Geruisloze inbreng: onderneming omzetten zonder afrekening

Je eenmanszaak of vof groeit en je vraagt je af of een bv niet verstandiger is. Vaak zit er dan één ding in de weg: bij de overstap naar een bv moet je in beginsel fiscaal afrekenen over de stille reserves en de goodwill in je onderneming. Dat kan een forse belastingaanslag opleveren, precies op het moment dat je het geld liever in de onderneming houdt. Met een geruisloze inbreng zet je je onderneming om in een bv zonder dat je direct hoeft af te rekenen. In dit artikel lees je hoe de geruisloze inbreng werkt, welke voorwaarden in 2026 gelden en wanneer deze route voor jou voordelig is.

De kern in het kort

De geruisloze inbreng is geregeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De gedachte is eenvoudig: je wijzigt alleen de juridische vorm van je onderneming, van een IB-onderneming naar een bv, zonder dat de Belastingdienst dit als een staking ziet. Daardoor blijft belastingheffing op dat moment achterwege. Belangrijk om te weten:

  • Geen afrekening (doorschuiven). De onderneming wordt geacht niet te zijn gestaakt. De bv neemt de boekwaarden over en zet de onderneming voort. Je betaalt nu geen inkomstenbelasting over de stille reserves en de goodwill.
  • Uitstel, geen afstel. De fiscale claim verdwijnt niet. Die schuift mee naar de bv en komt pas aan de orde als de winst later wordt gerealiseerd.
  • Verzoek en beschikking. Je vraagt de faciliteit aan bij de Belastingdienst. De inspecteur legt de voorwaarden vast in een beschikking waartegen je bezwaar kunt maken.
  • Ruisend als alternatief. Bij een ruisende inbreng reken je wél af over de stakingswinst. Dat kan aantrekkelijk zijn als je die winst kunt omzetten in een lijfrente bij je eigen bv.

De voorwaarden

De Belastingdienst stelt aan de geruisloze inbreng een aantal standaardvoorwaarden (voor het laatst vastgesteld in het besluit van 30 juni 2010). De belangrijkste op een rij:

  • Zelfde gerechtigdheid. Je moet als oprichter geheel of nagenoeg geheel (in de praktijk ten minste 90%) in dezelfde verhouding aandelen krijgen als je aandeel in het ondernemingsvermogen. Breng je samen met een compagnon in? Dan geldt dit per persoon.
  • Vervreemdingsverbod van drie jaar. Verkoop je de aandelen binnen drie jaar na de inbreng? Dan mag dat alleen met voorafgaande toestemming van de Belastingdienst. Je moet dan aantonen dat de inbreng geen onderdeel was van een plan om de onderneming te verkopen. Een aandelenfusie is onder voorwaarden wel toegestaan.
  • Termijn voor de oprichting. Kies je voor terugwerkende kracht, dan gelden strakke termijnen. Werk je met een geregistreerde voorovereenkomst, dan moet de bv binnen negen maanden na het overgangstijdstip zijn opgericht; met een notariële akte van depot geldt een termijn van vijftien maanden.
  • Vaststelling verkrijgingsprijs. De Belastingdienst stelt de verkrijgingsprijs van je aandelen vast. Dat is van belang voor box 2, omdat je door de inbreng een aanmerkelijk belang in de bv krijgt (art. 4.36 Wet IB 2001).
  • Schriftelijke instemming. De bv moet schriftelijk akkoord gaan met de gestelde voorwaarden.

Voldoe je aan deze voorwaarden, dan zet je je onderneming om zonder directe belastingheffing. Voldoe je er niet aan, dan volgt alsnog een ruisende inbreng mét afrekening.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil zijn onderneming in 2026 omzetten naar een bv. In de onderneming zitten stille reserves en goodwill van samen € 150.000. De vraag: ruisend inbrengen (afrekenen) of geruisloos inbrengen (doorschuiven)?

Scenario A – Ruisende inbreng (afrekenen) Bedrag
Stakingswinst (stille reserves + goodwill) € 150.000
Af: stakingsaftrek 2026 – € 3.630
Af: mkb-winstvrijstelling 12,7% – € 18.589
Belastbare stakingswinst € 127.781
Inkomstenbelasting box 1 (toptarief 49,50%) ± € 63.251
Direct te betalen ± € 63.251

 

Scenario B – Geruisloze inbreng (doorschuiven) Bedrag
Stakingswinst (onderneming geacht niet gestaakt) € 0
Boekwaarden schuiven door naar de bv
Direct te betalen € 0
Fiscale claim later: vennootschapsbelasting (19% / 25,8%) + box 2 (24,5% / 31%) bij realisatie

De conclusie: in dit voorbeeld houdt de ondernemer met de geruisloze inbreng ruim € 63.000 in de onderneming die hij anders meteen aan belasting kwijt zou zijn. Let op: dit is uitstel, geen afstel, de claim schuift door naar de bv. Bij de ruisende variant kun je de heffing overigens ook uitstellen door een lijfrente bij je eigen bv te bedingen. Wij rekenen met het toptarief; je werkelijke tarief hangt af van je overige inkomen.

Praktische gevolgen

  • Terugwerkende kracht en termijnen. Je kunt de inbreng met terugwerkende kracht laten ingaan per het begin van een boekjaar. Bewaak de negen- of vijftienmaandstermijn scherp; te laat betekent geen geruisloze inbreng.
  • Voorovereenkomst registreren. Leg je voornemen tijdig vast in een voorovereenkomst of intentieverklaring en laat die registreren bij de Belastingdienst, of gebruik een notariële akte van depot.
  • Beschrijving van activa en passiva. Bij de inbreng wordt een beschrijving van de bezittingen en schulden gemaakt. Deze mag niet ouder zijn dan zes maanden. Een omzetting in de eerste helft van het jaar voorkomt extra tussentijdse cijfers en kosten.
  • Aanmerkelijk belang (box 2). Na de inbreng ben je aandeelhouder met een aanmerkelijk belang. Je vastgestelde verkrijgingsprijs is bepalend bij een latere verkoop of liquidatie van de bv.
  • Gebruikelijk loon. Als bestuurder-aandeelhouder krijg je te maken met de gebruikelijkloonregeling en met de jaarlijkse afweging tussen loon en dividend.
  • Bestaande bv gebruiken. Je hoeft niet per se een nieuwe bv op te richten. Een bestaande vennootschap kan ook, mits die op het overgangstijdstip een soortgelijke onderneming drijft.

Conclusie en advies

De geruisloze inbreng is aantrekkelijk als je wilt overstappen naar een bv zonder direct een belastingaanslag over je stille reserves en goodwill te krijgen. De keuze tussen een geruisloze en een ruisende inbreng hangt af van je cijfers, je wens om af te rekenen of juist uit te stellen, en van de mogelijkheid om een lijfrente te bedingen. De voorwaarden luisteren nauw, vooral de termijnen en het vervreemdingsverbod van drie jaar. Wil je weten welke route in jouw situatie het meeste oplevert? De fiscalisten van Taxcount rekenen beide scenario’s voor je door en verzorgen het verzoek bij de Belastingdienst. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvende beoordeling van je situatie.

Urencriterium 2026: haal je de 1.225 uur en wat levert het op?

Werk je als ondernemer hard aan je bedrijf, dan wil je ook de belastingvoordelen benutten die daarbij horen. De toegangspoort tot die voordelen is het urencriterium: de eis dat je genoeg tijd in je onderneming steekt. Haal je die drempel, dan mag je de ondernemersaftrek toepassen, met onder meer de zelfstandigenaftrek. Haal je hem net niet, of kun je je uren niet aantonen, dan loop je die aftrek mis of krijg je achteraf een naheffing. In dit artikel lees je wat het urencriterium in 2026 precies inhoudt, welke uren meetellen, wat het je oplevert en hoe je je uren waterdicht vastlegt.

Wat is het urencriterium?

Het urencriterium is de voorwaarde dat je minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteedt, en dat je daar (als je geen starter bent) ook het grootste deel van je werktijd aan besteedt. Het criterium geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eenmanszaken, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Het geldt niet voor een bv (die valt onder de vennootschapsbelasting) en niet voor mensen met alleen loondienst of losse bijverdiensten.

Figuur 1 laat zien uit welke eisen het urencriterium bestaat en hoe de uitzondering voor starters werkt.

Figuur 1: de eisen van het urencriterium en de toegang tot de ondernemersaftrek.

De twee eisen: 1.225 uur en het grotendeelscriterium

Om het urencriterium te halen, moet je aan twee eisen voldoen die allebei gelden. Voor starters geldt alleen de eerste eis.

De 1.225-ureneis

Je besteedt in het kalenderjaar ten minste 1.225 uur aan je onderneming of ondernemingen. Dat komt neer op gemiddeld zo’n 24 uur per week. Deze drempel is een vast aantal en wordt niet naar rato verlaagd als je pas halverwege het jaar start: ook als starter in bijvoorbeeld juli moet je de volle 1.225 uur halen.

Het grotendeelscriterium (en de uitzondering voor starters)

Van al je werktijd samen (je onderneming, plus eventueel loondienst en bijverdiensten) moet meer dan de helft naar je onderneming gaan. Deze tweede eis heet het grotendeelscriterium. Combineer je je bedrijf met een baan, dan is dit vaak het lastigste punt: je moet aannemelijk maken dat je méér tijd aan de onderneming besteedt dan aan je dienstbetrekking. Ben je starter (je was in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer), dan geldt het grotendeelscriterium niet en hoef je alleen de 1.225 uur te halen.

Welke uren tellen mee (en welke niet)?

Alle tijd die je besteedt met het oog op de zakelijke belangen van je bedrijf telt mee. Dat is dus veel meer dan alleen de declarabele of productieve uren. Denk aan administratie, het opstellen van offertes, reistijd en woon-werkverkeer, acquisitie, bijscholing om je vakkennis op peil te houden en zelfs het afwikkelen van een gestaakt bedrijf.

Niet mee tellen onder meer ziekte-uren en uren waarin je alleen maar beschikbaar was zonder daadwerkelijk te werken. Er geldt wel een belangrijke tegemoetkoming bij zwangerschap: gedurende 16 weken rond de bevalling word je geacht gewoon te hebben doorgewerkt, zodat een zwangerschap je urencriterium niet in gevaar brengt.

Wat levert het urencriterium op in 2026?

Haal je het urencriterium, dan krijg je toegang tot de ondernemersaftrek: een verzameling aftrekposten die je belastbare winst verlagen. De belangrijkste bedragen voor 2026 staan in figuur 2.

Figuur 2: de aftrekposten die het urencriterium in 2026 ontsluit.

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dat bedrag is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd (in 2025 was het nog € 2.470) en daalt in 2027 verder naar € 900. Juist daardoor worden de andere aftrekposten relatief belangrijker. Starters krijgen bovenop de zelfstandigenaftrek de startersverhoging van € 2.123, die je in de eerste vijf jaar maximaal drie keer mag toepassen. Doe je speur- en ontwikkelingswerk met een S&O-verklaring, dan komt daar de S&O-aftrek van € 15.979 bij (met € 7.996 extra voor starters), mits je ook ten minste 500 S&O-uren maakt. Werkt je partner onbetaald mee, dan kan de meewerkaftrek oplopen tot 4% van de winst.

Een rekenvoorbeeld maakt het concreet. Sara start in 2026 een webshop naast haar baan van drie dagen. Ze werkt 1.300 uur in de webshop. Als starter hoeft ze niet aan het grotendeelscriterium te voldoen, dus met 1.300 uur haalt ze het urencriterium. Ze krijgt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 plus de startersverhoging van € 2.123, samen € 3.323 minder belastbare winst. Let op: de MKB-winstvrijstelling (12,7% van de winst) en de stakingsaftrek kennen geen urencriterium; die krijg je dus ook zonder de 1.225 uur.

Let op bij een meewerkende partner

Werkt je partner of een familielid met je samen in een vof of maatschap, dan tellen die uren niet altijd mee. De uren tellen niet mee als het werk van de partner voor 70% of meer uit ondersteunende taken bestaat (zoals administratie, telefoon aannemen of schoonmaak) én zo’n samenwerkingsverband tussen niet-verwanten ongebruikelijk zou zijn. Beide voorwaarden moeten samen gelden.

Het klassieke voorbeeld uit de wetsgeschiedenis is de huisarts wiens echtgenoot alleen de administratie doet: die partneruren tellen niet mee. Overweeg je een vof of maatschap met je partner, laat dan vooraf toetsen of diens uren meetellen. Dat voorkomt een verrassing achteraf.

Houd een sluitende urenadministratie bij

De bewijslast ligt bij jou: je moet aannemelijk maken dat je de uren echt hebt gewerkt, ook als de Belastingdienst pas jaren later navordert. Een controleerbare urenadministratie met per dag de datum, de activiteit en het aantal uren is daarom in de praktijk onmisbaar. Te algemene omschrijvingen zoals ‘literatuuronderzoek’ zijn niet genoeg.

Kun je de uren niet onderbouwen, dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. Begin daarom aan het begin van het jaar met bijhouden en wacht niet tot de aangifte. Taxcount stelt hiervoor desgewenst een urenstaat beschikbaar.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Houd het hele jaar je uren bij. Noteer per dag datum, activiteit en aantal uren; ook administratie, reistijd en acquisitie tellen mee.
  • Toets het grotendeelscriterium. Heb je ook een baan? Controleer dan of meer dan de helft van je totale werktijd naar je onderneming gaat (geldt niet voor starters).
  • Check je starterspositie. Was je in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer, dan hoef je alleen de 1.225 uur te halen en heb je recht op de startersverhoging.
  • Toets partneruren vooraf. Werkt je partner mee, ga dan na of diens uren meetellen voordat je een vof of maatschap aangaat.
  • Benut alle aftrekposten. Naast de zelfstandigenaftrek kun je mogelijk de startersverhoging, S&O-aftrek en meewerkaftrek toepassen.
  • Denk aan de zwangerschapsregeling. Bij zwangerschap word je 16 weken geacht te hebben doorgewerkt; die uren tellen dus mee.

Veelgestelde vragen

Hoeveel uur is het urencriterium in 2026?

Het urencriterium is 1.225 uur per kalenderjaar, ongeacht wanneer je in het jaar bent gestart. Dat is gemiddeld ongeveer 24 uur per week. Daarnaast geldt voor niet-starters het grotendeelscriterium.

Wat is de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek € 1.200. Dit bedrag is de afgelopen jaren verlaagd en daalt in 2027 verder naar € 900. Starters krijgen bovendien de startersverhoging van € 2.123.

Tellen reistijd en administratie mee voor het urencriterium?

Ja. Alle tijd die je besteedt met het oog op de zakelijke belangen van je onderneming telt mee, dus ook administratie, offertes, acquisitie, reistijd en bijscholing. Ziekte-uren en uren waarin je alleen beschikbaar was, tellen niet mee.

Geldt het urencriterium ook als ik daarnaast een baan heb?

Ja, maar dan is het grotendeelscriterium vaak het knelpunt: je moet aannemelijk maken dat je meer tijd aan je onderneming besteedt dan aan je dienstbetrekking. Ben je starter, dan vervalt die eis en telt alleen de 1.225 uur.

Wat gebeurt er als ik mijn uren niet kan aantonen?

Dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. De bewijslast ligt bij jou, dus een sluitende urenadministratie is essentieel om je recht op de aftrek veilig te stellen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Het urencriterium lijkt eenvoudig, maar de details bepalen of je de aftrek krijgt: het grotendeelscriterium naast een baan, de starterspositie, meetellende partneruren en vooral een bewijskrachtige urenadministratie. Taxcount helpt je om de eisen goed te toetsen, je urenregistratie op orde te brengen en alle aftrekposten die je toekomen te benutten. Twijfel je of je het urencriterium haalt of hoe je je uren het beste vastlegt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat je aftrekposten claimt.

Gratis hulpmiddelen

Download de documenten hieronder en ontvang ze direct in je mailbox.

Zie ook:

Bronnen:

Je BV opheffen? Zo werkt de belastingafrekening in box 2 (2026)

Stop je met je BV, dan kijkt de Belastingdienst mee. Bij de liquidatie van een BV volgt altijd een eindafrekening in box 2: soms betaal je belasting, soms levert het juist een aftrekbaar verlies op. In dit artikel lees je in gewone taal hoe dat werkt, met actuele tarieven en rekenvoorbeelden voor 2026.

BV opheffen: wat gebeurt er eigenlijk?

Een BV houdt niet zomaar op te bestaan. Eerst wordt de vennootschap ontbonden (artikel 2:19 BW). Zijn er dan nog bezittingen of schulden, dan blijft de BV bestaan totdat alles is afgewikkeld: de vereffening (artikel 2:23a BW). Tijdens die vereffening worden bezittingen verkocht, schulden betaald en wordt wat overblijft uitgekeerd aan de aandeelhouders.

Dat restbedrag heet het liquidatiesaldo. En juist dat saldo – of het ontbreken ervan – bepaalt hoe de belastingafrekening voor jou uitpakt.

Waarom betaal je belasting bij liquidatie van een BV?

Heb je minimaal 5% van de aandelen in een BV, dan heb je een aanmerkelijk belang. Je inkomsten daaruit vallen in box 2 van de inkomstenbelasting. Denk aan dividend, maar ook aan de winst bij verkoop van je aandelen.

Bij een liquidatie verkoop je je aandelen niet. Toch wil de wetgever voorkomen dat waardestijgingen (of -dalingen) buiten beeld blijven als een BV verdwijnt. Daarom merkt de wet twee situaties aan als een fictieve vervreemding (artikel 4.16, lid 1, Wet IB 2001):

  • Onderdeel c: het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering telt als vervreemding;
  • Onderdeel g: het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang telt eveneens als vervreemding.

Kort gezegd: het einde van je aandelenbelang leidt altijd tot een fiscale afrekening – óók als er geen euro wordt uitgekeerd.

Situatie 1: er blijft geld over (positief liquidatiesaldo)

Blijft er na de vereffening geld over voor jou als aandeelhouder, dan is dat een liquidatie-uitkering. Je betaalt alleen belasting over de winst, niet over je eigen inbreng.

Hoe wordt de belaste winst berekend?

Het belaste voordeel is het bedrag dat je ontvangt boven je verkrijgingsprijs (artikel 4.34 in samenhang met artikel 4.19 Wet IB 2001). De verkrijgingsprijs is – simpel gezegd – wat je ooit in de BV hebt gestoken:

  • het gestorte aandelenkapitaal;
  • agio (storting boven de nominale waarde);
  • informele kapitaalstortingen;
  • latere bijstortingen.

Rekenvoorbeeld: belaste winst bij opheffing

Onderdeel Bedrag
Liquidatiesaldo (uitkering) € 220.000
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Belast voordeel in box 2 € 70.000

 

Over dit voordeel betaal je in 2026 het box 2-tarief: 24,5% over de eerste € 68.843 en 31% over het meerdere. In dit voorbeeld is dat afgerond € 17.225. Heb je een fiscaal partner, dan geldt het lage tarief zelfs over maximaal € 137.686 aan gezamenlijk box 2-inkomen en blijft de heffing beperkt tot € 17.150.

En de dividendbelasting?

De BV moet bij de uitkering 15% dividendbelasting inhouden, maar alleen over het deel van de uitkering dat uitgaat boven het gemiddeld gestorte kapitaal op de aandelen (artikel 3, lid 1, onderdeel b, Wet DB 1965). Die dividendbelasting ben je niet extra kwijt: zij wordt als voorheffing verrekend met je inkomstenbelasting in box 2.

Situatie 2: er blijft niets over (verlies op je aandelen)

Blijft er na het betalen van alle schulden niets over, dan krijg je als aandeelhouder geen uitkering. Je aanmerkelijk belang houdt op te bestaan (artikel 4.16, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001) en de opbrengst wordt op nihil gesteld.

De verkrijgingsprijs die je nooit hebt terugverdiend, wordt dan een negatief vervreemdingsvoordeel: een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies neem je fiscaal in aanmerking op het moment dat de vereffening is voltooid (artikel 4.46, lid 6, Wet IB 2001).

Rekenvoorbeeld: verlies bij opheffing

Onderdeel Bedrag
Liquidatie-opbrengst € 0
Verkrijgingsprijs aandelen € 150.000
Verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) € 150.000

 

Er is in deze situatie geen dividendbelasting verschuldigd: er wordt immers niets uitgekeerd.

Wat kun je met een verlies in box 2?

Een box 2-verlies is geld waard, maar je kunt het niet onbeperkt gebruiken. Artikel 4.49 Wet IB 2001 bepaalt hoe het verlies wordt verrekend:

  • Eerst terug: verrekening met box 2-inkomen van het voorafgaande kalenderjaar (carry-back);
  • Dan vooruit: verrekening met box 2-inkomen van de zes volgende kalenderjaren (carry-forward).

Daarna verdampt het verlies in box 2. Voorwaarde is bovendien dat de inspecteur het verlies bij beschikking heeft vastgesteld (artikel 4.50 Wet IB 2001) – controleer dat dus altijd.

Geen aandelen meer? Vraag de belastingkorting aan

Na de opheffing van je enige BV heb je vaak helemaal geen box 2-inkomen meer om het verlies mee te verrekenen. Voor die situatie biedt artikel 4.53 Wet IB 2001 een oplossing. Heb je (en je fiscaal partner) in het kalenderjaar en het voorafgaande jaar geen aanmerkelijk belang meer, dan kun je de Belastingdienst verzoeken het openstaande verlies om te zetten in een belastingkorting van 24,5% van dat verlies.

Die korting verlaagt je belasting in box 1 (inkomen uit werk en woning, zoals loon of AOW). De korting is te benutten in het jaar van omzetting en de zeven jaren daarna, maar uiterlijk tot en met het negende jaar na het verliesjaar.

Voorbeeld: bij een verlies van € 150.000 bedraagt de belastingkorting € 36.750 (24,5%). Dat bedrag gaat rechtstreeks af van je inkomstenbelasting in box 1.

BV onder een holding? Dan werkt het anders

Worden de aandelen in de geliquideerde BV gehouden door je holding, dan valt het resultaat bij de holding in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling en blijft heffing op dat niveau achterwege. Een verlies op de deelneming kan bij liquidatie onder voorwaarden wél aftrekbaar zijn via de liquidatieverliesregeling (artikel 13d Wet VPB 1969).

De box 2-afrekening bij jou privé volgt pas wanneer de holding vermogen aan je uitkeert – of zelf wordt geliquideerd. Belastingheffing wordt zo uitgesteld, maar niet definitief voorkomen.

Vijf praktische aandachtspunten bij het opheffen van je BV

  • Stel het juiste moment van de (fictieve) vervreemding vast; bij een verlies is dat de voltooiing van de vereffening.
  • Onderbouw de verkrijgingsprijs zorgvuldig – vooral informele kapitaalstortingen worden vaak vergeten.
  • Controleer of het verlies bij beschikking is vastgesteld door de Belastingdienst.
  • Beoordeel tijdig of verrekening binnen de termijnen haalbaar is, of dat de belastingkorting van artikel 4.53 Wet IB 2001 gunstiger is.
  • Let bij een uitkering op de juiste inhouding en aangifte van dividendbelasting.

Veelgestelde vragen

Betaal ik altijd belasting als ik mijn BV opheffen?

Nee. Je betaalt alleen box 2-belasting als de liquidatie-uitkering hoger is dan je verkrijgingsprijs. Is de uitkering lager of nihil, dan heb je juist een verrekenbaar verlies.

Hoeveel belasting betaal ik in box 2 in 2026?

In 2026 betaal je 24,5% over de eerste € 68.843 aan box 2-inkomen en 31% over het meerdere. Met een fiscaal partner geldt het lage tarief over maximaal € 137.686 gezamenlijk.

Hoe lang is een verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen?

Eén jaar terug en zes jaar vooruit binnen box 2. Heb je geen aanmerkelijk belang meer, dan kun je het restant laten omzetten in een belastingkorting van 24,5% die je box 1-belasting verlaagt.

Moet mijn BV dividendbelasting inhouden bij liquidatie?

Alleen over het deel van de liquidatie-uitkering boven het gemiddeld gestorte kapitaal. Deze 15% wordt verrekend met je inkomstenbelasting.

Conclusie: laat je adviseren vóór de liquidatie

De liquidatie van een BV leidt altijd tot een fiscale eindafrekening in box 2. Bij een positief saldo betaal je belasting over de winst; blijft er niets over, dan ontstaat een verlies dat – mits goed begeleid – veel geld waard kan zijn. Het moment van afwikkeling, de onderbouwing van de verkrijgingsprijs en de keuze tussen verliesverrekening en de belastingkorting maken een groot verschil.

Overweeg je je BV op te heffen? De adviseurs van Taxcount in Den Haag rekenen graag vooraf voor je uit wat de liquidatie fiscaal betekent – en hoe je een verlies optimaal benut. Neem vrijblijvend contact op via www.taxcount.nl.

Verhuiskosten, dubbele huisvesting en privéauto voor ondernemers

Als ondernemer mag je veel zakelijke kosten van je winst aftrekken. Maar bij sommige kosten zet de wet bewust een rem: je mag ze maar beperkt aftrekken, óók al zijn ze zakelijk.

Die beperkingen staan in artikel 3.17 Wet inkomstenbelasting 2001. Dit artikel gaat vooral over:

  • verhuiskosten (verhuizen voor je onderneming)
  • dubbele huisvesting (twee woonplaatsen door je bedrijf)
  • priveuitverkoop (zoals je priveauto, motor of fiets)
  • en het gebruik van privebezittingen in je onderneming

Het idee: deze uitgaven zijn deels zakelijk, maar hebben óók een privevoordeel. De wet beperkt daarom de aftrek met forfaits, termijnen en maxima.

 

1. Wanneer geldt artikel 3.17?

Artikel 3.17 hoort bij een rijtje aftrekbeperkingen (art. 3.14 t/m 3.17). Pas als duidelijk is dat een uitgave zakelijk is, kijk je of dit artikel de aftrek beperkt. Het gaat om:

  • Ondernemers in de inkomstenbelasting (zzp, eenmanszaak, vof, maatschap, cv)
  • Medegerechtigden (bijvoorbeeld stille vennoten)
  • Resultaatgenieters (inkomsten uit overige werkzaamheden)

Het artikel geldt niet voor BV’s en NV’s (vennootschapsbelasting).

 

2. Verhuiskosten ondernemer – wat is aftrekbaar?

2.1. Verhuizen voor je onderneming

Artikel 3.17 beperkt de aftrek van verhuiskosten naar een andere woonruimte. Het gaat om verhuizingen die een zakelijk tintje hebben, bijvoorbeeld:

  • je onderneming verhuist naar een andere plaats en jij verhuist mee
  • je gaat dichter bij je bedrijf wonen om je werk goed te kunnen doen
  • je begint je onderneming op een nieuwe locatie en verhuist daarom

Belangrijk: eerst moet duidelijk zijn dat de verhuizing zakelijk noodzakelijk of in elk geval zakelijk verdedigbaar is. Als je puur privé groter of mooier wilt wonen, is er géén aftrek.

2.2. Hoeveel verhuiskosten mag je aftrekken?

Bij een zakelijke verhuizing zijn twee soorten kosten relevant:

  1. Kosten van het overbrengen van de inboedel
    • verhuisbedrijf, huur busje, tijdelijke opslag
    • als de verhuizing zakelijk is, zijn deze kosten volledig aftrekbaar.
  2. Overige verhuiskosten
    • denk aan herinrichting, schilderwerk, aansluiten nutsvoorzieningen, schoonmaak
    • hiervoor geldt een forfaitair maximumbedrag.
    • de wet gaat ervan uit dat je altijd zulke extra kosten hebt; je hoeft ze niet één voor één te bewijzen.

De wet hanteert dus:

werkelijke kosten van de verhuizing van je inboedel + een vast (forfaitair) bedrag aan overige verhuiskosten.

2.3. Verhuiskosten per verhuizing, per huishouden, per ondernemer

Een paar belangrijke nuances:

  • De aftrek geldt per verhuizing.
  • Verhuis je eerst naar een tijdelijke woning en daarna naar je definitieve woning?
    → Fiscaal wordt dat gezien als één verhuizing: je hebt dus maar één keer recht op het forfait voor beide verhuizingen samen.
  • Wonen jij en je partner samen en zijn jullie beiden ondernemer?
    → Dan geldt de verhuiskosten­aftrek maar één keer per huishouden, niet dubbel.
  • Heb je meerdere ondernemingen (bijvoorbeeld een eenmanszaak én een maatschap)?
    → Dan mag je de (maximaal toegestane) verhuiskosten maar bij één onderneming in aftrek brengen.

 

3. Wanneer is een verhuizing „in het kader van de onderneming”?

De vraag of een verhuizing zakelijk is, geeft in de praktijk veel discussie. Daarom is er een ministeriële regeling met een soort „automatische ja­check”.

3.1. Onweerlegbaar vermoeden: afstand ≥ 25 km én 60% ingekort

Volgens die regeling geldt:

Je bent in elk geval in het kader van de onderneming verhuisd als:

  • de afstand tussen woning en bedrijf vóór de verhuizing minstens 25 km was, én
  • je binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming verhuist, én
  • de afstand tussen woning en bedrijf door de verhuizing met minimaal 60% wordt verkleind.

Voorbeeld:

  • Voor verhuizing: 80 km van woning naar bedrijf
  • Na verhuizing: 30 km
  • Verkorting: 50 km = 62,5% → zakelijk verhuismotief wordt automatisch aangenomen.

In andere situaties kan de verhuizing óók zakelijk zijn, maar dan moet je dat zelf aannemelijk maken (bijvoorbeeld om gezondheidsredenen, of omdat je anders het werk niet praktisch kunt doen).

 

4. Dubbele huisvesting: twee woonplekken door je bedrijf

Soms ga je (nog) niet meteen verhuizen, maar heb je tijdelijk twee woonplekken:

  • je eigen woning (waar je gezin blijft wonen)
  • én een tweede woning / appartement / hotel / stacaravan in de buurt van je onderneming

Artikel 3.17 beperkt ook de aftrek van deze extra huisvestingskosten buiten je woonplaats.

4.1. Welke kosten vallen hieronder?

Het gaat bijvoorbeeld om:

  • huur van een tweede woning/appartement
  • hotelovernachtingen op vaste basis (bijvoorbeeld 2–3 nachten per week in hetzelfde hotel)
  • bijkomende kosten die direct samenhangen met die tweede huisvesting

Voorwaarde: de kosten moeten zakelijk zijn – bijvoorbeeld omdat de afstand tussen je woonhuis en onderneming anders niet werkbaar is.

4.2. Maximale duur: 24 maanden

De extra huisvestingskosten zijn fiscaal aftrekbaar voor maximaal 24 maanden. Daarna ziet de wet de kosten als privé (je kiest er dan in feite voor om structureel twee woonplaatsen te hebben).

Belangrijk:

  • Die termijn van 24 maanden geldt per situatie van dubbele huisvesting.
  • Ontstaan de dubbele woonlasten al vóórdat je officieel ondernemer wordt? Dan kan de 24­maandentermijn in de praktijk gaan lopen vanaf de start van de onderneming.

Ook hier geldt weer: heb je meerdere ondernemingen, dan tel je de kosten bij elkaar op en mag je de aftrek maar één keer claimen in je totaalwinst.

 

5. Priveauto, motor, fiets: kilometervergoeding voor ondernemers

Artikel 3.17 bevat ook een belangrijke beperking voor privevervoermiddelen: de auto, motor of fiets die tot je privevermogen behoort en die je zakelijk gebruikt.

5.1. Hoofdregel: vaste kilometervergoeding

Gebruik je je priveauto (of motor/fiets) voor zakelijke ritten? Dan mag je de kosten niet onbeperkt op de winst zetten. De wet zegt:

je mag per zakelijke kilometer een forfaitair bedrag in aftrek brengen, ongeacht de werkelijke kosten.

Dit bedrag sluit aan bij de maximale onbelaste reiskostenvergoeding in de loonbelasting (bijvoorbeeld € 0,23 per km in recente jaren). Het geldt voor alle vervoermiddelen: auto, motor, scooter, fiets.

Belangrijke gevolgen:

  • heb je hoge werkelijke kosten (afschrijving, onderhoud, verzekering)? → tóch maximaal het forfait per km
  • zijn je werkelijke kosten lager dan het forfait? → dan is het forfait vaak juist gunstig

5.2. Wie rijdt maakt niet uit

De beperking geldt voor het vervoermiddel, niet voor wie er rijdt. Dus ook als:

  • je medewerker in jouw priveauto rijdt voor de onderneming, of
  • je partner of kind rijdt in jouw priveauto voor zakelijke doeleinden

…dan blijft de aftrek gebonden aan de kilometervergoeding, zolang de auto tot jouw privevermogen behoort.

 

6. Privebezittingen zakelijk gebruiken

Artikel 3.17 kijkt niet alleen naar vervoermiddelen, maar ook naar andere privebezittingen die je zakelijk inzet – denk aan:

  • een priveboot die je incidenteel zakelijk gebruikt
  • een prievakantiewoning die je deels verhuurt aan je eigen onderneming
  • andere roerende zaken die in box 3 zitten

In dat geval geldt vaak:

De aftrek is beperkt tot maximaal het voordeel in box 3 (het fictieve rendement).
In de praktijk komt dat vaak neer op geen of nauwelijks aftrek, omdat het voordeel box 3 al laag of nihil is.

Zo voorkomt de wet dat je via je onderneming allerlei privebezittingen „leeg trekt” met hoge aftrek van kosten.

 

7. Één ondernemer, meerdere ondernemingen

Heb je meerdere activiteiten, bijvoorbeeld:

  • een eenmanszaak én een vof
  • meerdere eenmanszaken
  • onderneming + resultaat uit overige werkzaamheden

…dan mag je de beperkt aftrekbare kosten (verhuiskosten, dubbele huisvesting, priveverkeer) niet dubbel claimen.

Artikel 3.17 zegt dat deze kosten voor al je activiteiten samen maar één keer in aanmerking mogen worden genomen. Jij kiest bij welke onderneming je de aftrek boekt.

 

8. Praktische voorbeelden voor ondernemers

Voorbeeld 1 – Verhuizing voor de onderneming

Je salon verhuist van Arnhem naar Utrecht. Jij verhuist met je gezin mee.

  • Kosten verhuisbedrijf: € 2.500
  • Overige kosten (schilderen, behang, aansluitkosten): in werkelijkheid € 6.000

Fiscale behandeling (vereenvoudigd):

  • kosten verhuisbedrijf: volledig aftrekbaar
  • overige kosten: aftrekbaar tot het forfaitaire maximum (ongeacht of je € 3.000 of € 10.000 uitgeeft)

Is de verhuizing deels privé (je wilde ook groter wonen, betere buurt)? Dan blijft het zakelijk karakter vaak overeind, maar het forfait dekt meteen het privédeel af.

 

Voorbeeld 2 – Dubbele huisvesting

Je woont met je gezin in Groningen, maar start een praktijk in Eindhoven.
De afstand is niet werkbaar, dus je huurt daar een appartement voor 3 dagen per week.

  • Huur appartement: € 900 per maand
  • Looptijd dubbele huisvesting: 20 maanden

De extra woonlasten in Eindhoven mogen tot maximaal 24 maanden in de winst worden opgenomen. Daarna worden ze als privé gezien.

 

Voorbeeld 3 – Priveauto zakelijk gebruiken

Je rijdt 18.000 zakelijke kilometers per jaar met je priveauto.

  • Je mag voor die kilometers een bedrag per km in aftrek brengen (het fiscaal toegestane tarief).
  • Je werkelijke kosten (afschrijving, brandstof, onderhoud) kunnen hoger of lager zijn – dat maakt voor de aftrek niet uit.

Wil je méér aftrekken dan het forfait, dan moet je doorgaans overwegen de auto tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Dat heeft weer andere gevolgen (bijtelling privegebruik, btw, et cetera).

 

9. Veelgemaakte fouten in de praktijk

Een greep uit wat wij bij ondernemers regelmatig zien:

  • Verhuizing om privekosten (bijv. groter huis, tweede kind) tóch als zakelijke verhuizing opvoeren.
  • Dubbele huisvesting langer dan 24 maanden blijven aftrekken.
  • Naast de forfaitaire verhuiskosten óók nog losse kosten (zoals bezichtigingen, extra reiskosten) apart opvoeren.
  • Met de priveauto zowel het volledige kostenplaatje boeken als de kilometervergoeding hanteren.
  • Privebezittingen zakelijk gebruiken en alle kosten aftrekken, terwijl art. 3.17 hier een harde grens zet.

10. Hoe Taxcount je kan helpen

De regels van artikel 3.17 zijn technisch, maar de impact is heel concreet:

  • Te véél aftrekken → risico op correcties, rente en soms boetes.
  • Te weinig aftrekken → je betaalt onnodig veel belasting.

We helpen je om:

  • te bepalen of een verhuizing of dubbele huisvesting fiscaal zakelijk en aftrekbaar is
  • de juiste kilometerkeuze te maken (priveauto of zakelijke auto)
  • privebezittingen op de fiscaal meest gunstige manier te gebruiken
  • je administratie zo in te richten dat je bij een controle sterk staat

Wil je weten welke kosten jij wél en niet mag aftrekken onder artikel 3.17? Plan een afspraak via taxcount.nl of neem direct contact met ons op.

Wij vertalen de fiscale regels naar heldere keuzes voor jouw onderneming, zodat jij met een gerust hart verder kunt bouwen aan je bedrijf.

Welke kosten mag je níet aftrekken als ondernemer?

Als ondernemer wil je natuurlijk zo veel mogelijk zakelijke kosten aftrekken. Maar de Belastingdienst zet bij een aantal uitgaven heel bewust een kruis: die zijn (bijna) nooit aftrekbaar, óók al hebben ze een zakelijk tintje. Die regels staan in artikel 3.16 Wet inkomstenbelasting 2001. Daarin gaat het vooral om kosten die eigenlijk vooral jou persoonlijk bevoordelen.

Op deze pagina leggen we in gewone taal uit wat dit artikel betekent, met praktische voorbeelden. Zo weet je meteen waar je aan toe bent als ondernemer.

Wat regelt artikel 3.16 precies?

Artikel 3.16 gaat over “van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de ondernemer zelf”. Dat zijn kosten die je wél in je boekhouding ziet, maar die je niet van je winst mag aftrekken. Kort samengevat gaat het om:

  • werkruimte in je eigen woning (thuiswerkplek)
  • telefoonabonnementen in je woning
  • literatuur (behalve echte vakliteratuur)
  • kleding (behalve echte werkkleding)
  • persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, etc.)
  • de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor jezelf
  • reizen en verblijf bij congressen, cursussen, studiereizen (met een plafond en uitzonderingen)
  • vergoedingen aan je partner onder een bepaalde grens
  • loonbelasting en premies volksverzekeringen die over jouw eigen winst zijn ingehouden

Belangrijk: eerst moet een uitgave zakelijk zijn. Pas daarna kijken we of artikel 3.16 zegt: “dit mag tóch niet in aftrek”.


Snel overzicht: wat valt er onder artikel 3.16?

Een beknopt “spiekbriefje” voor ondernemers:

Kostenpost Hoe kijkt de fiscus ernaar? Aftrekbaar?*
Thuiswerkplek / werkruimte in eigen woning Alleen aftrek als de ruimte zelfstandig is (eigen ingang, eigen sanitair) én je er het grootste deel van je inkomen verdient. Vaak niet
Telefoonabonnement in je woning Abonnement zelf niet aftrekbaar; zakelijke gespreks- of mobiele kosten vaak wél. Beperkt
Kranten, tijdschriften, romans Algemeen / privé → niet aftrekbaar. Nee
Vakliteratuur (bijv. specialistisch vakblad) Alleen als het duidelijk bij je beroep past. Ja
Normale kleding (pak, jurk, schoenen) Wordt gezien als privé; ook al draag je het alleen “voor je werk”. Nee
Werkkleding (uniform, veiligheidskleding, kleding met groot logo) Specifiek en niet normaal privé te dragen. Meestal wel
Persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, spa) Privévoordeel staat centraal. Nee
Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw voor jezelf Specifiek uitgesloten van aftrek in de winst. Nee
Reis & verblijf bij cursussen, congressen, studiereizen Aftrek beperkt; in principe max. € 1.500 per jaar per ondernemer, met uitzonderingen. Beperkt
Vergoeding aan meewerkende partner < € 5.000 Niet aftrekbaar bij jou, en ook geen belast loon bij je partner. Nee
Loonbelasting & premies volksverzekeringen over jouw winst Worden al verrekend als voorheffing, daarom geen extra aftrek in de winst. Nee

* Natuurlijk: situatieafhankelijk. Laat het altijd beoordelen.


Thuiswerkplek / werkruimte in je woning

1. De hoofdregel: thuiswerkplek is meestal níet aftrekbaar

Werk je aan de keukentafel, op zolder of in een hoek van de woonkamer? Dan ziet de Belastingdienst dat meestal als onderdeel van je privéwoning. De kosten van de ruimte (huur, hypotheek, energie, inrichting) zijn dan niet aftrekbaar als zakelijke kosten.

2. Wanneer is een werkruimte wél “fiscale werkruimte”?

Een werkruimte in je woning telt pas echt als zakelijke werkruimte als:

  1. De ruimte een zelfstandig deel van de woning vormt (zelfstandigheidscriterium):
    • eigen ingang of opgang
    • eigen sanitair / voorzieningen
    • zó zelfstandig dat je het in theorie aan een derde zou kunnen verhuren als kantoor of praktijkruimte.
  2. Je voldoet aan het inkomenscriterium:
    • grofweg moet het grootste deel (± 70%) van je relevante inkomen in of vanuit die werkruimte worden verdiend.

Wordt aan beide voorwaarden voldaan, dan kan de werkruimte fiscaal als werkruimte worden behandeld en kunnen de kosten (onder voorwaarden) wél in aftrek komen.

3. Extra beperking vanaf 2025

Vanaf 1 januari 2025 is er nog een extra beperking: ook in situaties waarin de woning zelf tot het ondernemingsvermogen behoort, zijn de gebruikelijke “huurderskosten” (gas, water, licht, inrichting, gemeentelijke lasten) voor een niet‑zelfstandige werkruimte niet aftrekbaar. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak.

 

Telefoon, literatuur en kleding

Telefoonabonnement thuis

Artikel 3.16 sluit de abonnementskosten van telefoonaansluitingen in je woning uit van aftrek. Het gaat om het vaste abonnement; de zakelijke gesprekskosten of kosten van een zakelijke mobiele telefoon kunnen vaak wél (gedeeltelijk) in de winst worden opgenomen.

Kort gezegd:

  • Vast thuisabonnement → niet aftrekbaar
  • Zakelijke mobiele telefonie → meestal (gedeeltelijk) wel aftrekbaar

Boeken, kranten en tijdschriften

De wet maakt verschil tussen:

  • Algemene literatuur (kranten, romans, algemene tijdschriften) → hoort bij het privéleven → niet aftrekbaar.
  • Vakliteratuur → boeken en bladen die duidelijk en specifiek bij jouw beroep horen → wel aftrekbaar.

De grens is: lees je het als professional, of vooral als privé-persoon?

Kleding versus werkkleding

Normale kleding, ook een “net pak”, is volgens de Belastingdienst vooral privé. Ook als je zegt: “ik draag dit alleen zakelijk”, maakt dat het nog geen zakelijke kost.

Alleen werkkleding is aftrekbaar. Denk aan:

  • uniformen
  • veiligheidskleding (bijvoorbeeld veiligheidsschoenen, helm)
  • kleding met een duidelijk en permanent bedrijfslogo die je niet normaal privé zou dragen

 

Persoonlijke verzorging en zorgverzekering

Persoonlijke verzorging

Kosten zoals:

  • kapper of barber
  • cosmetica
  • nagelstudio
  • huidverzorging

worden gezien als uitgaven met een overheersend privékarakter. Daarom zijn ze op grond van artikel 3.16 niet aftrekbaar, ook niet als je “representatief” wilt zijn voor klanten.

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw)

De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die je voor jezelf betaalt, mag je niet als ondernemingskosten aftrekken. Die bijdrage wordt in artikel 3.16 specifiek uitgezonderd.

Let op: als je als ondernemer ook werkgever bent, is de werkgeversheffing over het loon van je werknemers wél gewoon aftrekbaar van de winst.

 

Reizen en verblijf voor congressen, cursussen en opleidingen

Volg je als ondernemer congressen, seminars, studiereizen of cursussen? Dan geldt voor reis- en verblijfkosten een speciale beperking:

  • in principe is de aftrek per jaar gemaximeerd op € 1.500
  • gaat het bedrag daarboven? Dan is het meerdere alleen aftrekbaar als je aannemelijk maakt dat jouw werk zó is dat deelname noodzakelijk is (bijvoorbeeld een specialist die alleen in het buitenland relevante congressen kan volgen).

De cursuskosten zelf (bijscholing, op peil houden van bestaande vakkennis) kunnen, als ze zakelijk zijn, wél tot de normale ondernemingskosten horen. De wet en rechtspraak maken daarbij onderscheid tussen:

  • bijhouden van bestaande vakkennis → kan ondernemingskost zijn
  • vergroten / verbreden van vakkennis (nieuwe richting) → sneller privé of in een andere fiscale regeling

 

Meewerkende partner en voorheffingen

Vergoeding aan partner tot € 5.000

Betaal je je partner een vergoeding voor meewerken in de onderneming die lager is dan € 5.000 per jaar, dan zegt artikel 3.16:

  • die vergoeding is bij jou niet aftrekbaar;
  • en bij je partner niet belast als loon of resultaat.

De regeling is vooral bedoeld om discussies over kleine “partnervergoedingen” te voorkomen.

Let op: deze regeling hangt samen met de meewerkaftrek – daar moet vaak goed naar gekeken worden in de aangifte.

Loonbelasting en premies volksverzekeringen

Loonbelasting en premies volksverzekeringen die al als voorheffing op jouw inkomsten in box 1 zijn ingehouden, worden via de aanslag inkomstenbelasting verrekend. Daarom mag je die bedragen niet óók nog als kosten in de winst aftrekken.

 

Veelgemaakte fouten door ondernemers

Een paar klassiekers die we bij Taxcount vaak zien:

  • Thuiswerkplek afschrijven terwijl die niet zelfstandig is
    → bijvoorbeeld een bureau op zolder zonder eigen ingang en sanitair.
  • Thuisabonnement en internet volledig als kosten boeken
    → terwijl er een groot privégebruik is en het abonnement zelf onder artikel 3.16 kan vallen.
  • Alle kleding als werkkleding opvoeren
    → een blauw pak is voor de fiscus geen werkkleding, hoe zakelijk je het ook vindt.
  • Cursusreis als “volledige zakelijke trip” boeken
    → terwijl er duidelijk ook een vakantie-element in zit; dan grijpt artikel 3.16 in.
  • Partner een kleine vergoeding betalen en volledig als loon aftrekken
    → vergoedingen onder € 5.000 vallen onder de aftrekbeperking.

 

Hoe helpt Taxcount.nl jou met artikel 3.16?

De regels van artikel 3.16 zijn technisch, maar de gevolgen zijn heel concreet:

  • foutieve aftrek → risico op correcties, naheffingen en boetes
  • gemiste mogelijkheden → onnodig hoge belastingdruk

Bij Taxcount helpen we je om:

  • te bepalen welke kosten écht zakelijk aftrekbaar zijn
  • slim om te gaan met werkruimte, opleidingen en reiskosten
  • vergoedingen aan partner en andere gezinsleden juist vorm te geven
  • je administratie zó in te richten dat je goed voorbereid bent bij een controle

 

Hulp nodig bij niet‑aftrekbare kosten?

Twijfel je of bepaalde kosten onder artikel 3.16 vallen?
Stuur ons je situatie, of plan direct een afspraak via ons contactpagina.

Wij vertalen de fiscale regels naar duidelijke keuzes voor jouw onderneming, zodat jij zeker weet dat je foutloos én optimaal gebruikmaakt van de aftrek die wél mag.

Starten met een onderneming? Zo benut je fiscale aanloopkosten optimaal

Artikel 3:10 Wet IB 2001 biedt startende ondernemers de mogelijkheid om zakelijke kosten die al vóór de officiële start zijn gemaakt, fiscaal af te trekken. Dit verlaagt de winst in het eerste ondernemersjaar en opent mogelijkheden voor verliesverrekening. Een krachtige regeling die direct invloed heeft op je liquiditeit en belastingdruk.

Wat zijn aanloopkosten volgens artikel 3:10 Wet IB 2001?

Aanloopkosten zijn zakelijke uitgaven die je maakt tijdens de voorbereidingsfase van je onderneming, binnen de vijf jaren vóór het eerste ondernemersjaar. Denk aan kosten voor onderzoek, advies of de inrichting van je toekomstige werkplek.

Voorbeelden van aftrekbare aanloopkosten

  • Marktonderzoek en analyses
  • Advies van accountant, fiscalist, jurist of consultant
  • Reiskosten voor oriënterende gesprekken
  • Huur en inrichting van een werkruimte
  • Software en licenties ter voorbereiding op de bedrijfsvoering

Belangrijk: deze regeling geldt voor ondernemers in box 1, niet voor medegerechtigden zoals vennoten van een VOF of CV.

 

Voorwaarden voor aftrek van aanloopkosten

Om de aftrek succesvol te kunnen toepassen, moeten de uitgaven voldoen aan een aantal wettelijke criteria.

1. Zakelijk en causaal verband

De kosten moeten aantoonbaar gericht zijn op het opzetten van de onderneming.

2. Per saldo resterend bedrag

Opbrengsten in dezelfde periode worden eerst met de gemaakte kosten gesaldeerd.

3. Moment van prestatie telt

Het jaar van de dienst of levering bepaalt wanneer de kosten fiscaal meetellen.

4. Vijfjaarsgrens

Alleen kosten binnen de vijf jaar vóór de start tellen mee.

5. Controleerbare administratie

De Belastingdienst moet de aftrek kunnen toetsen; correcte vastlegging is verplicht.

6. Geen rente of voorzieningen

Alleen daadwerkelijke kosten mogen worden meegenomen.

 

Hoe werkt het ‘per saldo resterend’-principe?

Het aftrekbare bedrag wordt berekend door kosten te verminderen met eventuele opbrengsten in dezelfde periode.

Voorbeeld:

  • Aanloopkosten 2020–2024: € 8.000
  • Opbrengsten nevenactiviteiten: € 2.000
  • Aftrekbaar in 2025: € 6.000

Verliesverrekening: direct én toekomstig belastingvoordeel

Een negatief resultaat in het eerste jaar door aftrek van aanloopkosten kan worden verrekend:

Carry back (3 jaar terug)

Je ontvangt belasting terug over eerdere jaren.

Carry forward (9 jaar vooruit)

Niet verrekende verliezen mag je meenemen naar toekomstige jaren, vaak fiscaal aantrekkelijker.

Rekenvoorbeeld:

  • Winst 2025 vóór aftrek: € 20.000
  • Aanloopkosten: € 30.000
  • Fiscaal resultaat: – € 10.000
  • Carry back naar 2023 → teruggave: € 2.960
  • Carry forward naar 2026 → belastingbesparing: € 4.950

Praktijkvoorbeelden van aftrekbare aanloopkosten

  • Training geboekt in 2024, gevolgd in 2025
  • Adviestraject gestart in 2024, uitgevoerd in 2025
  • Software gekocht in 2024, gebruikt vanaf 2025
  • Marketingcampagne besteld in 2024, live bij start in 2025
  • Huur of kantoorinrichting voorafgaand aan opening

Kernvragen voor ondernemers:

  • Zijn de kosten zakelijk?
  • Zijn eventuele opbrengsten gesaldeerd?
  • Vallen de uitgaven binnen de vijfjaarsperiode?
  • Is de onderneming feitelijk gestart?
  • Is de bewijsvoering overtuigend en compleet?

Conclusie: benut aanloopkosten voor een sterke fiscale start

Artikel 3:10 Wet IB biedt starters een waardevol instrument om hun onderneming fiscaal optimaal te lanceren. Door aanloopkosten slim toe te passen, kun je:

  • de winst in het eerste jaar verlagen;
  • verliesverrekening optimaal benutten;
  • de liquiditeit verbeteren;
  • fiscale risico’s beperken door juiste documentatie en toepassing.

Een doordachte inzet van deze regeling zorgt voor directe én toekomstige belastingvoordelen. Wil je je administratie vanaf de start goed geregeld hebben? Bekijk dan onze dienstenpagina over boekhouding en financiële administratie.

 

Van Eenmanszaak naar BV: Wanneer is het Tijd voor de Overstap?

Je eenmanszaak groeit en de winst stijgt. Een fantastische prestatie! Met die groei komt onvermijdelijk de vraag: is het tijd om de overstap te maken naar een Besloten Vennootschap (BV)? Deze beslissing hangt af van twee cruciale factoren: de fiscale voordelen en de beperking van je persoonlijke aansprakelijkheid. In dit artikel leggen we uit wanneer de BV de slimmere keuze wordt.

Het Fiscale Omslagpunt: De €100.000-Vuistregel

Fiscaal gezien is er een omslagpunt waarop de belastingdruk in een BV lager wordt dan in een eenmanszaak. Als algemene vuistregel wordt vaak een winst van circa €100.000 per jaar gehanteerd.

  • Onder de €100.000: De eenmanszaak is meestal voordeliger. Je profiteert van waardevolle aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, die je belastbaar inkomen aanzienlijk verlagen.
  • Boven de €100.000: De BV wordt vaak aantrekkelijker. De ondernemersaftrekposten vervallen, maar je profiteert van een lager vennootschapsbelastingtarief op de winst die in de BV achterblijft.

Het is echter cruciaal om te begrijpen dat dit een vuistregel is. De hoogte van je DGA-salaris (het loon dat je jezelf uitkeert vanuit de BV) heeft een enorme invloed. Een hoger salaris wordt zwaarder belast in de inkomstenbelasting (Box 1), waardoor het fiscale voordeel van de BV pas bij een hogere winst wordt bereikt.

Het Voordeel van Beperkte Aansprakelijkheid

Misschien wel het belangrijkste voordeel van een BV is de juridische bescherming van je privévermogen.

  • In een eenmanszaak zijn jij en je bedrijf juridisch gezien één. Als je bedrijf schulden maakt of een schadeclaim krijgt, ben je met je volledige privévermogen aansprakelijk. Je spaargeld, je auto en zelfs je huis kunnen in gevaar komen.
  • In een BV is er een strikte scheiding. De BV is een aparte rechtspersoon. Schulden en claims zijn in principe van de BV, niet van jou persoonlijk. Je privévermogen is veilig.

Een praktisch voorbeeld: Stel, je levert een product en een klant stelt je aansprakelijk voor €50.000 schade.

  • Met een eenmanszaak: Als de rechter de klant gelijk geeft, kan er beslag worden gelegd op je privé-bankrekening en woning.
  • Met een BV: De claim is gericht aan de BV. Alleen het vermogen binnen de BV kan worden aangesproken. Je privébezittingen blijven buiten schot.

Let op: Deze bescherming is niet absoluut. Bij ‘onbehoorlijk bestuur’, zoals fraude of het bewust aangaan van verplichtingen die de BV niet kan nakomen, kun je als bestuurder alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Conclusie en Advies

De overstap van een eenmanszaak naar een BV is een strategische beslissing die verder gaat dan alleen de winstcijfers. Het is een afweging tussen fiscale optimalisatie en het afdekken van persoonlijke risico’s. De €100.000-grens is een nuttige indicator, maar het werkelijke omslagpunt is afhankelijk van je specifieke situatie, je salariswensen en je risicobereidheid.

De juiste keuze is maatwerk en kan je op de lange termijn duizenden euro’s en veel kopzorgen besparen. Wil je een heldere berekening die is toegespitst op je onderneming? Neem contact met ons op. Wij analyseren je situatie en adviseren je over de meest voordelige en veilige route voor jouw toekomst.

Schijnzelfstandigheid: De Risico’s voor Opdrachtgevers en ZZP’ers vanaf 2025

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) zorgt al jaren voor onzekerheid. De centrale vraag – wanneer is een zzp’er een echte ondernemer en wanneer is er sprake van een verkapte dienstbetrekking? – is voor velen een grijs gebied. De tijd van vrijblijvendheid is echter voorbij. Sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst beëindigd. Dit betekent dat de fiscus niet langer volstaat met een waarschuwing, maar direct kan ingrijpen met forse financiële gevolgen voor zowel opdrachtgevers als zzp’ers.

De Gevolgen: Waarom Dit Nu Belangrijk Is

Het beëindigen van het moratorium betekent dat de Belastingdienst bij het constateren van schijnzelfstandigheid direct naheffingsaanslagen en correctieverplichtingen kan opleggen.

  • Voor de opdrachtgever: Je wordt met terugwerkende kracht als werkgever gezien. Dit betekent dat je alsnog loonbelasting, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) moet afdragen over de betaalde vergoedingen. Dit kan oplopen tot duizenden euro’s per ingehuurde ‘zzp’er’.
  • Voor de zzp’er: De gevolgen zijn eveneens pijnlijk. De Belastingdienst kan oordelen dat je geen recht had op de ondernemersfaciliteiten. Dit betekent dat de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling worden teruggedraaid. Een winstgevend jaar kan hierdoor fiscaal veranderen in een financiële strop.

De Beoordeling: De Criteria van de Belastingdienst

De Belastingdienst kijkt niet naar één enkel kenmerk, maar naar het totaalplaatje van de feitelijke samenwerking. Een KvK-nummer en een factuur zijn niet voldoende. De volgende elementen zijn cruciaal:

  • Gezagsverhouding: Wie heeft de leiding en het toezicht? Als een opdrachtgever precies bepaalt hoe, waar en wanneer het werk wordt uitgevoerd, duidt dit sterk op een dienstverband.
    • Voorbeeld: Een aannemer die een ‘ingehuurde’ timmerman elke ochtend vertelt welke specifieke taken hij die dag moet doen, met welk gereedschap en tijdens welke werktijden, oefent een gezagsverhouding uit. Dit is anders dan een timmerman die de opdracht krijgt om een dakkapel te plaatsen voor een vaste prijs en zelf bepaalt hoe en wanneer hij dit doet, zolang het maar voor de afgesproken deadline af is.
  • Zelfstandigheid en Aantal Opdrachtgevers: Een echte ondernemer is onafhankelijk en werkt doorgaans voor meerdere klanten.
    • Voorbeeld: Een tekstschrijver die een jaar lang 40 uur per week voor één enkele uitgeverij werkt, loopt een groot risico. Een tekstschrijver die in datzelfde jaar voor tien verschillende bedrijven opdrachten uitvoert, toont zelfstandigheid.
  • Ondernemersrisico: Loopt de zzp’er financieel risico? Dit is een kernmerk van ondernemerschap.
    • Voorbeeld: Een IT-consultant die per uur betaald krijgt, ongeacht het resultaat, loopt weinig risico. Een IT-consultant die een project aanneemt voor een vaste prijs en zelf verantwoordelijk is voor eventuele meerkosten, loopt wél ondernemersrisico.
  • Presentatie naar Buiten: Gedraagt de zzp’er zich als een ondernemer? Actieve acquisitie en een eigen professionele uitstraling zijn hierbij van belang.
    • Voorbeeld: Een ‘zzp’er’ die geen website, LinkedIn-profiel of visitekaartjes heeft en volledig afhankelijk is van één bemiddelingsbureau, versus een zzp’er met een eigen merk, website en een actief netwerk.
  • Continuïteit en Omvang: Gaat het om een eenmalige klus of een structurele, langdurige samenwerking?
    • Voorbeeld: Een grafisch ontwerper die eenmalig een logo ontwerpt, is duidelijk een opdracht. Als diezelfde ontwerper vervolgens twee jaar lang elke maandag vast op kantoor zit voor allerlei ontwerpklussen, kan de relatie als een dienstverband worden gezien.

Conclusie en Advies

De beëindiging van het handhavingsmoratorium dwingt opdrachtgevers en zzp’ers om hun samenwerkingen kritisch tegen het licht te houden. De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden is doorslaggevend. Het is daarom essentieel om de afspraken helder vast te leggen in een goede overeenkomst van opdracht en de relatie periodiek te toetsen.

Twijfel je over de kwalificatie van een arbeidsrelatie of wil je je huidige contracten laten controleren? Neem contact op met ons. Wij helpen je de risico’s in kaart te brengen en de samenwerking op een fiscaal correcte en veilige manier vorm te geven, zodat jij je kunt richten op waar je goed in bent: ondernemen. Neem je een zzp’er alsnog in loondienst? Dan helpen wij je ook graag met de salarisadministratie.

Bespaar Duizenden Euro’s: Vorm een VOF met je Partner

Heb je een succesvolle eenmanszaak waarin je partner volop meewerkt? Dan laat je mogelijk duizenden euro’s aan belastingvoordeel liggen. Hoewel de meewerkaftrek een optie is, is het vaak fiscaal veel aantrekkelijker om samen een Vennootschap onder Firma (VOF) te starten. In dit artikel leggen we uit waarom deze strategische keuze je gezamenlijke belastingdruk drastisch kan verlagen.

Het fiscale voordeel van een VOF met je partner is tweeledig:

  1. Winstsplitsing: De totale winst wordt verdeeld over twee personen. Hierdoor valt ieders inkomen in een lager belastingtarief en wordt de impact van heffingskortingen veel groter.
  2. Dubbele fiscale faciliteiten: Als beide partners voldoen aan de voorwaarden (met name het urencriterium), kunnen jullie allebei profiteren van de belangrijkste fiscale voordelen. Denk hierbij aan:
    • De Zelfstandigenaftrek
    • De MKB-winstvrijstelling
    • De Algemene heffingskorting en Arbeidskorting

In feite creëer je twee keer een lage belastingdruk over het eerste deel van de winst, in plaats van één keer een hoge belastingdruk over de totale winst.

Laten we het verschil illustreren met een vereenvoudigde berekening.

Situatie 1: Eenmanszaak met €60.000 winst
Als eigenaar van de eenmanszaak wordt de volledige €60.000 winst aan jou toegerekend. Na aftrek van de ondernemersfaciliteiten betaal je over het resterende bedrag inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Totale belastingdruk (schatting): circa €14.000

Situatie 2: VOF met je partner (50/50 verdeling)
De winst van €60.000 wordt verdeeld. Jij en je partner hebben nu beiden een winstaandeel van €30.000. Omdat jullie allebei als ondernemer worden gezien, passen jullie beiden de ondernemersfaciliteiten toe op je eigen winstdeel.

  • Winst per partner: €30.000
  • Belastingdruk per partner (schatting): circa €1.200
  • Totale belastingdruk (gezamenlijk): circa €2.400

Door de overstap naar een VOF bespaar je in dit voorbeeld ruim €11.500 aan belasting per jaar.

Belangrijke Voorwaarden

Dit enorme voordeel is niet vanzelfsprekend. De belangrijkste voorwaarde is dat je partner ook daadwerkelijk als ondernemer kan worden gezien. Dit betekent dat hij of zij een substantiële bijdrage levert en voldoet aan de eisen van de Belastingdienst, waaronder het urencriterium van 1.225 uur per jaar om recht te hebben op de zelfstandigenaftrek.

Conclusie en Advies

Werkt je partner intensief mee in je onderneming? Dan is de kans groot dat een VOF-structuur je een aanzienlijk belastingvoordeel oplevert. De overstap is echter een strategische beslissing die zorgvuldigheid vereist, bijvoorbeeld bij het opstellen van een goed VOF-contract.

Ben je benieuwd of een VOF met je partner voor jou de juiste stap is? Neem contact met ons op. Wij maken graag een persoonlijke berekening en adviseren je over de optimale fiscale structuur voor jouw situatie.

Vastgoed in de BV of Privé? De Fiscale Afweging  

Je overweegt te investeren in vastgoed, of je bezit al een of meerdere panden. Dan sta je voor een cruciale keuze met grote financiële gevolgen: houd je het vastgoed in privé (Box 3) of breng je het onder in een besloten vennootschap (BV)? Wat vroeger de standaardkeuze was, is vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend. In dit artikel zetten we de voor- en nadelen van beide structuren helder op een rij.

De manier waarop de Belastingdienst je vastgoed belast, verschilt fundamenteel tussen de twee structuren. Het is essentieel om deze verschillen te begrijpen.

Vastgoed in Privé (Box 3)

Wanneer je een pand privé bezit, valt dit in Box 3. De belastingheffing is hier gebaseerd op een fictief rendement over de WOZ-waarde van het pand, minus de eventuele schuld. Je werkelijke huurinkomsten zijn dus niet direct van belang. Een groot nadeel is dat kosten zoals onderhoud, rente en VvE-bijdragen niet aftrekbaar zijn. Het grote voordeel is echter dat een eventuele waardestijging bij verkoop volledig onbelast is. Je betaalt dus één enkele heffing in Box 3 over de waarde van je bezit.

Vastgoed in de BV

In de BV werkt het compleet anders. Hier wordt de werkelijke winst belast. Dit is het totaal van je huurinkomsten minus alle zakelijke kosten. Alle kosten die je maakt, zoals onderhoud, afschrijvingen en rente, zijn dus volledig aftrekbaar. Dit verlaagt je belastbare winst. Een eventuele winst bij verkoop van het pand is echter wel volledig belast met vennootschapsbelasting. Tot slot is er sprake van een dubbele heffing: de BV betaalt eerst vennootschapsbelasting (VPB) over de winst, en als je de resterende winst naar je privérekening wilt halen, betaal je daarover nog eens inkomstenbelasting in Box 2.

De Grote Valstrik: De Grens Tussen Box 3 en Box 1

Een belangrijk risico bij privé-investeringen is de “Box 1 valstrik”. Als de Belastingdienst oordeelt dat je meer doet dan alleen passief beleggen, worden je inkomsten niet in Box 3, maar in het veel hogere Box 1-tarief (tot 49,5%) belast. Dit gebeurt als je je te actief met het vastgoed bezighoudt. Denk aan:

– Zelf intensief renoveren en verbouwen.

– Actief en veelvuldig panden aan- en verkopen (flippen).

– Zelf alle administratie, marketing en het huurderscontact doen voor een groot aantal panden.

Is er sprake van “meer dan normaal vermogensbeheer”? Dan is de BV vrijwel altijd de fiscaal betere keuze.

Het Omslagpunt: Wanneer is de BV Beter?

De keuze tussen privé en de BV hangt af van je rendement. Er is geen magisch omslagpunt, maar de volgende vuistregels helpen:

  1. Je werkelijke rendement hoog is. De belasting over je werkelijke winst in de BV is dan vaak lager dan de hoge, fictieve belasting in Box 3.
  2. Je veel kosten maakt. Denk aan onderhoud, rente of beheerkosten. In de BV kun je deze kosten aftrekken, wat de belastbare winst verlaagt.
  3. Je van plan bent de winst te herinvesteren. In de BV kun je de winst (na vennootschapsbelasting) direct gebruiken voor een nieuwe aankoop. Privé moet je eerst de Box 3-heffing betalen over het vermogen.

Vooruitkijken naar 2028: De Strategische Keuze

Het huidige Box 3-stelsel met een fictief rendement wordt op zijn vroegst in 2028 vervangen door een systeem dat het werkelijke rendement belast. Dit betekent dat dan ook in privé de huurinkomsten en de waardestijging belast zullen worden.

Veel investeerders anticiperen hier nu al op door hun vastgoed in een BV onder te brengen. Waarom? Een pand later van privé naar een BV overdragen is een dure transactie. Je betaalt dan overdrachtsbelasting (momenteel 10,4%) over de waarde van het pand. Door nu al de juiste structuur te kiezen, voorkom je deze hoge kosten in de toekomst.

Conclusie: Wat is Beter, BV of Privé?

  • Privé (Box 3) is administratief eenvoudiger en de verkoopwinst is onbelast. Het is vooral geschikt voor passieve beleggers met een beperkt rendement en weinig kosten.
  • De BV is fiscaal aantrekkelijker bij een hoog rendement, veel kosten, of als je van plan bent te herinvesteren. Het is de standaardkeuze voor de actievere vastgoedbelegger.

De juiste keuze is maatwerk en kan je jaarlijks duizenden euro’s aan belasting besparen. Laat je persoonlijke situatie daarom altijd doorrekenen. Neem contact met ons op voor een helder advies en een berekening die is toegespitst op je plannen. De accountants van Taxcount staan voor je klaar.