Meewerkaftrek 2026: zo verwerk je het meewerken van je partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Kostenegalisatiereserve: zo verdeel je grote, terugkerende kosten gelijkmatig over de jaren

 

Sommige kosten in uw onderneming komen niet elk jaar even hoog terug, maar af en toe in een grote uitgave in een keer. Denk aan groot onderhoud aan een pand, een schip of een installatie dat maar eens in de zoveel jaar nodig is. Zonder maatregel zakt uw winst in het onderhoudsjaar fors in, terwijl die in de jaren ervoor te hoog lijkt. De kostenegalisatiereserve lost dat op: u zet elk jaar alvast een vast bedrag opzij, zodat de kosten gelijkmatig over de jaren drukken. In dit artikel leest u wat de kostenegalisatiereserve is, wanneer u er gebruik van mag maken en waar u op moet letten.

Wat is de kostenegalisatiereserve?

De kostenegalisatiereserve, ook wel egalisatiereserve, is een fiscale reserve waarmee u een toekomstige, ongelijk verdeelde kostenpost gelijkmatig over de jaren verdeelt (artikel 3.53, lid 1, onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001). U verwacht in de toekomst een grote uitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud, en u reserveert daar nu al jaarlijks een deel voor. Daardoor drukt elk jaar een gelijk bedrag op uw winst, in plaats van een enkele piek in het jaar waarin u de kosten maakt.

De reserve berust op goed koopmansgebruik, de fiscale spelregels voor het bepalen van de jaarwinst. Het is een keuzerecht: u mag de reserve vormen, maar u bent daartoe niet verplicht. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u normaal activeert en over meerdere jaren afschrijft.

Voor wie is de reserve interessant?

De kostenegalisatiereserve is er voor alle ondernemingen met periodiek terugkerende, ongelijk verdeelde kosten die in een later jaar tot een uitgavenpiek leiden. Denk aan groot onderhoud aan een schip, een pand of een machine, of aan een grote, verplichte keuring. De reserve geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, vof of maatschap, als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Voor de vennootschapsbelasting werkt de regeling door via artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de praktijk is het belang van deze reserve de laatste jaren afgenomen. Sinds een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 1998 (het Baksteenarrest) kunt u voor veel toekomstige kosten een voorziening vormen, die vaak ruimere mogelijkheden biedt. De kostenegalisatiereserve speelt daardoor vooral nog een rol in situaties waarin geen voorziening mogelijk is.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Uit de rechtspraak zijn vier voorwaarden afgeleid waaraan u tegelijk moet voldoen. Ten eerste worden de kosten in de toekomst ongelijkmatig over de jaren uitgegeven. Ten tweede zijn de kosten opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in de jaren waarover u reserveert. Ten derde leiden die kosten in een later jaar tot een echte piek in de uitgaven; dit wordt het piekvereiste genoemd. En ten vierde bestaat er een redelijke mate van zekerheid dat u de uitgaven daadwerkelijk gaat doen, bijvoorbeeld op grond van een onderhoudsplan of keuringsschema (zie figuur 1).

Figuur 1: u mag alleen een kostenegalisatiereserve vormen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet. Ontbreekt de piek in de uitgaven, dan is de reserve niet mogelijk.

Ontbreekt de piek, bijvoorbeeld bij min of meer gelijkmatig jaarlijks onderhoud, dan is er geen grond voor een egalisatiereserve. Verder geldt een belangrijke beperking, het inhaalverbod: u mag alleen vooruit reserveren vanaf het moment dat de toekomstige kosten zijn opgeroepen. U mag geen bedrag inhalen over jaren die al voorbij zijn.

Hoe berekent u de jaarlijkse toevoeging?

De jaarlijkse toevoeging aan de reserve heet de dotatie. U bepaalt die volgens goed koopmansgebruik en een bestendige gedragslijn, wat betekent dat u de methode elk jaar op dezelfde manier toepast. Bij de hoogte mag u rekening houden met verwachte loon- en prijsstijgingen (artikel 3.53, lid 2 in samenhang met artikel 3.26 Wet inkomstenbelasting 2001).

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel, uw schip moet eens in de vijf jaar groot onderhoud krijgen dat naar schatting 50.000 euro kost. U mag dan jaarlijks 50.000 euro gedeeld door 5 is 10.000 euro aan de reserve toevoegen (zie figuur 2). Verwacht u dat de kosten door prijsstijging oplopen, bijvoorbeeld met 10 procent per jaar, dan mag u met die stijging rekening houden en jaarlijks een wat hoger bedrag reserveren. In het jaar waarin u het onderhoud laat uitvoeren, valt de reserve vrij tegen de werkelijke uitgave.

Figuur 2: door jaarlijks 10.000 euro te reserveren, verdeelt u het onderhoud van 50.000 euro gelijkmatig over vijf jaar. In jaar 5 valt de reserve vrij tegen de werkelijke kosten.

Kostenegalisatiereserve of voorziening: wat is het verschil?

Naast de reserve bestaat de voorziening, een andere manier om toekomstige kosten alvast ten laste van de winst te brengen. Het belangrijkste verschil is het inhaalverbod. Bij de kostenegalisatiereserve mag u niet inhalen over verstreken jaren, terwijl dat bij een voorziening in beginsel wel kan.

Sinds het Baksteenarrest van 1998 is de ruimte voor een voorziening flink verruimd. Daardoor is de praktijkbetekenis van de kostenegalisatiereserve afgenomen: voor veel toekomstige kosten biedt een voorziening nu meer mogelijkheden. Het is daarom verstandig om per situatie te laten toetsen welke van de twee het gunstigst uitpakt.

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve is bedoeld voor een concreet doel. Zodra dat doel vervalt, moet u de reserve geheel of gedeeltelijk laten vrijvallen. Dat betekent dat het opzijgezette bedrag weer als winst meetelt en wordt belast. Vrijval is onder meer aan de orde als het onderhoud definitief niet doorgaat, als u niet langer van plan bent de uitgave te doen, als er geen sprake meer is van een ongelijke verdeling, of als u uw onderneming staakt.

Een geruisloze doorschuiving, waarbij een ander uw onderneming fiscaal voortzet zonder dat u hoeft af te rekenen, geldt niet als staking. In dat geval hoeft de reserve dus niet vrij te vallen. Houd doorlopend in de gaten of de grond voor uw reserve nog bestaat, zodat u een verplichte vrijval niet mist.

Praktische checklist: dit regelt u rond de kostenegalisatiereserve

  • Kostensoort bepalen: controleer of het echt om kosten gaat en niet om de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u activeert en afschrijft; alleen kosten komen in aanmerking.
  • Piek aantonen: leg vast dat de kosten ongelijk over de jaren terugkomen met een duidelijke piek in een jaar; zonder piek is geen reserve mogelijk.
  • Zekerheid onderbouwen: bewaar een onderhoudsplan, keuringsschema of andere stukken waaruit blijkt dat de uitgave redelijk zeker is.
  • Dotatie berekenen: verdeel de geschatte kosten over de jaren en houd waar nodig rekening met loon- en prijsstijging; pas de methode elk jaar op dezelfde manier toe.
  • Inhaalverbod respecteren: reserveer alleen vooruit en haal geen bedrag in over jaren die al voorbij zijn.
  • Voorziening vergelijken: laat ook toetsen of een voorziening mogelijk is; die is sinds 1998 vaak ruimer en voordeliger.
  • Vrijval bewaken: houd bij of het doel van de reserve nog bestaat en laat de reserve vrijvallen zodra dat doel vervalt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een kostenegalisatiereserve en sparen?

Bij deze reserve zet u niet echt geld op een aparte rekening, maar u verlaagt uw fiscale winst met een jaarlijks bedrag. Zo verdeelt u de belastingdruk gelijkmatig over de jaren. In het jaar waarin u de kosten maakt, valt de reserve vrij en wordt zij verrekend met de werkelijke uitgave.

Mag ik voor jaarlijks onderhoud een egalisatiereserve vormen?

Nee. De regeling is alleen bedoeld voor kosten die ongelijk over de jaren terugkomen en tot een piek leiden. Onderhoud dat elk jaar ongeveer hetzelfde kost, mist die piek en komt daarom niet in aanmerking.

Kan ik een reserve vormen voor de aanschaf van een nieuwe machine?

Nee. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel. Een machine activeert u en schrijft u over meerdere jaren af; daarvoor bestaan andere regelingen, zoals de willekeurige afschrijving of de investeringsaftrek.

Is een voorziening beter dan een kostenegalisatiereserve?

Dat hangt af van uw situatie. Sinds 1998 biedt een voorziening voor veel toekomstige kosten ruimere mogelijkheden, onder meer omdat het inhaalverbod daar niet geldt. Het is verstandig beide opties te laten vergelijken.

Geldt de kostenegalisatiereserve ook voor mijn bv?

Ja. Via de vennootschapsbelasting werkt de regeling ook door naar bv’s en andere belastingplichtige lichamen. De voorwaarden zijn dezelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een kostenegalisatiereserve in uw situatie is toegestaan en voordelig is, vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Taxcount bekijkt of aan het piekvereiste en de overige voorwaarden is voldaan, berekent een onderbouwde jaarlijkse dotatie en vergelijkt de reserve met de mogelijkheid van een voorziening. Ook bewaken wij de momenten waarop de reserve moet vrijvallen, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Wilt u weten of u een grote, terugkerende kostenpost fiscaal slim kunt spreiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Willekeurige afschrijving 2026: zelf je afschrijvingstempo bepalen en belasting uitstellen

 

Investeer je in een bedrijfsmiddel, dan schrijf je de aanschafprijs normaal in vaste jaarlijkse stappen af. Bij bepaalde investeringen mag je dat tempo echter zelf bepalen. Dat heet willekeurige afschrijving en het levert je een liquiditeits- en rentevoordeel op: je haalt de aftrek naar voren, verlaagt je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. In 2026 geldt willekeurige afschrijving vooral voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (de VAMIL) en voor investeringen van startende ondernemers. In dit artikel lees je hoe willekeurige afschrijving werkt, voor wie zij geldt, wat zij oplevert en aan welke voorwaarden en termijnen je moet voldoen.

Wat is willekeurige afschrijving?

Normaal schrijf je een bedrijfsmiddel in vaste stappen af: per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs (bij goodwill 10%), zodat je er minstens vijf jaar over doet. Bij willekeurige afschrijving mag je dat tempo zelf kiezen. Je verdeelt het af te schrijven bedrag (de aanschaf- of voortbrengingskosten min de restwaarde) naar eigen inzicht over de jaren. Je mag dus in het begin veel of zelfs alles ineens afschrijven.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. Je schrijft niet meer af, maar wel eerder. Door de aftrek naar voren te halen, verlaag je je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. Zo hou je het geld langer in het bedrijf (het liquiditeitsvoordeel) en bespaar je rente (het rentevoordeel). De totale aftrek over de jaren blijft gelijk; het gaat dus om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt willekeurige afschrijving?

Willekeurige afschrijving is geen algemene regeling, maar geldt voor twee specifieke groepen: investeerders in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en startende ondernemers.

Milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL)

De VAMIL geldt voor alle ondernemingen die investeren in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat, in Nederland nog niet gangbaar is en niet eerder is gebruikt. Deze variant staat open voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en zelfs voor medegerechtigden zoals een commanditaire vennoot. Een urencriterium geldt hierbij niet. Voor milieu-bedrijfsmiddelen mag je sinds 2011 wel maar 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de resterende 25% volgt de normale afschrijvingsregels.

Startende ondernemers

De startersvariant geldt voor natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek, de startersaftrek. Zij mogen op hun investeringen versneld afschrijven, tot een investeringsplafond dat gelijk is aan het maximale bedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor 2026 is dat plafond 398.236 euro. Over het meerdere gelden de normale afschrijvingsregels. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Wat levert willekeurige afschrijving op?

Het voordeel is een rente- en liquiditeitsvoordeel. Een voorbeeld maakt het duidelijk (zie figuur 1). Een startende ondernemer koopt een machine van 50.000 euro met een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nul. Normaal trekt hij vijf jaar lang 10.000 euro per jaar af. Met willekeurige afschrijving mag hij in jaar 1 bijvoorbeeld het volle bedrag van 50.000 euro aftrekken. Tegen een tarief van ongeveer 37% scheelt dat in jaar 1 zo’n 18.500 euro minder belasting. In de jaren daarna betaal je dat weer terug, omdat er niets meer valt af te schrijven. Het blijft dus uitstel.

Figuur 1: bij normale afschrijving verdeel je de kosten over vijf jaar; bij willekeurige afschrijving haal je de aftrek naar voren. De totale aftrek blijft gelijk.

