Earn-out bij de verkoop van uw bedrijf: wanneer u belasting betaalt over een nabetaling die nog niet vaststaat

U verkoopt uw bedrijf en komt er met de koper niet helemaal uit over de prijs. U vindt uw onderneming meer waard dan de koper durft te betalen. De oplossing is vaak een earn-out bij de bedrijfsverkoop: een deel van de prijs wordt pas later betaald, en alleen als het bedrijf de afgesproken resultaten haalt. Fiscaal levert dat een lastige vraag op, want u moet in veel gevallen belasting betalen over geld dat u nog niet heeft ontvangen. Dit artikel legt uit wanneer een nabetaling belast is, wat er gebeurt als die uiteindelijk hoger of lager uitvalt, en welke afspraken u vooraf op papier moet zetten om een dure correctie te voorkomen.

Wat is een earn-out precies?

Een earn-out is een deel van de verkoopprijs dat pas na de overdracht wordt betaald en waarvan de hoogte op het moment van verkoop nog niet vaststaat. Meestal hangt dat deel af van de winst of de omzet die het bedrijf in de jaren na de verkoop haalt. Koper en verkoper delen daarmee het risico: blijkt het bedrijf de verwachtingen waar te maken, dan krijgt u alsnog de prijs die u voor ogen had. Blijft het resultaat achter, dan betaalt de koper minder.

In de praktijk komt u dezelfde figuur onder verschillende namen tegen. Een nabetaling, een winstrecht, een meerwaardeclausule bij een overdracht in de familie, een antispeculatiebeding bij doorverkoop. Een balansgarantie is iets anders: die kijkt juist terug naar de situatie op het moment van de koop, maar kan de prijs achteraf wel verlagen. Fiscaal worden die vormen niet allemaal gelijk behandeld, en juist dat verschil bepaalt in welk jaar u belasting betaalt en of een tegenvaller aftrekbaar is.

Belangrijk is het onderscheid tussen een prijs die nog niet vaststaat en een prijs die wel vaststaat maar in termijnen wordt betaald. Spreekt u een vast bedrag af dat u in vijf jaarlijkse termijnen ontvangt, dan is er fiscaal geen earn-out. U rekent dan af over de waarde van die termijnen op het moment van verkoop, in de regel de contante waarde en zeker als er een rente-element in de prijs zit, en de vordering op de koper valt daarna in box 3. Pas als het aantal of de omvang van de termijnen onzeker is, gelden de bijzondere regels die hieronder aan bod komen.

Waarom de vraag “wie verkoopt er?” alles bepaalt

Dezelfde clausule in hetzelfde contract kan fiscaal heel verschillend uitpakken. Twee vragen bepalen de uitkomst: hoe de clausule is geformuleerd, dus of de prijs vaststaat of niet, en wie de verkoper is. Verkoopt u aandelen die u privé houdt, dan moet u in het jaar van de verkoop een schatting van de totale prijs aangeven. Verkoopt uw holding een belang van vijf procent of meer, dan is de hele verkoopwinst inclusief de earn-out vrijgesteld. Verkoopt u een eenmanszaak, vof of maatschap, dan gelden de normale regels voor de jaarwinst. Verkoopt u daarnaast rechtstreeks een pand of een stuk grond, dan komt de overdrachtsbelasting er als vierde spoor bij.

Het verschil gaat verder dan het moment van betalen. Ook een tegenvaller pakt per situatie anders uit. Verkoopt u privé, dan levert een lagere nabetaling een verlies uit aanmerkelijk belang op, maar pas bij de laatste termijn. Verkoopt uw holding, dan is er geen aftrek, omdat de tegenvaller in dezelfde vrijgestelde sfeer valt als de winst. En verkoopt u de onderneming zelf, dan neemt u het verschil in het jaar waarin het definitief vaststaat. Figuur 1 zet de drie situaties naast elkaar.

     Figuur 1: de fiscale behandeling van een earn-out bij drie soorten verkoop, met per situatie wat er met de earn-out gebeurt, wanneer u betaalt en wat een tegenvaller oplevert.

Let op: die drie regimes kunnen naast elkaar spelen. Houdt u een deel van de aandelen privé en een deel via uw holding, dan wordt dezelfde earn-out voor het ene deel belast en voor het andere deel vrijgesteld. Ook bij een verkoop van activa met een aandelenstaartje komt die combinatie voor.

Verkoopt u de aandelen privé? Dan betaalt u meteen over een schatting

U geeft in het jaar van verkoop een geschatte prijs aan

Houdt u de aandelen privé en heeft u een aanmerkelijk belang, meestal een belang van vijf procent of meer, dan schrijft de wet voor dat u in het jaar van de vervreemding een geschatte totale overdrachtsprijs aangeeft. Die schatting omvat ook het deel dat u nog moet ontvangen. Van die geschatte prijs trekt u uw verkrijgingsprijs af, en over het verschil betaalt u box 2-belasting. U betaalt dus belasting over geld dat nog niet op uw rekening staat.

De wetgever heeft daar bewust voor gekozen. Zou de heffing volledig meelopen met de werkelijke ontvangsten, dan zou de belasting bij emigratie onvoldoende zijn gewaarborgd en zou de heffing in familieverhoudingen naar believen kunnen worden uitgesteld. Dat maakt de onderbouwing van uw schatting belangrijk: zij moet aansluiten bij wat op het moment van verkoop redelijkerwijs te verwachten was. Bewaar daarom de cijfers en de aannames waarop u de schatting heeft gebaseerd.

Van de tegenprestatie mag u de kosten aftrekken die op u drukken en die binnen redelijke grenzen rechtstreeks met de overdracht samenhangen. Denk aan verkoopprovisie, het honorarium van een tussenpersoon of adviseur en notariskosten. Kosten die daar niet rechtstreeks mee samenhangen, zoals een afscheidsdiner voor het personeel, tellen niet mee.

Valt de nabetaling hoger uit dan uw schatting?

Ontvangt u uiteindelijk meer dan u had geschat, dan is dat meerdere pas belast op het moment waarop uw ontvangsten samen de geschatte prijs overtreffen. Dat is gunstig voor uw liquiditeit: u betaalt pas als het geld er is. Voor de vraag wanneer u een termijn heeft genoten telt niet alleen de daadwerkelijke ontvangst mee, maar ook verrekening, terbeschikkingstelling, of het moment waarop de vordering rentedragend dan wel opeisbaar en inbaar is geworden.

Valt de nabetaling lager uit?

Komt de nabetaling er niet of maar gedeeltelijk, dan is het uitgangspunt dat u een verlies uit aanmerkelijk belang heeft. Dat verlies ontstaat pas op het moment waarop u de laatste termijn ontvangt. Bij een earn-out die over vijf jaar loopt, kan dat dus vijf jaar na de verkoop zijn. Dat lijkt een detail, maar het is het grootste praktische risico van de hele regeling. Verderop in dit artikel leest u waarom. Bestaat uw earn-out uit één enkele bijbetaling die niet doorgaat, dan is in de vakliteratuur discussie of deze regel wel geldt. Laat dat in uw geval beoordelen voordat u op de aftrek rekent.

Let er ook op dat een tegenvaller alleen telt als de prijs zelf lager uitvalt. Kan de koper simpelweg niet betalen, bijvoorbeeld omdat hij failliet gaat, dan is de prijs niet gewijzigd en is er volgens het gangbare standpunt geen verlies uit aanmerkelijk belang. Dat ligt anders bij een ontbindende voorwaarde die zich voordoet. Een oninbare vordering is fiscaal dus iets heel anders dan een lagere prijs; of dat ook geldt voor een earn-outtermijn die door insolventie onbetaald blijft, is niet uitgemaakt.

Wat u in 2026 betaalt over de verkoopwinst

Het tarief in box 2 kent in 2026 twee schijven.

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Tarief 2026
Tot en met 68.843 euro 24,5 procent
Boven 68.843 euro 16.866 euro, vermeerderd met 31 procent over het meerdere
Rekenvoorbeeld

U verkoopt de aandelen in uw bv voor 500.000 euro. Daarnaast spreekt u af dat u 100.000 euro extra ontvangt als de gemiddelde winst over de vijf jaar na de overdracht ten minste 80.000 euro bedraagt. De winst lag de afgelopen jaren ruim boven de 100.000 euro, dus die nabetaling is waarschijnlijk. U geeft in het jaar van de verkoop daarom 600.000 euro aan als overdrachtsprijs. Uw verkrijgingsprijs is 20.000 euro, zodat uw voordeel uit aanmerkelijk belang 580.000 euro bedraagt. Figuur 2 laat zien hoe de heffing en de werkelijke ontvangst uiteenlopen.

Over de eerste 68.843 euro betaalt u 24,5 procent, dat is 16.866 euro. Over het restant van 511.157 euro betaalt u 31 procent, dat is 158.459 euro. In totaal betaalt u dus ongeveer 175.325 euro, terwijl u op dat moment nog maar 500.000 euro heeft ontvangen.

Blijkt na vijf jaar dat de gemiddelde winst onder de norm bleef en komt de 100.000 euro niet, dan neemt u dat bedrag op het moment van de laatste termijn als verlies uit aanmerkelijk belang. Kunt u dat verlies verrekenen met ander box 2-inkomen, dan levert het maximaal ongeveer 26.525 euro op: 24,5 procent over het deel dat in de eerste schijf valt en 31 procent over het meerdere. Heeft u geen aanmerkelijk belang meer, dan blijft alleen de belastingkorting over die hieronder aan bod komt.

Figuur 2: het rekenvoorbeeld in beeld. In jaar 0 betaalt u 175.325 euro belasting over een geschatte overdrachtsprijs van 600.000 euro, terwijl er 500.000 euro is ontvangen; het verlies van 100.000 euro ontstaat pas in jaar 5.

Verkoopt uw holding de aandelen? Dan is de earn-out onbelast

Verkoopt uw holding een belang van vijf procent of meer in een dochtervennootschap, dan valt de verkoopwinst onder de deelnemingsvrijstelling. Voor de earn-out heeft de wetgever dat uitdrukkelijk geregeld: alle latere waardeveranderingen van het recht op nabetaling zijn onbelast en niet aftrekbaar. Uw schatting is daarmee fiscaal veel minder spannend, want een meevaller wordt niet belast en een tegenvaller levert geen aftrek op.

De reden daarvoor is praktisch. Vóór deze regeling had de verkoper belang bij een zo hoog mogelijke waardering en de koper bij een zo lage mogelijke, met langdurige discussies met de inspecteur tot gevolg. Door beide kanten in de vrijgestelde sfeer te trekken, is die discussie van tafel. Onbelast betekent hier wel: onbelast bij uw holding. Keert uw holding het geld later als dividend aan u uit, dan betaalt u daarover alsnog box 2-belasting. De regeling werkt overigens aan beide zijden: ook bij de koper geldt zij, mits het gekochte belang voor hem een deelneming vormt of een bestaand belang uitbreidt.

Wat valt er wel onder?

De regeling is ruim, maar niet grenzeloos. Figuur 3 zet beide kanten naast elkaar. Spreekt u een minimumbedrag af voor de totale prijs, dan blijft het toch een earn-out: onzeker is immers wanneer dat minimum wordt betaald, en het totaal kan hoger uitvallen. Ook het rentebestanddeel dat in zo’n minimumbedrag verscholen zit, valt onder de vrijstelling. Hetzelfde geldt voor de oprenting van termijnen die u contant heeft gemaakt: die last is bij de koper niet aftrekbaar.

Een prijsaanpassing achteraf valt er eveneens onder. Volgens de parlementaire toelichting geldt dat ook voor een terugbetaling op grond van een balansgarantie en voor een earn-out bij inkoop van aandelen door de vennootschap zelf. Een winstdelings- of antispeculatiebeding kan er ook onder vallen. En volgens de Belastingdienst kan zelfs een lening van de verkoper aan de koper als earn-out gelden, als de terugbetaling feitelijk afhangt van de toekomstige resultaten en een bank de koop onder dezelfde voorwaarden niet zou hebben gefinancierd.

Wat valt er niet onder?

Spreekt u een vaste prijs af, dan is er geen earn-out, ook niet als die prijs in een vreemde valuta luidt en pas veel later wordt betaald. Een valutawinst op zo’n vaste prijs is gewoon belast. De Hoge Raad redeneert daarbij vanuit de bedoeling van de regeling: bij een vaste prijs kunnen koper en verkoper niet van een verschillende schatting uitgaan, dus is er ook geen discussie te voorkomen. Let op het verschil met een koersschommeling binnen een echte earn-out, want die valt juist wel in de vrijgestelde sfeer. De eerste vraag is dus altijd of er überhaupt een earn-out is.

Ook rente vraagt aandacht, en er zijn drie categorieën. Vrijgesteld zijn de oprenting van contant gemaakte termijnen en het rente-element dat in een afgesproken minimumbedrag zit; volgens de advocaat-generaal geldt dat ook voor rente die u afspreekt over nog onzekere, nog niet opeisbare termijnen. Niet vrijgesteld zijn een gewone rentevergoeding over de nominale hoofdsom van een schuldig gebleven koopsom en rente die u ontvangt omdat de koper te laat betaalt: te laat betalen is per definitie niet afgesproken. Splits in de eindafrekening daarom uit welk deel prijs is en welk deel vergoeding voor rente of vertraging.

Tot slot is een kwijtschelding volgens het beleid van de staatssecretaris geen prijsaanpassing. Wie een vordering kwijtscheldt, past de prijs niet aan, want een bedrag kan alleen worden kwijtgescholden als het eerst verschuldigd was. Een rechtbank oordeelde daar anders over en die vraag is nog niet in hoogste instantie beslist. En ook als een kwijtschelding geen prijsaanpassing is, betekent dat niet automatisch dat uw verlies aftrekbaar is: hangt de vordering onverbrekelijk samen met de verkoop, dan blijft zij onderdeel van de prijs.

Figuur 3: wat bij een verkoop door uw holding wel en niet onder de earn-outregeling valt. De kwijtschelding staat aan de rechterkant omdat het beleid haar niet als prijsaanpassing ziet; dat betekent niet automatisch dat een verlies aftrekbaar is.

Wat de earn-out betekent voor de koper

Voor de koper heeft de earn-outverplichting nog twee gevolgen. De waardeveranderingen van die verplichting en latere prijsaanpassingen tellen mee voor het bedrag dat hij geacht wordt voor de deelneming te hebben opgeofferd. Dat is van belang als de dochter later wordt geliquideerd, omdat een hoger opgeofferd bedrag tot een groter liquidatieverlies kan leiden. Dat verlies is wel begrensd op vijf miljoen euro, tenzij aan de bijzondere voorwaarden over het belang en de vestigingsplaats is voldaan.

Voegt de koper de gekochte dochter in een fiscale eenheid, dan bestaat er na de voeging geen deelneming meer en zou de vrijstelling haar werking verliezen. De wet vangt dat op: ook binnen de fiscale eenheid blijven de waardeveranderingen van de earn-outverplichting en de latere prijsaanpassingen buiten de winst.

Verkoopt u een eenmanszaak, vof of maatschap?

Verkoopt u geen aandelen maar de onderneming zelf, dan gelden de normale regels voor het bepalen van de jaarwinst. Alles wat u uit de onderneming verkrijgt is winst, en goed koopmansgebruik bepaalt in welk jaar u dat verantwoordt. Het moment van betaling is daarbij niet doorslaggevend; het ontstaan van de vordering is dat wel.

Met een nabetaling in een later jaar moet u door schatting rekening houden in de eindbalans van het jaar waarin u levert. Valt die nabetaling later hoger of lager uit, dan neemt u het verschil in het jaar waarin het definitief vaststaat. De eindbalans van het leveringsjaar wordt dus niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd. Is de vordering op de koper niet volwaardig, dan mag u haar meteen afboeken naar de lagere waarde.

Draagt u over binnen de familie met een meerwaardeclausule, dan ligt het anders. De opvolger die het bedrijf binnen de afgesproken periode doorverkoopt, moet u dan compenseren voor de meerwaarde. Die betaling is bij hem maar beperkt aftrekbaar, namelijk alleen voor zover zij ziet op waardegroei ná de overname. Voor u als overdrager hangt de heffing af van de vorm: een voorwaardelijk recht op een deel van de meeropbrengst hoort in beginsel tot uw privévermogen, tenzij door bijzondere bedingen een gerede kans bestaat dat de onderneming weer voor uw rekening komt, terwijl een echt winstrecht met een rechtstreeks aandeel in de winst bij u progressief belast kan worden als nagekomen bedrijfsbate.

Zet u de verkoopwinst om in een stakingslijfrente, dan blijft die aftrek begrensd door de winst die u met of bij de staking behaalt en door de wettelijke maxima van 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro, afhankelijk van uw situatie. Komt een deel van de stakingswinst pas later binnen als nabetaling, dan is de vraag of en hoe u dat deel nog in een lijfrente kunt omzetten. De regels gaan uit van het jaar waarin u staakt; laat dit voor uw situatie beoordelen.

Wat als de prijs achteraf wordt aangepast?

Naast de earn-out kent de praktijk de prijsaanpassing: koper en verkoper stellen de prijs na de verkoop alsnog bij. Bij een privéverkoop van aandelen is een verhoging een extra verkoopvoordeel en een verlaging een negatief voordeel, in beide gevallen in het jaar waarin u die aanpassing afspreekt. Een verlaging hoeft u niet eerst daadwerkelijk terug te betalen; de afspraak volstaat. Bij de koper verlaagt zij wel zijn verkrijgingsprijs.

Voert u een garantie alleen uit, of spreekt u een nieuwe prijs af?

Het scharnierpunt is de vraag of voor de aanpassing een nadere overeenkomst nodig was. Voert u alleen de oorspronkelijke afspraak uit, bijvoorbeeld door een balansgarantie in te roepen, dan is er volgens de heersende lijn geen nieuwe prijsafspraak. De conclusie is dan dat de eerder aangegeven winst te hoog was, en de correctie werkt terug naar het jaar van de verkoop. Komt u daarentegen alsnog een nieuwe prijs overeen, dan valt het nadeel in het jaar van die afspraak. Dat verschil bepaalt in welk jaar u uw geld terugziet, en dus of uw verlies nog verrekenbaar is. Dat onderscheid is in de vakliteratuur niet onomstreden, juist bij een balansgarantie. Figuur 4 vat de keuze samen.

Figuur 4: de beslisboom bij een prijsaanpassing. Was een nadere overeenkomst nodig, dan valt het nadeel in het jaar van die afspraak; voert u alleen de oorspronkelijke afspraak uit, dan werkt de correctie terug naar het verkoopjaar.

Dit is bij uitstek iets wat u in het koopcontract regelt. Leg expliciet vast of een vergoeding uit een garantie als aanpassing van de koopprijs geldt. Ontbreekt die bepaling, dan is de kwalificatie achteraf een discussiepunt met een verschil van meerdere jaren.

Een late prijsaanpassing in de familie moet zakelijk zijn

Een aanpassing moet berusten op wilsovereenstemming die is bereikt ná het sluiten van de koopovereenkomst, én op zakelijke gronden. In de familiesfeer kijkt de rechter daar streng naar. Een verlaging van 1.250.000 euro naar 1.000.000 euro die vader en zoon pas negen jaar na de overdracht afspraken, werd niet aanvaard. Doorslaggevend was dat de oorspronkelijke waardering destijds door een accountant was berekend en aan de Belastingdienst voorgelegd, en dat een zakelijk handelende verkoper niet negen jaar later zonder eigen berekening met een verlaging instemt.

Andersom kan ook een aanpassing van acht jaar na de verkoop standhouden als er een objectieve aanleiding is. Een verlaging werd wel geaccepteerd omdat een nieuwe heffing, ingevoerd enkele jaren na de verkoop, de resultaten van de onderneming had geraakt. Doorslaggevend is dus niet het tijdsverloop maar de zakelijke aanleiding.

Blijft de koper de koopsom schuldig? Let op de vendor loan

Veel overnames worden deels door de verkoper gefinancierd: de koper blijft een deel van de koopsom schuldig en lost dat af uit toekomstige dividenden. Gaat het daarna mis en wordt de lening niet terugbetaald, dan is de vraag of u een aftrekbaar verlies heeft of niet. Het antwoord hangt af van de samenhang tussen de verkoop en de lening.

Is die samenhang onverbrekelijk, dan is de vordering feitelijk de tegenprestatie voor de aandelen. Bij een holdingverkoop betekent dat: geen aftrek, want alles zit in de vrijgestelde sfeer. De rechter keek daarvoor naar vier concrete omstandigheden: verkoop en financiering werden gelijktijdig tussen dezelfde partijen overeengekomen, de voorwaarden waren zo opgezet dat overname door twee personeelsleden mogelijk werd, de omzetting van de koopsom in een vordering stond in de koopovereenkomst zelf, en ook de voorwaarden van die schuldigerkenning stonden daarin. Een clausule in de leveringsakte dat de koopsom is voldaan, helpt dan niet: het risico op niet-betaling bleef in materiële zin bestaan.

Wilt u de mogelijkheid van een aftrekbaar verlies openhouden, dan moet u koop en lening aantoonbaar scheiden. De rechter keek daarbij naar de vraag of beide gelijktijdig tussen dezelfde partijen zijn aangegaan en of de omzetting van de koopsom en de leningsvoorwaarden in de koopovereenkomst zelf staan. Een afzonderlijk vastgelegde financiering is dus het uitgangspunt; een enkele rentebepaling is niet genoeg. Dit is bij uitstek een punt dat vóór de ondertekening wordt beslist en achteraf niet meer te repareren valt.

Het grootste risico: uw verlies verdampt

Wie privé aandelen verkoopt met een earn-out, loopt een risico dat vaak pas jaren later zichtbaar wordt. U betaalt in het verkoopjaar over de volledige geschatte prijs, verminderd met uw verkrijgingsprijs. Valt de nabetaling tegen, dan ontstaat uw verlies pas bij de laatste termijn, dus mogelijk vijf jaar later. Op dat moment kunt u dat verlies nog maar één jaar terugwentelen, en dat ene jaar is meestal niet het verkoopjaar waarin u de belasting betaalde.

Een verlies uit aanmerkelijk belang is te verrekenen met het inkomen uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en van de zes daaropvolgende jaren, en uitsluitend binnen box 2. Voor verliezen uit 2018 en eerder gold nog een termijn van negen jaar. Heeft u na de verkoop geen aandelenbelang meer, dan heeft u ook geen box 2-inkomen waarmee u kunt verrekenen, en dreigt het verlies onbenut te blijven.

Er is één uitweg. Hebben u én uw partner in het jaar zelf en in het voorafgaande jaar geen aanmerkelijk belang, dan kunt u vragen om omzetting van het onverrekende verlies in een belastingkorting. Die korting bedraagt in 2026 24,5 procent van het nog niet verrekende verlies en komt in mindering op uw belasting in box 1. De Belastingdienst stelt haar vast bij een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken. De korting vermindert de belasting van dat jaar zelf en van de zeven jaren daarna, maar uiterlijk tot en met het negende jaar na het verliesjaar. Dat is dus een tweede klok die gaat lopen. In figuur 5 ziet u waarom het verkoopjaar buiten bereik ligt.

Figuur 5: de tijdlijn van het verdampende verlies. Het verlies ontstaat pas bij de laatste termijn in jaar 5, terwijl u maar één jaar kunt terugwentelen; het verkoopjaar waarin u de heffing betaalde valt dan al buiten de verrekeningstermijn.

De les is eenvoudig: houd bij een earn-out uw verliespositie actief in de gaten en bespreek vóór de verkoop wat er gebeurt als de nabetaling tegenvalt. Soms is een kortere earn-outperiode of een tussentijdse afrekening fiscaal veel gunstiger dan een looptijd van vijf jaar.

Is de nabetaling in het verkoopjaar helemaal niet aangegeven, dan is dat overigens geen vrijbrief. De inspecteur mag de feiten in een later jaar alsnog fiscaal kwalificeren en de nabetaling dan als verkoopvoordeel belasten, ook als de aanslag over het verkoopjaar al onherroepelijk vaststaat en de navorderingstermijn is verstreken.

Wordt de nabetaling gezien als loon?

Blijft u na de verkoop nog een tijd voor het bedrijf werken, dan dringt zich een andere vraag op: is de nabetaling verkoopopbrengst of eigenlijk een beloning voor uw werk? Loon is alles wat u uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking geniet. Beslissend is of het voordeel zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden aangemerkt, oftewel of er voldoende causaal verband is met uw werk.

Een koppeling aan uw voortgezette betrokkenheid maakt de nabetaling niet automatisch loon. In een zaak waarin de koopprijs mede afhing van de vraag of twee met naam genoemde personen in dienst bleven, droeg dat juist bij aan de onzekerheid die de earn-outkwalificatie opleverde. De vraag is dus in welke hoedanigheid het voordeel bij u opkomt. Bij een managementparticipatie kunnen bepaalde vormen wel tot loon leiden; dat vraagt een aparte beoordeling.

Er speelt nog een variant. Hangt het waardeverloop van uw recht in enigszins belangrijke mate af van management- of aandeelhoudersdoelen, zoals winst, omzet of het verkoopklaar maken van het bedrijf, dan kan het recht een lucratief belang vormen. Enigszins belangrijke mate is een lage drempel, dus die vraag speelt eerder dan u zou denken. De opbrengst wordt dan als resultaat uit overige werkzaamheden belast, tegen het progressieve tarief. Houdt u het belang via een eigen vennootschap, dan bestaat er een keuzeregeling waarmee de voordelen buiten dat resultaat blijven, mits u in hetzelfde jaar ten minste 95 procent daarvan geniet als aanmerkelijkbelanginkomen dat een weerspiegeling is van die voordelen.

Verkoopt u vastgoed of grond met een nabetalingsclausule?

Gaat het niet om aandelen maar om een rechtstreekse verkoop van een pand of een perceel grond, dan komt er een vierde belasting bij. De koper betaalt overdrachtsbelasting over de waarde van de onroerende zaak, en die waarde is ten minste gelijk aan de tegenprestatie. Alles wat de koper moet opofferen om de zaak te verkrijgen hoort tot die tegenprestatie, en dus ook de waarde van een mogelijke nabetaling.

De gedachte dat zo’n nabetaling al in de koopsom zit verwerkt, houdt geen stand. In een zaak over cultuurgrond die voor twaalf euro per vierkante meter werd verkocht met een mogelijke nabetaling van vijfentwintig euro per vierkante meter, oordeelde het hof dat de tegenprestatie mede bestaat uit de waarde van die clausule. De koper kreeg een naheffing van 21.556 euro plus 4.267 euro heffingsrente. Wel moet de inspecteur bij een naheffing aannemelijk maken dat die waarde hoger dan nul is.

De hele nabetaling telt daarbij niet mee. Omdat het maar de vraag is of de voorwaarde in vervulling gaat, moet de kans daarop worden geschat en telt alleen dat geschatte deel mee. Dat is dezelfde gedachte als bij een aandelenverkoop. Een nabetalingsclausule schuift het moment van heffing overigens niet op: alleen als de verkrijging zelf onder een opschortende voorwaarde plaatsvindt, bijvoorbeeld het verlenen van een bouwvergunning, verschuift het tijdstip naar de vervulling van die voorwaarde. Figuur 6 laat de opbouw van de maatstaf zien.

Figuur 6: de opbouw van de maatstaf voor de overdrachtsbelasting bij een nabetalingsclausule: de koopsom plus de geschatte waarde van de nabetaling vormt samen de tegenprestatie.

Let bij vastgoed ook op de omgekeerde variant, waarbij de koper een deel van zijn doorverkoopwinst aan u moet afdragen. Is zo’n beding door een gemeente of een woningcorporatie jegens de koper gemaakt, dan kan het als verkoopregulerend beding gelden en blijven de lasten eruit bij het bepalen van de tegenprestatie buiten beschouwing. Of dat zo is, hangt af van de precieze vormgeving; tussen twee ondernemers pakt het anders uit.

Waar het in de praktijk misgaat

De fouten die wij tegenkomen zijn zelden ingewikkeld, maar wel duur. Verreweg het vaakst ontbreekt de nabetaling in de aangifte over het verkoopjaar, omdat de verkoper redeneert dat hij het geld nog niet heeft. De correctie komt dan jaren later alsnog. Bijna even vaak wordt een tegenvallende earn-out niet actief als verlies geclaimd, waarna de termijn verloopt.

Verder zien wij dat een vendor loan wordt opgetuigd zonder dat iemand heeft nagedacht over de samenhang met de koopovereenkomst, dat een balansgarantie niet als prijsaanpassing is omschreven, en dat rente op één hoop wordt gegooid terwijl vertragingsrente fiscaal iets anders is dan rente die bij de prijs hoort. Bij een verkoop van vastgoed wordt de waarde van de nabetalingsclausule regelmatig helemaal vergeten.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal eerst wie verkoopt. De fiscale uitkomst verschilt fundamenteel tussen een privéverkoop van aandelen, een verkoop door uw holding en een verkoop van de onderneming zelf. Breng dat in kaart vóór u over de prijs onderhandelt.
  • Leg de rekenwijze van de earn-out vast. Omschrijf precies welke grootheid meetelt, over welke periode, hoe die wordt vastgesteld en wie de berekening maakt. Onduidelijkheid hier leidt tot een civiele procedure én een fiscale discussie.
  • Onderbouw uw schatting en bewaar de stukken. Bij een privéverkoop moet u in het jaar van verkoop een geschatte totaalprijs aangeven. Leg vast op welke cijfers en aannames die schatting rust.
  • Houd per jaar bij wat u heeft ontvangen. Het moment waarop uw ontvangsten de schatting overtreffen, bepaalt wanneer het meerdere belast is. Zonder overzicht mist u dat moment.
  • Benoem garanties expliciet als prijsaanpassing. Zet in het contract of een vergoeding uit een balansgarantie geldt als aanpassing van de koopprijs. Dat bepaalt in welk jaar het nadeel valt.
  • Scheid een lening aantoonbaar van de koopsom. Wilt u de mogelijkheid van een aftrekbaar verlies openhouden, leg de financiering dan in een afzonderlijke overeenkomst vast en neem de leningsvoorwaarden niet op in de koopovereenkomst.
  • Splits de rente uit in de eindafrekening. Maak onderscheid tussen rente die bij de overeengekomen termijn hoort en rente die u ontvangt omdat de koper te laat betaalt. Die twee worden verschillend belast.
  • Bewaak uw verliestermijn. Zet in uw agenda wanneer de laatste termijn valt, en beoordeel dan meteen of u een verlies moet claimen en of verrekening nog mogelijk is.
  • Vraag tijdig om de belastingkorting. Heeft u geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u een onverrekend verlies laten omzetten in een korting op uw box 1-belasting. Die korting kent eigen voorwaarden en een eigen termijn.
  • Onderbouw een prijsaanpassing in de familiesfeer. Zorg voor een zakelijke aanleiding, een berekening en correspondentie. Zonder die stukken wordt een latere verlaging niet gevolgd.
  • Waardeer een nabetalingsclausule bij vastgoed. Neem bij de levering de geschatte waarde van de clausule mee in de tegenprestatie en leg de onderbouwing vast, anders dreigt een naheffing met rente.
  • Regel uw rol na de overdracht apart. Spreek een marktconforme vergoeding af voor werk dat u na de verkoop nog verricht. Dat maakt beter zichtbaar dat de nabetaling verkoopopbrengst is en geen beloning, maar het sluit een discussie met de inspecteur niet uit.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over geld dat ik nog niet heb ontvangen?

Bij een privéverkoop van aandelen met een aanmerkelijk belang wel. U geeft in het jaar van de verkoop een geschatte totale prijs aan, inclusief het deel dat nog moet komen. Verkoopt uw holding, dan is de verkoopwinst vrijgesteld en speelt dit niet. Verkoopt u een eenmanszaak of vof, dan schat u de nabetaling in de eindbalans van het jaar van levering.

Wat gebeurt er als de nabetaling uiteindelijk niet komt?

Dan heeft u een verlies uit aanmerkelijk belang, maar pas op het moment waarop u de laatste termijn ontvangt. U kunt dat verlies één jaar terugwentelen en zes jaar vooruit verrekenen, uitsluitend met inkomen uit aanmerkelijk belang. Hebben u én uw partner in dat jaar en in het jaar daarvoor geen aanmerkelijk belang, dan kunt u vragen om omzetting in een belastingkorting van 24,5 procent op uw box 1-belasting.

Geldt dit ook als ik mijn bedrijf via mijn holding verkoop?

Dan pakt het juist gunstig uit. Verkoopt uw holding een belang van vijf procent of meer, dan is de verkoopwinst vrijgesteld en vallen alle latere mee- en tegenvallers uit de earn-out daar ook onder. Een meevaller wordt dus niet belast, maar een tegenvaller levert ook geen aftrek op. Keert uw holding het geld later aan u uit, dan betaalt u daarover wel box 2-belasting.

Telt een afgesproken minimumbedrag nog als earn-out?

Ja. De Hoge Raad heeft beslist dat een overeengekomen minimumbedrag de earn-outkwalificatie niet in de weg staat, omdat onzeker blijft wanneer dat minimum wordt betaald en het totaal hoger kan uitvallen. Ook het rentebestanddeel in dat minimumbedrag valt dan onder de vrijstelling.

Mag de koper de koopsom schuldig blijven?

Dat mag, maar het heeft fiscale gevolgen. Hangt de lening onverbrekelijk samen met de aandelenverkoop, dan geldt zij als onderdeel van de prijs en is een later verlies daarop bij een holdingverkoop niet aftrekbaar. Wilt u die aftrek openhouden, leg de financiering dan in een duidelijk gescheiden overeenkomst vast.

Wat als ik na de verkoop nog voor het bedrijf blijf werken?

Dan is de vraag of de nabetaling verkoopopbrengst is of een beloning voor uw werk. Beslissend is of het voordeel zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het daaruit is genoten. Een koppeling aan uw voortgezette betrokkenheid maakt de nabetaling niet automatisch loon, maar het is verstandig uw werkzaamheden apart en marktconform te belonen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een earn-out is fiscaal geen faciliteit maar een timingvraagstuk. Dezelfde afspraak levert bij de een een liquiditeitsvoordeel op en bij de ander een heffing over geld dat nog moet komen, met een verlies dat jaren later verdampt. Het verschil wordt gemaakt in de tekst van het contract, en dus vóór de ondertekening.

Wij beoordelen uw verkoopstructuur en de earn-outclausule op hun fiscale gevolgen, rekenen de uitkomst per scenario voor u door en onderbouwen de schatting die u in uw aangifte opneemt. Ook bewaken wij de termijnen daarna: wanneer een meevaller belast wordt, wanneer een tegenvaller als verlies moet worden geclaimd en of dat verlies nog verrekenbaar is. Verkoopt u vastgoed, dan kijken wij ook naar de gevolgen voor de overdrachtsbelasting bij de koper.

Denkt u aan verkoop van uw onderneming, of ligt er al een concept-koopovereenkomst met een nabetaling in? Laat uw situatie vrijblijvend beoordelen voordat u tekent. Wij bespreken graag met u welke variant in uw geval het beste uitpakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de fiscale uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie en van de precieze tekst van uw overeenkomst. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u beslissingen neemt.

Dividend uitkeren uit uw bv in 2026: zo doorstaat u de balanstest en de uitkeringstoets

U wilt geld uit uw bv (besloten vennootschap) naar privé halen via dividend. Dan mag dat niet zomaar: eerst moeten de balanstest en de uitkeringstoets worden doorlopen. Die twee toetsen bepalen samen hoeveel uw bv mag uitkeren, en het bestuur moet de uitkering apart goedkeuren voordat er een euro overgemaakt wordt. Keurt het bestuur te veel goed en kan de bv haar rekeningen daarna niet meer betalen, dan kunnen de bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor het tekort en kan de ontvanger het dividend moeten terugbetalen. In dit artikel leest u wat de twee toetsen inhouden, op welk moment u moet toetsen, wat de rechter tot nu toe heeft beslist en welke belasting u in 2026 over het dividend betaalt. Ook krijgt u een checklist waarmee u het uitkeringsbesluit aantoonbaar goed vastlegt.

Wat is een uitkering en wanneer speelt dit?

Een uitkering is geld, of iets anders van waarde, dat uw bv aan haar aandeelhouders geeft. Denk aan gewoon dividend na vaststelling van de jaarrekening, tussentijds dividend (ook wel interim-dividend) of een uitkering uit de reserves. De regels staan in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en gelden voor elke bv die geld naar haar aandeelhouders laat gaan, of dat nu 5.000 euro of 500.000 euro is. Voor de nv (naamloze vennootschap) geldt een eigen, vergelijkbare regeling. Heeft u een eenmanszaak of een vof (vennootschap onder firma), dan speelt dit niet: daar is geen sprake van aandelen en dividend.

De regeling is vooral belangrijk voor de directeur-grootaandeelhouder (dga): iemand die zowel bestuurder is van de bv als een groot deel van de aandelen bezit. U neemt dan zelf het besluit om uit te keren (als aandeelhouder) en geeft zelf de goedkeuring (als bestuurder). Beide rollen komen dus bij een en dezelfde persoon samen, en daarmee ook het volledige risico. Gaat het mis, dan kunt u als bestuurder worden aangesproken op het tekort en als ontvanger op het uitgekeerde bedrag, als u wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de bv haar rekeningen niet meer kon betalen.

De regeling is inhoudelijk niet gewijzigd sinds 1 oktober 2012, toen de wet voor de bv werd vereenvoudigd (de zogeheten Flex-bv), en ook in 2026 is zij op dit punt onveranderd. Wat er wel verandert, zijn de percentages die eraan hangen: de wettelijke rente en de belastingtarieven. Die vindt u verderop in dit artikel.

De twee horden voor elke dividenduitkering

De wet stelt twee eisen voordat uw bv mag uitkeren. De ene toets kijkt terug naar de balans, de andere kijkt vooruit naar de liquiditeit, dus naar het geld dat er straks moet zijn om rekeningen te betalen. Pas als aan beide toetsen is voldaan, mag het geld daadwerkelijk worden overgemaakt (zie figuur 1).

     Figuur 1: de balanstest en de uitkeringstoets naast elkaar, met de laagste van de twee grenzen als maximum en de bestuursgoedkeuring als sluitstuk.

Horde 1: de balanstest

De balanstest is een rekensom op de balans. Uw bv mag alleen uitkeren voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die de bv wettelijk of volgens haar statuten verplicht moet aanhouden. Het eigen vermogen is het verschil tussen de bezittingen en de schulden van de bv, dus het geld dat van de onderneming zelf is. Wettelijke en statutaire reserves zijn delen van het eigen vermogen die de bv volgens de wet of haar eigen statuten moet vasthouden en dus niet mag uitkeren. Heeft uw bv geen van die reserves, dan is in beginsel het hele eigen vermogen vrij uitkeerbaar.

Let op een detail dat vaak wordt vergeten: bij de bv blokkeert het gestorte kapitaal de uitkering niet. Dat is anders bij de nv, waar het eigen vermogen groter moet zijn dan het gestorte en opgevraagde kapitaal plus de verplichte reserves. Verder kunnen de statuten, de eigen regels van de bv die in de akte bij de notaris staan, de bevoegdheid van de algemene vergadering (de vergadering van aandeelhouders) beperken of aan een ander orgaan toekennen. Loop de statuten dus altijd na voordat u een besluit neemt.

Wordt er meer uitgekeerd dan de balanstest toestaat, dan mist het besluit voor dat deel een grondslag en kan het te veel uitgekeerde bedrag worden teruggevorderd. De persoonlijke aansprakelijkheid van het bestuur, die u hieronder tegenkomt, hangt overigens niet aan de balanstest maar aan horde 2.

Horde 2: de uitkeringstoets

De uitkeringstoets, in de wetsgeschiedenis (de stukken die bij de totstandkoming van de wet zijn geschreven) ook uitkeringstest of distributietoets genoemd, is een blik vooruit. Het bestuur moet het uitkeringsbesluit apart goedkeuren; zonder die goedkeuring heeft het besluit geen gevolgen en is de uitkering niet rechtsgeldig.

Het bestuur mag de goedkeuring maar om één reden weigeren. Weet het bestuur, of behoort het redelijkerwijs te voorzien, dat de bv haar opeisbare schulden na de uitkering niet meer kan betalen? Dan moet het weigeren. Opeisbare schulden zijn schulden die de bv nu of binnenkort moet betalen. In alle andere gevallen mag het bestuur de goedkeuring niet weigeren.

In de praktijk maakt het bestuur hiervoor een liquiditeitsprognose: een overzicht van het geld dat de komende maanden binnenkomt en eruit gaat. De rechter kijkt daarbij niet alleen naar de balans op papier, maar naar de vraag hoeveel snel beschikbaar geld er tegenover de kortlopende schulden staat. In een van de weinige zaken over dit onderwerp noemde de rechtbank de quick ratio, de verhouding tussen de vlot beschikbare middelen en de kortlopende schulden, informatiever dan de current ratio, die ook voorraden en nog niet geïnde vorderingen meerekent en daardoor een gunstiger beeld geeft.

De wetgever heeft ook opgeschreven wanneer een bestuurder niets te vrezen heeft. Heeft u de boekhouding op orde? Komt u op basis van de beschikbare informatie tot een redelijk en onderbouwd oordeel over de financiële positie? En heeft u daarbij ook naar de belangen van de schuldeisers gekeken? Dan hoeft u geen aansprakelijkheid te vrezen. Andersom kunt u zich er niet achter verschuilen dat u te weinig financiële kennis heeft om de toets uit te voeren: de wetgever heeft dat verweer uitdrukkelijk afgesloten.

Wie besluit en wie keurt goed?

Het besluit om uit te keren neemt in beginsel de algemene vergadering. De goedkeuring komt altijd van het bestuur. Bij een bv met een eenmansbestuur kan die goedkeuring volgens de wetsgeschiedenis ook stilzwijgend blijken uit de betaalbaarstelling zelf: door het geld over te maken, keurt u als enig bestuurder de uitkering feitelijk goed. Dat is geen vrijbrief om niets vast te leggen, want u moet later kunnen aantonen dat u de toets echt heeft gedaan. Bestaat het bestuur uit meer personen, dan mag de goedkeuring niet uit de handeling van een van hen worden afgeleid: alle bestuurders moeten erbij betrokken zijn.

Ontbreekt het besluit van het bevoegde orgaan helemaal, dan is het uitgekeerde bedrag zonder rechtsgrond betaald, dus betaald zonder dat er een geldige verplichting tegenover stond, en moet het terug. Het hof besliste dat in 2017 in een zaak waarin twee aandeelhouders ieder 47.500 euro als interim-dividend hadden ontvangen zonder dat er een geldig besluit lag. Dat de bv niet in betalingsproblemen was gekomen, hielp de aandeelhouders niet: van die bevoegdheidsregel kunt u niet afwijken, ook niet met instemming van alle aandeelhouders, want het is dwingend recht.

Op welk moment moet u toetsen?

Twee momenten: de goedkeuring en de betaalbaarstelling

Dit is het punt waarop in de praktijk het vaakst iets misgaat. Er zijn twee momenten die niet samenvallen: het moment waarop het bestuur het besluit goedkeurt en het moment waarop de bv het dividend uitkeert of betaalbaar stelt. Voor de aansprakelijkheid van het bestuur is volgens de wetgever steeds het tweede moment beslissend, dus het moment van uitkeren of betaalbaar stellen (zie figuur 2).

Figuur 2: de vijf momenten van een dividenduitkering op een tijdlijn. De betaalbaarstelling is het beslissende moment voor de aansprakelijkheid van het bestuur.

Volgt de betaling kort na de goedkeuring, dan volstaat de toets die u bij de goedkeuring heeft gedaan. Zit er meer tijd tussen en weet u van nieuwe omstandigheden waardoor de bv door de uitkering alsnog in de problemen komt, dan moet u van de uitkering afzien en het eerdere goedkeuringsbesluit herzien. U keurt een uitkering dus in feite altijd goed onder de voorwaarde dat u op het moment van uitkeren nog steeds mag verwachten dat de bv haar opeisbare schulden kan blijven betalen.

Twee praktische gevolgen. Een besluit met een terugwerkende datum helpt u niet: de rechtbank merkte in 2021 een dividendbesluit dat op 31 december was gedateerd aan als geantedateerd en nam het feitelijke moment een half jaar later als peilmoment. En een besluit uit het voorjaar dat u pas in het najaar uitbetaalt, vraagt vlak voor de betaling om een korte hertoets.

De vooruitkijktermijn: in de regel ongeveer een jaar, soms langer

De wet noemt geen termijn. De wetgever schreef bij de invoering op dat de beoordeling zich in de regel over ongeveer een jaar zal uitstrekken, gerekend vanaf de uitkering. Dat is dus een vuistregel en geen wettelijke termijn, en de wetgever geeft er zelf meteen een uitzondering bij: weet het bestuur dat de bv over anderhalf jaar een grote belastingschuld moet aflossen, dan hoort die schuld in de beoordeling. Later is daaraan toegevoegd dat het bestuur alle beschikbare informatie moet betrekken, ook als een verplichting pas over twee jaar speelt.

De rechtspraak volgt die lijn. In 2021 rekende de rechtbank met ongeveer een jaar vooruit en verweet het bestuur dat het een voorzienbare overnameverplichting buiten beschouwing had gelaten. In 2023 oordeelde een andere rechtbank dat een jaar juist te kort was, omdat de enige verplichting van de bv een levenslange pensioenuitkering aan een weduwe van 76 jaar was. Die zaak liep formeel via de onrechtmatige daad en niet via de uitkeringstoets, maar de gedachte is dezelfde: de periode waarover u vooruitkijkt, moet passen bij de verplichtingen die de bv heeft.

Tussentijds dividend en meerdere uitkeringen

Voor tussentijds dividend gelden dezelfde eisen als voor een uitkering na vaststelling van de jaarrekening. Een aparte vermogensopstelling is niet wettelijk voorgeschreven; volgens de minister mag u voor de toets aansluiten bij de laatst vastgestelde jaarrekening. Schrijf echter niet in uw besluit dat de wet dat toestaat, want die zinsnede staat niet in de wet zelf. Het blijft een uitleg van de bewindspersoon, en de feitelijke situatie op het moment van uitkeren is beslissend.

Doet uw bv meerdere uitkeringen in een jaar, dan staat elke uitkering op zichzelf en vraagt elke uitkering dus om een eigen toets. De wetgever heeft dat bewust zo geformuleerd: ook bij meerdere uitkeringen op verschillende momenten kan iedere uitkering afzonderlijk worden teruggevorderd. Bij tussentijds dividend kan het bestuur aan de goedkeuring bovendien de voorwaarde verbinden dat het bedrag terug moet als bij het vaststellen van de jaarrekening blijkt dat de winst lager uitvalt. Daar is geen aparte wettelijke regeling voor nodig, maar leg die voorwaarde dan wel in het besluit zelf vast.

Wat gebeurt er als de uitkeringstoets misgaat?

De wet laat de gevolgen bij drie groepen neerkomen: de bestuurders, de ontvanger van het dividend en wie feitelijk de leiding had zonder formeel bestuurder te zijn. Figuur 3 zet die drie routes naast elkaar.

Figuur 3: wie waarvoor aansprakelijk is bij een uitkering die de toets niet had mogen halen, met per groep de bovengrens en de vraag of vrijpleiten mogelijk is.

De bestuurders zijn aansprakelijk voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, plus wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering, en ieder van hen kan voor het hele bedrag worden aangesproken. Dat laatste heet hoofdelijk. De wet begrenst dat bedrag niet tot het uitgekeerde dividend en rechters denken daar verschillend over, dus die bovengrens is onbeslist. Een bestuurder kan zich wel vrijpleiten, maar draagt daarvoor zelf de bewijslast.

De ontvanger van de uitkering draait op voor hetzelfde tekort, maar alleen als hij wist of behoorde te voorzien dat de bv niet kon blijven betalen. Zijn aansprakelijkheid is wel begrensd: tot het bedrag of de waarde van de uitkering die hij heeft gekregen, plus wettelijke rente. Voor hem kent de wet geen vrijpleitgrond. Wie het beleid bepaalde alsof hij bestuurder was, valt onder dezelfde regels als de bestuurders, met dezelfde bovengrens en dezelfde uitweg; die gelijkstelling geldt niet voor een bewindvoerder die door de rechter is benoemd.

Het tekort is het bedrag dat de bv door de uitkering niet meer aan haar schuldeisers kan betalen. De wettelijke rente is het rentepercentage dat de wet vaststelt en dat bovenop zo’n schuld komt; die rente loopt vanaf de dag van de uitkering en is per 1 januari 2026 verlaagd naar 4 procent per jaar. Over heel 2025 was het nog 6 procent. Gaat het om een uitkering uit een eerder jaar, dan wordt de rente per jaar tegen het percentage van dat jaar berekend. Bij een groot tekort kan dat in een paar jaar flink oplopen.

De vordering is een vordering van de bv zelf. Gaat de bv failliet, dan stelt de curator haar in, de door de rechtbank benoemde beheerder van een faillissement. Heeft een bestuurder het tekort al aan de bv betaald, dan moet de ontvanger van de uitkering dat aan die bestuurder vergoeden, ieder naar zijn aandeel. Bij een dga die zelf bestuurder en ontvanger is verandert dat niets, maar met meerdere bestuurders of aandeelhouders kan het uitmaken wie uiteindelijk betaalt.

Voor deze schulden geldt bovendien een verrekeningsverbod: u kunt het bedrag niet wegstrepen tegen een vordering die u zelf op de bv heeft. De rechter kan het tekort laten vaststellen in een aparte procedure, een schadestaatprocedure, zodat eerst de aansprakelijkheid vaststaat en pas daarna het bedrag.

Wanneer kunt u zich als bestuurder vrijpleiten?

De wet geeft de bestuurder een uitweg, en die kent twee eisen die u beide moet halen. U moet bewijzen dat het niet aan u te wijten is dat de bv de uitkering heeft gedaan, en dat u niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden. De bewijslast ligt hier ondubbelzinnig bij u als bestuurder: de wet zegt letterlijk dat u dit moet bewijzen. Dit vrijpleiten wordt in de vakliteratuur disculpatie genoemd. Bent u enig bestuurder en enig aandeelhouder, dan is deze uitweg in de praktijk vrijwel gesloten: u heeft de uitkering zelf goedgekeurd, dus u kunt moeilijk bewijzen dat het niet aan u te wijten is. Voorkomen is voor u dus de enige echte bescherming.

Voor de vraag of u wist of behoorde te voorzien dat het mis zou gaan, is de verdeling minder scherp. Een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij die wetenschap wordt aangenomen als de bv binnen een jaar failliet gaat, stond nog in een eerder ontwerp maar is bewust niet in de wet terechtgekomen. De wetgever heeft er wel bij gezegd dat de bewijslast daarmee niet automatisch bij de curator of de schuldeiser ligt: de rechter verdeelt die aan de hand van de omstandigheden, en de mate van zeggenschap van de bestuurder weegt daarbij mee. Heeft u als dga volledige zeggenschap, dan is het dus reëel dat u zelf moet uitleggen hoe het besluit tot stand kwam, want u beschikt over die informatie.

Twee dingen die vaak worden aangenomen maar niet vaststaan. Of decharge, de kwijting die de algemene vergadering aan het bestuur geeft, deze aansprakelijkheid uitsluit, is door de rechter niet beslist. En of de aansprakelijkheid van de bestuurder begrensd is tot het uitgekeerde bedrag, is evenmin uitgemaakt: een rechtbank nam die grens in 2021 wel aan, een andere rechtbank wees hem in hetzelfde jaar uitdrukkelijk af omdat de wet die grens alleen voor de ontvanger noemt. Ga er dus niet van uit dat uw risico nooit groter kan zijn dan het dividend.

Let op: verrekening met uw rekening-courant is ook een uitkering

Veel dga’s keren dividend uit zonder dat er geld de deur uit gaat. Het dividend wordt dan verrekend met de rekening-courant, de doorlopende schuld die u bij uw eigen bv heeft opgebouwd door privé-opnames. Op papier verandert er niets aan het banksaldo, en juist daarom leeft het idee dat de uitkeringstoets dan geen rol speelt. Dat idee is onjuist en het is precies de constructie waarop bestuurders in de rechtspraak zijn afgerekend (zie figuur 4).

Figuur 4: geld overmaken tegenover wegstrepen tegen de rekening-courant. Het banksaldo verandert in de tweede variant niet, maar de uitkeringstoets geldt onverkort.

De bv geeft door de verrekening een vordering prijs waarop haar schuldeisers zich anders hadden kunnen verhalen, dus waaruit zij anders betaald hadden kunnen worden. Zij geeft die vordering op haar aandeelhouder op zonder daar iets voor terug te krijgen. Dat de liquiditeit gelijk blijft, doet daar niet aan af: er valt voor de schuldeisers minder te halen. In een zaak uit 2021 werd een dividend van 1.080.000 euro volledig verrekend met een rekening-courantvordering en werd de bestuurder toch aansprakelijk gehouden voor het tekort. In een andere zaak uit hetzelfde jaar ging het om 485.234 euro, exact gelijk aan de rekening-courantschuld.

Keert u dividend uit aan uw holding, dan biedt die tussenschakel geen bescherming. De rechtbank rekende de wetenschap van de dga toe aan de ontvangende holding, waardoor ook de holding het tekort moest vergoeden tot het bedrag van de ontvangen uitkering. Wilt u weten of een opname in rekening-courant zelf zakelijk is, dan is dat een eigen vraag met eigen voorwaarden; daarover leest u meer in ons artikel over de rekening-courant met uw eigen bv.

Wat heeft de rechter tot nu toe beslist?

Hier past een belangrijk voorbehoud. Over de toepassing van de uitkeringstoets zelf, zoals die sinds 1 oktober 2012 geldt, heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgesproken. Hij heeft in 2016 wel beslist over de verhouding tussen die toets en de oudere aansprakelijkheidsroutes, waarover u onderaan deze sectie meer leest. Alles wat daartussen staat, komt van rechtbanken en gerechtshoven. Dat betekent dat de lijn zich nog kan wijzigen en dat een uitspraak van een rechtbank geen algemene regel is. Wij noemen ze omdat ze goed laten zien waar het in de praktijk op stukloopt.

De rechtbank die het dividend van 1.080.000 euro beoordeelde, formuleerde de drempel als evident onverantwoorde uitkeringen. Of die drempel algemeen geldt, staat nog niet vast: één rechtbank heeft het zo verwoord en de Hoge Raad heeft zich er niet over uitgelaten. Ga er dus niet van uit dat een kleine misrekening u nooit kan worden aangerekend. In diezelfde zaak werd overigens ook het accountantskantoor aansprakelijk geacht tegenover de bestuurder, omdat het niet had gewaarschuwd voor het aansprakelijkheidsrisico van de dividend- en verrekeningsconstructie. Een adviseur die u hierin begeleidt, heeft dus een eigen waarschuwingsplicht.

Er is ook een uitspraak die laat zien hoe het goed gaat. Het hof oordeelde in 2022 dat bestuurders bij de uitkeringstoets niet alles zelf hoeven na te rekenen. Zijn de cijfers vóór uw bestuursperiode door een extern professioneel bureau aangeleverd, dan mag u daarop vertrouwen, zolang er geen aanwijzingen zijn dat ze onjuist zijn. Een financiële analyse op basis van alle beschikbare stukken was in die zaak voldoende en de bestuurders waren niet aansprakelijk.

Twee oudere zaken worden in dit verband vaak genoemd: Nimox uit 1991 en Reinders Didam uit 2004. Die gaan over recht van voor 2012 en over andere regels, namelijk de onrechtmatige daad en de aansprakelijkheid bij faillissement. De wetgever heeft de normen uit die zaken wel richtinggevend genoemd bij het opstellen van de huidige regeling, en de Hoge Raad bevestigde in 2016 dat die routes naast de uitkeringstoets blijven bestaan. Ook als u de uitkeringstoets netjes doorloopt, kan een uitkering dus nog langs die andere weg worden aangepakt.

Rekenvoorbeeld: drie uitkomsten bij dezelfde bv

Onderstaand voorbeeld speelt in 2026 en laat zien dat de balanstest ruimte kan geven die de uitkeringstoets vervolgens grotendeels wegneemt. De bedragen zijn afgerond op hele euro’s (zie figuur 5).

De situatie

Stel dat u enig aandeelhouder en enig bestuurder van uw bv bent. Het eigen vermogen is 200.000 euro en er zijn geen wettelijke of statutaire reserves. De balanstest staat dus een uitkering van maximaal 200.000 euro toe. Op de bankrekening staat 160.000 euro. Over drie maanden moet de bv een banklening van 150.000 euro aflossen, en uit de lopende bedrijfsvoering komt in die drie maanden netto nog 15.000 euro binnen. De liquiditeitsprognose voor de komende twaalf maanden laat zonder dividend daarom een laagste banksaldo zien van 25.000 euro (160.000 plus 15.000 min 150.000), en dat dieptepunt valt in de maand van de aflossing.

Uitkomst 1: een dividend dat de bv kan dragen

U keurt als bestuurder een dividend van 15.000 euro goed en legt de prognose bij het besluit. De bv houdt 15 procent dividendbelasting in, dus 2.250 euro, maakt 12.750 euro aan u over en draagt 2.250 euro af. Het laagste banksaldo zakt naar 10.000 euro, dus de aflossing blijft haalbaar. In box 2 betaalt u 24,5 procent over 15.000 euro, dat is 3.675 euro. De ingehouden dividendbelasting van 2.250 euro wordt daarmee verrekend, dus u betaalt nog 1.425 euro bij.

Uitkomst 2: een gematigd dividend dat de toets toch niet haalt

U denkt voorzichtig te zijn met 60.000 euro, ruim onder de 200.000 euro die de balanstest toestaat. Ook hier gaat het volledige brutobedrag de kas uit: 51.000 euro naar u en 9.000 euro dividendbelasting naar de Belastingdienst. Het laagste banksaldo komt daarmee uit op 35.000 euro negatief, dus de aflossing van 150.000 euro kan niet volledig worden gedaan. Ook een tekort van 35.000 euro betekent al dat de bv haar opeisbare schuld niet kan betalen, dus moet u de goedkeuring weigeren.

Er is wel een uitweg. De vrije ruimte in de prognose is 25.000 euro, dus tot dat bedrag kan de bv verantwoord uitkeren. Wilt u meer uitkeren, dan wacht u tot na de aflossing en toetst u dan opnieuw. Dit is het scenario dat in de praktijk het vaakst wordt onderschat, want het bedrag voelt bescheiden en de balanstest geeft ruimte.

Uitkomst 3: uitkeren zonder de toets te doen

U keurt 180.000 euro goed zonder naar de liquiditeit te kijken. De bv houdt 27.000 euro dividendbelasting in en maakt 153.000 euro over. Het laagste saldo komt uit op 155.000 euro negatief en de banklening kan niet worden afgelost. Dat de bv over drie maanden 150.000 euro moest aflossen stond al vast, dus u behoorde redelijkerwijs te voorzien dat de bv haar opeisbare schulden na de uitkering niet kon blijven betalen.

Daarmee bent u als bestuurder aansprakelijk voor het tekort dat de bv door de uitkering niet meer kan betalen, in dit voorbeeld ongeveer 155.000 euro, met wettelijke rente van 4 procent vanaf de dag van de uitkering. Als ontvanger bent u aansprakelijk tot maximaal het bedrag van de uitkering, dus 180.000 euro. Dat is het brutobedrag, ook al kwam er 153.000 euro op uw rekening; de ingehouden 27.000 euro is immers voor uw rekening afgedragen.

De box 2-heffing blijft daarbij gewoon staan. U betaalt 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over de resterende 111.157 euro, samen 51.325 euro. Daarvan is 27.000 euro al ingehouden, dus u betaalt 24.325 euro bij. Moet u het dividend later terugbetalen, dan verdwijnt die heffing over 2026 niet: de terugbetaling werkt fiscaal niet terug en levert pas in het jaar van terugbetaling een negatief voordeel op. U betaalt dus eerst de belasting en moet daarna het geld terug in de bv storten.

De conclusie: de balanstest zegt hoeveel er op papier uitkeerbaar is, de uitkeringstoets zegt hoeveel de bv werkelijk kan missen. Het tweede getal is vaak lager, en alleen dat tweede getal beschermt u tegen aansprakelijkheid. Toetst u niet beide, dan weet u niet welk van de twee bij u het bindende bedrag is.

Figuur 5: de drie uitkomsten naast elkaar. De staven tonen het laagste banksaldo in de komende twaalf maanden; de stippellijn is de vrije ruimte van 25.000 euro.

De fiscale kant: dividendbelasting en box 2 in 2026

Is de uitkering civielrechtelijk in orde, dan begint het fiscale traject. Onderstaande tabel geeft de fiscale percentages en termijnen die in 2026 gelden.

Onderwerp 2026 Toelichting
Dividendbelasting 15 procent De bv houdt dit in op het brutodividend en draagt het af
Box 2, eerste schijf 24,5 procent tot en met 68.843 euro Per persoon; fiscale partners samen dus tot 137.686 euro
Box 2, tweede schijf 31 procent boven 68.843 euro Over het deel boven de schijfgrens
Aangifte dividendbelasting Binnen 1 maand Gerekend vanaf de dag waarop de bv het dividend aan u ter beschikking stelt
Betaling dividendbelasting Binnen 1 maand Zelfde termijn als de aangifte
Bezwaar tegen het betaalde bedrag Binnen 6 weken Gerekend vanaf de datum van betaling
Dividendbelasting inhouden, aangeven en betalen

Keert uw bv dividend uit aan u als particuliere aandeelhouder, dan moet de bv 15 procent dividendbelasting inhouden en daarvan aangifte doen. De termijn loopt vanaf de dag waarop de bv het dividend aan u ter beschikking stelt, dus vanaf het moment waarop u een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling krijgt. Dat is niet hetzelfde als de dag waarop het geld op uw rekening staat. Stelt de bv het dividend in oktober betaalbaar maar betaalt zij pas in januari uit, dan loopt de aangiftetermijn toch vanaf oktober. Stel de uitbetaling ook niet te lang uit: het recht op een vastgesteld dividend verjaart na vijf jaar, tenzij de statuten een langere termijn noemen.

Dat betekent ook dat de bv de dividendbelasting binnen een maand na de betaalbaarstelling moet afdragen, ook als zij het dividend zelf pas later uitbetaalt. Neem die afdracht dus als apart bedrag mee in uw liquiditeitsprognose, want voor de uitkeringstoets is het net zo goed geld dat de bv kwijt is.

Twee praktische valkuilen. De dividendbelasting gaat naar een ander bankrekeningnummer dan de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting, en het aangiftenummer moet u altijd vermelden. En heeft u een fout gemaakt in de aangifte, dan kunt u die niet herstellen door opnieuw aangifte te doen: een nieuwe aangifte overschrijft de eerdere niet. Heeft u al betaald, dan maakt u binnen zes weken na de betaaldatum bezwaar; heeft u nog niet betaald, dan meldt u de fout per brief.

Keert uw bv uit aan een holding die 5 procent of meer van de aandelen heeft, dan is er meestal sprake van deelnemingsdividend, dus dividend tussen vennootschappen waarbij de ontvanger een deelneming van minstens 5 procent heeft. De bv past dan een inhoudingsvrijstelling toe en houdt niets in. Is de hele uitkering vrijgesteld, dan hoeft er geen aangifte te worden gedaan, behalve als de Belastingdienst de bv uitnodigt om aangifte te doen. Zo’n uitnodiging maakt de aangifte alsnog verplicht, ook als er niets te betalen valt.

Box 2 bij uzelf

Heeft u een aanmerkelijk belang, dus minimaal 5 procent van de aandelen, dan is het dividend bij u een regulier voordeel in box 2, dus een opbrengst uit uw aandelen en niet een winst op de verkoop ervan. Het tarief is in 2026 24,5 procent tot en met 68.843 euro en 31 procent daarboven. Bent u fiscaal partner, dan kunt u het box 2-inkomen onderling verdelen, waardoor u samen tot 137.686 euro in de eerste schijf kunt blijven. De ingehouden dividendbelasting is een voorheffing, dus een vooruitbetaling op uw inkomstenbelasting: u geeft die in uw aangifte op en zij wordt met uw box 2-heffing verrekend.

Ontvangt u van uw bv rente op een lening die u aan de bv heeft verstrekt, dan is dat geen dividend en dus geen box 2-inkomen. Die rente hoort in box 1, waar ook uw loon wordt belast. Het gaat dan om de regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen: leent u geld aan uw eigen bv of verhuurt u er iets aan, dan wordt de opbrengst daarvan in box 1 belast. Dat wordt in aangiften geregeld verkeerd ingevuld.

Een civielrechtelijk ongeldige uitkering is fiscaal wel belast

Dit is de meest onderschatte fiscale consequentie. Of er voor de belasting een voordeel uit aandelen is, hangt niet af van de vraag of er vennootschapsrechtelijk een geldige dividenduitkering tot stand is gekomen. Beslissend is dat er vermogen van de bv naar u is verschoven en dat beide partijen zich daarvan bewust waren. Het hof besliste in juni 2026 in die zin over een uitkering van 116.324 euro uit de agioreserve, het bedrag dat aandeelhouders bij de uitgifte van aandelen bovenop de nominale waarde hebben gestort. Over die uitkering had het verkeerde orgaan besloten: civielrechtelijk dus geen geldig besluit, fiscaal toch belast.

Draait u de uitkering later terug, dan is dat een gebeurtenis van het latere jaar. De vernietiging van een besluit of overeenkomst werkt civielrechtelijk wel terug, maar fiscaal niet. Bestaat er een echte verplichting om terug te betalen en betaalt u ook terug, dan is dat in het jaar van terugbetaling een negatief voordeel in box 2. Heeft u in dat jaar geen ander box 2-inkomen, dan ontstaat een box 2-verlies dat u niet meteen kunt gebruiken maar met inkomen uit andere jaren moet verrekenen. U schiet de belasting dus jaren voor. Bestaat die terugbetalingsverplichting niet, dan wordt het als een informele kapitaalstorting gezien, dus als een storting in de bv zonder dat u daar aandelen voor krijgt.

Een correctie van de aanslag over het uitkeringsjaar zit er in beide gevallen niet in. Wat er met de al ingehouden dividendbelasting gebeurt als u de uitkering moet terugbetalen, is niet in algemene regels vastgelegd; laat dat per geval beoordelen.

Ook bij inkoop van eigen aandelen en kapitaalvermindering

De uitkeringstoets geldt niet alleen voor dividend. Koopt uw bv haar eigen aandelen terug en betaalt zij daar iets voor, dan geldt een liquiditeitstoets die vrijwel hetzelfde is geformuleerd als bij dividend. Het verschil zit in de procedure en in de sanctie. Bij inkoop beslist het bestuur zelf, dus er is geen apart goedkeuringsvereiste, en de balanstest wordt strenger: het eigen vermogen min de verkrijgingsprijs moet groter zijn dan de verplichte reserves. Wordt die balanstest geschonden of een statutaire beperking overtreden, dan is de inkoop nietig.

Bij schending van de uitkeringstoets is de inkoop niet nietig, maar zijn de bestuurders aansprakelijk voor het tekort. Daarnaast is de aandeelhouder die zijn aandelen verkocht heeft aansprakelijk tot maximaal de prijs die hij ervoor kreeg; bij inkoop is dat dus de verkoper in plaats van de dividendontvanger.

Vermindert uw bv het kapitaal met terugbetaling op de aandelen, dan gelden dezelfde bestuursgoedkeuring, dezelfde uitkeringstoets en dezelfde aansprakelijkheid: de wet verklaart die regels daarop van toepassing. Er geldt daarnaast een eigen balanstest. Denk hierbij niet dat schuldeisers zich met een verzetprocedure kunnen melden: dat recht is bij de bv per 1 oktober 2012 vervallen en juist vervangen door de uitkeringstoets met aansprakelijkheid. Bij de nv bestaat het verzetrecht nog wel.

Wilt u kapitaal onbelast terugbetalen, dan zijn er strikte fiscale formaliteiten: er moet een besluit van de algemene vergadering en een statutenwijziging zijn, en die handelingen moeten in samenhang en kort na elkaar plaatsvinden. Gebeurt dat niet, dan is de terugbetaling belast voor zover de bv nog winst en winstreserves heeft, de zogeheten zuivere winst. Bij een kapitaalvermindering door intrekking van aandelen komt de onbelaste terugbetaling helemaal niet aan de orde, want dan geldt het fiscaal als een verkoop van uw aandelen: u wordt in box 2 afgerekend over het verschil tussen wat u ontvangt en wat u voor die aandelen heeft betaald.

Praktische checklist: wat u moet regelen

Loop deze punten na voordat uw bv een euro uitkeert (zie figuur 6). De regeling levert u zelf geen voordeel op, maar zorgvuldig naleven voorkomt schade die tot in uw privévermogen kan reiken.

  • Controleer de statuten. Kijk wie bevoegd is te besluiten en of er statutaire reserves of beperkingen zijn.
  • Doe de balanstest. Stel vast dat het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves en keer niet meer uit dan dat meerdere.
  • Neem een besluit van het bevoegde orgaan. Dat is in de regel de algemene vergadering; controleer in de statuten of dat bij uw bv anders is geregeld.
  • Maak een liquiditeitsprognose. Kijk als basis ongeveer een jaar vooruit, en langer als u een grote verplichting verder in de toekomst al ziet aankomen. Neem ook de afdracht van de dividendbelasting mee.
  • Laat het bestuur uitdrukkelijk goedkeuren. Leg de goedkeuring en de onderbouwing schriftelijk vast; bij meer bestuurders moeten zij allen betrokken zijn.
  • Toets opnieuw vlak voor de betaling. Voor de aansprakelijkheid is het moment van uitkeren beslissend, niet het moment van goedkeuren.
  • Behandel verrekening als een echte uitkering. Ook een dividend dat u wegstreept tegen uw rekening-courant valt volledig onder de toets.
  • Regel de dividendbelasting. Houd 15 procent in en doe binnen een maand na de terbeschikkingstelling aangifte en betaling op het aparte rekeningnummer.
  • Bewaar het dossier. Bestuursbesluit, prognose en jaarcijfers vormen later uw bewijs dat u zorgvuldig heeft getoetst.

Figuur 6: de vijf vragen als beslisboom, met per nee-antwoord de uitweg. Vijf keer ja betekent dat de uitkering kan worden gedaan en dat u dat jaren later nog kunt aantonen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel dividend mag u uit uw bv uitkeren?

Op papier het deel van het eigen vermogen dat boven de wettelijke en statutaire reserves uitkomt. In werkelijkheid vaak minder, want het bestuur mag alleen goedkeuren als de bv na de uitkering haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Maak daarom altijd eerst een liquiditeitsprognose; die geeft het bedrag dat u echt kunt uitkeren.

Moet u de uitkeringstoets ook doen als u het dividend verrekent met uw rekening-courant?

Ja, en dat is geen formaliteit: rechters hebben bestuurders juist in deze constructie aansprakelijk gehouden, ook toen het banksaldo door de verrekening niet veranderde. Reken het verrekende bedrag dus volledig mee in de toets, precies zoals een uitbetaling in geld.

Wat gebeurt er als u de bestuursgoedkeuring niet vastlegt?

De goedkeuring kan dan geldig zijn, maar u kunt niet bewijzen dat u de toets echt heeft gedaan, terwijl de bewijslast bij het vrijpleiten juist bij u ligt. Bij een eenmansbestuur kan de betaalbaarstelling volgens de wetsgeschiedenis stilzwijgend als goedkeuring gelden, maar dat helpt u tegen dat bewijsprobleem niet. Leg het besluit met de onderbouwing dus altijd schriftelijk vast.

Hoe ver vooruit moet u kijken bij de uitkeringstoets?

De wet noemt geen termijn. De wetsgeschiedenis spreekt van in de regel ongeveer een jaar vanaf de uitkering, en dat is een vuistregel en geen wettelijke grens. Weet u van een grote verplichting die verder in de toekomst ligt, zoals een aflossing of een pensioenverplichting, dan hoort die er gewoon bij.

Bent u als bestuurder nooit meer kwijt dan het uitgekeerde dividend?

Dat is niet zeker. De wet noemt de grens van het ontvangen bedrag alleen voor de ontvanger van de uitkering, niet voor de bestuurders. Een rechtbank nam die grens in 2021 wel aan voor de bestuurder, een andere rechtbank wees hem in hetzelfde jaar af. De Hoge Raad heeft hierover nog niet beslist, dus houd rekening met een groter risico.

Kunt u de box 2-heffing terugkrijgen als de uitkering achteraf ongeldig blijkt?

Over het jaar van de uitkering meestal niet. Voor de belasting is beslissend dat er vermogen van de bv naar u is verschoven, ook als het besluit vennootschapsrechtelijk niet geldig was. Betaalt u het dividend later terug op grond van een echte verplichting, dan levert dat in dat latere jaar een negatief voordeel in box 2 op, maar alleen als u in dat jaar box 2-inkomen heeft om het tegen af te zetten.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount rekent voor u uit hoeveel uw bv werkelijk kan uitkeren. Wij maken de balanstest en de liquiditeitsprognose. Wij stellen het besluit van de algemene vergadering en de bestuursgoedkeuring op. En wij zorgen dat de onderbouwing zo in het dossier komt dat u die jaren later nog kunt gebruiken. Ook kijken wij naar het moment van uitkeren, naar de verdeling tussen loon en dividend en naar de gevolgen voor uw rekening-courant, zodat de uitkering niet alleen juridisch klopt maar u er fiscaal ook niet te veel voor betaalt. Verzorgt u de aangifte dividendbelasting liever niet zelf, dan nemen wij die inhouding, aangifte en betaling van u over.

Wilt u dit jaar dividend uitkeren en uw persoonlijke risico zo klein mogelijk houden? Leg uw cijfers aan ons voor, dan beoordelen wij uw situatie en zeggen wij u welk bedrag verantwoord is.

Dit artikel bevat algemene informatie over de balanstest en de uitkeringstoets bij een dividenduitkering en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en rentepercentages kunnen wijzigen en de rechtspraak over de uitkeringstoets is nog in ontwikkeling. De uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke en zakelijke omstandigheden. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen.

Zie ook:

Rekening-courant tussen dga en bv in 2026: houd de lening zakelijk en voorkom een correctie

U bent directeur-grootaandeelhouder (dga) en laat weleens een privérekening door uw eigen besloten vennootschap (bv) betalen, of u schiet zelf iets voor de bv voor. Zo’n rekening-courant dga bv is een lopende rekening waarop het saldo heen en weer beweegt. Zolang dat saldo klein blijft en snel wordt aangezuiverd, is er weinig aan de hand. Loopt het op, dan ziet de Belastingdienst een lening en toetst zij of de voorwaarden zakelijk zijn: is er een overeenkomst, een zakelijke rente, een aflossingsafspraak en genoeg zekerheid? Valt die toets verkeerd uit, dan kan uw rentevoordeel of zelfs de hele schuld worden belast in box 2.

Wat is een rekening-courant tussen dga en bv?

Een rekening-courant is een aparte rekening in de boekhouding van de bv waarop bedragen worden geboekt die over en weer gaan tussen u en de bv. Neemt u geld op of laat u een privérekening door de bv betalen, dan ontstaat een schuld aan de bv. Schiet u juist iets voor de bv voor, dan ontstaat een vordering op de bv. Het saldo aan het eind van het jaar is dus of een schuld of een vordering.

U en uw bv zijn juridisch twee verschillende partijen, maar in de praktijk zit u aan beide kanten van de tafel. Daardoor kunt u afspraken maken die een vreemde nooit zou maken: geld opnemen zonder rente, zonder aflossingsschema en zonder onderpand. Juist daarom kijkt de Belastingdienst mee. De winst van een onderneming, en via de vennootschapsbelasting ook die van de bv, wordt namelijk bepaald zonder onzakelijke elementen. Loopt er om privéredenen een voordeel van de bv naar u, dan corrigeert de inspecteur dat. De inspecteur is de ambtenaar die uw aangifte beoordeelt en de aanslag vaststelt.

Wanneer is het nog een rekening-courant en wanneer een lening?

Dit is het punt waar het in de praktijk misgaat. Volgens de Belastingdienst is een rekening-courant bedoeld voor kleine bedragen die over en weer worden geboekt en doorlopend met elkaar worden verrekend. U laat bijvoorbeeld een eigen rekening door de bv betalen en betaalt dat bedrag korte tijd later terug, of u betaalt even een rekening voor de bv en krijgt het geld snel weer terug. Zulke bedragen worden alleen voorgeschoten. Daarom is een rekening-courant geen lening met rente.

De Belastingdienst maakt dat concreet met een grens van 17.500 euro. Blijft het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro, dan hoeft er geen rente te worden berekend. Komt het saldo hoger uit, dan moet er over het hele bedrag rente worden berekend. Let op: die grens staat niet in de wet. Het is een praktische lijn die de Belastingdienst op haar website hanteert. U kunt er dus geen wettelijke aanspraak aan verbinden, en de Belastingdienst kan haar wijzigen.

In figuur 1 ziet u in vier vragen welke route uw rekening-courant volgt. De rest van deze paragraaf werkt die vier vragen uit.

          Figuur 1: beslisboom met vier vragen die bepalen of u rente moet rekenen. Blijft het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro en wordt het bedrag doorlopend met de bv verrekend, dan is geen rente nodig. Komt het saldo hoger uit, dan is rente verplicht over het hele jaar en het hele bedrag. Is er een looptijd en een aflossingsschema afgesproken, of is het bedrag aflossingsvrij uitgeleend, dan is er in wezen een lening en gelden alle zakelijke voorwaarden, ook onder 17.500 euro.

Eén piek in het jaar is genoeg

Het voorbeeld op de website van de Belastingdienst laat zien hoe streng die eis is, en dat ziet u terug in figuur 2. Op 1 januari staat er 10.500 euro op de rekening-courant. In april loopt het saldo op tot 20.500 euro, bijvoorbeeld omdat de bv een privéaankoop voorschiet. In mei lost u 5.000 euro af, zodat het saldo op 31 december 15.500 euro is. Zowel op de beginbalans als op de eindbalans staat er dus minder dan 17.500 euro. Maar omdat het saldo in april boven de grens uitkwam, was het niet het hele jaar lager. U moet daarom over het hele jaar rente berekenen.

Figuur 2: het saldoverloop uit het voorbeeld van de Belastingdienst, met de grens van 17.500 euro als stippellijn. Het saldo start op 1 januari op 10.500 euro, piekt in april op 20.500 euro, daalt in mei met een aflossing van 5.000 euro en staat op 31 december op 15.500 euro. Begin- en eindstand liggen onder de grens, maar door die ene piek in april rekent u over het hele jaar en het hele bedrag rente.

De grens geldt niet als er in wezen een lening is

De regeling voor bedragen onder 17.500 euro geldt alleen voor het voorschieten van kleine bedragen die doorlopend worden verrekend. Wordt via de rekening-courant bijvoorbeeld 16.000 euro aflossingsvrij uitgeleend met een looptijd van tien jaar, dan is dat volgens de Belastingdienst een rentedragende lening. Die moet aan alle zakelijke voorwaarden voldoen, ook al blijft het bedrag onder 17.500 euro. Zoals figuur 1 laat zien, wijst een afgesproken looptijd of aflossingsschema zelf al op een lening: wie zulke afspraken maakt, schiet niet even iets voor maar leent uit. Het gaat dus niet alleen om de hoogte van het saldo, maar ook om de bedoeling en de looptijd.

Welke voorwaarden maken de lening zakelijk?

Zakelijk betekent: dezelfde voorwaarden die uw bv zou stellen aan een lening aan iemand die niet aan de bv of aan u verbonden is en die verder in vergelijkbare omstandigheden verkeert, met bijvoorbeeld een vergelijkbaar inkomen en vermogen. Twijfelt de Belastingdienst aan de zakelijkheid, dan kan zij zes vragen stellen:

  • Is de lening schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst?
  • Hebt u met de bv afspraken gemaakt over het terugbetalen van de lening?
  • Biedt u de bv voldoende zekerheden?
  • Hebt u met de bv een zakelijke rente afgesproken?
  • Kan de bv aan haar verplichtingen blijven voldoen als u de lening opneemt?
  • Zou de bv de lening ook onder dezelfde voorwaarden aan een derde in vergelijkbare omstandigheden hebben verstrekt?

Die zes vragen staan naast elkaar in figuur 3 en worden in samenhang beoordeeld. Eén zwak punt maakt de lening niet automatisch onzakelijk, en een schriftelijke overeenkomst alleen maakt haar niet automatisch zakelijk. Het ontbreken van aflossingsafspraken of zekerheden is wel een sterke aanwijzing dat de lening niet zakelijk is.

Figuur 3: de zes vragen waarmee de inspecteur de zakelijkheid van uw lening toetst, van de schriftelijke leningsovereenkomst tot de vraag of de bv dezelfde lening ook aan een onbekende derde zou hebben gegeven. Die laatste vraag geldt ook voor uw partner en uw kinderen. De zes vragen worden in samenhang beoordeeld: één zwak punt maakt de lening niet automatisch onzakelijk, en een overeenkomst alleen maakt haar niet automatisch zakelijk.

De laatste vraag geldt niet alleen voor u, maar ook voor uw partner en uw kinderen. De Belastingdienst geeft het voorbeeld van een dochter die 20.000 euro nodig heeft om een eigen bedrijf op te richten en bij de bank geen lening krijgt omdat zij niet aan de bankvoorwaarden voldoet. Leent de bv haar het geld toch, dan kan de Belastingdienst dat aanmerken als onzakelijk handelen van de bv.

Wat zet u in de leningsovereenkomst?

De Belastingdienst adviseert een schriftelijke leningsovereenkomst en noemt daarvoor de volgende onderdelen:

  • uw naam en adresgegevens en die van de bv
  • het bedrag dat u leent van de bv
  • de looptijd van de lening en de manier van terugbetalen
  • het rentetarief
  • of de rente per maand of per jaar wordt berekend, en vooraf of achteraf
  • het onderpand dat u als zekerheid stelt, en wat er gebeurt als de waarde van dat onderpand daalt tot onder het bedrag van de lening
  • de gevolgen voor u als u niet aan de voorwaarden voldoet of kunt voldoen

U en een bevoegde vertegenwoordiger van de bv ondertekenen de overeenkomst; u kunt zelf die vertegenwoordiger zijn. Bij de handtekening horen de naam van de ondertekenaars, de plaats en de datum. Het is gebruikelijk dat de overeenkomst is ondertekend voordat u het geld krijgt. Een overeenkomst die pas na een boekenonderzoek wordt opgemaakt, overtuigt niet. Een boekenonderzoek is een controle waarbij de Belastingdienst uw administratie ter plaatse doorneemt.

Heeft uw bv maar één aandeelhouder, dan komt daar een civielrechtelijke eis bij: afspraken tussen de bv en die enige aandeelhouder moeten schriftelijk worden vastgelegd, anders kan de rechtshandeling worden vernietigd. Die eis geldt niet voor handelingen die tot de gewone bedrijfsuitoefening van de bv horen.

Hoe onderbouwt u de rente?

De bv moet u jaarlijks een zakelijke rentevergoeding in rekening brengen. Volgens de Belastingdienst, die zich daarbij op vaste rechtspraak beroept, is dat de renteopbrengst die de bv normaal gesproken ook elders als particuliere belegger kan halen. Zou u net zo kredietwaardig zijn als een bank, dan kon u uitgaan van het normale rentetarief op een privérekening bij een bank, dus het tarief dat een particuliere spaarder krijgt. Dat is meestal niet het geval, dus komt daar een passende risico-opslag bovenop.

Voor een variabele rente op een lening met een looptijd korter dan tien jaar mag u als basis het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement nemen. Dat zijn rendementen op staatsobligaties; het U-rendement wordt maandelijks gepubliceerd door het Data Analytics Centre van het Verbond van Verzekeraars, voorheen het Centrum voor Verzekeringsstatistiek. Dat gemiddelde verhoogt u met een risico-opslag, omdat de bv bij een lening aan u meer risico loopt dan bij een lening aan de Nederlandse Staat. Ook de rente die de bv zelf aan haar financiers betaalt, weegt mee. Ter indicatie: het U-rendement liep in 2026 op van 2,71 procent in januari naar 3,01 procent in september. Een vast percentage bestaat niet: hoe hoog de opslag daarboven moet zijn, hangt af van uw situatie en van de voorwaarden van de lening.

Spreekt u juist een vaste rente af, of leent u voor tien jaar of langer, dan valt u buiten deze methode en is een andere onderbouwing nodig. Wel geldt de algemene lijn: de rente wordt hoger als het risico voor de bv toeneemt, als u een vast rentetarief afspreekt, als u aflossingsvrij leent of als u afspreekt de rente pas aan het eind van de maand of het jaar te betalen.

Tarieven waarbij een bank de uitlener is, mag u niet gebruiken. Onbruikbaar zijn dus het tarief dat banken elkaar in rekening brengen, het tarief voor grote zakelijke klanten, de hypotheekrente en de rente op een doorlopend krediet. Voor uw bv is de lening een belegging, en die belegging moet winst opleveren. Figuur 4 zet de opbouw van de rente en de vier verboden tarieven naast elkaar.

Figuur 4: de opbouw van een zakelijke rente, van onder naar boven. De basis is het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement, dat geldt bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar. Daarop komt een risico-opslag, en daarboven opslagen voor een vaste rente, voor aflossingsvrij lenen en voor rente die u pas achteraf betaalt. Rechts staan de vier tarieven die u niet mag gebruiken: de hypotheekrente, een doorlopend krediet, het interbancaire tarief en het tarief voor grote zakelijke klanten.

Kies vooraf of u een vaste of een variabele rente wilt en of u de rente per maand of per jaar berekent, en zet die keuze in de overeenkomst. Rekent u per jaar, dan mag u het T-rendement of U-rendement van december gebruiken, eventueel met opslag. Tussentijds van systematiek wisselen kan wel, maar heeft financiële gevolgen, zoals boeterente: een vergoeding die u betaalt omdat u van de afgesproken rentevorm afwijkt.

Welke zekerheid verwacht de bv?

Uw bv moet ervan uit kunnen gaan dat zij het uitgeleende geld terugkrijgt. Daarom is het zakelijk dat u een onderpand geeft dat de bv kan verkopen als u niet meer aflost. Het is gebruikelijk dat de waarde van dat onderpand ten minste even hoog is als de lening, niet alleen bij het verstrekken maar ook tijdens de looptijd. Daalt de waarde onder het bedrag van de lening, dan is het gebruikelijk dat u aanvullende zekerheid geeft.

Het soort onderpand telt mee. Bij een effectenportefeuille is het gebruikelijk een korting van 30 procent toe te passen vanwege het risico dat de effecten in waarde dalen. Wilt u 70.000 euro lenen, dan hoort daar dus een portefeuille van ongeveer 100.000 euro bij. Bij een hoge of risicovolle lening zou een bank hypothecaire zekerheid eisen, en dan geldt voor uw bv hetzelfde. Dat kan een recht van hypotheek zijn op uw eigen woning, maar ook op een vakantiewoning of een woning die u aan derden verhuurt. Voor de bv heeft dat twee voordelen: door inschrijving in het hypotheekregister krijgt zij voorrang bij de aflossing van schulden, en omdat dat register openbaar is, kan zij zien of er al andere hypotheken op de woning rusten.

Kan uw bv haar verplichtingen blijven nakomen?

Leent u van uw bv, dan moet de bv daarna nog aan haar eigen verplichtingen kunnen voldoen: de huur, het loon van werknemers, andere leningen en de termijnen van een lijfrente, stamrecht of pensioen. Kan zij dat niet, dan is de lening niet zakelijk.

De Belastingdienst geeft dit voorbeeld. U leent 100.000 euro van uw bv en spreekt af dat u die na vijftien jaar in één keer terugbetaalt. Daardoor krijgt de bv al die tijd geen aflossingen binnen. Na vijf jaar moet zij jaarlijks een lijfrentetermijn van 15.000 euro gaan uitkeren, en dat kan niet omdat al het geld aan u is uitgeleend. De bv moet daarom vooraf een reële inschatting maken van haar andere verplichtingen en afspreken dat zij op tijd voldoende geld terugkrijgt. In dit voorbeeld moet zij vanaf jaar vijf elk jaar minstens 15.000 euro terugkrijgen.

Wat vraagt een aflossingsvrije lening extra?

U kunt afspreken dat u de lening pas aan het eind van de looptijd in één keer terugbetaalt. De bv heeft dan minder zekerheid dan bij aflossing in termijnen, dus is het zakelijk om aanvullende voorwaarden op te nemen. Gebruikelijk zijn: u betaalt de rente in termijnen, het rentetarief is hoger dan bij een lening die u in termijnen terugbetaalt, en de waarde van de zekerheid is hoger dan bij zo’n lening.

Twijfelt u? Vraag de inspecteur om een beoordeling

Weet u niet of uw lening aan de zakelijke voorwaarden voldoet, dan adviseert de Belastingdienst u eerst te laten adviseren door een belastingadviseur. Daarna kunt u de inspecteur van uw belastingkantoor schriftelijk om een beoordeling vragen. Geef in die brief een duidelijk en volledig overzicht van de feiten en omstandigheden en uw eigen analyse, en stuur een kopie van de leningsovereenkomst mee. Vraagt u om een schriftelijke beoordeling, dan krijgt u binnen acht weken bericht; wilt u een gesprek, dan belt de Belastingdienst u binnen tien werkdagen. Vermeld dus ook uw telefoonnummer. Houd er rekening mee dat de uitkomst ook negatief kan zijn: de inspecteur kan een standpunt innemen dat u niet bevalt, en aan een gemaakte afspraak bent u daarna gebonden. In de praktijk wordt bij grote of oplopende rekening-courantschulden vaak een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur gesloten, een schriftelijke afspraak waaraan beide partijen zich binden.

Wat gebeurt er als de rekening-courant niet zakelijk is?

U kunt op twee manieren onzakelijk handelen: de lening voldoet niet aan zakelijke voorwaarden, of u komt de afspraken over terugbetalen en rente niet na. De gevolgen lopen op van een correctie van alleen de rente tot heffing over de volledige schuld.

Eerst iets over de bewijslast, want die wordt vaak vergeten. De inspecteur die een verkapte winstuitdeling wil vaststellen, moet aannemelijk maken dat de bv armer is geworden, dat u als aandeelhouder rijker bent geworden en dat u en de bv zich van die vermogensverschuiving bewust waren. Aannemelijk maken is een lichtere maatstaf dan overtuigend aantonen, maar het is wel de inspecteur die aan zet is. Een compleet dossier met een overeenkomst, een onderbouwde rente en werkelijk geboekte betalingen maakt zijn positie dus aanzienlijk moeilijker. Het toetsingskader en de bewijslast bij een verkapte winstuitdeling worden binnen het project nog afzonderlijk uitgewerkt.

Eerst wordt de rente gecorrigeerd

Rekent de bv geen of een te lage rente, dan is dat een onzakelijk element dat uit de winst wordt gehaald. Bij de bv is het voordeel dat naar u loopt een onttrekking: het komt niet ten laste van haar winst. Een onttrekking is het overbrengen van vermogen van de bv naar de privésfeer. Bij u is datzelfde voordeel een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, belast in box 2. Een aanmerkelijk belang is een belang van meestal 5 procent of meer in een vennootschap. In de praktijk wordt zo’n voordeel verkapt of vermomd dividend genoemd: het is geen formeel uitgekeerd dividend, maar het wordt fiscaal wel zo belast. De Belastingdienst kan het voordeel ook als loon belasten, en dan werkt het anders uit: de last is bij de bv wél aftrekbaar en bij u geldt het progressieve tarief van box 1.

Belangrijk is dat u het geld niet daadwerkelijk hoeft op te nemen. Ook een verrekening in rekening-courant geldt al als het genieten van een voordeel. Verrekening is het tegen elkaar wegstrepen van een vordering en een schuld. Ter illustratie: Hof Den Haag oordeelde in 2020 over een bedrag dat de bv boven op het aandelenkapitaal had ontvangen en dat ten gunste van de rekening-courant vrijviel. De stelling dat er geen uitdeling was omdat er geen geld was onttrokken, ging niet op; het bedrag was belast.

Opnamen in rekening-courant kunnen daarnaast een discussie over uw gebruikelijk loon oproepen, omdat de Belastingdienst opnamen soms ziet als loon dat niet als loon is verwerkt. Wilt u de schuld aflossen met een dividenduitkering, dan moet die uitkering eerst de uitkeringstoets van artikel 2:216 Burgerlijk Wetboek doorstaan: het bestuur moet beoordelen of de bv haar schulden daarna nog kan blijven betalen.

Daarna kan de hele schuld bij uw inkomen worden geteld

Houdt u zich niet aan alle afspraken, dan is de lening niet meteen onzakelijk. De Belastingdienst weegt vier dingen: het bedrag waarvoor u zich niet aan de afspraken houdt, hoelang dat duurt, het aantal afspraken waaraan u zich niet houdt en het belang van de afspraak die u schendt. Wijkt u niet te veel af, dan kan de Belastingdienst alsnog aannemen dat u zakelijk handelt en alleen uw inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting van de bv verhogen. Wijkt u te veel af, dan kan zij het hele bedrag van de lening bij uw inkomen in box 2 tellen. Daarvoor is een oplopend saldo alleen niet genoeg: de inspecteur moet aannemelijk maken dat de vordering feitelijk geen waarde meer heeft, dus dat u niet zult terugbetalen.

Is het hele bedrag van de lening bij uw inkomen geteld, dan kan zij daarna niet meer als lening op de balans van de bv staan; de bv kan haar dan ook niet afwaarderen. Afwaarderen is het verlagen van de boekwaarde van een vordering omdat die niet volledig wordt terugbetaald.

Uw pensioen of lijfrente in de bv loopt gevaar

Voert de bv nog uw pensioen-, stamrecht- of lijfrenteregeling uit, dan komt daar een risico bij. Onzakelijk handelen kan betekenen dat u feitelijk direct beschikt over het geld dat voor die regeling is bestemd, of dat uw recht op de uitkering feitelijk als zekerheid voor de lening dient. In beide gevallen kan dat leiden tot gehele of gedeeltelijke afkoop, en dan moet u direct belasting én revisierente betalen over de waarde van de regeling. Revisierente is een extra heffing bovenop de belasting, omdat u eerder aftrek hebt gehad over de premies.

Ook een te lage zekerheid kan dat gevolg hebben. Het voorbeeld van de Belastingdienst: u leent 100.000 euro van uw bv en geeft alleen een effectenportefeuille van 10.000 euro in onderpand, terwijl dezelfde bv een stamrecht van 150.000 euro uitvoert. Omdat de zekerheid lager is dan de lening, dient het stamrecht feitelijk als extra zekerheid. U betaalt dan direct belasting en revisierente over de volledige waarde van dat stamrecht, en daarbovenop moet u rekening houden met belastingrente en met invorderingsrente, de rente die u betaalt als u een aanslag te laat betaalt.

En dan volgen aanslag, rente en boete

Hebt u de inkomsten niet aangegeven, dan krijgt u een hogere aanslag en betaalt u daarover belastingrente. Die is vanaf 1 januari 2026 5 procent voor alle belastingen. Daarnaast kunt u een boete krijgen. Die boete kan oplopen tot 100 procent van het bedrag dat u meer aan belasting moet betalen. Hoe hoog de boete werkelijk uitvalt, hangt af van de verwijtbaarheid; het percentage van 100 hoort bij de zwaarste gevallen.

Leende u juist geld áán uw bv?

Dan draait het beeld om. Uw vordering op de bv is vermogen dat u aan uw eigen vennootschap ter beschikking stelt; dat heet terbeschikkingstelling (tbs). De zakelijke rente die u ontvangt, is dan geen box 3-inkomen maar resultaat uit overige werkzaamheden in box 1: inkomen uit werkzaamheden die geen dienstbetrekking en geen onderneming vormen. Dat resultaat wordt belast tegen het progressieve tarief van box 1, dat in 2026 oploopt van 35,75 tot 49,50 procent. Wel blijft 12 procent van het tbs-resultaat onbelast door de terbeschikkingstellingsvrijstelling. Ook een vergoeding voor een borgstelling voor schulden van de eigen bv valt onder deze regeling. Een borgstelling is een persoonlijke garantie dat u de schuld van de bv betaalt als zij dat zelf niet doet.

Is voor uw lening aan de bv geen rente te bepalen waartegen een onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden zou hebben geleend, dan spreken fiscalisten van een onzakelijke lening. U wordt dan geacht het risico dat de bv niet terugbetaalt te hebben aanvaard als aandeelhouder, en niet als geldschieter. Dat is beslist in drie arresten van de Hoge Raad uit 2011 en 2012, de zogenoemde novemberarresten. Het gevolg: een afwaarderingsverlies op die lening is niet aftrekbaar, niet in box 1 en bij een bv als geldgever niet in de winst. Scheldt u de lening kwijt, dan is dat geen aftrekbaar verlies maar een informele kapitaalstorting: fiscaal wordt het behandeld als een storting van eigen vermogen in de bv, ook voor zover de vordering oninbaar is. Het bedrag verhoogt dan de verkrijgingsprijs van uw aanmerkelijk belang, dus u ziet het pas terug bij verkoop of liquidatie van de bv. De verkrijgingsprijs is het bedrag dat bij verkoop van uw aandelen van de opbrengst mag worden afgetrokken. Ook een borgstelling zonder vergoeding kan om dezelfde reden onzakelijk zijn.

Rekenvoorbeeld: wat kost een onzakelijke rekening-courant?

Onderstaand voorbeeld laat de verschillen zien. De bedragen en tarieven zijn die van 2026; loopt een scenario over meer jaren, dan gaan wij uit van gelijkblijvende tarieven.

De situatie

Op 1 januari 2026 staat er al 80.000 euro op de rekening-courant en dat saldo blijft het hele jaar staan. Er is dus geen moment waarop het saldo onder 17.500 euro ligt, en rente is verplicht. Een zakelijke rente is in dit voorbeeld 5 procent, dus 4.000 euro over een vol jaar. Wij rekenen met een dga zonder fiscale partner en zonder ander box 2-inkomen, zodat de eerste schijf van 24,5 procent van toepassing is. De winst van de bv blijft onder 200.000 euro, dus geldt daar 19 procent vennootschapsbelasting. Het voorbeeld volgt de dividendroute; corrigeert de inspecteur het voordeel als loon, dan pakt het anders en meestal duurder uit.

Scenario A: u legt de lening zakelijk vast

U sluit een schriftelijke overeenkomst, spreekt 5 procent rente af, maakt afspraken over aflossing en geeft zekerheid. U betaalt de 4.000 euro rente ook daadwerkelijk. Die rente is winst van de bv, dus zij betaalt daarover 760 euro vennootschapsbelasting. Er is niets te corrigeren. Van de 4.000 euro blijft 3.240 euro in uw bv, en over dat bedrag is bij een latere uitkering nog box 2-belasting verschuldigd. Staat de schuld in box 3, dan is de rente voor u niet aftrekbaar.

Scenario B: u spreekt niets af en betaalt geen rente

De inspecteur corrigeert het rentevoordeel van 4.000 euro per jaar. Bij de bv hoort de rente die zij had moeten ontvangen tot haar winst: 19 procent van 4.000 euro is 760 euro. Het voordeel dat naar u is gelopen, is een onttrekking en komt niet ten laste van die winst. Bij u is datzelfde voordeel een regulier voordeel in box 2: 24,5 procent van 4.000 euro is 980 euro. Direct gaat er dus 1.740 euro belasting over een voordeel van 4.000 euro, een druk van ruim 43 procent.

Vergelijk dat eerlijk met scenario A. Daar is de directe heffing 760 euro, maar dan is de 4.000 euro ook echt naar de bv gegaan en draagt de 3.240 euro die daar achterblijft nog een box 2-claim. Puur in geld gemeten liggen A en B daarom dichter bij elkaar dan de bedragen suggereren. Het echte verschil zit ergens anders: in B betaalt u alsnog belasting over een voordeel dat u al had, plus belastingrente van 5 procent en mogelijk een boete, en de correctie herhaalt zich elk jaar dat de rente niet wordt betaald. Legt u nu een overeenkomst vast en betaalt u de rente vanaf nu, dan voorkomt u correcties voor de toekomst. Correcties over verstreken jaren blijven staan, want het voordeel is toen al genoten.

Scenario C: u legt afspraken vast maar komt ze jarenlang niet na

U hebt wel een overeenkomst, maar u betaalt jaren achtereen geen rente, lost niets af en de schuld loopt door tot 200.000 euro. Dan weegt de inspecteur het bedrag, de duur, het aantal geschonden afspraken en het belang daarvan. Blijft het bij een beperkte afwijking, dan kan het bij een verhoging van de heffing blijven. Maakt de inspecteur aannemelijk dat u de schuld niet zult terugbetalen, dan kan hij het hele bedrag bij uw box 2-inkomen tellen. Over de eerste 68.843 euro is dat 24,5 procent, dus 16.867 euro, en over de resterende 131.157 euro 31 procent, dus 40.659 euro: samen afgerond 57.526 euro in één jaar.

Voert uw bv nog uw pensioen, stamrecht of lijfrente uit én dient dat recht feitelijk als zekerheid voor de lening, dan kan daar de belasting plus revisierente over de waarde van die regeling bovenop komen. Dat is een zelfstandig risico met een eigen oorzaak, dus geen automatisch gevolg van de schuld zelf.

Figuur 5 zet de drie scenario’s naast elkaar. De les: in A en B gaat het om de heffing over het rentevoordeel, en dat verschil is beperkt. In C staat de hoofdsom zelf op het spel, en dat gebeurt niet door één gemiste rentebetaling maar door jaren van afspraken die u niet nakomt.

Figuur 5: de directe heffing in het jaar bij de drie scenario’s, uitgaande van een rekening-courant van 80.000 euro en een zakelijke rente van 5 procent. In scenario A betaalt alleen de bv 760 euro vennootschapsbelasting over de ontvangen rente. In scenario B komt daar 980 euro box 2-belasting bij, samen 1.740 euro. In scenario C loopt de schuld op tot 200.000 euro en wordt het hele bedrag in box 2 belast: 16.867 euro tegen 24,5 procent tot 68.843 euro en 40.659 euro tegen 31 procent daarboven, samen 57.526 euro. Omdat staaf C de andere twee overheerst, staan A en B rechts nog eens vergroot in een uitsnede.

Hoe verwerkt u de rekening-courant in de aangifte?

Een zakelijke lening komt in twee aangiften terug: in uw aangifte inkomstenbelasting en in de aangifte vennootschapsbelasting van de bv. In uw eigen aangifte geeft u de schuld aan in box 3 óf in box 1, maar nooit in beide. Figuur 6 zet die twee routes en de bv-kant naast elkaar.

Geeft u het bedrag aan als schuld in box 3, dan daalt uw belastbaar inkomen in box 3. De rente die u aan de bv betaalt, kunt u dan niet aftrekken. In 2026 geldt in box 3 een tarief van 36 procent en een forfaitair rendement op schulden van 2,70 procent. Forfaitair betekent dat de wet met een vast percentage rekent en niet met uw werkelijke rentelast. Er geldt bovendien een schuldendrempel van 3.800 euro: alleen het bedrag boven die drempel mag u aftrekken.

Gebruikt u de lening voor de aankoop, verbouwing of het onderhoud van uw eigen woning, dan geeft u de rente in box 1 aan als aftrekbare rente eigen woning, tegen maximaal 37,56 procent in 2026. Het bedrag van de schuld hoort dan tot de eigenwoningschuld, het deel van uw schuld dat met uw eigen woning samenhangt, en mag niet ook in box 3 staan. Dat geldt wel alleen als de lening aan de wettelijke eisen voor een eigenwoningschuld voldoet en u de gegevens van de lening zelf in uw aangifte opgeeft, want uw bv geeft die niet automatisch aan de Belastingdienst door. Laat dit punt door uw adviseur nakijken. Koopt u met het geleende geld iets dat u vervolgens aan uw bv ter beschikking stelt, bijvoorbeeld een bedrijfspand, dan hoort de lening eveneens in box 1.

De bv zet de lening als vordering op de balans en geeft de ontvangen rente aan als winst. Over die winst betaalt zij 19 procent vennootschapsbelasting tot en met 200.000 euro en 25,8 procent daarboven.

Figuur 6: één schuld aan de bv volgt in uw aangifte inkomstenbelasting altijd één van twee routes, en nooit beide. In box 3 verlaagt de schuld uw grondslag (tarief 36 procent, forfait op schulden 2,70 procent, schuldendrempel 3.800 euro) maar is de rente niet aftrekbaar. In box 1 is de rente aftrekbaar tot 37,56 procent als het om een eigenwoningschuld gaat, of valt de lening onder de terbeschikkingstelling. Onderaan de bv-kant: de lening staat als vordering op de balans en de ontvangen rente is winst, belast tegen 19 procent tot 200.000 euro en 25,8 procent daarboven.

Wanneer geldt de drempel van 500.000 euro?

Naast de zakelijkheidstoets bestaat er een harde drempel: de regeling excessief lenen. Leent u, of lenen u en uw fiscale partner samen, meer dan 500.000 euro van uw bv, dan wordt het meerdere belast als inkomsten uit aanmerkelijk belang in box 2. Peildatum is 31 december. Dat heet een fictief regulier voordeel: u ontvangt niets, maar u wordt wel belast.

Alle schulden aan uw bv tellen mee, behalve de eigenwoningschuld waarvoor de bv een recht van hypotheek heeft. Die hypotheekeis geldt niet voor een eigenwoningschuld die op 31 december 2022 al bestond. Alleen uw schulden tellen: een vordering die u op de bv hebt, mag u er niet tegenover zetten. Hebt u schulden bij meerdere bv’s, dan worden die bij elkaar opgeteld.

De schulden van uw fiscale partner tellen rechtstreeks mee tegen dezelfde drempel; u en uw partner hebben dus samen één keer 500.000 euro. Bij verbonden personen werkt het anders: zij hebben eerst hun eigen drempel, en alleen hun bovenmatige deel wordt aan u toegerekend. Verbonden personen zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van u of uw partner, bijvoorbeeld een kind.

De drempel is niet vast. Is het meerdere in een jaar belast, dan komt dat bedrag het jaar erna bovenop de drempel, zodat u niet twee keer over hetzelfde bedrag wordt belast. Lost u af, dan daalt de drempel met dat bedrag, tot minimaal 500.000 euro. Daalt de schuld onder de opgehoogde drempel, dan ontstaat een negatief fictief regulier voordeel dat u kunt verrekenen met box 2-inkomen van het jaar ervoor of van de komende zes jaar.

Drie dingen worden vaak vergeten, en het eerste verrast bijna iedereen. Anders dan bij een zakelijkheidscorrectie blijft de lening hier in haar geheel bestaan: het is een fictie en geen correctie van de lening zelf. De bv moet dus rente blijven rekenen over het hele bedrag en de overige voorwaarden blijven gelden, ook over het deel dat al in box 2 is belast. Verder houdt de bv over dat belaste deel geen dividendbelasting in. En hebt u eerder met de Belastingdienst afspraken gemaakt over uw schulden bij de bv, dan kunnen die afspraken vervallen zodra het totaal boven 500.000 euro komt.

De drempel ontslaat de Belastingdienst niet van de zakelijkheidstoets daaronder. Blijft u onder 500.000 euro, dan bent u dus nog niet klaar: een te lage rente of een oplopende rekening-courant kan zelfstandig tot een correctie leiden.

Kerncijfers 2026

Onderdeel 2026
Box 2, eerste schijf 24,5 procent tot en met 68.843 euro
Box 2, tweede schijf 31 procent boven 68.843 euro
Box 1, tarief over tbs-resultaat 35,75 tot 49,50 procent
Terbeschikkingstellingsvrijstelling 12 procent van het tbs-resultaat blijft onbelast
Box 3 tarief 36 procent, forfait schulden 2,70 procent, schuldendrempel 3.800 euro
Maximaal aftrektarief rente eigen woning 37,56 procent
Vennootschapsbelasting 19 procent tot en met 200.000 euro, daarboven 25,8 procent
Drempel excessief lenen (stand 31 december) 500.000 euro; schulden van de fiscale partner tellen volledig mee, van verbonden personen alleen hun bovenmatige deel
Belastingrente 5 procent
Boete tot 100 procent van de extra te betalen belasting, afhankelijk van de verwijtbaarheid

De tarieven en drempels in deze tabel gelden voor het belastingjaar 2026.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bewaak het saldo. Blijft de rekening-courant het hele jaar op of onder 17.500 euro en gaat het om voorgeschoten bedragen die u doorlopend verrekent, dan hoeft u geen rente te rekenen. Is er in feite een lening, bijvoorbeeld aflossingsvrij voor tien jaar, dan geldt die lijn niet.
  • Maak een leningsovereenkomst. Zet daarin het bedrag, de looptijd, de aflossingswijze, het rentetarief, het onderpand en de gevolgen als u niet betaalt. Onderteken die overeenkomst vóór de uitbetaling.
  • Onderbouw de rente. Neem bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement als basis, tel daar een risico-opslag bij op en bewaar die onderbouwing bij de overeenkomst. Bij een vaste rente of een langere looptijd is een andere onderbouwing nodig.
  • Spreek aflossing af en betaal ook echt. Leg de einddatum, de termijnen en de bedragen vast, en boek de betalingen daadwerkelijk. Papieren afspraken die u niet nakomt, helpen niet.
  • Geef voldoende zekerheid. Zorg dat het onderpand ten minste de waarde van de lening heeft, ook later. Reken bij een effectenportefeuille met een korting van 30 procent en geef bij een hoog bedrag hypothecaire zekerheid.
  • Toets uw bv. Ga na of de bv na de opname haar huur, loon, leningen en pensioen-, stamrecht- of lijfrentetermijnen kan blijven betalen. Zo niet, dan is de lening niet zakelijk.
  • Houd de 500.000 euro in het oog. Tel de stand per 31 december van alle bv’s op, samen met de schulden van uw fiscale partner en het bovenmatige deel van verbonden personen. Uw vordering op de bv mag u er niet tegenover zetten. Een eigenwoningschuld met een recht van hypotheek voor de bv telt niet mee, en die hypotheekeis geldt niet voor een schuld die op 31 december 2022 al bestond.
  • Verwerk de lening in beide aangiften. Zet de schuld in box 3 of in box 1, nooit in beide, en laat de bv de vordering op de balans en de rente in de winst opnemen.
  • Twijfelt u? Vraag het vooraf. Laat uw adviseur meekijken en vraag de inspecteur zo nodig schriftelijk om een beoordeling. U krijgt dan binnen acht weken bericht, of binnen tien werkdagen telefonisch contact.

Veelgestelde vragen

Moet u rente betalen over uw rekening-courant?

Niet als het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro blijft en het gaat om voorgeschoten bedragen die doorlopend worden verrekend. Komt het saldo ook maar één keer hoger uit, dan rekent u over het hele bedrag en over het hele jaar rente. Wordt via de rekening-courant in feite een lening verstrekt, dan geldt de vrijstelling niet, ook al blijft het bedrag lager.

Welke rente moet u in 2026 aan uw bv betalen?

Er is geen vast percentage. Bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar neemt u het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement als basis, met daarbovenop een risico-opslag. Het U-rendement liep in 2026 op van 2,71 procent in januari naar 3,01 procent in september. Tarieven waarbij een bank de uitlener is, zoals de hypotheekrente, mag u niet gebruiken.

Moet u de rekening-courant elk jaar aflossen?

Er bestaat geen wettelijke verplichting om jaarlijks een vast bedrag af te lossen, maar u moet zich wel houden aan het aflossingsschema dat u met de bv hebt afgesproken. Een schuld die jaar na jaar oploopt zonder dat er wordt afgelost, is voor de Belastingdienst een signaal dat de lening niet zakelijk is. Spreekt u aflossingsvrij af, dan horen daar aanvullende voorwaarden bij, zoals een hoger rentetarief en meer zekerheid.

Mag u de rente die u aan uw bv betaalt aftrekken?

Alleen als de lening in box 1 hoort. Bij een schuld in box 3 is de rente niet aftrekbaar; het voordeel loopt daar via een lagere box 3-grondslag. Gebruikt u het geld voor aankoop, verbouwing of onderhoud van uw eigen woning en voldoet de lening aan de eisen voor een eigenwoningschuld, dan is de rente in box 1 aftrekbaar tegen maximaal 37,56 procent en hoort de schuld niet ook in box 3.

Wat is voor u het verschil tussen de zakelijkheidstoets en de regeling excessief lenen?

De zakelijkheidstoets kijkt naar de voorwaarden van uw lening en kan de rente of zelfs de hoofdsom als verkapt dividend belasten. De regeling excessief lenen kijkt alleen naar de stand per 31 december en belast het bedrag boven 500.000 euro als fictief regulier voordeel. De drempel ontslaat de Belastingdienst niet van de zakelijkheidstoets daaronder, dus u kunt onder 500.000 euro blijven en tóch een correctie krijgen.

Wat doet u als de rekening-courant al jaren oploopt?

Kom er zelf mee voordat de inspecteur ernaar vraagt. Breng eerst de stand per jaareinde in beeld, leg daarna een overeenkomst met een onderbouwde rente, aflossing en zekerheid vast en betaal de rente vanaf dat moment ook echt. Daarmee voorkomt u correcties voor de toekomst; over verstreken jaren kan een correctie blijven staan. Is de schuld te hoog om af te lossen, laat dan berekenen of een dividenduitkering of een aanpassing van uw loon een reële uitweg is.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een rekening-courant is zelden een probleem zolang u de spelregels kent. Wij brengen eerst in beeld waar u staat: hoe hoog het saldo het afgelopen jaar werkelijk is geweest, of de 17.500 euro is overschreden en of er al een overeenkomst ligt. Daarna bepalen wij een onderbouwde zakelijke rente, stellen wij een sluitende leningsovereenkomst met aflossings- en zekerheidsafspraken op en toetsen wij of uw bv haar pensioen- en lijfrenteverplichtingen kan blijven nakomen. Ook volgen wij de stand per 31 december in verband met de drempel van 500.000 euro, en verwerken wij de lening consistent in uw aangifte inkomstenbelasting en de aangifte vennootschapsbelasting van de bv. Waar zekerheid vooraf nodig is, verzorgen wij het overleg met de inspecteur.

Loopt uw rekening-courant al jaren op, of hebt u nooit iets vastgelegd? Ook dan is er vaak nog veel te repareren voor de toekomst, maar correcties over verstreken jaren kunnen blijven staan. Het scheelt daarom veel als u er zelf mee komt in plaats van dat de inspecteur ernaar vraagt. Laat uw situatie beoordelen voordat het boekjaar is afgesloten.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Laat uw eigen situatie daarom altijd beoordelen door een belastingadviseur.

 

Verliesverrekening in 2026: zo voorkomt u dat waardevolle verliezen verdampen

Heeft uw onderneming in een of meer jaren verlies geleden? Dan is dat verlies geld waard, want via verliesverrekening trekt u het af van winst uit andere jaren. Toch kan zo’n verlies definitief verloren gaan: het kan verdampen. Dat gebeurt als een termijn verloopt of als het belang in uw bv sterk wijzigt. Daarnaast kan een winstlimiet de verrekening over meerdere jaren uitsmeren, waardoor u eerder belasting betaalt dan u verwacht. In dit artikel leest u hoe verliesverrekening in 2026 werkt in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, wanneer verdamping dreigt en hoe u uw verliezen op tijd veiligstelt.

Wat is verliesverrekening?

Maakt uw onderneming verlies, dan kan dat verlies de belasting in een ander jaar verlagen. Dat heet verliesverrekening. U trekt het verlies af van winst uit een eerder jaar (carry-back of achterwaartse verliesverrekening) of van winst uit latere jaren (carry-forward of voorwaartse verliesverrekening). Een verlies dat u nog niet hebt gebruikt, is dus een soort tegoedbon op toekomstige belasting. Verdamping betekent dat zo’n tegoedbon definitief vervalt voordat u hem hebt kunnen inwisselen.

De regels verschillen per belastingsoort. Voor de eenmanszaak en de vennootschap onder firma (vof) geldt de inkomstenbelasting. Voor de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv) geldt de vennootschapsbelasting, met een aparte valkuil bij een wijziging van de aandeelhouders.

Verliesverrekening in de inkomstenbelasting: drie jaar terug, negen jaar vooruit

In de inkomstenbelasting verrekent de Belastingdienst een verlies uit werk en woning eerst met de inkomens van de drie jaar daarvoor en daarna met de inkomens van de negen jaar daarna. Die volgorde is verplicht. Na die negen jaar is het verlies definitief weg. Voor 2026 betekent dit: een verlies uit 2017 dat nog openstaat, kunt u alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026. Daarna verdampt het (zie figuur 1).

Figuur 1: de negenjaarstermijn in de inkomstenbelasting: een verlies uit 2017 heeft in 2026 zijn laatste kans.

De rechter heeft bevestigd dat dit verval is toegestaan en dat een later afgegeven beschikking een al verdampt verlies niet laat herleven. Bewaak de termijn dus actief. Loopt een oud verlies bijna af, dan kan het lonen om winst naar voren te halen, bijvoorbeeld door kosten uit te stellen of een stille reserve (een waardestijging die nog niet in de boeken zichtbaar is) te realiseren.

Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting: een jaar terug, onbeperkt vooruit

In de vennootschapsbelasting gelden sinds 1 januari 2022 andere termijnen. Een verlies gaat eerst een jaar terug en daarna onbeperkt vooruit. Verdamping door tijdsverloop is daar dus grotendeels verdwenen. De onbeperkte termijn geldt voor verliezen vanaf 2022, en ook voor verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en die eind 2021 nog verrekenbaar waren. Verliezen uit oudere boekjaren vielen onder de oude termijn van negen jaar en zijn inmiddels vervallen.

Let op een belangrijke vormeis: uw bv kan een verlies alleen verrekenen als de Belastingdienst het heeft vastgesteld in een verliesbeschikking. Dat is een formeel besluit waarin de hoogte van het verlies staat. Controleer dus of elk verliesjaar zo’n beschikking heeft. Wilt u weten hoeveel verlies er nog openstaat, dan kunt u schriftelijk een totaaloverzicht van de verrekende en verrekenbare verliezen opvragen bij uw belastingkantoor. U ontvangt dat overzicht binnen zes weken. Figuur 2 zet de termijnen en de risico’s van de twee stelsels naast elkaar.

Figuur 2: verliesverrekening in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting naast elkaar (2026).

Wat is de temporisering?

Tegenover de onbeperkte termijn staat een rem op het bedrag. Per jaar mag uw bv een verlies maar verrekenen tot 1.000.000 euro, plus 50 procent van de winst boven 1.000.000 euro. Dat heet temporisering: de verrekening wordt over meerdere jaren uitgesmeerd. Is de belastbare winst 1.000.000 euro of lager, dan merkt u hier niets van.

Maakt uw bv bijvoorbeeld 2.200.000 euro winst, dan is de verrekenruimte 1.000.000 euro plus 50 procent van 1.200.000 euro, samen 1.600.000 euro (zie figuur 3). Over de resterende 600.000 euro betaalt de bv dit jaar belasting, ook al staan er nog verliezen open. Die verliezen gaan niet verloren; u benut ze in latere jaren. De temporisering kost dus geen verlies, maar wel liquiditeit: uw bv betaalt eerder belasting dan u misschien verwacht.

Figuur 3: de temporiseringsgrens van 1.000.000 euro in 2026.

De grootste valkuil: artikel 20a bij een belangenwijziging

De grootste verdampingsval in de vennootschapsbelasting is artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting. Dat artikel is bedoeld tegen de handel in verlieslichamen: het opkopen van een bv alleen vanwege haar verrekenbare verliezen. Het artikel raakt in de praktijk echter ook gewone bedrijfsoverdrachten en investeringsrondes.

Wanneer vervallen verliezen door een belangenwijziging?

Wijzigt het uiteindelijke belang in uw bv voor 30 procent of meer, dan zijn de verliezen van voor die wijziging niet meer voorwaarts verrekenbaar. Met het uiteindelijke belang wordt bedoeld wie er economisch gezien achter de aandelen zit; ook wijzigingen in zeggenschap en winstverdeling tellen mee. Denk aan de verkoop van aandelen, het toetreden van een nieuwe investeerder of een herstructurering. De Belastingdienst vergelijkt de situatie met het begin van het oudste jaar waarvan het verlies nog openstaat.

In het jaar van de belangenwijziging wordt het resultaat gesplitst in de periode voor en de periode na de wijziging. Ook de andere richting kan geraakt worden: een verlies van na de wijziging kan niet worden teruggewenteld naar winst van voor de wijziging als de werkzaamheden voor 90 procent of meer zijn gestaakt en de bezittingen grotendeels uit beleggingen bestaan.

Welke uitzonderingen gelden er?

De verliesverrekening blijft in drie situaties gewoon in stand. Ten eerste als de wijziging voortvloeit uit erfrecht of huwelijksvermogensrecht, bijvoorbeeld bij overlijden van een aandeelhouder. Ten tweede als degene die het belang uitbreidt aan het begin van het oudste verliesjaar al minimaal een derde van het belang had. Ten derde als de bv niet wist en ook niet kon weten dat het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer is gewijzigd, wat kan spelen bij beursgenoteerde aandelen of een belegger op afstand.

De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets

Valt de wijziging niet onder een uitzondering, dan kan uw bv de verliezen toch behouden als zij aan drie toetsen voldoet. De beleggingstoets: de bezittingen van de bv mogen in het verliesjaar en in het winstjaar niet langer dan drie maanden voor meer dan de helft uit beleggingen bestaan. De werkzaamhedentoets: de activiteiten zijn direct voor de wijziging niet gekrompen tot minder dan 30 procent van de activiteiten aan het begin van het oudste verliesjaar. De intentietoets: er bestaat op het moment van de wijziging geen voornemen om de activiteiten binnen drie jaar alsnog onder die 30 procent te laten zakken.

Haalt de bv wel de beleggingstoets, maar niet de werkzaamhedentoets of de intentietoets, dan is er nog een tussenweg: de oude verliezen blijven dan verrekenbaar met winst uit de werkzaamheden die worden voortgezet (zie figuur 4).

Figuur 4: de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets van artikel 20a.

Zekerheid vooraf en de step-up

Twijfelt u of de verliezen behouden blijven, dan kunt u de Belastingdienst vooraf om een beschikking vragen. U weet dan zeker waar u aan toe bent voordat de aandelen wisselen. Vervallen de verliezen toch, dan biedt de wet een verzachting die in de praktijk step-up heet. Vlak voor het vervalmoment mag de bv de boekwaarden van haar bezittingen (de waarde waarvoor ze in de administratie staan) verhogen tot de werkelijke waarde, en mag zij een herinvesteringsreserve (een uitgestelde belastingpot voor de verkoopwinst op bedrijfsmiddelen) in de winst opnemen. Zo ontstaat er nog winst waar de vervallende verliezen tegenover staan, en benut de bv het verlies alsnog. Figuur 5 vat de hele route van artikel 20a samen in een beslisboom.

Figuur 5: beslisboom artikel 20a: blijven de oude verliezen verrekenbaar?

Rekenvoorbeeld: wat staat er op het spel?

Het volgende voorbeeld laat zien hoeveel er bij een belangenwijziging op het spel staat. De bedragen gelden voor het belastingjaar 2026 (zie figuur 6).

Figuur 6: verliezen behouden tegenover verliezen die verdampen (bedragen 2026).

De situatie

Uw bv heeft 3.000.000 euro aan vastgestelde, nog niet verrekende verliezen. De bv maakt inmiddels weer winst. Een investeerder wil instappen en neemt een belang van meer dan 30 procent over.

Scenario A: verliezen behouden

De bv drijft nog een echte onderneming en de activiteiten blijven op peil. De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets worden gehaald, en de bv vraagt vooraf zekerheid aan de Belastingdienst. De verliezen van 3.000.000 euro blijven daardoor verrekenbaar. Tegen het hoge tarief van de vennootschapsbelasting van 25,8 procent in 2026 is dat een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro.

Scenario B: verliezen verdampen

Er wordt geen aandacht besteed aan artikel 20a. Het belang wijzigt met meer dan 30 procent en de toetsen worden niet gehaald. De verliezen van 3.000.000 euro vervallen voorgoed. Uw bv loopt daardoor een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro mis.

De conclusie: door bij een belangenwijziging op tijd artikel 20a te toetsen en de toetsen te onderbouwen, voorkomt u dat uw bv 3.000.000 euro aan verliezen en tot 774.000 euro aan belastingbesparing kwijtraakt.

Praktische checklist: zo voorkomt u verdamping

Verdamping is onomkeerbaar: een verloren verlies komt niet terug. Voorkomen is dus de enige route. Let op de volgende punten:

  • Controleer of elk verliesjaar van uw bv bij beschikking is vastgesteld; zonder beschikking is er geen verrekenbaar verlies.
  • Een verlies in de inkomstenbelasting verdampt na negen jaar; een verlies uit 2017 kunt u alleen nog met uw inkomen over 2026 verrekenen.
  • Vraag bij twijfel het totaaloverzicht van verrekenbare verliezen schriftelijk op bij uw belastingkantoor.
  • Artikel 20a. Toets bij elke voorgenomen wijziging in de aandeelhouders vooraf of oude verliezen dreigen te vervallen.
  • Documenteer de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets, en vraag zo nodig vooraf een beschikking aan.
  • Verwacht uw bv winst boven 1.000.000 euro, houd er dan rekening mee dat u niet alles in een keer kunt verrekenen.
  • Step-up. Dreigt verval toch, benut dan voor het vervalmoment de mogelijkheid om boekwaarden op te hogen en het verlies alsnog te gelde te maken.

Veelgestelde vragen

Wanneer verdampt een verlies in de inkomstenbelasting?

Na negen jaar. Een verlies uit werk en woning gaat eerst drie jaar terug en daarna negen jaar vooruit. Een verlies uit 2017 kunt u dus alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026; daarna is het definitief weg.

Kunnen verliezen in de vennootschapsbelasting nog verdampen door tijdsverloop?

Vrijwel niet meer. Verliezen vanaf 2022, en oudere verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en eind 2021 nog openstonden, zijn onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. De echte risico’s zitten nu in de belangenwijziging van artikel 20a en in het ontbreken van een verliesbeschikking.

Wat is een verliesbeschikking en waarom is die belangrijk?

Een verliesbeschikking is het formele besluit van de Belastingdienst waarin de hoogte van een verlies wordt vastgesteld. In de vennootschapsbelasting kan uw bv een verlies alleen verrekenen als er zo’n beschikking is. Controleer dit dus per verliesjaar.

Raakt u verliezen kwijt als u uw bv verkoopt?

Dat kan. Wijzigt het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer, dan vervallen de oude verliezen, tenzij een uitzondering geldt of de bv de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets haalt. Laat dit voor de verkoop toetsen; achteraf repareren kan niet.

Kunt u een verlies alvast verrekenen zonder de definitieve aanslag af te wachten?

Ja. U kunt bij de aangifte over het verliesjaar schriftelijk om voorlopige verliesverrekening vragen. De Belastingdienst verrekent dan alvast maximaal 80 procent van het aangegeven verlies met de winst van het vorige jaar. Voorwaarde is onder meer dat de aanslag over dat vorige jaar definitief vaststaat.

Geldt de temporisering ook bij een winst tot 1.000.000 euro?

Nee. Is de belastbare winst van uw bv 1.000.000 euro of lager, dan kunt u verliezen verrekenen tot maximaal het bedrag van die winst. De rem van 50 procent speelt alleen bij het deel van de winst boven 1.000.000 euro.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount brengt uw verliespositie in kaart, controleert of alle verliezen bij beschikking zijn vastgesteld en bewaakt de termijnen. Bij een voorgenomen verkoop, investeringsronde of herstructurering beoordelen wij vooraf of uw verliezen onder artikel 20a vervallen. Wij onderbouwen de toetsen, vragen waar nodig zekerheid vooraf bij de Belastingdienst en zetten bij dreigend verval een step-up in. Wilt u voorkomen dat waardevolle verliezen in 2026 verdampen? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en regels kunnen wijzigen. Wat in uw situatie geldt, hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Neem voor advies op maat contact op met Taxcount.

Zie ook:

Boete van de Belastingdienst: wanneer u een verzuimboete of een vergrijpboete krijgt en hoe u zich verweert

Een boete van de Belastingdienst verrast zelden over de reden, maar bijna altijd over de hoogte. Een aangifte voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die te laat binnenkomt kost 82 euro, terwijl een te late betaling 3 procent van het bedrag kost met een minimum van 50 euro. Bij een correctie achteraf is het uitgangspunt 25 of 50 procent van de belasting, en de wet laat tot 100 procent toe. Dat verschil komt doordat er twee soorten boetes bestaan: bij de verzuimboete maakt het niet uit of u er iets aan kon doen, bij de vergrijpboete moet de Belastingdienst bewijzen dat u het bewust of zwaar onzorgvuldig verkeerd deed. In dit artikel leest u de bedragen en percentages van 2026, welke verweren werken, welke termijnen u moet bewaken en wat u nu al kunt vastleggen. Tot slot ziet u wanneer niet alleen uw onderneming, maar ook u persoonlijk of uw boekhouder een boete kan krijgen.

Welke twee soorten boetes kan de Belastingdienst opleggen?

De Belastingdienst kan zelf een boete opleggen, zonder dat daar een rechter aan te pas komt. Dat gebeurt door de inspecteur, de ambtenaar die uw aanslag vaststelt. De boete is een aparte beschikking, een op zichzelf staand besluit. Staat zij op hetzelfde aanslagbiljet als de aanslag, dan hoort zij voor bezwaar en beroep wel bij die aanslag: één bezwaarschrift is dan genoeg.

De verzuimboete is de lichte boete. Die volgt vrijwel automatisch als een aangifte te laat is of een bedrag te laat is betaald. Of u er iets aan kon doen, doet in beginsel niet mee: de Belastingdienst hoeft geen schuld te bewijzen. Het bekendste verweer heet afwezigheid van alle schuld: als u aannemelijk maakt dat u alles hebt gedaan wat redelijkerwijs van u te vergen was, kan de boete vervallen. Er zijn ook andere routes, zoals een ontbrekende aanmaning, alsnog indienen binnen zeven dagen of matiging omdat de boete niet in verhouding staat.

De vergrijpboete is de zware boete. Die mag alleen als de inspecteur bewijst dat er opzet of grove schuld in het spel was. Opzet betekent dat u wist dat het fout ging, of dat u de aanmerkelijke kans daarop bewust hebt aanvaard. Grove schuld is minder: zo onzorgvuldig dat het daar bijna op neerkomt, en duidelijk meer dan een vergissing. De inspecteur moet dat overtuigend aantonen, een zwaardere bewijseis dan het gewone aannemelijk maken, en bij twijfel valt de zaak in uw voordeel uit.

Dat onderscheid bepaalt bijna alles wat daarna komt: de hoogte van de boete, de procedure die de Belastingdienst moet volgen en de verweren die u kunt inbrengen. De eerste vraag bij elke boetebrief is daarom of het woord opzet of grove schuld erin staat. Figuur 1 zet de twee soorten naast elkaar.

     Figuur 1: verzuimboete of vergrijpboete? De eerste vraag bij elke boetebrief is of het woord opzet of grove schuld erin staat.

Hoe hoog is een verzuimboete in 2026?

Voor de hoogte moet u eerst weten met welk soort belasting u te maken hebt. Bij een aangiftebelasting berekent u zelf wat u moet betalen en betaalt u dat met de aangifte mee: btw en loonheffingen zijn de bekendste voorbeelden. Bij een aanslagbelasting doet u aangifte en stuurt de Belastingdienst daarna een aanslag: inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, erfbelasting en schenkbelasting werken zo. De boetes lopen tussen die twee groepen sterk uiteen.

Btw en loonheffingen: een lage boete voor de aangifte, een hoge boete voor de betaling

Komt uw btw-aangifte niet of te laat binnen, dan is de boete 82 euro. Bij de aangifte loonheffingen is dat 83 euro. Die bedragen lijken mild, en dat zijn ze ook: het wettelijk maximum is 165 euro voor de btw en 1.675 euro voor de loonaangifte, en dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als iemand het herhaaldelijk laat afweten.

De betaling is een tweede, zelfstandig verzuim. Betaalt u de btw of de loonheffing niet, niet volledig of te laat, dan is de boete 3 procent van het te laat betaalde bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro. Blijkt het verzuim pas nadat de Belastingdienst uw aangifte inhoudelijk heeft getoetst, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, een controle van uw administratie, dan gaat dat percentage volgens het boetebeleid naar 10 procent van de belasting die u in dat kalenderjaar of boekjaar te laat betaalde, met hetzelfde maximum.

Dat verschil is geen slordigheid van de wetgever. Bij deze belastingen is de aangifte vooral een begeleidend briefje bij de betaling, en om het geld gaat het. Wie de aangifte vergeet maar wel betaalt komt er dus goedkoop van af; wie de aangifte netjes indient maar niet betaalt niet.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting: er komt eerst een aanmaning

Bij een jaaraangifte kan de boete niet uit de lucht vallen. De Belastingdienst stuurt eerst een herinnering en daarna een aanmaning, de laatste schriftelijke waarschuwing met een nieuwe termijn. Pas als u die termijn ook laat verstrijken, mag de boete volgen. Ontbreekt de aanmaning, of bereikte die u of uw adviseur te laat, dan kan dat de hele boete kosten.

Doet u geen of te late aangifte inkomstenbelasting, erfbelasting of schenkbelasting, dan is de boete 469 euro. Voor de vennootschapsbelasting begint de boete veel hoger: 3.354 euro. In beide gevallen kan de boete bij herhaald verzuim oplopen tot het wettelijk maximum van 6.709 euro, maar dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen: het beleid laat de standaardboete niet met het aantal eerdere verzuimen meelopen.

Bij de jaaraangifte bestaat geen regeling die de boete laat vervallen als u alsnog snel indient. Alsnog aangifte doen helpt wel, maar dan als grond om de boete te verlagen en niet om hem weg te nemen.

Vergeten om een aangifte te vragen kost apart geld

Krijgt u geen uitnodiging tot het doen van aangifte terwijl u wel belasting verschuldigd bent, dan moet u er zelf om vragen. Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt daarvoor een termijn van zes maanden na het moment waarop de belastingschuld is ontstaan, voor de erfbelasting de aangiftetermijn van twintig maanden na het overlijden bij een overlijden vanaf 1 januari 2026, en acht maanden bij een overlijden in 2025 of eerder en voor de schenkbelasting twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin u de schenking kreeg of deed. Doet u dat niet op tijd, dan is de boete 3.354 euro. De Belastingdienst legt die boete niet op als u binnen twee weken na die termijn alsnog om een aangifte vraagt.

Een aanslag te laat betalen

Betaalt u een aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting niet, niet volledig of te laat, dan kunt u een betaalverzuimboete krijgen van 5 procent van het openstaande bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro per keer. Die boete volgt niet automatisch: volgens de wetsgeschiedenis wordt zij niet in een massaal proces opgelegd, maar in individuele gevallen van belastingschuldigen die stelselmatig niet of te laat betalen, en dan doorgaans bij bedragen van tienduizenden euro’s. Wordt de aanslag later verlaagd, dan gaat de boete evenredig mee omlaag, tot dat minimum van 50 euro. Deze boete komt van de ontvanger, de ambtenaar die belastingschulden invordert, en niet van de inspecteur. Vindt u dat u te veel hebt betaald over een oud jaar, dan is de route van een teruggaaf over oude jaren een andere; daarover leest u meer in ons artikel over het terugvragen van te veel betaalde belasting.

Het patroon achter al die bedragen is eenvoudig. Bij de aangiftebelastingen is de boete voor de aangifte laag en die voor de betaling hoog; bij de jaaraangiften is het precies omgekeerd, want daar is de aangifte zelf het punt. Figuur 2 zet de acht situaties met hun standaardbedrag en hun wettelijk maximum naast elkaar. De bedragen die de Belastingdienst standaard oplegt komen uit haar eigen boetebeleid; de wet noemt alleen de maxima. Dat beleid kan wijzigen, en de inspecteur mag in uw geval lager uitkomen.

Figuur 2: de standaardbedragen en de wettelijke maxima van de verzuimboetes in 2026, per soort belasting.

Deze bedragen gelden voor beboetbare feiten in 2026. Voor een oud jaar geldt het maximum dat toen gold: de verhoging naar 6.709 euro per 1 januari 2025 werkt niet terug. Wordt een regeling ná uw fout juist gunstiger, dan geldt omgekeerd de voor u gunstigste versie.

Wat gebeurt er als u zeven dagen te laat bent?

Bij de btw en de loonheffingen kent het boetebeleid een coulancetermijn: een respijtperiode van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Voor de aangifte is die termijn eenvoudig. Is uw aangifte binnen die zeven dagen alsnog binnen, dan krijgt u geen boete.

Voor de betaling werkt dezelfde termijn juist andersom, en dat is de meest onderschatte val in het hele boeterecht. Betaalt u binnen die zeven dagen alsnog, dan krijgt u alleen géén boete als u de vórige aangifte volledig en op tijd betaalde. Was u de vorige keer te laat of betaalde u toen niet alles, dan volgt nu wél een boete van 3 procent met een minimum van 50 euro. Bij tijdstipbelastingen, belastingen die per gebeurtenis worden geheven in plaats van per maand of kwartaal, kijkt de Belastingdienst daarvoor niet naar het vorige tijdvak maar naar het afgelopen jaar.

Betaalt u een deel binnen en een deel na die zeven dagen, dan rekent de Belastingdienst de boete over het hele te late bedrag en niet alleen over het deel dat echt laat was. Dat verklaart waarom twee ondernemers die beide een paar dagen te laat zijn, de ene keer niets en de andere keer 50 euro of meer betalen. Figuur 3 laat de twee sporen zien.

Figuur 3: de coulancetermijn van zeven dagen pakt bij de aangifte anders uit dan bij de betaling.

Hoe hoog is een vergrijpboete?

Een vergrijpboete is geen vast bedrag maar een percentage van de belasting die door uw opzet of grove schuld niet is geheven of niet is betaald. De wet stelt het maximum op 100 procent van dat bedrag, en voor niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen zelfs op 300 procent. Binnen dat maximum werkt de Belastingdienst met vaste uitgangspunten uit haar eigen boetebeleid, het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Bij grove schuld is de boete 25 procent van de te weinig geheven belasting, bij opzet 50 procent. Gaat het om inkomen uit sparen en beleggen dat u niet of onjuist hebt aangegeven, dan noemt de Belastingdienst hogere uitgangspunten: 75 procent bij grove schuld en 150 procent bij opzet. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of een straf, of wijst de inspecteur op listigheid, valsheid of samenspanning, dan mag de boete naar 100 procent, en bij inkomen uit sparen en beleggen naar 300 procent. Een boete die later is vernietigd telt niet mee als eerdere boete, en verzachtende omstandigheden werken de andere kant op.

Naast die percentages bestaat een eigen regel voor het herstellen van een oude btw-fout. Meldt u een te lage btw-afdracht niet, niet op tijd of niet op de voorgeschreven manier, dan kan de boete daarvoor bij opzet of grove schuld oplopen tot 100 procent van de belasting die daardoor niet zou zijn geheven. Hoe die melding werkt, leest u in ons artikel over het herstellen van een fout in een eerdere btw-aangifte.

De uitgangspunten voor de vergrijpboete in 2026:

Verwijt Gewone situatie Sparen en beleggen
Grove schuld 25 procent 75 procent
Opzet 50 procent 150 procent
Verhoging bij herhaling binnen vijf jaar voor dezelfde belasting, of bij listigheid, valsheid of samenspanning 100 procent 300 procent

De percentages in deze tabel zijn uitgangspunten uit het boetebeleid. De wet stelt het maximum op 100 procent van de belasting, en bij niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen op 300 procent.

Rekenvoorbeeld: dezelfde omzet, vier uitkomsten

Stel dat u over het eerste kwartaal 20.000 euro omzet niet in uw btw-aangifte hebt opgenomen. De niet aangegeven btw daarover is 4.200 euro. De Belastingdienst legt een naheffingsaanslag op, een extra aanslag voor btw of loonheffing die te weinig is betaald.

Ziet de inspecteur hierin alleen een betaalverzuim zonder verder verwijt, dan is de boete 10 procent van de belasting die u dat jaar te laat betaalde, hier dus 420 euro, omdat het verzuim pas bij een inhoudelijke controle bleek. Vindt hij dat u grof onzorgvuldig was, bijvoorbeeld omdat u een hele reeks facturen niet in uw administratie hebt opgenomen, dan is de boete 25 procent van 4.200 euro, dus 1.050 euro. Kan hij overtuigend aantonen dat u die omzet bewust buiten de aangifte hield, dan is de boete 50 procent, dus 2.100 euro. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor de btw al een vergrijpboete, dan kan hij naar 100 procent, dus 4.200 euro.

De belasting van 4.200 euro betaalt u in alle vier de gevallen. Daar komt ook nog belastingrente bij, die geen boete is maar een vergoeding voor het late betalen; hoe u die beperkt, leest u in ons artikel over belastingrente voorkomen. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde niet aangegeven btw van 4.200 euro levert vier verschillende boetes op.

De boete mag alleen over de verwijtbare correcties

Een fout die in de praktijk vaak wordt gemaakt, zit in de grondslag. Bevat een naheffing of een navordering, een extra aanslag over een jaar dat al was afgerond, tien correcties en zijn er maar drie waarvan de inspecteur zegt dat u ze bewust verkeerd deed, dan mag hij de boete niet over het hele bedrag berekenen. Hij moet de mate van verwijtbaarheid per correctie vaststellen en de boete berekenen over het deel van de belasting dat naar evenredigheid aan die verwijtbare correcties is toe te rekenen. Leg de correcties in de aanslag daarom altijd naast de grondslag van de boete.

Eén waarschuwing voor een kleine groep ondernemingen. Valt uw onderneming onder de minimumbelasting voor grote groepen, of onder de meldplichten voor platforms en aanbieders van cryptodiensten, dan gelden sinds 2026 veel hogere maxima: 1.100.000 euro, en bij de minimumbelasting afhankelijk van de verplichting 1.100.000 of 27.500 euro. Voor de minimumbelasting loopt een tijdelijke vrijstelling van verzuimboetes af op 31 oktober 2026. Laat die termijnen apart bewaken.

Iets vergelijkbaars geldt als de Belastingdienst uw belastingschuld heeft geschat omdat uw administratie of aangifte onvolledig was. Die schatting, met omkering van de bewijslast waardoor u zelf moet aantonen dat de aanslag te hoog is, mag wel de grondslag van de boete vormen. Maar de rechter moet dan wel beoordelen of de boete gelet op alle omstandigheden nog een passende en geboden sanctie is, en dat doet hij ook zonder dat u erom vraagt.

Zes verweren tegen een boete van de Belastingdienst

Een boete staat niet vast omdat er een bedrag op papier staat. Deze zes verweren komen in de praktijk het meest voor, in de volgorde waarin u ze het beste onderzoekt.

1. U had geen enkele schuld

Lag de oorzaak buiten uw invloed en hebt u wel alle zorg betracht die redelijkerwijs van u kon worden gevraagd, dan kan een verzuimboete geheel vervallen. De Hoge Raad besliste dat een ondernemer die zijn bank tijdig opdracht gaf te betalen formeel in verzuim is als de bank blundert, maar dat hij zich wel op afwezigheid van alle schuld kan beroepen. U moet dat zelf aanvoeren en bij tegenspraak aannemelijk maken, dus met stukken: de betaalopdracht, de datum ervan en het rekeningafschrift waaruit blijkt dat er genoeg saldo stond.

Aan de andere kant is in hofrechtspraak aangenomen dat betalen op de laatste dag geldt als het bewust aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven; de Hoge Raad heeft dat niet als algemene regel geformuleerd. In een gepubliceerde zaak was een opdracht van ruim een week vóór de uiterste betaaldatum voldoende, maar dat was een oordeel over die zaak en geen algemene vuistregel. Wees ook realistisch: was u zelf te laat, zonder oorzaak buiten uw invloed, dan slaagt dit verweer zelden.

2. Uw standpunt was verdedigbaar

Berustte uw aangifte op een standpunt waarvoor goede argumenten bestonden, dan is een vergrijpboete niet mogelijk. Dat heet een pleitbaar standpunt: naar objectieve maatstaven kon en mocht u op het moment van de aangifte redelijkerwijs menen dat uw uitleg juist was. Dat u van de rechter uiteindelijk ongelijk krijgt over de belasting zelf, doet daar niets aan af.

Dit is het sterkste verweer dat er is, en wel om twee redenen. De toets is volledig geobjectiveerd, dus het maakt niet uit of u die uitleg destijds ook echt voor ogen had, en de rechter hoeft daarvoor geen ingewonnen adviezen te lezen. Bovendien sluit een pleitbaar standpunt ook het opzet uit dat voor strafvervolging nodig is. Eén beperking is belangrijk: juridisch neemt een pleitbaar standpunt de opzet of grove schuld weg en dus de vergrijpboete, maar in beginsel niet de verzuimboete voor een te late aangifte of betaling. In haar eigen boetebeleid behandelt de Belastingdienst beide gevallen wel gelijk: bij een pleitbaar standpunt legt de inspecteur geen boete op, en blijkt de pleitbaarheid pas in de bezwaarfase, dan vernietigt hij haar. Dat is beleid en geen wet, dus vraag er uitdrukkelijk om.

Wettelijk hoeft u hier niets te bewijzen: de rechter beoordeelt objectief of uw standpunt verdedigbaar was, ook zonder uw eigen adviezen te lezen. Praktisch helpt vastleggen wel, omdat de discussie dan veel korter is. Bewaar daarom bij elk afwijkend of discutabel standpunt een korte onderbouwing met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de vakliteratuur waarop u zich baseerde.

3. De fout lag bij uw adviseur

Opzet of grove schuld van uw adviseur wordt niet aan u toegerekend. Dat de inspecteur kan aantonen dat uw boekhouder of belastingadviseur bewust fout zat, is dus niet genoeg voor een vergrijpboete bij u. Hij moet uw eigen opzet of grove schuld bewijzen, en het enkele feit dat u een adviseur inschakelde die de fout maakte levert dat bewijs niet op.

Er is wel een route waarlangs u zelf een verwijt kunt treffen: in de keuze van uw adviseur en in de manier waarop u met hem samenwerkte. Hebt u stukken niet aangeleverd of vragen niet beantwoord, dan kan dat u worden aangerekend. Ook daarvoor liggen de stelplicht en de bewijslast echter bij de inspecteur, en wat redelijk is verschilt per geval naar uw kennis en ervaring. Leg toch vast welke informatie u aan uw adviseur gaf en welke vragen hij stelde: dat maakt het voor de inspecteur veel moeilijker om zo’n verwijt te onderbouwen.

4. De Belastingdienst volgde de procedure niet

Bij een vergrijpboete schrijft het boetebeleid een zwaardere procedure voor, ongeacht de hoogte van de boete; voor een verzuimboete geldt die zwaardere procedure nooit, ook niet bij een hoog bedrag. De inspecteur moet u schriftelijk laten weten dat hij een vergrijpboete wil opleggen en welke gronden hij daarvoor heeft. Dat is de kennisgeving. U krijgt daarna een redelijke termijn om die gronden te betwisten, en wilt u dat mondeling doen, dan moet u worden gehoord. Blijkt uit uw verweer dat de gronden onvoldoende aanknopingspunten voor opzet of grove schuld bieden, dan moet de vergrijpboete achterwege blijven; een verzuimboete kan dan nog wel volgen.

Rond een gesprek gelden twee mededelingsplichten. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet worden gezegd dat u niet hoeft te antwoorden. Dat is de cautie. En sinds een uitspraak van de Hoge Raad uit 2024 moet u ook worden gewezen op uw recht op bijstand van een raadsman, en dat hoeft geen advocaat te zijn: vereist is alleen dat iemand op een effectieve manier juridische bijstand kan geven, en mogelijk kan ook een belastingadviseur dat zijn.

Ontbreekt zo’n mededeling, dan is de boete niet automatisch van tafel. De rechter beoordeelt of het proces als geheel eerlijk was en of u werkelijk nadeel hebt geleden. Was uw adviseur bij het gesprek aanwezig, dan weegt dat mee en blijven de verklaringen vaak toch bruikbaar. Toch kan één te vroeg gestelde vraag de hele vergrijpboete kosten: in een zaak die na verwijzing bij het hof terugkwam werd één verklaring van vóór de cautie uitgesloten, waardoor de inspecteur het opzet niet meer bewees.

Let ten slotte op wat u wel moet beantwoorden. Vragen over de hoogte van uw inkomen of omzet moet u beantwoorden, want die gaan over de heffing. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. En u hebt recht op inzage in het dossier waarop de boete berust, inclusief de stukken die in uw voordeel werken.

5. De zaak duurde te lang

Een boetezaak moet binnen een redelijke termijn worden afgedaan. Het uitgangspunt is dat de behandeling in eerste aanleg, de bezwaarfase daaronder begrepen, binnen twee jaar is afgerond, en dat het gerechtshof binnen twee jaar na het hoger beroep uitspraak doet. Die termijn begint op het moment waarop de Belastingdienst iets doet waaraan u in redelijkheid de verwachting kunt ontlenen dat er een boete komt; in de praktijk is dat de kennisgeving. Noteer die datum dus.

Duurt het langer, dan moet de boete omlaag. De rechter onderzoekt dat in beginsel ook zonder dat u erom vraagt, maar wacht daar niet op: in cassatie kunt u er niet voor het eerst over klagen. Voor een overschrijding in de cassatiefase geldt als regel een vermindering van 10 procent. Herstel van een gebrek in uw bezwaarschrift, waarvoor doorgaans vier weken worden gegund, en een eerste uitstel van de zitting zijn geen bijzondere omstandigheden die de termijn oprekken. Los daarvan geldt vanaf de dagtekening van een boeterapport een beslistermijn van dertien weken. Dat is een termijn van orde: overschrijding laat de bevoegdheid om te beboeten intact, maar kan wel meewegen bij de hoogte. Figuur 5 zet de momenten en termijnen van een boetezaak op een tijdlijn.

Figuur 5: de tijdlijn van een boetezaak, met de momenten en termijnen die u moet noteren.

6. De boete staat niet in verhouding

Ook zonder dat u helemaal geen schuld had, kan de boete te hoog zijn. Het boetebeleid noemt als redenen om te matigen een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete, verzachtende omstandigheden en uw financiële omstandigheden. Daarbij maakt het beleid onderscheid tussen een slechte financiële positie op het moment van de boete, die de boete onevenredig kan maken, en een slechte positie ten tijde van de fout, die het verwijt kan verminderen.

Bij een vergrijpboete toetst de rechter volledig aan het evenredigheidsbeginsel en mag hij zijn eigen oordeel over de hoogte in de plaats stellen van dat van de inspecteur. Hoger dan de inspecteur oplegde mag hij nooit uitkomen. Of hij een verzuimboete net zo streng toetst, en of uw persoonlijke omstandigheden daarbij meetellen, is in de rechtspraak nog niet uitgekristalliseerd; in de praktijk zijn verzuimboetes wel verlaagd en soms tot nihil teruggebracht.

Voor verzuimboetes in de vennootschapsbelasting noemt een beleidsmemo van de staatssecretaris vier matigingsgronden: een termijnoverschrijding van maximaal tien dagen, een eerste verzuim, een kleine vennootschap die vergelijkbaar is met een eenmanszaak, en een slechte financiële positie. Daarbuiten hebben rechters ook meegewogen dat een ondernemer meedoet aan horizontaal toezicht, een werkafspraak met de Belastingdienst over de kwaliteit van uw aangiften, of dat hij zijn achterstanden alsnog volledig heeft weggewerkt; dat zijn losse uitspraken en geen vaste regel. Bij verzuimboetes wordt alleen met matigende omstandigheden gerekend, maar er is een aandachtspunt: bij niet afgedragen loonbelasting of niet voldane btw weegt mee dat het om zakelijk geld gaat dat niet van u was, en dan is er niet snel reden om te matigen.

De inspecteur moet de verzwarende en de matigende omstandigheden overigens zelf tegen elkaar afwegen, en bij een duidelijke wanverhouding hoort hij de boete op eigen initiatief te verlagen. Reken daar niet op. De verzwarende omstandigheden moet hij stellen en bewijzen, maar de matigende omstandigheden moet u zelf aanvoeren en onderbouwen.

Loont het om de fout zelf te melden?

Meestal wel, maar de regels verschillen sterk per belasting. Voor de aanslagbelastingen, dus de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de erfbelasting en de schenkbelasting, bestaat de inkeerregeling: doet u binnen twee jaar alsnog een juiste en volledige aangifte, dan wordt geen vergrijpboete opgelegd. Doet u dat later, dan blijft de boete bestaan maar wordt zij gematigd. Let goed op wat de regeling niet doet: zij haalt alleen de vergrijpboete weg. Een verzuimboete voor een te late aangifte blijft staan, want te laat blijft te laat. Wanneer die twee jaar precies begint te lopen is bij een te late aangifte niet in alle gevallen duidelijk, dus laat de startdatum in uw situatie vaststellen.

In alle gevallen geldt de voorwaarde dat u meldt vóórdat u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst de fout al op het spoor is. Dat is een objectieve toets: bepalend is niet wat u dacht, maar of er nog een serieuze mogelijkheid bestond dat de Belastingdienst het niet zou achterhalen. Wat zo’n serieuze mogelijkheid precies is, staat niet vast; is er publiciteit geweest over een verzoek van de Belastingdienst aan banken om klantgegevens, dan kan de deur al dicht zijn. Wordt betwist of u tijdig was, dan is dat gunstig geregeld: het boetebeleid legt de bewijslast bij de inspecteur, die aannemelijk moet maken dat er géén vrijwillige inkeer was, en u kunt zich op die beleidsregel beroepen.

Vier beperkingen maken die deur smaller dan hij lijkt. Ten eerste geldt de regeling alleen voor de twee zware boetes bij aanslagbelastingen en niet voor verzuimboetes. Ten tweede geldt zij niet voor inkomen uit sparen en beleggen en sinds 2020 ook niet meer voor inkomen uit aanmerkelijk belang, dus voor winst uit een pakket van vijf procent of meer van de aandelen in uw eigen bv; juist voor verzwegen vermogen werkt de regeling dus niet. Ten derde is de tijdigheidstoets objectief, zodat uw eigen inschatting niet meetelt. En ten vierde werkt de inkeer alleen persoonlijk: een adviseur die zelf als deelnemer wordt beboet, profiteert er niet van, tenzij hij de inkeer zelf heeft bevorderd.

Voor de btw en de loonheffingen loopt het anders. Daar bestaat de inkeerregeling formeel niet, maar het boetebeleid komt in de buurt: meldt u een te lage afdracht uit eigen beweging voordat de Belastingdienst ervan wist, dan legt de inspecteur geen betaalverzuimboete op, en bij een tijdige melding ook geen vergrijpboete. U moet dat wel uitdrukkelijk kenbaar maken. Voor de btw geldt daarbij dat een correctie tot en met 1.000 euro in de eerstvolgende aangifte mag, dat u boven dat bedrag het suppletieformulier moet gebruiken, het formulier waarmee u een eerdere btw-aangifte corrigeert, en dat de melding sinds 1 januari 2025 binnen acht weken moet nadat u de fout ontdekt. Komt de Belastingdienst er eerder achter, dan kunt u niet meer boetevrij corrigeren.

Eén ding dat u moet weten voordat u meldt: een melding waarmee u een eigen fout herstelt, mag niet als bewijs voor een boete tegen u worden gebruikt. Die melding bestaat immers alleen doordat u haar doet. De plicht om te melden blijft bestaan, en op het niet melden staat wel een boete, maar de inhoud van uw eigen melding mag niet tegen u worden gekeerd. Dat verlaagt de drempel om te melden aanzienlijk.

Kunnen uw bestuurder, uw boekhouder of u persoonlijk een boete krijgen?

Ja, en dat is voor een besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv) een apart risico. Een boete aan de vennootschap sluit niet uit dat de bestuurder daarnaast persoonlijk wordt aangepakt als opdrachtgever of als feitelijk leidinggever, degene die in de praktijk de leiding had over de verboden gedraging. Dat de bestuurder tevens enig aandeelhouder is, verandert daar niets aan; het kan wel meewegen bij de straftoemeting. Daarnaast kan een bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor de vergrijpboete van de bv, maar alleen voor zover hem zelf opzet of grove schuld kan worden verweten.

Ook uw adviseur of boekhouder kan zelf een boete krijgen, als medepleger, iemand die de overtreding samen met een ander begaat, als opdrachtgever, als feitelijk leidinggever of in een van de andere deelnemersvormen. Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking nodig waarbij zijn bijdrage van voldoende gewicht is, en de inspecteur moet dat overtuigend aantonen. Ontbreekt bij de onderneming zelf het vereiste opzet, bijvoorbeeld omdat zij op haar adviseur mocht vertrouwen, dan kan er geen medeplegersboete zijn: zonder pleger geen medepleger. De inspecteur kan dan nog wel een van de andere deelnemersvormen inzetten.

Voor zo’n boete aan een ander dan de belastingplichtige gelden twee waarborgen die het opvragen waard zijn. Er is voorafgaande toestemming binnen de Belastingdienst nodig, en degene die de boete krijgt kan zich op dat vereiste beroepen: ontbreekt de toestemming of is zij op een zo onzorgvuldige manier tot stand gekomen dat de waarborg niet is geboden, dan moet daaraan in de regel gevolg worden verbonden, tot en met vernietiging van de boete. En de termijnen zijn anders: de bevoegdheid vervalt na drie jaar bij een verzuim en na vijf jaar bij een vergrijp, gerekend vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding plaatsvond. Wordt bij de onderneming de verlengde termijn van twaalf jaar gebruikt, dan geldt die sinds 1 januari 2025 ook voor de deelnemer.

Twee dingen werken in het voordeel van de deelnemer. Uitstel voor het doen van aangifte, een extra half jaar voor onderzoek naar de schuldvraag en een informatiebeschikking rekken de termijn voor de onderneming zelf wel op, maar volgens de Belastingdienst niet voor de deelnemer. En medeplichtigheid aan een verzuim is helemaal niet beboetbaar; bij een vergrijp ligt het maximum voor de medeplichtige een derde lager, ook voor de standaardpercentages uit het beleid.

Voor beroepsbeoefenaars komt er nog iets bij: een boete wegens medeplegen kan sinds 2020 openbaar worden gemaakt. In de parlementaire behandeling is opgemerkt dat het om enkele gevallen per jaar gaat, maar de reputatieschade is voor een kantoor van een andere orde dan het bedrag. Figuur 6 laat zien wie er naast de onderneming zelf in beeld kan komen.

Figuur 6: naast de onderneming kunnen ook de bestuurder en de adviseur zelf worden beboet.

Wanneer wordt het strafrecht?

Bij dezelfde gedraging kan de Belastingdienst kiezen: een bestuurlijke boete of aanmelding voor strafrechtelijke vervolging. Beide voor hetzelfde feit tegen dezelfde persoon mag in beginsel niet. Is tegen u een strafvervolging ingesteld en is de zitting begonnen, of heeft het Openbaar Ministerie een strafbeschikking uitgevaardigd, een straf zonder tussenkomst van een rechter, dan volgt geen bestuurlijke boete meer. En is er al een boete opgelegd, dan kunt u voor hetzelfde feit in beginsel niet opnieuw in rechte worden betrokken.

De keuze wordt gemaakt volgens een protocol. Een zaak wordt aangemeld bij een nadeel van 100.000 euro of meer met een vermoeden van opzet, of bij een lager nadeel als er behalve dat vermoeden ook een aanvullend wegingscriterium is; een ondergrens bestaat niet. Intern moet een ambtenaar een vermoeden van een strafbaar feit al melden bij een nadeel van 20.000 euro. Reken er niet op dat een beroep op die drempels slaagt: de Hoge Raad liet in 2023 een vervolging in stand bij een nadeel van ongeveer 8.400 euro, omdat de zaak onder een thematische aanpak viel.

De strafmaxima geven een indicatie van hoe zwaar de wetgever de verschillende feiten weegt. Op het opzettelijk niet of niet op tijd doen van aangifte staat maximaal vier jaar gevangenisstraf, op het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte maximaal zes jaar. Daarnaast is het opzettelijk niet betalen van btw of loonheffing sinds 2014 zelfstandig strafbaar.

Bij die laatste bepaling zit een strafuitsluitingsgrond die in de praktijk goud waard is. Wie vóór het einde van de betalingstermijn om uitstel van betaling verzoekt, is niet strafbaar. Volgens de parlementaire geschiedenis maakt het niet uit of dat verzoek wordt toegewezen, en volgens de procureur-generaal worden aan de vorm van het verzoek geen eisen gesteld. Of dat ook opgaat als een verzoek duidelijk oneigenlijk is, is nog niet uitgemaakt. Voor een bv of een andere rechtspersoon bestaat een tweede route: onverwijld melden dat de onderneming niet kan betalen, de melding betalingsonmacht. Die tweede route bestaat niet voor een eenmanszaak, omdat de wet daar alleen over een lichaam spreekt. Heeft uw onderneming liquiditeitsproblemen, dan is een tijdig uitstelverzoek dus het eerste wat moet gebeuren.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Termijnen toewijzen. Leg vast wie in uw organisatie de aangiften controleert en verstuurt, en wat er gebeurt als een termijn dreigt te verlopen. Dit is de enige echte preventie tegen verzuimboetes.
  • Betaalbewijzen bewaren. Bewaar betaalopdrachten met datum en de bijbehorende rekeningafschriften. Zonder die stukken is een beroep op afwezigheid van alle schuld niet hard te maken. Bewaar bij btw en loonheffingen ook bewijs van tijdige indiening, want die bewijslast ligt in beginsel bij u.
  • Niet op de laatste dag betalen. Betalen op de uiterste datum geldt als het aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven. Zorg voor een marge van enkele dagen en voor voldoende saldo.
  • Standpunten onderbouwen. Bewaar bij elk discutabel fiscaal standpunt een korte memo met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de literatuur waarop u zich baseert. Dat is later het bewijs voor een pleitbaar standpunt.
  • Vastleggen wat de adviseur kreeg. Houd bij welke informatie u aanleverde en welke vragen zijn gesteld. Dat blokkeert het verwijt dat u in de samenwerking met uw adviseur onzorgvuldig was.
  • Niets verklaren zonder bijstand. Stuur elke aankondiging van een boete direct naar uw adviseur en laat niemand een verklaring afleggen voordat op het zwijgrecht en op het recht op bijstand is gewezen.
  • Data noteren. Registreer de datum van de kennisgeving, de dagtekening van het boeterapport (de datum die op het rapport zelf staat), de boetebeschikking en elke uitspraak. Dat is de basis voor elk verweer over termijnen.
  • Dossier opvragen. Vraag inzage in de gegevens waarop de boete berust. Dat dossier moet ook stukken bevatten die in uw voordeel werken.
  • Bij betalingsproblemen eerst uitstel vragen. Doe dat vóórdat de betalingstermijn verstrijkt, en meld bij een bv daarnaast betalingsonmacht. Dat sluit strafvervolging voor het opzettelijk niet betalen uit. De verzuimboete of vergrijpboete zelf voorkomt het niet.

Veelgestelde vragen

Krijgt u een boete als u uw btw-aangifte één dag te laat indient?

Nee. Voor de aangifte geldt een coulancetermijn van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Komt uw aangifte daarbinnen alsnog, dan krijgt u geen boete. Voor de betaling is dat anders: daar helpt die zeven dagen alleen als u de vorige aangifte volledig en op tijd betaalde. Let op dat deze coulancetermijn niet bestaat bij de jaaraangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.

Kunt u bezwaar maken tegen een boete?

Ja. De boete is een aparte beslissing waartegen u bezwaar kunt maken, ook als zij op hetzelfde papier staat als de aanslag. Staan de aanslag en de boete op één aanslagbiljet, dan wordt de boetebeschikking voor bezwaar en beroep geacht deel uit te maken van de aanslag. Voer in het bezwaar altijd zelf de matigende omstandigheden aan en onderbouw ze, want de bewijslast daarvan ligt bij u.

Moet u alle vragen van de Belastingdienst over een boete beantwoorden?

Nee. Vragen die over de belastingheffing gaan, zoals hoeveel omzet of inkomen u had, moet u beantwoorden. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet u daarop worden gewezen.

Gaat de boete omlaag als de aanslag later wordt verlaagd?

Ja. Wordt de belasting die de grondslag van de boete vormt verminderd, dan wordt de boete naar evenredigheid verlaagd. Het beleid schrijft voor dat dit zo nodig gebeurt zonder dat u erom vraagt. Controleer dat wel zelf, en let er bij een betaalverzuimboete over een aanslag op dat de verlaging niet onder het minimum van 50 euro gaat.

Hoe lang kan de Belastingdienst nog met een boete komen?

Dat verschilt per situatie. Voor een te late btw- of loonaangifte vervalt de bevoegdheid een jaar na het einde van de aangiftetermijn. Voor een betaalverzuim en voor de vergrijpboete bij aangiftebelastingen is dat vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond. Bij aanslagbelastingen loopt de boete in de regel mee met de termijn waarbinnen de aanslag kan worden opgelegd.

Telt een boete uit het verleden mee als u opnieuw te laat bent?

Ja, op twee manieren. Bij een verzuimboete kijkt de Belastingdienst naar het voorafgaande tijdvak en naar de vraag of u stelselmatig in verzuim bent; volgens interne werkinstructies begint dat bij het vierde verzuim op rij, en dan kan de boete tot het wettelijk maximum oplopen. Bij een vergrijpboete mag verhoging wegens herhaling alleen als u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of straf kreeg; een boete die later is vernietigd telt daarvoor niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een boetezaak wordt zelden gewonnen op het bedrag en bijna altijd op het dossier en de data. Wij lezen de boetebrief naast het controlerapport en de aanslag, stellen vast om welke soort boete het gaat en of de inspecteur de juiste procedure heeft gevolgd, en zetten de termijnen op een rij: de kennisgeving, de dagtekening van het rapport en de duur van de behandeling. Vervolgens beoordelen wij welke verweren in uw situatie kans maken, van afwezigheid van alle schuld en een pleitbaar standpunt tot matiging wegens draagkracht, en maken wij die met stukken hard.

Even belangrijk is het werk vóór een boete. Wij richten de termijnbewaking in, leggen vast wie welke aangifte controleert en zorgen dat afwijkende standpunten bij de aangifte zijn onderbouwd. Bij een fout uit een eerder jaar begeleiden wij de melding zo dat u boetevrij herstelt in plaats van een vergrijpboete uit te lokken.

Hebt u een boete ontvangen, of wilt u weten of uw aangiftepraktijk een boeterisico oplevert? Neem contact met ons op en laat uw situatie beoordelen. Bij een boete geldt dat haast helpt: reageer op een kennisgeving voordat de termijn verstrijkt en laat niemand verklaringen afleggen voordat u zich hebt laten bijstaan.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen, drempels en beleidsregels kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van de feiten en van uw persoonlijke omstandigheden. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat u handelt of afziet van handelen.

Belastingrente voorkomen: zo betaalt u in 2026 geen rente over uw belastingaanslag

U doet netjes aangifte, u betaalt wat u moet betalen, en toch staat onderaan de aanslag nog een extra bedrag: belastingrente. Bij een bijbetaling van enkele tienduizenden euro’s loopt dat al snel op tot duizenden euro’s. Het vervelende is dat die kosten in veel gevallen niet nodig waren. Belastingrente voorkomen kan namelijk met één administratieve handeling: op tijd aangifte doen, of vóór 1 mei zelf om een voorlopige aanslag vragen. In dit artikel leest u wanneer de renteteller gaat lopen, welk percentage in 2026 geldt, hoe u de rente op nul houdt en wat u nog kunt doen als de rente al is berekend.

Wat is belastingrente precies?

Belastingrente is geen boete. Het is een vergoeding voor de tijd die zit tussen het moment waarop uw belastingschuld ontstaat en het moment waarop de Belastingdienst die schuld met een aanslag vaststelt. Een aanslag is de brief waarin de Belastingdienst vaststelt hoeveel belasting u over een jaar moet betalen. Duurt dat vaststellen lang omdat u laat aangifte doet, dan rekent de Belastingdienst rente. Duurt het lang doordat de Belastingdienst zelf traag is, dan vergoedt hij juist rente aan u.

De rente wordt enkelvoudig berekend. Dat betekent dat er alleen rente over het belastingbedrag zelf wordt gerekend, en dus geen rente over eerder berekende rente. De Hoge Raad heeft meermalen bevestigd dat belastingrente geen straf is. U krijgt er dus geen boete bij, maar de kosten zijn wel echt.

In dit artikel komen vier soorten aanslagen langs. Een voorlopige aanslag is een tussentijdse aanslag op basis van een schatting. Een definitieve aanslag stelt de belasting over het jaar echt vast. Een navorderingsaanslag is een extra aanslag achteraf, als blijkt dat er te weinig belasting is geheven. Een naheffingsaanslag is de variant daarvan bij belastingen die u zelf aangeeft en betaalt, zoals de btw (belasting over de toegevoegde waarde) en de loonheffing.

Hoeveel belastingrente betaalt u in 2026?

Vanaf 1 januari 2026 bedraagt de belastingrente 5 procent, voor alle belastingen. Dat was niet altijd zo. Voor de vennootschapsbelasting gold jarenlang een hoger percentage, in 2026 zou dat 7,5 procent zijn geweest. De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat dat hogere percentage niet mag worden toegepast en dat voor de vennootschapsbelasting hetzelfde percentage moet gelden als voor de andere belastingen. Het verhoogde percentage blijft daardoor buiten toepassing. De Belastingdienst heeft zijn gepubliceerde overzicht van percentages daarop aangepast voor de jaren vanaf 2022.

Figuur 1 zet de percentages van de afgelopen jaren op een rij. Van oktober 2020 tot en met december 2021 gold 4 procent voor alle belastingen, ook voor de vennootschapsbelasting. Van januari 2022 tot en met juni 2023 bleef dat 4 procent, waarna het opliep naar 6 procent in de tweede helft van 2023, 7,5 procent in heel 2024 en 6,5 procent in heel 2025. Vanaf 1 januari 2026 is het 5 procent. Voor de vennootschapsbelasting zou zonder het arrest een hoger percentage hebben gegolden: 8 procent in 2022 en 2023, 10 procent in 2024, 9 procent in 2025 en 7,5 procent in 2026. Die verhoogde percentages zijn buiten toepassing verklaard en staan in de figuur als gestippelde balken.

     Figuur 1: de belastingrente per periode. De gestippelde balken tonen het hogere percentage dat voor de vennootschapsbelasting zou hebben gegolden zonder het arrest van 16 januari 2026.

Heeft uw bv (besloten vennootschap) sinds oktober 2020 een aanslag vennootschapsbelasting gekregen waarop belastingrente stond, en is daar tijdig bezwaar tegen gemaakt? Dan valt dat bezwaar onder de regeling massaal bezwaar, waarbij één rechtsvraag uit heel veel bezwaren collectief wordt uitgeprocedeerd. Op 25 februari 2026 zijn die bezwaren gegrond verklaard. De rentebeschikkingen worden binnen zes maanden na de kennisgeving verlaagd. De bezwaren over de inkomstenbelasting zijn juist ongegrond verklaard, omdat het reguliere percentage wel in stand blijft.

Is er destijds geen bezwaar gemaakt, dan valt uw rentebeschikking buiten die collectieve uitspraak. In dat geval kunt u de Belastingdienst nog vragen de rentebeschikking alsnog te verlagen met een verzoek om ambtshalve vermindering, een verzoek om een aanslag aan te passen buiten de bezwaartermijn om. Laat vooraf beoordelen of dat in uw geval kans maakt.

Wanneer gaat de renteteller lopen?

Het startmoment verschilt per belasting. Dat verschil is groter dan de meeste ondernemers denken en het bepaalt hoeveel tijd u heeft om in te grijpen. Figuur 2 zet de drie startmomenten naast elkaar.

Figuur 2: de drie startmomenten van de renteteller. Bij btw en loonheffing loopt de rente al vanaf 1 januari na het jaar, bij inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting pas vanaf 1 juli, en bij erfbelasting pas twintig maanden na het overlijden.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting: de eerste zes maanden zijn renteloos

Bij de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting begint de rente pas te lopen zes maanden na het einde van het belastingjaar. Loopt uw boekjaar gelijk met het kalenderjaar, dan is dat 1 juli van het volgende jaar. Over het jaar 2026 gaat de teller dus op 1 juli 2027 lopen. Die eerste zes maanden zijn gratis en geven u ruimte om uw cijfers rond te krijgen.

Btw en loonheffing: de teller loopt al vanaf 1 januari

Bij de belastingen die u zelf aangeeft en betaalt gelden strengere regels. Voor onder meer de btw, de loonheffing, de dividendbelasting, de overdrachtsbelasting en de accijns geldt geen renteloze periode van zes maanden. De rente loopt daar al vanaf de dag na het einde van het jaar, dus vanaf 1 januari.

Er is wel een uitweg, en die is belangrijk. Meldt u een fout binnen drie maanden na het einde van het jaar met een suppletie of een correctiebericht, dan wordt geen rente gerekend. Een suppletie is de verplichte herstelmelding waarmee u fouten in eerdere btw-aangiften corrigeert; een correctiebericht is de vergelijkbare correctie op een eerdere loonaangifte. Bij een kalenderjaar betekent dat: insturen vóór 1 april. Betaalt u te laat maar wel binnen die drie maanden, dan geldt hetzelfde. Meldt u het later, dan stopt de renteteller uiterlijk tien weken nadat de Belastingdienst uw melding heeft ontvangen, maar alleen als de naheffingsaanslag precies uw melding volgt. Legt de Belastingdienst er uit eigen beweging nog een bedrag bovenop, dan geldt die rentestop daarvoor niet. En voor de btw geldt hij voorlopig helemaal nog niet.

Erfbelasting: twintig maanden na het overlijden

Bij de erfbelasting begint de rente te lopen twintig maanden na het overlijden. Die termijn geldt voor overlijdens in 2026 en later; bij een overlijden in 2025 of eerder was het acht maanden. Doet u binnen die termijn aangifte of vraagt u binnen die termijn om een aanslag, dan betaalt u geen rente. Belangrijk om te weten: bij de erfbelasting vergoedt de Belastingdienst nooit rente aan u, ook niet als hij zelf traag is. Voor de schenkbelasting geldt overigens helemaal geen belastingrente.

Zo voorkomt u belastingrente helemaal

Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting biedt de wet twee routes om de rente op precies nul te houden. U hoeft er maar één van te bewandelen. Figuur 3 laat in vier vragen zien waar u uitkomt.

Figuur 3: de beslisboom. Was uw aangifte op tijd binnen en volgde de aanslag die aangifte exact, dan betaalt u niets. Was de aangifte te laat, dan redt een tijdig verzoek om een voorlopige aanslag u alsnog.

Route 1: dien uw aangifte op tijd in

Is uw aangifte inkomstenbelasting vóór 1 mei na het jaar bij de Belastingdienst binnen, of uw aangifte vennootschapsbelasting vóór de eerste dag van de zesde maand na uw boekjaar, en legt de Belastingdienst de aanslag op zoals u die heeft aangegeven? Loopt uw boekjaar gelijk met het kalenderjaar, dan is die tweede datum 1 juni. Dan wordt geen belastingrente in rekening gebracht. Voor de aangifte over 2026 betekent dat dus: uiterlijk 30 april 2027 bij de inkomstenbelasting en uiterlijk 31 mei 2027 bij de vennootschapsbelasting.

Route 2: vraag vóór 1 mei om een voorlopige aanslag

Lukt de aangifte niet op tijd, dan is er een tweede route. Vraagt u vóór 1 mei na het jaar zelf om een (aangepaste) voorlopige aanslag, en volgt de Belastingdienst dat verzoek, dan betaalt u ook geen rente. Deze route geldt voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting allebei, en in beide gevallen is 30 april de uiterste dag.

Krijgt u een eenmalig groot bedrag binnen, bijvoorbeeld dividend uit uw bv of de opbrengst van de verkoop van uw aandelen, vraag dan meteen een voorlopige aanslag aan en wacht niet tot het voorjaar daarna. Bij dat soort bedragen loopt de rente in enkele maanden op tot tienduizenden euro’s. Doe het verzoek op de manier die de Belastingdienst voorschrijft, dus met het daarvoor bestemde formulier of via de opengestelde kanalen. Maak de schatting zo goed mogelijk. Een verzoek om een hógere voorlopige aanslag mag ook: wie een betere winst verwacht dan eerder gedacht, kan zo de rente afkappen. Aan de motivering worden geen zware eisen gesteld. Wel geldt: geef nooit bewust een te laag bedrag op om liquiditeit te sparen, want dat kan een vergrijpboete opleveren, een boete die de Belastingdienst oplegt bij opzet of grove schuld.

Wacht ook niet tot de laatste dag. De Belastingdienst heeft wettelijk veertien weken om uw verzoek te verwerken, en een aanslag die binnen die termijn wordt opgelegd geldt als voortvarend genoeg. Een klacht dat het te lang duurde, heeft dan geen kans. Rechtbank Gelderland oordeelde in april 2026 nog zo in een zaak waarin het verzoek pas in juni was gedaan.

Twee praktische punten tot slot. Heeft u over een eerder jaar nog geen aangifte gedaan, breng dat dan eerst in orde: zolang die aangifte ontbreekt, verleent de Belastingdienst geen voorlopige teruggaaf. En bent u bang dat uw bedrag te klein is voor een voorlopige aanslag? Vraagt u er zelf om, dan legt de Belastingdienst die ook voor kleine bedragen op.

Let op deze twee valkuilen

De eerste valkuil is de datum. Beslissend is de dag waarop de Belastingdienst uw aangifte of verzoek ontvangt, niet de dag waarop u het verstuurt. De Algemene termijnenwet geldt hier niet, dus “vóór 1 mei” betekent uiterlijk 30 april, ook als dat een zondag of een feestdag is. Eén dag te laat is te laat: de rechter heeft geen ruimte om een minimale overschrijding door de vingers te zien. Reken ook niet met de dag waarop de Belastingdienst laat weten dat de aanslag eraan komt. Alleen de datum op het aanslagbiljet telt, en die ligt altijd later.

De tweede valkuil is de conformiteitseis. De aanslag moet zijn vastgesteld precies zoals u het heeft aangegeven of gevraagd. Wijkt de Belastingdienst af, ook maar op één punt, dan vervalt de vrijstelling en wordt rente gerekend over het hele te betalen bedrag, niet alleen over de correctie. Wie eerst een voorlopige aanslag conform de aangifte laat vaststellen, beperkt de grondslag tot het bedrag dat per saldo nog bij te betalen is.

Figuur 4 vat de drie data samen waarmee u de rente op nul houdt.

Figuur 4: de drie data die tellen: 1 april voor een suppletie of correctiebericht, 30 april voor de aangifte inkomstenbelasting en voor een verzoek om een voorlopige aanslag, en 31 mei voor de aangifte vennootschapsbelasting bij een kalenderboekjaar.

Waarom uitstel voor uw aangifte niet helpt

Uitstel voor het doen van aangifte beschermt u niet tegen belastingrente. Wie uitstel vraagt, schuift de aangifte voorbij 1 mei of 1 juni en accepteert daarmee dat de rente gaat lopen. Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Sterker nog: uitstel verlengt ook de termijn waarbinnen de Belastingdienst een aanslag of een navorderingsaanslag mag opleggen, en daarmee de periode waarover rente kan worden berekend.

Loopt uw aangifte via de beconregeling, de uitstelregeling waarmee belastingadviseurs de aangiften van hun klanten gespreid indienen, dan is dat extra van belang. Adviseurs leveren die aangiften volgens een maandschema aan, waarbij de laatste aangiften pas in april van het jaar daarna binnenkomen. Zit uw aangifte achteraan in dat schema en verwacht u een forse bijbetaling, dan is een tijdig verzoek om een voorlopige aanslag geen luxe maar noodzaak. Bespreek met uw adviseur waar u in het schema staat.

Bewaar wel altijd de brief waarin het uitstel is verleend. Stond daarin geen waarschuwing dat u door dat uitstel belastingrente gaat betalen, en heeft u binnen de uitsteltermijn een correcte aangifte gedaan, dan is er een verweer tegen de rente. Dat u een adviseur inschakelde, doet daar niet aan af.

Wat kost belastingrente u? Een rekenvoorbeeld

Stel, uw bv heeft een boekjaar dat gelijkloopt met het kalenderjaar en moet over 2026 nog 60.000 euro vennootschapsbelasting bijbetalen.

Doet u tijdig aangifte, dan komt die over 2026 op 20 mei 2027 binnen, dus vóór 1 juni, en volgt de aanslag uw aangifte. U betaalt dan nul euro belastingrente. Vraagt u uitstel aan, dan komt de aangifte pas op 1 maart 2028 binnen. De aanslag krijgt als datum 1 mei 2028 en moet uiterlijk 12 juni 2028 zijn betaald. De rente loopt dan van 1 juli 2027 tot en met 11 juni 2028, oftewel 341 dagen. Bij 5 procent komt dat neer op 2.841 euro. Figuur 5 zet beide uitkomsten naast elkaar.

Figuur 5: hetzelfde belastingbedrag, twee uitkomsten. Een tijdige aangifte kost nul euro rente, uitstel kost 2.841 euro over 341 dagen bij 5 procent.

Dat verschil van ruim 2.800 euro kost u niets meer dan één tijdige aangifte of één verzoekformulier. Bij de renteberekening telt de Belastingdienst een volle maand als 30 dagen en een jaar als 360 dagen; alleen in de laatste maand telt hij de werkelijke dagen. Rente die u moet betalen wordt naar beneden afgerond op hele euro’s, rente die u krijgt naar boven.

Ook bij de btw loopt het snel op. Ontdekt u in de zomer van 2027 dat u over 2026 nog 50.000 euro btw moet afdragen, dan loopt de rente daar al vanaf 1 januari 2027. Bij 5 procent is dat ongeveer 2.500 euro over een jaar. Had u de suppletie vóór 1 april 2027 ingestuurd, dan was de rente nul geweest.

De rente loopt al: zo beperkt u het bedrag

Staat er al een rentebedrag op uw aanslag, dan is het bijna altijd de moeite waard om dat na te rekenen. Er zijn drie controles die in de praktijk geld opleveren.

Had de Belastingdienst uw geld al?

Had de Belastingdienst het bedrag in dezelfde belasting en over hetzelfde jaar al binnen, bijvoorbeeld door een eerdere voorlopige aanslag, dan hoeft u over die periode geen rente te betalen. Dat speelt bij heen-en-weer gaande voorlopige aanslagen, bij een gewijzigd boekjaar, bij opname in een fiscale eenheid en bij teruggedraaide verliesverrekening. Voor verschuivingen tussen fiscale partners of tussen erfgenamen geldt een aparte, bij regeling aangewezen groep gevallen. Let op: geld dat u alvast uit eigen beweging overmaakt telt hier niet mee, en een bedrag dat u uit een andere aanslag of een andere belasting tegoed heeft evenmin.

In een zaak uit 2022 was over 14.478 euro rente berekend over 483 dagen, terwijl het geld een groot deel van die tijd al bij de Belastingdienst stond. De Hoge Raad beperkte de rente tot 219 dagen en verlaagde het bedrag van 1.553 euro naar 704 euro. Belangrijk: deze vermindering gaat meestal niet automatisch, u moet er zelf om vragen. Vermeld daarbij duidelijk en overzichtelijk over welke periode het gaat en maak aannemelijk dat u er recht op heeft. Is het rentebedrag op de beschikking niet hoger dan 100 euro, dan wordt de vermindering overigens niet toegepast.

Eén beperking blijft altijd staan: over de periode tussen de datum op het aanslagbiljet en de uiterste betaaldatum, meestal zes weken, blijft u rente verschuldigd. Ook als u de aanslag meteen betaalt. De wetgever heeft dat bewust aanvaard als een enigszins ruwe berekening.

Controleer de einddatum van de renteperiode

De renteperiode loopt in beginsel door tot de dag vóór de uiterste betaaldatum. Er gelden echter maximumtermijnen. Volgt de aanslag uw aangifte, dan stopt de teller uiterlijk negentien weken na ontvangst van die aangifte. Volgt de aanslag een verzoek, dan is dat veertien weken; bij een navorderingsaanslag op verzoek twaalf weken.

Wijkt de aanslag af van uw aangifte, dan hoeft de Belastingdienst die negentienwekengrens niet toe te passen, maar in de praktijk doet hij dat soms wel. In een zaak uit 2021 scheelde dat ruim een jaar aan rente. Kijk daar dus altijd naar. Ook een aantoonbaar gebrek aan voortvarendheid bij de Belastingdienst kan de periode verkorten: Gerechtshof Den Haag haalde er in maart 2026 twaalf maanden af.

Wees wel realistisch over wat kansrijk is. Narekenen op de periode, op het percentage en op geld dat de Belastingdienst al binnen had, levert regelmatig geld op. Een klacht dat het percentage te hoog is of dat u de cijfers onmogelijk eerder kon kennen, slaagt vrijwel nooit: de rechter mag de rekenregels niet op redelijkheid toetsen en de Belastingdienst hoeft geen rekening te houden met uw persoonlijke situatie.

Wanneer vergoedt de Belastingdienst rente aan u?

De Belastingdienst vergoedt alleen rente als hij zelf te traag is geweest. Krijgt u geld terug via een voorlopige aanslag, dan bestaat recht op rente als de Belastingdienst die aanslag heeft vastgesteld precies zoals u die heeft gevraagd of aangegeven, én er meer dan acht weken zijn verstreken na uw verzoek of meer dan dertien weken na uw aangifte. De teller begint daarbij niet eerder dan zes maanden na het einde van het jaar. Bij een teruggaaf van btw of loonheffing geldt een termijn van acht weken na het teruggaafverzoek.

Twee situaties leveren juist géén vergoeding op. Wordt uw aanslag verlaagd na een bezwaar of een rechtszaak, dan krijgt u geen rente over de periode dat u te veel had betaald. En bij achterwaartse verliesverrekening, waarbij u een verlies verrekent met de winst van een eerder jaar, wordt evenmin rente vergoed. Anders dan bij bezwaar wordt de rente die u over dat eerdere jaar al betaalde dan ook niet verlaagd. Alleen de zogenoemde coulancerente, die de Belastingdienst buiten de wettelijke regeling om vergoedt bij vertraging die aan hem te wijten is, kan dat soms deels goedmaken.

U bent het niet eens met de rente: bezwaar of herziening?

De rente wordt vastgesteld in een rentebeschikking: een aparte beslissing waarin het bedrag aan belastingrente staat. Welke stap u moet zetten, hangt af van het soort aanslag. Kiest u de verkeerde route, dan wordt uw protest niet inhoudelijk behandeld. Figuur 6 zet de twee routes naast elkaar.

Figuur 6: de twee routes. Bij een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag maakt u bezwaar binnen zes weken; bij een voorlopige aanslag vraagt u om herziening en kunt u pas bezwaar maken tegen een afwijzing.

Definitieve aanslag of navordering: bezwaar binnen zes weken

Gaat het om een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag, dan maakt u binnen zes weken na de datum op het aanslagbiljet bezwaar. Bezwaar tegen de aanslag geldt automatisch ook als bezwaar tegen de rentebeschikking. Bent u die zes weken voorbij, dan resteert alleen een verzoek om ambtshalve vermindering: een verzoek om de aanslag alsnog te verlagen buiten de bezwaartermijn om, waarbij minder ruime regels gelden.

Voorlopige aanslag: geen bezwaar, maar een verzoek om herziening

Bij een voorlopige aanslag ligt het anders. Daartegen staat geen bezwaar open, ook niet tegen de rente die erbij hoort. U vraagt dan om herziening van de voorlopige aanslag: een verzoek om die aanslag aan te passen. Wijst de Belastingdienst dat verzoek geheel of gedeeltelijk af, dan doet hij dat met een beslissing waartegen u wél bezwaar kunt maken.

Die bezwaartermijn is ongewoon ruim. Hij eindigt pas op de datum van de definitieve aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend, en voor de rentebeschikking geldt altijd ten minste zes weken na de afwijzing. U heeft dus meer tijd dan de gebruikelijke zes weken om uw punt op te bouwen. Er zit wel een harde buitengrens aan: een verzoek om herziening van de rentebeschikking kunt u nog indienen tot zes weken na de datum van de definitieve aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. Daarna is de deur dicht. Let wel op twee dingen: op een bezwaar tegen zo’n afwijzing beslist de Belastingdienst binnen zes weken, en een bezwaarschrift tegen een voorlopige aanslag levert geen uitstel van betaling op. Wilt u later betalen, vraag dat dan apart aan.

Verstuurt u uw brief naar de verkeerde instantie? Dat kost u in de regel geen termijn. De ontvangende instantie moet uw brief doorsturen en het moment waarop u hem daar indiende telt als indieningsmoment.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Zet 30 april in uw agenda. Dat is de uiterste dag voor uw aangifte inkomstenbelasting én voor een verzoek om een voorlopige aanslag over het voorgaande jaar.
  • Zet 31 mei erbij voor de bv. Dat is de uiterste dag voor uw aangifte vennootschapsbelasting over een boekjaar dat gelijkloopt met het kalenderjaar.
  • Zet 1 april erbij voor btw en loonheffing. Een suppletie of correctiebericht over het vorige jaar dat vóór die datum binnen is, kost geen rente.
  • Schat realistisch. Laat uw verwachte winst en belasting tijdig doorrekenen en vraag op basis daarvan een voorlopige aanslag aan die zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid ligt.
  • Reken niet op uitstel. Uitstel voor de aangifte voorkomt geen rente. Vraag bij uitstel altijd óók vóór 1 mei een voorlopige aanslag aan.
  • Vraag ruim op tijd. De Belastingdienst mag veertien weken over uw verzoek doen; die tijd loopt gewoon door terwijl de rente oploopt.
  • Vergelijk aanslag en aangifte. Wijkt de aanslag ook maar op één punt af, dan vervalt de vrijstelling en gaat rente lopen over het hele bedrag.
  • Reken de rentebeschikking na. Controleer de periode, het percentage en of de maximumtermijn van negentien of veertien weken is toegepast.
  • Claim de vermindering zelf. Stond het geld al bij de Belastingdienst, vraag dan actief om vermindering van de rente over die periode. Dit gebeurt niet automatisch.
  • Kies het juiste rechtsmiddel. Bezwaar bij een definitieve aanslag of navordering, een verzoek om herziening bij een voorlopige aanslag.
  • Bespreek uw plek in het becon-schema. Vraag uw adviseur in welke maand uw aangifte is ingepland en trek die naar voren als u een forse bijbetaling verwacht.

Veelgestelde vragen

Welk percentage belastingrente geldt in 2026?

Vanaf 1 januari 2026 geldt 5 procent voor alle belastingen, dus ook voor de vennootschapsbelasting. Dat laatste is nieuw: de Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat het hogere percentage voor de vennootschapsbelasting niet mag worden toegepast. De rente wordt enkelvoudig berekend, dus zonder rente over rente.

Voorkomt uitstel voor uw aangifte de belastingrente?

Nee. Uitstel schuift uw aangifte juist voorbij de datum waarop de vrijstelling nog geldt, waardoor de rente gaat lopen. De oplossing bij uitstel is om vóór 1 mei alsnog een voorlopige aanslag aan te vragen die aansluit bij de belasting die u verwacht te moeten betalen.

Wat gebeurt er als u één dag te laat bent?

Dan vervalt de vrijstelling volledig. De termijn is fataal en de rechter heeft geen ruimte om een kleine overschrijding door de vingers te zien. Bovendien telt de dag waarop de Belastingdienst uw stuk ontvangt, niet de dag waarop u het verstuurt.

Kunt u bezwaar maken tegen de belastingrente?

Dat hangt af van het soort aanslag. Bij een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag maakt u binnen zes weken bezwaar; uw bezwaar tegen de aanslag geldt dan ook voor de rente. Bij een voorlopige aanslag staat geen bezwaar open en vraagt u om herziening van die aanslag.

Krijgt u rente terug als u gelijk krijgt in bezwaar?

Nee. Wordt uw aanslag na bezwaar of na een rechtszaak verlaagd, dan vergoedt de Belastingdienst daarover geen rente. Wel wordt de eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid verlaagd. Dit is een bewuste keuze van de wetgever. Het is een reden om samen met uw adviseur te bekijken of u de aanslag betaalt of uitstel van betaling vraagt: krijgt u uiteindelijk ongelijk, dan betaalt u over de uitstelperiode invorderingsrente.

Geldt belastingrente ook voor de btw en de loonheffing?

Ja, en daar is de regeling strenger, omdat de renteloze periode van zes maanden ontbreekt. De teller loopt al vanaf 1 januari na het jaar. U ontloopt de rente volledig door een fout binnen drie maanden na het jaareinde te melden met een suppletie of een correctiebericht, dus vóór 1 april bij een kalenderjaar.

Hoe Taxcount u kan helpen

Belastingrente is een van de weinige kostenposten die u volledig zelf in de hand heeft, mits u de data en de bedragen scherp heeft. Taxcount bewaakt voor u de aangifte- en verzoektermijnen, maakt een realistische schatting van de belasting die u over het lopende jaar verschuldigd bent en dient waar nodig tijdig een verzoek om een voorlopige aanslag in. Ook voor de btw en de loonheffing bewaken wij de deadline van 1 april voor suppleties en correctieberichten.

Staat er al een rentebedrag op een aanslag, dan rekenen wij de beschikking voor u na: klopt de periode, is het juiste percentage gebruikt, is de maximumtermijn toegepast en had de Belastingdienst uw geld misschien al? Wij verzorgen vervolgens het bezwaar of het herzieningsverzoek. Laat uw situatie vrijblijvend beoordelen, dan weet u binnen één gesprek of er geld te besparen of terug te halen valt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages, drempels en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt altijd af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een belastingadviseur voordat u actie onderneemt.

 

Fiscaal partnerschap in 2026: wanneer bent u fiscaal partner en welke keuzes leveren u geld op

U woont samen, bent getrouwd of heeft net samen een huis gekocht. In de aangifte inkomstenbelasting komt dan de vraag hoe u de gezamenlijke posten onderling verdeelt, en vaak vult u daar zonder nadenken vijftig om vijftig in. Toch is fiscaal partnerschap geen keuze maar een gevolg van vaste feiten, en juist daarom zijn de keuzes die eruit voortvloeien elk jaar geld waard. Een onnadenkende verdeling kost u zo enkele duizenden euro’s, en een ontbrekend samenlevingscontract kan bij een overlijden een veelvoud daarvan kosten. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 fiscaal partner bent, welke posten u vrij mag verdelen, tot wanneer u die verdeling nog kunt wijzigen en welke nadelen het partnerschap ongevraagd meebrengt. Ook leest u wat u praktisch moet vastleggen voordat u aangifte doet.

Wanneer bent u fiscaal partner?

Fiscaal partnerschap is geen keuze die u in de aangifte aanvinkt. De wet werkt met objectieve feiten: een huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke woning. Voldoet u aan een van die feiten, dan bent u partner, ook als u dat liever niet was. Wat u wel kunt sturen, zijn de feiten zelf. U kunt bijvoorbeeld besluiten om wel of niet naar de notaris te gaan, maar dat moet dan gebeuren vóór het jaar waarin het effect moet optreden.

Getrouwd of geregistreerd partner: direct partner

Bent u getrouwd of heeft u een geregistreerd partnerschap, dan bent u fiscaal partner. Er geldt geen wachttijd: vanaf de trouwdag telt u voor de belastingen als paar. Woont u samen zonder te trouwen, dan bent u fiscaal partner als u twee dingen combineert: een notarieel samenlevingscontract én een inschrijving op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen, de bevolkingsadministratie van de gemeente. Beide voorwaarden moeten kloppen. Alleen samenwonen is niet genoeg en alleen een contract ook niet.

Zes situaties waarin u ook zonder contract partner bent

Voor de inkomstenbelasting komen er zes situaties bij. Staat u samen op één adres ingeschreven, dan bent u ook fiscaal partner als een van deze punten geldt:

  • u heeft samen een kind;
  • een van u heeft het kind van de ander erkend;
  • u bent bij een pensioenregeling als partner van de ander aangemeld;
  • u bent samen eigenaar van de woning waarin u woont;
  • er staat een minderjarig kind van een van u beiden op het adres ingeschreven;
  • u was in het vorige kalenderjaar al fiscaal partner.

Die laatste wordt het vaakst over het hoofd gezien. Bent u eenmaal partner, dan bent u het jaar daarna opnieuw partner zolang u samen ingeschreven staat. De op één na belangrijkste is de gezamenlijke woning: veel stellen worden fiscaal partner op het moment dat zij samen een huis kopen, zonder dat zij ooit iets hebben getekend.

Wie geen fiscaal partner kan zijn

Drie groepen vallen af. Een bloed- of aanverwant in de eerste graad, dus uw ouder, uw kind, uw schoonouder of uw stiefkind, is geen partner, tenzij u beiden bij het begin van het kalenderjaar 27 jaar of ouder was. Iemand die buiten Nederland woont, is alleen partner als hij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, dus als hij vrijwel zijn hele inkomen in Nederland verdient. En voor een pleegkind of een kind waarvoor u kinderbijslag ontvangt en dat jonger is dan 27 jaar, kunt u samen een verzoek doen om het partnerschap uit te sluiten. U kunt bovendien maar één fiscaal partner tegelijk hebben.

Naast het pleegkind is er nog één situatie die u zelf kunt uitsluiten. Woont u samen met iemand terwijl er een minderjarig kind op het adres staat, dan kunt u met een schriftelijke huurovereenkomst op zakelijke gronden aantonen dat u geen partners bent. Denk aan een inwonende volwassen huisgenoot. U dient daarvoor een verzoek in bij de inspecteur, die beslist met een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken.

Figuur 1 zet de vier vragen op een rij waarmee u in één oogopslag ziet of er fiscaal partnerschap is.

 

Figuur 1: beslisboom. Vier vragen bepalen of u fiscaal partner bent, met rechts de zes extra situaties die gelden zodra u samen op één adres staat ingeschreven.

Wanneer begint en eindigt het fiscaal partnerschap?

Bent u een deel van het jaar partner, dan wordt u ook partner genoemd in de overige perioden van dat jaar waarin u samen ingeschreven stond. Het partnerschap wordt dus over het jaar heen doorgetrokken.

Bij een echtscheiding stopt het partnerschap pas als aan twee eisen tegelijk is voldaan: het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is bij de rechter ingediend, én u staat niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Blijft u samen ingeschreven staan omdat een van u de woning nog niet uit is, dan loopt het partnerschap door. En omdat u het vorige jaar partner was, bent u het jaar daarna opnieuw partner. Het moment van uitschrijven bepaalt dus meer dan veel mensen denken.

Wordt samenwonen onmogelijk door opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis wegens medische redenen of ouderdom, dan blijft het partnerschap bestaan zolang geen van u beiden een nieuwe partner krijgt. Wilt u dat beëindigen, dan moet u dat schriftelijk melden aan de inspecteur. Een vakje aankruisen in de aangifte is daarvoor niet genoeg.

Bent u maar een deel van het jaar partner, bijvoorbeeld omdat u in de loop van het jaar bent gaan samenwonen of uit elkaar bent gegaan, dan kunt u samen kiezen om toch als partners voor het hele jaar te gelden. Alleen dan staat de vrije verdeling voor u open. Die keuze maakt u bij de aangifte of bij een verzoek om voorlopige teruggaaf en niet later. Let op: de keuze telt niet mee voor de zesmaandsregel bij het uitbetalen van de algemene heffingskorting.

Welke posten mag u samen vrij verdelen?

De hoofdregel is dat ieder zijn eigen inkomen en zijn eigen vermogen aangeeft. Voor een beperkte groep posten maakt de wet een uitzondering: die mag u als partners in elke verhouding over elkaar verdelen, zolang u samen op precies 100 procent uitkomt.

Vrij te verdelen zijn vijf posten: het saldo van de eigen woning (het eigenwoningforfait, een vast bedrag dat u bij uw inkomen optelt op basis van de WOZ-waarde, min de aftrekbare rente), het inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2, de persoonsgebonden aftrek zoals zorgkosten, partneralimentatie en giften, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in box 3, en de ingehouden dividendbelasting. Niet verdeelbaar zijn onder meer loon, uitkering, pensioen en lijfrente-uitkeringen, winst uit onderneming, het resultaat uit terbeschikkingstelling (verhuur van vermogen aan de onderneming of bv van uw partner) en de heffingskortingen. Figuur 2 zet beide groepen naast elkaar.

Figuur 2: de vijf posten die u samen vrij mag verdelen tegenover de posten die de wet bij ieder afzonderlijk laat.

Kiest u niets, of komt u samen niet precies op 100 procent uit, dan rekent de Belastingdienst automatisch de helft aan ieder toe. De Hoge Raad besliste in maart 2025 dat die verdeling ook geldt als de partner van de post niets af wist. De standaardverdeling is dus hard: wie niets kiest, kiest vijftig om vijftig.

Bij de eigen woning mag u alleen het saldo verdelen. Het eigenwoningforfait bij de ene partner nemen en de rente bij de andere is niet toegestaan. Bij de persoonsgebonden aftrek mag u wél per aftrekpost een andere verhouding kiezen.

Wat levert een goede verdeling u op in 2026?

Twee lage schijven in box 2

Keert uw bv, uw besloten vennootschap, dividend uit, dan is dit het grootste eenmalige voordeel in dit artikel. Box 2 kent twee schijven, en die schijven gelden per persoon.

Deel van het box 2-inkomen (2026) Tarief
Tot en met 68.843 euro 24,5 procent
Boven 68.843 euro 31 procent

Omdat u het box 2-inkomen vrij mag verdelen, kunt u samen tot en met 137.686 euro tegen 24,5 procent afrekenen.

Rekenvoorbeeld. Uw bv keert in 2026 140.000 euro dividend uit. Rekent u alles aan uzelf toe, dan betaalt u over de eerste 68.843 euro 24,5 procent en over de resterende 71.157 euro 31 procent. Samen is dat afgerond 38.925 euro. Verdeelt u het dividend gelijk over u beiden, dan blijft ieder van u met 70.000 euro vrijwel volledig in de eerste schijf. Samen betaalt u dan afgerond 34.450 euro. Het verschil is 4.475 euro, alleen door een ander getal in de aangifte. Figuur 3 laat zien waar dat verschil vandaan komt.

Figuur 3: bij een dividend van 140.000 euro schuift een gelijke verdeling het volledige bedrag vrijwel geheel in de eerste schijf van beide partners. Dat scheelt 4.475 euro.

Deze verdeling staat alleen open als u het hele jaar dezelfde fiscaal partner had, of als u samen kiest voor voljaarspartnerschap.

De eigen woning: minder speelruimte dan u denkt

Veel mensen rekenen de hypotheekrenteaftrek automatisch toe aan de partner met het hoogste inkomen. Dat helpt minder dan vroeger, want de aftrek voor de eigen woning is in tarief beperkt. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent op, ook als u in de schijf van 49,50 procent valt.

Rekenvoorbeeld. U verdient 90.000 euro en uw partner 20.000 euro. Samen heeft u een eigen woning met een negatief saldo van 8.000 euro. Rekent u dat volledig aan uzelf toe, dan levert de aftrek 3.005 euro op. Bij uw partner, die in de eerste schijf van 35,75 procent valt, is dat 2.860 euro. Het verschil is ongeveer 145 euro.

Het echte effect van de verdeling zit hier dus niet in het tariefverschil, maar in wat de verdeling doet met uw verzamelinkomen, het totaal van uw inkomen in box 1, box 2 en box 3: de afbouw van heffingskortingen, de drempels voor zorgkosten en giften en het recht op toeslagen.

Sturen op uw verzamelinkomen

Heeft u of uw partner de AOW-leeftijd bereikt, de leeftijd waarop de uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat, dan is de ouderenkorting van 2.067 euro het duidelijkste voorbeeld. Die korting wordt lager zodra het verzamelinkomen van degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt boven 46.002 euro komt, met 15 procent van het meerdere, en is nihil vanaf 59.782 euro. Door de eigen woning en het box 3-vermogen anders te verdelen, stuurt u dat verzamelinkomen. Dat is toegestaan.

Wat volgens de rechter niet werkt, is de ouderenkorting eerst opmaken om vervolgens meer algemene heffingskorting uitbetaald te krijgen. Drie uitspraken hebben die route afgewezen. Een ouderenkorting die u zelf niet kunt gebruiken, is definitief verloren en kunt u niet aan uw partner overdragen.

Wat u niet kunt sturen

De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt alleen als er een kind jonger dan 12 jaar ten minste zes maanden bij u in huis woont. Die korting gaat naar de partner met het laagste inkomen uit werk en volgt dat arbeidsinkomen. Zij is dus niet met een verdeling in de aangifte te beïnvloeden. In 2026 bedraagt zij 11,45 procent van het arbeidsinkomen boven 6.239 euro, met een maximum van 3.032 euro dat u bereikt bij een arbeidsinkomen van 32.720 euro. Heeft een van u helemaal geen inkomen uit werk, dan krijgt niemand deze korting.

Ook de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner is niet meer voor iedereen beschikbaar. Die bestaat alleen nog voor wie is geboren vóór 1 januari 1963 en meer dan zes maanden dezelfde partner heeft. In het Belastingplan 2025 is een gedeeltelijke herinvoering opgenomen voor wie later is geboren, met een afbouw van 14,70 procent boven een gezamenlijk verzamelinkomen van 36.000 euro. Die regeling treedt pas in werking bij koninklijk besluit. De beoogde datum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet vast.

Tot wanneer kunt u de verdeling nog wijzigen?

U mag de gekozen verhouding samen wijzigen tot het moment waarop de aanslagen van u beiden onherroepelijk vaststaan, dus tot er geen bezwaar of beroep meer mogelijk is. Bewaak daarom ook de aanslagdatum van uw partner en niet alleen die van uzelf. Werd een aanslag onherroepelijk door een uitspraak van de Hoge Raad, dan heeft u daarna nog zes weken.

Staan beide aanslagen vast, dan is de verdeling in beginsel definitief. Er blijft één route over: zelf om een navorderingsaanslag verzoeken, een extra aanslag over een jaar dat al was afgerond. Zo’n navorderingsaanslag opent de verdeling opnieuw, en niet alleen voor de post waarop de navordering ziet. Bespreek die route met uw adviseur, want een navorderingsaanslag heeft ook nadelen. Houd er verder rekening mee dat de Belastingdienst bij een keuze over de verdeling zonder termijn kan navorderen.

Er loopt op dit moment een bijzondere termijn voor box 3. Heeft u over de jaren 2017 tot en met 2020 meegedaan aan het massaal bezwaar over de heffing op vermogen, en heeft u daarna een verminderingsbeschikking ontvangen, de brief waarmee de inspecteur uw aanslag verlaagt? De Hoge Raad heeft op 27 maart 2026 beslist dat u dan vanaf de dagtekening van die beschikking nog zes weken heeft om de verdeling van het vermogen samen te wijzigen. Een verzoek om ambtshalve vermindering, waarmee u de Belastingdienst vraagt een aanslag te verlagen die al vaststaat, geeft daarna geen extra ruimte. Omdat het rechtsherstel is berekend op de verdeling die u destijds koos, kan een andere verdeling in deze dossiers geld opleveren. Zet de dagtekening van uw beschikkingen per jaar op een rij.

Figuur 4 zet de momenten op een tijdlijn, met de aparte termijn voor box 3 eronder.

Figuur 4: tijdlijn van de wijzigingstermijn. De deur sluit pas als de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan; voor box 3 over 2017 tot en met 2020 geldt een eigen termijn van zes weken.

Welke nadelen brengt fiscaal partnerschap ongevraagd mee?

Naast keuzes levert het partnerschap ook beperkingen op waar u niet om heeft gevraagd. Deze vijf komen in de praktijk het vaakst voor.

Samen mag u maar één hoofdverblijf hebben

Heeft u allebei een koopwoning, dan mag maar één daarvan als hoofdverblijf gelden. U kiest samen welke, en die keuze is voor dat jaar onherroepelijk. Maakt u geen keuze, dan geldt géén van beide woningen als eigen woning: de rente is dan niet aftrekbaar en beide woningen gaan naar box 3. Geeft u in uw aangiften een verschillende woning op, dan telt de woning uit de eerst ingediende aangifte. Leg de keuze dus schriftelijk vast voordat een van u aangifte doet.

Koopt u samen een woning, dan telt een overwaarde uit een eerdere woning van uw partner, de eigenwoningreserve, ook mee bij de toets van uw eigen maximale eigenwoningschuld. Vraag het woningverleden van uw partner daarom op vóór de aankoop. Een lening die u bij uw partner afsluit, is nooit een eigenwoningschuld.

Het leenmaximum bij uw eigen bv geldt voor u samen

Leent u geld van uw eigen bv, anders dan voor de eigen woning, dan wordt het bedrag boven 500.000 euro belast alsof u dividend heeft ontvangen. Dat maximum geldt voor u en uw partner samen, en de schulden van u beiden worden bij elkaar opgeteld. Twee aandeelhouders die geen partners zijn, mogen ieder 500.000 euro lenen. Worden zij fiscaal partner, dan halveert die ruimte in feite. Houd de stand het hele jaar in de gaten, want ook bijgeschreven rente telt mee.

De uren van uw meewerkende partner kunnen vervallen

Heeft u samen met uw partner een vof (vennootschap onder firma) of maatschap, dan tellen de uren van degene wiens werk hoofdzakelijk ondersteunend is niet mee, als twee dingen tegelijk gelden: dat werk is voor 70 procent of meer ondersteunend, én zo’n samenwerking zou tussen mensen die geen familie van elkaar zijn ongebruikelijk zijn. Is dat zo, dan tellen alle uren van die persoon voor dat samenwerkingsverband niet mee. Hij haalt het urencriterium van 1225 uur dan mogelijk niet meer en verliest daarmee de zelfstandigenaftrek. In de praktijk is dat meestal de meewerkende partner. De bewijslast ligt volledig bij u, ook bij een navordering, en de rechter verlangt dat u per taak kunt aangeven welk deel niet ondersteunend was. Een enkel totaal aantal uren is niet genoeg.

Betaalt u uw partner een vergoeding voor het meewerken, let dan op de grens van 5.000 euro. Blijft de vergoeding daaronder, dan is niets aftrekbaar en bij uw partner ook niets belast; de meewerkaftrek blijft dan wel mogelijk, een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald of tegen een lage vergoeding meewerkt. Vanaf 5.000 euro is de volledige beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Reken uit welke variant in uw situatie gunstiger uitpakt.

Verhuurt u een pand aan de bv van uw partner?

Dan valt het pand niet in box 3, maar wordt de opbrengst min de kosten in box 1 belast, tegen een hoger tarief. Dit heet terbeschikkingstelling: vermogen dat u aan de onderneming of bv van uw partner beschikbaar stelt. Dat resultaat mag u niet vrij tussen u beiden verdelen. Eindigt het partnerschap, bijvoorbeeld door een scheiding, dan moet u afrekenen over de waardestijging van het pand zonder dat u die opbrengst in handen heeft. Er is dan geen doorschuifregeling, alleen uitstel van betaling.

Hetzelfde geldt voor een lening of een borgstelling. Staat u borg voor de onderneming of bv van uw partner uit genegenheid en niet op zakelijke voorwaarden, dan is het verlies niet aftrekbaar terwijl u er wel volledig voor kunt worden aangesproken. Leg vergoeding, plafond en looptijd daarom zakelijk vast.

U kunt aansprakelijk zijn voor de belasting van uw partner

Rekent u een post aan uw partner toe, dan kan de Belastingdienst u aanspreken voor een evenredig deel van de inkomstenbelasting. Dat deel wordt per box berekend. De aansprakelijkheid blijft bestaan nadat de relatie is geëindigd, want bepalend is het jaar waarin de toerekening plaatsvond. Voor de belasting zelf kunt u zich niet disculperen, dus niet aantonen dat het u niet valt aan te rekenen. Wel geldt de aansprakelijkheid niet als er na verliesverrekening geen te betalen aanslag overblijft, en uw partner moet eerst in gebreke zijn. Voor een boete, rente en invorderingskosten bent u alleen aansprakelijk voor zover dat aan u te wijten is, en bij een boete moet de Belastingdienst opzet of grove schuld bewijzen. Weeg dit mee als een van u financiële problemen heeft.

Let op: er bestaan drie verschillende partnerbegrippen

Voor de inkomstenbelasting, voor de toeslagen en voor de erf- en schenkbelasting gelden niet dezelfde regels. U kunt dus voor de belasting wél partner zijn en voor de erfbelasting niet.

Voor de toeslagen gelden vrijwel dezelfde regels als voor de inkomstenbelasting, maar met drie verschillen die er in de praktijk toe doen: het partnerschap gaat pas in vanaf de dag waarop het ontstaat en werkt niet terug over het jaar, uw ouder of kind is er nooit partner, en verzoeken over het partnerschap dient u in bij de Dienst Toeslagen en niet bij de inspecteur. Figuur 5 zet de drie begrippen naast elkaar.

Figuur 5: de drie partnerbegrippen met hun eigen wachttijden. Rechts het bedrag waar het bij de erfbelasting om gaat: 828.035 euro vrijgesteld tegenover 2.769 euro.

Voor de erfbelasting is het verschil het grootst. Erft u van uw partner, dan is in 2026 828.035 euro vrijgesteld. Bent u geen partner in de zin van de Successiewet, dan is dat 2.769 euro en geldt bovendien een hoger tarief. Ter vergelijking: een kind of kleinkind erft 26.230 euro belastingvrij. Een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgplicht brengt de hoge vrijstelling al na zes maanden binnen bereik; zonder contract duurt het vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres. Voor ongehuwd samenwonenden met vermogen is de gang naar de notaris daarmee de goedkoopste maatregel met het grootste bedrag erachter.

Let daarbij op drie punten. De wederzijdse zorgplicht moet in de notariële akte zelf staan; afspraken die u onderling regelt buiten de akte om zijn onvoldoende, oordeelde het gerechtshof in een zaak die de Hoge Raad in 2022 in stand liet. Verder wordt op de partnervrijstelling de helft van de waarde van een nabestaandenpensioen of lijfrente in mindering gebracht, waarbij de vrijstelling na die korting ten minste 213.915 euro bedraagt. En wonen er drie of meer mensen samen die allemaal aan de voorwaarden voldoen ten opzichte van dezelfde persoon, dan is niemand partner en vervalt de vrijstelling voor iedereen.

Gaat u trouwen en wordt er in de familie geschonken? Schenkingen aan u en aan uw partner worden voor de schenkbelasting bij elkaar opgeteld alsof u één persoon bent. Dat geldt ook al voor schenkingen in de twaalf maanden vóór uw huwelijksdag. Schenkingen tussen u beiden vallen daar juist buiten. De timing van een schenking ten opzichte van de trouwdatum is dus een bewuste keuze.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Stel eerst vast of er partnerschap is. Vraag een uittreksel van de basisregistratie personen op met alle bewoners van uw adres en loop de zes extra situaties na. Partnerschap volgt uit feiten, niet uit uw gevoel.
  • Reken de verdeling elk jaar opnieuw door. De beste verdeling verandert mee met uw inkomen, uw vermogen en uw leeftijd. Vijftig om vijftig uit gewoonte is zelden de beste uitkomst.
  • Vul samen precies 100 procent in. Komt u samen niet op 100 procent uit, dan rekent de Belastingdienst automatisch de helft aan ieder toe.
  • Kies vóór de aangifte welke woning uw hoofdverblijf is. Leg die keuze schriftelijk vast, want bij verschillende aangiften telt de eerst ingediende.
  • Bewaak de aanslagdata van u beiden. Zolang één aanslag nog openstaat, kunt u de verdeling samen nog wijzigen. Daarna is de weg vrijwel dicht.
  • Vraag vóór een gezamenlijke aankoop op welke woningen uw partner eerder had. Een overwaarde uit een eerdere woning van uw partner telt mee bij de toets van uw eigen maximale eigenwoningschuld.
  • Houd een urenadministratie per taak bij als uw partner meewerkt. Alleen daarmee kunt u aantonen dat het werk niet hoofdzakelijk ondersteunend is.
  • Houd de stand van uw leningen bij de bv in de gaten. Het maximum van 500.000 euro geldt voor u samen, inclusief bijgeschreven rente.
  • Ga naar de notaris als u ongehuwd samenwoont en vermogen heeft. Zonder notarieel samenlevingscontract met zorgplicht mist u de partnervrijstelling in de erfbelasting.
  • Leg bij een scheiding de verdeling vast in het convenant. Zonder medewerking van uw ex kunt u de verdeling later niet meer wijzigen.
  • Zoek uw verminderingsbeschikkingen box 3 over 2017 tot en met 2020 op. Vanaf de dagtekening loopt een termijn van zes weken om de verdeling nog te wijzigen.

Veelgestelde vragen

Kunt u zelf kiezen of u fiscaal partner bent?

Nee. Het partnerschap volgt uit vaste feiten, zoals een huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke woning. U kunt het niet aan- of uitzetten in de aangifte. U kunt wel de feiten beïnvloeden, bijvoorbeeld door wel of geen samenlevingscontract te sluiten. Er is één uitzondering waarvoor u een verzoek kunt doen: bij een huisgenoot terwijl er een minderjarig kind op het adres staat, met een schriftelijke zakelijke huurovereenkomst.

Wat gebeurt er als u samen geen verdeling invult?

Dan rekent de Belastingdienst de helft aan ieder toe. Dat geldt ook als u samen niet precies op 100 procent uitkomt, en zelfs als een van u niet wist dat de post er was. Bij een groot dividend of een hoog box 3-vermogen kan dat duizenden euro’s schelen.

Kunt u de verdeling achteraf nog wijzigen?

Ja, zolang de aanslagen van u beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. U moet dat samen doen. Staan beide aanslagen vast, dan blijft alleen de route over om zelf om een navorderingsaanslag te verzoeken, waardoor de verdeling opnieuw opengaat. Bespreek die route eerst met uw adviseur.

Bent u fiscaal partner als u samenwoont zonder samenlevingscontract?

Dat hangt ervan af. Zonder notarieel contract bent u alleen partner als u samen op één adres staat ingeschreven én een van de zes extra situaties geldt, bijvoorbeeld een gezamenlijk kind of een gezamenlijke koopwoning. Geldt geen van die punten, dan bent u geen fiscaal partner. U mist dan de vrije verdeling: u kunt vermogen en aftrekposten niet naar elkaar verschuiven, zodat een onbenut heffingvrij vermogen of een onbenutte aftrek bij een van u verloren gaat.

Bent u tijdens uw scheiding nog fiscaal partner?

Ja, totdat aan twee eisen tegelijk is voldaan: het echtscheidingsverzoek is bij de rechter ingediend én u staat niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Blijft u samen ingeschreven, dan loopt het partnerschap door en bent u het jaar daarna opnieuw partner. Het moment van uitschrijven is daarom belangrijk.

Is uw partner die in het buitenland woont ook uw fiscaal partner?

Alleen als hij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, dus als vrijwel het hele inkomen in Nederland wordt belast. Uw partner kan daarbij meeliften op het gezamenlijke inkomen. Voldoet u niet, dan is er geen partnerschap: u kunt niets verdelen, de hypotheekrente is alleen aftrekbaar voor zover die op u drukt en u heeft één keer het heffingvrije vermogen. Sinds 2026 is een inkomensverklaring geen harde voorwaarde meer; de inspecteur kan die opvragen, waarna ander bewijs is toegestaan.

Hoe Taxcount u kan helpen

Fiscaal partnerschap raakt bijna elk onderdeel van uw aangifte tegelijk: de eigen woning, box 2, box 3, de heffingskortingen, de toeslagen en bij ondernemers ook het urencriterium. Taxcount stelt eerst vast of er partnerschap is en vanaf welke datum, en rekent daarna verschillende verdelingen door op het totaal van u beiden samen, inclusief de doorwerking naar kortingen, drempels en toeslagen.

Daarnaast kijken wij vooruit. Wij lopen na of uw hoofdverblijfkeuze, uw leningen bij de bv, uw urenadministratie en uw samenlevingscontract op elkaar aansluiten, en welke oude jaren nog openstaan om te herstellen. Wilt u weten of uw verdeling in 2026 optimaal is, of wat er verandert als u gaat samenwonen, trouwen of scheiden? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, vrijstellingen en drempelbedragen kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw eigen situatie altijd beoordelen voordat u een keuze vastlegt in de aangifte of bij de notaris.

Zie ook:

Aanmerkelijk belang in box 2: waarom de 5%-grens u duizenden euro’s kan schelen

U heeft aandelen in een bv, als directeur-grootaandeelhouder (dga) of als belegger met een fors pakket. Zodra uw belang de grens van 5% raakt, heeft u een aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment vallen uw dividend en verkoopwinst niet meer in box 3, maar in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verandert hoeveel belasting u betaalt en welke verplichtingen u heeft. In dit artikel leest u wanneer u een aanmerkelijk belang heeft, welke tarieven in 2026 gelden en hoe u met slimme planning duizenden euro’s kunt besparen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

De wet verdeelt aandeelhouders in twee groepen. Kleine beleggers betalen belasting over hun vermogen in box 3. Wie een groot belang in een vennootschap heeft, is voor de wet meer ondernemer dan belegger. Die aandeelhouder betaalt belasting in box 2 over het werkelijke inkomen uit de aandelen: dividend en de winst bij verkoop.

De grens ligt bij 5%. U heeft een aanmerkelijk belang als u, alleen of samen met uw fiscale partner, direct of indirect (bijvoorbeeld via een holding) ten minste 5% van de uitgegeven aandelen van een vennootschap bezit. Dat staat in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De regel geldt ook voor buitenlandse vennootschappen, voor coöperaties en voor bepaalde beleggingsfondsen.

Niet alleen gewone aandelen tellen. U heeft ook een aanmerkelijk belang bij:

  • opties op ten minste 5% van de aandelen (rechten om aandelen te kopen);
  • winstbewijzen die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering;
  • ten minste 5% van de stemmen in een coöperatie;
  • ten minste 5% van één soort aandelen, bijvoorbeeld letteraandelen of preferente aandelen.

Belangrijk om te weten: deze categorieën mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Wie 4% aandelen en 4% opties heeft, zit dus onder de grens. En de grens is hard: precies 5% telt, 4,9% niet.

Figuur 1 loopt de vragen langs waarmee u bepaalt of uw aandelen in box 2 of in box 3 vallen. De laatste twee vragen komen in de volgende paragraaf aan bod.

   Figuur 1: vier vragen die bepalen of uw aandeleninkomen in box 2 of in box 3 valt.

Ook zonder eigen 5% in box 2

De wet kent drie uitbreidingen die in de praktijk vaak worden gemist. De Belastingdienst toetst daarom breder dan alleen uw eigen aandelenpakket.

Ten eerste de meesleepregeling: heeft u eenmaal een aanmerkelijk belang, dan vallen ook al uw overige aandelen, opties en winstbewijzen in dezelfde vennootschap in box 2. Ten tweede de meetrekregeling: bezit u zelf minder dan 5%, maar heeft uw partner, een (groot)ouder of een (klein)kind van u of uw partner wél een aanmerkelijk belang in dezelfde vennootschap, dan valt uw kleine pakket toch in box 2. Broers en zussen tellen hierbij niet mee. Ten derde het fictieve aanmerkelijk belang: is bij u ooit een doorschuifregeling toegepast, bijvoorbeeld bij de geruisloze inbreng van uw onderneming in een bv of bij vererving van aandelen, dan blijft een belang onder de 5% toch als aanmerkelijk belang gelden.

Een voorbeeld van de meetrekregeling: vader heeft 96% van de aandelen in de familie-bv, dochter heeft 4%. De dochter zit onder de 5%, maar wordt door het belang van haar vader meegetrokken. Haar dividend valt daardoor gewoon in box 2. Voor u betekent dit: kijk niet alleen naar uw eigen belang, maar naar de hele familiekring rond de vennootschap.

Figuur 2 laat zien wie er tot die familiekring hoort en wie erbuiten valt.

Figuur 2: de meetrekregeling geldt voor uw fiscale partner en voor familie in de rechte lijn; broers en zussen tellen niet mee.

Tarieven box 2 in 2026

In 2026 kent box 2 twee schijven. Over de eerste € 68.843 aan inkomen uit aanmerkelijk belang betaalt u 24,5%. Over alles daarboven betaalt u 31%. Heeft u een fiscale partner, dan kunt u het inkomen verdelen en geldt de lage schijf tot € 137.686 gezamenlijk. Dat maakt de verdeling van dividend een belangrijk planningsinstrument.

Figuur 3 zet beide schijven naast elkaar, met en zonder verdeling over een fiscale partner.

Figuur 3: de twee schijven van box 2 in 2026; met een fiscale partner loopt de lage schijf door tot € 137.686 samen.

Rekenvoorbeeld

De situatie

Karin is dga van een bv met flinke winstreserves. Zij wil in 2026 € 140.000 dividend uitkeren aan privé. Karin is gehuwd; haar echtgenoot heeft geen eigen inkomen in box 2.

Scenario A: Karin geeft het volledige dividend bij zichzelf aan
Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief € 68.843 24,5% € 16.867
Hoog tarief € 71.157 31% € 22.059
Totaal € 140.000   € 38.926

 

Scenario B: Karin verdeelt het dividend met haar fiscale partner
Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief (2 × € 68.843) € 137.686 24,5% € 33.733
Hoog tarief € 2.314 31% € 717
Totaal € 140.000   € 34.450

 

De conclusie: door het dividend in de aangifte te verdelen over beide fiscale partners betaalt Karin € 34.450 in plaats van € 38.926. Dat scheelt € 4.476 aan belasting bij precies dezelfde uitkering. Spreiden over meerdere jaren kan een vergelijkbaar effect hebben.

Figuur 4 zet de twee scenario’s van Karin naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde uitkering van € 140.000, twee keer een andere belastingdruk.

Praktische gevolgen

Een aanmerkelijk belang brengt verplichtingen mee die verder gaan dan de aangifte alleen. U geeft dividend en verkoopwinst aan in box 2. Daarnaast moet u de verkrijgingsprijs van uw aandelen vastleggen: het bedrag dat fiscaal als uw aankoopprijs geldt. Die verkrijgingsprijs bepaalt later hoeveel verkoopwinst belast wordt. Werkt u als dga voor uw eigen bv, dan geldt bovendien de gebruikelijkloonregeling: u moet uzelf een zakelijk salaris toekennen. Verhuurt u privévermogen aan uw bv, zoals een pand, dan valt dat onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.

Let verder op momenten waarop uw positie ongemerkt verandert. Een huwelijk, een echtscheiding, een statutenwijziging, het certificeren van aandelen of een wijziging in een familiefonds kan leiden tot een fictieve vervreemding, waarbij de Belastingdienst afrekent alsof u uw aandelen heeft verkocht. Ook goed om te weten: wie alleen via de meetrekregeling een aanmerkelijk belang heeft, krijgt geen toegang tot de doorschuifregelingen bij schenken en erven en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Conclusie en advies

De 5%-grens van het aanmerkelijk belang bepaalt of uw aandeleninkomen in box 2 of box 3 valt, en dat verschil loopt snel in de duizenden euro’s. De regels kijken verder dan uw eigen pakket: partner, familie in de rechte lijn, opties, soortaandelen en oude doorschuiftrajecten tellen mee. Tegelijk biedt box 2 kansen, zoals het verdelen van dividend met uw fiscale partner of het spreiden van uitkeringen over meerdere jaren. Twijfelt u of u een aanmerkelijk belang heeft, of wilt u weten wat het voordeligste uitkeringsmoment is? De adviseurs van Taxcount rekenen uw situatie graag door en zorgen dat u geen grens of faciliteit over het hoofd ziet. Neem gerust contact op voor een vrijblijvende kennismaking.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Asset deal of share deal: zo bepaalt u hoe u uw bedrijf het beste verkoopt

U hebt jaren aan uw bedrijf gebouwd en er dient zich een koper aan. Dan komt vrijwel meteen de vraag op tafel die het financiële resultaat van de hele verkoop bepaalt: verkoopt u de bezittingen en schulden van het bedrijf, of verkoopt u de aandelen in uw bv? Dat is de keuze tussen een asset deal en een share deal. Die keuze bepaalt wie welke belasting betaalt, of er btw over de transactie loopt, welke contracten en welke medewerkers meegaan, en welke risico’s ook na de overdracht bij u blijven liggen. In dit artikel leest u wat beide routes fiscaal betekenen, welke faciliteiten en drempels in 2026 gelden, en wat u het beste jaren vooraf al regelt.

Wat is het verschil tussen een asset deal en een share deal?

Bij een asset deal, ook wel activa-passivatransactie genoemd, verkoopt u de onderdelen van het bedrijf: het pand, de machines, de voorraad, de klantenkring en de goodwill. Met goodwill bedoelen we de waarde van uw naam, uw klantenkring en uw marktpositie, die niet in losse bezittingen zit. Het bedrijf zelf blijft juridisch achter bij u; alleen de inhoud gaat over. Bij een share deal verkoopt u de aandelen in de bv. Het bedrijf verandert dan niet: alle contracten, vergunningen en arbeidsovereenkomsten blijven staan waar ze staan, want de bv blijft dezelfde partij.

Of u die keuze überhaupt hebt, hangt af van uw rechtsvorm. Hebt u een eenmanszaak, een vof of een maatschap, dan zijn er geen aandelen en is elke verkoop automatisch een activa-passivatransactie. De keuze verschuift dan naar de vraag of u vooraf nog een bv tussen uzelf en de onderneming zet. Hebt u wel een bv, dan kunt u kiezen: de bv verkoopt haar onderneming, of u verkoopt de aandelen in de bv. Figuur 1 laat zien welke route bij welke rechtsvorm hoort en hoe de verkoopwinst dan wordt belast.

    Figuur 1: uw rechtsvorm bepaalt of u kunt kiezen tussen een asset deal en een share deal, en hoe de verkoopwinst wordt belast.

In de praktijk lopen de belangen tegengesteld. Kopers willen meestal een asset deal: zij kiezen precies uit wat zij overnemen, laten het verleden van de onderneming achter en mogen afschrijven op de betaalde goodwill. Verkopers willen meestal een share deal: die is fiscaal vaak gunstiger, en het verleden gaat mee de deur uit. Dat verschil in belang komt terug in de prijs. Wie de fiscale gevolgen van beide routes kent, onderhandelt daar bewuster over. Figuur 2 zet naast elkaar wat er bij elke route meegaat en wat achterblijft of nog actie vraagt.

Figuur 2: wat er bij een asset deal en bij een share deal meegaat, en wat achterblijft of nog actie van u vraagt.

Wat betekent een asset deal voor u als IB-ondernemer?

Waarover rekent u af?

Verkoopt u als ondernemer voor de inkomstenbelasting uw hele onderneming, dan is dat fiscaal een staking. U rekent in één keer af over alles wat nog niet eerder is belast. Daar horen drie dingen bij: de stille reserves, dat wil zeggen het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van uw bezittingen, de goodwill die u in de loop der jaren hebt opgebouwd, en de fiscale reserves die nog op uw balans staan. Bij elkaar is dat de stakingswinst, en die valt in box 1.

Belangrijk is dat u de koopsom per bedrijfsmiddel toerekent. Staat er in de koopovereenkomst geen prijs per onderdeel, dan moet de koopsom in redelijkheid worden verdeeld over de bezittingen en de goodwill. Legt u de verdeling wel vast, dan moet die met de werkelijkheid overeenkomen. De bewijslast ligt bij u, zeker als u later van de verdeling in de koopovereenkomst wilt afwijken. Onderbouw de verdeling daarom met taxaties op het moment dat u tekent, niet achteraf.

Welke faciliteiten verzachten de rekening in 2026?

Tegenover die afrekening staan drie regelingen die de belastingdruk verlagen of uitstellen.

  • In 2026 mag u maximaal 3.630 euro van de stakingswinst aftrekken. Die aftrek geldt eenmaal in uw leven, dus als u eerder al een onderneming hebt beëindigd, is hij mogelijk al gebruikt.
  • MKB-winstvrijstelling. Van de winst die overblijft na de ondernemersaftrek is in 2026 12,7 procent vrijgesteld. Die vrijstelling geldt ook over stakingswinst.
  • U mag een deel van de stakingswinst omzetten in een lijfrente en daarmee de belasting uitstellen tot het moment waarop de uitkeringen binnenkomen. In 2026 is dat maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro, afhankelijk van uw leeftijd, van arbeidsongeschiktheid en van het moment waarop de uitkeringen ingaan. Wat u al aan pensioen en lijfrente hebt opgebouwd, gaat van dat maximum af.

Aan de stakingslijfrente zitten twee harde voorwaarden. De premie moet uiterlijk zes maanden na afloop van het stakingsjaar zijn betaald of verrekend; het bedrag schuldig blijven is niet genoeg. En er mag geen sprake zijn van een vooraf afgesproken doorverkoop of van een op het moment van de overdracht al vaststaande liquidatie. Staat vast dat de onderneming kort daarna wordt opgeheven of dat de verkoop aan een derde vrijwel rond is, dan vervalt de aftrek volledig. De maatstaf is dus wat vaststaat, niet wat u van plan bent.

Verkoopt u alles, of een deel?

Het maakt fiscaal verschil of u de hele onderneming staakt of maar een deel. Bij een gedeeltelijke staking vervallen de stakingsaftrek en de doorschuifregeling, terwijl een herinvesteringsreserve juist alleen bij een gedeeltelijke staking in stand kan blijven. Van een gedeeltelijke staking is al sneller sprake dan ondernemers denken: ook de verkoop van alleen een deel van uw klantenbestand met wat inventaris telt mee, als uw onderneming daardoor in korte tijd duurzaam en flink kleiner wordt.

  Hele onderneming Deel van de onderneming
Stakingsaftrek ja, maximaal 3.630 euro nee
Stakingslijfrente ja ja
Herinvesteringsreserve nee, valt verplicht vrij mogelijk, als u nog wilt herinvesteren
Doorschuiven naar een nieuwe onderneming ja, op verzoek nee

 

Wilt u na de verkoop opnieuw ondernemen, dan kunt u de stakingswinst doorschuiven naar die nieuwe onderneming. U doet daarvoor een verzoek bij uw aangifte. U krijgt dan een conserverende aanslag, dat is een aanslag die wel wordt opgelegd maar die u nog niet hoeft te betalen, en u moet herinvesteren in het jaar van de staking of binnen twaalf maanden daarna, in een onderneming waaruit u zelf winst geniet. Let op: verliezen uit het verleden kunt u niet met dat doorgeschoven inkomen verrekenen. Hebt u nog te verrekenen verliezen, dan kan doorschuiven juist ongunstig uitpakken.

Twee posten die u makkelijk over het hoofd ziet

De eerste is de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u bedrijfsmiddelen mee waarop u investeringsaftrek hebt gehad, en zijn er sinds het begin van dat investeringsjaar nog geen vijf jaar verstreken, dan telt u hetzelfde percentage weer bij uw winst op zodra u in een jaar voor meer dan 2.900 euro desinvesteert. Meer dan u destijds hebt afgetrokken, wordt nooit bijgeteld. Vraag vóór de onderhandelingen een investeringsoverzicht van de laatste vijf jaar op en neem de uitkomst mee in de prijs.

De tweede is de herinvesteringsreserve, waarmee u de winst op een verkocht bedrijfsmiddel tijdelijk opzij zet om later opnieuw te investeren. Staat die nog op uw balans en staakt u de hele onderneming, dan valt de reserve verplicht vrij in de stakingswinst. Vergeet u dat, dan is het probleem niet weg: de Belastingdienst kan de reserve in een later jaar alsnog belasten, ook als uw onderneming dan feitelijk niet meer bestaat.

Wat betekent een share deal, en wie betaalt dan de belasting?

Verkoopt uw holding de aandelen? Dan geldt de deelnemingsvrijstelling

Houdt een holding-bv de aandelen in uw werk-bv, dan is de winst bij verkoop van die aandelen in beginsel onbelast. Dat komt door de deelnemingsvrijstelling, een regeling die voorkomt dat dezelfde winst twee keer met vennootschapsbelasting wordt belast. Zij geldt als de holding ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal van de werk-bv bezit. Dit is de reden dat een verkopende directeur-grootaandeelhouder (DGA) vrijwel altijd naar de share deal kijkt: de meerwaarde die bij een asset deal in de vennootschapsbelasting zou vallen, blijft nu buiten de heffing.

De keerzijde staat minder vaak in de presentatie van de adviseur. De opbrengst zit dan wel in de holding en niet op uw privérekening. Wilt u er privé over beschikken, dan volgt bij de uitkering alsnog heffing in box 2. En de kosten van de verkoop, van advocaat en notaris tot adviseurs en zelfs uw eigen interne uren, zijn bij de holding niet aftrekbaar. Dat aftrekverbod geldt alleen als de verkoop ook echt doorgaat. Ketst een transactie definitief af, dan zijn de kosten van dat traject in beginsel wel aftrekbaar. Verkoopt u de aandelen daarna alsnog aan een andere partij, dan moet per kostenpost worden beoordeeld of u die kosten ook zonder dat eerste traject had gemaakt. Kosten die pas een gevolg zijn van de verkoop, zoals een afscheidsbonus die u ná de overdracht toekent, vallen buiten het aftrekverbod. Leg daarom per factuur vast op welke transactie en op welke fase zij ziet; achteraf is dat niet meer te reconstrueren.

Houdt u de aandelen privé? Dan loopt de verkoop via box 2

Bezit u de aandelen rechtstreeks, zonder holding, dan is de verkoopwinst belast in box 2. Het belaste voordeel is de overdrachtsprijs min de verkrijgingsprijs, dat wil zeggen wat u destijds voor de aandelen hebt betaald. In 2026 betaalt u in box 2 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over het meerdere.

Hier ligt precies het spiegelbeeld van de holdingsituatie: de kosten tellen in box 2 juist wél mee. Aankoopprovisie, honoraria van adviseurs en notariskosten verhogen de verkrijgingsprijs, en de verkoopkosten verlagen de overdrachtsprijs. De grens is dat de kosten in onmiddellijk verband met de verkrijging moeten staan. Betaalde schenkbelasting, kosten om de verkrijgingsprijs te laten vaststellen en rente over de periode dat u de aandelen hield, tellen niet mee.

Let op één valkuil. Is uw bv ooit ontstaan uit een geruisloze inbreng van een eenmanszaak, dan kan de verkrijgingsprijs negatief zijn. In dat geval wordt bij de verkoop meer belast dan u aan verkoopprijs ontvangt. Vraag daarom vóór de onderhandelingen op wat uw fiscale verkrijgingsprijs is.

Wanneer is de verkoop fiscaal een feit?

Voor box 2 telt niet de datum van de notariële akte, maar het moment waarop de koopovereenkomst perfect wordt en het economische belang overgaat. Bij een transactie rond de jaarwisseling bepaalt dat in welk jaar u de belasting betaalt. Werkt u met een opschortende voorwaarde, bijvoorbeeld een blokkeringsregeling in de statuten, dan verschuift het moment naar de vervulling van die voorwaarde.

Wat als de prijs later nog verandert?

Een nabetaling of earn-out, dat is een deel van de prijs dat pas later wordt betaald als het bedrijf bepaalde resultaten haalt, werkt in box 2 anders dan onder de deelnemingsvrijstelling. Bij de holding valt een latere prijsaanpassing gewoon onder de vrijstelling en blijft die dus onbelast. In box 2 wordt in het jaar van de verkoop de hele overdrachtsprijs belast, ook het deel dat u nog niet hebt ontvangen. Staat de prijs niet vast, dan maakt u een schatting. Valt de opbrengst hoger uit, dan wordt het meerdere belast zodra u het ontvangt. Valt zij lager uit, dan telt het nadeel pas mee bij de laatste termijn.

Wat daarbij de doorslag geeft, is de tekst van de koopovereenkomst. Voert u alleen uit wat u al had afgesproken, bijvoorbeeld een balansgarantie waarin u garandeert dat de balans klopt en de prijs daalt als dat niet zo blijkt, dan is verdedigbaar dat de correctie terugwerkt naar het jaar van verkoop en dat die aanslag wordt verminderd. Over dat punt lopen de opvattingen in de vakliteratuur uiteen, dus laat de tekst van zo’n garantie vooraf fiscaal beoordelen. Spreekt u later alsnog een nieuwe prijs af, dan valt het nadeel in het jaar van die nieuwe afspraak. Een prijsverlaging die jaren later wordt overeengekomen, moet bovendien zakelijk zijn en aantoonbaar; anders wordt zij niet geaccepteerd.

Verkoopt u aan familie, tegen een vriendenprijs?

Ontbreekt een tegenprestatie of is de prijs tot stand gekomen in een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan rekent de Belastingdienst met de waarde in het economische verkeer. De Hoge Raad legt daarbij de nadruk op de bedoeling om de ander te bevoordelen: is die er niet, dan is er geen reden voor correctie. Bij een verkoop binnen de familie is de vastgelegde onderbouwing van de prijs daarom uw hele verweer. Leg de onderhandelingen en de waardering schriftelijk vast.

Rekenvoorbeeld: wat scheelt de routekeuze in de praktijk?

Stel: uw bedrijf is 800.000 euro waard. De fiscale boekwaarde van de bezittingen is 300.000 euro, dus er zit 500.000 euro aan meerwaarde en goodwill in. U hebt de AOW-leeftijd nog niet bereikt en verder geen ander inkomen in box 1. De bedragen hieronder zijn afgerond en dienen ter illustratie; uw eigen uitkomst hangt af van uw overige inkomen, uw leeftijd en de afspraken in de koopovereenkomst.

Figuur 3 laat eerst stap voor stap zien hoe die 500.000 euro bij een eenmanszaak tot een aanslag leidt.

Figuur 3: van meerwaarde naar aanslag bij een eenmanszaak, met de stakingsaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de stakingslijfrente.

Route Belasting bij de verkoop Toelichting
Eenmanszaak, activatransactie afgerond 204.400 euro in box 1 stakingswinst 500.000 euro, min 3.630 euro stakingsaftrek, min 12,7 procent MKB-winstvrijstelling, dus 433.331 euro belastbaar
Bv verkoopt de onderneming 115.400 euro vennootschapsbelasting boekwinst 500.000 euro: 19 procent over de eerste 200.000 euro en 25,8 procent over de rest. Het geld zit daarna nog in de bv
Holding verkoopt de aandelen 0 euro bij de holding deelnemingsvrijstelling. De verkoopkosten zijn niet aftrekbaar en bij uitkering naar privé volgt nog box 2
DGA verkoopt de aandelen privé afgerond 204.800 euro in box 2 opbrengst 800.000 euro, min 25.000 euro verkoopkosten, min 100.000 euro verkrijgingsprijs, dus 675.000 euro belast tegen 24,5 en 31 procent

 

Twee dingen vallen op. De eerste route en de laatste komen toevallig bijna op hetzelfde bedrag uit, maar de weg ernaartoe verschilt volledig; bij de eenmanszaak kunt u de rekening bijvoorbeeld nog verlagen met een stakingslijfrente. Zet u in het eerste voorbeeld 143.732 euro om in een lijfrente, dan daalt de aanslag naar afgerond 133.300 euro. Dat is uitstel, geen afstel: over de latere uitkeringen betaalt u alsnog belasting. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: de belasting bij de verkoop per route, bij een bedrijfswaarde van 800.000 euro en een boekwaarde van 300.000 euro.

Het tweede punt is dat de holdingroute in de tabel en in figuur 4 op nul lijkt uit te komen, maar dat niet is. Het geld staat dan in uw holding. Haalt u het naar privé, dan komt de box 2-heffing er alsnog achteraan. De vergelijking is dus pas eerlijk als u meeneemt wanneer en waarvoor u het geld nodig hebt.

Moet u btw rekenen over een asset deal?

Meestal niet, en dat is geen keuze maar een wettelijke regel. Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan wordt geacht dat er geen levering of dienst plaatsvindt. De koper treedt voor de btw in uw plaats. Die regel geldt van rechtswege zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Er zijn twee voorwaarden. Ten eerste moet u een geheel overdragen waarmee de koper zelfstandig een economische activiteit kan uitoefenen. De verkoop van alleen een voorraad producten of van losse machines valt daar niet onder. Blijft een onderdeel achter dat noodzakelijk is om de onderneming te drijven, dan is het geen algemeenheid meer. Of u het bedrijfspand in eigendom of in huur overdraagt, maakt niet uit; ook een huurrecht kan volstaan, mits het echt meegaat. Ten tweede moet de koper op het moment van de overdracht de bedoeling hebben om de onderneming voort te zetten en niet om haar meteen op te heffen en leeg te verkopen.

Brengt u toch btw in rekening terwijl deze regel geldt, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. De Belastingdienst kan die btw onder omstandigheden zelfs bij de koper naheffen. Dat is een discussie die u eenvoudig voorkomt: leg de voortzettingsbedoeling van de koper schriftelijk vast in de koopovereenkomst. Verplicht is dat niet, maar het kost niets en het is achteraf uw bewijs.

Twee aandachtspunten blijven. Btw-schulden die zijn ontstaan vóór de overdracht kunnen alleen bij u worden nageheven, niet bij de koper, en afspraken die u met de Belastingdienst hebt gemaakt gaan niet mee over. Laat lopende contracten bovendien intact meegaan in plaats van ze te beëindigen en de koper nieuwe te laten sluiten: doet u dat wel, dan kan de regeling alsnog niet van toepassing zijn.

Wanneer roept de verkoop overdrachtsbelasting op?

Zit er onroerend goed in de transactie, dan verdient de overdrachtsbelasting een eigen controle. In 2026 is het algemene tarief 10,4 procent en geldt voor woningen die niet als eigen hoofdverblijf worden gebruikt 8 procent.

Het verrassende nadeel bij een asset deal

Omdat bij een kwalificerende asset deal voor de btw geen levering plaatsvindt, kunt u ook geen beroep meer doen op de samenloopvrijstelling die dubbele heffing van btw en overdrachtsbelasting voorkomt. Er bestaat een goedkeuring die dit repareert, maar die kent eigen voorwaarden. Zit er vastgoed in de deal, laat dit dan vooraf toetsen. Het is een van de weinige punten waarop een fiscaal gunstige btw-behandeling tot een hogere rekening elders leidt.

Ook een aandelenverkoop kan belast zijn

Verkoopt u aandelen in een vennootschap die vooral vastgoed bezit, dan kan die verkoop toch overdrachtsbelasting oproepen. De wet merkt zo’n vennootschap aan als onroerendezaakrechtspersoon. Daarvoor moeten drie horden worden genomen. De bezittingen moeten voor meer dan 50 procent uit onroerende zaken bestaan en tegelijk voor ten minste 30 procent uit Nederlands vastgoed, gemeten naar de werkelijke waarde en niet naar de boekwaarde. Die onroerende zaken moeten voor ten minste 70 procent van hun waarde dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren daarvan; de feitelijke activiteiten tellen, niet de omschrijving in de statuten. En de koper moet een kwalificerend belang bereiken, in de regel ten minste een derde.

Voor de meeste MKB-bedrijven pakt dit gunstig uit: een gewone werk-bv met een eigen bedrijfspand valt hierbuiten, omdat het pand dienstbaar is aan de onderneming en niet aan de exploitatie van vastgoed. Een vastgoed-bv die aan derden verhuurt, valt er juist onder. Twee dingen zijn dan van belang. Er geldt een terugblik van een jaar, dus de balans tijdelijk verwateren met liquide middelen werkt niet. En verkopen in twee tranches helpt evenmin: verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde koper en zijn naaste kring worden bij elkaar opgeteld, zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Bij een belaste verkrijging van aandelen doet niet de notaris maar de koper zelf aangifte.

Eerst een bv tussen uzelf en uw onderneming zetten?

Wie een eenmanszaak heeft en fiscaal liever een share deal doet, kan de onderneming eerst inbrengen in een bv en daarna de aandelen verkopen. Dat kan geruisloos, dus zonder direct af te rekenen. Er zit alleen een stevige rem op. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng, dan geldt het vermoeden dat de inbreng onderdeel was van een plan om de onderneming over te dragen, en dan vervalt de faciliteit. U mag tegenbewijs leveren, maar de bewijslast ligt volledig bij u. De termijn begint te lopen op de oprichtingsdatum van de bv. Figuur 5 laat die route en die termijn zien.

 Figuur 5: eerst een bv tussen uzelf en de onderneming zetten en daarna de aandelen verkopen, met de driejaarstermijn na de inbreng.

Het alternatief is een ruisende inbreng: u rekent direct af, zet de stakingswinst om in een stakingslijfrente en de bv mag daarna afschrijven over de hogere waarde. De vuistregel uit de vakliteratuur is eenvoudig. Past de stakingswinst binnen de ruimte voor lijfrenteaftrek, dan is een ruisende inbreng meestal de betere keuze. Is de stakingswinst hoger, dan komt de geruisloze inbreng in beeld. Reken beide varianten door voordat u een letter of intent tekent.

Zit uw onderneming al in een concern, dan gelden vergelijkbare wachttijden. Is binnen een fiscale eenheid, waarbij meerdere bv’s samen één aangifte doen, vermogen met een meerwaarde verschoven en wordt de betrokken vennootschap daarna verkocht, dan volgt herwaardering naar de werkelijke waarde, tenzij er zes jaar zijn verstreken. Alleen als een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan is overgedragen tegen uitgifte van nieuwe aandelen, geldt een kortere termijn van drie jaar; die eis van uitgifte van aandelen is hard. Die sanctie kent geen tegenbewijs. Bij een verkoop onder ontbindende voorwaarden begint de klok bovendien later te lopen dan de koopovereenkomst suggereert, namelijk pas als vaststaat dat aan alle voorwaarden is voldaan. De les is steeds dezelfde: herstructureer vóórdat een verkoopproces begint, niet erna.

Draagt u over aan uw kind? Dan is verkopen vaak niet de route

Gaat het bedrijf naar de volgende generatie, dan is de vraag niet asset of share, maar verkopen of doorschuiven. Bij vererving en bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen, dat wil zeggen een belang van ten minste 5 procent in een bv, kunt u samen met de verkrijger verzoeken de overgang niet als vervreemding aan te merken, voor zover de waarde is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. U rekent dan niet af; de claim schuift door naar uw kind. Bij schenking geldt sinds 1 januari 2025 dat de verkrijger 21 jaar of ouder moet zijn; de oude eis van 36 maanden dienstbetrekking is vervallen.

Beleggingsvermogen gaat niet mee. Als ondernemingsvermogen telt het vermogen dat aan de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met beleggingsvermogen tot ten hoogste 5 procent daarvan. Panden die u meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking stelt, vallen erbuiten, net als bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer die u voor meer dan een klein deel privé gebruikt. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privégebruik. Let er verder op dat de doorschuifregeling in box 2 zelf geen bezits- of voortzettingseis kent; die eisen gelden in de schenk- en erfbelasting, waar de voortzettingstermijn per 1 januari 2026 is verkort van vijf naar drie jaar.

Welke risico’s blijven na de verkoop bij u liggen?

Met de handtekening onder de akte bent u er niet. Vier regelingen lopen door, en juist die worden in de prijsonderhandeling het vaakst vergeten. Figuur 6 zet de termijnen op een rij.

Figuur 6: de aansprakelijkheden en termijnen die na de overdracht doorlopen.

Aansprakelijkheid bij verkoop van een kasrijke of beleggende bv

Verkoopt u, samen met uw partner en bloedverwanten in de rechte lijn, een belang van ten minste een derde in een vennootschap waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen bestaan, en liquide middelen tellen daarbij mee, dan kunt u nog jaren na de verkoop aansprakelijk worden gesteld. Het gaat om de volledige vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop, ongeacht waar die winst vandaan komt, plus de vennootschapsbelasting over de drie jaren daarna voor zover die samenhangt met de reserves die op het moment van verkoop in de bv zaten.

Die aansprakelijkheid ontstaat alleen als het vermogen van de vennootschap buiten de normale bedrijfsvoering is verminderd, in de vijf jaar vóór, in het jaar van of in de drie jaar na de verkoop. Een gewone winstuitkering of de betaling van vennootschapsbelasting telt daar niet voor mee. De omvang van de onttrekking is echter niet relevant: in beginsel kan één euro al genoeg zijn om de aansprakelijkheid in werking te zetten. De mogelijkheid om u vrij te pleiten is sinds 2015 sterk versmald en de bewijslast ligt bij u. Zij geldt alleen nog voor een deel van de reserves, en dan nog alleen als de zaken en rechten waarop die reserves zien na de verkoop ten minste zes maanden in de bv blijven.

Twee maatregelen hebben in de rechtspraak geholpen. De eerste is uitvoerig en aantoonbaar onderzoek naar de achtergrond van de koper en naar zijn plannen met de aankoop. De tweede is het bedrag aan latent verschuldigde vennootschapsbelasting via de kwaliteitsrekening van de notaris aan de vennootschap betalen. Die rechtspraak dateert wel van vóór de aanscherping van 15 september 2015, dus onder het huidige recht bieden deze maatregelen minder zekerheid dan destijds. Ze blijven niettemin het beste dat u kunt doen. Leg vóór de overdracht schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht: dat dossier is achteraf uw enige verweer.

Aansprakelijkheid uit een fiscale eenheid

Maakte de verkochte bv deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan blijft zij hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting van de hele eenheid over de periode waarin zij daarvan deel uitmaakte. Hoofdelijk aansprakelijk betekent dat de Belastingdienst de hele schuld bij haar kan opeisen. De wet regelt niet wie dat uiteindelijk draagt, dus dat moet in de koopovereenkomst worden afgesproken. Bestond er een fiscale eenheid voor de btw, dan geldt daar een aansprakelijkheid zonder ontsnappingsmogelijkheid, die pas eindigt als de bv feitelijk niet meer tot die eenheid behoort én u de inspecteur daarover schriftelijk hebt geïnformeerd. Zet die melding op de checklist voor de dag van de overdracht.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Treedt u bij de overdracht af als bestuurder, dan bent u niet van uw verleden af. U blijft aansprakelijk voor belastingschulden die tijdens uw bestuur zijn ontstaan, ook als de aanslag pas veel later wordt opgelegd. Kan de vennootschap in die periode niet betalen, dan moet dat onverwijld bij de ontvanger zijn gemeld, in de praktijk uiterlijk twee weken na de dag waarop betaald had moeten worden.

Wat regelt u civielrechtelijk en voor uw personeel?

Hier zit het praktische verschil tussen de twee routes, en het is precies omgekeerd aan het fiscale beeld.

Bij een share deal gaat er één ding over: het aandeel, geleverd bij notariële akte. Wel moet u eerst de blokkeringsregeling in de statuten volgen, de bepaling die u meestal verplicht de aandelen eerst aan uw mede-aandeelhouders aan te bieden. Een overdracht in strijd met zo’n statutaire beperking is ongeldig.

Bij een asset deal moet elk vermogensbestanddeel afzonderlijk worden geleverd. Onroerende zaken gaan via een notariële akte met inschrijving in de openbare registers, vorderingen via een akte met mededeling aan de debiteur. Schulden gaan alleen over als de schuldeiser toestemming geeft, en een contract gaat alleen over met medewerking van de wederpartij. Daar zit de pijn: change-of-controlbepalingen, huurcontracten, leases, vergunningen en licenties moeten stuk voor stuk worden nagelopen. Begin daar vroeg mee, want het duurt vrijwel altijd langer dan gepland.

Voor uw medewerkers geldt het omgekeerde. Bij een asset deal die kwalificeert als overgang van onderneming gaan de arbeidsovereenkomsten van rechtswege mee over, en blijft u nog een jaar hoofdelijk verbonden voor verplichtingen van vóór de overgang. Pensioen kent een eigen regime. Bij een share deal blijft de bv gewoon de werkgever en verandert er arbeidsrechtelijk niets. Bij beide routes geldt wel het adviesrecht van de ondernemingsraad. Het advies moet worden gevraagd op een moment waarop het nog invloed kan hebben op uw besluit, en wijkt u van het advies af, dan moet u de uitvoering een maand opschorten. Hebt u geen ondernemingsraad, dan informeert u de medewerkers zelf over het besluit, de datum, de reden en de gevolgen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de route vroeg. De keuze tussen asset deal en share deal vraagt vaak jaren voorbereiding. Begin het gesprek voordat een koper zich meldt, niet erna.
  • Laat het bedrijf waarderen. Zonder een onderbouwde waardering weet u niet hoe groot de meerwaarde is en kunt u de routes niet vergelijken.
  • Vraag uw verkrijgingsprijs op. Bij een verkoop in box 2 bepaalt de verkrijgingsprijs de heffing. Na een geruisloze inbreng kan die negatief zijn.
  • Check de stakingsaftrek. Die geldt eenmaal in uw leven. Laat oude aangiften nakijken als u eerder een onderneming hebt beëindigd.
  • Reken de lijfrenteruimte door. Doe dat voordat de overdrachtsdatum vastligt, en houd rekening met de betaaltermijn van zes maanden na afloop van het stakingsjaar.
  • Haal het investeringsoverzicht op. Investeringsaftrek uit de laatste vijf jaar kan een desinvesteringsbijtelling opleveren die de opbrengst verlaagt.
  • Leg de koopprijsverdeling vast. Verdeel de koopsom per bedrijfsmiddel en onderbouw dat met taxaties op het moment van tekenen.
  • Beoordeel de btw. Gaat een hele onderneming over, dan mag u geen btw factureren. Leg de voortzettingsbedoeling van de koper vast in de overeenkomst.
  • Toets het vastgoed apart. Zit er onroerend goed in de deal, controleer dan de samenloop met de overdrachtsbelasting en of de bv als onroerendezaakrechtspersoon geldt.
  • Bewaak de wachttijden. Drie jaar na een geruisloze inbreng, en drie of zes jaar na een interne overdracht binnen een fiscale eenheid. Hebt u eerder een bedrijfsfusie of afsplitsing gedaan, waarbij een onderdeel van uw bedrijf naar een andere bv is verplaatst, laat dan vóór de verkoop toetsen of de fiscale faciliteit in stand blijft; de rechtspraak op dat punt is in 2026 gewijzigd.
  • Documenteer de koper. Verkoopt u een bv met veel beleggingen of spaargeld, leg dan schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht.
  • Meld het einde van een btw-eenheid. Zonder schriftelijke melding aan de inspecteur loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid gewoon door.
  • Vraag de ondernemingsraad tijdig om advies. Of informeer uw medewerkers als er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is.

 

Veelgestelde vragen

Is een share deal altijd voordeliger voor de verkoper?

Nee. Voor een DGA met een holding is de share deal meestal het gunstigst, omdat de deelnemingsvrijstelling de verkoopwinst vrijstelt. Maar de opbrengst zit dan in de holding en bij uitkering naar privé volgt alsnog box 2. Hebt u een eenmanszaak, dan bestaat de keuze niet en is de vraag vooral of u vooraf een bv tussen uzelf en de onderneming zet.

Moet u btw rekenen als u uw onderneming verkoopt?

Draagt u een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan geldt van rechtswege dat er geen levering plaatsvindt en mag u geen btw factureren. Doet u dat toch, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. Bij een aandelenverkoop speelt dit niet, omdat de bv dezelfde ondernemer blijft.

Kunt u de belasting over de stakingswinst uitstellen?

Ja, op twee manieren. U kunt de stakingswinst omzetten in een lijfrente, in 2026 tot maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro afhankelijk van uw situatie. Of u schuift de winst door naar een nieuwe onderneming, mits u binnen twaalf maanden herinvesteert. Beide routes stellen de heffing uit; ze stellen haar niet af.

Zijn uw advieskosten bij de verkoop aftrekbaar?

Dat hangt af van de route. Verkoopt uw holding de aandelen, dan zijn de aan- en verkoopkosten niet aftrekbaar, ook niet uw eigen interne uren. Verkoopt u de aandelen privé, dan verlagen de verkoopkosten juist uw belaste voordeel in box 2. Bij een asset deal zijn transactiekosten in beginsel gewone ondernemingskosten.

Kunt u na de verkoop nog aansprakelijk worden gesteld?

Ja. Verkoopt u aandelen in een bv waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen of liquide middelen bestaan, dan kunt u aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting van die bv over het jaar van verkoop en de drie jaren daarna. Ook aansprakelijkheden uit een fiscale eenheid en uit uw bestuursperiode lopen door. Onderzoek naar de koper en goede contractuele afspraken beperken dat risico.

U wilt uw bedrijf overdragen aan uw kind. Geldt dit artikel dan ook?

Gedeeltelijk. Bij een overdracht binnen de familie is doorschuiven meestal aantrekkelijker dan verkopen. Bij vererving en schenking van aanmerkelijkbelangaandelen kunt u de box 2-claim doorschuiven voor zover die ziet op het ondernemingsvermogen. Bij schenking moet uw kind 21 jaar of ouder zijn. Beleggingsvermogen gaat niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze tussen een asset deal en een share deal is vrijwel altijd het duurste besluit van een verkooptraject, en de beste beslissing neemt u jaren voordat de koper zich meldt. Taxcount rekent beide routes voor u door op basis van uw eigen cijfers, brengt de meerwaarde en de fiscale reserves in kaart en laat zien wat een geruisloze of ruisende inbreng in uw situatie oplevert. Wij toetsen de btw-behandeling, de samenloop met de overdrachtsbelasting bij vastgoed, de wachttijden na een eerdere herstructurering en de aansprakelijkheden die na de overdracht doorlopen. Ook de fiscale bepalingen in de koopovereenkomst nemen wij met u door, van de koopprijsverdeling tot de earn-out en de balansgarantie.

Overweegt u de komende jaren te verkopen of ligt er al een bod op tafel? Laat uw situatie dan vrijblijvend beoordelen, zodat u weet welke route in uw geval het meeste oplevert en welke stappen u nu al moet zetten.

Dit artikel bevat algemene informatie over de verkoop van een onderneming en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie, uw rechtsvorm en de afspraken in de koopovereenkomst. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een transactie aangaat.

Zie ook:

Terugbetaling van gestort kapitaal: zo haal je geld uit je bv zonder directe heffing in box 2

U wilt geld uit uw bv naar privé halen, boven uw salaris, maar u ziet op tegen de belasting die daarbij hoort. Over een dividenduitkering betaalt u in 2026 24,5 procent tot en met 68.843 euro en 31 procent over het meerdere. Er bestaat een route die dat kan uitstellen: de terugbetaling van gestort kapitaal. Wat u ooit zelf op uw aandelen heeft ingelegd, kunt u onder voorwaarden onbelast terugkrijgen. De wetgever stelt daar wel drie formele eisen aan, en één gemiste of te laat gezette stap maakt de hele uitkering alsnog belast. In dit artikel leest u wanneer een terugbetaling van gestort kapitaal onbelast blijft, waarom agio eerst moet worden omgezet in aandelenkapitaal, en wat u geregeld moet hebben vóórdat het geld uw bv verlaat.

Wat is een terugbetaling van gestort kapitaal?

Als uw bv geld overmaakt naar u als aandeelhouder, moet duidelijk zijn waar dat geld vandaan komt. Komt het uit de winst, dan is het dividend en betaalt u daarover belasting in box 2. Komt het uit het geld dat u zelf ooit in de bv heeft gestopt, dan krijgt u in feite uw eigen inleg terug. Zo’n teruggaaf hoort niet belast te zijn: u wordt er niet rijker van.

Aan een bankoverschrijving is echter niet te zien uit welke pot wordt geput. Daarom heeft de wetgever een formele regel gemaakt. Een uitkering aan de aandeelhouder is in principe gewoon belast, tenzij u een vast stappenplan precies volgt. Dat stappenplan staat in artikel 4.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Tot het gestorte kapitaal behoren drie dingen. Het nominaal aandelenkapitaal is het bedrag dat in de statuten aan uw aandelen is gekoppeld. Agio is wat er bij de uitgifte van aandelen bovenop die nominale waarde is betaald. Informeel kapitaal is een storting die formeel geen kapitaalstorting is, maar die u feitelijk als aandeelhouder in de vennootschap heeft gebracht, bijvoorbeeld doordat u een niet-zakelijke lening aan uw eigen bv heeft kwijtgescholden.

Wanneer blijft de terugbetaling onbelast in box 2?

Voor de inkomstenbelasting gelden drie voorwaarden, die alle drie moeten kloppen en die in de juiste volgorde moeten worden doorlopen:

  1. De terugbetaling is niet hoger dan uw verkrijgingsprijs.
  2. De aandeelhoudersvergadering besluit vooraf tot de terugbetaling.
  3. De nominale waarde van de aandelen wordt bij statutenwijziging met precies hetzelfde bedrag verlaagd, en dat gebeurt vóórdat het geld weggaat.

De volgorde is geen formaliteit die u achteraf kunt rechtzetten. Rechters hebben herhaaldelijk geoordeeld dat een besluit of een statutenwijziging achteraf niet meer helpt. Figuur 1 zet de vijf handelingen op een rij, met de uitbetaling bewust als laatste stap.

Figuur 1: de vijf stappen van een terugbetaling van gestort kapitaal, in de volgorde waarin u ze moet zetten.

Uw verkrijgingsprijs bepaalt de onbelaste ruimte

De verkrijgingsprijs is het bedrag dat u fiscaal in uw aandelen heeft geïnvesteerd. Die prijs is hoog als u de aandelen van een derde heeft gekocht, als u agio of informeel kapitaal heeft gestort, of als u de aandelen heeft geërfd of geschonken gekregen nadat daarover is afgerekend. Is uw bv ooit opgericht met alleen een minimaal nominaal kapitaal, dan is de onbelaste ruimte klein.

Let op na een geruisloze inbreng, waarbij u uw eenmanszaak in een bv heeft omgezet zonder fiscaal af te rekenen: uw verkrijgingsprijs kan dan zelfs negatief zijn. In dat geval is er geen onbelaste ruimte en levert deze route u niets op. Laat de verkrijgingsprijs daarom eerst vaststellen en vastleggen voordat u een terugbetaling voorbereidt.

De aandeelhoudersvergadering besluit vooraf

Het besluit tot terugbetaling moet er zijn vóórdat er wordt betaald. In dat besluit vermindert de algemene vergadering het geplaatste kapitaal, wijst zij aan op welke aandelen wordt terugbetaald en regelt zij de uitvoering. Een besluit dat u voor een reeks jaren vooruit neemt, met bedragen en momenten die nog niet vaststaan, accepteert de Belastingdienst niet. Keert u meerdere keren uit, dan doorloopt u de hele cyclus per keer opnieuw.

De statutenwijziging gaat vóór de betaling

De laatste stap is een wijziging van de statuten waarbij de nominale waarde van de aandelen met hetzelfde bedrag daalt. Die wijziging moet zijn afgerond voordat het geld wordt overgemaakt, tegoedgeschreven of verrekend. Ook een boeking in rekening-courant telt al als betaling. In een zaak waarin effecten en deposito’s vóór de statutenwijziging naar de aandeelhouder waren overgeboekt en dat achteraf via de rekening-courant werd rechtgetrokken, was de uitkering gewoon belast: het vermogen had de bv al blijvend verlaten.

Staat het geld als agio op de balans? Zet het eerst om

Staat uw inleg op de balans als agio of als informeel kapitaal, dan kunt u de derde voorwaarde niet meteen halen: de vermindering van de nominale waarde. Er valt namelijk niets te verminderen, want agio heeft geen nominale waarde. U moet het agio daarom eerst omzetten in nominaal aandelenkapitaal. Dat kan door bonusaandelen uit te reiken of door het bedrag bij te schrijven op de bestaande aandelen. De aandelen die u daarbij krijgt, zijn zelf geen belast voordeel.

Deze omweg wordt in de praktijk gemakkelijk overgeslagen, en dat is fataal. In een uitspraak van de Hoge Raad uit 2008 had een aandeelhouder 3,3 miljoen gulden aan agio laten uitkeren op basis van een besluit van de aandeelhoudersvergadering, maar zonder omzetting en zonder statutenwijziging. De volledige uitkering werd belast als regulier voordeel, dus als een gewone opbrengst van de aandelen net als dividend, ook al had de bv op dat moment geen winstreserves. Het gerechtshof merkte op dat de heffing eenvoudig had kunnen worden vermeden door het agio eerst om te zetten en daarna het kapitaal te verminderen.

Wilt u snel zien of uw situatie de toets doorstaat, loop dan de vijf vragen van figuur 2 langs. Eén keer nee betekent dat de uitkering belast is.

Figuur 2: beslisboom. Alle vijf vragen moeten met ja worden beantwoord voordat een terugbetaling onbelast blijft.

Een rekenvoorbeeld

Stel dat uw verkrijgingsprijs 100.000 euro bedraagt. U laat uw bv 40.000 euro aan gestort kapitaal terugbetalen en u volgt alle formele stappen. Dat bedrag is geen belast voordeel, maar uw verkrijgingsprijs daalt wel naar 60.000 euro.

Een jaar later betaalt uw bv nog eens 70.000 euro terug. Daarvan is 60.000 euro onbelast, en 10.000 euro wordt belast als regulier voordeel in box 2. Heeft u dat jaar geen ander inkomen in box 2, dan betaalt u daarover 24,5 procent, dus 2.450 euro. Uw verkrijgingsprijs staat daarna op nul, waardoor elke volgende terugbetaling volledig belast is.

Deze route levert dus uitstel op en geen afstel. Dat uitstel kan wel groot zijn. Keert u 500.000 euro in één jaar als dividend uit, dan betaalt u daarover ongeveer 150.500 euro belasting in box 2: 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over het meerdere. Is uw verkrijgingsprijs 500.000 euro, dan schuift u met een kapitaalterugbetaling dat hele bedrag voor u uit.

Figuur 3 laat het verloop van uw onbelaste ruimte zien, met de box 2-tarieven van 2026 eronder.

Figuur 3: het verloop van de verkrijgingsprijs bij twee terugbetalingen, van 100.000 euro naar 60.000 euro naar nul.

Wat betekent dit voor de dividendbelasting?

Er zijn twee wetten in het spel, en die beoordelen dezelfde betaling langs een andere maatstaf. De inkomstenbelasting kijkt naar uw persoonlijke verkrijgingsprijs. De dividendbelasting kijkt naar de vennootschap en vraagt of er zuivere winst is. Zuivere winst is alles wat de bv méér waard is dan wat er op de aandelen is gestort.

Dat begrip is ruimer dan veel ondernemers denken. Naast de zichtbare winstreserves tellen ook mee: wettelijke reserves die u civielrechtelijk juist niet mag uitkeren, zoals een deelnemingsreserve of een herwaarderingsreserve, stille reserves en goodwill die niet op de balans staan, en winst die u binnen afzienbare tijd verwacht. De Hoge Raad oordeelde in 2014 dat een concern met een grote wettelijke reserve voor deelnemingen zuivere winst heeft, ook al mag die reserve niet worden uitgekeerd. Figuur 4 laat zien welk deel van uw eigen vermogen onbelast terug kan en welk deel als zuivere winst geldt.

Figuur 4: het eigen vermogen uitgesplitst. Alleen het fiscaal gestorte kapitaal kan onbelast terug; al het meerdere is zuivere winst.

Loopt de formele route goed, dan hoeft er geen dividendbelasting te worden ingehouden. Gaat het mis en is er zuivere winst, dan moet uw bv 15 procent dividendbelasting inhouden en afdragen. Die dividendbelasting is een voorheffing: u verrekent haar met uw aanslag inkomstenbelasting, maar het geld is dan wel eerst weg.

Over de vraag of de heffing bij een misgelopen route beperkt blijft tot het bedrag van de aanwezige zuivere winst, lopen de standpunten uiteen. Het gepubliceerde beleid en een standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst gaan uit van zo’n plafond. Een arrest van de Hoge Raad uit 2014 is op dat punt strenger geformuleerd. Reken daarom niet op een gedeeltelijke heffing zonder dat een fiscalist uw situatie heeft beoordeeld.

Gaat het mis, dan is er wel een vangnet. Een belaste terugbetaling tast het fiscaal erkende gestorte kapitaal niet aan. Wordt uw bv later opgeheven, dan blijft de liquidatie-uitkering tot dat bedrag onbelast, zodat over dezelfde winst niet twee keer wordt geheven.

Wilt u leunen op het argument dat er geen zuivere winst is, dan ligt de bewijslast bij uw bv zodra het zichtbare eigen vermogen hoger is dan het gestorte kapitaal. Een verlieshistorie of een gedaalde waarde is daarvoor niet genoeg: u heeft een onderbouwde waardering nodig, en die legt u vóór de betaling vast.

Welke stappen schrijft het vennootschapsrecht voor?

Naast de fiscale route loopt een civielrechtelijke route. De algemene vergadering besluit tot vermindering van het geplaatste kapitaal, dus van de nominale waarde van alle uitgegeven aandelen samen, en wijst de betrokken aandelen aan. De terugbetaling gaat naar evenredigheid over alle aandelen, tenzij de statuten iets anders bepalen of alle betrokken aandeelhouders instemmen.

Voor een bv geldt daarnaast dat u alleen mag terugbetalen voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die de wet of de statuten voorschrijven. Dit heet de balanstoets. Het bestuur moet de uitkering bovendien goedkeuren na de uitkeringstoets: de controle of de vennootschap haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Komt de bv daarna in de problemen, dan zijn bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien jegens de bv hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, en moet u als ontvanger het tekort vergoeden als u die problemen zelf ook wist of behoorde te voorzien, tot maximaal het bedrag dat u heeft ontvangen en vermeerderd met de wettelijke rente.

Is uw vennootschap een nv, dan duurt de route langer. Het besluit moet worden neergelegd bij het handelsregister en worden aangekondigd in een landelijk verspreid dagblad. Schuldeisers kunnen twee maanden lang bij de rechtbank zekerheid vragen. Zolang dat verzet mogelijk is, wordt het besluit niet van kracht en kan de akte van statutenwijziging niet worden gepasseerd. Bij een nv geldt bovendien een strengere balanstest, en een besluit dat daarmee in strijd is, is nietig. Figuur 5 zet de doorlooptijd van een bv naast die van een nv.

Figuur 5: dezelfde route bij een bv en bij een nv. Bij een nv komt er een verzettermijn van twee maanden bij.

Wanneer werkt deze route niet?

De terugbetaling van gestort kapitaal is niet in elke situatie bruikbaar. Let vooral op de volgende gevallen:

  • Aandelen zonder nominale waarde. Is er geen nominale waarde, dan valt er ook niets te verminderen. Zonder nominale waarde haalt u de derde voorwaarde niet, zodat de terugbetaling belast is voor zover de vennootschap zuivere winst heeft, ook als het om agio of informeel kapitaal gaat; heeft de buitenlandse vennootschap wél aandelen met een nominale waarde en verlaagt zij die volgens een met de Nederlandse vergelijkbare procedure, dan kan de terugbetaling onbelast blijven. Dit speelt bij sommige buitenlandse vennootschappen, bijvoorbeeld een Belgische nv die uitkeert aan een aandeelhouder in Nederland.
  • Open cv en fonds voor gemene rekening. Deze samenwerkingsvormen hebben geen aandeelhoudersvergadering, geen nominaal aandelenkapitaal en geen statuten, en kunnen de route dus niet lopen.
  • Kapitaal na een fusie of splitsing. Na een aandelenfusie, een juridische fusie of een splitsing wordt een deel van het gestorte kapitaal fiscaal niet erkend. Stel eerst vast welk deel wél erkend is, voordat u een terugbetaling voorbereidt.
  • Emigratie met een conserverende aanslag. Woont u buiten Nederland en is bij uw vertrek een conserverende aanslag opgelegd, dus een aanslag over de waarde van uw aandelen die u nog niet hoeft te betalen, dan maakt elke teruggaaf van gestort kapitaal een evenredig deel van die aanslag opeisbaar.
  • De aandelen zijn in handen van een holding. Is de ontvanger een vennootschap waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, de regeling die winst uit een dochter bij de moeder onbelast laat, dan is een gewoon dividend meestal al vrij van dividendbelasting. Deze route is dan overbodig. Het voordeel zit bij u als natuurlijk persoon in box 2.

Bij een buitenlandse vennootschap met een vergelijkbare procedure kan het wel goed gaan. De Belastingdienst accepteerde een onbelaste teruggaaf toen er een aandeelhoudersbesluit was én de vermindering van de nominale waarde in de statuten werd verwerkt. Wijkt de buitenlandse procedure sterker af, dan is de uitkomst onzeker.

Is inkoop van aandelen een alternatief?

Op het eerste gezicht lijkt inkoop van eigen aandelen op een terugbetaling van kapitaal: er gaat geld van de bv naar u, en uw belang wordt kleiner. Fiscaal pakt het anders uit. Inkoop geldt als een verkoop van uw aandelen, waarbij altijd wordt gerekend met de waarde in het economische verkeer, dus met de prijs die een derde ervoor zou betalen. U rekent dan dus af in box 2, ook als de bv inkoopt tegen de nominale waarde. Bij een terugbetaling van kapitaal blijft het bedrag tot uw verkrijgingsprijs juist onbelast.

Er speelt nog iets. Koopt uw bv aandelen in beneden het gemiddeld gestorte kapitaal, dan daalt volgens de Belastingdienst het fiscaal erkende gestorte kapitaal met het hogere bedrag. U verliest daarmee ruimte voor een latere onbelaste uitkering. Weeg de routes daarom naast elkaar af, samen met de keuze tussen salaris en dividend. Figuur 6 zet de verschillen op vijf punten naast elkaar.

Figuur 6: terugbetaling van gestort kapitaal tegenover inkoop van eigen aandelen, op vijf punten vergeleken.

Aflossen van een lening bij uw eigen bv

Een terugbetaling van kapitaal maakt geld vrij waarmee u een hoge schuld aan uw eigen bv kunt aflossen. Dat kan belangrijk zijn: leent u samen met uw partner meer dan 500.000 euro van uw eigen vennootschap, dan wordt het meerdere belast als een fictief regulier voordeel in box 2. Die grens wordt verhoogd met bedragen die in eerdere jaren al in de heffing zijn betrokken. De stand wordt gemeten op 31 december. Aflossen vóór die datum voorkomt de heffing over het jaar.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Verkrijgingsprijs vaststellen. Laat berekenen en vastleggen hoeveel u fiscaal in uw aandelen heeft geïnvesteerd, en hoeveel daarvan al is verbruikt door eerdere onbelaste terugbetalingen.
  • Balans uitsplitsen. Splits het eigen vermogen in nominaal kapitaal, agio, wettelijke reserves, statutaire reserves en overige reserves. Zonder die uitsplitsing weet u niet welk deel onbelast terug kan.
  • Agio eerst omzetten. Zet agio en informeel kapitaal om in nominaal aandelenkapitaal, door bijschrijving op de aandelen of door uitreiking van bonusaandelen.
  • Zuivere winst beoordelen. Bepaal of er zuivere winst is, inclusief stille reserves, goodwill en wettelijke reserves. Legt u vast dat die ontbreekt, doe dat dan vóór de betaling en met een onderbouwde waardering.
  • Besluit nemen en toetsen doorlopen. Neem een besluit van de aandeelhoudersvergadering, wijs de aandelen aan en laat het bestuur de balanstoets en de uitkeringstoets vastleggen.
  • Statuten wijzigen vóór de betaling. Laat de statutenwijziging afronden voordat er wordt overgemaakt, tegoedgeschreven of verrekend in rekening-courant.
  • Per keer opnieuw. Bij meerdere terugbetalingen herhaalt u besluit en statutenwijziging elke keer, kort na elkaar en in samenhang.
  • Extra stappen bij een nv. Denk aan de nederlegging bij het handelsregister, de aankondiging in een landelijk dagblad en de verzettermijn van twee maanden.
  • Woont u in het buitenland? Houd rekening met de invordering van een deel van uw conserverende aanslag en informeer de Belastingdienst daarover tijdig en schriftelijk.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen dividend en een terugbetaling van gestort kapitaal?

Dividend is een uitkering uit de winst en is belast in box 2. Een terugbetaling van gestort kapitaal is een teruggaaf van wat u zelf op de aandelen heeft ingelegd. Die blijft onbelast tot het bedrag van uw verkrijgingsprijs, maar alleen als u de formele stappen in de juiste volgorde doorloopt.

Kan ik agio zomaar aan mijzelf uitkeren?

Nee. Agio heeft geen nominale waarde, dus er valt niets statutair te verminderen. U moet het agio eerst omzetten in nominaal aandelenkapitaal. Keert u agio rechtstreeks uit, dan is de uitkering belast als regulier voordeel, ook als uw bv geen winstreserves heeft.

Wat gebeurt er als de statutenwijziging te laat komt?

Dan is de hele uitkering belast in box 2. Herstel achteraf werkt niet: een statutenwijziging in een later jaar helpt niet meer, en een besluit buitengerechtelijk vernietigen kan niet. Ook een beroep op dwaling over de fiscale gevolgen is door de rechter afgewezen.

Verlaagt een terugbetaling mijn verkrijgingsprijs?

Een onbelaste terugbetaling verlaagt uw verkrijgingsprijs met hetzelfde bedrag, tot maximaal nul. Is de terugbetaling wél belast, dan blijft uw verkrijgingsprijs juist ongemoeid. Uw ruimte voor een latere onbelaste uitkering gaat in dat geval dus niet verloren.

Moet mijn bv dividendbelasting inhouden?

Als de formele route klopt, hoeft dat niet. Loopt de route mis en heeft uw bv zuivere winst, dan moet zij 15 procent dividendbelasting inhouden en afdragen. Bent u aanmerkelijkbelanghouder in uw eigen bv, dan mag de dividendnota achterwege blijven.

Hoe vaak kan ik dit doen?

Zo vaak als uw verkrijgingsprijs het toelaat, maar u doorloopt de hele cyclus elke keer opnieuw. Eén besluit voor een reeks jaren, met bedragen die nog afhangen van toekomstige resultaten, wordt niet geaccepteerd.

Hoe Taxcount u kan helpen

De route is goed te lopen, maar de volgorde laat geen enkele fout toe. Taxcount berekent uw verkrijgingsprijs en de resterende onbelaste ruimte, splitst uw balans uit naar nominaal kapitaal, agio en reserves, en beoordeelt of er zuivere winst is. Wij stellen het besluit van de aandeelhoudersvergadering op, leggen de balanstoets en de uitkeringstoets vast, en stemmen de statutenwijziging en het moment van betaling met uw notaris af.

Daarnaast zetten wij de route af tegen de alternatieven: salaris, dividend of inkoop van aandelen, en het aflossen van een schuld aan uw eigen bv. Wilt u weten hoeveel u onbelast uit uw bv kunt halen en wat daarvoor moet gebeuren? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een adviseur voordat u handelt.

Zie ook: