wordt 100.000 euro aan het belaste deel toegerekend en resteert een vervreemdingsvoordeel van 60.000 euro. Daarover is 24,5 procent box 2-belasting verschuldigd, dus 14.700 euro, en er schuift niets van de verkrijgingsprijs door. Uw erfgenamen moeten dat bedrag betalen zonder dat er iets is verkocht. Figuur 4 zet beide scenario’s naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde bv, twee verkrijgingsprijzen, twee heel andere uitkomsten.

Wat telt niet mee als ondernemingsvermogen?

Hier ligt in de praktijk het grootste risico. De begrippen onderneming en ondernemingsvermogen zijn sterk feitelijk en de bewijslast ligt bij u. De belangrijkste uitsluitingen op een rij.

  • Vastgoed dat u aan anderen verhuurt of in gebruik geeft. Onroerende zaken tellen niet mee voor zover zij aan een ander ter beschikking zijn gesteld of daarvoor bestemd zijn, en dat geldt ook voor de bijbehorende schulden. Die toets is tijdsevenredig: blijft de terbeschikkingstelling onder 10 procent van de tijd, dan geldt de uitsluiting niet. Verhuur binnen het eigen concern telt niet als “een ander”, mits u daarin een echt (direct of kwalificerend indirect) aanmerkelijk belang heeft. Kortdurende gebruiksafstand in de dienstensector, zoals een hotelkamer per nacht of een tennisbaan per uur, valt buiten de uitsluiting; langdurige verhuur van een hotelkamer of vakantiehuis juist niet. Een personeelswoning valt wel onder de uitsluiting.
  • Dure bedrijfsmiddelen met privégebruik. Bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer (bedrag 2026) tellen niet mee voor zover ze voor meer dan 10 procent niet-bedrijfsmatig worden gebruikt. Denk aan een auto, boot, vliegtuig of kunstcollectie, ook bij privégebruik door werknemers. Woon-werkverkeer geldt niet als privégebruik.
  • Belangen in andere vennootschappen zonder toerekening. Zit de onderneming in een dochter, dan worden de bezittingen en schulden van die dochter alleen aan u toegerekend als u daarin doorgerekend een aanmerkelijk belang heeft. Een belang van 80 procent in een dochter die 30 procent in een kleindochter houdt, geeft 24 procent en telt mee; komt u onder de 5 procent uit, dan niet. Voor kleine belangen die uitsluitend door vererving, huwelijksvermogensrecht of schenking onder de 5 procent zijn gezakt, bestaat een uitzondering vanaf 0,5 procent, onder strikte voorwaarden.
  • Vermogen dat nu niet meer in de onderneming wordt gebruikt. De Hoge Raad besliste op 18 augustus 2023 dat alleen vermogen meetelt dat op het moment van de verkrijging feitelijk voor de onderneming wordt aangehouden. Of een bestanddeel voor de winstberekening tot het ondernemingsvermogen mag worden gerekend, is niet van belang. In die zaak werd een voormalig eigen kantoorpand van 6.800.000 euro, dat na 2006 aan derden werd verhuurd, ten onrechte meegeteld. Ook panden die de bv zelf heeft ontwikkeld en daarna verhuurt, vallen buiten de faciliteit. Die uitspraak ging over de bedrijfsopvolgingsregeling in de erfbelasting; de Belastingdienst past dezelfde lijn toe op de doorschuifregeling in box 2.

Voor vastgoed geldt bovendien een streng uitgangspunt: verhuur is bijna nooit een onderneming. U moet aantonen dat uw werkzaamheden en uw rendement meer zijn dan bij normaal vermogensbeheer, en de rechter beoordeelt alle werkzaamheden in samenhang. Een portefeuille van ongeveer 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten met een waarde van circa 10 miljoen euro haalde die toets niet, ook niet bij een gemiddeld jaarrendement van 20 procent. Projectontwikkeling kan wel zelfstandig kwalificeren, ook als die tak relatief klein is.

Een pluspunt: naast de commerciële waarde van een pensioenverplichting in eigen beheer mag enige buffer voor het langlevenrisico als ondernemingsvermogen worden aangemerkt, bovenop de 5 procent-marge. Hoe groot die buffer mag zijn, is per situatie feitelijk en nog steeds onderwerp van discussie. Reken er dus niet op zonder onderbouwing.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

Naast de vraag wat u mag doorschuiven, zijn er formele eisen. De verkrijger moet in Nederland wonen en de aandelen mogen bij hem niet tot een eigen onderneming of tot een werkzaamheid gaan behoren. Voor de varianten bij overlijden, verdeling van de nalatenschap en schenking moet u een schriftelijk verzoek doen, en dat verzoek moeten alle betrokkenen samen doen bij de juiste inspecteur.