Let op dat willekeurige afschrijving geen permanent voordeel oplevert. In een jaar met weinig of geen winst kan het naar voren halen van de aftrek juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo daarom op basis van de winst en de tarieven die je de komende jaren verwacht.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

De voorwaarden verschillen per variant. Voor beide geldt dat je de keuze voor willekeurige afschrijving in je aangifte maakt; de faciliteit wordt niet automatisch toegepast.

Bij milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) moet je de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De kosten moeten minstens 2.500 euro per melding bedragen. De VAMIL is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA). De vier stappen voor een milieu-bedrijfsmiddel staan in figuur 2. Bij de startersvariant bewaken je het investeringsplafond en let je erop dat bepaalde bedrijfsmiddelen (zoals goederen die je aan derden ter beschikking stelt) zijn uitgesloten.

Figuur 2: de vier stappen bij willekeurige afschrijving van een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL), van investeren tot het combineren met de MIA.

Parameter Waarde in 2026 Geldt voor
Willekeurig af te schrijven deel 75% van de kosten milieu-bedrijfsmiddelen
Drempel per melding 2.500 euro milieu-bedrijfsmiddelen
Meldingstermijn bij RVO binnen 3 maanden milieu-bedrijfsmiddelen
Investeringsplafond 398.236 euro startende ondernemers
Sanctietermijn (terugname) 5 jaar (zeeschepen: 10 jaar) startende ondernemers / zeeschepen

 

Waar moet je op letten?

Voldoe je binnen de sanctietermijn niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen. De boekwaarde wordt dan alsnog gesteld op de waarde zonder willekeurige afschrijving, waardoor het genoten voordeel wordt teruggedraaid. Deze terugname geldt bijvoorbeeld als je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar anders gaat gebruiken of verkoopt.

Ook is willekeurige afschrijving niet bedoeld voor constructies. In een uitspraak van de rechtbank uit 2019 draaide het om een samenwerkingsverband dat alleen was opgezet om via willekeurige afschrijving een fiscaal voordeel te creëren en de machines daarna door te verkopen aan een gelieerde bv. De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een echte onderneming; de verliezen werden teruggedraaid en er volgde een boete. Er moet dus een reële onderneming met een winstverwachting achter de investering zitten.

Praktische checklist: dit regel je bij willekeurige afschrijving

  • Variant bepalen: ga na of je investering een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL) is of dat je als starter met de verhoogde zelfstandigenaftrek in aanmerking komt.
  • Tijdig melden bij RVO: meld een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO. Zonder tijdige melding vervalt het recht op VAMIL.
  • Drempel en plafond bewaken: controleer of de kosten van een milieu-bedrijfsmiddel minstens 2.500 euro zijn en of je investering als starter binnen het plafond van 398.236 euro blijft.
  • Keuze in de aangifte: neem de keuze voor willekeurige afschrijving op in je aangifte; de faciliteit komt niet vanzelf.
  • Tempo plannen: stem het afschrijvingstempo af op de winst en tarieven die je de komende jaren verwacht, zodat de aftrek maximaal rendeert.
  • Terugname voorkomen: houd rekening met de sanctietermijn van vijf jaar (zeeschepen tien jaar) en bewaar de gegevens, zodat je een terugname kunt onderbouwen of voorkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen willekeurige afschrijving en investeringsaftrek?

Willekeurige afschrijving verandert alleen het tempo waarin je afschrijft en levert een timingvoordeel op; de totale aftrek blijft gelijk. Investeringsaftrek (zoals KIA, EIA of MIA) is een extra aftrekpost boven op de normale afschrijving en verlaagt je winst dus blijvend.

Kan ik VAMIL en MIA combineren?

Ja. De willekeurige afschrijving voor milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA). De combinatie met de energie-investeringsaftrek (EIA) is echter uitgesloten.

Moet ik de milieu-investering melden?

Ja. Je moet een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting melden bij RVO. Zonder tijdige melding bestaat er geen recht op willekeurige afschrijving.

Levert versneld afschrijven altijd voordeel op?

Nee. In een jaar met weinig of geen winst slaat de aftrek tegen een laag tarief neer en kan het naar voren halen nadelig zijn. Het voordeel hangt af van je winst en de tarieven per jaar.

Mag mijn bv ook als starter versneld afschrijven?

Nee. De startersvariant geldt alleen voor natuurlijke personen met recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek. Bv’s en andere rechtspersonen zijn hiervan uitgesloten, maar kunnen wel gebruikmaken van de VAMIL voor milieu-bedrijfsmiddelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je investering in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving, verzorgt de tijdige melding bij RVO en berekent het plafond voor starters. Vooral bij het plannen van het afschrijvingstempo over meerdere jaren valt vaak voordeel te halen, want de beste keuze hangt af van je verwachte winst en tarieven. Wij zorgen dat de keuze correct in je aangifte komt en dat je geen terugname riskeert. Wil je het maximale liquiditeitsvoordeel uit je investering halen? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Schenking op papier: zo hevel je vermogen over zonder het geld nu al weg te geven

 

Veel ouders willen alvast vermogen overhevelen naar hun kinderen, maar kunnen of willen het geld nog niet missen. Vaak zit het vermogen vast in de eigen woning of in de onderneming. De schenking op papier biedt dan uitkomst: je schenkt op papier, terwijl het geld bij je blijft. Zo verklein je vast je latere nalatenschap en bespaar je mogelijk erfbelasting. Deze constructie werkt fiscaal alleen als je je aan strikte voorwaarden houdt, waaronder een notariële akte en het jaarlijks daadwerkelijk betalen van 6% rente. In dit artikel lees je hoe een schenking op papier werkt, welke voorwaarden gelden in 2026 en waar de valkuilen zitten.

Wat is een schenking op papier?

Een schenking op papier heet officieel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid. Je maakt het geld niet echt over, maar erkent op papier dat je een bedrag schuldig bent aan bijvoorbeeld je kind. Je spreekt af dat dit bedrag pas opeisbaar is bij je overlijden. Je houdt het geld dus zelf, maar je kind heeft nu al een vordering op je.

Waarom doen mensen dit? Door nu te schenken wordt je latere nalatenschap kleiner. Bij je overlijden staat er immers een schuld aan je kind tegenover je bezit. Over de schenking betaal je nu schenkbelasting, maar vaak valt die binnen de jaarlijkse vrijstelling. Daarnaast betaal je jaarlijks 6% rente aan je kind, waarmee je opnieuw belastingvrij vermogen verschuift. Figuur 1 laat de stappen zien, van de schuldigerkenning tot het overlijden.

 Figuur 1: zo verloopt een schenking op papier, van schuldigerkenning tot overlijden.

Hoeveel mag je belastingvrij schenken in 2026?

Voor een schenking van ouders aan een kind is in 2026 jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld. Blijft de schenking daaronder, dan betaal je geen schenkbelasting en hoef je zelfs geen aangifte te doen. Het is een zogenoemde voetvrijstelling: alleen het bedrag boven de vrijstelling wordt belast. Over dat meerdere betaal een kind 10% schenkbelasting, zolang de verkrijging in 2026 niet boven 158.669 euro uitkomt. Daarboven geldt 20%.

Let op de samentelling. Alle schenkingen die je en je partner in één kalenderjaar aan hetzelfde kind doen, worden bij elkaar opgeteld en als één schenking belast. Een schenking op papier telt dus samen met eventuele contante schenkingen in datzelfde jaar. Voor een kind tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling: 33.129 euro vrij besteedbaar of 69.009 euro als het geld naar een dure studie gaat. Op die eenmalige vrijstelling moet je wel een beroep doen in de aangifte.

Waarom bespaar je er later erfbelasting mee?

Bij je overlijden staat de schuld die je op papier bent aangegaan als aftrekpost tegenover je bezit. Je nalatenschap is daardoor kleiner. Erft je kind, dan geldt in 2026 een vrijstelling van 26.230 euro; over het meerdere betaal je kind 10% erfbelasting, of 20% boven 158.669 euro. Door tijdens leven jaarlijks op papier te schenken, verschuif je vermogen tegen de jaarlijkse schenkvrijstelling en verklein je het bedrag dat later tegen die tarieven wordt belast. De jaarlijkse 6% rente die je aan je kind betaal, verschuif je bovendien extra vermogen zonder heffing.

Welke voorwaarden gelden er? De valkuil van artikel 10

De wet kent een belangrijke valkuil: artikel 10 van de Successiewet. Hou je tot je overlijden het voordeel van het geld, doordat je geen of te weinig rente betaal, dan word je geacht het genot van die vordering te hebben gehouden. Het gevolg is hard: bij je overlijden wordt het volledige schuldig erkende bedrag alsnog met erfbelasting belast, alsof je nooit had geschonken. Om dat te voorkomen gelden drie eisen, samengevat in figuur 2.

  • Notariële akte: de schenking die pas opeisbaar is bij overlijden moet bij de notaris worden vastgelegd. Ontbreekt de akte, dan vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in je nalatenschap.
  • Rente van 6%: over het schuldig erkende bedrag spreek je een jaarlijkse rente van ten minste 6% af. Dit percentage staat vast in de wet.
  • De rente wordt daadwerkelijk elk jaar betaald. Bijschrijven of een jaar overslaan mag niet. Wie een jaar de rente vergeet, laat de hele constructie omvallen. Vergeten rente moet je samengesteld inhalen. Een op het moment van overlijden nog lopende rentetermijn van maximaal een jaar mag na overlijden alsnog worden betaald.

Figuur 2: de drie harde eisen. Voldoe je niet aan alle drie, dan grijpt artikel 10 SW in.

Artikel 10 werkt alleen als de ontvanger je partner is of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Bij een schenking aan bijvoorbeeld een goede vriend mist de constructie dan ook zijn doel. Ook een te lage rente telt als genot: betaal je minder dan de vereiste 6%, dan grijpt artikel 10 alsnog in.

Rekenvoorbeeld

Stel, een ouder erkent in 2026 eenmalig 30.000 euro schuldig aan een kind en legt dit bij de notaris vast. Van dat bedrag is 6.908 euro vrijgesteld (de jaarlijkse kindvrijstelling). Over de resterende 23.092 euro betaal het kind 10% schenkbelasting, ofwel 2.309 euro. De ouder maakt elk jaar 6% van 30.000 euro, dus 1.800 euro rente, over aan het kind. Bij overlijden staat de schuld van 30.000 euro in je nalatenschap en drukt daardoor je bezit. Vergeet de ouder één jaar de 1.800 euro te betalen, dan grijpt artikel 10 in en wordt de volle 30.000 euro bij overlijden alsnog als erfrechtelijke verkrijging belast. Figuur 3 vat de bedragen samen.

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een schenking op papier van 30.000 euro in 2026.

Wat betekent dit voor je aangifte in box 3?

De schenking op papier heeft ook gevolgen voor de inkomstenbelasting. Bij je kind is de vordering een bezitting in box 3; bij je is de schuld een box 3-schuld. Voor die schuld geldt in 2026 een schuldendrempel: schulden tellen pas mee voor zover het totaal boven 3.800 euro uitkomt, of boven 7.600 euro als je het hele jaar dezelfde fiscale partner hebt. Heb je al andere schulden, dan is die drempel mogelijk al verbruikt. De jaarlijkse 6% rente telt bij je kind als inkomen en bij je als een aftrekpost binnen de regels van box 3.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Ga naar de notaris: laat de schuldigerkenning die pas bij overlijden opeisbaar is altijd in een notariële akte vastleggen.
  • Spreek 6% rente af: leg in de akte een jaarlijkse rente van ten minste 6% vast over het schuldig erkende bedrag.
  • Betaal de rente elk jaar echt: maak de rente jaarlijks daadwerkelijk over, bij voorkeur via een automatische overboeking, en bewaar het bewijs.
  • Blijf binnen de vrijstelling: schenk per jaar niet meer op papier dan de kindvrijstelling van 6.908 euro als je geen schenkbelasting wilt betalen, en tel contante schenkingen mee.
  • Doe zo nodig aangifte: schenk je boven de vrijstelling of doet je een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling, doe dan tijdig aangifte schenkbelasting.
  • Denk aan de liquiditeit: zorg dat de schuld met opgelopen rente bij overlijden uit je nalatenschap kan worden voldaan.

Veelgestelde vragen

Moet een schenking op papier per se via de notaris?

Ja. Voor een schenking die pas opeisbaar is bij je overlijden is een notariële akte verplicht. Zonder die akte vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in je nalatenschap.

Waarom moet ik 6% rente betalen?

De wet eist 6% rente om te voorkomen dat je het volledige voordeel van het geschonken bedrag zelf houdt. Betaal je geen of te weinig rente, dan grijpt artikel 10 van de Successiewet in en wordt het volledige bedrag bij overlijden alsnog met erfbelasting belast.

Wat gebeurt er als ik één jaar de rente vergeet?

Dan valt de constructie in beginsel om. Bij overlijden wordt het hele schuldig erkende bedrag alsnog belast. Je kunt vergeten rente wel samengesteld inhalen, maar het is verstandig de betaling elk jaar goed vast te leggen.

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij aan mijn kind schenken?

In 2026 is jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld voor een schenking van ouders aan een kind. Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling van 33.129 euro, of 69.009 euro voor een dure studie.

Kan ik dit ook doen als mijn vermogen in mijn woning zit?

Ja, dat is juist een veelvoorkomende reden. Je hoeft het geld niet over te maken; je erkent het op papier schuldig. Wel moet je de jaarlijkse rente daadwerkelijk kunnen betalen en moet de schuld bij overlijden voldaan kunnen worden.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een schenking op papier is fiscaal aantrekkelijk, maar staat of valt met de juiste uitvoering. Taxcount berekent hoeveel je jaarlijks belastingvrij kunt overhevelen, stemt de schenking af met je notaris en zorgt dat de rente, de aangifte schenkbelasting en de verwerking in box 3 kloppen. Ook kijken we naar de samenhang met je totale vermogensplanning en je nalatenschap. Wil je weten of een schenking op papier in je situatie voordeel oplevert? Leg je plannen aan ons voor, dan rekenen we de mogelijkheden voor je uit.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR): zo draag je een familiebedrijf fiscaal voordelig over

 

Wil je je onderneming overdragen aan je kinderen, of erf je een familiebedrijf, dan kan de belasting flink oplopen. De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voorkomt dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt door schenk- of erfbelasting. De regeling stelt het grootste deel van het ondernemingsvermogen vrij: in 2026 de eerste 1.543.500 euro voor 100% en het meerdere voor 75%. Daar staan wel voorwaarden tegenover, waaronder een bezitseis voor de gever en een voortzettingseis voor de opvolger. In dit artikel lees je hoe de BOR werkt, welke bedragen en voorwaarden in 2026 gelden en hoe je een overdracht het beste voorbereidt.

Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling?

Wie een onderneming erft of geschonken krijgt, moet daarover in beginsel schenk- of erfbelasting betalen. Voor kinderen is dat 10% tot 158.669 euro en 20% daarboven. Dat kan een bedrijf in de problemen brengen als het geld om de belasting te betalen vastzit in machines, voorraad of panden. Daarom bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling. Die stelt het grootste deel van het ondernemingsvermogen vrij, zodat de onderneming gewoon kan doorgaan.

De vrijstelling is voorwaardelijk. Dat betekent dat je de vrijstelling eerst krijgt en dat deze pas definitief wordt als de opvolger het bedrijf lang genoeg voortzet. Belangrijk is dat de BOR gaat over de overdracht in de privésfeer, dus van persoon naar persoon, en niet over een transactie binnen de onderneming zelf.

Voor wie is de BOR bedoeld?

De regeling is bedoeld voor de overdracht van een familiebedrijf naar de volgende generatie, zowel bij overlijden als bij schenking tijdens leven. Zij geldt voor de eenmanszaak, voor de vennoot in een vof of maatschap, en voor de directeur-grootaandeelhouder die een aanmerkelijk belang van 5% of meer in een bv houdt. Bij een schenking moet de ontvanger op het moment van de schenking ten minste 21 jaar oud zijn. Bij vererving geldt geen leeftijdseis. De regeling is niet bedoeld voor beleggingsvermogen: alleen echt ondernemingsvermogen komt in aanmerking.

Hoeveel is er vrijgesteld in 2026?

Is de onderneming niet meer waard dan 1.543.500 euro, dan is de verkrijging voor 100% vrijgesteld. Is de onderneming meer waard, dan is het deel tot 1.543.500 euro voor 100% vrijgesteld en het meerdere voor 75%. Over de resterende 25% betaal je wel belasting, maar daarvoor kun je tot tien jaar uitstel van betaling krijgen. Zou het bedrijf bij verkoop in losse onderdelen meer opbrengen dan bij voortzetting, dan is dat verschil bovendien volledig vrijgesteld.

De grens van 1.543.500 euro wordt beoordeeld op het niveau van de hele onderneming, niet per verkrijger. Krijgen twee kinderen samen één onderneming die meer waard is, dan heeft ieder recht op de helft van de 100%-vrijstelling, dus 771.750 euro, en is het meerdere voor 75% vrijgesteld.

Rekenvoorbeeld: een ouder schenkt een onderneming met een waarde van 2.000.000 euro aan een kind van 30 jaar en had het bedrijf al 8 jaar. Vrijgesteld is 100% over de eerste 1.543.500 euro, plus 75% over het meerdere van 456.500 euro, dus 342.375 euro. In totaal is 1.885.875 euro voorwaardelijk vrijgesteld en blijft 114.125 euro belast. Zet het kind het bedrijf drie jaar voort, dan wordt de vrijstelling definitief. Figuur 1 werkt dit voorbeeld uit.

 Figuur 1: de vrijstelling in 2026, uitgewerkt op een onderneming van 2.000.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Aan de vrijstelling zitten drie kernvoorwaarden: een bezitseis, een voortzettingseis en de eis dat het om kwalificerend ondernemingsvermogen gaat. Figuur 2 vat ze samen.

Figuur 2: de drie kernvoorwaarden waaraan je moet voldoen voor de vrijstelling.

De bezitseis

De overledene moet de onderneming minstens 1 jaar vóór het overlijden hebben gehad. Een schenker moet de onderneming minstens 5 jaar vóór de schenking hebben gehad. Per 2026 worden deze termijnen langer naarmate de gever ouder is: de termijn loopt op voor gevers die ruim boven de AOW-leeftijd zitten. Schenken op hoge leeftijd of kort na aankoop van een onderneming kan de regeling dus blokkeren.

De voortzettingseis

De opvolger moet de onderneming na de overdracht minstens 3 jaar voortzetten. Deze termijn is per 2025 verkort van vijf naar drie jaar. Verkoopt of staakt de opvolger eerder, of zet hij de aandelen om in preferente aandelen, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding en wordt alsnog belasting geheven.

Kwalificerend ondernemingsvermogen

Alleen echt ondernemingsvermogen telt mee. Beleggingsvermogen en verhuurd vastgoed kwalificeren niet; verhuurd vastgoed wordt sinds 2024 wettelijk als beleggingsvermogen aangemerkt. Voor bedrijfsmiddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt en die meer waard zijn dan 103.000 euro per bedrijfsmiddel, telt sinds 2025 alleen het zakelijke deel mee. Woon-werkverkeer geldt daarbij niet als privégebruik. Figuur 3 laat zien wat wel en niet meetelt.

Figuur 3: welk vermogen wel en niet meetelt voor de bedrijfsopvolgingsregeling.

Hoe vraag je de BOR aan?

De vrijstelling krijg je niet automatisch. Je moet deze zelf aanvragen, en wel gelijktijdig met de aangifte schenk- of erfbelasting. Doe je dat niet, dan betaal je belasting over de volledige waarde van de onderneming. Doet zich binnen de voortzettingsperiode van drie jaar een gebeurtenis voor die strijdig is met de voorwaarden, dan moet je dat binnen acht maanden melden. Wijzigt door de verdeling van een nalatenschap wie welk deel van het bedrijf krijgt, dan moet die verdeling binnen twee jaar na het overlijden plaatsvinden om de regeling optimaal te kunnen benutten.

In de praktijk loopt de BOR bijna altijd samen met de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting. Beide regelingen hebben eigen voorwaarden die op elkaar moeten aansluiten. Een goede afstemming vooraf voorkomt dat je het ene voordeel benut en het andere misloopt.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Beoordeel het vermogen: laat vaststellen welk deel van je bedrijf echt ondernemingsvermogen is en welk deel als beleggingsvermogen buiten de regeling valt.
  • Bewaak de bezitseis: controleer of de gever de onderneming lang genoeg heeft: 1 jaar bij overlijden, 5 jaar bij schenken, en langer bij hoge leeftijd.
  • Plan de voortzetting: zorg dat de opvolger de onderneming minstens 3 jaar kan en wil voortzetten zonder verkoop of staking.
  • Let op de leeftijd bij schenken: bij een schenking moet de ontvanger minstens 21 jaar oud zijn.
  • Vraag de vrijstelling actief aan: claim de BOR in de aangifte schenk- of erfbelasting en meld wijzigingen binnen acht maanden.
  • Stem af met de inkomstenbelasting: combineer de BOR met de doorschuifregeling en laat beide op elkaar aansluiten.

Veelgestelde vragen

Hoeveel van mijn bedrijf is in 2026 vrijgesteld?

De eerste 1.543.500 euro aan ondernemingsvermogen is voor 100% vrijgesteld, en het meerdere voor 75%. Over de belaste 25% kun je tot tien jaar uitstel van betaling krijgen.

Hoelang moet ik het bedrijf voortzetten?

De voortzettingseis is sinds 2025 drie jaar. Verkoopt of staakt je de onderneming binnen die periode, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding.

Telt verhuurd vastgoed mee voor de BOR?

Nee. Verhuurd vastgoed wordt sinds 2024 wettelijk als beleggingsvermogen aangemerkt en komt niet in aanmerking voor de vrijstelling. Alleen echt ondernemingsvermogen telt mee.

Moet ik de vrijstelling zelf aanvragen?

Ja. Je claimt de vrijstelling in de aangifte schenk- of erfbelasting. Vraag je de BOR niet aan, dan betaal je belasting over de volledige waarde van de onderneming.

Kan ik ook schenken kort voordat ik met pensioen ga?

Dat kan, maar let op de bezitseis. Als schenker moet je de onderneming minstens 5 jaar hebben gehad, en die termijn loopt op naarmate je ouder bent. Plan de overdracht daarom tijdig.

Hoe Taxcount je kan helpen

De bedrijfsopvolgingsregeling levert een van de grootste fiscale voordelen op bij een bedrijfsoverdracht, maar de voorwaarden zijn technisch en de belangen groot. Taxcount beoordeelt of je bedrijf kwalificeert, waardeert het ondernemingsvermogen, bewaakt de bezits- en voortzettingseis en stemt de BOR af met de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting. Wij verzorgen de aangifte en begeleiden de overdracht van begin tot eind. Overweeg je je familiebedrijf over te dragen of sta je voor een erfenis met ondernemingsvermogen? Leg je situatie aan ons voor, dan brengen wij de mogelijkheden en de planning voor je in kaart. In de tussentijd kun je gebruik maken van onze BOR-calculator.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Box 1, 2 en 3: zo werkt het boxenstelsel van de inkomstenbelasting

Betaal je belasting over je loon, je winst, dividend uit je bv of je spaargeld? Dan krijg je te maken met het boxenstelsel: de indeling van de inkomstenbelasting in box 1, 2 en 3. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels, en de wet bepaalt in welke box een inkomen of vermogen thuishoort. Die indeling is niet vrijblijvend, want een fout in de boxindeling leidt tot een onjuiste aangifte, navordering en belastingrente. In box 3 is er sinds de rechtspraak van de Hoge Raad bovendien een extra route: je mag aantonen dat je werkelijke opbrengst lager was dan het bedrag waarover je belasting betaalt. In dit artikel lees je wat in elke box valt, welke tarieven in 2026 gelden, hoe de rangorde werkt, wat de tegenbewijsregeling in box 3 voor je betekent en wat je praktisch moet regelen.

Wat is het boxenstelsel?

De inkomstenbelasting werkt met een gesloten boxenstelsel. Dat betekent dat al je inkomen en vermogen wordt ingedeeld in drie groepen: box 1 (werk en woning), box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). Elke box heeft een eigen manier van rekenen en een eigen tarief. De belasting van de drie boxen wordt daarna bij elkaar opgeteld, en van dat totaal gaan je heffingskortingen af.

Gesloten betekent ook dat je niet vrij tussen de boxen kunt schuiven. Een verlies in de ene box mag je in principe niet aftrekken van winst in een andere box, en een inkomen dat in box 1 hoort, kun je niet in box 3 laten vallen omdat dat tarief lager is. De onderstaande tabel geeft in het kort weer wat er in elke box valt en welk tarief in 2026 geldt. Figuur 1 zet daaronder de drie boxen, de tarieven van 2026 en de rangorde nog eens naast elkaar.

Box Wat valt hierin? Tarief 2026
Box 1: werk en woning Winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, pensioen en uitkeringen, en het saldo van de eigen woning 35,75%, 37,56% en 49,50% (oplopend)
Box 2: aanmerkelijk belang Dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv of nv 24,5% tot en met 68.843 euro, daarboven 31%
Box 3: sparen en beleggen Spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto 36% over het rendement, boven een heffingvrij vermogen van 59.357 euro

Figuur 1: Het boxenstelsel in 2026: wat in elke box valt, welk tarief geldt en hoe de rangorde box 1, box 2 en box 3 werkt.

 

Box 1: werk en woning

In box 1 valt je actieve inkomen. Denk aan winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, pensioen en uitkeringen. Ook bijverdiensten die geen onderneming en geen loon zijn vallen hier, in de wet resultaat uit overige werkzaamheden genoemd. Je eigen woning hoort er eveneens bij: je telt een vast percentage van de WOZ-waarde bij je inkomen op, het eigenwoningforfait, en trekt de hypotheekrente ervan af. Box 1 heeft een oplopend tarief, ook wel progressief tarief genoemd: over een hoger inkomen betaal je een hoger percentage. In het tarief van de eerste schijf zitten ook de premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) verwerkt.

Voor wie de AOW-leeftijd in 2026 nog niet heeft bereikt, geldt 35,75% over de eerste 38.883 euro, daarna 37,56% tot en met 78.426 euro en 49,50% over het meerdere. Heb je de AOW-leeftijd wel bereikt, dan betaal je over die eerste schijf 17,85%, omdat je geen AOW-premie meer betaalt. Ben je geboren voor 1 januari 1946, dan loopt je eerste schijf door tot 41.123 euro.

Aftrekposten in box 1 tellen niet altijd tegen je hoogste tarief mee. Voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de vrijstelling voor vermogen dat je aan je eigen bv ter beschikking stelt, de aftrekbare kosten van de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten, giften en alimentatie) geldt in 2026 een maximaal aftrektarief van 37,56%. Verdien je meer dan 78.426 euro, dan levert een euro aftrek je dus geen 49,50% op, maar 37,56%.

Box 2: aanmerkelijk belang

Box 2 is de box voor de grootaandeelhouder. Je valt hierin als je, samen met je fiscale partner, een belang van 5% of meer hebt in een bv of nv. Dat heet een aanmerkelijk belang. Het dividend dat je uit je bv haalt en de winst die je maakt bij verkoop van je aandelen worden in box 2 belast.

In 2026 kent box 2 twee schijven: 24,5% over de eerste 68.843 euro en 31% over het meerdere. Over inkomen in box 2 betaal je geen premies volksverzekeringen. Heb je een fiscale partner, dan kun je het box 2-inkomen onderling verdelen. Zo benut je de lage schijf twee keer, samen dus tot en met 137.686 euro. Voor een directeur-grootaandeelhouder grijpen box 1 en box 2 op elkaar in via het gebruikelijk loon en de afweging tussen loon en dividend. Die afweging vraagt altijd een berekening voor je eigen situatie.

Box 3: sparen en beleggen

In box 3 valt je privévermogen dat niet al in box 1 of box 2 wordt belast: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto. Box 3 is de box die de afgelopen jaren het meest is veranderd, en die verandering is nog niet klaar.

Hoe wordt je box 3-inkomen in 2026 berekend?

Box 3 belast niet je werkelijke opbrengst, maar een forfaitair rendement: een percentage dat de wet vooraf vaststelt. Dat percentage verschilt per soort vermogen. Over het zo berekende rendement betaal je 36% inkomstenbelasting. Peildatum is 1 januari van het belastingjaar: je vermogen op die datum bepaalt de heffing over het hele jaar. Je betaalt pas belasting boven het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon, of 118.714 euro voor fiscale partners samen.

Soort vermogen (2026) Forfaitair rendement
Banktegoeden, spaargeld en contant geld 1,28% (voorlopig percentage)
Overige bezittingen, zoals beleggingen en een tweede woning 6,00%
Schulden (aftrekbaar van je rendement) 2,70%

Let op het woord voorlopig bij de banktegoeden. Dit percentage wordt pas na afloop van 2026 definitief vastgesteld op basis van de werkelijke spaarrente. Voor je voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst met 1,28%.

Wat als je werkelijke opbrengst lager was?

Dan mag je dat aantonen, en betaal je over je werkelijke rendement in plaats van over het forfait. Dit heet de tegenbewijsregeling. De achtergrond is een reeks uitspraken van de Hoge Raad. In het Kerstarrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het toenmalige box 3-stelsel in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht voor wie een lager werkelijk rendement had dan het forfait. Op 6 juni 2024 besliste de Hoge Raad dat ook de opvolgende regelingen dat probleem niet oplossen voor wie meer heeft dan alleen spaargeld. Voor spaarders klopt het forfait redelijk, maar bij beleggingen en vastgoed wordt een succesvolle en een ongelukkige belegger nog altijd gelijk behandeld.

Belangrijk is dat dit oordeel ook geldt voor het stelsel dat vanaf 2023 loopt, en dus ook voor 2026. Tegenbewijs is daarmee geen uitzondering voor oude jaren, maar een structurele mogelijkheid zolang het forfaitaire stelsel bestaat. Het kabinet wil overstappen op een heffing over het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam dat wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet definitief vast.

Wat telt mee als werkelijk rendement?

De Hoge Raad heeft daar vaste rekenregels voor gegeven, en die vallen vaak anders uit dan mensen verwachten. Meegerekend worden je directe opbrengsten (rente, dividend en huur) en de waardestijging of waardedaling van je bezittingen, ook als je niets hebt verkocht. Die ongerealiseerde waardestijging maakt je werkelijke rendement dus juist hoger.

Niet meegerekend worden je kosten, met een belangrijke uitzondering: de rente over je box 3-schulden mag je wel aftrekken. Ook de drempel voor schulden blijft hier buiten beschouwing, zodat al je box 3-rente meetelt. Over die kostenaftrek loopt nog discussie: de advocaat-generaal bij de Hoge Raad vindt dat ook andere kosten, zoals verbeteringskosten, aftrekbaar zouden moeten zijn, dus houd rekening met nieuwe procedures. Er wordt niet gecorrigeerd voor inflatie, je kijkt naar je hele box 3-vermogen zonder het heffingvrije vermogen eraf te halen, en je rekent per jaar. Een slecht beleggingsjaar kun je dus niet verrekenen met een goed jaar. Heb je een fiscale partner, dan volgt jouw deel van het werkelijke rendement je aandeel in de gezamenlijke grondslag. Figuur 2 zet naast elkaar wat wel en wat niet meetelt bij je werkelijke rendement.

Figuur 2: Werkelijk rendement in box 3: wat wel en wat niet meetelt volgens de rekenregels van de Hoge Raad.

Een tweede woning of ander vastgoed in box 3

Voor vastgoed gelden aanvullende regels uit vier uitspraken van de Hoge Raad van 20 december 2024. Gebruik je de woning zelf, dan levert dat eigen gebruik voor het werkelijke rendement geen voordeel op: het wordt op nihil gesteld. De waardeontwikkeling bepaal je door de WOZ-waarde van het jaar zelf te vergelijken met de WOZ-waarde van het jaar erna. Koop of verkoop je in de loop van het jaar, dan wordt die waardeontwikkeling tijdsevenredig tussen koper en verkoper verdeeld. Een waardestijging die het gevolg is van verbouwing of uitbreiding telt niet mee als opbrengst. Voor gewoon onderhoud geldt dat niet, en de grens tussen onderhoud en verbetering is in de praktijk vaak een discussiepunt.

Op twee punten is het laatste woord nog niet gesproken. Het kabinet vindt dat eigen gebruik wel een voordeel oplevert, namelijk de huur die je bij normale verhuur zou kunnen vragen, terwijl de Hoge Raad dat voordeel op nihil stelt. En bij een aankoop of verkoop in de loop van het jaar is nog niet beslist of de datum van de koopovereenkomst of van de levering telt. Laat vastgoed in box 3 daarom altijd apart doorrekenen.

Oude jaren: rechtsherstel over 2017 tot en met 2022

Voor de jaren 2017 tot en met 2022 geldt een aparte wet, de Wet rechtsherstel box 3. Die rekent je box 3-inkomen over die jaren opnieuw uit, met per jaar een eigen percentage voor spaargeld, voor overige bezittingen en voor schulden. Deze herberekening werkt eenzijdig in je voordeel: zij wordt alleen toegepast als je box 3-inkomen daardoor lager uitvalt dan volgens de oude berekening, en je inkomen wordt nooit lager gesteld dan nul. Voor 2021 bedroeg het percentage voor banktegoeden bijvoorbeeld 0,01%, tegen 5,69% voor overige bezittingen. Wie vooral spaarde is met het rechtsherstel dus flink beter af; wie belegde heeft eerder iets aan de tegenbewijsregeling.

Of je nog aan die oude jaren toekomt, hangt af van wat je destijds hebt gedaan. Voor 2021 en later kan iedere belastingplichtige een lager werkelijk rendement opgeven. Voor 2019 en 2020 geldt dat alleen als je definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet definitief vaststond of daarna is opgelegd, en je tijdig hebt gevraagd om een ambtshalve vermindering. Dat is een verlaging van een aanslag die al vaststaat, buiten de gewone bezwaartermijn om. Voor 2017 en 2018 moet jouw bezwaar hebben meegelopen in de procedure massaal bezwaar, waarin een paar proefzaken worden uitgeprocedeerd voor een hele groep, of moet jouw aanslag na het Kerstarrest zijn ontvangen, plus een tijdig verzoek om ambtshalve vermindering.

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad hierover een streep getrokken. Wie over de jaren 2017 tot en met 2020 geen of niet op tijd bezwaar maakte, de zogenoemde niet-bezwaarmaker, heeft geen recht op teruggaaf. Deze groep hoopte via de procedure massaal bezwaar plus alsnog geld terug te krijgen; die route is met deze uitspraak gesloten. Voor 2021 en latere jaren staat de tegenbewijsregeling wel open. Krijg je een box 3-vermindering, dan vergoedt de Belastingdienst daarover in de regel geen rente. Dat geldt niet alleen bij oude jaren, maar bij elke vermindering. Figuur 3 laat per jaargroep zien of tegenbewijs voor jou nog openstaat en hoe je het doorgeeft.

Figuur 3: Beslisboom: was je werkelijke rendement lager dan het forfait, en kom je over dat belastingjaar nog aan bod?

Zo geef je een lager werkelijk rendement door

Een beroep op de tegenbewijsregeling doe je niet met een gewone brief. Je moet het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) gebruiken, dat sinds 10 juli 2025 in Mijn Belastingdienst staat. Per belastingjaar heb je een apart formulier nodig, en aanvullende stukken kun je tot zes weken na verzending van het formulier nasturen. Vanaf de aangifte over 2025 kun je het werkelijke rendement ook rechtstreeks in je aangifte opgeven.

De bewijslast ligt bij jou. Je moet je hele box 3-vermogen in dat jaar onderbouwen, niet alleen het bestanddeel dat slecht rendeerde. Bewaar dus per jaar je rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten van je beleggingen. Reken bovendien eerst door of tegenbewijs je werkelijk iets oplevert: doordat ongerealiseerde waardestijgingen meetellen en kosten niet aftrekbaar zijn, valt het werkelijke rendement vaak hoger uit dan verwacht.

Hoe bepaalt de wet in welke box iets valt?

Omdat de tarieven per box verschillen, is het belangrijk dat een inkomen in de juiste box terechtkomt. Daarvoor kent de wet de rangorderegeling. Past een voordeel in meerdere boxen, dan geldt de box die als eerste in de wet staat: box 1 gaat voor box 2, en box 2 gaat voor box 3. Die volgorde werkt ook binnen een box, waar winst uit onderneming voorgaat op loon en loon voorgaat op resultaat uit overige werkzaamheden.

Een gevolg van de rangorde is dat vermogen dat inkomen in box 1 of box 2 oplevert, niet ook in box 3 wordt meegeteld. Verhuur je bijvoorbeeld een pand aan je eigen bv, dan valt dat pand in box 1 en niet in box 3. Schulden volgen daarbij het vermogen waar zij bij horen. Er zijn wel uitzonderingen. Een schuld waarvan de rente in box 1 of box 2 niet aftrekbaar is, komt juist in box 3 terecht. En een eigenwoningschuld die je voor 2013 hebt afgesloten, blijft dwingend in box 1. Het overgangsrecht gaat hier voor de rangorde: de Hoge Raad besliste op 14 maart 2025 dat je die lening niet naar box 3 kunt overbrengen.

De wet bevat daarnaast maatregelen tegen boxhoppen: het tijdelijk verplaatsen van vermogen rond de peildatum van 1 januari om box 3-heffing te ontlopen. Haal je vermogen minder dan drie maanden uit box 3, dan wordt het toch in box 3 belast en is tegenbewijs niet mogelijk. Bij drie tot zes maanden, en bij zes tot achttien maanden via een beleggingsinstelling of een buitenlands beleggingslichaam, kun je nog aantonen dat je zakelijke en niet-fiscale redenen had. Slaagt dat niet, dan betaal je in twee boxen tegelijk.

Kun je een verlies uit de ene box met een andere box verrekenen?

In beginsel niet. Het boxenstelsel is gesloten, dus een verlies blijft binnen zijn eigen box. Een verlies in box 1 verreken je binnen box 1: drie jaar terug en negen jaar vooruit. Een verlies in box 2 verreken je binnen box 2: een jaar terug en zes jaar vooruit. Box 3 kent in de praktijk geen verrekenbaar verlies. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 is wettelijk vastgelegd dat het voordeel uit sparen en beleggen op ten minste nul wordt gesteld, en ook bij tegenbewijs verreken je een slecht jaar niet met een goed jaar. Of een negatief werkelijk rendement tot een verrekenbaar box 3-verlies kan leiden, is nog niet uitgekristalliseerd.

Op de geslotenheid bestaat een belangrijke uitzondering. Heb je een verlies uit aanmerkelijk belang dat je niet meer in box 2 kon verrekenen, en hebben jij en je fiscale partner in het jaar zelf en het jaar daarvoor geen aanmerkelijk belang meer, dan kun je dat verlies op verzoek omzetten in een belastingkorting van 25%. Die korting gaat af van je box 1-belasting. Er geldt een wachttijd van minstens een jaar, de korting leidt niet tot een teruggaaf en je kunt haar niet met box 3-inkomen verrekenen. Wel kun je een onbenut deel doorschuiven naar een volgend jaar. Let op de volgorde: de korting gaat af voor je heffingskortingen, waardoor een deel van die heffingskortingen kan verdampen.

Wat is het verzamelinkomen en waarom telt het?

Naast de belasting per box telt de wet ook je drie boxinkomens bij elkaar op, na verrekening van verliezen en voor aftrek van de heffingskortingen. Die optelsom heet het verzamelinkomen. Het is niet alleen de basis voor je belasting, maar ook de maatstaf voor inkomensafhankelijke regelingen: je heffingskortingen, toeslagen en allerlei eigen bijdragen. In 2026 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal 3.115 euro en is die nihil vanaf een verzamelinkomen van 78.426 euro. De arbeidskorting bedraagt maximaal 5.685 euro en is nihil vanaf een arbeidsinkomen van 132.920 euro.

Heb je een fiscale partner, dan mag je gemeenschappelijke posten zoals de eigen woning, het box 2-inkomen, de box 3-grondslag en de persoonsgebonden aftrek jaarlijks vrij onderling verdelen. Dat beïnvloedt niet alleen de belasting, maar via het verzamelinkomen ook je kortingen en toeslagen. Let op een uitzondering: leidt rechtsherstel of tegenbewijs in box 3 tot een herrekening, dan volgt de extra persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten en giften) de verdeling die je in de aangifte koos voor zorgkosten of giften. Wil je die anders verdelen, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering nodig.

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel dat je in 2026 60.000 euro loon uit je eigen bv ontvangt, dat je bv 50.000 euro dividend aan je uitkeert en dat je 150.000 euro privévermogen hebt. Het loon wordt progressief belast in box 1. Het dividend valt binnen de eerste schijf van box 2 en wordt belast tegen 24,5%, dus 12.250 euro. Van je privévermogen blijft 59.357 euro onbelast; over het rendement op het meerdere betaal je 36% in box 3. De drie uitkomsten worden opgeteld en verminderd met je heffingskortingen. Was je werkelijke rendement op dat vermogen lager dan het forfait, dan kun je dat via de tegenbewijsregeling laten meewegen. Figuur 4 werkt dit voorbeeld per box uit, met de heffing per box en de optelsom tot het verzamelinkomen.

Figuur 4: Rekenvoorbeeld: loon, dividend en privévermogen van een dga in 2026, met de heffing per box en het verzamelinkomen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste box. Ga per inkomen en per vermogensbestanddeel na of het in box 1, box 2 of box 3 hoort, en respecteer de rangorde: box 1 voor box 2 voor box 3.
  • Gebruik de tarieven en grenzen van 2026. Reken met de schijven van box 1, de grens van 68.843 euro in box 2 en het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon in box 3.
  • Houd de peildatum in het oog. Voor box 3 telt je vermogen op 1 januari. Vermijd tijdelijke boxwisselingen rond die datum, want die kunnen tot dubbele heffing leiden.
  • Reken je werkelijke rendement in box 3 door. Was je opbrengst lager dan het forfait, dan kan tegenbewijs lonen. Reken het eerst uit, want ongerealiseerde waardestijgingen tellen mee en kosten zijn niet aftrekbaar.
  • Bewaar je box 3-dossier per jaar. Rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten heb je nodig om een lager rendement aannemelijk te maken.
  • Controleer je oude aanslagen. Voor 2021 en latere jaren kun je het formulier Opgaaf werkelijk rendement gebruiken. Voor 2017 tot en met 2020 is een tijdig bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering voorwaarde.
  • Verdeel gemeenschappelijke posten. Heb je een fiscale partner, verdeel dan de eigen woning, het box 2-inkomen en het box 3-vermogen bewust, en kijk ook naar het effect op toeslagen.
  • Bewaak je verliezen. Verreken verliezen binnen de juiste box en vergeet een oud aanmerkelijkbelangverlies niet: dat kan via een belastingkorting van 25% alsnog tegen box 1 worden ingezet.
  • Geef alles volledig aan. Meld al je inkomen en vermogen, ook buitenlandse rekeningen en crypto. Verzwijgen leidt tot navordering, belastingrente en mogelijk een boete.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen box 1, 2 en 3?

Box 1 belast je werk en woning: winst, loon, uitkering, pensioen en de eigen woning, tegen een oplopend tarief. Box 2 belast dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv. Box 3 belast je overige privévermogen, zoals spaargeld en beleggingen. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels.

Welke tarieven gelden in 2026?

Box 1 kent 35,75%, 37,56% en 49,50% voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Box 2 kent 24,5% tot en met 68.843 euro en 31% daarboven. Box 3 kent een tarief van 36% over het berekende rendement, met een heffingvrij vermogen van 59.357 euro per persoon.

Wat is de rangorderegeling?

De rangorderegeling bepaalt in welke box een inkomen valt als het in meerdere boxen zou kunnen vallen. De volgorde is box 1 voor box 2 voor box 3. Daardoor valt een pand dat je aan je eigen bv verhuurt in box 1 en niet in box 3.

Kan ik in box 3 belasting terugkrijgen als mijn rendement lager was?

Dat kan via de tegenbewijsregeling. Je maakt dan aannemelijk dat je werkelijke rendement lager was dan het forfait en betaalt over dat werkelijke rendement. Je gebruikt daarvoor het formulier Opgaaf werkelijk rendement, per belastingjaar apart. Reken het eerst door, want kosten zijn niet aftrekbaar en waardestijgingen tellen wel mee.

Krijg ik nog rechtsherstel als ik nooit bezwaar heb gemaakt?

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 niet. De Hoge Raad besliste op 25 juni 2026 dat niet-bezwaarmakers over die jaren geen recht hebben op teruggaaf. Voor 2021 en latere jaren kun je wel een lager werkelijk rendement opgeven, ook zonder eerder bezwaar.

Kan ik een verlies uit box 3 verrekenen met box 1?

Nee. Verliezen blijven binnen hun eigen box en box 3 kent geen verlies. De enige uitzondering op het gesloten stelsel is een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang: dat kun je na beëindiging van je belang omzetten in een belastingkorting van 25% tegen je box 1-belasting.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount bepaalt voor je in welke box je inkomen en vermogen thuishoren, berekent per box de belasting en zorgt dat de rangorde en de verliesverrekening kloppen. Wij rekenen daarbij ook de keuzes door die echt verschil maken: loon of dividend uit je bv, de verdeling van gemeenschappelijke posten met je fiscale partner, en de vraag of je box 3-vermogen beter in box 3 blijft of via een bv naar box 2 gaat. Voor box 3 rekenen wij je werkelijke rendement per jaar uit en toetsen wij of een beroep op de tegenbewijsregeling je daadwerkelijk iets oplevert, inclusief de onderbouwing op het verplichte formulier.

Twijfel je over je boxindeling, over een openstaande aanslag uit een eerder jaar of over de fiscale gevolgen van je vermogen? Leg je situatie aan ons voor, dan beoordelen wij die en zetten wij de mogelijkheden voor je op een rij.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Het forfaitaire percentage voor banktegoeden in 2026 is nog voorlopig, en de rechtspraak over box 3 is nog in beweging. Laat je situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat je besluiten neemt.

Werkruimte in de woning 2026: wanneer zijn de kosten van je werkkamer aftrekbaar?

Werk je als ondernemer (deels) vanuit huis, dan is de vraag al snel of je de kosten van je werkkamer van de winst mag aftrekken. Denk aan een deel van de huur of afschrijving, energie, schoonmaak en inrichting. Veel ondernemers gaan ervan uit dat dit mag, maar de wet is streng: de kosten van een werkruimte in je eigen woning zijn in de meeste gevallen juist niet aftrekbaar. Alleen als je werkruimte aan twee strenge eisen voldoet, is aftrek mogelijk. In dit artikel leest je hoe de regeling in 2026 werkt, wanneer je de kosten wel mag aftrekken en wat je praktisch moet regelen.

Wat valt onder een werkruimte in de woning?

Een werkruimte is elke ruimte in of bij je woning die je voor je werk gebruikt. Dat is een ruim begrip: het gaat niet alleen om een kantoor of werkkamer, maar ook om een praktijk- of behandelruimte, een atelier of een garage die je als opslag gebruikt. Onder de kosten van de werkruimte valt vrijwel alles wat met de ruimte te maken heeft: afschrijving of het huurdeel, energie, schoonmaak, behang- en schilderwerk, stoffering en de inrichting zoals een bureau en kasten.

De regeling geldt voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap), voor medegerechtigden en voor mensen met resultaat uit overige werkzaamheden. Ze geldt voor koop- en huurwoningen, en ook voor een tweede woning, een woonschip of een woonwagen. Voor een bv met een dga geldt een eigen, vergelijkbare regeling.

Waarom zijn de kosten meestal niet aftrekbaar?

De wet bepaalt dat de kosten van een werkruimte in je woning niet van de winst aftrekbaar zijn, ook al werk je er elke dag. Dit geldt zolang de woning tot je privévermogen behoort, wat bij de meeste ondernemers het geval is, en sinds 2017 net zo voor huurwoningen. Een werkplek in de woonkamer, een slaapkamer of een zolderkamer telt dus nooit mee voor aftrek. De wetgever heeft hier bewust een grove grens getrokken om discussies over gemengde kosten te voorkomen.

De uitzondering: twee eisen die allebei moeten worden gehaald

Er is één uitzondering. Je werkruimte moet dan aan twee eisen voldoen, en die gelden allebei tegelijk. De eerste is de zelfstandigheidseis, de tweede is de inkomenseis. De beslisboom hierna laat in één oogopslag zien of je kosten aftrekbaar zijn (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom. Alleen als je alle vragen met ja beantwoordt, zijn de kosten aftrekbaar.

De zelfstandigheidseis

De werkruimte moet naar verkeersopvatting, dus zoals mensen er in het dagelijks leven tegenaan kijken, een zelfstandig deel van de woning vormen. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen voorzieningen zoals sanitair, zodat je de ruimte in principe apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. Ontbreekt een eigen toilet of eigen ingang, dan is dat in de rechtspraak vrijwel altijd fataal. Een aanbouw of uitbreiding van de woning helpt op zichzelf niet: het gaat om echte zelfstandigheid. Ook massaal thuiswerken tijdens de coronacrisis heeft deze eis niet versoepeld.

De inkomenseis

Naast de zelfstandigheidseis moet je een groot deel van je arbeidsinkomen in de werkruimte verdienen. Bij het arbeidsinkomen tellen je winst, je loon en je bijverdiensten samen. Welke eis precies geldt, hangt ervan af of je ook een werkplek buiten je woning hebt.

Je situatie Inkomenseis om af te trekken
Je hebt ook een werkplek buiten de woning Minimaal 70% van je arbeidsinkomen verdien je in de werkruimte thuis
Je hebt geen werkplek buiten de woning Minimaal 70% verdien je in of vanuit de werkruimte thuis en minimaal 30% echt in de werkruimte

Figuur 2: de twee eisen en de inkomensdrempels van 70 procent en 30 procent.

Let op: een werkplek elders wordt ruim opgevat. Ook een gedeelde flexplek of die maar één dag per week beschikbaar is, telt al mee als werkruimte buiten de woning. Daardoor geldt dan de zwaardere eis dat je 70 procent in de thuiswerkruimte moet verdienen. De bewijslast ligt bij je: je moet aannemelijk kunnen maken dat je aan de inkomenseis voldoet, bijvoorbeeld met een onderbouwde urenverdeling.

Rekenvoorbeeld: Eva is rijinstructeur en heeft geen kantoor elders. Ze plant en administreert alles vanuit een verbouwde garage met eigen ingang en eigen toilet. Haar winst is 55.000 euro en ander inkomen heeft zij niet. Vrijwel alles verdient zij vanuit de garage, ruim 70 procent, dus de eerste toets haalt zij. Maar echt in de garage verdient zij, gemeten naar haar administratie-uren, maar zo’n 15 procent. Ze haalt de 30-procenteis niet, dus de kosten zijn niet aftrekbaar.

Koop- of huurwoning: maakt het verschil?

Voor de hoofdregel maakt het geen verschil of je een koop- of huurwoning hebt: in beide gevallen zijn de kosten van een niet-kwalificerende werkruimte niet aftrekbaar. Vroeger kon een huurder het huurrecht soms tot het ondernemingsvermogen rekenen en zo de huisvestingskosten aftrekken, maar die route is sinds 2017 afgesloten.

De uitsluiting geldt alleen zolang de woning tot je privévermogen behoort. Wie de woning of een zelfstandige werkruimte tot het ondernemingsvermogen rekent, valt buiten deze regeling. Die keuze ligt in beginsel al bij de start van je onderneming vast en is later moeilijk te wijzigen. Tegenover de aftrek staan dan wel andere gevolgen, zoals een bijtelling voor het privégebruik en belasting over de verkoopwinst. Sinds 2025 zijn bepaalde woonkosten ook in dat geval van aftrek uitgesloten. Dit is maatwerk: laat je hierover goed adviseren.

Praktische checklist: wat je moet nagaan

  • Bepaal of je een werkruimte gebruikt. Elke ruimte die je voor je werk gebruikt telt mee, ook een opslag of atelier.
  • Toets de zelfstandigheid. Heeft de ruimte een eigen ingang en eigen sanitair, zodat je hem apart zou kunnen verhuren?
  • Check of je een werkplek elders hebt. Ook een gedeelde of beperkt beschikbare flexplek telt mee en verzwaart de inkomenseis.
  • Reken de inkomenseis na. Verdien je genoeg van je arbeidsinkomen in of vanuit de werkruimte om aan de 70- of 30-procenteis te voldoen?
  • Leg je onderbouwing vast. Houd een urenverdeling bij tussen thuis en elders; de bewijslast ligt bij je.
  • Trek niets af als je niet kwalificeert. Voer huisvestings-, energie- en inrichtingskosten dan niet op in je aangifte.

Veelgestelde vragen

Mag ik de kosten van mijn werkkamer thuis aftrekken?

Meestal niet. Kosten van een werkruimte in je privéwoning zijn alleen aftrekbaar als de ruimte een zelfstandig deel van de woning is (met eigen ingang en sanitair) en je er een groot deel van je arbeidsinkomen verdient. Voldoe je niet aan beide eisen, dan zijn de kosten niet aftrekbaar.

Wat betekent de zelfstandigheidseis precies?

De werkruimte moet zo zelfstandig zijn dat je hem apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen sanitair. Een werkplek in de woonkamer of op zolder voldoet niet.

Geldt de regeling ook voor een huurwoning?

Ja. Sinds 2017 gelden voor een huurwoning dezelfde regels als voor een koopwoning. De kosten zijn alleen aftrekbaar als de werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet.

Telt een flexplek bij een opdrachtgever als werkruimte elders?

Ja. Ook een gedeelde flexplek of een werkplek die maar één dag per week beschikbaar is, telt als werkruimte buiten je woning. Dan geldt de zwaardere eis dat je 70 procent van je arbeidsinkomen in de werkruimte thuis moet verdienen.

Wat gebeurt er als ik de kosten ten onrechte aftrek?

De Belastingdienst corrigeert dan de afgetrokken kosten, inclusief samenhangende posten zoals energie, schoonmaak en inrichting. Trek deze kosten daarom alleen af als je zeker weet dat je aan alle voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount je kan helpen

De regels rond de werkruimte in de woning zijn streng en er wordt in de praktijk veel over geprocedeerd. Taxcount beoordeelt of je werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet, rekent de 70- en 30-procenteis voor je na en adviseert of het aantrekkelijk is om een zelfstandige werkruimte tot je ondernemingsvermogen te rekenen. Zo weet je zeker dat je aftrek benut waar het mag en correcties voorkomt waar het niet mag. Twijfel je of je werkkamer aftrekbaar is? Leg je situatie aan ons voor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zelfstandigenaftrek 2026: zo verlaag je als ondernemer je belastbare winst

Als ondernemer betaal je inkomstenbelasting over je winst. Voldoe je aan een aantal voorwaarden, dan mag je een vast bedrag van die winst aftrekken voordat de belasting wordt berekend. Dat is de zelfstandigenaftrek. In 2026 is het bedrag lager dan je van vroeger gewend bent, want de aftrek wordt al jaren stap voor stap afgebouwd. Toch blijft het de moeite waard, zeker voor starters. In dit artikel lees je wat de zelfstandigenaftrek in 2026 inhoudt, wanneer je er recht op hebt, hoeveel de aftrek bedraagt en wat je praktisch moet regelen om hem veilig te benutten.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een vast bedrag dat je als ondernemer van je winst mag aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager, en dus betaal je minder inkomstenbelasting. De aftrek hoort bij de ondernemersaftrek, een verzamelnaam voor fiscale voordelen die alleen voor ondernemers gelden. De zelfstandigenaftrek is niet afhankelijk van de hoogte van je winst: het is een vast bedrag, geen percentage.

Wie heeft recht op de zelfstandigenaftrek?

De aftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Werknemers, freelancers zonder onderneming en directeuren-grootaandeelhouders van een bv hebben er geen recht op.

De belangrijkste voorwaarde is het urencriterium. Je moet in het jaar minimaal 1.225 uur aan je onderneming besteden (zie figuur 1). Kun je dat niet aannemelijk maken, dan vervalt de aftrek. Houd daarom een goede urenadministratie bij. Had je aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan krijg je de volledige aftrek. Ben je bij het begin van het jaar al AOW-gerechtigd, dan is de aftrek de helft.

Figuur 1: het urencriterium van 1.225 uur per jaar bepaalt of je recht hebt op de zelfstandigenaftrek.

Hoeveel bedraagt de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek 1.200 euro. Voor wie bij het begin van het jaar al de AOW-leeftijd heeft, is dit de helft: 600 euro. De aftrek werkt tegen maximaal het tarief van de tweede schijf, dat in 2026 37,56 procent bedraagt. Bij het volledige bedrag levert de aftrek dus ongeveer 451 euro belastingvoordeel op.

Situatie (2026) Bedrag Maximaal voordeel
Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd) 1.200 euro circa 451 euro
Zelfstandigenaftrek (AOW-leeftijd bereikt) 600 euro circa 225 euro
Startersaftrek (extra, zie hierna) 2.123 euro circa 797 euro

De startersaftrek: extra voordeel in de eerste jaren

Ben je een startende ondernemer, dan krijg je boven op de zelfstandigenaftrek een extra bedrag: de startersaftrek van 2.123 euro in 2026. Je bent starter als je in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer was en in die periode niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek hebt gehad. Je kunt de startersaftrek daardoor maximaal drie keer krijgen, meestal in je eerste drie jaar. Samen met de zelfstandigenaftrek trek je dan 3.323 euro af.

De startersaftrek kent nog een voordeel. Anders dan de gewone zelfstandigenaftrek mag je de aftrek als starter drie jaar lang ook verrekenen met ander inkomen in box 1, zoals loon uit een dienstverband. Zo profiteer je ook als je onderneming nog weinig winst maakt.

Wat gebeurt er als je winst te laag is?

De zelfstandigenaftrek kan niet hoger zijn dan je winst. Maak je te weinig winst, dan blijft een deel van de aftrek onbenut. Dat deel gaat niet verloren: het heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en je mag het in de volgende negen jaar alsnog van de winst aftrekken. Laat dit onbenutte deel per beschikking door de Belastingdienst vaststellen, zodat het doorschuiven later niet ter discussie staat. Let op: dit winstplafond geldt niet voor de startersaftrek.

Rekenvoorbeeld

Tom start in 2026 een klusbedrijf. Hij haalt het urencriterium en maakt 20.000 euro winst. Als starter trekt hij de zelfstandigenaftrek van 1.200 euro en de startersaftrek van 2.123 euro af, samen 3.323 euro (zie figuur 2). Zijn belastbare winst daalt daardoor naar 16.677 euro. Daarna wordt over de resterende winst ook nog de MKB-winstvrijstelling berekend, waardoor zijn belastbare winst verder daalt.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van starter Tom. Door 3.323 euro aftrek daalt zijn belastbare winst van 20.000 naar 16.677 euro.

Let op: wijziging vanaf 2027

Het kabinet heeft aangekondigd de startersaftrek per 1 januari 2027 te schrappen, zonder overgangsregeling. Voor het belastingjaar 2026 geldt de startersaftrek van 2.123 euro nog wel. Start je nu, dan kun je er in 2026 dus nog van profiteren. De gewone zelfstandigenaftrek daalt naar verwachting verder na 2026.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Urenadministratie bijhouden. Noteer het hele jaar door je gewerkte uren, zodat je de 1.225 uur van het urencriterium kunt aantonen.
  • Starterstatus toetsen. Ga na of je in de afgelopen vijf jaar geen ondernemer was en de aftrek hooguit twee keer had; alleen dan heb je recht op de startersaftrek.
  • Aftrek claimen in de aangifte. Vermeld de zelfstandigenaftrek en eventuele startersaftrek in je aangifte inkomstenbelasting.
  • Onbenut deel laten vaststellen. Is je winst lager dan de aftrek, vraag dan een beschikking niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek aan om het bedrag negen jaar te kunnen doorschuiven.
  • Startersaftrek benutten in 2026. De startersaftrek vervalt naar verwachting per 2027; gebruik hem zolang het nog kan.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de zelfstandigenaftrek in 2026?

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 1.200 euro. Heb je bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd bereikt, dan is het de helft: 600 euro.

Wat is het verschil tussen zelfstandigenaftrek en startersaftrek?

De zelfstandigenaftrek krijgt elke ondernemer die aan het urencriterium voldoet. De startersaftrek is een extra bedrag van 2.123 euro dat je in je eerste jaren als starter boven op de zelfstandigenaftrek krijgt, maximaal drie keer.

Moet ik het urencriterium halen voor de zelfstandigenaftrek?

Ja. Je moet minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteden en dat aannemelijk kunnen maken. Zonder het urencriterium heb je geen recht op de aftrek.

Wat als mijn winst lager is dan de aftrek?

Dan kun je de aftrek niet volledig benutten. Het onbenutte deel heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en mag je in de volgende negen jaar alsnog aftrekken. Voor starters geldt bovendien dat zij de aftrek drie jaar met ander box 1-inkomen mogen verrekenen.

Verdwijnt de startersaftrek?

Het kabinet wil de startersaftrek per 1 januari 2027 afschaffen. In 2026 kun je de startersaftrek nog toepassen als je aan de voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je aan het urencriterium en de starterseisen voldoet, berekent je voordeel en zorgt dat de zelfstandigenaftrek en startersaftrek correct in je aangifte terechtkomen. Ook helpen wij bij het vastleggen van een onbenut deel via een beschikking, zodat je niets laat liggen. Wil je zeker weten dat je het maximale uit de ondernemersaftrek haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Jaarruimte 2026: zo bouw je met lijfrente fiscaal voordelig pensioen op

Bouw je als ondernemer, dga of werknemer weinig of geen pensioen op? Dan loop je waarschijnlijk fiscaal voordeel mis. De belastingdienst geeft je namelijk ruimte om zelf een oudedagsvoorziening op te bouwen met een lijfrente, en die inleg mag je van je inkomen aftrekken. Hoeveel je mag aftrekken, heet de jaarruimte. Je jaarruimte 2026 bedraagt in beginsel 30% van je inkomen, na aftrek van een vast basisbedrag. Heb je de afgelopen jaren ruimte laten liggen, dan kun je die vaak alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In dit artikel leest je wat de jaarruimte precies is, welke bedragen en grenzen in 2026 gelden, hoe je de aftrek benut en welke valkuilen je moet vermijden.

Wat is de jaarruimte en waarom bestaat deze?

De overheid wil dat iedereen ongeveer evenveel fiscaal voordeel kan krijgen voor zijn oudedag. Bouw je via een werkgever pensioen op, dan gebeurt dat belastingvrij. Bouw je te weinig op, dan mag je het verschil zelf aanvullen met een lijfrente: een geblokkeerde oudedagsvoorziening bij een verzekeraar of bank die later in vaste termijnen wordt uitgekeerd. De premie die je stort, mag je van je inkomen aftrekken, maar alleen tot een maximum. Dat maximum is de jaarruimte.

