Bijtelling elektrische auto 2026: zo betaal je 18% over de eerste 30.000 euro

Rijd je een auto van de zaak die je ook privé mag gebruiken, dan betaal je daarover belasting: de bijtelling. Kiest u voor een elektrische auto, dan is die bijtelling in 2026 een stuk lager dan voor een auto op benzine of diesel. Maar de korting geldt maar tot een bepaald bedrag, hij loopt de komende jaren af, en de datum waarop de auto voor het eerst is toegelaten bepaalt uw percentage voor vijf jaar. In dit artikel leest u hoe de bijtelling elektrische auto in 2026 werkt, wat de korting en de grens van 30.000 euro precies inhouden en wat u nu moet regelen voordat u een nieuwe auto aanschaft of least.

Wat is de bijtelling voor een auto van de zaak?

Stelt je werkgever of je eigen bv een auto ter beschikking die je ook privé mag gebruiken, dan is dat privevoordeel loon. De belasting daarover wordt niet berekend over de kilometers die u werkelijk prive rijdt, maar over een vast percentage van de waarde van de auto. Dat vaste bedrag heet de bijtelling. Onder de waarde van de auto verstaat de wet de catalogusprijs plus de BPM, dus niet de prijs die het bedrijf werkelijk heeft betaald.

In 2026 is de standaardbijtelling 22% van de waarde van de auto per jaar. Dat geldt voor auto’s op benzine, diesel of een plug-in hybride. Voor auto’s die geen CO2 uitstoten geldt een lagere bijtelling. Dezelfde regeling geldt voor een dga met een auto van de bv en, in een vergelijkbare vorm, voor de ondernemer met een auto op de zaak van een eenmanszaak of vof.

Hoeveel is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

Voor een volledig elektrische auto of een waterstofauto die volgens het kentekenregister 0 gram CO2 per kilometer uitstoot, krijgt u in 2026 een korting van 4% van de waarde van de auto, met een maximum van 1.200 euro per jaar (zie figuur 1). Dat maximum van 1.200 euro komt overeen met 4% van 30.000 euro. In de praktijk betekent dit: 18% bijtelling over de eerste 30.000 euro van de waarde en 22% over het deel daarboven. Die grens van 30.000 euro heet de cap.

Voor waterstofauto’s en voor zogenoemde zonnecelauto’s (auto’s met ingebouwde zonnepanelen die aan technische eisen voldoen) geldt de cap niet: die krijgen 18% over de hele waarde. In het hogere prijssegment is dat verschil groot.

Situatie in 2026 Bijtelling
Elektrische auto tot 30.000 euro 18% van de waarde
Elektrische auto, deel boven 30.000 euro 22% van dat deel
Waterstofauto of zonnecelauto 18% over de hele waarde
Auto op benzine, diesel of plug-in hybride 22% van de waarde
Auto van 16 jaar of ouder 35% van de dagwaarde

  Figuur 1: beslisboom voor de korting in 2026. Alleen auto’s met 0 gram CO2 per kilometer krijgen korting; waterstof- en zonnecelauto’s krijgen 18 procent over de hele waarde, en bij overige elektrische auto’s bepaalt het jaar van eerste toelating het percentage.

Hoe lang blijft uw percentage gelden? De zestigmaandentermijn

Het percentage en de cap van het jaar waarin de auto voor het eerst is toegelaten, blijven zestig maanden gelden. Die termijn gaat in op de eerste dag van de maand na de datum eerste toelating. Rijdt u in 2026 een elektrische auto die in 2022 voor het eerst is toegelaten, dan geldt dus nog het percentage van 2022 (16% over de eerste 35.000 euro). Loopt de termijn van vijf jaar in de loop van een jaar af, dan verandert het percentage midden in dat jaar. Voor een nieuwe auto die in 2026 wordt toegelaten, ligt de combinatie van 18% en de grens van 30.000 euro dus tot ongeveer vijf jaar later vast.

Rekenvoorbeeld: een elektrische auto van 45.000 euro

Stel, uw bv stelt u per 1 januari 2026 een nieuwe elektrische auto ter beschikking. De waarde (catalogusprijs plus BPM) is 45.000 euro. De bijtelling berekent u dan zo (zie figuur 2):

  • 18% van 30.000 euro = 5.400 euro
  • 22% van 15.000 euro (het deel boven de cap) = 3.300 euro
  • Samen 8.700 euro per jaar, oftewel 725 euro per maand bij uw loon.

Figuur 2: rekenvoorbeeld voor een elektrische auto van 45.000 euro. Over de eerste 30.000 euro geldt 18 procent (5.400 euro) en over de resterende 15.000 euro 22 procent (3.300 euro), samen 8.700 euro per jaar. Zonder korting zou dat 9.900 euro zijn.

Bij een belastingtarief van 37,56% kost die bijtelling u ongeveer 3.267 euro per jaar. Zonder de korting zou de bijtelling 22% van 45.000 euro = 9.900 euro zijn geweest. De korting scheelt u dus 1.200 euro bijtelling en ongeveer 451 euro netto per jaar. Over de volledige termijn van vijf jaar loopt dat op tot ongeveer 6.000 euro minder bijtelling.

Wanneer hoeft u geen bijtelling te betalen?

Gebruikt u de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer prive, dan is de bijtelling nihil. Ritten van huis naar het werk tellen daarbij niet als prive. U moet dat wel bewijzen, meestal met een sluitende rittenregistratie of met een Verklaring geen privegebruik auto van de Belastingdienst. De bewijslast is zwaar: een rittenregistratie met gaten of fouten verliest zijn waarde volledig, waarna u alsnog de volledige bijtelling betaalt.

Voor een bestelauto kan de bijtelling vervallen als de auto door zijn inrichting alleen geschikt is voor goederenvervoer, buiten werktijd niet kan worden gebruikt, of als u het privegebruik verbiedt. Een verbod op privegebruik werkt alleen als u aan vier voorwaarden tegelijk voldoet: u legt het schriftelijk vast, u bewaart die vastlegging bij de administratie, u houdt daadwerkelijk toezicht en u spreekt een sanctie af.

Wat betekent elektrisch rijden voor de BPM en de wegenbelasting?

Het voordeel van een emissievrije auto zit niet alleen in de bijtelling. Voor een elektrische personenauto bedraagt de BPM in 2026 alleen de vaste voet van 687 euro, terwijl de BPM voor een auto op fossiele brandstof flink oploopt met de CO2-uitstoot. Omdat de BPM in de waarde van de auto zit, verlaagt dit ook uw bijtelling. Voor de motorrijtuigenbelasting geldt voor een auto die uitsluitend op elektriciteit of waterstof rijdt in 2026 tot en met 2028 een tarief van 70% van het normale tarief, en in 2029 75%. Vanaf 2030 vervalt die korting.

Wat verandert er na 2026?

De korting op de bijtelling loopt af (zie figuur 3). Voor een auto met een datum eerste toelating in 2027 is de korting nog 2% (bijtelling 20%, maximaal 600 euro voordeel). Vanaf 2028 vervalt de korting helemaal en geldt ook voor elektrische auto’s de volle 22%. Het moment van eerste toelating bepaalt dus veel: een levering die net over de jaargrens schuift, kost 2 of 4 procentpunt meer, en dat vijf jaar lang.

Figuur 3: de korting loopt af. In 2026 geldt 18 procent (korting 4 procent, maximaal 1.200 euro), in 2027 20 procent (korting 2 procent, maximaal 600 euro) en vanaf 2028 22 procent zonder korting. Het percentage van het jaar van eerste toelating blijft zestig maanden gelden.

Daarnaast komt er per 2027 naar verwachting een extra werkgeversheffing (een pseudo-eindheffing) op auto’s van de zaak die op benzine of diesel rijden. De precieze uitwerking daarvan wordt nog vastgesteld, maar het maakt fossiel rijden voor de werkgever duurder en versterkt de businesscase voor elektrisch. Overstappen voor 2027 kan die heffing voorkomen. Ook de regeling voor oudere auto’s (youngtimers) wordt de komende jaren beperkt; laat u daarover apart adviseren als u een oudere auto van de zaak rijdt.

Laadpaal en laadstroom: wat mag onbelast?

Een laadpaal bij uw woning en de kosten daarvan horen bij de terbeschikkingstelling van de auto en zitten dus al in de bijtelling. Voor de stroom zelf ligt dat anders. Die kan onbelast worden vergoed als de werkgever de werkelijke kostprijs per kilowattuur vergoedt, of via een zakelijke leveringsafspraak binnen een marktconform tarief. Een vast bedrag per maand of een vergoeding op basis van een landelijk gemiddelde prijs is door de Belastingdienst afgewezen. Leg de berekening of de afspraak daarom goed vast.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Leg de kerngegevens vast. Noteer per auto de datum eerste toelating, de CO2-uitstoot uit het kentekenregister en de waarde (catalogusprijs plus BPM).
  • Bewaak de zestigmaandentermijn. Houd bij wanneer de termijn van vijf jaar afloopt, want dan verandert het percentage, soms midden in het jaar.
  • Verwerk de bijtelling correct. Neem de bijtelling per loontijdvak op in de loonaangifte, met een eventuele eigen bijdrage.
  • Regel bewijs bij weinig privegebruik. Wilt u onder de 500 kilometergrens blijven, zorg dan voor een sluitende rittenregistratie of vraag een Verklaring geen privegebruik aan.
  • Onderbouw de laadstroom. Vergoed stroom op basis van de werkelijke kostprijs per kilowattuur of een vastgelegde leveringsafspraak.
  • Plan de aanschaf slim. De datum van eerste toelating bepaalt uw percentage voor vijf jaar; een aanschaf net voor de jaargrens kan voordeliger zijn.

Veelgestelde vragen

Wat is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

In 2026 betaalt u 18% bijtelling over de eerste 30.000 euro van de waarde van de auto en 22% over het deel daarboven. De korting bedraagt maximaal 1.200 euro per jaar. Voor auto’s op benzine of diesel geldt 22% over de hele waarde.

Wat betekent de cap van 30.000 euro?

De cap is de grens in de waarde van de auto waarboven de korting niet meer geldt. Over de eerste 30.000 euro betaalt u het lage percentage van 18%, over het meerdere het normale tarief van 22%. Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet.

Hoe lang houd ik mijn lage bijtelling?

Het percentage en de cap van het jaar van eerste toelating blijven zestig maanden gelden, gerekend vanaf de eerste dag van de maand na die datum. Voor een auto uit 2026 ligt de 18%-korting dus ongeveer vijf jaar vast.

Geldt de korting ook voor een plug-in hybride?

Nee. De korting geldt alleen voor auto’s die volgens het kentekenregister 0 gram CO2 per kilometer uitstoten. Een plug-in hybride stoot wel CO2 uit en valt daarom onder de volledige bijtelling van 22%.

Verandert de bijtelling voor elektrische auto’s na 2026?

Ja. Voor auto’s die in 2027 voor het eerst worden toegelaten daalt de korting naar 2% (bijtelling 20%). Vanaf 2028 vervalt de korting en geldt ook voor elektrische auto’s 22%. Daarnaast komt er per 2027 waarschijnlijk een extra werkgeversheffing op fossiele auto’s van de zaak.

Hoe voorkom ik bijtelling helemaal?

Als u de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer prive gebruikt, is de bijtelling nihil. U moet dat wel bewijzen met een sluitende rittenregistratie of een Verklaring geen privegebruik auto. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als prive.

Hoe Taxcount u kan helpen

De bijtelling lijkt eenvoudig, maar de details bepalen uw voordeel: het juiste percentage per bouwjaar, de aflopende korting, de grens van 30.000 euro en het moment van aanschaf dat uw tarief voor vijf jaar vastlegt. Een verkeerd percentage of een niet-onderkende afloop van de zestigmaandentermijn werkt door in alle loontijdvakken en over meerdere jaren. Taxcount rekent voor u door wat een elektrische auto van de zaak u oplevert, controleert de verwerking in de loonaangifte en helpt u de aanschaf of het leasecontract fiscaal slim te plannen. Wilt u weten wat voor uw situatie het voordeligst is? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

Startersvrijstelling overdrachtsbelasting 2026: geen belasting bij een woning tot 555.000 euro

Koopt u een huis, dan betaalt u normaal gesproken overdrachtsbelasting. Bent u nog geen 35 jaar en gaat u zelf in de woning wonen, dan kunt u die belasting eenmalig helemaal uitsparen met de startersvrijstelling. Maar er zijn strikte voorwaarden: uw leeftijd, de prijs van de woning en een verklaring die vooraf bij de notaris moet kloppen. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 recht heeft op de startersvrijstelling, welke tarieven gelden, en welke technische regelingen de belasting kunnen verlagen als de vrijstelling niet van toepassing is.

Welke tarieven gelden er in 2026?

De overdrachtsbelasting kent in 2026 drie tarieven (zie figuur 1). Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, betaalt u 2% over de waarde. Voor een woning die u niet zelf gaat bewonen, bijvoorbeeld een beleggings- of vakantiewoning, geldt 8%. Dat percentage is per 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor niet-woningen, zoals een bedrijfspand of een stuk grond, blijft het algemene tarief 10,4%.

Wat koopt u? Tarief 2026
Eigen woning (hoofdverblijf), starter tot 35 jaar 0% (startersvrijstelling)
Eigen woning (hoofdverblijf), overige gevallen 2%
Woning die u niet zelf bewoont 8%
Niet-woning (bedrijfspand, grond) 10,4%

   Figuur 1: de vier tarieven voor de overdrachtsbelasting in 2026. 0 procent met de startersvrijstelling, 2 procent voor een eigen woning als hoofdverblijf, 8 procent voor een woning zonder eigen bewoning (verlaagd van 10,4 procent) en 10,4 procent voor een niet-woning.

Wanneer heeft u recht op de startersvrijstelling?

U betaalt geen overdrachtsbelasting als u aan alle onderstaande voorwaarden voldoet (zie figuur 2). De vrijstelling geldt per persoon: koopt u samen met een partner, dan wordt voor ieder afzonderlijk getoetst.

  • Leeftijd: u bent 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar op het moment van de overdracht bij de notaris.
  • Eigen bewoning: u gaat de woning zelf gebruiken als hoofdverblijf, dus niet tijdelijk. U schrijft zich er in en woont er ook echt.
  • Eenmalig: u heeft de startersvrijstelling niet eerder gebruikt. Het is een eenmalige regeling.
  • Woningwaardegrens: de woning is niet meer waard dan 555.000 euro (grens voor 2026).
  • Schriftelijke verklaring: u legt vooraf bij de notaris schriftelijk vast dat u zelf in de woning gaat wonen en dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft gebruikt.

Figuur 2: beslisboom voor de startersvrijstelling. Beantwoordt u alle vijf de vragen met ja, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting. Is een antwoord nee, dan vervalt de vrijstelling en betaalt u 2 procent over de hele waarde.

De vrijstelling is niet beperkt tot een eerste woning. Ook als u eerder al een woning bezat, kunt u er als jonge doorstromer gebruik van maken, zolang u de vrijstelling nog niet eerder heeft ingezet.

Let op: de grens van 555.000 euro is een harde drempel

De woningwaardegrens is geen vrijgesteld bedrag, maar een drempel (zie figuur 3). Kost de woning 555.001 euro, dan geldt de vrijstelling helemaal niet, ook niet voor het deel tot 555.000 euro. U betaalt dan over de hele waarde het tarief van 2%. Zit u met de prijs dicht bij de grens, dan is dit een belangrijk aandachtspunt.

Figuur 3: de woningwaardegrens is een harde drempel. Een woning van 555.000 euro is vrijgesteld, een woning van 555.001 euro kost 2 procent over de hele waarde (ruim 11.000 euro). De grens loopt op van 525.000 euro in 2025 naar 615.000 euro in 2027.

De grens verandert elk jaar mee met de gemiddelde stijging van de woningwaarden en wordt telkens een jaar vooruit bekendgemaakt. Voor 2027 is al bekend dat de grens omhoog gaat naar 615.000 euro. Voor 2026 geldt 555.000 euro (in 2025 was dit 525.000 euro).

Koopt u aandelen in een vastgoed-bv? Dan geldt de vrijstelling niet

Koopt u geen huis rechtstreeks, maar aandelen in een bv die een woning bezit, dan kunt u de startersvrijstelling niet gebruiken. Ook het lage tarief van 2% geldt dan niet: zo’n aandelenverkrijging is altijd belast tegen het algemene tarief. Koopt u wel een lidmaatschapsrecht van bijvoorbeeld een wooncooperatie waarmee u een woning mag gebruiken, dan kan de vrijstelling juist wel gelden.

Rekenvoorbeeld: een koppel van 32 en 37 jaar

Een stel koopt samen een woning van 300.000 euro. Ieder koopt de helft, dus 150.000 euro. Beiden verklaren dat zij er zelf gaan wonen; de 32-jarige verklaart ook dat hij de vrijstelling nog nooit heeft gebruikt. Omdat per persoon wordt getoetst, pakt de aankoop voor beiden anders uit (zie figuur 4).

  • Persoon van 32 jaar: over 150.000 euro geen overdrachtsbelasting. Voordeel: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro.
  • Persoon van 37 jaar: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro belasting.

Figuur 4: bij samen kopen wordt per persoon getoetst. De koper van 32 jaar voldoet aan de voorwaarden en betaalt niets; de koper van 37 jaar voldoet niet aan de leeftijdseis en betaalt 2 procent over zijn aandeel van 150.000 euro.

Let op: betaalt de een de belasting van de ander, dan kan dat een schenking zijn waarover schenkbelasting verschuldigd is.

Geen vrijstelling? Deze regelingen verlagen de grondslag

Ook als u geen recht heeft op de vrijstelling, kunt u soms over een lager bedrag belasting betalen. Dat is iets anders dan een vrijstelling: u betaalt wel, maar over een lagere grondslag.

Zelf aangebrachte zaken

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening iets aan de woning aangebracht, bijvoorbeeld een keuken, dakkapel of aanbouw, en koopt u het pand later? Dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde van wat u zelf heeft aangebracht. Voorwaarde is onder meer dat u nog geen eigenaar van de grond was toen u de verbetering aanbracht, en dat de prijs niet al vooraf was vastgesteld. Bewaar de aannemingsovereenkomsten en rekeningen als bewijs.

Doorverkoop binnen zes maanden

Verkoopt iemand een pand binnen zes maanden aan u door, dan betaalt u alleen belasting over het bedrag boven de vorige koopprijs. Kocht de vorige eigenaar het pand voor 100.000 euro en koopt u het twee maanden later voor 120.000 euro, dan betaalt u overdrachtsbelasting over 20.000 euro. Deze regeling speelt vaak bij snelle doorverkoop, projectontwikkeling en familietransacties.

Erfpacht, opstal en beklemming

Koopt u een recht van erfpacht of opstal, dan telt niet alleen de prijs van het recht mee, maar ook de jaarlijkse canon, omgerekend naar een bedrag ineens. Bij een canon van 2.400 euro per jaar en een looptijd van twaalf jaar komt dat bijvoorbeeld neer op ruim 20.000 euro extra grondslag. Bij gemeentelijke erfpacht met een afkoopsom is de berekening weer anders. Laat dit vooraf uitrekenen, want het kan een groot verschil maken.

De verklaring bij de notaris: geen formaliteit

De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting: op het moment van de overdracht bij de notaris moet aan alle voorwaarden zijn voldaan. De schriftelijke verklaring moet dus vooraf klaar zijn. Ontbreekt de verklaring, dan is de vrijstelling weg, en een eenmaal gebruikte startersvrijstelling kunt u niet terugdraaien om hem voor een duurdere woning te bewaren. Controleer daarom altijd of de verklaring bij de notaris klopt en compleet is.

Ook bij bijzondere situaties luistert het nauw. Koopt u een garage of stukje grond van een andere verkoper bij de woning, dan moet dat op dezelfde dag gebeuren, anders geldt daarvoor het hoge tarief. En koopt u een kavel om zelf te bouwen, dan is er pas sprake van een woning zodra de fundering er ligt.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw leeftijd op de overdrachtsdatum. U moet op de dag van de overdracht 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn.
  • Blijf onder de woningwaardegrens. Voor 2026 is dat 555.000 euro; de grens is een harde drempel, geen vrijgesteld bedrag.
  • Regel de verklaring vooraf. Zorg dat de schriftelijke verklaring bij de notaris klaar en juist is voor de overdracht.
  • Verdeel de eigendom bewust. Bij een leeftijdsverschil rond de 35 jaar loont het om de verdeling van de eigendom vooraf te bespreken.
  • Onderbouw grondslagverlagingen. Bewaar bewijs van zelf aangebrachte zaken, van een doorverkoop binnen zes maanden of van erfpachtvoorwaarden.
  • Let op aandelen in een vastgoed-bv. Koopt u aandelen in plaats van de woning zelf, dan gelden vrijstelling en laag tarief niet.

Veelgestelde vragen

Tot welk bedrag geldt de startersvrijstelling in 2026?

De woning mag in 2026 niet meer waard zijn dan 555.000 euro. Is de woning duurder, dan vervalt de vrijstelling volledig en betaalt u 2% over de hele waarde. Voor 2027 gaat de grens naar 615.000 euro.

Hoe oud mag ik zijn voor de startersvrijstelling?

U moet 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn op het moment van de overdracht bij de notaris. Vanaf uw 35e verjaardag voldoet u niet meer aan de leeftijdseis, ook niet op de verjaardag zelf.

Mag ik de vrijstelling meer dan een keer gebruiken?

Nee. De startersvrijstelling is eenmalig. Heeft u hem eerder gebruikt, dan kunt u er geen tweede keer een beroep op doen. U verklaart bij de notaris dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft benut.

Geldt de vrijstelling ook als ik samen met mijn partner koop?

De vrijstelling wordt per persoon getoetst. Voldoet uw partner niet aan de voorwaarden, bijvoorbeeld door de leeftijd, dan betaalt hij of zij over het eigen aandeel wel 2%, terwijl u over uw aandeel vrijgesteld kunt zijn.

Wat gebeurt er als de verklaring bij de notaris ontbreekt?

Dan heeft u geen recht op de vrijstelling. De verklaring moet vooraf klaar zijn, omdat op het moment van de overdracht aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Controleer dit dus altijd voor het passeren van de akte.

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik zelf al aan de woning heb verbouwd?

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening zaken aangebracht en koopt u het pand later, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde daarvan. Er gelden wel voorwaarden en de bewijslast ligt bij u.

Hoe Taxcount u kan helpen

De startersvrijstelling kan u duizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en de grens is hard. Een verkeerd getimede overdracht, een ontbrekende verklaring of een woning net boven de grens kost het hele voordeel. Bij hogere aankopen, samengestelde transacties, erfpacht of aankoop via een bv is een goede planning vooraf nog belangrijker. Taxcount beoordeelt uw situatie, controleert of u aan de voorwaarden voldoet en stemt de aankoop en de verklaring af met uw notaris. Overweegt u een woningaankoop? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u tekent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Belastingvrij schenken in 2026: hoeveel je per jaar mag geven aan je kind, kleinkind of iemand anders

U wilt uw kind of kleinkind financieel een zetje geven: een bijdrage aan een verbouwing, een auto, of gewoon een bedrag als steun in de rug. Dan komt al snel de vraag hoeveel u belastingvrij mag schenken in 2026 en vanaf welk bedrag de ontvanger een aanslag van de Belastingdienst krijgt. De Successiewet, de wet die de schenk- en erfbelasting regelt, stelt elk kalenderjaar een vast bedrag vrij: 6.908 euro van ouders aan een kind en 2.769 euro in alle andere gevallen. Wat daarbij vaak wordt vergeten, is dat alle schenkingen aan dezelfde persoon in hetzelfde kalenderjaar bij elkaar worden opgeteld, ook als vader en moeder ieder afzonderlijk schenken. In dit artikel leest u welke bedragen in 2026 gelden, hoe die samentelling precies werkt, wat u boven de vrijstelling betaalt en wanneer u aangifte schenkbelasting moet doen. Zo weet u vooraf of uw schenking helemaal buiten de heffing blijft.

Wat is een schenking en wie betaalt de schenkbelasting?

Een schenking is fiscaal gezien een gift: u geeft iets weg en krijgt daar niets voor terug. Dat kan geld zijn, maar net zo goed een auto, een pakket aandelen, een stuk grond of het kwijtschelden van een lening. Ook een bedrag dat u op papier schuldig blijft, is een schenking. Over wat iemand op deze manier krijgt, is in principe schenkbelasting verschuldigd.

De belasting wordt betaald door de ontvanger, in de wet de begiftigde genoemd. Dat is een belangrijk verschil met wat veel mensen denken: niet u als schenker, maar uw kind of kleinkind krijgt de aanslag. In de praktijk spreken ouders vaak af dat zij de belasting voor hun rekening nemen, maar let op: die betaling is zelf ook weer een schenking en telt dus mee.

Nederlandse schenkbelasting is alleen aan de orde als de schenker op het moment van de schenking in Nederland woonde. Voor emigranten geldt bovendien nog een aantal jaren een fictie, waarover verder in dit artikel meer.

Hoeveel mag u in 2026 belastingvrij schenken?

In 2026 gelden twee jaarlijkse vrijstellingen. Het bedrag hangt af van de relatie tussen de schenker en de ontvanger.

Wie schenkt? Aan wie? Belastingvrij bedrag 2026
Ouder of ouders Eigen kind, adoptiekind, stiefkind, pleegkind of schoonkind 6.908 euro
Alle andere gevallen Kleinkind, uw eigen partner, broer, zus, oom, tante, vriend of derde 2.769 euro

 

Een schoonkind valt fiscaal onder het kindbegrip, maar deelt de vrijstelling van 6.908 euro met uw eigen kind: er is dus één vrijstelling voor het paar en niet twee.

Beide bedragen gelden per kalenderjaar en per ontvanger. Blijft u eronder, dan betaalt de ontvanger niets en hoeft er geen aangifte te worden gedaan. Krijgt u toch een brief van de Belastingdienst waarin om aangifte wordt gevraagd, dan moet u die wel doen, ook als er niets te betalen is. Volgend jaar mag u hetzelfde bedrag opnieuw belastingvrij schenken. Figuur 1 zet de twee vrijstellingen naast elkaar.

     Figuur 1: De twee jaarlijkse vrijstellingen in 2026: 6.908 euro van ouders aan een kind en 2.769 euro in alle andere gevallen.

Juist die herhaling maakt de regeling waardevol. Bij twee ouders en twee kinderen gaat het elk jaar om twee keer 6.908 euro dat volledig buiten de heffing blijft. Over een reeks jaren wordt uw nalatenschap daardoor bovendien kleiner, zodat later ook minder snel erfbelasting verschuldigd is.

De vrijstelling van ouders aan een kind: 6.908 euro

Schenkt u als ouder aan uw kind, dan is in 2026 6.908 euro vrijgesteld. De leeftijd van uw kind doet daarbij niet ter zake: de jaarlijkse vrijstelling geldt voor een kind van vier net zo goed als voor een kind van vijfenvijftig. Komt u boven het bedrag uit, dan is alleen het meerdere belast.

De vrijstelling in alle andere gevallen: 2.769 euro

Voor iedere andere schenker geldt in 2026 een vrijstelling van 2.769 euro. Het maakt daarbij niet uit hoe dicht de familieband is: een grootouder, een oom, een schoonouder, een broer of iemand zonder familieband valt allemaal onder hetzelfde bedrag. Deze vrijstelling geldt per schenker, dus uw kind kan in hetzelfde jaar van twee verschillende ooms elk 2.769 euro belastingvrij ontvangen.

Wat niet kan, is de twee vrijstellingen bij elkaar optellen. Een kind dat van zijn ouders 6.908 euro krijgt, kan daarnaast niet ook nog 2.769 euro van diezelfde ouders belastingvrij ontvangen. Er geldt per schenker en per jaar één vrijstelling.

Bij dit bedrag hoort één aandachtspunt. De wettekst laat niet met zoveel woorden zien of bij overschrijding alleen het bedrag bóven de 2.769 euro wordt belast, of de hele schenking. De Belastingdienst rekent in haar eigen uitleg met het bedrag boven de vrijstelling, en dat is ook de rekenwijze die wij in dit artikel aanhouden. In de vakliteratuur is die vraag echter niet volledig uitgemaakt. Komt uw schenking dicht bij de 2.769 euro uit, laat de uitwerking dan vooraf toetsen, of blijf gewoon net onder het bedrag.

Los hiervan bestaan er nog bijzondere, ruimere vrijstellingen, bijvoorbeeld voor schenkingen aan een goededoelenorganisatie met een ANBI-status (een algemeen nut beogende instelling) en voor de schenking van een onderneming via de bedrijfsopvolgingsregeling. Die vallen buiten dit artikel.

Waarom alle schenkingen in één jaar bij elkaar worden opgeteld

Dit is het punt waarop het in de praktijk het vaakst misgaat. De Successiewet behandelt alle schenkingen van dezelfde schenker aan dezelfde ontvanger binnen één kalenderjaar als één schenking. Schenkt u in maart 4.000 euro en in november nog eens 4.000 euro aan uw zoon, dan is dat fiscaal één schenking van 8.000 euro en is 1.092 euro belast.

Schenkingen van vader en moeder tellen samen

Voor een schenking aan een kind worden de bedragen van beide ouders bij elkaar opgeteld, ook als de ouders gescheiden zijn of nooit met elkaar gehuwd waren. Vader en moeder gelden dus samen als één schenker. Geven vader en moeder ieder 5.000 euro aan hun dochter, dan is dat één schenking van 10.000 euro en geldt er één vrijstelling van 6.908 euro. Twee keer de vrijstelling benutten door de bedragen over beide ouders te verdelen, werkt dus niet. Figuur 2 laat zien hoe die twee bedragen samenkomen en wat er dan aan schenkbelasting overblijft.

Figuur 2: Schenkingen van vader en moeder aan hetzelfde kind gelden als één schenking, met één vrijstelling.

Partners gelden als één persoon

Dezelfde gedachte geldt aan beide kanten van de schenking. Partners worden voor de schenkbelasting als één persoon gezien, zowel als gever als als ontvanger. Schenken twee gehuwde grootouders aan hetzelfde kleinkind, dan is er samen één vrijstelling van 2.769 euro. En schenkt u aan uw zoon én aan zijn echtgenote, dan worden die twee bedragen meestal ook samengevoegd.

Voor ongehuwd samenwonenden geldt dit alleen als zij fiscaal partner zijn. Daarvoor moeten zij onder andere meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven en een notarieel samenlevingscontract met zorgverplichting hebben, gedurende twee jaar voorafgaand aan de schenking. Staan zij al ten minste vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres ingeschreven, dan is dat contract niet nodig.

Er is één uitzondering die vaak wordt gemist: schenkt u aan uw eigen partner, dan geldt de samenvoeging niet. Voor zo’n schenking geldt de vrijstelling van 2.769 euro, met daarboven het tarief van 10 procent dat voor partners geldt.

Let ook op de aanstaande partner. Doet u een schenking in de twaalf maanden vóór een huwelijk, dan wordt gedaan alsof dat huwelijk op het moment van de schenking al bestond. Dat kan gunstig uitpakken: een aanstaand schoonkind komt daardoor onder het kindbegrip te vallen. Het kan ook betekenen dat bedragen worden samengevoegd die u los had bedoeld. Laat dit narekenen als er een huwelijk op de planning staat.

De grens van het kalenderjaar is hard

Een kalenderjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Schenkt u op 31 december en opnieuw op 1 januari, dan zijn dat twee losse schenkingen met elk hun eigen vrijstelling. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk bevestigd dat dit geen ontoelaatbare constructie is, ook niet als de beide schenkingen duidelijk samenhangen. Wilt u meer overhevelen dan de jaarvrijstelling toelaat, dan is spreiden over de jaargrens dus de eenvoudigste route.

Figuur 3 maakt dat concreet: door twee keer 6.908 euro te schenken rond de jaarwisseling gaat er binnen enkele weken 13.816 euro belastingvrij naar uw kind.

Figuur 3: Spreiden over de jaargrens: twee kalenderjaren betekent twee volledige vrijstellingen.

Wat betaalt de ontvanger boven de vrijstelling?

Komt het totaal boven de vrijstelling uit, dan wordt eerst de vrijstelling van de schenking afgetrokken. Over wat er overblijft, geldt het volgende tarief.

Waarde schenking na aftrek vrijstelling Partner of kind Kleinkind of verdere afstammeling Overige personen
Tot en met 158.669 euro 10 procent 18 procent 30 procent
Boven 158.669 euro 20 procent 36 procent 40 procent

 

Het hogere percentage voor klein- en achterkleinkinderen komt voort uit een opslag: voor afstammelingen in de tweede of verdere graad wordt de berekende belasting met 80 procent verhoogd. Van 10 procent wordt zo effectief 18 procent. Figuur 4 geeft de tarieven en die opslag in één overzicht.

Figuur 4: De tarieven schenkbelasting 2026 over het bedrag boven de vrijstelling.

Een rekenvoorbeeld, hetzelfde als in figuur 2. Stel dat u en uw partner in 2026 ieder 5.000 euro schenken aan uw dochter van dertig, in verschillende maanden. Door de samentelling is dat één schenking van 10.000 euro. Daarvan is 6.908 euro vrijgesteld, zodat 3.092 euro belast blijft tegen 10 procent. Uw dochter betaalt dan ongeveer 309 euro. Had u 5.000 euro in december 2026 en 5.000 euro in januari 2027 geschonken, dan waren beide bedragen onder de jaarvrijstelling gebleven en was er niets verschuldigd.

Nog een voorbeeld. Schenkt u als grootouder 4.000 euro aan uw kleinzoon, dan is 2.769 euro vrijgesteld en blijft 1.231 euro belast. Tegen 18 procent betaalt uw kleinzoon ongeveer 222 euro. Ook hier had spreiden over twee kalenderjaren de heffing volledig kunnen voorkomen.

Wie geldt fiscaal als uw kind?

Voor de hogere vrijstelling van 6.908 euro moet de ontvanger een kind zijn. Dat begrip is ruimer dan alleen uw eigen, biologische kinderen. Onder kind vallen ook een adoptiekind en een stiefkind. Een pleegkind telt mee als u het gedurende ten minste vijf jaar vóór zijn eenentwintigste als eigen kind hebt onderhouden en opgevoed. Ook een kind waarover u samen het gezag of de voogdij hebt, en een kind waarvan het biologisch ouderschap uit een genetische test blijkt, worden gelijkgesteld.

Een schoonkind valt fiscaal eveneens onder het kindbegrip. Dat levert echter geen extra vrijstelling op, omdat uw kind en zijn partner via de partnerregeling als één persoon gelden. Er is dus één vrijstelling van 6.908 euro voor het paar, niet twee.

Over één punt verschillen fiscalisten van mening: of de kindvrijstelling voor een stiefkind blijft gelden nadat u van de ouder van dat kind bent gescheiden. De Successiewet en de algemene wetsdefinitie sluiten hier niet naadloos op elkaar aan en er is geen rechterlijke uitspraak die de vraag beslecht. Speelt dit in uw situatie, laat de schenking dan vooraf toetsen.

De eenmalig verhoogde vrijstelling: iets anders dan de jaarlijkse vrijstelling

Naast de jaarlijkse vrijstelling bestaat er een eenmalig verhoogde vrijstelling voor een schenking van ouders aan een kind. Die is in 2026 33.129 euro voor een vrij te besteden bedrag, of 69.009 euro als het geld voor een aanzienlijk duurdere dan gebruikelijke studie of beroepsopleiding is bestemd. Voorwaarde is dat het kind op het moment van de schenking tussen de achttien en veertig jaar is. De dag van de veertigste verjaardag telt nog mee.

Is uw kind al veertig of ouder maar zijn partner nog niet, dan kan de vrijstelling via die partner alsnog worden benut, mits die partner er zelf geen beroep op doet. Uw kind en zijn partner kunnen de verhoging dus niet twee keer gebruiken. Deze route rust op een goedkeuring in beleid en niet op de wettekst zelf, dus laat de toepassing vooraf toetsen.

Bij deze vrijstelling zijn drie punten van belang. Ten eerste is zij echt eenmalig: heeft uw kind eerder een verhoogde vrijstelling voor een schenking van u gebruikt, dan kan dat niet nog een keer. Ten tweede moet er aangifte worden gedaan en moet in die aangifte uitdrukkelijk een beroep op de vrijstelling worden gedaan. Dat is een harde voorwaarde: gebeurt het niet, dan is er zonder meer belasting verschuldigd en kan het beroep later niet meer worden hersteld. Ten derde kunt u in het jaar waarin u de verhoogde vrijstelling benut, niet ook nog de jaarlijkse vrijstelling van 6.908 euro gebruiken.

Benut u de verhoging maar deels, dan gaat het restant definitief verloren. U kunt de vrijstelling niet in stukken over meerdere jaren gebruiken.

Voor de variant van 69.009 euro voor een dure studie gelden bovendien extra eisen. De opleiding moet minstens 20.000 euro per jaar kosten, exclusief levensonderhoud. De schenking moet in een notariële akte zijn vastgelegd, met daarin de studie, de verwachte kosten en de voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar van de schenking aan de opleiding is besteed. Voor een schenking in 2026 betekent dat: besteed vóór 2029. Het geld mag niet worden gebruikt om eerder aangegane studieschulden af te lossen, en voor deze vrijstelling mag u de schenking niet op papier schuldig blijven; het bedrag moet daadwerkelijk zijn betaald.

In welk jaar valt uw schenking precies?

Omdat de samentelling per kalenderjaar werkt, is de datum van de schenking beslissend. Fiscaal gaat het om het moment waarop de schenkingsovereenkomst tot stand komt. Sinds 2003 gelden daarvoor in beginsel geen vormvereisten meer: de overeenkomst komt tot stand zodra de ontvanger het aanbod niet direct afwijst. Bij een gewone overboeking gaat het in de praktijk om de datum van de overboeking.

Rond de jaarwisseling is dat een aandachtspunt, want ook de datum van bijschrijving kan een rol spelen. Wilt u een schenking bewust in het ene of het andere jaar laten vallen, schenk dan niet op de laatste of de eerste dag van het jaar maar met een paar dagen marge, en leg de afspraak schriftelijk vast.

Hebt u een voorwaarde aan de schenking gekoppeld die pas later in vervulling gaat, bijvoorbeeld dat uw kind het bedrag krijgt zodra het een woning koopt, dan geldt de schenking fiscaal pas in het jaar waarin die voorwaarde wordt vervuld. De vrijstelling en de aangiftetermijn schuiven dan mee.

Schenkt u iets anders dan geld, dan is de waarde in het economische verkeer op de schenkingsdatum beslissend, dus de prijs die een willekeurige koper op die dag zou betalen, en niet wat u er zelf voor hebt betaald. Voor beursgenoteerde effecten geldt de slotkoers van de laatste beursdag vóór de schenking. Bij een woning, een stuk grond of een pakket aandelen in uw eigen bv is een onderbouwde waardering dus onmisbaar.

Schenkt u een woning of een stuk grond, dan is er nog een gunstige regel: de overdrachtsbelasting die over de schenking wordt betaald, komt in mindering op de schenkbelasting over hetzelfde bedrag. Dubbele heffing wordt op die manier voorkomen.

Wanneer moet u aangifte schenkbelasting doen?

Blijft het totaal van uw schenkingen in het jaar onder de vrijstelling, dan hoeft er geen aangifte te worden gedaan en is er niets te betalen. Komt het bedrag erboven, dan doet de ontvanger aangifte schenkbelasting. De aangifte gaat online via Mijn Belastingdienst.

De termijn is ruim: de wet bepaalt dat die niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking is gedaan. In de praktijk betekent dat: doe aangifte vóór 1 maart van het jaar na de schenking. De wetgever heeft voor dit systeem gekozen omdat pas na afloop van het jaar valt te beoordelen of alle schenkingen bij elkaar boven de vrijstelling uitkomen.

Wacht niet op een brief. Formeel ontstaat de wettelijke aangifteplicht pas doordat de Belastingdienst u uitnodigt om aangifte te doen, maar u kunt in bepaalde gevallen gehouden zijn er zelf om te vragen. De Belastingdienst gaat er daarom van uit dat u een belaste schenking op eigen initiatief aangeeft. Ontvangt u wél een brief, dan moet u aangifte doen, ook als er per saldo niets te betalen is.

Doet u een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling, dan is aangifte altijd verplicht, ook als er per saldo niets te betalen is. Zonder dat beroep in de aangifte bestaat de vrijstelling eenvoudig niet. Handig om te weten: schenker en ontvanger mogen samen één aangifte doen, wat dubbel werk voorkomt. Krijgen partners beide een schenking, dan legt de Belastingdienst wel aan ieder van hen een eigen aanslag op.

Figuur 5 vat de drie mogelijke uitkomsten samen in een beslisboom.

Figuur 5: Beslisboom: moet u aangifte schenkbelasting doen?

Wat gebeurt er als u te laat bent of geen aangifte doet?

Bij een te late of ontbrekende aangifte kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Dat is een boete voor een vormfout, waarvoor geen opzet nodig is. Het wettelijk maximum is 6.709 euro, maar in het boetebeleid is de standaardboete gesteld op 7 procent daarvan, dus ongeveer 470 euro. Het maximum is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarin iemand jaar na jaar in verzuim blijft.

Een belangrijke waarborg: van een verzuim is pas sprake als u geen gevolg hebt gegeven aan een aanmaning die u daadwerkelijk heeft bereikt. De Belastingdienst moet aannemelijk maken dat die aanmaning is verzonden én ontvangen. Is de aanmaning eenmaal binnen, dan is de termijn hard: ook een aangifte die één dag te laat is, levert een verzuim op. Alleen als u werkelijk niets te verwijten valt, blijft de boete uit; drukte of ziekte van uw partner zijn daarvoor in beginsel niet genoeg.

Onderschat daarnaast de lange nasleep niet. Is er nooit aangifte gedaan, dan begint de termijn waarbinnen de Belastingdienst een aanslag kan opleggen volgens de rechtspraak van de Hoge Raad pas te lopen na de inschrijving van de overlijdensakte van de schenker of de ontvanger. Een vergeten schenking kan daardoor tientallen jaren later nog opduiken, vaak juist op het moment dat de nalatenschap wordt afgewikkeld.

Twee situaties die vaak worden vergeten

Overlijdt de schenker binnen 180 dagen, dan verschuift de schenking naar de erfenis

Alles wat iemand in de laatste 180 dagen voor zijn overlijden heeft weggegeven, wordt fiscaal behandeld als een erfenis. Dat geldt ook voor een gewone jaarlijkse schenking aan een kind: die valt niet onder de uitzonderingen op deze regel. Betaalde schenkbelasting komt in mindering op de erfbelasting, maar bij meerdere schenkingen in dat jaar slechts naar een evenredig deel.

Voor een schenking waarop de eenmalig verhoogde vrijstelling is geclaimd geldt wél een uitzondering: die blijft buiten de erfenis. Wie op korte termijn nog vermogen wil overdragen, kan aan die vrijstelling dus meer hebben dan aan een reeks gewone jaarschenkingen.

Praktisch gevolg: een schenkingsronde die vlak voor een overlijden wordt gedaan, bijvoorbeeld in een periode van ernstige ziekte, levert vaak niet het beoogde voordeel op. Wie op deze manier de nalatenschap wil verkleinen, is er verstandig aan te beginnen zolang dat rustig en gespreid kan.

Figuur 6 zet deze 180 dagen naast het andere risico uit dit artikel, de verzuimboete bij een te late of ontbrekende aangifte.

Figuur 6: Twee risico’s: de 180 dagen vóór het overlijden en de verzuimboete bij een te late aangifte.

Na emigratie blijft de Nederlandse schenkbelasting nog jaren gelden

Schenkbelasting wordt geheven als de schenker in Nederland woonde. Twee ficties verlengen dat. Een Nederlander die naar het buitenland verhuist, wordt nog tien jaar na vertrek geacht in Nederland te wonen. Voor iemand met een andere nationaliteit geldt die fictie één jaar. Woonde de schenker nooit in Nederland, dan is er geen Nederlandse schenkbelasting.

Voor ondernemers en dga’s die naar het buitenland vertrekken is dit relevant: het schenkingsplan voor de kinderen verandert niet meteen door de verhuizing, en bij een schenking in een ander land kan bovendien de belastingheffing daar meespelen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd een schenkingsoverzicht per jaar en per ontvanger bij. Noteer datum, bedrag en ontvanger van elke schenking, inclusief schenkingen op papier, kwijtscheldingen en giften in natura. Zonder dat overzicht is de samentelling niet te controleren.
  • Stem af met de andere ouder. Schenkingen van vader en moeder aan hetzelfde kind worden opgeteld, ook na een scheiding. Spreek af wie wat schenkt, zodat u samen niet ongemerkt boven 6.908 euro uitkomt.
  • Toets het bedrag aan de juiste vrijstelling. 908 euro van ouders aan een kind, 2.769 euro in alle andere gevallen, per kalenderjaar en per schenker.
  • Spreid over de jaargrens als u meer wilt overhevelen. Een schenking in december en een schenking in januari zijn twee jaren en dus twee vrijstellingen. Houd wel een paar dagen marge rond de jaarwisseling aan, zodat over het jaar geen discussie kan ontstaan.
  • Leg de schenkingsdatum schriftelijk vast. Een korte schenkingsbrief of een bankafschrift met datum voorkomt discussie over het jaar waarin de schenking valt.
  • Laat niet-geldschenkingen waarderen. Bij aandelen, een auto, een woning of grond geldt de waarde in het economische verkeer op de schenkingsdatum.
  • Doe aangifte vóór 1 maart van het volgende jaar. Dat geldt zodra het totaal boven de vrijstelling uitkomt en altijd als u een beroep doet op de eenmalig verhoogde vrijstelling.
  • Regel de eenmalige vrijstelling op tijd en volledig. Controleer de leeftijdsgrens van veertig jaar, doe het beroep uitdrukkelijk in de aangifte en zorg bij de studievariant voor een notariële akte.
  • Wees voorzichtig met schenken in de laatste levensfase. Overlijdt de schenker binnen 180 dagen, dan wordt de schenking bij de erfenis geteld.
  • Denk aan de emigratieficties. Tien jaar voor Nederlanders en één jaar voor anderen: een verhuizing naar het buitenland maakt de Nederlandse heffing niet direct onmogelijk.

Veelgestelde vragen

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij aan mijn kind schenken?

In 2026 mag u als ouder 6.908 euro per kalenderjaar aan uw kind schenken zonder dat er schenkbelasting verschuldigd is. Onder kind vallen ook een stiefkind, een pleegkind en een adoptiekind. De leeftijd van uw kind maakt voor deze jaarlijkse vrijstelling niet uit.

Tellen schenkingen van mijn vader en mijn moeder apart mee?

Nee. Voor de schenkbelasting gelden uw ouders samen als één schenker, ook als zij gescheiden zijn of nooit gehuwd waren. Schenken zij ieder 5.000 euro, dan is dat fiscaal één schenking van 10.000 euro met één vrijstelling van 6.908 euro.

Moet ik aangifte doen als de schenking onder de vrijstelling blijft?

Nee. Blijft het totaal van de schenkingen van dezelfde schenker in het kalenderjaar onder de vrijstelling, dan is er geen schenkbelasting verschuldigd en hoeft er geen aangifte te worden gedaan. Krijgt u toch een brief waarin om aangifte wordt gevraagd, dan moet u die wel doen. Komt u boven de vrijstelling uit, dan doet de ontvanger aangifte vóór 1 maart van het jaar na de schenking. Bij een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling is aangifte altijd nodig.

Hoeveel schenkbelasting betaalt mijn kleinkind?

Voor een kleinkind geldt de vrijstelling van 2.769 euro. Over het meerdere betaalt uw kleinkind 18 procent tot en met 158.669 euro en 36 procent daarboven. Die percentages zijn hoger dan bij een kind, omdat de berekende belasting voor klein- en achterkleinkinderen met 80 procent wordt verhoogd. Komt de schenking net boven 2.769 euro uit, laat de uitwerking dan toetsen: over de vraag of alleen het meerdere of de hele schenking wordt belast, bestaat in de vakliteratuur nog discussie.

Mag ik op 31 december en op 1 januari schenken en zo twee keer de vrijstelling gebruiken?

Ja. De samentelling werkt strikt per kalenderjaar en de jaargrens is hard. Een schenking op 31 december en een schenking op 1 januari zijn twee schenkingen met elk hun eigen vrijstelling. De Hoge Raad heeft bevestigd dat dit geen wetsontduiking is. Zorg wel dat de data aantoonbaar zijn.

Kan ik de jaarlijkse vrijstelling combineren met de eenmalig verhoogde vrijstelling?

Niet in hetzelfde jaar. Doet u in een bepaald jaar een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling van 33.129 euro of 69.009 euro, dan kunt u in dat jaar niet daarnaast nog de jaarlijkse vrijstelling van 6.908 euro benutten. In de jaren daarvoor en daarna kunt u de jaarlijkse vrijstelling gewoon gebruiken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Schenken lijkt eenvoudig, maar de rekening komt vaak uit een hoek die u niet had verwacht: een tweede schenking later in het jaar, een bedrag van de andere ouder, een schenking op papier uit een eerder jaar of een overlijden kort na de schenking. Taxcount brengt uw schenkingen per jaar en per ontvanger in kaart, rekent voor wat een voorgenomen schenking kost en laat zien wat het oplevert om te spreiden of om juist de eenmalig verhoogde vrijstelling in te zetten.

Wij verzorgen daarnaast de aangifte schenkbelasting, letten op het tijdig en juist doen van het beroep op een verhoogde vrijstelling en stellen de schenkingsbrief of de afspraken met de notaris af op uw plannen. Gaat het om vermogen in uw bv, om aandelen of om een bedrijfsoverdracht binnen de familie, dan kijken wij in één keer ook naar box 2 en de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat de schenkbelasting en de inkomstenbelasting op elkaar afgestemd blijven.

Wilt u weten wat u dit jaar nog belastingvrij kunt schenken, of wat een groter plan over meerdere jaren betekent? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie op basis van de regels en bedragen zoals die gelden voor het belastingjaar 2026 en is geen fiscaal advies. Tarieven, vrijstellingen en drempelbedragen worden jaarlijks aangepast en wetgeving en beleid kunnen wijzigen. De uitkomst in uw eigen situatie hangt af van de persoonlijke omstandigheden, zoals de relatie tussen schenker en ontvanger, eerdere schenkingen en de aard van het geschonken vermogen. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscaal adviseur voordat u besluiten neemt.

Beleggingsvermogen of ondernemingsvermogen: zo bepaal je de grens en herstructureer je op tijd voor een bedrijfsoverdracht

U wilt uw bedrijf over een paar jaar overdragen aan uw kind of aan een opvolger. In de bv zit naast de echte onderneming ook vermogen dat daar eigenlijk niets mee te maken heeft: opgepotte winst op een spaarrekening, een effectenportefeuille of een pand dat u aan een derde verhuurt. Dat vermogen heet beleggingsvermogen, en juist daarover krijgt u geen belastingvoordeel bij de overdracht. Dat kan zomaar honderdduizenden euro’s schelen. In dit artikel leest u wat beleggingsvermogen bij bedrijfsopvolging precies is, hoe u de grens met ondernemingsvermogen bepaalt, en hoe u dat vermogen vooraf kunt afzonderen zonder de fiscale faciliteiten te verspelen. Ook leest u welke termijnen u in de gaten moet houden, want te laat beginnen is bij dit onderwerp de duurste fout.

Waarom scheelt dit onderscheid zoveel geld?

De wetgever wil niet dat een gezond bedrijf bij een overdracht stukloopt op belasting. Daarom bestaan er twee faciliteiten. De bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting stelt in 2026 100 procent vrij over de eerste 1.543.500 euro aan ondernemingsvermogen per bedrijf en 75 procent over het meerdere. Heeft uw holding twee echt zelfstandige bedrijven, dan geldt die schijf per bedrijf; door alleen een bv te splitsen krijgt u de schijf niet twee keer. De doorschuifregeling in box 2 zorgt ervoor dat u de belasting over de waardestijging van uw aandelen niet direct hoeft af te rekenen, maar doorschuift naar uw opvolger.

Beide faciliteiten kennen precies dezelfde tweedeling: alleen het deel van de waarde dat is toe te rekenen aan de onderneming telt mee. Over het beleggingsdeel rekent u gewoon af. Het tarief in box 2 is in 2026 24,5 procent tot een inkomen van 68.843 euro en 31 procent daarboven, en de schenkbelasting voor kinderen loopt op tot 20 procent. Zit er een miljoen aan beleggingen in uw bv, dan is dat dus geen theoretisch verschil.

De winst van herstructureren zit niet in een hogere vrijstelling. Die zit erin dat u vermogen dat toch niet kwalificeert simpelweg niet meeschenkt.

Wat is beleggingsvermogen precies?

Het opvallende is dat de wet dit begrip nergens definieert. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak volgen wel drie vaste regels.

Het gaat om het saldo, niet om de bezitting alleen

Beleggingsvermogen is het saldo van de beleggingen en de schulden die u daarvoor bent aangegaan. Heeft u een effectenportefeuille van 800.000 euro die u deels met een lening van 300.000 euro heeft gefinancierd, dan telt in beginsel 500.000 euro als beleggingsvermogen. Wel moet er een duidelijk verband zijn tussen de schuld en de bezitting waarvoor u die schuld aanging.

Alleen blijvend overtollig vermogen telt mee

Geld is pas beleggingsvermogen als het voor de onderneming geen enkele functie meer heeft. Een overnamekas, een buffer voor een slecht jaar, geld dat is bestemd voor een investering of voor een reorganisatie: dat is geen beleggingsvermogen. Tijdelijk overtollige middelen mag u wegzetten, mits u redelijkerwijs kunt aannemen dat het geld op tijd weer beschikbaar is voor de onderneming en het risico vergelijkbaar is met een langlopend deposito bij een bank. Speculatieve posities vallen daar niet onder.

De bewijslast is verdeeld. Gaat het om de vraag of een bezitting op de balans van de onderneming mag staan, dan moet de inspecteur aannemelijk maken dat en tot welk bedrag uw middelen blijvend overtollig zijn. Claimt u vervolgens de vrijstelling, dan moet u zelf aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan. In de praktijk wint daarom degene die zijn dossier op orde heeft. Een investeringsplan of een onderbouwd overnamebudget op papier is hier goud waard. Dat het ook fout kan gaan, laat een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2025 zien: daarin werd 42,7 miljoen euro aan opgepotte dividenden, liquiditeiten en effecten in een holding aangemerkt als blijvend overtollig. Op die uitspraak is in de vakliteratuur kritiek, dus het laatste woord is er nog niet over gezegd, maar zij laat wel zien hoe groot het risico is.

Drie harde uitsluitingen in de wet

Naast deze open norm kent de wet sinds 2024 en 2025 een aantal categorieën die hoe dan ook niet meetellen. Deze uitsluitingen zijn hard: een goede reden helpt hier niet.

  • Een belang in een ander lichaam. Aandelen in een andere bv tellen niet mee, tenzij de bezittingen en schulden van die bv aan u worden toegerekend. Dat toerekenen mag als u daarin direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft van ten minste 5 procent, of een verwaterd belang van minder dan 5 procent maar ten minste 0,5 procent.
  • Aan derden verhuurd vastgoed. Een onroerende zaak die meer dan bijkomstig aan iemand anders ter beschikking is gesteld, telt niet mee. De wet noemt geen percentage. In de praktijk wordt meer dan bijkomstig ingevuld als ongeveer 10 procent verhuur aan derden, al lopen de opvattingen precies op die grens uiteen. Verhuur aan uw eigen werkmaatschappij valt hier niet onder.
  • Duur gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen. Een bedrijfsmiddel met een waarde van 103.000 euro of meer telt niet mee voor zover het voor meer dan bijkomstig andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. Denk aan een dure auto, een boot, een kunstwerk of een vakantiewoning. De grens ligt bij 90 procent zakelijk gebruik. Woon-werkverkeer geldt niet als privégebruik. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd; in 2025 was het nog 100.000 euro.

Figuur 1 zet die volgorde op een rij: eerst de vraag of het bestanddeel nog een functie heeft voor de onderneming, daarna de drie uitsluitingen. Loopt u ze alle drie zonder treffer door, dan telt het bestanddeel mee als ondernemingsvermogen.

   Figuur 1: is het vermogensbestanddeel ondernemingsvermogen of beleggingsvermogen? Eerst de functie voor de onderneming, daarna de drie wettelijke uitsluitingen.

Bij verhuurd vastgoed wordt tijdsevenredig gerekend, zoals figuur 2 laat zien. De wetgever geeft zelf dit voorbeeld. Een loods is 500.000 euro waard. De ene helft, dus 250.000 euro, is volledig in eigen gebruik. De andere helft is 40 procent van de tijd in eigen gebruik en 60 procent verhuurd aan een derde. Van die tweede helft geldt 60 procent van 250.000 euro, dus 150.000 euro, als beleggingsvermogen. Over de resterende 350.000 euro gelden de gewone regels.

Figuur 2: bij deels verhuurd vastgoed telt alleen het verhuurde deel als beleggingsvermogen, en dan naar de tijd waarin het aan een derde ter beschikking staat.

Kortdurende verhuur valt buiten de uitsluiting: vakantiewoningen, hotelkamers, zalen, tennisbanen en teeltpacht. Vastgoed dat nog in ontwikkeling is, telt evenmin als verhuurd. Let op het verschil: gaat het om woningen die een vakantiepark of een hotelketen voor bewoning ter beschikking stelt, dan geldt de uitsluiting juist wel. Een vakantiewoning die u zelf of uw gezin gebruikt, valt onder de regeling voor dure gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen. En een woning die u aan een personeelslid ter beschikking stelt, valt er ook onder: een personeelslid geldt volgens de Belastingdienst als een ander.

En vorderingen?

Een vordering van de bv op u, op familie of op een derde wordt voor de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel niet als ondernemingsvermogen gezien. Het beleidsbesluit van 2026 zegt het onomwonden: zulke vorderingen wijken niet wezenlijk af van andere beleggingen. Heeft u een rekening-courantschuld aan uw eigen bv, dan verkleint die dus de vrijstelling bij de overdracht.

Wat levert afzonderen op? Een rekenvoorbeeld

Stel: uw holding is 6.000.000 euro waard. Daarvan is 4.000.000 euro de werkmaatschappij en 2.000.000 euro bestaat uit effecten en spaargeld dat geen functie meer heeft in de onderneming. U schenkt in 2026 alle aandelen aan uw dochter. Figuur 3 laat zien hoe de structuur er voor en na een afsplitsing uitziet.

Figuur 3: de beleggingen gaan bij een afsplitsing naar een nieuwe bv, de onderneming blijft achter in de bestaande structuur.

Zonder herstructurering

Het kwalificerende ondernemingsvermogen is 4.000.000 euro. De vrijstelling bedraagt 100 procent over 1.543.500 euro plus 75 procent over 2.456.500 euro, samen 3.385.875 euro. Uw dochter verkrijgt 6.000.000 euro, dus de belaste verkrijging is 2.614.125 euro.

Met herstructurering

U splitst de effecten en het spaargeld vooraf af naar een aparte Beleggingen bv, die u zelf houdt. U schenkt alleen de aandelen in de holding met de onderneming, dus 4.000.000 euro. De vrijstelling is nog steeds 3.385.875 euro, maar nu op een verkrijging van 4.000.000 euro. De belaste verkrijging is 614.125 euro.

Figuur 4: dezelfde vrijstelling, maar op een kleinere verkrijging. De belaste verkrijging daalt van 2.614.125 euro naar 614.125 euro.

Het verschil is 2.000.000 euro aan belaste verkrijging, zoals figuur 4 naast elkaar zet. Het beleggingsvermogen blijft bij u en vererft later gewoon, dus de belasting daarover is niet verdwenen. Wel is die losgekoppeld van de bedrijfsoverdracht, en houdt u liquiditeit achter de hand om de belasting over het niet-vrijgestelde deel te betalen. Dit voorbeeld is sterk vereenvoudigd; laat uw eigen situatie doorrekenen.

Let op: BOR en doorschuifregeling rekenen in 2026 verschillend

Tot en met 2024 kende de bedrijfsopvolgingsregeling een doelmatigheidsmarge: beleggingsvermogen tot 5 procent van het ondernemingsvermogen mocht u toch als ondernemingsvermogen meetellen. Die marge is voor de bedrijfsopvolgingsregeling afgeschaft per 1 januari 2025.

Voor de doorschuifregeling in box 2 bestaat de marge in 2026 nog wel. De afschaffing daarvan is wettelijk al geregeld, maar treedt pas in werking op een nog te bepalen tijdstip. Volgens de fiscale beleidsagenda kan dat naar verwachting niet eerder dan 1 januari 2028.

Praktisch gevolg: de twee sporen van uw overdracht hebben in 2026 een verschillende grondslag. U moet dus twee berekeningen maken en beide in het dossier vastleggen. Vraag uw adviseur daar expliciet om, want dit wordt in de praktijk regelmatig over het hoofd gezien.

Welke route past bij uw situatie?

Er zijn verschillende manieren om vermogen te verplaatsen. Ze zijn lang niet allemaal geschikt om beleggingen af te zonderen. In de tabel hieronder ziet u het overzicht, daarna volgt de toelichting.

Route Geschikt om beleggingsvermogen af te zonderen?
Juridische afsplitsing Ja, dit is het aangewezen instrument. De enige echte poort is de toets op zakelijke overwegingen.
Zuivere splitsing Ja, maar de oorspronkelijke bv houdt op te bestaan. Dat brengt extra risico op eindafrekening mee.
Bedrijfsfusie Beperkt. De overdracht van louter beleggingen of deelnemingen geldt niet als een onderneming.
Juridische fusie Niet om vermogen te scheiden, wel om een structuur op te schonen.
Aandelenfusie Ja, als voorbereidende stap: eerst een holding boven de werkmaatschappij, daarna afsplitsen.
Geruisloze omzetting Ja, en sinds oktober 2025 ruimer. Dit is de route voor de ondernemer zonder bv.
Fiscale eenheid Technisch mogelijk, maar riskant door de sanctie bij ontvoeging.

 

De juridische afsplitsing: de standaardroute

Bij een juridische afsplitsing gaan de beleggingen naar een nieuwe bv, blijft de onderneming achter in de bestaande bv, en houdt u beide. Daarna schenkt u alleen de aandelen in de ondernemings-bv. De wetgever heeft deze route uitdrukkelijk goedgekeurd voor een reële bedrijfsopvolging. Sterker nog, de wetsgeschiedenis noemt precies dit voorbeeld: een houdster splitsen in een vennootschap met de aandelen in de werkmaatschappij en een vennootschap met het overige beleggingsvermogen, en vervolgens de eerste schenken.

De afsplitsing blijft buiten de winst als aan alle wettelijke eisen is voldaan. Wordt een van die eisen niet gehaald, dan kunt u vooraf een gezamenlijk verzoek indienen bij de inspecteur van de splitsende vennootschap. Ook als de vrijstelling van rechtswege lijkt te gelden, is een verzoek verstandig: een onjuiste toepassing blijkt pas bij de aanslag, en een splitsing kunt u niet terugdraaien.

De bedrijfsfusie: meestal geen optie

Bij een bedrijfsfusie draagt u een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over tegen uitreiking van aandelen. Het beleidsbesluit van 21 augustus 2025 stelt uitdrukkelijk dat de inbreng van deelnemingen, en in het algemeen van deelnemingen samen met bedrijfspanden, niet kwalificeert. Beleggingen die met blijvend overtollig geld zijn gefinancierd vormen geen tak van bedrijvigheid. Ook de klassieke variant waarbij de onderneming naar de werkmaatschappij gaat en het pand in de holding achterblijft, strandt vaak op deze eis.

De fiscale eenheid: geruisloos schuiven, maar met een prijs

Binnen een fiscale eenheid worden interne transacties genegeerd, dus u kunt daar op het oog geruisloos reorganiseren. Er zit echter een sanctie op. Draagt u binnen de eenheid een vermogensbestanddeel met een stille reserve over en eindigt de eenheid daarna, dan moet u dat bestanddeel alsnog op de marktwaarde zetten. De termijn is zes kalenderjaren, of drie kalenderjaren als het ging om een onderneming die is overgedragen tegen uitreiking van aandelen. Er is geen tegenbewijs mogelijk: de motieven doen niet ter zake.

Het advies uit de vakliteratuur is daarom eenduidig. Voer een uitzakoperatie niet binnen de fiscale eenheid uit, maar via een bedrijfsfusie of een afsplitsing buiten de eenheid. Daarna kunt u desgewenst opnieuw een fiscale eenheid aanvragen.

Heeft u nog geen bv? De geruisloze omzetting is ruimer geworden

Voor een eenmanszaak, vof of maatschap loopt de scheiding niet via een splitsing, maar via de omzetting naar een bv zelf. Een beleidsbesluit van 24 oktober 2025 keurt goed dat u bij die omzetting vermogensbestanddelen onttrekt, mits het resterende deel nog steeds een onderneming vormt. Nieuw is dat dit ook mag bij vermogen dat verplicht tot de onderneming behoort. Voorheen was dat op geen enkele wijze toegestaan.

Let hierbij op drie dingen. Wat achterblijft mag zelf geen zelfstandig bedrijf vormen. Over de stille reserves die u daarbij realiseert krijgt u geen stakingsaftrek, al kunt u die reserves wel omzetten in een lijfrente. En het vastgoed dat u onttrekt valt daarna meestal onder de terbeschikkingstellingsregeling: u verhuurt het dan privé aan uw eigen bv en wordt over dat resultaat in box 1 belast. Onttrekken is doorgaans alleen aantrekkelijk als er een boekverlies is; laat dit dus vooraf doorrekenen.

Wanneer accepteert de Belastingdienst de herstructurering?

De belangrijkste horde is de toets op misbruik. Een afsplitsing is niet gefacilieerd als zij in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Ontbreken zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden, dan wordt misbruik vermoed. U mag dat vermoeden weerleggen.

Twee ontwikkelingen maken deze poort in 2026 gunstiger dan voorheen. Ten eerste oordeelde de Hoge Raad in februari 2026 dat het tweede bewijsvermoeden, dat automatisch gold als u de aandelen binnen drie jaar aan een onafhankelijke partij verkocht, in strijd is met de Europese fusierichtlijn en buiten toepassing moet blijven. Een algemeen vermoeden van ontwijking is niet toegestaan. De inspecteur moet dus weer zelf met bewijs komen. Ten tweede accepteerde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 januari 2023 een afsplitsing waarbij een pand naar een zustervennootschap ging om het uit de risicosfeer van de onderneming te halen. Die zaak ging over de overdrachtsbelasting, maar de toets was destijds gelijk aan die in de vennootschapsbelasting en de redenering wordt in de praktijk breed gevolgd: het uiteindelijke belang bleef gelijk, en dat is geen misbruik.

Wat als zakelijke reden telt, is dus ruimer dan veel ondernemers denken. Bescherming tegen aansprakelijkheids- en schadeclaims is een solide motief. Efficiëntie en kostenbesparing ook, mits die besparing niet verwaarloosbaar is naast het belastingvoordeel. En u mag in beginsel de fiscaal gunstigste weg kiezen naar een niet-fiscaal einddoel, zolang die weg net zozeer voor de hand ligt als de alternatieven.

Wat wel misgaat, is te laat beginnen. Het motief wordt beoordeeld op het moment waarop de overeenkomst onherroepelijk tot stand komt, niet bij de uitvoering. In een zaak bij het gerechtshof Den Haag lag er op 21 december een verkoopopdracht, op 8 januari een bod, op 7 maart de bedrijfsfusie en op 23 maart de aandelenverkoop. De faciliteit ging verloren. Herstructureer dus nooit tijdens een lopend verkooptraject.

Twee termijnen die uw planning bepalen

Rond een overdracht lopen twee termijnen die elkaar opvolgen: de bezitseis vóór de schenking of vererving en de voortzettingsperiode erna. Figuur 5 zet ze op een tijdlijn, met de sanctietermijnen van de fiscale eenheid eronder.

Figuur 5: de bezitseis van vijf jaar vóór de overdracht en de voortzettingsperiode van drie jaar erna, met de sanctietermijnen van de fiscale eenheid.

De bezitseis: vijf jaar bij schenking, een jaar bij overlijden

Voor de bedrijfsopvolgingsregeling moet u als schenker vijf jaar aan de bezitseis voldoen, en als erflater een jaar. Per 1 januari 2026 is daar een belangrijke zin aan toegevoegd: dat geldt alleen voor zover uw belang in die periode niet is toegenomen. Groeit uw eigen aandeel in het bedrijf, dan begint voor dat toegenomen deel een nieuwe termijn. Dat geldt bij vrijwel elke vorm van groei: aankoop, inkoop van aandelen van een medeaandeelhouder, een emissie of een herstructurering. Er zijn precies drie uitzonderingen: een overgang door huwelijksvermogensrecht, een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding, en vermogen dat de erflater zelf eerder met een bedrijfsopvolgingsvrijstelling heeft verkregen.

De Hoge Raad besliste op 30 januari 2026 in een sprekende zaak. Een schenkster hield via een beheer-bv 49 procent in een vennootschap met hoortoestellencentra en optiekcentra; haar neef hield 51 procent. Bij een ruziesplitsing kreeg zij alle hoortoestellencentra en de neef de optiekcentra. Haar belang liep van 49 naar 100 procent. Toen zij twee jaar later schonk, gold de vrijstelling maar voor 49 procent. De advocaat-generaal vatte het kernachtig samen: zij had feitelijk het ene bedrijf gekocht voor het andere.

Goed nieuws is er ook. Koopt u een bedrijf erbij dat vervolgens opgaat in uw bestaande onderneming, dan is er geen sprake van een subjectieve uitbreiding en begint er geen nieuwe termijn. En sinds 1 januari 2026 is de eis vervallen dat een herstructurering fiscaal geruisloos moet verlopen om de bezitsperiode te laten doortellen. Uitgangspunt is nu dat de economische gerechtigdheid gelijk blijft; dat de juridische huls verandert, is geen bezwaar.

Er is wel een nieuwe voorwaarde voor in de plaats gekomen. Het doortellen werkt alleen als het aanmerkelijk belang voor en na de fusie of splitsing via dezelfde soort vermogensbestanddelen werd gehouden, dus via dezelfde soort aandelen of winstbewijzen. Wat dezelfde soort precies betekent, staat niet in de wet. Het ligt in de rede dat het omruilen van gewone aandelen tegen letteraandelen of preferente aandelen een andere soort oplevert, waardoor de termijn opnieuw gaat lopen, maar zekerheid is daar op dit moment nog niet over. Laat dit dus voorleggen als u met letteraandelen werkt.

De voortzettingsperiode: drie jaar na de overdracht

Na de schenking of vererving geldt een voortzettingsperiode. Die is per 1 januari 2026 verkort van vijf naar drie jaar. In die periode mag uw opvolger onder meer niet vervreemden, de aandelen niet omzetten in preferente aandelen en de aanspraak op toekomstige winst niet beperken. Gebeurt dat toch, dan vervalt de vrijstelling naar rato. Van een vervalgebeurtenis moet binnen acht maanden aangifte worden gedaan.

Sinds 2026 is een herstructurering binnen die drie jaar mogelijk zonder dat de vrijstelling vervalt, mits het belang van de verkrijger in de oorspronkelijk verkregen onderneming niet afneemt, de onderneming wordt voortgezet, de verkrijger geen medegerechtigde wordt en hij geen andere tegenprestatie ontvangt dan vermogensbestanddelen van dezelfde soort. Een bijbetaling in geld is dus niet toegestaan. Er zitten twee scherpe randen aan. De bescherming werkt uitsluitend op verzoek van de verkrijger; de inspecteur beslist bij beschikking waartegen bezwaar openstaat. Zonder verzoek is er geen bescherming, ook niet als het belang materieel gelijk blijft. En het omzetten van aandelen in preferente aandelen valt buiten die regeling en is dus in het geheel niet te repareren.

Dat laatste is een reëel risico bij letteraandelen. Lopen de winstreserves van verschillende letters na verloop van tijd uiteen, dan kan een hybride aandeel ontstaan waarvan het preferente deel niet aan het voortzettingsvereiste voldoet.

Vergeet de overdrachtsbelasting niet

Gaat er bij de splitsing Nederlands vastgoed over, dan is overdrachtsbelasting het uitgangspunt. Er bestaat een vrijstelling voor de splitsing. De voorwaarden daarvan zijn per 1 juli 2025 gewijzigd, waardoor zij mogelijk niet meer gelijklopen met die in de vennootschapsbelasting. Ga er daarom niet zonder meer van uit dat een goedkeuring voor de ene heffing ook voor de andere geldt, en laat dit per situatie toetsen.

Krijgt u bij een splitsing aandelen in een vennootschap die vastgoed bezit, dan geldt de vrijstelling alleen als uw belang in de waarde van dat vastgoed niet toeneemt. Neemt het wel toe, dan betaalt u over die toename. Het beleidsbesluit geeft dit voorbeeld: A en B houden elk de helft in een bv met een pand van 100.000 euro en een pand van 60.000 euro. Na de splitsing houdt A alle aandelen in de bv met het eerste pand en B in de bv met het tweede. Beiden waren gerechtigd tot 80.000 euro; A stijgt naar 100.000 euro en betaalt dus over 20.000 euro.

Positief nieuws is dat vastgoed binnen een concern mag achterblijven bij een overdracht van de onderneming, zonder dat de voortzettingseis voor de overdrachtsbelasting wordt geschonden. Voorwaarde is dat de verkrijgende vennootschap de onderneming de resterende drie jaar binnen dat concern voortzet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Maak een vermogensopstelling per peildatum. Zet per bezitting op papier wat het feitelijke gebruik is, welk deel van uw vastgoed tijdsevenredig aan derden is verhuurd en welke bedrijfsmiddelen boven 103.000 euro uitkomen met hun gebruikspercentage.
  • Onderbouw uw liquiditeiten. Leg vast waarvoor het spaargeld bestemd is: een investeringsplan, een overnamekas, een buffer of een reorganisatie. Zonder onderbouwing is het vermoedelijk beleggingsvermogen.
  • Reken twee grondslagen door. De 5 procent-marge geldt in 2026 nog voor de doorschuifregeling in box 2, maar niet meer voor de bedrijfsopvolgingsregeling. Leg beide berekeningen vast.
  • Bouw een motiefdossier op. Notulen, adviezen, een risicoanalyse en een kwantificering van de niet-fiscale baten tegenover het fiscale voordeel. De datum die telt is die van de overeenkomst waarmee u zich onherroepelijk verbindt, niet die van de uitvoering.
  • Vraag zekerheid vooraf. Dien het verzoek gezamenlijk in en voor de splitsing of fusie, bij de juiste inspecteur. De beslistermijn is in beginsel acht weken, de bezwaartermijn zes weken.
  • Bewaak de termijnenkalender. Bezitseis van een of vijf jaar, voortzettingseis van drie jaar met aangifteplicht binnen acht maanden, de sanctietermijn van zes of drie kalenderjaren bij een fiscale eenheid, en bij een geruisloze omzetting negen maanden voor de voorovereenkomst en vijftien maanden voor de oprichting.
  • Herstructureer niet tijdens een verkooptraject. Is er al een bod of een concrete gesprekspartner, dan kost een herstructurering vrijwel zeker de faciliteit.
  • Toets letteraandelen per soort. Geeft een aandeel statutair geen belang bij de onderliggende werkmaatschappij, dan verdwijnt het indirecte aanmerkelijk belang en daarmee de faciliteit.
  • Dien binnen de voortzettingsperiode altijd een verzoek in. De bescherming bij een herstructurering werkt uitsluitend op verzoek van de verkrijger, waarop de inspecteur bij beschikking beslist. De wet noemt geen termijn voor dat verzoek, maar dien het bij voorkeur in vóór de herstructurering.
  • Houd rekening met de kosten. Kosten van advies, waardering, notaris en de aangiften voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn bij de bv niet aftrekbaar en gelden als een uitdeling aan de aandeelhouder.

Veelgestelde vragen

Mag ik spaargeld in mijn bv houden zonder de vrijstelling kwijt te raken?

Ja, zolang dat geld een functie heeft voor de onderneming. Een buffer, een overnamekas of geld voor een geplande investering is geen beleggingsvermogen. Zodra het geld blijvend overtollig is, telt het niet mee in de vrijstelling. Zorg dus dat u schriftelijk kunt onderbouwen waarvoor het bestemd is.

Telt een pand dat ik aan mijn eigen werkmaatschappij verhuur wel mee?

Dat kan, maar niet automatisch. De wettelijke uitsluiting voor verhuurd vastgoed geldt niet bij verhuur aan een bv waarin u zelf een aanmerkelijk belang heeft. Zit het pand in een aparte bv die zelf geen onderneming drijft, dan telt het alleen mee als de bezittingen van die bv aan de holding worden toegerekend. Verhuurt u het pand privé aan uw bv, dan kan het meelopen in de vrijstelling, mits het dienstbaar is aan de onderneming van de bv en uw opvolger tegelijk de aandelen verkrijgt.

Hoe lang van tevoren moet ik beginnen met herstructureren?

Reken op minimaal vijf jaar voor een schenking. Dat is de bezitseis, en een herstructurering waarbij uw belang toeneemt laat die termijn voor het toegenomen deel opnieuw beginnen. Wacht u tot er een koper in beeld is, dan is het vrijwel zeker te laat.

Kan ik de beleggings-bv later belastingvrij verkopen?

Dat hangt ervan af. Houdt een holding de aandelen, dan is de verkoopwinst alleen vrijgesteld als de deelnemingsvrijstelling geldt: de regel die winst op een belang van 5 procent of meer bij de moeder-bv onbelast laat. Ligt het zwaartepunt van de activiteiten bij beleggen, dan geldt die vrijstelling niet zonder meer. U komt er dan alleen als de dochter een redelijke winstbelasting betaalt, of als minder dan de helft van haar bezittingen laagbelaste beleggingen zijn. Bij vastgoed pakt dat vaak gunstiger uit dan bij een pure effectenportefeuille.

Wat gebeurt er als de inspecteur het niet eens is met mijn splitsing?

Dan is de afsplitsing niet gefacilieerd en moet de vennootschap afrekenen over stille reserves en goodwill, zonder dat er geld binnenkomt. Bij een zuivere splitsing komt daar nog een eindafrekening bij. Omdat een splitsing niet terug te draaien is, is zekerheid vooraf vragen hier geen luxe.

Ik heb mijn bedrijf al geschonken. Mag ik nu nog herstructureren?

Binnen de voortzettingsperiode van drie jaar kan dat, mits het belang van de verkrijger niet afneemt en de onderneming wordt voortgezet. U moet daarvoor wel een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij beschikking beslist. De wet noemt geen termijn voor dat verzoek, maar dien het bij voorkeur in vóór de herstructurering: zonder verzoek is er geen bescherming. Het omzetten van aandelen in preferente aandelen valt buiten die bescherming.

Hoe Taxcount u kan helpen

Bij een bedrijfsoverdracht komt alles samen: schenk- en erfbelasting, inkomstenbelasting in box 2, vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting. Taxcount brengt eerst in kaart welk deel van uw vermogen als ondernemingsvermogen kwalificeert en welk deel niet, en rekent de twee grondslagen voor de bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling apart door. Daarna kijken we welke route bij uw structuur past, stellen we het verzoek aan de Belastingdienst op en bouwen we het motiefdossier op dat u nodig heeft als de inspecteur vragen stelt. Ook bewaken we de termijnen, van de bezitseis tot de voortzettingsperiode.

Denkt u er binnen vijf jaar aan uw bedrijf over te dragen? Laat uw situatie dan nu beoordelen, zolang u de tijd nog aan uw kant heeft. Neem contact op met Taxcount voor een vrijblijvend gesprek.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt volledig af van uw persoonlijke en zakelijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u handelt.

De doorschuifregeling aanmerkelijk belang: zo draag je de aandelen in je bv over zonder direct box 2-belasting te betalen

U heeft jaren aan uw bedrijf gebouwd en denkt na over de volgende stap: uw kind laten instappen, de aandelen schenken, of gewoon weten wat er fiscaal gebeurt als u er niet meer bent. De wet behandelt zo’n overgang als een verkoop van uw aandelen, ook als u er geen euro voor ontvangt. Zonder faciliteit is er dan direct belasting in box 2 verschuldigd over de volledige waardestijging van uw aandelen, terwijl er geen geld binnenkomt. De doorschuifregeling aanmerkelijk belang voorkomt dat: op verzoek schuift de belastingclaim door naar uw opvolger, voor het deel van de waarde dat aan de echte onderneming is toe te rekenen. In dit artikel leest u wanneer de regeling geldt, welk deel u kunt doorschuiven, welke voorwaarden en termijnen in 2026 gelden en wat u zelf moet regelen om de faciliteit niet te verspelen.

Wat is de doorschuifregeling in box 2?

Houdt u 5 procent of meer van de aandelen in een bv of nv, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Dat belang zit in box 2. Verkoopt u de aandelen, dan betaalt u belasting over het verschil tussen de overdrachtsprijs (uw opbrengst) en de verkrijgingsprijs (wat u er fiscaal voor heeft betaald).

De wet behandelt ook overlijden en schenken als een verkoop. Bij overlijden ontstaat een zogenoemde fictieve vervreemding: de wet doet alsof u de aandelen op de dag van overlijden heeft verkocht. Bij een schenking ontbreekt een prijs, en dan rekent de fiscus met de waarde in het economische verkeer, dus de zakelijke marktwaarde. In beide gevallen is er dus belasting verschuldigd zonder dat er geld is ontvangen. Vaak moet dat geld dan uit de bv komen, waarover opnieuw box 2-belasting verschuldigd is.

De doorschuifregeling haalt die directe heffing weg. Op verzoek wordt de overgang niet als vervreemding aangemerkt voor het deel van de waarde dat is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de bv. Belangrijk om te weten: het gaat om uitstel, niet om afstel. Uw opvolger neemt uw verkrijgingsprijs over, zodat de claim later alsnog wordt afgerekend. Dat is precies het verschil met de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting, die wel een echte vrijstelling geeft.

Over het deel dat u niet kunt doorschuiven, betaalt u in 2026 het gewone box 2-tarief:

Inkomen uit aanmerkelijk belang (2026) Tarief
tot en met 68.843 euro (fiscale partners samen 137.686 euro) 24,5 procent
boven 68.843 euro 31 procent

 

Figuur 1 laat in vijf stappen zien of doorschuiven in uw situatie mogelijk is, en zo ja of dat volledig of maar gedeeltelijk kan.

    Figuur 1: in vijf stappen naar de vraag of u kunt doorschuiven.

Wanneer kunt u de doorschuifregeling gebruiken?

De wet kent vier situaties waarin de claim kan doorschuiven. Ze lijken op elkaar, maar de spelregels verschillen per situatie. Twee daarvan kennen wel een ondernemingstoets, de andere twee niet.

Bij uw overlijden

Overlijdt u als aandeelhouder, dan is er in beginsel een fictieve vervreemding. Artikel 4.17a kan die terugnemen voor het ondernemingsvermogensdeel. De faciliteit werkt alleen op verzoek van alle betrokkenen samen, dus de erfgenamen namens u als erflater en de verkrijger. Gaan de aandelen over door een legaat, dan moet die overgang binnen twee jaar na het overlijden plaatsvinden.

Bij de verdeling van de nalatenschap

Neemt een van de kinderen het bedrijf over en worden de anderen uitgekocht, dan is dat een tweede overgang: eerst van u naar de erfgenamen samen, daarna tussen de erfgenamen onderling. De doorschuifregeling geldt ook voor die tweede stap, mits de verdeling binnen twee jaar na het overlijden gebeurt. Deze variant kent geen ondernemingstoets: de volledige claim schuift door, ook als er beleggingsvermogen in de bv zit.

Als u de aandelen schenkt aan uw opvolger

Draagt u de aandelen tijdens uw leven over aan een opvolger, meestal een kind, dan geldt een leeftijdseis: uw opvolger moet op het moment van de overdracht 21 jaar of ouder zijn. De oude eis dat de opvolger al 36 maanden in dienst was bij de vennootschap, is per 1 januari 2025 vervallen en vervangen door deze leeftijdsgrens. Let op: bij de doorschuifregeling voor een eenmanszaak of vof is die dienstbetrekkingseis juist wel blijven staan.

Bij een schenking geldt bovendien een plafond: u kunt nooit meer doorschuiven dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie, dus alles wat u als vergoeding bedingt, ook de verplichting van uw opvolger om iemand anders te betalen. Betaalt uw opvolger iets, of moet hij bijvoorbeeld een broer of zus uitkopen, dan is er in die mate geld beschikbaar om de belasting te betalen en wordt de faciliteit teruggenomen. De Hoge Raad besliste in 2019 dat ook een last om aan een derde te betalen als tegenprestatie geldt: in die zaak schonk een vader een pakket van 34,8 miljoen euro aan de ene zoon, onder de verplichting 4,9 miljoen euro aan de andere zoon te betalen.

Bij huwelijk, huwelijkse voorwaarden of scheiding

Gaan de aandelen (deels) over naar uw partner door het aangaan van een huwelijksgemeenschap, door het wijzigen van huwelijkse voorwaarden of door een scheiding, dan geldt een aparte variant. Die werkt van rechtswege: u hoeft niets te vragen, en wilt u juist wel afrekenen, dan kunt u daarom verzoeken. Er is geen ondernemingstoets, dus de hele claim schuift door. Bij een scheiding moet u binnen twee jaar na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap verdelen. Die termijn begint te lopen op het moment dat het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank wordt ingediend.

Overlijdt u terwijl u in gemeenschap van goederen bent gehuwd, dan gaat de regeling voor overlijden voor op de huwelijksvermogensrechtelijke route.

Bij vererving en bij schenking geldt dat een zogenoemd meetrek-aanmerkelijk belang niet meedoet. Dat is een klein belang van onder de 5 procent dat alleen in box 2 valt omdat een naast familielid een aanmerkelijk belang heeft. Een fictief aanmerkelijk belang, dat is een belang onder de 5 procent dat als aanmerkelijk belang blijft gelden omdat er eerder is doorgeschoven, mag juist wel.

Figuur 2 zet de vier routes naast elkaar, met per route of er een ondernemingstoets geldt, of u een verzoek moet doen en welke termijn u moet bewaken.

Figuur 2: de vier routes en de spelregels die per route verschillen.

Welk deel van de waarde mag u doorschuiven?

Alleen het deel dat aan het ondernemingsvermogen is toe te rekenen. Dat is het vermogen dat echt in de onderneming wordt gebruikt. Over het beleggingsvermogen, zoals overtollig spaargeld, een beleggingsportefeuille of aan derden verhuurd vastgoed, rekent u af.

De wet gunt u daarbij een kleine marge: bovenop het ondernemingsvermogen mag u beleggingsvermogen meenemen tot ten hoogste 5 procent van de waarde van dat ondernemingsvermogen. Deze doelmatigheidsmarge is voor de bedrijfsopvolgingsregeling al per 1 januari 2025 geschrapt, maar geldt in 2026 voor de doorschuifregeling in box 2 nog steeds. De afschaffing gaat pas in bij Koninklijk Besluit en wordt niet vóór 1 januari 2028 verwacht. In 2026 lopen de twee regelingen op dit punt dus uiteen, en dat betekent twee berekeningen in hetzelfde dossier.

Een rekenvoorbeeld maakt het concreet. De cijfers zijn afgeleid van het voorbeeld uit de parlementaire toelichting bij de regeling.

Stel dat u alle aandelen in uw bv houdt. De waarde is 1.000.000 euro: 800.000 euro ondernemingsvermogen en 200.000 euro beleggingsvermogen. Uw verkrijgingsprijs is 300.000 euro. U overlijdt en uw twee kinderen erven de aandelen samen. Figuur 3 laat zien hoe die waarde uiteenvalt.

Figuur 3: alleen het ondernemingsvermogen plus de marge van 5 procent schuift door.

  • Doorschuifbaar: 000 euro ondernemingsvermogen plus 5 procent daarvan (40.000 euro) is 840.000 euro. Voor dat deel is er op verzoek geen vervreemding.
  • Belast: de resterende 160.000 euro.
  • Verkrijgingsprijs: u mag uw verkrijgingsprijs zoveel mogelijk aan het belaste deel toerekenen, maar niet meer dan de overdrachtsprijs van dat deel. Dus 160.000 euro.
  • Uitkomst: 000 euro min 160.000 euro is nihil. Er is geen box 2-belasting verschuldigd. De resterende verkrijgingsprijs van 140.000 euro schuift door naar uw kinderen, ieder 70.000 euro. Hun verkrijgingsprijs wordt daarmee ieder 150.000 euro: 80.000 euro voor het belaste deel (de helft van de overdrachtsprijs van 160.000 euro) plus 70.000 euro doorgeschoven verkrijgingsprijs.

Had u een lagere verkrijgingsprijs, bijvoorbeeld 100.000 euro, dan valt het anders uit. Dan wordt 100.000 euro aan het belaste deel toegerekend en resteert een vervreemdingsvoordeel van 60.000 euro. Daarover is 24,5 procent box 2-belasting verschuldigd, dus 14.700 euro, en er schuift niets van de verkrijgingsprijs door. Uw erfgenamen moeten dat bedrag betalen zonder dat er iets is verkocht. Figuur 4 zet beide scenario’s naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde bv, twee verkrijgingsprijzen, twee heel andere uitkomsten.

Wat telt niet mee als ondernemingsvermogen?

Hier ligt in de praktijk het grootste risico. De begrippen onderneming en ondernemingsvermogen zijn sterk feitelijk en de bewijslast ligt bij u. De belangrijkste uitsluitingen op een rij.

  • Vastgoed dat u aan anderen verhuurt of in gebruik geeft. Onroerende zaken tellen niet mee voor zover zij aan een ander ter beschikking zijn gesteld of daarvoor bestemd zijn, en dat geldt ook voor de bijbehorende schulden. Die toets is tijdsevenredig: blijft de terbeschikkingstelling onder 10 procent van de tijd, dan geldt de uitsluiting niet. Verhuur binnen het eigen concern telt niet als “een ander”, mits u daarin een echt (direct of kwalificerend indirect) aanmerkelijk belang heeft. Kortdurende gebruiksafstand in de dienstensector, zoals een hotelkamer per nacht of een tennisbaan per uur, valt buiten de uitsluiting; langdurige verhuur van een hotelkamer of vakantiehuis juist niet. Een personeelswoning valt wel onder de uitsluiting.
  • Dure bedrijfsmiddelen met privégebruik. Bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer (bedrag 2026) tellen niet mee voor zover ze voor meer dan 10 procent niet-bedrijfsmatig worden gebruikt. Denk aan een auto, boot, vliegtuig of kunstcollectie, ook bij privégebruik door werknemers. Woon-werkverkeer geldt niet als privégebruik.
  • Belangen in andere vennootschappen zonder toerekening. Zit de onderneming in een dochter, dan worden de bezittingen en schulden van die dochter alleen aan u toegerekend als u daarin doorgerekend een aanmerkelijk belang heeft. Een belang van 80 procent in een dochter die 30 procent in een kleindochter houdt, geeft 24 procent en telt mee; komt u onder de 5 procent uit, dan niet. Voor kleine belangen die uitsluitend door vererving, huwelijksvermogensrecht of schenking onder de 5 procent zijn gezakt, bestaat een uitzondering vanaf 0,5 procent, onder strikte voorwaarden.
  • Vermogen dat nu niet meer in de onderneming wordt gebruikt. De Hoge Raad besliste op 18 augustus 2023 dat alleen vermogen meetelt dat op het moment van de verkrijging feitelijk voor de onderneming wordt aangehouden. Of een bestanddeel voor de winstberekening tot het ondernemingsvermogen mag worden gerekend, is niet van belang. In die zaak werd een voormalig eigen kantoorpand van 6.800.000 euro, dat na 2006 aan derden werd verhuurd, ten onrechte meegeteld. Ook panden die de bv zelf heeft ontwikkeld en daarna verhuurt, vallen buiten de faciliteit. Die uitspraak ging over de bedrijfsopvolgingsregeling in de erfbelasting; de Belastingdienst past dezelfde lijn toe op de doorschuifregeling in box 2.

Voor vastgoed geldt bovendien een streng uitgangspunt: verhuur is bijna nooit een onderneming. U moet aantonen dat uw werkzaamheden en uw rendement meer zijn dan bij normaal vermogensbeheer, en de rechter beoordeelt alle werkzaamheden in samenhang. Een portefeuille van ongeveer 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten met een waarde van circa 10 miljoen euro haalde die toets niet, ook niet bij een gemiddeld jaarrendement van 20 procent. Projectontwikkeling kan wel zelfstandig kwalificeren, ook als die tak relatief klein is.

Een pluspunt: naast de commerciële waarde van een pensioenverplichting in eigen beheer mag enige buffer voor het langlevenrisico als ondernemingsvermogen worden aangemerkt, bovenop de 5 procent-marge. Hoe groot die buffer mag zijn, is per situatie feitelijk en nog steeds onderwerp van discussie. Reken er dus niet op zonder onderbouwing.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

Naast de vraag wat u mag doorschuiven, zijn er formele eisen. De verkrijger moet in Nederland wonen en de aandelen mogen bij hem niet tot een eigen onderneming of tot een werkzaamheid gaan behoren. Voor de varianten bij overlijden, verdeling van de nalatenschap en schenking moet u een schriftelijk verzoek doen, en dat verzoek moeten alle betrokkenen samen doen bij de juiste inspecteur.

Dat verzoek is geen formaliteit. Leidt doorschuiving tot een lagere aanslag, dan kunt u het doen tot de aanslag onherroepelijk vaststaat. Leidt het tot een hogere aanslag, dan moet het zelfs vóór het opleggen van de aanslag gebeuren. Op een gemaakte keuze kunt u daarna niet meer terugkomen, en een verzoek om ambtshalve vermindering staat volgens de staatssecretaris uitdrukkelijk niet open. Een gemiste termijn is dus definitief.

Wat Termijn of grens
Verdeling van de nalatenschap binnen 2 jaar na het overlijden
Overgang door een legaat binnen 2 jaar na het overlijden
Verdeling na scheiding binnen 2 jaar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap (start: indiening echtscheidingsverzoek)
Onbelast dividend na overlijden binnen 24 maanden na het overlijden, niet verlengbaar
Verzoek om doorschuiving tot de aanslag onherroepelijk vaststaat; bij een hogere aanslag vóór het opleggen
Leeftijd verkrijger bij schenking 21 jaar of ouder op het moment van de overdracht
Drempel gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen 103.000 euro per bedrijfsmiddel (2026)

De tweejaarstermijnen kunnen in zeer bijzondere gevallen worden verlengd, maar dan moet u het verzoek daarvoor indienen vóórdat de termijn verstrijkt. De 24-maandstermijn voor onbelast dividend kan in het geheel niet worden verlengd.

Wat als u het bedrijf in stappen overdraagt?

Veel ondernemers willen niet in één keer alles uit handen geven. Een gebruikelijke route is dat u uw gewone aandelen omzet in preferente aandelen, dus aandelen met voorrang op de winst, en dat uw opvolger de nieuwe gewone aandelen neemt. Zo blijft u meeprofiteren van de bestaande waarde en groeit uw opvolger in.

Voor preferente aandelen is doorschuiving alleen mogelijk bij zo’n gefaseerde bedrijfsoverdracht, en dan moet aan vier eisen samen zijn voldaan: de preferente aandelen zijn ontstaan uit een omzetting van een eerder gehouden gewoon aanmerkelijk belang, bij die omzetting zijn gewone aandelen aan een ander toegekend, de vennootschap dreef op dat moment een onderneming, en uw opvolger houdt op het moment van de verkrijging al ten minste 5 procent van de gewone aandelen. Bij die 5 procent-toets blijft het preferente kapitaal buiten beschouwing.

Per 1 januari 2026 staat er ook een definitie in de wet: preferente aandelen zijn aandelen met voorrang bij de winstverdeling of bij de liquidatieopbrengst, en bij een aandeel dat die voorrang maar voor een deel van het vermogen heeft, is alleen dat deel preferent. In de vakliteratuur wordt die definitie te ruim gevonden, omdat ook gebruikelijke letteraandelen met een eigen agioreserve eronder kunnen vallen en daardoor de toegang tot de faciliteit kunnen verliezen. Laat de statuten dus toetsen vóór u iets in gang zet.

Een tweede aandachtspunt is de vergoeding op de preferente aandelen, het primaire dividend. Die moet zakelijk zijn, berekend over het nominale kapitaal plus de aan die aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves, inclusief goodwill. Is de vergoeding te laag terwijl uw opvolger nauwelijks iets inbrengt, dan ziet de fiscus dat als een bevoordeling van uw opvolger en dus als belastbaar voordeel bij u. Er bestaat geen wettelijk percentage en ook geen norm uit de rechtspraak. In een zaak bij Hof Arnhem-Leeuwarden uit 2024 vond de inspecteur 1 procent te laag en ging het hof veronderstellenderwijs uit van minimaal 6 procent, maar dat betrof een bv met bijna uitsluitend vorderingen en liquiditeiten en het hof deed er geen zelfstandige uitspraak over. Onderbouw het percentage dus per situatie met het te verwachten rendement op het ingebrachte vermogen, laat uw opvolger een serieus bedrag inbrengen en stem het vooraf af met de Belastingdienst. Figuur 5 laat de opzet, de vier voorwaarden en dit aandachtspunt in één beeld zien.

Figuur 5: de opzet en de vier voorwaarden bij een gefaseerde overdracht met preferente aandelen.

Let ten slotte op de soortbenadering, dus de regel dat aandelen met onderling afwijkende rechten fiscaal als aparte soorten gelden. Verschillen uw aandelen in het stemrecht over uitkeringen van winst of vermogen, bijvoorbeeld door een vetorecht bij het vaststellen van dividend of bij de terugkoop van aandelen, dan zijn dat aparte soorten. De Hoge Raad besliste dat in twee arresten van 16 december 2011. Een verschil in benoemingsrecht of in een aanbiedingsregeling levert juist geen aparte soort op. Gevolg: de 5 procent-grens en de toerekening van het vermogen moeten per soort worden beoordeeld. Een structuur met letteraandelen die op papier gewoon lijkt, kan daardoor anders uitpakken dan u denkt.

Wat als uw opvolger in het buitenland woont?

Woont de verkrijger niet in Nederland, dan is doorschuiving niet mogelijk. Er is dan een alternatief: op verzoek van alle betrokkenen wordt het bedrag dat bij een Nederlandse verkrijger zou zijn doorgeschoven aangemerkt als te conserveren inkomen, dus inkomen waarover wel een aanslag wordt berekend maar dat niet in uw gewone verzamelinkomen meetelt. U krijgt dan een conserverende aanslag: die wordt wel opgelegd, maar hoeft onder voorwaarden nog niet te worden betaald. Het uitstel loopt in beginsel tien jaar, en buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte moet u zekerheid stellen. Reken er niet op dat de aanslag na die tien jaar wordt kwijtgescholden: die kwijtschelding is sinds 15 september 2015 sterk ingeperkt.

Wat is het verschil met de bedrijfsopvolgingsregeling?

De doorschuifregeling en de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) horen bij dezelfde overdracht, maar zijn twee verschillende regelingen: de doorschuifregeling regelt de inkomstenbelasting in box 2, de BOR regelt de schenk- en erfbelasting. In de praktijk vraagt u ze naast elkaar aan.

  Doorschuifregeling box 2 Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)
Welke belasting inkomstenbelasting, box 2 schenk- en erfbelasting
Wat levert het op uitstel: de claim schuift door naar uw opvolger vrijstelling: 100 procent tot 1.543.500 euro (2026) en 75 procent van het meerdere
Bezitseis geen 1 jaar bij overlijden, 5 jaar bij schenking
Voortzettingseis geen 3 jaar voortzetten, anders vervalt de vrijstelling naar verhouding
Marge beleggingsvermogen 5 procent, geldt in 2026 nog afgeschaft

Dat verschil in marge betekent dat de grondslag van beide regelingen in 2026 niet gelijk is. Laat de splitsing tussen ondernemings- en beleggingsvermogen daarom voor beide regelingen apart uitrekenen. Figuur 6 vat het verschil samen.

Figuur 6: uitstel tegenover vrijstelling, met een verschillende grondslag in 2026.

Er is nog een praktisch punt bij de verdeling van een nalatenschap. Krijgt uw opvolger het bedrijf en moet hij zijn broers of zussen uitkopen, dan ontstaat een overbedelingsschuld: het bedrag dat hij hen moet betalen omdat hij meer krijgt dan zijn eigen deel. Bij het bepalen van die schuld mag de doorgeschoven box 2-claim niet zonder meer voor de volle nominale waarde meetellen. De Hoge Raad besliste in 2022 dat het rentevoordeel van het uitstel moet worden meegenomen. Maak de claim dus contant en leg vast met welke disconteringsvoet u rekent.

Kunt u na een overlijden onbelast dividend uitkeren?

Ja, en dat is een nuttig financieringsinstrument. Is bij de erflater (deels) box 2-inkomen in aanmerking genomen, dan kan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden op verzoek dividend ontvangen tot dat bedrag zonder dat daarover opnieuw box 2-belasting verschuldigd is. Voorwaarde is dat het bedrag wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs. Voor de dividendbelasting bestaat een bijbehorende inhoudingsvrijstelling.

Zo kunt u de erfbelasting en de box 2-heffing over het beleggingsdeel financieren met geld uit de bv. Bewaak de termijn scherp: 24 maanden is hard en kan ook in zeer bijzondere omstandigheden niet worden verlengd.

Waar gaat het in de praktijk mis?

Het misgaan zit zelden in de wet zelf, maar bijna altijd in de uitvoering. De regeling vraagt een tijdig verzoek, een goed onderbouwde waardering en aandacht voor details die pas jaren later opspelen. Dit zijn de fouten die wij het vaakst zien.

  • Het verzoek is te laat. Zonder tijdig verzoek is er geen doorschuiving, en herstel achteraf is niet mogelijk.
  • Het ondernemingsvermogen is te hoog ingeschat. Blijkt bij controle dat vastgoed aan derden is verhuurd of dat liquiditeiten duurzaam overtollig zijn, dan wordt het doorgeschoven bedrag verlaagd en volgt een correctie met belastingrente.
  • Een tegenprestatie is vergeten. Een last om een broer of zus te betalen verlaagt de doorschuiving. Dat u zelf geen geld ontvangt, doet daaraan niet af.
  • De advieskosten staan in de bv. Kosten van opvolgingsadvies zijn bij de vennootschap niet aftrekbaar en worden gezien als een uitkering aan de aandeelhouder. Factureer dat advies aan privé.
  • De informatieplicht is geschonden. Levert u gevraagde gegevens niet aan, dan kan de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard, ook bij de discussie over de waarde.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw belang. Houdt u, eventueel samen met uw fiscale partner, 5 procent of meer? Bij verschillende soorten aandelen toetst u per soort.
  • Laat de bv doorlichten. Drijft de vennootschap een echte onderneming, en hoe verhoudt het ondernemingsvermogen zich tot het beleggingsvermogen op het moment van de overdracht?
  • Loop het vastgoed pand voor pand langs. Wie gebruikt het, hoe lang en tegen welke vergoeding? Historisch gebruik telt niet, feitelijk gebruik nu wel.
  • Inventariseer dure bedrijfsmiddelen. Zet alles van 103.000 euro of meer op een lijst met het zakelijke en niet-zakelijke gebruikspercentage.
  • Laat een waardering opstellen. Met een expliciete splitsing tussen ondernemings- en beleggingsvermogen, en met een aparte berekening voor de BOR.
  • Controleer de leeftijd bij een schenking. Uw opvolger moet 21 jaar of ouder zijn op het moment van de overdracht.
  • Reken de tegenprestatie door. Betalingen aan u of aan derden verlagen de doorschuiving. Bekijk bij een ongelijke verdeling eerst wat dat kost.
  • Dien het verzoek tijdig en gezamenlijk in. Schriftelijk, door alle betrokkenen samen, bij de juiste inspecteur, en vóór het einde van de termijn.
  • Zet de termijnen in uw agenda. Twee jaar voor de verdeling van een nalatenschap of van een huwelijksgemeenschap, en 24 maanden voor onbelast dividend.
  • Regel liquiditeit voor het belaste deel. Over het beleggingsdeel is direct belasting verschuldigd, terwijl er geen opbrengst is.
  • Leg de doorgeschoven verkrijgingsprijs vast. Zo nodig via een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat er later geen discussie over ontstaat.
  • Vraag zekerheid vooraf bij een herstructurering. Zet u eerst een holding op of gaat u gefaseerd over, laat de gevolgen dan vooraf vastleggen door de inspecteur.

Veelgestelde vragen

Betaalt u met de doorschuifregeling helemaal geen belasting meer?

Nee. De doorschuifregeling geeft uitstel, geen kwijtschelding. Uw opvolger neemt uw fiscale verkrijgingsprijs over en rekent af zodra hij de aandelen later verkoopt of zelf overdraagt. Alleen de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting geeft een echte vrijstelling.

Moet uw kind 21 jaar of ouder zijn?

Bij een schenking wel: uw opvolger moet op het moment van de overdracht 21 jaar of ouder zijn. Bij vererving en bij de verdeling van een nalatenschap geldt die leeftijdseis niet. De oude eis dat de opvolger 36 maanden in dienst was, is per 1 januari 2025 vervallen.

Uw bv verhuurt panden. Kunt u dan doorschuiven?

Meestal niet voor dat deel. Verhuur van vastgoed is fiscaal zelden een onderneming, en vastgoed dat aan anderen ter beschikking is gesteld is uitdrukkelijk uitgesloten van het ondernemingsvermogen. Doet uw bv daarnaast iets wat wel als onderneming kwalificeert, zoals projectontwikkeling, dan wordt dat deel apart beoordeeld.

Hoe lang heeft u om het verzoek te doen?

Leidt doorschuiving tot een lagere aanslag, dan kunt u het verzoek doen tot de aanslag onherroepelijk vaststaat. Leidt het tot een hogere aanslag, dan moet het vóór het opleggen van de aanslag gebeuren. Op uw keuze kunt u daarna niet terugkomen, dus wacht er niet mee.

Kunt u de doorschuifregeling combineren met de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ja, en dat is ook gebruikelijk: de doorschuifregeling regelt de box 2-heffing en de bedrijfsopvolgingsregeling de schenk- of erfbelasting. Let erop dat de voorwaarden en de grondslagen verschillen. Zo geldt de marge van 5 procent beleggingsvermogen in 2026 alleen nog in box 2, en kent alleen de bedrijfsopvolgingsregeling een bezits- en voortzettingseis.

Wat gebeurt er als uw opvolger het bedrijf snel weer verkoopt?

Voor de doorschuifregeling is dat geen probleem: er is geen voortzettingseis, dus er volgt geen naheffing. Bij die verkoop rekent uw opvolger wel af over de doorgeschoven claim. Voor de bedrijfsopvolgingsregeling is het anders: verkoopt hij binnen drie jaar, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een bedrijfsoverdracht valt of staat bij de voorbereiding. Wij brengen voor u in kaart welk deel van de waarde van uw bv daadwerkelijk doorschuifbaar is, splitsen het ondernemings- en beleggingsvermogen en rekenen de doorschuifregeling en de bedrijfsopvolgingsregeling naast elkaar door, zodat u weet wat er onder de streep verschuldigd is en wanneer. Wij toetsen uw statuten op soortaandelen en preferente aandelen, onderbouwen het primaire dividend bij een gefaseerde overdracht, verzorgen het gezamenlijke verzoek bij de juiste inspecteur en bewaken de termijnen. Waar nodig vragen wij vooraf zekerheid bij de Belastingdienst.

Denkt u na over schenken, overdragen of uw nalatenschap, of wilt u weten wat er nu zou gebeuren bij een onverwacht overlijden? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u iets in gang zet. Neem contact op via www.taxcount.nl voor een eerste gesprek.

Dit artikel bevat algemene informatie over de doorschuifregeling in box 2 en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, ook binnen het jaar. De uitkomst hangt volledig af van uw persoonlijke situatie en van de feiten in uw onderneming. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscalist voordat u handelt.

Intracommunautaire levering: wanneer je 0 procent btw mag rekenen bij een klant in een ander EU-land

U verkoopt goederen aan een bedrijf in Duitsland, België of Polen en zet 0 procent btw op de factuur, omdat dat nu eenmaal gebruikelijk is bij export binnen Europa. Toch is dat nultarief geen vanzelfsprekendheid: bij een intracommunautaire levering mag u alleen 0 procent btw rekenen als u het btw-identificatienummer van uw klant heeft, dat nummer in uw opgaaf ICP zet en kunt bewijzen dat de goederen Nederland echt hebben verlaten. Ontbreekt één van die voorwaarden, dan is de levering gewoon met 21 procent Nederlandse btw belast en krijgt u die naheffing zelf voor uw kiezen. In dit artikel leest u wanneer het nultarief geldt, hoe de opgaaf ICP werkt, welke termijnen en bedragen in 2026 gelden en welke bijzondere situaties (eigen voorraad in het buitenland, ketenverkopen en driehoekstransacties) extra aandacht vragen. Ook krijgt u een checklist waarmee u uw eigen administratie kunt nalopen.

Wat is een intracommunautaire levering?

Binnen de Europese Unie zijn er geen douanecontroles meer. Toch wil elk land de btw heffen over goederen die op zijn grondgebied worden gebruikt. Daarom is de grensoverschrijdende verkoop tussen ondernemers in twee delen geknipt, zoals u in figuur 1 ziet. U als verkoper past het nultarief toe: u rekent 0 procent btw en houdt gewoon recht op aftrek van de btw op uw eigen inkopen. Uw klant geeft in zijn eigen land een intracommunautaire verwerving aan en betaalt daar de btw, die hij meestal in dezelfde aangifte weer aftrekt. Er wordt dus niets kwijtgescholden: de heffing verschuift alleen naar het land van aankomst.

    Figuur 1: de levering in twee helften. U past in Nederland het nultarief toe en meldt de klant in uw opgaaf ICP; uw klant geeft de verwerving in zijn eigen land aan. VIES legt beide meldingen naast elkaar.

Die constructie heet een intracommunautaire levering. Ze geldt alleen bij verkoop aan een zakelijke afnemer. Verkoopt u aan particulieren in andere EU-landen, dan gelden de regels voor afstandsverkopen en betaalt u btw in het land van uw klant. Ook gaat het uitsluitend om goederen die fysiek van Nederland naar een ander EU-land gaan. Blijven de goederen in Nederland, dan brengt u gewoon Nederlandse btw in rekening, ook als de koper een buitenlands bedrijf is.

Omdat er geen grens meer is waar iemand meekijkt, controleert de Belastingdienst dit met gegevens. U meldt uw EU-leveringen per klant in een aparte opgaaf: de opgaaf intracommunautaire prestaties, meestal afgekort tot opgaaf ICP. Alle EU-landen wisselen die gegevens uit via het Europese systeem VIES en leggen uw melding naast wat uw klant in zijn eigen land aangeeft. Klopt dat niet met elkaar, dan volgt er vrijwel altijd een vraag van de Belastingdienst.

Wanneer mag u het nultarief toepassen?

Sinds 1 januari 2020 zijn de regels aangescherpt. Het btw-nummer van uw klant en een juiste opgaaf ICP zijn geen formaliteiten meer, maar echte voorwaarden voor het nultarief. In de praktijk komt het neer op vier eisen die alle vier moeten kloppen. Figuur 2 laat zien hoe u die vier vragen na elkaar langsloopt en wat er gebeurt zodra u er één met nee beantwoordt.

Figuur 2: beslisboom bij de vraag of u 0 procent btw mag rekenen. Valt één van de vier voorwaarden weg, dan is de levering een gewone Nederlandse levering tegen 21 procent btw.

1. De goederen gaan echt naar een ander EU-land

De goederen moeten in verband met uw levering daadwerkelijk vanuit Nederland naar een ander EU-land worden vervoerd. Bij een rechtstreekse verkoop aan uw klant maakt het niet uit wie het transport regelt, u of uw klant. Voor het bewijs maakt dat wel verschil: haalt uw klant de goederen zelf op, dan heeft u een verklaring van hem nodig. Verkoopt u in een keten, dan bepaalt juist wél wie het vervoer regelt welke schakel het nultarief mag toepassen; zie de sectie over ketentransacties verderop. Let ook op bij een bewerking onderweg: gaan uw onderdelen eerst naar een lakbedrijf in Frankrijk en pas daarna naar uw Franse koper, dan kan de levering fiscaal in Frankrijk plaatsvinden en heeft u daar een btw-registratie nodig.

2. Uw klant heeft een geldig btw-identificatienummer

Uw klant moet ondernemer zijn (of een rechtspersoon die geen ondernemer is) met een geldig btw-identificatienummer in een ander EU-land dan Nederland, en hij moet dat nummer aan u hebben doorgegeven. Belangrijk detail: het nummer hoeft niet te zijn afgegeven door het land waar de goederen aankomen. Een geldig Belgisch nummer volstaat, ook als de goederen in Duitsland worden afgeleverd. De Hoge Raad besliste dat in 2021 voor de regels zoals die vóór 2020 golden; de huidige Europese eis wijst dezelfde kant op, want die spreekt van een nummer uit een ander land dan het land van vertrek. Controleer het nummer wel vóór de eerste levering in het Europese systeem VIES en bewaar een afdruk of bevestiging van die controle. Wilt u ook de naam en het adres bevestigd zien, dan vraagt u die verificatie aan bij de Belastingdienst; VIES zelf geeft vaak alleen aan of een nummer geldig is.

3. U meldt de levering in uw opgaaf ICP

U neemt uw klant, zijn btw-identificatienummer en het totaalbedrag van uw leveringen aan hem op in de opgaaf ICP over het juiste tijdvak. Vergeet u dat, dan voldoet u niet aan een van de voorwaarden voor het nultarief. Gelukkig is herstel mogelijk: een onjuist btw-nummer in de opgaaf mag u corrigeren, en als u uw tekortkoming naar behoren kunt verklaren, mag de Belastingdienst het nultarief alsnog toestaan. Dat is een mogelijkheid, geen recht.

4. U kunt alles aantonen uit uw boeken en bescheiden

Het nultarief moet blijken uit uw administratie. De bewijslast ligt bij u, niet bij de Belastingdienst. Het goede nieuws is dat het bewijs vormvrij is: er zijn geen speciale documenten voorgeschreven. Denk aan de vervoersopdracht, de vrachtbrief, het verzendbewijs, de betaling van het transport en de correspondentie met uw klant. De Europese regels kennen daarnaast een veilige route: legt u een bepaalde combinatie van vervoersdocumenten over, dan móét de Belastingdienst aannemen dat de goederen zijn vervoerd, tenzij er aanwijzingen van misbruik zijn.

Daar komt nog een ongeschreven eis bij. Ook als u formeel alles goed doet, kan het nultarief worden geweigerd als uit objectieve gegevens blijkt dat u wist of had moeten weten dat u onderdeel was van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. Tegelijk mag de Belastingdienst zijn controletaak niet bij u neerleggen: zonder concrete aanwijzingen van onregelmatigheden hoeft u niet na te gaan of uw klant zijn eigen btw-verplichtingen nakomt. Krijgt u wel signalen, zoals waarschuwingsbrieven, ongebruikelijke leveradressen of vreemde betaalconstructies, dan wordt navraag doen wél van u verwacht.

Rekenvoorbeeld: wat een ontbrekend btw-nummer u kost

U verkoopt machineonderdelen voor 60.000 euro aan een Duitse ondernemer. Een vervoerder brengt de onderdelen van Rotterdam naar Keulen. In figuur 3 staan de twee scenario’s naast elkaar.

  • Goed geregeld: u factureert 60.000 euro met 0 procent btw, u vermeldt het Duitse btw-identificatienummer op de factuur, u neemt de klant en het bedrag op in uw opgaaf ICP en u bewaart de vrachtbrief. Uw klant geeft de verwerving in Duitsland aan en trekt die btw daar meestal weer af. Hij hoeft dus geen 12.600 euro Nederlandse btw voor te schieten, en u loopt geen risico.
  • Niet goed geregeld: het btw-nummer blijkt ongeldig, de levering staat niet in uw opgaaf ICP of u kunt het vervoer niet aantonen. Dan geldt het nultarief niet en is dit een gewone Nederlandse levering tegen 21 procent. Dat komt neer op ongeveer 12.600 euro die de Belastingdienst bij u naheft, plus belastingrente en mogelijk een boete. Of de btw over of uit het factuurbedrag wordt berekend, kan per situatie verschillen. In beide gevallen heeft u dat bedrag nooit aan uw klant gefactureerd, dus u draagt het in eerste instantie zelf.

Figuur 3: wat een ontbrekend btw-nummer u kost bij een levering van 60.000 euro. Links de goed geregelde situatie, rechts de naheffing van ongeveer 12.600 euro.

Het pijnlijke is dat zo’n fout zich meestal herhaalt. Wie één klant verkeerd in de administratie heeft staan, doet dat vaak bij elke levering aan die klant, kwartaal na kwartaal, tot een boekenonderzoek het aan het licht brengt.

Hoe werkt de opgaaf ICP?

De opgaaf ICP is een aparte digitale opgaaf naast uw btw-aangifte. U vermeldt per afnemer het btw-identificatienummer en het totaalbedrag van uw leveringen in dat tijdvak. Ook diensten aan EU-ondernemers die in hun eigen land de btw aangeven horen in de opgaaf, net als leveringen in een driehoekstransactie, waarover verderop meer. Btw die binnen Nederland is verlegd hoort er juist niet in. Bij zo’n verlegging brengt u geen btw in rekening omdat uw Nederlandse afnemer die zelf aangeeft; dat is iets anders dan een EU-levering. Uw inkopen horen er evenmin in. Het totaal van uw goederenleveringen moet aansluiten op rubriek 3b van uw btw-aangifte, het vakje waarin u uw leveringen naar andere EU-landen invult. Figuur 4 vat de termijnen en drempels samen.

Figuur 4: termijnen en drempels van de opgaaf ICP. Per maand is de hoofdregel, per kwartaal mag onder 50.000 euro en per jaar alleen met een vergunning.

Per maand of per kwartaal?

De hoofdregel is een opgaaf per maand, in te dienen uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op het tijdvak. U mag per kwartaal opgaaf doen zolang uw intracommunautaire goederenleveringen niet meer dan 50.000 euro per kwartaal bedragen, zowel in het kwartaal zelf als in elk van de vier voorafgaande kwartalen. Gaat u daar in een kwartaal overheen, dan stapt u vanaf dat kwartaal over op een maandopgaaf. Hoe u dat overgangskwartaal indient, hangt af van de maand waarin u de grens passeert.

Wanneer u de grens van 50.000 euro passeert Hoe u over dat kwartaal opgaaf doet
In de 1e maand van het kwartaal Drie afzonderlijke opgaven, een per maand
In de 2e maand van het kwartaal Een opgaaf over de eerste twee maanden en een over de laatste maand
In de 3e maand van het kwartaal Nog een opgaaf over het hele kwartaal, daarna per maand

U mag weer terug naar een kwartaalopgaaf als u vier kwartalen achter elkaar onder het drempelbedrag bent gebleven.

Een keer per jaar opgaaf doen

Kleinere exporteurs kunnen toestemming vragen voor een jaaropgaaf. Daarvoor moet u aan alle voorwaarden voldoen: u doet een keer per jaar btw-aangifte, uw jaaromzet is niet hoger dan 200.000 euro exclusief btw, uw intracommunautaire leveringen van goederen en diensten samen blijven onder 15.000 euro exclusief btw, u levert geen nieuwe of bijna nieuwe vervoermiddelen naar andere EU-landen en er is geen aanwijzing of gevaar van betrokkenheid bij btw-fraude. U vraagt de vergunning schriftelijk aan bij uw belastingkantoor en krijgt daarop een beschikking, waartegen u bezwaar kunt maken. Doet u het verzoek vóór 1 mei en ontvangt de Belastingdienst het ook vóór die datum, dan geldt de jaaropgaaf voor het lopende kalenderjaar, dus met ingang van 1 januari. Is uw verzoek later binnen, dan mag u pas vanaf het volgende kalenderjaar jaaropgaaf doen.

Behoort u tot een fiscale eenheid voor de btw?

Let dan goed op welk nummer u gebruikt. Een fiscale eenheid werkt niet over de grens. Bij handel met andere EU-landen doet het afzonderlijke onderdeel zaken, niet de eenheid als geheel. Op uw factuur en in uw opgaaf ICP hoort daarom het btw-identificatienummer van dat onderdeel te staan, niet dat van de fiscale eenheid. Doet u dat toch, dan sluit uw melding niet aan op de aangifte van uw klant en volgt vrijwel zeker een informatieverzoek.

Wat als uw klant geen btw-nummer geeft?

Niet elke zakelijke afnemer in de EU verricht een belaste verwerving. Vrijgestelde ondernemers, zoals sommige zorginstellingen en onderwijsinstellingen, en rechtspersonen die geen ondernemer zijn, blijven buiten de verwervingsheffing zolang hun inkopen uit andere EU-landen in het lopende én het voorafgaande kalenderjaar niet boven 10.000 euro uitkomen. Nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen tellen daarbij niet mee. Voor u als leverancier betekent dat: zo’n afnemer wordt als particulier behandeld en het nultarief is niet aan de orde. U heeft dan te maken met een afstandsverkoop, met btw in het land van uw klant.

Er is wel een belangrijke uitzondering. Geeft zo’n afnemer u toch zijn btw-identificatienummer, dan wordt hij geacht te hebben gekozen voor belaste verwerving. Zijn verwerving is dan belast en het nultarief komt weer in beeld, ook bij kleine bedragen. Vandaar de praktische vuistregel: krijgt u een geldig, in VIES verifieerbaar btw-identificatienummer, dan kunt u het nultarief toepassen (mits u ook aan de andere voorwaarden voldoet). Krijgt u geen nummer, ga er dan niet zomaar van uit dat 0 procent mag.

Past u zelf de kleineondernemersregeling toe, dan geldt dit alles niet voor uw verkopen: u doet geen btw-aangifte en geen opgaaf ICP, en u rekent geen btw. Let wel op bij uw inkopen in andere EU-landen. Geeft u daarbij uw eigen btw-identificatienummer aan uw leverancier, dan kiest u daarmee voor btw-heffing over die inkoop in Nederland, terwijl u die btw als kleine ondernemer niet kunt aftrekken.

Bijzondere situaties: voorraad, ketens en driehoekstransacties

Uw eigen goederen naar een ander EU-land brengen

Brengt u goederen naar een ander EU-land zonder ze te verkopen, bijvoorbeeld eigen voorraad naar een opslagpunt of fulfilmentcentrum, dan ziet de btw dat toch als een levering. Zo’n overbrenging leidt in beginsel tot een btw-registratie in dat land. Er zijn acht uitzonderingen, onder meer voor goederen die u tijdelijk gebruikt, goederen die naar een bewerker gaan en gereedschap dat u meeneemt voor een klus. Valt zo’n uitzondering later weg, bijvoorbeeld omdat het gereedschap daar blijft, dan wordt de overbrenging op dat moment alsnog geconstateerd. Voor gereedschap en goederen naar een bewerker houdt u een register bij; dat register is vormvrij, als uw administratie het maar aantoont.

Voorraad op afroep

Legt u voorraad aan bij een vaste klant in een ander EU-land, dan kunt u een registratie daar voorkomen met de regeling voorraad op afroep. Bij het overbrengen gebeurt er dan nog niets; pas als uw klant de goederen afroept, verricht u een intracommunautaire levering. Voorwaarde is onder meer dat de afnemer vooraf bekend is en daar een btw-nummer heeft, dat u zelf daar niet bent gevestigd, dat u een register bijhoudt en dat u de afnemer in uw opgaaf ICP vermeldt. Belangrijk is de termijn: de levering moet binnen twaalf maanden na aankomst plaatsvinden. Gebeurt dat niet, of raken de goederen zoek, worden ze vernietigd of gaan ze door naar een ander land, dan wordt het alsnog een overbrenging en ontstaat de buitenlandse registratieplicht alsnog. Er is ook goed nieuws: komen de goederen binnen de twaalf maanden ongebruikt terug naar Nederland, of neemt een andere afnemer de plaats in van de klant voor wie u de voorraad had bestemd, dan blijft de regeling gewoon in stand. Leg die wijziging wel vast in uw register.

Ketentransacties: aan welke schakel hangt het vervoer?

Verkoopt A aan B en B aan C, terwijl de goederen rechtstreeks van A naar C gaan, dan is er één transport en twee leveringen. Slechts één van die twee is de intracommunautaire levering met het nultarief. De hoofdregel sinds 2020: het vervoer wordt toegerekend aan de levering áán de tussenhandelaar. Deelt de tussenhandelaar zijn leverancier echter een btw-nummer mee van het land waar het vervoer begint, dan verricht hij zelf de intracommunautaire levering. Die mededeling is vormvrij, wat betekent dat u haar zelf goed moet vastleggen. Figuur 5 laat de hoofdregel en de uitzondering naast elkaar zien.

Figuur 5: bij een ketentransactie gaan de goederen rechtstreeks van A naar C, maar hoort het vervoer bij één van de twee leveringen. Alleen die levering krijgt het nultarief.

Wie is die tussenhandelaar? Volgens de Belastingdienst is bepalend wie tijdens het transport het risico van verlies of beschadiging draagt, ook als een andere schakel de vervoerder boekt. De eerste leverancier en de laatste afnemer kunnen nooit tussenhandelaar zijn. Leg daarom in uw contracten en leveringsvoorwaarden (bijvoorbeeld met Incoterms) vast wie dat risico draagt. Regelt de eerste leverancier of de laatste afnemer het transport, dan geldt de hoofdregel niet en moet per geval naar de Europese rechtspraak worden gekeken.

De vereenvoudigde ABC-regeling

Bij een driehoekstransactie tussen drie ondernemers in drie EU-landen kan de tussenhandelaar een registratie in het land van aankomst voorkomen. Dat is de vereenvoudigde ABC-regeling. De prijs daarvoor is precisie. Op de factuur van de tussenhandelaar moeten het btw-identificatienummer van de laatste afnemer staan én de woorden “btw verlegd”. Die formulering luistert nauw: het Europese Hof van Justitie besliste dat een omschrijving als “van btw vrijgestelde intracommunautaire driehoekstransactie” niet volstaat en dat u dit achteraf niet meer kunt herstellen. Gaat het mis, dan blijft u zitten met een registratieplicht in het land van aankomst én met btw die u niet kunt aftrekken. Ook de vermelding in de opgaaf ICP hoort bij deze regeling, al oordeelde het Hof dat dat een formele eis is. Laat uw factuursjabloon hierop nakijken en laat de opzet vooraf toetsen. In figuur 6 ziet u een voorbeeldfactuur met de verplichte onderdelen.

Figuur 6: voorbeeldfactuur bij de vereenvoudigde ABC-regeling, met de vier verplichte onderdelen waaronder de letterlijke vermelding “btw verlegd”.

Let op bij uw eigen inkopen: het verkeerde btw-nummer kost geld

Koopt u goederen in een ander EU-land en blijven die daar liggen, bijvoorbeeld in een magazijn of bij een bewerker, geef dan niet zomaar uw Nederlandse btw-identificatienummer op. Doet u dat wel, dan bent u de btw twee keer verschuldigd: in het land waar de goederen aankomen én in Nederland. Die Nederlandse btw mag u niet in uw aangifte aftrekken. U kunt haar alleen terugvragen met een apart verzoek, en dan moet u zelf aantonen dat in het andere land al btw is betaald.

Wat gebeurt er als het misgaat?

Het grootste risico is dat het nultarief wordt geweigerd. De levering is dan een gewone Nederlandse levering en de Belastingdienst heft 21 procent na, vermeerderd met belastingrente. Of u dat bedrag nog op uw klant kunt verhalen, is een civiele kwestie tussen u beiden en verloopt zelden soepel.

Daarnaast kan een gebrekkige opgaaf ICP een boete opleveren. Niet, niet op tijd, onvolledig of onjuist indienen is een verzuim, waarvoor de Belastingdienst een verzuimboete kan opleggen. Over de precieze maximumhoogte bestaat discussie: de wet verwijst naar de derde boetecategorie, terwijl het boetebeleid van de Belastingdienst een lager bedrag noemt. In de praktijk gaat het zelden zo hard: de inspecteur stuurt eerst een mededeling met een hersteltermijn en moet bij de hoogte rekening houden met de omstandigheden van uw geval. De bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting ontstond.

Een derde risico is stiller maar komt vaker voor: een mismatch. Uw opgaaf ICP wordt in het andere land vergeleken met de aangifte van uw klant. Bij een verschil vraagt de Belastingdienst eerst uw klant om opheldering, daarna het andere land, en in de laatste fase moeten factuurnummers, data en bedragen worden aangeleverd. In de praktijk betekent dat vaak een boekenonderzoek bij u.

Tot slot is er het risico van een onbedoelde buitenlandse registratieplicht, bijvoorbeeld doordat de twaalfmaandentermijn voor voorraad op afroep verstrijkt of doordat u eigen goederen naar het buitenland brengt zonder dat een uitzondering geldt. Wat dat kost, bepaalt het andere land, en dat valt buiten de Nederlandse regels.

Wat verandert er de komende jaren?

Europa moderniseert de btw met het pakket btw in het digitale tijdperk. Voor de handel binnen de EU zijn drie punten van belang. Er komt een uitgebreidere verlegging van btw en een vereenvoudiging waarmee u met één btw-registratie in meer landen kunt handelen; het Nederlandse wetsvoorstel daarvoor ligt bij de Tweede Kamer. De huidige regeling voorraad op afroep verdwijnt daarbij: die blijft gelden voor overbrengingen tot uiterlijk 30 juni 2028. En vanaf 1 juli 2030 volgen verplichte e-facturering en digitale rapportage. Of en wanneer de opgaaf ICP door die digitale rapportage wordt vervangen, is nog niet uitgekristalliseerd. Voor 2026 verandert er nog niets, maar wie nu een structuur met buitenlandse voorraad opzet, houdt hier het beste al rekening mee.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Btw-nummer controleren. Vraag het btw-identificatienummer van elke EU-klant op en controleer het vóór de eerste levering in VIES. Wilt u ook de naam en het adres bevestigd zien, vraag die verificatie dan aan bij de Belastingdienst. Bewaar een afdruk of bevestiging in uw klantdossier.
  • Controle herhalen. Toets bij vaste klanten periodiek opnieuw, bijvoorbeeld elk kwartaal. Een nummer kan worden ingetrokken zonder dat uw klant dat meldt.
  • Factuur compleet maken. Zet uw eigen btw-identificatienummer, dat van uw klant, de volledige naam en adres van beide partijen en een verwijzing naar het nultarief op de factuur. Een vereenvoudigde factuur mag hier niet.
  • Op tijd factureren. Reik de factuur uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na de levering.
  • Vervoersbewijs verzamelen. Bewaar per levering meerdere bewijzen van het vervoer, bijvoorbeeld de vrachtbrief, de transportfactuur en het betaalbewijs. De Europese regeling voor het bewijsvermoeden stelt eisen aan de combinatie van documenten en aan de onafhankelijkheid van de partijen die ze afgeven; laat toetsen welke combinatie in uw situatie volstaat, zeker als uw klant het vervoer zelf regelt.
  • Opgaaf ICP indienen. Dien de opgaaf uiterlijk in op de laatste dag van de maand na het tijdvak en controleer of het totaal aansluit op rubriek 3b van uw btw-aangifte.
  • Drempel bewaken. Houd bij of u per kwartaal onder 50.000 euro aan intracommunautaire goederenleveringen blijft; daarboven moet u maandelijks opgaaf doen.
  • Juiste btw-nummer bij een fiscale eenheid. Gebruik het nummer van het onderdeel dat levert, niet dat van de fiscale eenheid.
  • Fouten herstellen. Corrigeer een onjuist nummer of een vergeten levering zo snel mogelijk in de opgaaf ICP en leg vast waarom het misging.
  • Transportrisico vastleggen. Leg bij ketenverkopen contractueel vast wie tijdens het transport het risico draagt; dat bepaalt wie de tussenhandelaar is.
  • Voorraad in het buitenland monitoren. Bewaak de termijn van twaalf maanden bij voorraad op afroep en houd het voorgeschreven register bij.
  • Zeven jaar bewaren. Bewaar facturen, vervoersbescheiden en VIES-controles zeven jaar; voor gegevens over onroerende zaken geldt tien jaar.
  • Vooraf toetsen bij wijzigingen. Laat een nieuwe opzet met dropshipping, ketenverkopen of buitenlandse opslag vooraf beoordelen op een buitenlandse registratieplicht.

Veelgestelde vragen

Moet ik altijd een opgaaf ICP doen?

U doet opgaaf ICP over elk tijdvak waarin u goederen of diensten aan ondernemers in andere EU-landen heeft geleverd. Waren er in een tijdvak geen intracommunautaire prestaties, dan hoeft u geen opgaaf te doen. Past u de kleineondernemersregeling toe, dan hoeft u geen opgaaf ICP te doen over uw eigen leveringen. Voor uw inkopen uit andere EU-landen gelden wel administratieve verplichtingen.

Wat als het btw-nummer van mijn klant achteraf ongeldig blijkt?

Als u het nummer vóór de levering in VIES heeft gecontroleerd en dat heeft vastgelegd, staat u sterk. Uit de rechtspraak volgt dat een intrekking met terugwerkende kracht ná uw levering niet zonder meer voor uw rekening komt, mits u zelf zorgvuldig heeft gehandeld en dat kunt aantonen. Had u wel concrete aanwijzingen dat er iets niet klopte en heeft u daar niets mee gedaan, dan ligt het anders.

Mag ik 0 procent btw rekenen als mijn klant de goederen zelf ophaalt?

Ja, bij een rechtstreekse verkoop kan dat. Maar u moet dan wel kunnen aantonen dat de goederen naar een ander EU-land zijn gegaan, en daarvoor heeft u een verklaring van uw klant nodig. Laat hem een afhaalverklaring tekenen en vraag achteraf om een kopie van de vrachtbrief of een ander vervoersbewijs.

Is de opgaaf ICP hetzelfde als mijn btw-aangifte?

Nee, het zijn twee aparte opgaven. In uw btw-aangifte vermeldt u het totaal van uw intracommunautaire leveringen in rubriek 3b. In de opgaaf ICP splitst u dat bedrag uit per klant, met vermelding van het btw-identificatienummer. De twee moeten op elkaar aansluiten.

Wat gebeurt er als ik een levering vergeet te melden?

Herstel de opgaaf dan zo snel mogelijk. Een ontbrekende of onjuiste opgaaf is een verzuim waarvoor een boete mogelijk is, maar in de praktijk krijgt u eerst een mededeling met een hersteltermijn. Het grotere risico is dat het nultarief voor die levering wordt geweigerd; door snel te corrigeren en uit te leggen wat er misging, beperkt u dat risico.

Ik lever aan een particulier in België. Geldt het nultarief ook?

Nee. Bij verkoop aan particulieren in andere EU-landen gaat het om afstandsverkopen. De btw is dan verschuldigd in het land van uw klant. Voor kleine volumes bestaat een uitzondering, en u kunt de buitenlandse btw in Nederland aangeven via één digitaal loket, zodat u zich niet in elk land apart hoeft te registreren. De regels voor verkoop aan particulieren zijn een verhaal apart; laat die situatie los van dit artikel beoordelen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Bij intracommunautaire leveringen zit het risico zelden in de grote lijn en bijna altijd in de uitvoering: een klant die nooit is gecontroleerd in VIES, een opgaaf ICP die niet aansluit op rubriek 3b, een voorraad in Duitsland waarvan niemand de twaalfmaandentermijn bewaakt of een driehoekstransactie waarbij de juiste tekst op de factuur ontbreekt. Wij lopen uw EU-handel met u door: van de klantdossiers en factuursjablonen tot de aansluiting tussen uw aangifte en uw opgaaf ICP. Ook beoordelen wij of een nieuwe opzet met buitenlandse opslag, dropshipping of ketenverkopen een registratieplicht in het buitenland oproept, en helpen wij bij het herstellen van eerdere fouten.

Wilt u weten of uw btw-administratie een controle doorstaat? Neem contact op met Taxcount voor een beoordeling van uw EU-leveringen en uw opgaaf ICP.

Dit artikel bevat algemene informatie over de btw bij leveringen aan ondernemers in andere EU-landen en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur voordat u handelt.

Zie ook:

Herziening btw onroerende zaken: zo volg je de btw-aftrek op je bedrijfspand tien jaar lang

U koopt een bedrijfspand, trekt de btw af en denkt dat het daarmee klaar is. Toch staat die aftrek dan nog niet vast. Bij de herziening btw onroerende zaken moet u de aftrek nog negen boekjaren na het jaar van ingebruikneming zelf volgen en zo nodig corrigeren. Verandert het gebruik van btw-belast naar btw-vrij, dan betaalt u per jaar een tiende deel van de btw terug. Gaat het de andere kant op, dan kunt u btw juist alsnog terugkrijgen. In dit artikel leest u hoe de regeling werkt, wat er per 1 januari 2026 is veranderd voor dure verbouwingen en wat u zelf moet vastleggen om verrassingen te voorkomen.

Wat is de herziening van btw bij onroerende zaken?

Btw die u zelf op inkopen betaalt, heet voorbelasting. Die mag u aftrekken voor zover u de inkoop gebruikt voor werk of leveringen waarover u btw rekent. Bij een pand loopt dat gebruik jaren door en het kan onderweg veranderen. Een verdieping die u eerst met btw verhuurde aan een adviesbureau, verhuurt u drie jaar later zonder btw aan een tandarts of aan een bewoner. Daarom mag de aftrek niet eenmalig worden vastgesteld: de wet laat u de aftrek jaren volgen en corrigeren. Dat corrigeren heet herziening.

De basis staat in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de uitwerking in de artikelen 11 tot en met 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Belangrijk om te weten: de regeling werkt twee kanten op. Gebruikt u een pand eerst vrijgesteld en daarna belast, dan kunt u btw terugkrijgen die u eerder niet mocht aftrekken. Het Europese Hof van Justitie bevestigde dat al in 2006 in de zaak Uudenkaupungin Kaupunki. Herziening is dus niet alleen een risico, maar ook een kans.

Welke drie meetmomenten gelden bij aanschaf en eerste gebruik?

Moment 1: de bestemming bij de aankoop

U trekt de btw af naar de bestemming die het pand heeft op het moment dat de btw u in rekening wordt gebracht. Koopt u een pand om het met btw te verhuren, dan trekt u de btw volledig af, ook als het pand nog leegstaat. Wel moet die bestemming reëel zijn en met objectieve gegevens te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verhuuropdracht of een intentieverklaring van een huurder.

Moment 2: het eerste feitelijke gebruik

Blijkt bij het daadwerkelijk in gebruik nemen dat u te veel of te weinig hebt afgetrokken, dan corrigeert u dat direct. Te veel afgetrokken btw wordt u op dat moment verschuldigd, te weinig afgetrokken btw kunt u op verzoek terugkrijgen. Let op wat gebruiken betekent: het gaat om feitelijk gebruiken. Een pand inrichten, klaarmaken of testen is nog geen gebruik, oordeelde de Hoge Raad in 2008.

Moment 3: het einde van het boekjaar van ingebruikneming

In de laatste btw-aangifte van het boekjaar waarin u het pand in gebruik nam, rekent u opnieuw, nu op basis van de cijfers over het hele boekjaar. Dat percentage is uw ijkpunt. Alle correcties in de negen jaren daarna worden met dit percentage vergeleken. Een fout op dit moment werkt dus tien jaar door.

Hoe lang loopt de herzieningstermijn en wanneer corrigeert u?

Een onroerende zaak wordt voor de btw apart bekeken en gaat niet mee in de verdeelsleutel die u voor uw overige inkopen gebruikt. De aftrek wordt herzien in elk van de negen boekjaren na het jaar van ingebruikneming, telkens voor een tiende deel van de voorbelasting. Samen met het jaar van ingebruikneming is dat een periode van tien boekjaren, zoals u in figuur 1 ziet. De correctie hoort steeds in de aangifte over het laatste tijdvak van dat boekjaar. Een tijdvak is de periode waarover u btw-aangifte doet, meestal een maand of een kwartaal. De correctie hoort dus niet in het tijdvak waarin het gebruik feitelijk verandert.

   Figuur 1: de tien boekjaren waarin u de btw op uw bedrijfspand volgt, met het ijkpunt in het jaar van ingebruikneming en de afrekening in een keer bij verkoop.

Kleine schommelingen blijven buiten schot. Wijkt de aftrek volgens de jaarcijfers niet meer dan 10% af van de btw die u eerder aftrok, dan hoeft u dat jaar niets te corrigeren. Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan gaat u van btw-belast naar btw-vrij of omgekeerd. Dan geldt bovendien een ondergrens: is het herzieningsbedrag in dat boekjaar minder dan 500 euro, dan blijft de herziening achterwege.

Met boekjaar wordt uw eigen boekjaar bedoeld, dus de periode waarover u uw jaarcijfers opmaakt. Loopt uw boekjaar niet gelijk met het kalenderjaar, dan volgt de herzieningskalender uw boekjaar. Dat bepaalde de Hoge Raad in 2010. Gaat het pand halverwege de termijn verloren door brand, sloop of diefstal, dan hoeft u niet te herzien: verlies en vernietiging vallen buiten de regeling.

Welk spoor voor uw investering geldt, leest u af in figuur 2. Een pand volgt u tien boekjaren, een dure verbouwing sinds 2026 vijf boekjaren en gewone diensten vallen buiten de meerjarige herziening. Verderop in dit artikel leest u meer over die nieuwe regeling voor verbouwingen.

Figuur 2: beslisboom die per investering laat zien welk herzieningsspoor geldt en wat er gebeurt bij verkoop binnen tien boekjaren.

Rekenvoorbeeld: een bedrijfspand van 800.000 euro

Een bv koopt in 2026 een bedrijfspand voor 800.000 euro plus 168.000 euro btw en gebruikt het dat jaar volledig voor btw-belaste verhuur. De aftrek is 168.000 euro. De herzieningsjaren zijn 2027 tot en met 2035. Per jaar gaat het om een tiende deel, dus 16.800 euro. In de tabel en in figuur 3 ziet u wat er in vier verschillende jaren gebeurt.

Boekjaar Belast gebruik Aftrek volgens jaarcijfers Afwijking Gevolg
2027 100% 168.000 euro 0% geen herziening
2028 60% 100.800 euro 40% 40% van 16.800 euro, dus 6.720 euro terugbetalen
2029 95% 159.600 euro 5% geen herziening, want binnen de 10%-marge
2030 pand vrijgesteld verkocht n.v.t. n.v.t. resterende zes jaren in een keer: 100.800 euro terugbetalen

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een pand van 800.000 euro, met per jaar het belaste gebruik, de afwijking van het ijkpunt en het gevolg voor de btw.

Het voorbeeld laat zien waar het geld zit. Een gebruikswijziging van 40% in een enkel jaar kost 6.720 euro, maar een vrijgestelde verkoop halverwege de termijn kost in een keer 100.800 euro. Juist dat laatste bedrag wordt in de praktijk vergeten, omdat de verkoop zelf vrijgesteld is en er dus geen btw op de factuur staat.

Wat gebeurt er als u het pand binnen tien jaar verkoopt?

Verkoopt u binnen de termijn, dan wordt de rest van de termijn in een keer afgerekend in het tijdvak van levering. Bij een vrijgestelde levering geldt het pand voor die resterende jaren als volledig vrijgesteld gebruikt, dus betaalt u de btw over die jaren terug. Bij een belaste levering geldt het pand als volledig belast gebruikt. Dan hoeft u niets terug te betalen en kunt u btw die u eerder niet mocht aftrekken zelfs deels alsnog terugkrijgen.

Verkoopt u binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming, dan is de levering verplicht met btw. Daarna is de verkoop in principe vrijgesteld en kunt u alleen samen met de koper kiezen (opteren) voor een belaste levering. Die keuze mag u niet alleen maken: de koper moet het pand voor minstens 90% gebruiken voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken. Die eis wordt getoetst over het boekjaar van levering en het boekjaar daarna. De optie sneuvelt ook als de koper het pand niet vóór het einde van dat tweede boekjaar in gebruik neemt.

Kiest u samen met de koper voor een belaste levering, dan betaalt niet u maar de koper die btw aan de fiscus. De heffing wordt naar hem verlegd. Op uw factuur zet u dan geen btw-bedrag, maar de vermelding dat de btw is verlegd. Bij de koper begint vervolgens een nieuwe herzieningsperiode van tien boekjaren.

Haalt de koper de 90%-norm niet, dan vervalt de optie met terugwerkende kracht. De Hoge Raad besliste in 2022 dat de herzieningsbtw dan bij de verkoper kan worden nageheven, ook als die er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de koper aan de eis zou voldoen. Leg contractuele waarborgen en verklaringen dus goed vast.

Een prettig detail bij een verkoop: de opbrengst van het pand telt niet mee in de verdeelsleutel van dat jaar. Een incidentele pandverkoop drukt uw gewone btw-aftrek dus niet. Dat staat los van de afrekening van de resterende herzieningstermijn, die wel gewoon plaatsvindt. Deze twee sporen worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald.

Nieuw in 2026: dure verbouwingen worden ook gevolgd

Tot en met 2025 gold de herziening alleen voor goederen en niet voor diensten. Een verbouwing van 200.000 euro viel er dus buiten. Sinds 1 januari 2026 kent de wet het begrip investeringsdienst. Dat is werk aan een pand waar u meerdere jaren iets aan heeft. Materialen en installaties die na montage vast met het pand verbonden raken, horen erbij. Is de vergoeding 30.000 euro of meer (volgens de toelichting exclusief btw), dan wordt die verbouwing apart gevolgd en herzien in de vier boekjaren na ingebruikneming, telkens voor een vijfde deel.

Denk aan een gevel- of dakrenovatie, isolatie, grond- of asbestsanering, het plaatsen van keukens of badkamers, het vervangen van installaties en buitenschilderwerk. Volgens de informatie van de Belastingdienst geldt de regeling voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Nam u een verbouwing eerder in gebruik, laat dan toetsen of die inderdaad buiten de nieuwe regeling blijft. Bestaat een project uit meerdere opdrachten of facturen, dan is nog niet uitgekristalliseerd hoe u de grens van 30.000 euro toepast.

Praktisch betekent dit dat u niet alleen uw panden, maar ook uw grote onderhouds- en verduurzamingsprojecten in een overzicht moet zetten. Een verhuurder die in 2026 voor 120.000 euro laat isoleren en het pand vanaf 2028 vrijgesteld verhuurt, betaalt in 2028, 2029 en 2030 elk jaar een vijfde deel van de afgetrokken btw terug, dus ongeveer 5.000 euro per jaar.

Figuur 4 zet de twee sporen naast elkaar: het pand zelf en de dure verbouwing. Het overzicht daaronder vult aan wat er voor roerende bedrijfsmiddelen en overige diensten geldt.

Figuur 4: het pand volgt u tien boekjaren met 1/10 per jaar, een investeringsdienst vanaf 30.000 euro vijf boekjaren met 1/5 per jaar.

Wat u aanschaft Hoe lang volgen Correctie per jaar
Onroerende zaak (pand, grond, erfpachtrecht) jaar van ingebruikneming plus 9 boekjaren 1/10 van de voorbelasting
Investeringsdienst vanaf 30.000 euro (nieuw in 2026) jaar van ingebruikneming plus 4 boekjaren 1/5 van de voorbelasting
Roerend bedrijfsmiddel waarop u afschrijft jaar van ingebruikneming plus 4 boekjaren 1/5 van de voorbelasting
Overige diensten en niet-afschrijfbare zaken alleen correctie bij eerste gebruik geen meerjarige herziening

Wanneer begint de termijn van tien jaar opnieuw?

Wordt een pand zo ingrijpend verbouwd dat er voor de btw een nieuw gebouw ontstaat, dan geldt de ingebruikneming na die verbouwing als eerste ingebruikneming. Er begint dan een nieuwe termijn van tien boekjaren. Dat gebeurt niet snel. De Hoge Raad besliste in november 2022 dat alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie tot een nieuw gebouw kunnen leiden. Een verbouwing van miljoenen die de constructie ongemoeid laat, levert naar Nederlands recht in beginsel geen nieuw gebouw op. Een andere functie, een nieuwe uitstraling of een hoge investering zijn hoogstens aanwijzingen.

Voor u als eigenaar is dat onderscheid belangrijk. Is er geen nieuw gebouw ontstaan, dan loopt de oude termijn van het pand gewoon door en volgt de verbouwing hoogstens als investeringsdienst nog vier jaar mee. Ontstaat er wel een nieuw gebouw, dan start de volledige tienjaarstermijn opnieuw en kan een latere verkoop of gebruikswijziging veel duurder uitpakken. Bij grote projecten is het verstandig dit vooraf te laten beoordelen, ook omdat het Europese Hof van Justitie ruimer naar verbouwingen lijkt te kijken dan de Hoge Raad.

In welke situaties gaat het in de praktijk mis?

Leegstand

Leegstand is voor de btw geen belast en geen vrijgesteld gebruik. Leegstand leidt daarom op zichzelf niet tot herziening, maar de termijn loopt wel door. Staat een pand leeg dat u eerder met btw verhuurde en is het daarvoor nog steeds geschikt, dan gaat de rechter ervan uit dat u die belaste verhuur nog wilt. De btw op kosten om het pand in stand te houden blijft dan in beginsel aftrekbaar en de inspecteur moet het tegendeel aannemelijk maken. Voor kosten van een verbouwing geldt dit niet. Verkoopt u een nooit gebruikt pand vrijgesteld, dan wordt in een keer herzien.

Gefaseerde ingebruikneming en zelfstandige delen

Bestaat een gebouw uit delen die u los kunt gebruiken of verhuren, zoals units, verdiepingen of appartementen, dan beoordeelt u de ingebruikneming en de herziening per zelfstandig deel. Er loopt dan per deel een eigen termijn. Is het gebouw niet te splitsen, dan begint de termijn voor het geheel zodra het eerste deel in gebruik wordt genomen.

Privégebruik van een deel van het pand

Gebruikt u een deel van het pand privé of voor andere dan bedrijfsdoeleinden, dan is de btw alleen aftrekbaar voor het zakelijke deel. De verdeling berekent u op basis van werkelijk gebruik, bijvoorbeeld naar vierkante meters of gebruiksuren. Een verdeling op basis van omzet is hier niet de hoofdregel. Leg die onderbouwing vast, want u moet de verhouding jaarlijks kunnen toetsen.

In of uit de kleineondernemersregeling

Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan wisselt u van de belaste naar de vrijgestelde sfeer of omgekeerd. Dat roept herziening op over de resterende jaren van uw pand. Alleen als het bedrag in dat boekjaar onder 500 euro blijft, hoeft u niets te doen. Wie een pand met btw heeft gekocht, doet er dus goed aan de kleineondernemersregeling niet zonder rekenwerk aan te vragen.

Zonnepanelen op een verhuurd pand

Verhuurt u een woning met zonnepanelen erop, dan geldt de verhuur van die panelen meestal als onderdeel van de vrijgestelde woningverhuur. Daardoor kunt u onverwacht met herziening te maken krijgen op de btw die u bij de aanschaf aftrok. Voor aftrek uit de jaren vóór 2023 mag u de verhuur van de panelen tot het einde van de herzieningstermijn nog als losse belaste prestatie blijven zien.

Bedrijfsoverdracht

Draagt u uw onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over, en geldt dat voor de btw als de overgang van een onderneming, dan treedt de overnemer in uw plaats, ook voor de lopende herzieningstermijn. Draag de herzieningsgegevens dan ook echt over: aanschafbtw, jaar van eerste gebruik, vastgesteld aftrekpercentage en het gebruik per jaar. Verkoopt u los een pand, dan neemt de koper de termijn niet over en rekent u zelf in een keer af. Draagt u midden in het jaar over, dan is de herzieningsbtw pas aan het einde van het boekjaar verschuldigd en niet naar rato. Btw-schulden van voor de overgang blijven bij de overdrager, en een afspraak met de Belastingdienst gaat niet automatisch mee over op de koper.

Belaste verhuur: bewaak het 90%-criterium per boekjaar

Verhuurt u met btw op basis van een gezamenlijke keuze met uw huurder, dan hangt uw aftrek aan die keuze. De eis is dat de huurder het pand voor minstens 90% gebruikt voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken. Dat wordt per boekjaar getoetst, voor het eerst over het boekjaar waarin de huurder met toepassing van het keuzerecht is gaan huren. Voldoet de huurder in een boekjaar niet aan de eis, dan moet hij u dat binnen vier weken na afloop van dat boekjaar schriftelijk melden en een afschrift naar de inspecteur sturen. Spreek in het huurcontract daarnaast af dat hij u elk jaar actief informeert, ook als hij de norm wel haalt: u heeft dat signaal nodig voor uw eigen aangifte.

Blijft de huurder in een boekjaar onder de 90%, dan kan de belaste verhuur dat jaar in stand blijven, tenzij hij dit redelijkerwijs kon voorzien. Blijft hij ook het volgende boekjaar onder de norm, dan geldt vanaf dat laatste boekjaar de vrijstelling. U wordt dan over de resterende jaren een deel van de eerder afgetrokken btw verschuldigd, en uw huurder moet zijn aftrek op de huur corrigeren. Ook een huurderswissel, gebruik als woning of het samenvoegen van huurder en verhuurder tot één btw-ondernemer (een fiscale eenheid) kan de belaste verhuur beëindigen.

Wat legt u vast en hoe lang bewaart u het?

De kern van de regeling is administratie. Houd per onroerende zaak, en sinds 2026 ook per investeringsdienst van 30.000 euro of meer, een herzieningsdossier bij. Daarin legt u vier gegevens vast:

  • De betaalde btw op de aankoop, de bouw of de dienst.
  • Het boekjaar waarin u het pand of de dienst voor het eerst feitelijk in gebruik nam.
  • Het aftrekpercentage dat u aan het einde van dat boekjaar hebt vastgesteld, met de berekening erbij.
  • Het gebruik per boekjaar, uitgesplitst naar btw-belast en btw-vrij gebruik.

Uw administratie moet zo zijn ingericht dat de verschuldigde btw en de aftrek per tijdvak zijn vast te stellen en dat een controle binnen redelijke tijd mogelijk is. De algemene bewaartermijn is zeven jaar. Voor gegevens over onroerende zaken en rechten daarop gaat de Belastingdienst uit van tien jaar, wat aansluit bij de lengte van de herzieningstermijn. Bewaar dus de koopakte, de bouw- en verbouwingsfacturen, de huurovereenkomsten, de 90%-verklaringen en uw herzieningsberekeningen. Digitaliseren mag, zolang de gegevens volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven.

Wat kost het als u de herziening vergeet?

Voldoet u een verschuldigd herzieningsbedrag niet op aangifte, dan legt de inspecteur een naheffingsaanslag op. Daarbij komt belastingrente, die voor de btw in 2026 5% bedraagt. Betaalt u niet, niet volledig of te laat, dan kan een verzuimboete volgen: een boete waarvoor geen opzet nodig is. Is het niet betalen te wijten aan opzet of grove schuld, dan kan een vergrijpboete van maximaal 100% van de niet betaalde belasting worden opgelegd. Bij herzieningsbedragen van tienduizenden euro’s per jaar is dat een serieus risico.

De inspecteur kan tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de schuld is ontstaan naheffen. Omdat de schuld per boekjaar ontstaat, loopt er per herzieningsjaar een eigen termijn. Is uw vastgoedadministratie gebrekkig, dan kan de inspecteur een informatiebeschikking nemen: een formeel besluit waarin hij vaststelt dat uw administratie niet aan de eisen voldoet. Blijft die beschikking in stand, dan verschuift de bewijslast en moet u overtuigend aantonen dat de aanslag onjuist is.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Inventariseer uw vastgoed. Zet alle panden, gronden en rechten op een rij die u de afgelopen tien jaar hebt gekocht, gebouwd of verkregen en waarbij btw in rekening is gebracht.
  • Leg het jaar van eerste gebruik vast. Noteer per pand het boekjaar waarin u het feitelijk in gebruik nam en reken vanaf daar negen herzieningsjaren af.
  • Bepaal uw ijkpunt. Stel in de laatste aangifte van het jaar van ingebruikneming het aftrekpercentage vast op basis van de jaarcijfers en bewaar de berekening.
  • Toets elk boekjaar het gebruik. Vergelijk de verhouding belast en vrijgesteld gebruik met het ijkpunt en corrigeer als de afwijking groter is dan 10%.
  • Corrigeer in het juiste tijdvak. Zet de herziening in de aangifte over het laatste tijdvak van uw boekjaar, niet in het tijdvak waarin het gebruik veranderde.
  • Zet uw verbouwingen erbij. Neem vanaf 2026 elke dienst aan een pand van 30.000 euro of meer op in uw overzicht en volg die vier jaar na ingebruikneming.
  • Reken vóór een verkoop. Laat vóór levering doorrekenen of een belaste levering met verlegging voordeliger is dan een vrijgestelde verkoop.
  • Bewaak de 90%-verklaringen. Bij verhuur toetst u elk boekjaar en laat u de huurder binnen vier weken na het boekjaar melden als hij de norm niet haalt; bij een verkoop met btw legt u de verklaring vast in de akte en vraagt u de koper na het boekjaar van levering en het jaar daarna om zijn bevestiging.
  • Bewaar tien jaar. Houd het vastgoeddossier tien jaar beschikbaar in plaats van de gebruikelijke zeven jaar.
  • Draag gegevens over bij overname. Neem bij koop of verkoop van een onderneming het herzieningsdossier op in de overdracht.

Veelgestelde vragen

Hoelang moet ik de btw op een bedrijfspand volgen?

Het jaar waarin u het pand in gebruik neemt plus de negen boekjaren daarna, dus tien boekjaren in totaal. In elk van die negen jaren kan een tiende deel van de btw worden gecorrigeerd. Voor investeringsdiensten van 30.000 euro of meer geldt sinds 2026 een kortere periode van vijf boekjaren.

Wanneer hoef ik niets te corrigeren?

Als de aftrek volgens uw jaarcijfers niet meer dan 10% afwijkt van de btw die u eerder aftrok. Stapt u in of uit de kleineondernemersregeling, dan gaat u van btw-belast naar btw-vrij of omgekeerd; dan geldt daarnaast een ondergrens van 500 euro per boekjaar. U moet de toets wel elk jaar uitvoeren en kunnen onderbouwen.

In welke btw-aangifte hoort de correctie?

In de aangifte over het laatste tijdvak van uw boekjaar. Wijzigt het gebruik in maart, dan verwerkt u dat dus niet in het eerste kwartaal, maar in het laatste tijdvak van dat boekjaar. Een correctie in een ander tijdvak maakt uw aangifte onjuist.

Kan de herziening ook geld opleveren?

Ja. Gaat een pand van vrijgesteld naar belast gebruik, bijvoorbeeld van woningverhuur naar belaste bedrijfsverhuur of doordat u uit de kleineondernemersregeling stapt, dan krijgt u per jaar een tiende deel van de btw alsnog terug. Bij een pand van een miljoen euro is elk herzieningsjaar ongeveer 21.000 euro waard.

Geldt de nieuwe regeling voor investeringsdiensten ook voor mijn verbouwing uit 2025?

Volgens de informatie van de Belastingdienst niet: de regeling geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Nam u de verbouwing eerder in gebruik, laat dan toetsen of die buiten de vijfjaarsherziening blijft. De btw op het pand zelf blijft wel gewoon binnen de tienjaarstermijn vallen.

Wat gebeurt er als ik het pand binnen tien jaar verkoop?

Dan rekent u de resterende jaren in een keer af in het tijdvak van levering. Verkoopt u vrijgesteld, dan betaalt u de btw over die jaren terug. Verkoopt u met btw via de optie belaste levering, dan geldt het pand als volledig belast gebruikt en betaalt de koper de verlegde btw aan de fiscus.

Hoe Taxcount u kan helpen

De herziening van btw op vastgoed staat of valt met een systeem dat tien jaar meegaat, en bij gemengd gebruik ook met een goed onderbouwde berekening. Taxcount zet dat voor u op: wij inventariseren uw panden en investeringsdiensten, bepalen per object het jaar van eerste gebruik en het aftrekpercentage, en leggen een herzieningsdossier aan dat u jaarlijks kunt bijwerken. Ook toetsen wij uw huurcontracten en leveringsakten op de 90%-eisen en de verklaringen die daarbij horen.

Wilt u met btw gaan verhuren, of moet een bestaande afspraak opnieuw worden vastgelegd? Gebruik dan onze verzoekbrief: Verzoek btw-belaste verhuur. U vult in wat u weet, verhuurder en huurder ondertekenen, en wij controleren de gegevens en dienen het verzoek in bij de Belastingdienst. Weet u de kadastrale gegevens of het boekjaar van uw huurder niet, laat die velden dan leeg: wij zoeken het voor u uit.

Staat er een verkoop, verbouwing of huurderswissel op de planning, dan rekenen wij vooraf door wat de fiscale gevolgen zijn en welk moment het gunstigst is. Denkt u dat er in de afgelopen jaren een correctie is gemist, dan brengen wij in kaart wat nog te herstellen is en wat buiten de naheffingstermijn valt. Wilt u weten of uw vastgoed btw-technisch op orde is? Leg uw situatie aan ons voor, dan bekijken wij het met u.

Dit artikel bevat algemene informatie op basis van de regels en bedragen die golden op het moment van schrijven (2026) en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en termijnen kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een beslissing neemt.

Belaste verhuur en btw: zo kies je voor btw op de huur en hou je je aftrek overeind

U verhuurt een bedrijfspand, een unit of een werkkamer en u heeft daar net flink in geïnvesteerd. De btw op die verbouwing loopt snel op tot tienduizenden euro’s. Of u die btw mag aftrekken, hangt af van één keuze in uw huurovereenkomst: kiest u samen met uw huurder voor belaste verhuur, dus voor btw op de huur? Verhuur is namelijk in principe vrijgesteld van btw, en zonder btw op de huur is de btw op uw pand een kostenpost. In dit artikel leest u wanneer u mag kiezen voor btw op de huur, welke eisen de Belastingdienst in 2026 stelt aan het 90%-criterium en aan uw contract, wat er gebeurt als uw huurder die norm niet haalt, en wat u praktisch moet vastleggen om uw aftrek te behouden.

Wat betekent belaste verhuur precies?

De wet bepaalt dat het verhuren en verpachten van onroerende zaken is vrijgesteld van btw (artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968). Vrijgesteld klinkt gunstig, maar dat is het meestal niet. Vrijgesteld betekent: geen btw op de huurfactuur, en dus ook geen recht op aftrek van de btw die u zelf betaalde bij de aankoop, de nieuwbouw, de verbouwing, de verduurzaming en het onderhoud van het pand.

Op die vrijstelling bestaan vijf uitzonderingen. Bij vier daarvan is de verhuur automatisch met btw belast. De vijfde is de optie belaste verhuur: verhuurder en huurder kiezen samen voor btw op de huur. Die keuze wordt in de praktijk “opteren” genoemd. Doel is het voorkomen van btw die in de keten blijft hangen. Gebruikt uw huurder het pand voor btw-belaste activiteiten, dan is de btw op de huur voor hem geen last, terwijl u als verhuurder de btw op het pand terugkrijgt.

Voor de verhuur van woningen bestaat die keuzemogelijkheid niet. Woningverhuur voor langere tijd blijft vrijgesteld, zonder aftrek.

Wanneer is verhuur al met btw belast zonder dat u hoeft te kiezen?

Bij vier vormen van verhuur regelt de wet de btw-heffing zelf. Opteren is daar dus niet nodig. Het gaat om de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines, om verhuur binnen een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf aan mensen die er kort verblijven, om parkeerruimte voor voertuigen en lig- en bergplaatsen voor vaartuigen, en om safeloketten. Verhuurt u een van deze zaken, controleer dan vooral of u de btw ook daadwerkelijk factureert.

Daarnaast is er een goedkeuring voor congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte. Verhuurt u zo’n ruimte per huurder feitelijk voor maximaal één maand, gebruikt de huurder de ruimte uitsluitend daarvoor, en maakt u kenbaar dat u btw in rekening brengt, dan is de verhuur belast zonder dat u hoeft te opteren.

Short stay: de belangrijkste wijziging voor 2026

Verhuurt u gemeubileerde woonruimte voor korte periodes, dan valt die verhuur van rechtswege buiten de vrijstelling. U berekent dus btw en u heeft volledig recht op aftrek. Per 1 januari 2026 gaat die verhuur wel naar het algemene tarief van 21 procent, omdat het verlaagde tarief voor het verstrekken van logies per die datum is vervallen. Kortdurende verhuur van afgebakende percelen op kampeerterreinen en in caravanparken blijft wel onder het verlaagde tarief van 9 procent vallen.

Wanneer is sprake van kort verblijf? In het beleidsbesluit gaat de staatssecretaris er in ieder geval van uit dat daarvan sprake is als de huurtermijn contractueel maximaal zes maanden is én het feitelijke verblijf ook maximaal zes maanden duurt. Bij langere periodes moet u als verhuurder aannemelijk maken dat het toch om kort verblijf gaat. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 1 juli 2025 dat de verhuur van 24 gemeubileerde appartementen voor drie of vijf maanden inderdaad onder deze uitzondering valt. Het ging in die zaak om teruggaafverzoeken van 127.472 euro en 287.523 euro. Het is een uitspraak van een gerechtshof, dus cassatie is niet uitgesloten. Beslissend is de aard van de prestatie: verblijfsruimten die zijn toegerust voor kort verblijf, zonder dat de tijdelijke bewoner de zorg voor de inventaris draagt. Dat huurders zich inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) of permanente bewoning zoeken, doet daar niet aan af.

Wanneer mag u kiezen voor btw op de huur?

De optie belaste verhuur kent drie inhoudelijke voorwaarden. Aan alle drie moet zijn voldaan, en aan de eerste ook nog elk jaar opnieuw. Figuur 1 laat de hele route zien, inclusief de vraag of uw verhuur misschien al van rechtswege belast is.

     Figuur 1: de route naar btw op de huur in vier vragen. Bij elke vraag ziet u wat het antwoord betekent: van rechtswege belast, vrijgesteld, of opteren mogelijk.

Uw huurder haalt de 90%-eis

Uw huurder moet het pand volledig of nagenoeg volledig gebruiken voor activiteiten waarvoor hij zelf btw mag aftrekken. “Nagenoeg volledig” betekent 90 procent of meer. Een kledingzaak, een groothandel of een adviesbureau haalt die norm doorgaans wel. Een huisarts, een verzekeringstussenpersoon, een school of een bank juist niet, omdat hun omzet grotendeels is vrijgesteld. Fictieve prestaties, zoals privégebruik, tellen niet mee als aftrekgerechtigd gebruik. In figuur 2 ziet u waar de grenzen liggen.

Voor zes aangewezen branches volstaat 70 procent: werkgeversbelangenorganisaties, reisbureaus (inclusief verzekeringsbemiddeling), makelaardij in onroerende zaken, juridisch zelfstandige arbodiensten, postvervoersbedrijven en openbare radio- en televisieorganisaties. Andere branches kunnen alleen worden toegevoegd op verzoek aan het ministerie.

Figuur 2: de drie zones van aftrekgerechtigd gebruik. Onder 70 procent is opteren niet mogelijk, tussen 70 en 90 procent alleen voor zes aangewezen branches, en vanaf 90 procent kunt u samen met uw huurder kiezen.

De toets vindt plaats bij de start én daarna elk boekjaar van de huurder. Let op dat woord: het gaat om het boekjaar van de huurder, niet om uw eigen boekjaar. Haalt uw huurder de norm door onvoorziene omstandigheden één jaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie, ook als die onderschrijding in het tweede jaar evenmin te voorzien was. Die uitzondering geldt bovendien niet voor het eerste boekjaar.

Het pand wordt niet als woning gebruikt

Opteren kan niet voor een gebouw of een gedeelte daarvan dat als woning wordt gebruikt. De wet omschrijft niet wat een woning is, dus dit is een feitelijke vraag en de bewijslast ligt bij u. Een appartement dat uitsluitend als kantoor en voor representatieve doeleinden wordt gebruikt, is geen woning; opteren mag dan. Slaagt u niet in het bewijs dat het pand niet tevens als woning diende, dan wordt uw aftrek geweigerd. Hof Arnhem-Leeuwarden liet dat op 2 september 2025 nog zien.

U past de kleineondernemersregeling niet toe

Een verhuurder die de kleineondernemersregeling (KOR) toepast, kan niet opteren. De achtergrond is logisch: met de KOR laat u zich juist ontheffen van de btw-verplichtingen waar opteren u aan onderwerpt. Wilt u met btw verhuren, dan moet u zich dus niet aanmelden voor de KOR, of zich juist afmelden. Let op: na afmelding kunt u de KOR pas na het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw kiezen. De Hoge Raad oordeelde in 1997 dat de minister deze uitsluiting mocht regelen; inmiddels staat zij in de wet zelf. Ook uw huurder haalt de 90%-eis nooit als hij de KOR toepast, want een KOR-ondernemer heeft geen recht op aftrek en mag op zijn facturen geen btw vermelden.

Hoe legt u de keuze vast? De formele eisen zijn hard

De keuze voor belaste verhuur legt u vast in de schriftelijke huurovereenkomst, of u dient samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur. Een digitale overeenkomst is gelijkgesteld met een schriftelijke. Dient u een verzoek in, dan beslist de inspecteur bij een beslissing waartegen u bezwaar kunt maken.

In de huurovereenkomst of het verzoek moeten vier gegevens staan: dat de verhuur met btw plaatsvindt, een omschrijving van het pand met zowel de plaatselijke als de kadastrale aanduiding, de datum waarop het boekjaar van de huurder begint, en een door de huurder ondertekende verklaring dat hij aan de 90%-eis voldoet. Ontbreekt één van die gegevens, dan is in beginsel niet rechtsgeldig geopteerd en is de verhuur vrijgesteld. Dat is geen theoretisch risico: in een zaak die eindigde bij de Hoge Raad op 1 juni 2018 ontbraken de kadastrale aanduiding, de begindatum van het boekjaar en de ondertekende verklaring. De naheffing bedroeg 339.250 euro, met daarnaast een vergrijpboete van 84.812 euro. Figuur 3 zet de vier gegevens naast elkaar.

Figuur 3: de vier gegevens die in de huurovereenkomst horen, met daaronder het gevolg als er één ontbreekt en de reparatiemogelijkheid die dan nog bestaat.

Er is wel een reparatiemogelijkheid. Heeft u gehandeld alsof rechtsgeldig was geopteerd, dus btw berekend en gefactureerd, en is over de hele periode aan de 90%-norm (of 70%-norm) voldaan, dan mag de keuze terugwerken tot de in het verzoek genoemde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Heeft u niet zo gehandeld, dan is maximaal drie maanden terugwerkende kracht mogelijk.

U kunt per onroerende zaak kiezen, maar ook per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte. Dat mag zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte, zoals een werkkamer in een pand dat verder als woning wordt gebruikt, mits die verhuur een echte economische activiteit is en niet alleen op papier bestaat. Is het pand gesplitst in appartementsrechten, dan moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Wat levert de keuze op? Een rekenvoorbeeld

Stel dat u als bv een winkelpand verbouwt voor 200.000 euro exclusief btw. De aannemer factureert daarover 42.000 euro btw (21 procent). U verhuurt het pand voor 30.000 euro huur per jaar aan een kledingzaak met uitsluitend btw-belaste omzet. Figuur 4 zet de twee uitkomsten naast elkaar.

Verhuurt u vrijgesteld, dan is die 42.000 euro definitief verloren; u kunt dat bedrag alleen nog verwerken in een hogere huurprijs. Kiest u samen met de kledingzaak voor belaste verhuur, dan trekt u de 42.000 euro af. Over de huur berekent u vervolgens 6.300 euro btw per jaar, en die trekt uw huurder volledig af. De btw kost geen van beide partijen iets, terwijl u 42.000 euro terugkrijgt. Precies daarom is dit een van de meest waardevolle keuzes in vastgoed, en precies daarom is een fout in de vastlegging zo duur.

Figuur 4: vrijgesteld verhuren tegenover opteren, met de bedragen uit dit rekenvoorbeeld. Links blijft 42.000 euro btw als kostenpost hangen, rechts krijgt u die volledig terug.

De kerncijfers en termijnen voor 2026 op een rij

Waar het om gaat Norm of termijn in 2026
Gebruik door de huurder 90 procent of meer aftrekgerechtigd gebruik
Verlaagde norm aangewezen branches 70 procent
Ingebruikneming door de huurder vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon
Melding als de norm niet is gehaald de huurder meldt dit binnen 4 weken na afloop van zijn boekjaar aan u, met afschrift aan de inspecteur
Onvoorziene onderschrijding 1 boekjaar toegestaan, 2 opeenvolgende jaren niet
Herzieningstermijn op het pand 9 boekjaren na het jaar van eerste gebruik, 1/10 per jaar
Terugwerkende kracht bij formeel gebrek tot de verzochte datum bij herstel, anders maximaal 3 maanden
Congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte belast zonder opteren feitelijke huurduur maximaal 1 maand per huurder
Btw-tarief short stay per 1-1-2026 21 procent (kortdurende verhuur van kampeerplaatsen blijft onder het verlaagde tarief van 9 procent)
Omzetgrens kleineondernemersregeling 20.000 euro jaaromzet in Nederland
Herziening blijft achterwege bij een afwijking van 10 procent of minder, en bij in- of uitstappen in de KOR in ieder geval onder 500 euro

 

Figuur 5: de toetsmomenten op een rij, van de ondertekening van de huurovereenkomst tot het einde van de herzieningstermijn van tien jaar.

Hoe lang loopt de keuze en wanneer eindigt hij?

De keuze voor belaste verhuur is onherroepelijk. U kunt er niet op terugkomen, ook niet door met dezelfde huurder een nieuwe huurovereenkomst te sluiten. Dat is bewust zo geregeld, om te voorkomen dat partijen met de herzieningsregeling gaan schuiven. Pakt de keuze later ongunstig uit, dan zit u er dus aan vast.

De optie eindigt alleen van rechtswege. Dat gebeurt bij het einde van de verhuur, bij een wisseling van huurder, wanneer het pand door een verbouwing een nieuw vervaardigd goed wordt, wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen, wanneer huurder en verhuurder tot één fiscale eenheid gaan behoren, en wanneer de huurder de 90%-norm niet langer haalt, behalve bij een onvoorziene onderschrijding in één boekjaar. Bij een wisseling van huurder wordt in de vakliteratuur aangenomen dat u met de nieuwe huurder opnieuw moet opteren; laat dat bij elke huurderswissel controleren.

Verkoopt u het pand, dan loopt de optie volgens de staatssecretaris door bij de nieuwe verhuurder. In de literatuur wordt daar buiten de gevallen van een overdracht van een onderneming aan getwijfeld, omdat de wet uitgaat van een keuze van deze verhuurder met deze huurder. Draagt u niet één pand over maar een hele verhuurexploitatie, bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere onroerende zaken, dan kan de overdracht van een onderneming (artikel 37d Wet OB 1968) van toepassing zijn. Laat dat bij een verkoop altijd apart beoordelen, ook vanwege de gevolgen voor de overdrachtsbelasting.

Wat gebeurt er als de 90%-eis niet wordt gehaald?

Vervalt de optie, of blijkt dat nooit rechtsgeldig is geopteerd, dan is de verhuur vanaf de aanvang vrijgesteld. Dat werkt twee kanten op. U betaalt via de herzieningsregels de eerder afgetrokken btw op het pand alsnog (deels) terug, verspreid over de resterende jaren van de tienjaarstermijn. Herziening betekent dat u eerder afgetrokken btw achteraf deels terugbetaalt als het gebruik van het pand verandert; bij panden loopt dat negen boekjaren na het jaar van eerste gebruik door, met een tiende deel per jaar. En uw huurder moet de btw die hij op de huurtermijnen heeft afgetrokken corrigeren, voor zover hem ten onrechte met btw is verhuurd. Figuur 6 volgt beide sporen tot en met de naheffing.

Wie draagt uiteindelijk de rekening? Bij de vergelijkbare optie belaste levering heeft de Hoge Raad op 25 februari 2022 beslist dat de herzienings-btw bij de leverancier kan worden nageheven, ook als die redelijkerwijs mocht aannemen dat zijn afnemer de 90%-eis zou halen. Op Europees niveau geldt dat herzienings-btw wordt nageheven bij degene die die btw heeft afgetrokken. Bij belaste verhuur is dat de verhuurder. Voor de belaste verhuur is dit nog niet in rechtspraak bevestigd, maar u bent wel degene die de aftrek claimde. Het gedrag van uw huurder is daarmee in de praktijk uw risico. Leg het beoogde gebruik daarom contractueel vast en neem een clausule op waarmee u schade kunt verhalen als uw huurder de norm niet haalt of u niet tijdig informeert.

Figuur 6: wat er bij u en bij uw huurder gebeurt als de optie vervalt of nooit rechtsgeldig was, tot en met de naheffing met belastingrente en een mogelijke vergrijpboete.

Naast de naheffing kan de Belastingdienst belastingrente rekenen; voor de btw is die in 2026 5 procent. Bij opzet of grove schuld kan daarnaast een vergrijpboete volgen.

Leegstand: wat als uw huurder het pand nog niet gebruikt?

Neemt uw huurder het pand niet in gebruik vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon, dan is niet aan de norm voldaan en valt de verhuur met terugwerkende kracht in de vrijstelling. Gelukkig wordt “gebruiken” ruim opgevat: het begint al zodra uw huurder feitelijke handelingen verricht die zijn gericht op btw-belaste prestaties. Dat hij daar uiteindelijk niet aan toe komt, is niet fataal. De Hoge Raad besliste dat in 2011 voor een huurder die een informatiebalie plaatste om units in de markt te zetten, maar nooit tot onderverhuur kwam. Documenteer inrichtings- en verhuurinspanningen dus zorgvuldig: dat kan uw optie redden.

Loopt die termijn voor ingebruikneming, de referentieperiode, toch af, dan bestaat een goedkeuring om de ingangsdatum op te schorten. Daarvoor gelden vijf voorwaarden, waaronder dat het eerste gebruik ten minste zes aaneengesloten maanden voor btw-belaste prestaties plaatsvindt en dat u ermee instemt dat de herzieningstermijn pas begint in het jaar van feitelijk gebruik. Wordt de eerste huurovereenkomst ontbonden of verstrijkt hij zonder dat de huurder het pand in gebruik nam, dan kan een tweede huurovereenkomst in de plaats treden, mits die is gesloten binnen twee boekjaren na het boekjaar van ontbinding of verstrijken. Leegstand zelf leidt overigens niet tot herziening van de aanschaf-btw; de btw op instandhoudingskosten in een leegstandsjaar volgt de verhouding belast en vrijgesteld van dat jaar.

Belaste verhuur en de kleineondernemersregeling: let op de omzetgrens

Verhuurt u op kleine schaal, dan is de kleineondernemersregeling verleidelijk. Denk aan een pand dat u naast uw hoofdactiviteit verhuurt. Twee punten worden daarbij vaak gemist.

Het eerste punt is de omzetgrens. Voor de jaaromzet in Nederland waaraan de grens van 20.000 euro wordt getoetst, tellen ook de vergoedingen voor uw vrijgestelde verhuur én voor de vrijgestelde levering van onroerende zaken mee. Huur zonder btw telt dus wel mee. Alleen als de verhuur niet tot uw gebruikelijke bedrijfsactiviteiten hoort, blijft die vergoeding buiten de grens. Verhuurt u naast uw gewone omzet ook nog vrijgesteld een pand, dan kunt u daardoor onbedoeld boven de 20.000 euro uitkomen en uw KOR verliezen. Omgekeerd blijft de verkoopprijs van een pand dat u in uw bedrijf gebruikte buiten de jaaromzet, en valt die verkoop ook buiten de KOR-vrijstelling zelf.

Het tweede punt is de herziening bij een sfeerovergang. Stapt u in of uit de KOR, of vervalt uw optie belaste verhuur, dan gaat u van de belaste naar de vrijgestelde sfeer of terug. Dan kan herziening van eerder afgetrokken btw op het pand spelen. Herziening blijft achterwege als de aftrek in dat boekjaar niet meer dan 10 procent afwijkt, en bij het aanvangen of beëindigen van de KOR in ieder geval als het herzieningsbedrag in dat boekjaar onder 500 euro blijft.

Nog een punt voor verhuurders die niet in Nederland zijn gevestigd: sinds 1 januari 2025 mag een ondernemer die wel in de Europese Unie maar niet in Nederland is gevestigd de Nederlandse kleineondernemersregeling kiezen, mits hij zowel onder de Nederlandse grens van 20.000 euro als onder de Unie-grens van 100.000 euro blijft. Voor verhuurders uit landen buiten de Europese Unie blijft de regeling gesloten.

Wat is het verschil met de optie belaste levering?

Bij de koop en verkoop van bestaand vastgoed bestaat een vergelijkbare keuze: de optie belaste levering. Die twee regelingen lijken op elkaar, maar wijken op vier punten af, en juist die verschillen leiden tot fouten.

  • De toetsperiode. Bij een levering moet de koper zowel in het boekjaar van levering als in het daaropvolgende boekjaar aan de 90%-eis voldoen, dus twee boekjaren. Bij verhuur is dat één boekjaar.
  • De vorm. Bij een levering legt u de keuze vast in de notariële akte of in een gezamenlijk verzoek; bij verhuur in de huurovereenkomst of in een verzoek.
  • De verlegging. Bij een door optie belaste levering wordt de btw naar de koper verlegd. Bij belaste verhuur bestaat geen verlegging: u blijft als verhuurder zelf de btw verschuldigd.
  • Het object. Bij een levering geldt de goedkeuring voor een niet-zelfstandig gedeelte niet voor werkkamers in een woning of een pantry, terwijl de Hoge Raad dat bij verhuur juist toestaat.

Koopt u een pand met btw en verhuurt u het daarna met btw, dan sluiten die toetsperiodes van twee en één boekjaar niet op elkaar aan. Het is denkbaar dat u uw belaste verhuur behoudt via de goedkeuring bij leegstand, terwijl de levering alsnog vrijgesteld blijkt te zijn. Een regel die dat oplost bestaat niet. Laat in zo’n geval beide termijnen apart in de gaten houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Optieclausule in het contract. Zet in de huurovereenkomst voor bedrijfsruimte uitdrukkelijk dat de verhuur met btw plaatsvindt zodra uw huurder de 90%-norm (of 70%-norm) haalt en u zelf de kleineondernemersregeling niet toepast, of dien samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur.
  • Vier verplichte gegevens. Controleer of de overeenkomst uitdrukkelijk vermeldt dat met btw wordt verhuurd, en of zij de plaatselijke en de kadastrale aanduiding bevat, de begindatum van het boekjaar van de huurder, en een door de huurder ondertekende 90%-verklaring.
  • Toets het gebruik van uw huurder. Vraag vóór de ondertekening na welke omzet uw huurder maakt en of die btw-belast is; controleer of hij onder de 70%-branches valt.
  • Jaarlijkse controle inregelen. Spreek af dat uw huurder u na elk boekjaar bericht of hij de norm nog haalt, en dat hij u binnen vier weken schriftelijk informeert als dat niet zo is, met een afschrift aan de inspecteur.
  • Verhaalsclausule opnemen. Leg contractueel vast dat uw huurder aansprakelijk is voor de btw-schade als hij de 90%-norm niet haalt of u te laat informeert.
  • Ingebruikneming vastleggen. Bewaar bewijs dat uw huurder het pand vóór het einde van zijn boekjaar in gebruik nam, inclusief inrichtings- en verhuurinspanningen bij een langere aanloop.
  • Herzieningstermijn bijhouden. Houd per pand een overzicht bij van het jaar van eerste gebruik, de afgetrokken btw en de resterende jaren van de tienjaarstermijn.
  • Signaleer wijzigingen. Meld een nieuwe huurder, een nieuwe eigenaar, een ingrijpende verbouwing, gebruik als woning of het ontstaan van een fiscale eenheid direct bij uw adviseur; de optie kan dan van rechtswege zijn geëindigd.
  • Splits servicekosten. Factureer nutsvoorzieningen die uw huurder zelf kan bepalen (eigen meter, afrekening op werkelijk verbruik) apart, want die vormen een van de verhuur te onderscheiden prestatie met een eigen btw-regime.
  • KOR-grens narekenen. Tel uw vrijgestelde huuropbrengsten mee bij de toets aan de omzetgrens van 20.000 euro, en beoordeel bij in- of uitstappen of herziening op het pand speelt.

Veelgestelde vragen

Kan ik altijd kiezen voor btw op de huur?

Nee. Uw huurder moet het pand voor 90 procent of meer gebruiken voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken, het pand mag niet als woning worden gebruikt en u mag als verhuurder de kleineondernemersregeling niet toepassen. Voor zes aangewezen branches, zoals makelaardij en reisbureaus, volstaat 70 procent.

Wat gebeurt er als mijn huurder de 90%-eis niet meer haalt?

Haalt hij de norm door onvoorziene omstandigheden één boekjaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie en is de verhuur vrijgesteld. U betaalt dan via de herzieningsregels een deel van de eerder afgetrokken btw terug en uw huurder corrigeert zijn aftrek op de huurtermijnen.

Kan ik de keuze voor btw op de huur later terugdraaien?

Nee, de keuze is onherroepelijk. Ook een nieuwe huurovereenkomst met dezelfde huurder verandert daar niets aan. De optie eindigt alleen van rechtswege, bijvoorbeeld bij het einde van de verhuur, bij een huurderswissel of wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen.

Mijn huurovereenkomst mist de kadastrale gegevens. Wat nu?

Dan is formeel niet rechtsgeldig geopteerd en loopt uw aftrek gevaar. Heeft u wel btw gefactureerd en is de hele periode aan de 90%-norm voldaan, dan bestaat een goedkeuring waarmee de keuze terugwerkt tot de beoogde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Laat dit direct oppakken, want dit is de duurste en meest voorkomende fout.

Ik verhuur gemeubileerde appartementen voor drie maanden. Moet ik opteren?

Nee. Gemeubileerde verhuur voor kort verblijf is van rechtswege met btw belast en geeft u volledig aftrekrecht. Per 1 januari 2026 geldt daarvoor het algemene tarief van 21 procent. Zorg dat u de feitelijke verhuurduur en de mate van dienstverlening kunt aantonen.

Kan ik voor een deel van mijn pand kiezen voor btw?

Ja. U kunt opteren per onroerende zaak en per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte, en zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte zoals een werkkamer in een verder als woning gebruikt pand, mits die verhuur een echte economische activiteit is. Bij splitsing in appartementsrechten moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw bij verhuur van vastgoed is een regeling waarin een klein formeel gebrek tot een naheffing van honderdduizenden euro’s kan leiden. Taxcount controleert uw huurovereenkomsten op de vier verplichte gegevens, toetst of uw huurder de 90%-norm of de 70%-norm haalt, en herstelt gebreken via de bestaande goedkeuringen zolang dat nog kan. Wij rekenen voor u door wat belaste verhuur oplevert bij een aankoop, verbouwing of verduurzaming, houden de herzieningstermijn van tien jaar per pand bij en signaleren gebeurtenissen die uw optie van rechtswege beëindigen, zoals een huurderswissel of een verkoop. Ook bij short stay, leegstand en de samenloop met de kleineondernemersregeling brengen wij de gevolgen in beeld voordat u een keuze maakt.

Verhuurt u bedrijfsruimte of staat er een investering in uw pand op de planning? Laat uw huurovereenkomst en uw btw-positie door ons beoordelen voordat de aannemer factureert. Een korte controle vooraf is vaak het verschil tussen volledige aftrek en een kostenpost.

Dit artikel bevat algemene informatie over de btw bij verhuur van onroerende zaken en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels, termijnen en beleidsbesluiten kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke en zakelijke omstandigheden, waaronder het feitelijke gebruik door uw huurder. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscaal adviseur voordat u een keuze maakt of vastlegt.

De verleggingsregeling in de btw: wanneer je “btw verlegd” op de factuur zet en hoe je dure fouten voorkomt

Werk je als onderaannemer in de bouw, koop je diensten in bij een buitenlandse leverancier of handel je in schroot, oud metaal of mobiele telefoons? Dan kom je de verleggingsregeling tegen. Bij deze regeling betaal niet jij als verkoper de btw, maar draagt je klant de btw af. Je stuurt daarom een factuur zonder btw, met de vermelding “btw verlegd”. Dat klinkt eenvoudig, maar juist op de factuur gaat het vaak mis, en een verkeerde factuur kan zowel jou als je klant duur komen te staan. In dit artikel lees je wat de verleggingsregeling btw inhoudt, wanneer je deze in 2026 moet toepassen, wat er precies op de factuur hoort, hoe je een fout herstelt en wat je daarna in je administratie moet bewaren.

Wat is de verleggingsregeling?

Normaal geldt in de btw een simpele hoofdregel: wie een goed levert of een dienst verricht, rekent btw en draagt die af aan de Belastingdienst. Bij de verleggingsregeling wordt die rol omgedraaid. De btw wordt “verlegd” naar je afnemer: niet jij, maar je klant geeft de btw aan in zijn eigen btw-aangifte.

Voor jou als verkoper betekent dit dat je een factuur stuurt zonder btw-bedrag, met daarop de tekst “btw verlegd” en het btw-identificatienummer van je klant. Je klant vermeldt de verlegde btw in zijn aangifte als verschuldigd en mag die in dezelfde aangifte weer aftrekken, voor zover hij recht op aftrek heeft. Per saldo betaalt hij dan niets. De btw schuift dus alleen op papier van de ene naar de andere partij (zie figuur 1).

Figuur 1: bij de hoofdregel int en betaalt de verkoper de btw; bij verlegging factureert hij zonder btw en geeft de koper de btw aan, die hij in dezelfde aangifte weer aftrekt.

Waarom bestaat deze regeling? Bij prestaties van buitenlandse ondernemers is het vooral een kwestie van gemak: de buitenlandse leverancier hoeft zich dan niet in Nederland te registreren voor de btw. Bij de binnenlandse verleggingen is het doel fraudebestrijding. Als het afdragen en het aftrekken van de btw bij dezelfde partij liggen, kan een leverancier de btw niet eerst innen en daarna laten verdwijnen terwijl zijn afnemer diezelfde btw wel aftrekt.

Wanneer geldt de verleggingsregeling?

De verleggingsregeling geldt niet altijd, maar alleen in een aantal aangewezen situaties. Die vallen uiteen in twee groepen: grensoverschrijdende gevallen en binnenlandse gevallen. Figuur 2 laat zien welke vraag je per opdracht moet stellen.

Figuur 2: beslisboom “Moet ik de btw verleggen?”, met de vier uitkomsten buitenlandse leverancier, onderaanneming of uitlening, aangewezen goederen en transacties, en gewone btw.

Inkoop bij een buitenlandse leverancier

Neem je een dienst of levering af van een ondernemer die niet in Nederland woont of gevestigd is, dan verlegt die leverancier de Nederlandse btw naar jou. Dat geldt ook als hij hier wel een vestiging heeft, zolang die vestiging niet bij de opdracht betrokken is. Dit raakt vrijwel elk bedrijf dat diensten inkoopt bij een buitenlands bedrijf, bijvoorbeeld software, advies, marketing of transport, of dat een buitenlandse aannemer of monteur in Nederland laat werken. Je ontvangt dan een factuur zonder Nederlandse btw en geeft de btw zelf aan in je aangifte.

Binnenlandse verlegging in aangewezen sectoren

Daarnaast heeft de wetgever binnen Nederland een aantal fraudegevoelige sectoren en transacties aangewezen waarvoor verlegging verplicht is. De belangrijkste zijn:

  • onderaanneming en het uitlenen van personeel bij werk van stoffelijke aard aan onroerende zaken of schepen;
  • de levering van een onroerende zaak waarbij partijen voor btw-heffing hebben gekozen;
  • goud en halffabrikaten met een zuiverheid van ten minste 325/1000, en beleggingsgoud waarvoor de verkoper voor btw-heffing kiest;
  • executieverkopen, bijvoorbeeld door een hypotheekhouder, deurwaarder of curator;
  • de levering van mobiele telefoons, computerchips, spelcomputers, laptops en tablets;
  • telecommunicatiediensten tussen aanbieders van die diensten;
  • gas- en elektriciteitscertificaten en de overdracht van CO2-emissierechten;
  • de handel in oud materiaal, afval en schroot, met de bijbehorende verwerkingsdiensten.

In de praktijk gaat het op vier manieren mis. Een onderaannemer zet uit gewoonte toch 21 procent btw op zijn factuur. Een bouwbedrijf heeft niet door dat zijn opdrachtgever een eigenbouwer is. Een schroothandelaar controleert het btw-nummer van zijn afnemer niet. En een ondernemer ontvangt een buitenlandse factuur met btw en trekt die btw toch af.

Let op: de eigenbouwer in de bouw

De grootste valkuil in de bouw is de eigenbouwer. Een eigenbouwer is iemand die zonder opdracht van een derde en in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard tot stand laat brengen, bijvoorbeeld een projectontwikkelaar of een bedrijf dat met een vast concept woningen renoveert. De wet stelt zo iemand gelijk met een aannemer. Het gevolg is dat de partij die voor hem werkt als onderaannemer geldt en dus moet verleggen. Algehele leiding over het werk is voldoende; je hoeft het werk niet zelf uit te voeren. Zie je deze rol over het hoofd, dan staat er ten onrechte btw op de factuur, met alle gevolgen van dien.

Wat valt onder “werk van stoffelijke aard”?

Voor de binnenlandse bouwverlegging moet het gaan om fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak. Onderhoud, schoonmaak, tuinaanleg en tuinonderhoud vallen er wel onder. Zuiver intellectueel of begeleidend werk niet: denk aan een architect, een administratieve bouwbegeleider of het uitlenen van verkeersbegeleiders bij wegwerkzaamheden. Ook geldt de verlegging niet als het werk voor meer dan de helft op de eigen vestigingsplaats van de onderaannemer gebeurt, of als het werk ondergeschikt is aan de koop van een bestaande zaak.

Lever je een pakket van werkzaamheden?

Bestaat je opdracht uit meerdere handelingen die in elkaar overlopen, dan is eerst de vraag of je voor de btw één prestatie of meerdere losse prestaties verricht. Verleg je de btw omdat één onderdeel onder een verleggingsregeling valt, terwijl het geheel als één andere, ondeelbare dienst wordt gezien, dan raak je de verlegging kwijt en is de btw alsnog bij jou verschuldigd. Dit speelt bijvoorbeeld bij het inzamelen, sorteren en rapporteren van afval en bij het leveren en monteren van goederen. Over de afvalketen loopt op dit moment een procedure bij de Hoge Raad, waarin het gerechtshof en de advocaat-generaal tot verschillende uitkomsten komen. Lever je zo’n pakket, laat dan vooraf toetsen wat je precies levert, in plaats van achteraf.

Wat moet er op de factuur staan?

Bij verlegging is de factuur geen formaliteit maar de spil van de regeling. Op een correcte verleggingsfactuur staat geen btw-bedrag, maar wel de vermelding “btw verlegd”. Voor de binnenlandse verlegging bij onderaanneming en het uitlenen van personeel luidt de voorgeschreven tekst “omzetbelasting verlegd”. Verder vermeld je het btw-identificatienummer van je afnemer, naast je eigen btw-nummer, en de volledige naam en het volledige adres van beide partijen.

De aanduiding moet voldoende specifiek zijn. Een enkele vermelding als “nultarief” of “vrijstelling” volstaat niet, omdat je klant aan de hand van je factuur moet kunnen zien dat hij de btw moet aangeven. De factuur reik je uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na die waarin je de prestatie hebt verricht. In figuur 3 zie je hoe zo’n factuur eruitziet en welke drie onderdelen moeten kloppen.

Figuur 3: voorbeeld van een verleggingsfactuur, met het btw-nummer van de afnemer, een factuur zonder btw-bedrag en de vermelding “omzetbelasting verlegd” uitgelicht.

Besteed je het factureren uit, of stelt je afnemer de factuur op (self-billing), dan blijf je als presterende ondernemer altijd verantwoordelijk voor de juistheid. Bij self-billing moet je dat vooraf schriftelijk afspreken, moet elke factuur door jou worden aanvaard en staat op de factuur “factuur uitgereikt door afnemer”. Factureert een buitenlandse leverancier onder verlegging, dan gelden meestal de factuurregels van zijn eigen land; factureert de afnemer zelf, dan die van het land van de afnemer.

Leg in je offerte en opdrachtbevestiging ook vast of je prijs exclusief of inclusief btw is. Dat lijkt een detail, maar het bepaalt later of je ten onrechte gefactureerde btw kunt terugvragen zonder die aan je klant te moeten vergoeden.

Wat gaat er mis als je tóch btw op de factuur zet?

Zet je btw op de factuur terwijl verlegging geldt, dan gebeuren er twee onaangename dingen tegelijk. Je wordt die btw verschuldigd op grond van de factuur zelf: je moet het bedrag afdragen alleen al omdat het op de factuur staat. Tegelijk mag je afnemer die btw niet aftrekken, ook niet als hij het bedrag netjes aan jou heeft betaald. De Belastingdienst kan de btw dan naheffen, bij jou als opsteller of bij de afnemer die ten onrechte heeft afgetrokken.

Belangrijk voor de afnemer: de Belastingdienst hoeft niet eerst een naheffingsaanslag aan je leverancier op te leggen. De rechter heeft bevestigd dat de te veel afgetrokken btw meteen bij de afnemer mag worden nageheven, ook als op voorhand duidelijk is dat de leverancier het bedrag toch niet zou betalen. Als afnemer kun je je er dus niet achter verschuilen dat je leverancier de fout maakte: in een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van jou verwacht dat je zelf had kunnen zien dat er geen btw op de factuur hoorde.

Bovenop de naheffing kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro; in de praktijk wordt vaak een deel van dat maximum opgelegd. Ook rekent de Belastingdienst belastingrente over de nageheven btw: voor de btw is dat in 2026 5 procent per jaar, gerekend vanaf 1 januari na het jaar waarover je te weinig hebt afgedragen. Omdat een factuurfout vaak pas jaren later aan het licht komt, loopt die rente op. Gaat de leverancier failliet voordat de fout is hersteld, dan is de te veel betaalde btw voor de afnemer definitief verloren; de rechter heeft bevestigd dat hij die btw dan niet alsnog mag aftrekken.

Rekenvoorbeeld: onderaanneming

Een onderaannemer verricht voor 50.000 euro metselwerk aan een woning, in opdracht van een hoofdaannemer. Omdat het een werk van stoffelijke aard aan een onroerende zaak in onderaanneming is, geldt verlegging. De onderaannemer factureert 50.000 euro zonder btw, met de vermelding “omzetbelasting verlegd” en het btw-nummer van de hoofdaannemer. De hoofdaannemer geeft 10.500 euro verlegde btw aan (21 procent) en trekt diezelfde 10.500 euro weer af: per saldo betaalt hij niets.

Zet de onderaannemer tóch 10.500 euro btw op de factuur, dan is hij dat bedrag verschuldigd op grond van artikel 37 van de wet Omzetbelasting 1968, terwijl de hoofdaannemer de 10.500 euro niet mag aftrekken. De btw wordt dan bij een van beiden nageheven, met belastingrente en een mogelijke verzuimboete erbovenop. Eén verkeerde regel op de factuur kan zo 10.500 euro plus rente en boete kosten (zie figuur 4).

Figuur 4: de correcte verleggingsfactuur levert een saldo van nul op; met btw op de factuur volgt een naheffing van 10.500 euro plus belastingrente en een verzuimboete van ten hoogste 6.709 euro.

Hoe herstel je een onjuiste factuur?

Een foute verleggingsfactuur is te repareren, maar alleen op de juiste manier en op tijd. Je neemt de oorspronkelijke factuur terug of je reikt een echte creditfactuur uit die duidelijk en ondubbelzinnig naar de oorspronkelijke factuur verwijst. Daarna stuur je een nieuwe, correcte factuur zonder btw en met de juiste verleggingsvermelding.

Een interne correctie in je eigen boekhouding is niet genoeg. De Belastingdienst mag verlangen dat je je klant er actief bij betrekt en de factuur samen met hem rechtzet. Dat geldt zelfs als je klant de btw nooit heeft afgetrokken en dat gezien zijn situatie ook niet zou hebben gedaan: beslissend is dat het gevaar heeft kunnen bestaan dat de Belastingdienst niet meteen zou vaststellen dat de factuur niet voor aftrek mocht worden gebruikt. Verder moet je kunnen aantonen dat je afnemer de te veel gefactureerde btw niet heeft afgetrokken, niet meer kan aftrekken, of alsnog op aangifte heeft voldaan. Herstel je niet, dan blijf je de btw verschuldigd en loopt je afnemer zijn aftrek mis.

Moet je de btw ook aan je klant terugbetalen? Dat hangt af van wat je met hem hebt afgesproken. Een creditfactuur voor het volle btw-bedrag, waarmee je het bedrag dus aan je klant vergoedt, mag alleen worden geëist als je zonder die vergoeding onterecht voordeel zou houden. Heb je exclusief btw geoffreerd, dan is de btw economisch bij je klant gebleven en ligt de vergoeding voor de hand; heb je een prijs inclusief btw afgesproken, dan is dat vaak anders. Bewaar je offerte en opdrachtbevestiging daarom bij het factuurdossier: die stukken bepalen de uitkomst.

Wat als je inkoopt onder de verleggingsregeling?

Ook aan de inkoopkant kun je de fout in gaan. Ontvang je een factuur mét btw terwijl verlegging geldt, bijvoorbeeld van een buitenlandse leverancier of van een onderaannemer, trek die btw dan niet af. Stuur de factuur terug en vraag om een correcte factuur zonder btw. Trek je de btw toch af, dan corrigeert de Belastingdienst dat bij jou, omdat je bij verlegging had kunnen weten dat er geen btw op de factuur hoorde.

Krijg je een correcte verleggingsfactuur, dan geef je de verlegde btw in je aangifte aan als verschuldigd en trek je die in hetzelfde tijdvak weer af, maar alleen voor zover je de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteer je deels vrijgesteld, dan draag je per saldo dus wel btw af. Controleer bij inkoop ook of je eigen btw-identificatienummer klopt op de factuur en of de leverancier daadwerkelijk ondernemer is.

Hoe lang moet je je verleggingsfacturen bewaren?

Bij verlegging moet uit je administratie blijken dat je de regeling terecht hebt toegepast en wie je afnemer was. Die onderbouwing moet je ook jaren later nog kunnen laten zien. De wet verplicht je je administratie zo te voeren en te bewaren dat je rechten en verplichtingen daaruit altijd duidelijk blijken, en de gegevens ten minste zeven jaar te bewaren. Voor gegevens over onroerende zaken en rechten daarop geldt een bewaartermijn van tien jaar, dus ook voor de facturen van bouw- en verbouwwerk aan een pand (zie figuur 5).

Figuur 5: bewaartermijnen van zeven jaar voor je facturen, offertes en overige administratie, en van tien jaar voor gegevens over onroerende zaken.

Bewaar je je facturen digitaal, dan mag dat, mits de weergave juist en volledig is, de gegevens de hele bewaartermijn beschikbaar blijven en ze binnen redelijke tijd leesbaar te maken zijn. Voor een balans en een staat van baten en lasten die je op papier hebt gekregen geldt een uitzondering: die mag je niet alleen digitaal bewaren, je moet ook het papieren stuk houden. Voldoet je administratie niet, dan kan de Belastingdienst een zogenoemde informatiebeschikking afgeven. Wordt die definitief, dan draait de bewijslast om: je moet dan zelf overtuigend aantonen dat een naheffingsaanslag te hoog is, in plaats van dat de Belastingdienst hem moet onderbouwen. Juist bij verlegging is dat een reëel risico, omdat de toepassing van de regeling uit je facturen en vastleggingen moet blijken.

Praktische checklist: zo houd je de verleggingsregeling op orde

  • Beoordeel per transactie: ga bij elke opdracht na of een verleggingsregeling geldt, op grond van de vestigingsplaats van de leverancier, de hoedanigheid van de afnemer en de aard van de prestatie.
  • Controleer het btw-nummer: vraag het btw-identificatienummer van je afnemer op en controleer of het geldig is; zonder vaststelbare identiteit vervalt de verlegging.
  • Zet de juiste tekst op de factuur: vermeld “btw verlegd” (of “omzetbelasting verlegd” bij bouw en uitlening) en zet er geen btw-bedrag op.
  • Vermeld beide partijen volledig: naam, adres en btw-nummer van zowel jou als je afnemer horen op de factuur.
  • Factureer op tijd: reik de factuur uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na de prestatie.
  • Let op de eigenbouwer: check in de bouw of je opdrachtgever als aannemer of eigenbouwer geldt, want dan moet je verleggen.
  • Kwalificeer een pakket van werkzaamheden: verleg je op grond van één onderdeel van een samenhangende opdracht, laat dan eerst vaststellen of het geheel voor de btw één prestatie is.
  • Leg vast of de prijs exclusief btw is: noteer dat in offerte en opdrachtbevestiging; het bepaalt of je een foutief gefactureerd btw-bedrag kunt terugvragen zonder het aan je klant te vergoeden.
  • Controleer inkoopfacturen: trek geen btw af van een factuur met btw waar verlegging hoort; laat die eerst corrigeren.
  • Herstel fouten actief en samen met je klant: corrigeer een onjuiste factuur met een echte creditfactuur, betrek je afnemer erbij en toon aan dat hij niets heeft afgetrokken.
  • Houd je administratie bij: leg de uitgereikte en ontvangen facturen en de verlegde btw vast. Verricht je diensten voor zakelijke klanten in andere EU-landen die daar zelf de btw aangeven, dan neem je die op in de opgaaf ICP, de aparte opgave van EU-klanten per btw-nummer. Btw die naar jou is verlegd hoort daar niet in.
  • Bewaar zeven jaar, bij vastgoed tien jaar: houd facturen en onderliggende vastleggingen leesbaar beschikbaar, ook als je ze alleen digitaal bewaart.

Veelgestelde vragen

Wat betekent “btw verlegd” op een factuur?

Het betekent dat niet de verkoper maar de koper de btw aangeeft en afdraagt. De verkoper stuurt een factuur zonder btw-bedrag; de koper vermeldt de verlegde btw in zijn eigen aangifte en trekt die in dezelfde aangifte weer af als hij recht op aftrek heeft.

Wat moet ik als koper doen bij een verleggingsfactuur?

Je geeft de verlegde btw in je btw-aangifte aan als verschuldigd en trekt die in hetzelfde tijdvak weer af, voor zover je de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteer je deels vrijgesteld, dan blijft een deel van de btw voor jouw rekening. Dit geldt ook bij inkoop bij een leverancier buiten Nederland: die verlegt de Nederlandse btw naar jou, en je geeft die zelf aan.

Mag ik btw aftrekken die ten onrechte op een factuur staat?

Nee. Staat er btw op een factuur terwijl verlegging geldt, dan bestaat daarvoor geen recht op aftrek, ook niet als je het bedrag hebt betaald. Laat de factuur eerst corrigeren voordat je iets aftrekt.

Kan de Belastingdienst de btw bij mij naheffen terwijl mijn leverancier de fout maakte?

Ja. De Belastingdienst hoeft niet eerst je leverancier een naheffingsaanslag op te leggen en mag de te veel afgetrokken btw meteen bij jou naheffen, ook als duidelijk is dat je leverancier niet zou betalen. In een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van jou verwacht dat je zelf ziet dat er geen btw op de factuur hoort.

Hoe lang moet ik mijn verleggingsfacturen bewaren?

Ten minste zeven jaar, en tien jaar als het om onroerende zaken gaat. Digitaal bewaren mag, zolang de facturen volledig, beschikbaar en leesbaar blijven. Is je administratie gebrekkig, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren en moet je zelf aantonen dat een naheffing te hoog is.

Welke boete en rente riskeer ik bij een verkeerde verleggingsfactuur?

Naast naheffing van de btw kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro, plus belastingrente van 5 procent per jaar over de nageheven btw. Bij opzet of grove schuld kunnen de gevolgen hoger uitvallen. Laat je facturen daarom vooraf controleren.

Hoe Taxcount je kan helpen

De verleggingsregeling lijkt eenvoudig, maar de praktijk zit vol valkuilen: de eigenbouwer die je over het hoofd ziet, de buitenlandse factuur met btw die je niet mag aftrekken, de factuurvermelding die net niet klopt en het pakket werkzaamheden dat voor de btw één prestatie blijkt te zijn. Taxcount beoordeelt voor jou wanneer verlegging geldt, controleert je uitgaande en inkomende facturen, begeleidt het herstel van fouten uit eerdere jaren voordat de Belastingdienst naheft, en kijkt mee of je administratie en bewaartermijnen op orde zijn. Wil je weten of je facturen aan de eisen voor 2026 voldoen? Laat je situatie door ons toetsen, dan weet je zeker dat je niet voor de btw van een ander opdraait.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd adviseren voordat je beslissingen neemt.

De margeregeling voor tweedehands goederen: zo betaal je btw over alleen je winstmarge

Koop je tweedehands spullen in en verkoop je die weer door? Dan loop je tegen een lastige vraag aan: hoeveel btw moet je afdragen? Wie een gebruikte fiets, auto of kast koopt van een particulier, krijgt geen btw in rekening en kan dus ook niets aftrekken. Zou je bij verkoop btw over de hele prijs rekenen, dan betaal je te veel. Voor deze situatie bestaat de margeregeling: je betaalt dan btw over alleen je winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. In dit artikel lees je wat de margeregeling voor tweedehands goederen inhoudt, wanneer je deze in 2026 mag toepassen en wat je praktisch moet regelen om problemen met de Belastingdienst te voorkomen.

Wat is de margeregeling?

De margeregeling laat een handelaar in tweedehands goederen btw betalen over zijn winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. De winstmarge is het verschil tussen wat je voor een goed ontvangt (de verkoopprijs) en wat je er zelf voor betaald hebt (de inkoopprijs). De btw zit al in die marge verrekend (artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968).

De regeling voorkomt dat er dubbele btw op tweedehands goederen komt te drukken. In de prijs van een gebruikt goed zit vaak nog een restje btw van toen het nieuw was. Als je dan bij verkoop opnieuw btw over de hele prijs zou rekenen, stapelt btw zich op btw. Vakmensen noemen dat cumulatie. Door btw alleen over je marge te rekenen, betaal je precies over de waarde die je zelf toevoegt en blijft de prijs voor je klant scherp.

Voor wie geldt de margeregeling?

De margeregeling is bedoeld voor wederverkopers: ondernemers die gebruikte goederen kopen om ze weer door te verkopen. Denk aan handelaren in tweedehands auto’s en fietsen, kringloop- en vintagewinkels, inkoop en verkoop van witgoed en elektronica, en handel in tweedehands meubels, kleding en boeken. De regeling speelt vooral wanneer je inkoopt bij particulieren of bij andere partijen die je geen btw in rekening (kunnen) brengen.

Je hoeft niet dagelijks in tweedehands goederen te handelen om wederverkoper te zijn. Volgens een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad uit 2024 is ook iemand die maar één keer een ingekocht margegoed doorverkoopt een wederverkoper, zolang hij het goed met het oog op wederverkoop heeft gekocht. Beslissend is dus waarom je het goed hebt gekocht, niet hoe vaak je handelt.

Wanneer mag je de margeregeling toepassen?

De margeregeling geldt niet zomaar voor elk tweedehands goed. Er zijn twee kernvoorwaarden: je moet het goed hebben gekocht van een leverancier die je geen aftrekbare btw in rekening bracht, en er mag geen dubbele heffing dreigen. Voldoe je daar niet aan, dan geldt de gewone btw-regeling. De beslisboom hierna helpt je snel bepalen welke route voor jou geldt (zie figuur 1).

Figuur 1: Beslisboom om te bepalen of je de margeregeling mag toepassen. De herkomst van het ingekochte goed bepaalt welke route je volgt.

Van wie moet je hebben ingekocht?

De wet somt limitatief op van welke leveranciers het goed afkomstig mag zijn (artikel 28b, lid 2). Deze lijst mag niet worden opgerekt naar vergelijkbare gevallen. Het goed moet aan jou zijn geleverd door een van de volgende vijf partijen (zie figuur 2):

  • Een particulier: iemand die geen ondernemer is en dus geen btw in rekening brengt.
  • Een vrijgestelde ondernemer: een ondernemer die de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel r toepast.
  • Een KOR-ondernemer: een ondernemer die de kleineondernemersregeling toepast (de btw-vrijstelling geldt bij een jaaromzet in Nederland tot 20.000 euro, of tot 100.000 euro omzet in de EU voor ondernemers buiten Nederland), voor een afgeschreven bedrijfsmiddel.
  • Een andere wederverkoper: die op zijn beurt ook de margeregeling toepaste.
  • Een leverancier uit een andere EU-lidstaat: bij een levering die daar onder een vergelijkbare margeregeling of vrijstelling viel.

Figuur 2: De vijf toegestane leveranciers (artikel 28b, lid 2, a tot en met e) van wie een margegoed afkomstig mag zijn. Deze lijst is limitatief.

Er mag geen dubbele btw dreigen

De margeregeling is een uitzondering en mag alleen worden gebruikt voor zover dat nodig is om dubbele heffing te voorkomen. Is de btw op het goed eerder gewoon afgetrokken, dan zit er geen restje btw meer in en dreigt er geen cumulatie. In dat geval mag je de margeregeling niet toepassen. Het Hof Amsterdam bevestigde dit begin 2026 in een zaak waarin een handelaar in tweedehands witgoed goederen uit Duitsland als margegoed verkocht, terwijl de Duitse leverancier de btw al had afgetrokken. De naheffing en boete bleven in stand.

Hoe bereken je de btw over je marge?

Je berekent de btw over je winstmarge, waarbij de btw in die marge is begrepen. Bij het algemene tarief van 21 procent (2026) reken je dus 21/121 deel van de marge als btw. Twee regels horen daarbij: je vermeldt op je verkoopfactuur geen apart btw-bedrag (artikel 28h), en je trekt over het margegoed geen voorbelasting af (artikel 28e).

Rekenvoorbeeld

Stel, je koopt een tweedehands fiets van een particulier voor 200 euro en verkoopt die voor 350 euro (zie figuur 3).

  • Je winstmarge is 350 euro min 200 euro is 150 euro (inclusief btw).
  • De verschuldigde btw is 150 euro maal 21/121, dus ongeveer 26 euro.
  • Zonder de margeregeling zou je btw over de hele 350 euro rekenen: dat is ongeveer 61 euro.

In dit voorbeeld scheelt de margeregeling je dus ongeveer 35 euro aan af te dragen btw op één fiets. Verkoop je een goed met verlies, dan is er geen positieve marge en draag je over dat goed geen btw af.

Figuur 3: Rekenvoorbeeld van de btw op een tweedehands fiets. Btw over de winstmarge (ongeveer 26 euro) tegenover btw over de hele verkoopprijs (ongeveer 61 euro).

Wat is de globalisatieregeling?

Handel je in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan is het per stuk bijhouden van inkoop- en verkoopprijzen bewerkelijk. Voor aangewezen goederen zoals vervoermiddelen, kleding, meubels en boeken mag je daarom de globalisatieregeling gebruiken (artikel 28d). Je berekent de winstmarge dan niet per goed, maar over een heel aangiftetijdvak samen: alle margeverkopen min alle marge-inkopen in dat tijdvak (zie figuur 4). Een handig gevolg is dat een negatieve marge in het ene tijdvak mag worden verrekend met een positieve marge in een volgend tijdvak. Zeg je de globalisatieregeling op, dan werkt dat pas vanaf het volgende kalenderjaar en geldt de keuze ten minste vijf kalenderjaren.

Figuur 4: Twee manieren om de winstmarge te berekenen: per goed (standaard) of per aangiftetijdvak (de globalisatieregeling).

Gelden er aparte regels voor kunst, verzamelingen en antiek?

Ja. Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten vallen niet automatisch onder de margeregeling voor gebruikte goederen. Daarvoor bestaat een aparte regeling die alleen op je eigen verzoek geldt (artikel 28c), bijvoorbeeld als je de kunst zelf invoert of rechtstreeks van de maker koopt. Handel je in kunst, verzamelobjecten of antiek, lees dan ons aparte artikel over de margeregeling voor kunst. Verkoop je zowel gewone tweedehands goederen als kunst, dan kunnen beide regelingen naast elkaar spelen.

Welke risico’s loop je bij verkeerde toepassing?

Pas je de margeregeling ten onrechte toe, dan zijn de gevolgen fors. De Belastingdienst heft de btw dan na over de volledige vergoeding tegen het normale tarief, dus niet slechts over de marge, en legt daar belastingrente en meestal een verzuimboete bovenop. In de eerder genoemde Hof-uitspraak bleven naheffingsaanslagen en boetes van enkele duizenden euro’s per tijdvak in stand, en een beroep op een verdedigbaar standpunt slaagde niet.

Belangrijk om te weten: de bewijslast ligt bij jou als wederverkoper. Je moet kunnen aantonen dat elk margegoed afkomstig is van een toegestane leverancier en dat er bij inkoop geen aftrekbare btw in rekening is gebracht. Een vermelding als “gebruikt” of “geen btw” op een inkoopfactuur is daarvoor niet genoeg. Zorg daarom voor een sluitende inkoopadministratie met inkoopverklaringen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal of je wederverkoper bent. Koop je gebruikte goederen in met het doel ze weer te verkopen? Dan ben je waarschijnlijk wederverkoper, ook bij incidentele verkoop.
  • Controleer de herkomst van elk goed. Ga na of je hebt ingekocht bij een particulier, een vrijgestelde ondernemer, een KOR-ondernemer, een andere margehandelaar of een vergelijkbare EU-leverancier.
  • Check of er btw is afgetrokken. Was bij de inkoop btw in rekening gebracht die aftrekbaar was, pas dan de margeregeling niet toe.
  • Vermeld geen btw op de verkoopfactuur. Bij de margeregeling zet je geen apart btw-bedrag op de factuur; de btw zit in de prijs verrekend.
  • Trek geen voorbelasting af op margegoederen. Over goederen die je onder de margeregeling verkoopt, mag je geen inkoop-btw aftrekken.
  • Houd de winstmarge controleerbaar bij. Leg per goed, of bij globalisatie per tijdvak, vast wat je betaalde en ontving.
  • Bewaar inkoopverklaringen. Bij inkoop van particulieren leg je de herkomst en de leveranciersstatus schriftelijk vast; de bewijslast ligt bij jou.
  • Overweeg de globalisatieregeling. Handel je in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan bespaart de marge per tijdvak je administratief werk.

Veelgestelde vragen

Moet ik de margeregeling verplicht toepassen?

Voor gewone gebruikte goederen geldt de margeregeling in beginsel automatisch als aan de voorwaarden is voldaan. Je mag echter per levering toch voor de normale btw-regeling kiezen (artikel 28f). Dat kan gunstig zijn als je afnemer de btw kan aftrekken.

Mag ik btw op mijn factuur zetten bij een margeverkoop?

Nee. Bij de margeregeling vermeld je geen apart btw-bedrag op de verkoopfactuur. De btw is in de vergoeding begrepen. Wel is het verstandig te vermelden dat je de margeregeling toepast.

Wat als ik een goed met verlies verkoop?

Is je verkoopprijs lager dan je inkoopprijs, dan is er geen positieve marge en draag je over dat goed geen btw af. Bij de globalisatieregeling kun je een negatieve marge zelfs verrekenen met positieve marges in een volgend tijdvak.

Geldt de margeregeling ook voor kunst en antiek?

Voor kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiek geldt een aparte regeling die alleen op verzoek werkt (artikel 28c). Die vraag je apart aan bij de Belastingdienst. Zie hiervoor ons artikel over de margeregeling voor kunst.

Wat gebeurt er als ik de margeregeling ten onrechte toepas?

Dan heft de Belastingdienst btw na over de volledige verkoopprijs, met belastingrente en meestal een verzuimboete. De bewijslast dat aan alle voorwaarden is voldaan, ligt bij jou als wederverkoper.

Hoe Taxcount je kan helpen

De margeregeling levert een reëel btw-voordeel op, maar de voorwaarden zijn strikt en de bewijslast ligt volledig bij jou. Taxcount helpt je om te beoordelen of de margeregeling in jouw situatie mag worden toegepast, richt je inkoop- en margeadministratie zo in dat die een controle doorstaat, en adviseert of de globalisatieregeling voor jou voordeliger is. Ook bij handel met het buitenland of een mix van gewone goederen en kunst denken wij met je mee. Wil je zeker weten dat je de btw op je tweedehands handel goed regelt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je actie onderneemt.