Dat verzoek is geen formaliteit. Leidt doorschuiving tot een lagere aanslag, dan kunt u het doen tot de aanslag onherroepelijk vaststaat. Leidt het tot een hogere aanslag, dan moet het zelfs vóór het opleggen van de aanslag gebeuren. Op een gemaakte keuze kunt u daarna niet meer terugkomen, en een verzoek om ambtshalve vermindering staat volgens de staatssecretaris uitdrukkelijk niet open. Een gemiste termijn is dus definitief.

Wat Termijn of grens
Verdeling van de nalatenschap binnen 2 jaar na het overlijden
Overgang door een legaat binnen 2 jaar na het overlijden
Verdeling na scheiding binnen 2 jaar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap (start: indiening echtscheidingsverzoek)
Onbelast dividend na overlijden binnen 24 maanden na het overlijden, niet verlengbaar
Verzoek om doorschuiving tot de aanslag onherroepelijk vaststaat; bij een hogere aanslag vóór het opleggen
Leeftijd verkrijger bij schenking 21 jaar of ouder op het moment van de overdracht
Drempel gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen 103.000 euro per bedrijfsmiddel (2026)

De tweejaarstermijnen kunnen in zeer bijzondere gevallen worden verlengd, maar dan moet u het verzoek daarvoor indienen vóórdat de termijn verstrijkt. De 24-maandstermijn voor onbelast dividend kan in het geheel niet worden verlengd.

Wat als u het bedrijf in stappen overdraagt?

Veel ondernemers willen niet in één keer alles uit handen geven. Een gebruikelijke route is dat u uw gewone aandelen omzet in preferente aandelen, dus aandelen met voorrang op de winst, en dat uw opvolger de nieuwe gewone aandelen neemt. Zo blijft u meeprofiteren van de bestaande waarde en groeit uw opvolger in.

Voor preferente aandelen is doorschuiving alleen mogelijk bij zo’n gefaseerde bedrijfsoverdracht, en dan moet aan vier eisen samen zijn voldaan: de preferente aandelen zijn ontstaan uit een omzetting van een eerder gehouden gewoon aanmerkelijk belang, bij die omzetting zijn gewone aandelen aan een ander toegekend, de vennootschap dreef op dat moment een onderneming, en uw opvolger houdt op het moment van de verkrijging al ten minste 5 procent van de gewone aandelen. Bij die 5 procent-toets blijft het preferente kapitaal buiten beschouwing.

Per 1 januari 2026 staat er ook een definitie in de wet: preferente aandelen zijn aandelen met voorrang bij de winstverdeling of bij de liquidatieopbrengst, en bij een aandeel dat die voorrang maar voor een deel van het vermogen heeft, is alleen dat deel preferent. In de vakliteratuur wordt die definitie te ruim gevonden, omdat ook gebruikelijke letteraandelen met een eigen agioreserve eronder kunnen vallen en daardoor de toegang tot de faciliteit kunnen verliezen. Laat de statuten dus toetsen vóór u iets in gang zet.

Een tweede aandachtspunt is de vergoeding op de preferente aandelen, het primaire dividend. Die moet zakelijk zijn, berekend over het nominale kapitaal plus de aan die aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves, inclusief goodwill. Is de vergoeding te laag terwijl uw opvolger nauwelijks iets inbrengt, dan ziet de fiscus dat als een bevoordeling van uw opvolger en dus als belastbaar voordeel bij u. Er bestaat geen wettelijk percentage en ook geen norm uit de rechtspraak. In een zaak bij Hof Arnhem-Leeuwarden uit 2024 vond de inspecteur 1 procent te laag en ging het hof veronderstellenderwijs uit van minimaal 6 procent, maar dat betrof een bv met bijna uitsluitend vorderingen en liquiditeiten en het hof deed er geen zelfstandige uitspraak over. Onderbouw het percentage dus per situatie met het te verwachten rendement op het ingebrachte vermogen, laat uw opvolger een serieus bedrag inbrengen en stem het vooraf af met de Belastingdienst. Figuur 5 laat de opzet, de vier voorwaarden en dit aandachtspunt in één beeld zien.

Figuur 5: de opzet en de vier voorwaarden bij een gefaseerde overdracht met preferente aandelen.

Let ten slotte op de soortbenadering, dus de regel dat aandelen met onderling afwijkende rechten fiscaal als aparte soorten gelden. Verschillen uw aandelen in het stemrecht over uitkeringen van winst of vermogen, bijvoorbeeld door een vetorecht bij het vaststellen van dividend of bij de terugkoop van aandelen, dan zijn dat aparte soorten. De Hoge Raad besliste dat in twee arresten van 16 december 2011. Een verschil in benoemingsrecht of in een aanbiedingsregeling levert juist geen aparte soort op. Gevolg: de 5 procent-grens en de toerekening van het vermogen moeten per soort worden beoordeeld. Een structuur met letteraandelen die op papier gewoon lijkt, kan daardoor anders uitpakken dan u denkt.

Wat als uw opvolger in het buitenland woont?

Woont de verkrijger niet in Nederland, dan is doorschuiving niet mogelijk. Er is dan een alternatief: op verzoek van alle betrokkenen wordt het bedrag dat bij een Nederlandse verkrijger zou zijn doorgeschoven aangemerkt als te conserveren inkomen, dus inkomen waarover wel een aanslag wordt berekend maar dat niet in uw gewone verzamelinkomen meetelt. U krijgt dan een conserverende aanslag: die wordt wel opgelegd, maar hoeft onder voorwaarden nog niet te worden betaald. Het uitstel loopt in beginsel tien jaar, en buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte moet u zekerheid stellen. Reken er niet op dat de aanslag na die tien jaar wordt kwijtgescholden: die kwijtschelding is sinds 15 september 2015 sterk ingeperkt.

Wat is het verschil met de bedrijfsopvolgingsregeling?

De doorschuifregeling en de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) horen bij dezelfde overdracht, maar zijn twee verschillende regelingen: de doorschuifregeling regelt de inkomstenbelasting in box 2, de BOR regelt de schenk- en erfbelasting. In de praktijk vraagt u ze naast elkaar aan.

  Doorschuifregeling box 2 Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)
Welke belasting inkomstenbelasting, box 2 schenk- en erfbelasting
Wat levert het op uitstel: de claim schuift door naar uw opvolger vrijstelling: 100 procent tot 1.543.500 euro (2026) en 75 procent van het meerdere
Bezitseis geen 1 jaar bij overlijden, 5 jaar bij schenking
Voortzettingseis geen 3 jaar voortzetten, anders vervalt de vrijstelling naar verhouding
Marge beleggingsvermogen 5 procent, geldt in 2026 nog afgeschaft

Dat verschil in marge betekent dat de grondslag van beide regelingen in 2026 niet gelijk is. Laat de splitsing tussen ondernemings- en beleggingsvermogen daarom voor beide regelingen apart uitrekenen. Figuur 6 vat het verschil samen.

Figuur 6: uitstel tegenover vrijstelling, met een verschillende grondslag in 2026.

Er is nog een praktisch punt bij de verdeling van een nalatenschap. Krijgt uw opvolger het bedrijf en moet hij zijn broers of zussen uitkopen, dan ontstaat een overbedelingsschuld: het bedrag dat hij hen moet betalen omdat hij meer krijgt dan zijn eigen deel. Bij het bepalen van die schuld mag de doorgeschoven box 2-claim niet zonder meer voor de volle nominale waarde meetellen. De Hoge Raad besliste in 2022 dat het rentevoordeel van het uitstel moet worden meegenomen. Maak de claim dus contant en leg vast met welke disconteringsvoet u rekent.

Kunt u na een overlijden onbelast dividend uitkeren?

Ja, en dat is een nuttig financieringsinstrument. Is bij de erflater (deels) box 2-inkomen in aanmerking genomen, dan kan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden op verzoek dividend ontvangen tot dat bedrag zonder dat daarover opnieuw box 2-belasting verschuldigd is. Voorwaarde is dat het bedrag wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs. Voor de dividendbelasting bestaat een bijbehorende inhoudingsvrijstelling.

Zo kunt u de erfbelasting en de box 2-heffing over het beleggingsdeel financieren met geld uit de bv. Bewaak de termijn scherp: 24 maanden is hard en kan ook in zeer bijzondere omstandigheden niet worden verlengd.

Waar gaat het in de praktijk mis?

Het misgaan zit zelden in de wet zelf, maar bijna altijd in de uitvoering. De regeling vraagt een tijdig verzoek, een goed onderbouwde waardering en aandacht voor details die pas jaren later opspelen. Dit zijn de fouten die wij het vaakst zien.

  • Het verzoek is te laat. Zonder tijdig verzoek is er geen doorschuiving, en herstel achteraf is niet mogelijk.
  • Het ondernemingsvermogen is te hoog ingeschat. Blijkt bij controle dat vastgoed aan derden is verhuurd of dat liquiditeiten duurzaam overtollig zijn, dan wordt het doorgeschoven bedrag verlaagd en volgt een correctie met belastingrente.
  • Een tegenprestatie is vergeten. Een last om een broer of zus te betalen verlaagt de doorschuiving. Dat u zelf geen geld ontvangt, doet daaraan niet af.
  • De advieskosten staan in de bv. Kosten van opvolgingsadvies zijn bij de vennootschap niet aftrekbaar en worden gezien als een uitkering aan de aandeelhouder. Factureer dat advies aan privé.
  • De informatieplicht is geschonden. Levert u gevraagde gegevens niet aan, dan kan de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard, ook bij de discussie over de waarde.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw belang. Houdt u, eventueel samen met uw fiscale partner, 5 procent of meer? Bij verschillende soorten aandelen toetst u per soort.
  • Laat de bv doorlichten. Drijft de vennootschap een echte onderneming, en hoe verhoudt het ondernemingsvermogen zich tot het beleggingsvermogen op het moment van de overdracht?
  • Loop het vastgoed pand voor pand langs. Wie gebruikt het, hoe lang en tegen welke vergoeding? Historisch gebruik telt niet, feitelijk gebruik nu wel.
  • Inventariseer dure bedrijfsmiddelen. Zet alles van 103.000 euro of meer op een lijst met het zakelijke en niet-zakelijke gebruikspercentage.
  • Laat een waardering opstellen. Met een expliciete splitsing tussen ondernemings- en beleggingsvermogen, en met een aparte berekening voor de BOR.
  • Controleer de leeftijd bij een schenking. Uw opvolger moet 21 jaar of ouder zijn op het moment van de overdracht.
  • Reken de tegenprestatie door. Betalingen aan u of aan derden verlagen de doorschuiving. Bekijk bij een ongelijke verdeling eerst wat dat kost.
  • Dien het verzoek tijdig en gezamenlijk in. Schriftelijk, door alle betrokkenen samen, bij de juiste inspecteur, en vóór het einde van de termijn.
  • Zet de termijnen in uw agenda. Twee jaar voor de verdeling van een nalatenschap of van een huwelijksgemeenschap, en 24 maanden voor onbelast dividend.
  • Regel liquiditeit voor het belaste deel. Over het beleggingsdeel is direct belasting verschuldigd, terwijl er geen opbrengst is.
  • Leg de doorgeschoven verkrijgingsprijs vast. Zo nodig via een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat er later geen discussie over ontstaat.
  • Vraag zekerheid vooraf bij een herstructurering. Zet u eerst een holding op of gaat u gefaseerd over, laat de gevolgen dan vooraf vastleggen door de inspecteur.

Veelgestelde vragen

Betaalt u met de doorschuifregeling helemaal geen belasting meer?

Nee. De doorschuifregeling geeft uitstel, geen kwijtschelding. Uw opvolger neemt uw fiscale verkrijgingsprijs over en rekent af zodra hij de aandelen later verkoopt of zelf overdraagt. Alleen de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting geeft een echte vrijstelling.

Moet uw kind 21 jaar of ouder zijn?

Bij een schenking wel: uw opvolger moet op het moment van de overdracht 21 jaar of ouder zijn. Bij vererving en bij de verdeling van een nalatenschap geldt die leeftijdseis niet. De oude eis dat de opvolger 36 maanden in dienst was, is per 1 januari 2025 vervallen.

Uw bv verhuurt panden. Kunt u dan doorschuiven?

Meestal niet voor dat deel. Verhuur van vastgoed is fiscaal zelden een onderneming, en vastgoed dat aan anderen ter beschikking is gesteld is uitdrukkelijk uitgesloten van het ondernemingsvermogen. Doet uw bv daarnaast iets wat wel als onderneming kwalificeert, zoals projectontwikkeling, dan wordt dat deel apart beoordeeld.

Hoe lang heeft u om het verzoek te doen?

Leidt doorschuiving tot een lagere aanslag, dan kunt u het verzoek doen tot de aanslag onherroepelijk vaststaat. Leidt het tot een hogere aanslag, dan moet het vóór het opleggen van de aanslag gebeuren. Op uw keuze kunt u daarna niet terugkomen, dus wacht er niet mee.

Kunt u de doorschuifregeling combineren met de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ja, en dat is ook gebruikelijk: de doorschuifregeling regelt de box 2-heffing en de bedrijfsopvolgingsregeling de schenk- of erfbelasting. Let erop dat de voorwaarden en de grondslagen verschillen. Zo geldt de marge van 5 procent beleggingsvermogen in 2026 alleen nog in box 2, en kent alleen de bedrijfsopvolgingsregeling een bezits- en voortzettingseis.

Wat gebeurt er als uw opvolger het bedrijf snel weer verkoopt?

Voor de doorschuifregeling is dat geen probleem: er is geen voortzettingseis, dus er volgt geen naheffing. Bij die verkoop rekent uw opvolger wel af over de doorgeschoven claim. Voor de bedrijfsopvolgingsregeling is het anders: verkoopt hij binnen drie jaar, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een bedrijfsoverdracht valt of staat bij de voorbereiding. Wij brengen voor u in kaart welk deel van de waarde van uw bv daadwerkelijk doorschuifbaar is, splitsen het ondernemings- en beleggingsvermogen en rekenen de doorschuifregeling en de bedrijfsopvolgingsregeling naast elkaar door, zodat u weet wat er onder de streep verschuldigd is en wanneer. Wij toetsen uw statuten op soortaandelen en preferente aandelen, onderbouwen het primaire dividend bij een gefaseerde overdracht, verzorgen het gezamenlijke verzoek bij de juiste inspecteur en bewaken de termijnen. Waar nodig vragen wij vooraf zekerheid bij de Belastingdienst.

Denkt u na over schenken, overdragen of uw nalatenschap, of wilt u weten wat er nu zou gebeuren bij een onverwacht overlijden? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u iets in gang zet. Neem contact op via www.taxcount.nl voor een eerste gesprek.

Dit artikel bevat algemene informatie over de doorschuifregeling in box 2 en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, ook binnen het jaar. De uitkomst hangt volledig af van uw persoonlijke situatie en van de feiten in uw onderneming. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscalist voordat u handelt.

Bijleenregeling en hypotheekrenteaftrek: hoe je overwaarde je aftrek kan beperken

Veel huiseigenaren gaan ervan uit dat de rente op hun hypotheek altijd aftrekbaar is zolang het geld in de eigen woning zit. Dat klopt niet altijd. Wie een woning verkoopt met overwaarde en daarna een nieuwe woning koopt, krijgt te maken met de bijleenregeling en de aflossingsstand. Die twee regels bepalen samen welk deel van de nieuwe hypotheek nog recht geeft op renteaftrek. Een verkeerde keuze bij het afsluiten van de hypotheek kan de aftrek onbedoeld helemaal laten vervallen.

 

Wat is de bijleenregeling?

De bijleenregeling verplicht je om de overwaarde van je oude woning opnieuw in je nieuwe woning te steken als je maximale renteaftrek wilt behouden. De overwaarde die je niet herinvesteert, telt niet mee voor de eigenwoningschuld. Over dat deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar in box 1; die schuld verhuist naar box 3.
De regeling is vastgelegd in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Kort gezegd: je eigenwoningschuld voor de nieuwe woning is gelijk aan de verwervingskosten van die woning, verminderd met je eigenwoningreserve.

 

Wat is de eigenwoningreserve (overwaarde)?

De eigenwoningreserve is de fiscale naam voor je overwaarde bij verkoop. Je berekent die als de verkoopprijs van de oude woning, verminderd met de nog openstaande eigenwoningschuld en de verkoopkosten zoals de makelaarscourtage. Dit staat in artikel 3.119aa van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De eigenwoningreserve blijft na verkoop drie jaar staan. Investeer je die binnen die termijn niet opnieuw in een eigen woning, dan vervalt het restant. Zolang de reserve loopt, verlaagt zij de eigenwoningschuld van je volgende woning.

 

De aflossingsstand: je opgebouwde looptijd verhuist mee

Voor hypotheken die vanaf 2013 zijn afgesloten geldt de aflossingseis: je moet ten minste annuïtair en in maximaal 360 maanden volledig aflossen (artikel 3.119c). Wie eerder al een eigenwoningschuld had, neemt de al verstreken looptijd mee naar de nieuwe lening. Dit heet de aflossingsstand (artikel 3.119d).
Concreet: heb je op je oude hypotheek al tien jaar renteaftrek gehad, dan resteert voor het overeenkomstige deel van je nieuwe hypotheek geen 360 maanden meer, maar 240. Kies je voor de nieuwe lening toch een looptijd van 30 jaar, dan los je voor dat deel te langzaam af. Het gevolg is dat dat deel niet aan de aflossingseis voldoet en de rente erover niet aftrekbaar is.

Praktijkvoorbeeld: een langere looptijd die de renteaftrek kostte

Een klant verkocht in 2025 zijn woning met een aanzienlijke overwaarde en kocht een nieuwe woning. Voor de aankoop sloot hij een annuïteitenhypotheek af met een looptijd van 30 jaar. De financieel adviseur koos bewust voor die lange looptijd, omdat lage maandlasten belangrijker waren dan de renteaftrek.
Fiscaal pakte dit als volgt uit. Door de bijleenregeling kon maar een klein deel van de nieuwe hypotheek als eigenwoningschuld kwalificeren, omdat de overwaarde niet volledig opnieuw was geïnvesteerd. En dat kleine deel had via de aflossingsstand een kortere resterende looptijd moeten krijgen dan de gekozen 30 jaar. Doordat de hele lening over 360 maanden liep, voldeed ook dat deel niet aan de aflossingseis. Per saldo bleef er nauwelijks aftrekbare eigenwoningschuld over en was de hypotheekrente niet aftrekbaar.
De les: de keuze voor lage maandlasten en de keuze voor renteaftrek gaan niet altijd samen. Wie beide wil afwegen, moet de fiscale gevolgen kennen voordat de hypotheek wordt getekend, niet pas bij de aangifte.

Hoe voorkom je dat je renteaftrek misloopt?

Laat de fiscale opzet van je hypotheek toetsen voordat je tekent. Belangrijke aandachtspunten zijn: hoeveel overwaarde herinvesteer je, hoeveel maanden renteaftrek heb je al gehad, en welke looptijd hoort daar fiscaal bij. Soms is het mogelijk de lening te splitsen in een deel dat wel aan de aflossingseis voldoet en een deel dat je bewust in box 3 laat vallen. Zo maak je een geïnformeerde keuze tussen maandlasten en aftrek.

 

Veelgestelde vragen

Is de rente op mijn hypotheek altijd aftrekbaar als ik het geld voor mijn woning gebruik?

Nee. De aftrekbaarheid volgt de fiscale kwalificatie van de schuld, niet het gebruik van het geld. Ook een lening die je voor de aankoop van je woning afsluit, kan geheel of deels in box 3 vallen als niet aan de voorwaarden is voldaan.

Moet ik mijn hele overwaarde opnieuw in mijn woning steken?

Voor maximale renteaftrek wel. Het deel van de overwaarde dat je niet herinvesteert, verlaagt je aftrekbare eigenwoningschuld. Over het overeenkomstige deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar.

Waarom kan een looptijd van 30 jaar een probleem zijn?

Op zichzelf is 30 jaar toegestaan; dat is het wettelijke maximum. Het probleem ontstaat als je al eerder renteaftrek hebt gehad. De al verstreken jaren gaan via de aflossingsstand van je oude schuld mee, waardoor de resterende toegestane looptijd korter is dan 30 jaar.

Hoelang blijft mijn overwaarde meetellen?

De eigenwoningreserve vervalt drie jaar na de verkoop van je oude woning. Daarna telt een niet-benut deel niet meer mee.

Kan ik de aftrek nog herstellen na het tekenen?

Soms. Afhankelijk van de situatie kan de lening worden aangepast of gesplitst zodat een deel alsnog aan de aflossingseis voldoet. Dit vraagt maatwerk en werkt meestal pas vanaf een volgend jaar.

 

Advies nodig over je hypotheek en renteaftrek?

Taxcount rekent je situatie graag door voordat je een hypotheek tekent of je aangifte indient. Wij toetsen de bijleenregeling, de eigenwoningreserve en de aflossingsstand en laten zien welk deel van je rente aftrekbaar is. Neem contact op via www.taxcount.nl of bezoek ons aan de Lange Voorhout 86 te Den Haag.

Deze tekst bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Bedragen, tarieven en termijnen zijn afhankelijk van het belastingjaar en van je persoonlijke situatie. Laat je eigen situatie beoordelen voordat je beslissingen neemt.