De achterliggende gedachte is een pensioentekort. Alleen wie te weinig oudedag opbouwt, krijgt ruimte om dat fiscaal aan te vullen. Levert de berekening een positief bedrag op, dan is er per definitie een tekort en mag je premie aftrekken. Bouw je al volledig pensioen op, dan is er weinig of geen ruimte.

Voor wie is de jaarruimte interessant?

De jaarruimte is relevant voor iedereen met inkomen in box 1 die te weinig pensioen opbouwt. In de praktijk gaat het vooral om ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap die zelf geen pensioen opbouwen. Ook dga’s en werknemers met een beperkte pensioenregeling hebben vaak ruimte, net als mensen die net een baan zonder pensioen hebben of die na de verkoop of staking van hun onderneming een oudedagsvoorziening willen opbouwen.

Let op: de ruimte is strikt persoonlijk. Je kunt je eigen niet-gebruikte ruimte niet aan je partner overdragen. Voor de bv zelf geldt de regeling niet; die valt onder de loon- en vennootschapsbelasting.

Hoe berekent je je jaarruimte 2026?

De hoofdregel voor 2026 is: 30% van de premiegrondslag, verminderd met wat je al aan pensioen hebt opgebouwd. De premiegrondslag is je inkomen van vorig jaar (winst voor ondernemersaftrek, loon, freelance-resultaat en periodieke uitkeringen). Dat inkomen telt mee tot een plafond van 137.800 euro en wordt verminderd met een vrijgesteld basisbedrag, de AOW-franchise, van 19.172 euro. De maximale premiegrondslag komt daarmee op 118.628 euro, en de maximale jaarruimte voor 2026 op ongeveer 35.589 euro voordat je pensioenopbouw ervan af gaat. In figuur 1 zie je die berekening stap voor stap, uitgewerkt voor een winst van 60.000 euro.

Figuur 1: Van inkomen naar jaarruimte 2026 in vier stappen. Bij 60.000 euro inkomen en geen pensioenopbouw via een werkgever blijft 12.248 euro aftrekbare ruimte over.

De vermindering wegens pensioenopbouw heet de imputatie. Die zorgt ervoor dat je niet dubbel voordeel krijgt: wat je al via een werkgever opbouwt, gaat van je ruimte af. De gegevens hiervoor (de factor A of de ingelegde premies) vind je op je Uniform Pensioenoverzicht (UPO). De Belastingdienst biedt een online rekenhulp waarmee je je jaarruimte kunt berekenen.

Wat is de reserveringsruimte?

Heb je een jaar of meer niet je volledige jaarruimte benut, dan gaat die ruimte niet automatisch verloren. Je mag onbenutte ruimte van de afgelopen tien kalenderjaren alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In 2026 kun je zo maximaal 42.753 euro extra inleggen en aftrekken, bovenop de gewone jaarruimte van dat jaar. Het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar en gebeurt op verzoek in je aangifte. Vooral in een goed jaar, of in het jaar waarin je stopt met je onderneming, kan dit een fors voordeel opleveren. Figuur 2 laat zien hoe onbenutte ruimte uit tien jaar zich optelt tot het bedrag dat je alsnog mag aftrekken.

Figuur 2: Onbenutte jaarruimte per jaar over 2016 tot en met 2025. In dit voorbeeld telt dat op tot 40.100 euro, net binnen het maximum van 42.753 euro voor 2026.

Hoeveel belasting bespaar je? Een rekenvoorbeeld

Een groot voordeel van de lijfrenteaftrek is dat deze niet wordt afgetopt. Anders dan bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en de ondernemersaftrek, die in de hoogste schijf tegen maximaal 37,56% aftrekbaar zijn, telt de lijfrentepremie mee tegen je volledige tarief, tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dat een wezenlijk verschil.

Stel: een zzp’er had vorig jaar 60.000 euro winst en bouwt geen pensioen op. Haar premiegrondslag is 60.000 euro min de AOW-franchise van 19.172 euro, dus 40.828 euro. Haar jaarruimte is 30% daarvan, oftewel 12.248 euro. Stort zij dit bedrag op een lijfrenterekening, dan daalt haar belastbaar inkomen met 12.248 euro. Bij een tarief van 37,56% scheelt dat ruim 4.600 euro belasting nu. Over de uitkering betaalt zij later belasting, meestal tegen een lager tarief (zie figuur 3).

Figuur 3: Hetzelfde inkomen, twee keuzes. Wie de jaarruimte van 12.248 euro benut, betaalt bij een tarief van 37,56% ruim 4.600 euro minder belasting in het jaar van storting.

Welke lijfrentes zijn aftrekbaar en wanneer moet je betalen?

Toegelaten aanbieders en vormen

De premie is alleen aftrekbaar bij een toegelaten aanbieder. Dat is een verzekeraar of een geblokkeerde lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsonderneming (de zogenoemde bancaire lijfrente). Daarnaast moet de lijfrente een toegestane vorm hebben: een oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Bij die laatste mogen de termijnen niet meer bedragen dan 27.192 euro per jaar. Een polis of rekening die niet aan deze eisen voldoet, geeft geen recht op aftrek.

Betalen in het jaar zelf

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte geldt sinds 2011 geen terugwentelingstermijn meer. Je moet de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Een premie die je pas in het nieuwe jaar betaalt, telt niet meer mee voor het afgelopen jaar. Alleen bij een lijfrente die je aankoopt met stakingswinst geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Stop je met je onderneming? Let op de stakingslijfrente

Zet je de winst uit de staking of verkoop van je onderneming om in een lijfrente, dan gelden aparte, veel hogere maxima. Afhankelijk van je leeftijd en situatie kun je tot 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro omzetten, verminderd met eerder opgebouwde voorzieningen. Voor deze route geldt wel de terugwenteling van zes maanden. Omdat de bedragen en voorwaarden hier complex zijn, is advies vooraf verstandig.

Wat gebeurt er als je de lijfrente later afkoopt?

De premieaftrek is voorwaardelijk. Koop je de lijfrente later af, verpand je die, of gebruik je die anders dan voor periodieke oudedagsuitkeringen, dan neemt de fiscus de eerder afgetrokken premies en het behaalde rendement terug. Dit bedrag wordt belast in box 1 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bovenop de belasting ben je dan in beginsel 20% revisierente verschuldigd, een soort boete voor het verkeerd gebruiken van de regeling.

Er zijn uitzonderingen. Over een klein lijfrentetegoed met een waarde tot 5.513 euro is geen revisierente verschuldigd, en bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag je vervroegd afkopen tot 51.440 euro per jaar zonder deze gevolgen. Ook geldt: voor zover je de premies aantoonbaar niet hebt afgetrokken, is geen revisierente verschuldigd. Een saldoverklaring van de Belastingdienst kan de grondslag dan verlagen. Bewaar daarom je aangiften en betaalbewijzen goed.

De belangrijkste bedragen voor 2026 op een rij

Parameter Waarde 2026 Vindplaats
Opbouwpercentage jaarruimte 30% art. 3.127 lid 1
Aftoppingsgrens inkomen 137.800 euro art. 3.127 lid 3
AOW-franchise 19.172 euro art. 3.127 lid 3
Maximale premiegrondslag 118.628 euro afgeleid
Maximale jaarruimte (voor imputatie) ± 35.589 euro afgeleid
Maximale reserveringsruimte 42.753 euro art. 3.127 lid 2
Terugblikperiode reserveringsruimte 10 jaar art. 3.127 lid 2
Max. termijn tijdelijke oudedagslijfrente 27.192 euro per jaar art. 3.125
Afkoopgrens klein tegoed (geen revisierente) 5.513 euro art. 3.126a lid 5
Maximaal aftrektarief 49,50% art. 2.10
Revisierente bij afkoop in beginsel 20% art. 30i AWR

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bereken je jaarruimte. Gebruik je inkomen van vorig jaar en je pensioenoverzicht (UPO), of de rekenhulp van de Belastingdienst.
  • Controleer de reserveringsruimte. Laat narekenen of je ruimte uit de afgelopen tien jaar alsnog kunt inhalen, tot 42.753 euro.
  • Kies een toegelaten product. Sluit de lijfrente af bij een erkende verzekeraar of bank, in een toegestane vorm.
  • Stort op tijd. Betaal de premie voor 31 december; voor de gewone ruimte is er geen terugwenteling.
  • Verwerk de aftrek in je aangifte. Neem de premie op als aftrekpost en vraag de reserveringsruimte expliciet aan.
  • Bewaar je stukken. Houd het UPO, de premiebevestiging en je aangiften bij voor eventuele controle of een latere saldoverklaring.
  • Denk vooruit bij afkoop. Bespreek de gevolgen van afkoop of verpanding vooraf, om onverwachte belasting en 20% revisierente te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel jaarruimte heb ik in 2026?

Je jaarruimte is in beginsel 30% van je premiegrondslag (je inkomen van vorig jaar, tot 137.800 euro, min de AOW-franchise van 19.172 euro), verminderd met je pensioenopbouw. De maximale jaarruimte voor 2026 is ongeveer 35.589 euro. De exacte uitkomst hangt af van je inkomen en je pensioen.

Kan ik onbenutte ruimte van vorige jaren nog gebruiken?

Ja. Via de reserveringsruimte mag je niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar alsnog inhalen, in 2026 tot maximaal 42.753 euro. Je vraagt dit aan in je aangifte; het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar.

Tot wanneer moet ik de premie betalen?

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte moet je de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Er is geen terugwenteling meer. Alleen bij een stakingslijfrente geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Is lijfrentepremie tegen het hoogste tarief aftrekbaar?

Ja. Anders dan de hypotheekrente en de ondernemersaftrek wordt de lijfrentepremie niet afgetopt op 37,56%. Je trekt de premie af tegen je volledige tarief, in 2026 tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dit een belangrijk voordeel.

Wat kost het afkopen van een lijfrente?

Bij afkoop worden de eerder afgetrokken premies en het rendement teruggenomen en belast in box 1. Daarbovenop ben je in beginsel 20% revisierente verschuldigd. Uitzonderingen gelden voor een klein tegoed tot 5.513 euro en voor afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot 51.440 euro per jaar.

Kan mijn partner mijn jaarruimte gebruiken?

Nee. De jaarruimte is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar tussen partners. Alleen degene die de premie zelf verschuldigd is en betaalt, kan aftrekken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een lijfrente kan tienduizenden euro’s aan aftrek opleveren, maar de berekening luistert nauw: een vergeten imputatie of een te hoge premie leidt tot correcties, en een verkeerde afkoop tot 20% revisierente. Taxcount berekent je jaar- en reserveringsruimte, controleert je pensioengegevens en bepaalt hoeveel je fiscaal voordelig kunt inleggen. Ook bij een staking of verkoop van je onderneming rekenen wij de aparte maxima voor je uit en begeleiden wij de aftrek in je aangifte. Wil je weten hoeveel ruimte je dit jaar hebt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen, dan weet je zeker dat je geen voordeel laat liggen en geen fouten maakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je voor je eigen geval altijd door een adviseur voorlichten.

 

Holdingstructuur opzetten: het verschil dat je winst beschermt en je belasting uitstelt

Veel ondernemers houden de aandelen van hun bv privé, tot het moment dat er echt iets op het spel staat: een goede winst, een pand in de zaak, plannen voor opvolging of een mogelijke verkoop. Dan komt de vraag op of het niet slimmer is om een holding op te richten en de werk-bv daaronder te hangen. Een holding oprichten kan grote voordelen geven, maar het “omhangen” van je aandelen is fiscaal een verkoop, en zonder de juiste route betaal je daarover direct belasting in box 2. Gelukkig kent de wet vrijstellingen waarmee je een holdingstructuur kunt opzetten zonder nu af te rekenen. In dit artikel leest je wat een holding is, welke routes er zijn (aandelenfusie, juridische fusie of splitsing en geruisloze omzetting), welke voorwaarden gelden en wat je praktisch moet regelen. De bedragen en tarieven gelden voor het belastingjaar 2026.

Wat is een holding en waarom zou je er een oprichten?

Bij een holdingstructuur hou je de aandelen van je bedrijfs-bv (de werkmaatschappij) niet zelf, maar via een aparte moeder-bv: de holding. In de werkmaatschappij zit het eigenlijke bedrijf, met het personeel, de klanten en dus de risico’s. De holding zit daarboven en houdt alleen de aandelen, vaak samen met spaargeld, beleggingen of een pand.

Het voordeel: winst kan als dividend van de werkmaatschappij naar de holding, weg van de bedrijfsrisico’s. Verkoopt de holding later de werkmaatschappij, dan is die verkoopwinst bij de holding in de regel onbelast dankzij de deelnemingsvrijstelling (de vrijstelling waardoor winst op een dochter-bv bij de moeder-bv onbelast blijft). Zolang het geld in de holding blijft, stel je de belasting in box 2 uit tot het moment dat je het naar privé haalt.

Het verschil in cijfers: verkopen met of zonder holding

Twee rekenvoorbeelden maken het verschil concreet. In beide gevallen verkoop je je bedrijf met een verkoopwinst van 1.000.000 euro. We rekenen met de box 2-tarieven van 2026 (24,5% tot 68.843 euro en 31% over het meerdere) en gaan ervan uit dat je dat jaar geen ander inkomen in box 2 hebt.

Rekenvoorbeeld 1: je houdt de aandelen privé, zonder holding. De verkoopwinst van 1.000.000 euro valt direct in box 2. Over de eerste 68.843 euro betaal je 24,5%, dat is 16.866 euro. Over de resterende 931.157 euro betaal je 31%, dat is 288.659 euro. Samen komt de box 2-belasting uit op ongeveer 305.525 euro, zodat je netto 694.475 euro overhoudt. Figuur 1 laat deze situatie zien.

Figuur 1: Bedrijf verkopen zonder holding, de verkoopwinst valt direct in box 2.

Rekenvoorbeeld 2: je hebt een holding. De holding verkoopt de werkmaatschappij en dezelfde verkoopwinst van 1.000.000 euro valt onder de deelnemingsvrijstelling. Daardoor betaal je op dat moment 0 euro belasting en komt het volledige bedrag van 1.000.000 euro beschikbaar in de holding. Box 2-belasting betaal je pas wanneer je geld vanuit de holding naar privé uitkeert, en je bepaalt zelf wanneer en in welk tempo. Figuur 2 toont dit scenario.

Figuur 2: Bedrijf verkopen met holding, de verkoopwinst blijft onbelast via de deelnemingsvrijstelling.

Het verschil tussen figuur 1 en figuur 2 laat zien waarom veel ondernemers een holding oprichten voordat een verkoop in beeld komt. Let op: het gaat om uitstel, niet om afstel. Keer je de volledige 1.000.000 euro later in één jaar uit naar privé, dan betaal je alsnog ongeveer 305.525 euro box 2-belasting. Het voordeel zit in het uitstel (je kunt met het geld ondertussen doorbeleggen of herinvesteren) en in de mogelijkheid om de uitkering te spreiden over meerdere jaren, zodat je vaker het lage tarief van 24,5% benut. Alle bedragen zijn afgerond.

Waarom is het “omhangen” naar een holding een belaste verkoop?

Hou je de aandelen van je bv al privé, dan is het overdragen aan een nieuwe holding fiscaal een vervreemding: elke overgang van aandelen uit je vermogen telt als een verkoop, ook een ruil of inbreng. Over de waardestijging (het verschil tussen de waarde nu en je oorspronkelijke verkrijgingsprijs) zou je dan direct box 2-belasting moeten betalen.

Een voorbeeld maakt dit concreet. Stel, je aandelen in de werk-bv zijn 1.500.000 euro waard en je verkrijgingsprijs (het bedrag waarvoor je de aandelen ooit kreeg) is 50.000 euro. Zonder vrijstelling zou je bij het omhangen moeten afrekenen over 1.450.000 euro. Tegen de box 2-tarieven van 2026 is dat ongeveer 445.000 euro belasting, en dat terwijl je zelf geen euro in handen krijgt. Om precies dit te voorkomen kent de wet een aantal geruisloze routes.

Welke routes zijn er om een holding op te richten zonder af te rekenen?

De wet biedt drie hoofdroutes om een holdingstructuur op te zetten zonder dat je nu belasting betaalt. Welke route past, hangt af van je uitgangssituatie: hou je de aandelen privé, heb je al een bv-structuur, of drij je nog een eenmanszaak of vof? Figuur 3 helpt je om in één oogopslag te bepalen welke route bij je situatie past.

Figuur 3: Beslisboom, welke route past bij je situatie?

Route 1: de aandelenfusie

Bij een aandelenfusie ruil je je aandelen in de werk-bv tegen nieuwe aandelen van de holding. Je draagt dus je aandelen over aan de holding en krijgt daarvoor aandelen in de holding terug. Op verzoek betaal je op dat moment niets: je oude, lage verkrijgingsprijs schuift door naar de holdingaandelen. De belastingclaim verdwijnt niet, hij schuift mee. Voorwaarde is onder meer dat de holding met de ruil meer dan de helft van de stemrechten in de werk-bv verkrijgt.

Route 2: de juridische fusie of splitsing

Bij een juridische fusie smelten twee of meer bv’s samen; het vermogen gaat “onder algemene titel” (automatisch, in één keer) over. Bij een juridische splitsing gebeurt het omgekeerde: het vermogen van een bv wordt geheel of deels afgesplitst naar één of meer andere bv’s. De splitsing is een veelgebruikte manier om een holding boven een bestaande werk-bv te plaatsen, of om bijvoorbeeld het vastgoed apart te zetten van de onderneming. Ook hier geldt: op verzoek geen directe heffing.

Er zijn twee vormen van juridische splitsing. Bij een gewone splitsing (ook wel afsplitsing) blijft de werk-bv gewoon bestaan en komt er een nieuwe holding tussen jou en de werk-bv, zoals te zien is in figuur 4.

Figuur 4: Gewone splitsing (afsplitsing), er komt een nieuwe holding tussen jou en de werk-bv; de werk-bv blijft bestaan.

Bij een zuivere splitsing houdt de gesplitste bv juist op te bestaan. Het vermogen gaat onder algemene titel over naar twee of meer nieuwe bv’s, die vervolgens onder de holding hangen. Figuur 5 laat dit stap voor stap zien.

Figuur 5: Zuivere splitsing, de oorspronkelijke werk-bv verdwijnt en het vermogen gaat over naar twee of meer nieuwe bv’s.

Route 3: eerst een eenmanszaak of vof omzetten

Heb je nog een eenmanszaak of vof, dan zet je de onderneming eerst geruisloos om in een bv (een omzetting zonder direct af te rekenen over de stille reserves en goodwill). Daarna kun je, ondanks het driejaarsverbod op verkoop van de nieuwe aandelen, tóch een holding plaatsen via een aandelenfusie of juridische fusie. Je legt dan schriftelijk aan de Belastingdienst vast dat de holdingaandelen in de plaats treden van de oude aandelen.

Wat is de belangrijkste voorwaarde: zakelijke redenen

De rode draad bij alle routes is dat de stap zakelijke redenen moet hebben: herstructurering, spreiding van risico of voorbereiding van opvolging. Een holding tussenschuiven vlak voor een geplande verkoop, alleen om de belasting uit te stellen, wordt geweigerd. De wet spreekt van transacties die “in overwegende mate zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing”.

Dit is geen theoretisch risico. In een bekende zaak schoof een ondernemer vlak vóór een concrete verkoop een holding tussen; het verwachte fiscale voordeel was ruim 9 miljoen euro. De rechter oordeelde dat de stap vooral was gericht op uitstel van een acute heffing en weigerde de vrijstelling. De les: richt je holding op ruim voordat een verkoop concreet wordt, en leg de zakelijke redenen goed vast. Zekerheid vooraf vragen bij de Belastingdienst kan; dat gebeurt met een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is.

Waar moet je op letten nadat de holding staat?

Een holdingstructuur is niet alleen iets om op te zetten, maar ook om te onderhouden. Een paar aandachtspunten die in de praktijk vaak spelen:

  • Lenen van je bv: leen je samen met je partner meer dan 500.000 euro van al je eigen vennootschappen samen, dan wordt het meerdere belast alsof het dividend is. Een holdingstructuur verruimt dit plafond niet, want alle schulden aan al je bv’s tellen bij elkaar op.
  • Dividend uitkeren: voordat de bv dividend uitkeert, moet het bestuur toetsen of de bv daarna haar rekeningen kan blijven betalen (de uitkeringstoets). Zonder deugdelijke toets kunnen bestuurders aansprakelijk zijn voor een tekort.
  • Vermogen binnen een fiscale eenheid verplaatsen: verplaats je een pand of bedrijfsonderdeel met stille reserves van de ene bv naar de andere binnen een fiscale eenheid, en verkoop je of onttrekt je die bv binnen zes jaar (soms drie jaar), dan moet je alsnog afrekenen over de meerwaarde. Hiervoor bestaat geen tegenbewijsregeling.
  • Vastgoed en overdrachtsbelasting: zit er vastgoed in de structuur, hou dan rekening met de overdrachtsbelasting. Sinds 1 juli 2025 gelden nieuwe vrijstellingen bij fusie, interne reorganisatie en splitsing, met eigen driejaarstermijnen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal je uitgangssituatie: hou je de aandelen privé, heb je al een bv-structuur of drij je nog een eenmanszaak of vof? Dit bepaalt welke route (aandelenfusie, splitsing of eerst een geruisloze omzetting) voor je geschikt is.
  • Toets de zakelijke redenen: zorg dat er een duidelijke zakelijke aanleiding is (risicospreiding, opvolging, herstructurering) en dat er geen concrete verkoop op korte termijn speelt.
  • Vraag zekerheid vooraf: laat de Belastingdienst de faciliteit vóór de transactie bevestigen met een beschikking, zeker bij grotere belangen.
  • Dien de verzoeken op tijd in: de doorschuiving in box 2 werkt alleen op verzoek; laat dit tijdig indienen, uiterlijk voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat.
  • Leg de verkrijgingsprijs vast: administreer de doorgeschoven verkrijgingsprijs zorgvuldig, zodat later duidelijk is welke claim is meegegaan.
  • Regel de notariële uitvoering: een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing loopt via de notaris; stem de stappen op elkaar af.
  • Bewaak de driejaarstermijnen: let op de termijnen na een geruisloze omzetting en bij de overdrachtsbelasting; verkoop binnen die termijnen kan een vrijstelling terugdraaien.
  • Houd het lenen en het dividend in de gaten: bewaak jaarlijks per 31 december het totaal van je leningen bij de bv en leg de uitkeringstoets bij dividend schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Kost een holding oprichten belasting?

Niet direct, als je een van de wettelijke routes gebruikt (aandelenfusie, juridische fusie of splitsing) en op verzoek de doorschuiving toepast. Je oude verkrijgingsprijs schuift dan door naar de holdingaandelen. Zonder deze routes is het omhangen een belaste verkoop in box 2.

Wat is het voordeel van een holding bij verkoop?

Verkoopt de holding de werkmaatschappij, dan is de verkoopwinst bij de holding meestal onbelast door de deelnemingsvrijstelling. Je betaalt pas box 2-belasting als je geld naar privé haalt. Bij verkoop van privé gehouden aandelen betaal je direct af, zoals figuur 1 en figuur 2 laten zien.

Kan ik nog een holding oprichten als ik mijn bedrijf wil verkopen?

Dat is riskant. Een holding tussenschuiven met een concrete verkoop in zicht wordt vrijwel zeker geweigerd, omdat de stap dan vooral is gericht op uitstel van belasting. Richt je holding daarom op ruim voordat een verkoop speelt.

Wat is het verschil tussen een gewone en een zuivere splitsing?

Bij een gewone splitsing (afsplitsing) blijft de werk-bv bestaan en komt er een nieuwe holding tussen jou en de werk-bv (figuur 3). Bij een zuivere splitsing verdwijnt de oorspronkelijke bv en gaat het vermogen over naar twee of meer nieuwe bv’s (figuur 4).

Ik heb een eenmanszaak. Kan ik direct een holding krijgen?

Niet in één stap. Je zet je eenmanszaak of vof eerst geruisloos om in een bv. Daarna kun je, ook binnen het driejaarsverbod, een holding plaatsen via een aandelenfusie of juridische fusie, mits je schriftelijk verklaart dat de holdingaandelen in de plaats treden van de oude aandelen.

Hoeveel mag ik lenen van mijn eigen bv?

Je mag samen met je partner tot 500.000 euro lenen van al je eigen vennootschappen samen, de eigenwoningschuld meestal niet meegeteld. Boven dat bedrag wordt het meerdere belast als fictief dividend in box 2. Een extra bv in de structuur verhoogt dit plafond niet.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een holding oprichten levert vaak veel op, maar de valkuilen zitten in de details: de juiste route, de zakelijke onderbouwing, de verzoeken en de termijnen. Taxcount brengt je situatie in kaart, adviseert over de best passende route (aandelenfusie, fusie of splitsing, of eerst een geruisloze omzetting), verzorgt de aanvraag van zekerheid vooraf bij de Belastingdienst en stemt de uitvoering af met je notaris. Ook daarna houden wij de aandachtspunten voor je bij, van het leenplafond tot de uitkeringstoets en de driejaarstermijnen.

Overweeg je een holding op te richten of wil je je bestaande structuur laten optimaliseren? Laat je situatie vrijblijvend beoordelen door de adviseurs van Taxcount, dan weet je precies welke stappen voor je het meeste opleveren.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je een holdingstructuur opzet of wijzigt.

Zie ook: