Aanmerkelijk belang in box 2: waarom de 5%-grens u duizenden euro’s kan schelen

U heeft aandelen in een bv, als directeur-grootaandeelhouder (dga) of als belegger met een fors pakket. Zodra uw belang de grens van 5% raakt, heeft u een aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment vallen uw dividend en verkoopwinst niet meer in box 3, maar in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verandert hoeveel belasting u betaalt en welke verplichtingen u heeft. In dit artikel leest u wanneer u een aanmerkelijk belang heeft, welke tarieven in 2026 gelden en hoe u met slimme planning duizenden euro’s kunt besparen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

De wet verdeelt aandeelhouders in twee groepen. Kleine beleggers betalen belasting over hun vermogen in box 3. Wie een groot belang in een vennootschap heeft, is voor de wet meer ondernemer dan belegger. Die aandeelhouder betaalt belasting in box 2 over het werkelijke inkomen uit de aandelen: dividend en de winst bij verkoop.

De grens ligt bij 5%. U heeft een aanmerkelijk belang als u, alleen of samen met uw fiscale partner, direct of indirect (bijvoorbeeld via een holding) ten minste 5% van de uitgegeven aandelen van een vennootschap bezit. Dat staat in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De regel geldt ook voor buitenlandse vennootschappen, voor coöperaties en voor bepaalde beleggingsfondsen.

Niet alleen gewone aandelen tellen. U heeft ook een aanmerkelijk belang bij:

  • opties op ten minste 5% van de aandelen (rechten om aandelen te kopen);
  • winstbewijzen die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering;
  • ten minste 5% van de stemmen in een coöperatie;
  • ten minste 5% van één soort aandelen, bijvoorbeeld letteraandelen of preferente aandelen.

Belangrijk om te weten: deze categorieën mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Wie 4% aandelen en 4% opties heeft, zit dus onder de grens. En de grens is hard: precies 5% telt, 4,9% niet.

Figuur 1 loopt de vragen langs waarmee u bepaalt of uw aandelen in box 2 of in box 3 vallen. De laatste twee vragen komen in de volgende paragraaf aan bod.

   Figuur 1: vier vragen die bepalen of uw aandeleninkomen in box 2 of in box 3 valt.

Ook zonder eigen 5% in box 2

De wet kent drie uitbreidingen die in de praktijk vaak worden gemist. De Belastingdienst toetst daarom breder dan alleen uw eigen aandelenpakket.

Ten eerste de meesleepregeling: heeft u eenmaal een aanmerkelijk belang, dan vallen ook al uw overige aandelen, opties en winstbewijzen in dezelfde vennootschap in box 2. Ten tweede de meetrekregeling: bezit u zelf minder dan 5%, maar heeft uw partner, een (groot)ouder of een (klein)kind van u of uw partner wél een aanmerkelijk belang in dezelfde vennootschap, dan valt uw kleine pakket toch in box 2. Broers en zussen tellen hierbij niet mee. Ten derde het fictieve aanmerkelijk belang: is bij u ooit een doorschuifregeling toegepast, bijvoorbeeld bij de geruisloze inbreng van uw onderneming in een bv of bij vererving van aandelen, dan blijft een belang onder de 5% toch als aanmerkelijk belang gelden.

Een voorbeeld van de meetrekregeling: vader heeft 96% van de aandelen in de familie-bv, dochter heeft 4%. De dochter zit onder de 5%, maar wordt door het belang van haar vader meegetrokken. Haar dividend valt daardoor gewoon in box 2. Voor u betekent dit: kijk niet alleen naar uw eigen belang, maar naar de hele familiekring rond de vennootschap.

Figuur 2 laat zien wie er tot die familiekring hoort en wie erbuiten valt.

Figuur 2: de meetrekregeling geldt voor uw fiscale partner en voor familie in de rechte lijn; broers en zussen tellen niet mee.

Tarieven box 2 in 2026

In 2026 kent box 2 twee schijven. Over de eerste € 68.843 aan inkomen uit aanmerkelijk belang betaalt u 24,5%. Over alles daarboven betaalt u 31%. Heeft u een fiscale partner, dan kunt u het inkomen verdelen en geldt de lage schijf tot € 137.686 gezamenlijk. Dat maakt de verdeling van dividend een belangrijk planningsinstrument.

Figuur 3 zet beide schijven naast elkaar, met en zonder verdeling over een fiscale partner.

Figuur 3: de twee schijven van box 2 in 2026; met een fiscale partner loopt de lage schijf door tot € 137.686 samen.

Rekenvoorbeeld

De situatie

Karin is dga van een bv met flinke winstreserves. Zij wil in 2026 € 140.000 dividend uitkeren aan privé. Karin is gehuwd; haar echtgenoot heeft geen eigen inkomen in box 2.

Scenario A: Karin geeft het volledige dividend bij zichzelf aan
SchijfBedragTariefBelasting
Laag tarief€ 68.84324,5%€ 16.867
Hoog tarief€ 71.15731%€ 22.059
Totaal€ 140.000 € 38.926

 

Scenario B: Karin verdeelt het dividend met haar fiscale partner
SchijfBedragTariefBelasting
Laag tarief (2 × € 68.843)€ 137.68624,5%€ 33.733
Hoog tarief€ 2.31431%€ 717
Totaal€ 140.000 € 34.450

 

De conclusie: door het dividend in de aangifte te verdelen over beide fiscale partners betaalt Karin € 34.450 in plaats van € 38.926. Dat scheelt € 4.476 aan belasting bij precies dezelfde uitkering. Spreiden over meerdere jaren kan een vergelijkbaar effect hebben.

Figuur 4 zet de twee scenario’s van Karin naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde uitkering van € 140.000, twee keer een andere belastingdruk.

Praktische gevolgen

Een aanmerkelijk belang brengt verplichtingen mee die verder gaan dan de aangifte alleen. U geeft dividend en verkoopwinst aan in box 2. Daarnaast moet u de verkrijgingsprijs van uw aandelen vastleggen: het bedrag dat fiscaal als uw aankoopprijs geldt. Die verkrijgingsprijs bepaalt later hoeveel verkoopwinst belast wordt. Werkt u als dga voor uw eigen bv, dan geldt bovendien de gebruikelijkloonregeling: u moet uzelf een zakelijk salaris toekennen. Verhuurt u privévermogen aan uw bv, zoals een pand, dan valt dat onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.

Let verder op momenten waarop uw positie ongemerkt verandert. Een huwelijk, een echtscheiding, een statutenwijziging, het certificeren van aandelen of een wijziging in een familiefonds kan leiden tot een fictieve vervreemding, waarbij de Belastingdienst afrekent alsof u uw aandelen heeft verkocht. Ook goed om te weten: wie alleen via de meetrekregeling een aanmerkelijk belang heeft, krijgt geen toegang tot de doorschuifregelingen bij schenken en erven en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Conclusie en advies

De 5%-grens van het aanmerkelijk belang bepaalt of uw aandeleninkomen in box 2 of box 3 valt, en dat verschil loopt snel in de duizenden euro’s. De regels kijken verder dan uw eigen pakket: partner, familie in de rechte lijn, opties, soortaandelen en oude doorschuiftrajecten tellen mee. Tegelijk biedt box 2 kansen, zoals het verdelen van dividend met uw fiscale partner of het spreiden van uitkeringen over meerdere jaren. Twijfelt u of u een aanmerkelijk belang heeft, of wilt u weten wat het voordeligste uitkeringsmoment is? De adviseurs van Taxcount rekenen uw situatie graag door en zorgen dat u geen grens of faciliteit over het hoofd ziet. Neem gerust contact op voor een vrijblijvende kennismaking.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Asset deal of share deal: zo bepaalt u hoe u uw bedrijf het beste verkoopt

U hebt jaren aan uw bedrijf gebouwd en er dient zich een koper aan. Dan komt vrijwel meteen de vraag op tafel die het financiële resultaat van de hele verkoop bepaalt: verkoopt u de bezittingen en schulden van het bedrijf, of verkoopt u de aandelen in uw bv? Dat is de keuze tussen een asset deal en een share deal. Die keuze bepaalt wie welke belasting betaalt, of er btw over de transactie loopt, welke contracten en welke medewerkers meegaan, en welke risico’s ook na de overdracht bij u blijven liggen. In dit artikel leest u wat beide routes fiscaal betekenen, welke faciliteiten en drempels in 2026 gelden, en wat u het beste jaren vooraf al regelt.

Wat is het verschil tussen een asset deal en een share deal?

Bij een asset deal, ook wel activa-passivatransactie genoemd, verkoopt u de onderdelen van het bedrijf: het pand, de machines, de voorraad, de klantenkring en de goodwill. Met goodwill bedoelen we de waarde van uw naam, uw klantenkring en uw marktpositie, die niet in losse bezittingen zit. Het bedrijf zelf blijft juridisch achter bij u; alleen de inhoud gaat over. Bij een share deal verkoopt u de aandelen in de bv. Het bedrijf verandert dan niet: alle contracten, vergunningen en arbeidsovereenkomsten blijven staan waar ze staan, want de bv blijft dezelfde partij.

Of u die keuze überhaupt hebt, hangt af van uw rechtsvorm. Hebt u een eenmanszaak, een vof of een maatschap, dan zijn er geen aandelen en is elke verkoop automatisch een activa-passivatransactie. De keuze verschuift dan naar de vraag of u vooraf nog een bv tussen uzelf en de onderneming zet. Hebt u wel een bv, dan kunt u kiezen: de bv verkoopt haar onderneming, of u verkoopt de aandelen in de bv. Figuur 1 laat zien welke route bij welke rechtsvorm hoort en hoe de verkoopwinst dan wordt belast.

    Figuur 1: uw rechtsvorm bepaalt of u kunt kiezen tussen een asset deal en een share deal, en hoe de verkoopwinst wordt belast.

In de praktijk lopen de belangen tegengesteld. Kopers willen meestal een asset deal: zij kiezen precies uit wat zij overnemen, laten het verleden van de onderneming achter en mogen afschrijven op de betaalde goodwill. Verkopers willen meestal een share deal: die is fiscaal vaak gunstiger, en het verleden gaat mee de deur uit. Dat verschil in belang komt terug in de prijs. Wie de fiscale gevolgen van beide routes kent, onderhandelt daar bewuster over. Figuur 2 zet naast elkaar wat er bij elke route meegaat en wat achterblijft of nog actie vraagt.

Figuur 2: wat er bij een asset deal en bij een share deal meegaat, en wat achterblijft of nog actie van u vraagt.

Wat betekent een asset deal voor u als IB-ondernemer?

Waarover rekent u af?

Verkoopt u als ondernemer voor de inkomstenbelasting uw hele onderneming, dan is dat fiscaal een staking. U rekent in één keer af over alles wat nog niet eerder is belast. Daar horen drie dingen bij: de stille reserves, dat wil zeggen het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van uw bezittingen, de goodwill die u in de loop der jaren hebt opgebouwd, en de fiscale reserves die nog op uw balans staan. Bij elkaar is dat de stakingswinst, en die valt in box 1.

Belangrijk is dat u de koopsom per bedrijfsmiddel toerekent. Staat er in de koopovereenkomst geen prijs per onderdeel, dan moet de koopsom in redelijkheid worden verdeeld over de bezittingen en de goodwill. Legt u de verdeling wel vast, dan moet die met de werkelijkheid overeenkomen. De bewijslast ligt bij u, zeker als u later van de verdeling in de koopovereenkomst wilt afwijken. Onderbouw de verdeling daarom met taxaties op het moment dat u tekent, niet achteraf.

Welke faciliteiten verzachten de rekening in 2026?

Tegenover die afrekening staan drie regelingen die de belastingdruk verlagen of uitstellen.

  • In 2026 mag u maximaal 3.630 euro van de stakingswinst aftrekken. Die aftrek geldt eenmaal in uw leven, dus als u eerder al een onderneming hebt beëindigd, is hij mogelijk al gebruikt.
  • MKB-winstvrijstelling. Van de winst die overblijft na de ondernemersaftrek is in 2026 12,7 procent vrijgesteld. Die vrijstelling geldt ook over stakingswinst.
  • U mag een deel van de stakingswinst omzetten in een lijfrente en daarmee de belasting uitstellen tot het moment waarop de uitkeringen binnenkomen. In 2026 is dat maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro, afhankelijk van uw leeftijd, van arbeidsongeschiktheid en van het moment waarop de uitkeringen ingaan. Wat u al aan pensioen en lijfrente hebt opgebouwd, gaat van dat maximum af.

Aan de stakingslijfrente zitten twee harde voorwaarden. De premie moet uiterlijk zes maanden na afloop van het stakingsjaar zijn betaald of verrekend; het bedrag schuldig blijven is niet genoeg. En er mag geen sprake zijn van een vooraf afgesproken doorverkoop of van een op het moment van de overdracht al vaststaande liquidatie. Staat vast dat de onderneming kort daarna wordt opgeheven of dat de verkoop aan een derde vrijwel rond is, dan vervalt de aftrek volledig. De maatstaf is dus wat vaststaat, niet wat u van plan bent.

Verkoopt u alles, of een deel?

Het maakt fiscaal verschil of u de hele onderneming staakt of maar een deel. Bij een gedeeltelijke staking vervallen de stakingsaftrek en de doorschuifregeling, terwijl een herinvesteringsreserve juist alleen bij een gedeeltelijke staking in stand kan blijven. Van een gedeeltelijke staking is al sneller sprake dan ondernemers denken: ook de verkoop van alleen een deel van uw klantenbestand met wat inventaris telt mee, als uw onderneming daardoor in korte tijd duurzaam en flink kleiner wordt.

 Hele ondernemingDeel van de onderneming
Stakingsaftrekja, maximaal 3.630 euronee
Stakingslijfrentejaja
Herinvesteringsreservenee, valt verplicht vrijmogelijk, als u nog wilt herinvesteren
Doorschuiven naar een nieuwe ondernemingja, op verzoeknee

 

Wilt u na de verkoop opnieuw ondernemen, dan kunt u de stakingswinst doorschuiven naar die nieuwe onderneming. U doet daarvoor een verzoek bij uw aangifte. U krijgt dan een conserverende aanslag, dat is een aanslag die wel wordt opgelegd maar die u nog niet hoeft te betalen, en u moet herinvesteren in het jaar van de staking of binnen twaalf maanden daarna, in een onderneming waaruit u zelf winst geniet. Let op: verliezen uit het verleden kunt u niet met dat doorgeschoven inkomen verrekenen. Hebt u nog te verrekenen verliezen, dan kan doorschuiven juist ongunstig uitpakken.

Twee posten die u makkelijk over het hoofd ziet

De eerste is de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u bedrijfsmiddelen mee waarop u investeringsaftrek hebt gehad, en zijn er sinds het begin van dat investeringsjaar nog geen vijf jaar verstreken, dan telt u hetzelfde percentage weer bij uw winst op zodra u in een jaar voor meer dan 2.900 euro desinvesteert. Meer dan u destijds hebt afgetrokken, wordt nooit bijgeteld. Vraag vóór de onderhandelingen een investeringsoverzicht van de laatste vijf jaar op en neem de uitkomst mee in de prijs.

De tweede is de herinvesteringsreserve, waarmee u de winst op een verkocht bedrijfsmiddel tijdelijk opzij zet om later opnieuw te investeren. Staat die nog op uw balans en staakt u de hele onderneming, dan valt de reserve verplicht vrij in de stakingswinst. Vergeet u dat, dan is het probleem niet weg: de Belastingdienst kan de reserve in een later jaar alsnog belasten, ook als uw onderneming dan feitelijk niet meer bestaat.

Wat betekent een share deal, en wie betaalt dan de belasting?

Verkoopt uw holding de aandelen? Dan geldt de deelnemingsvrijstelling

Houdt een holding-bv de aandelen in uw werk-bv, dan is de winst bij verkoop van die aandelen in beginsel onbelast. Dat komt door de deelnemingsvrijstelling, een regeling die voorkomt dat dezelfde winst twee keer met vennootschapsbelasting wordt belast. Zij geldt als de holding ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal van de werk-bv bezit. Dit is de reden dat een verkopende directeur-grootaandeelhouder (DGA) vrijwel altijd naar de share deal kijkt: de meerwaarde die bij een asset deal in de vennootschapsbelasting zou vallen, blijft nu buiten de heffing.

De keerzijde staat minder vaak in de presentatie van de adviseur. De opbrengst zit dan wel in de holding en niet op uw privérekening. Wilt u er privé over beschikken, dan volgt bij de uitkering alsnog heffing in box 2. En de kosten van de verkoop, van advocaat en notaris tot adviseurs en zelfs uw eigen interne uren, zijn bij de holding niet aftrekbaar. Dat aftrekverbod geldt alleen als de verkoop ook echt doorgaat. Ketst een transactie definitief af, dan zijn de kosten van dat traject in beginsel wel aftrekbaar. Verkoopt u de aandelen daarna alsnog aan een andere partij, dan moet per kostenpost worden beoordeeld of u die kosten ook zonder dat eerste traject had gemaakt. Kosten die pas een gevolg zijn van de verkoop, zoals een afscheidsbonus die u ná de overdracht toekent, vallen buiten het aftrekverbod. Leg daarom per factuur vast op welke transactie en op welke fase zij ziet; achteraf is dat niet meer te reconstrueren.

Houdt u de aandelen privé? Dan loopt de verkoop via box 2

Bezit u de aandelen rechtstreeks, zonder holding, dan is de verkoopwinst belast in box 2. Het belaste voordeel is de overdrachtsprijs min de verkrijgingsprijs, dat wil zeggen wat u destijds voor de aandelen hebt betaald. In 2026 betaalt u in box 2 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over het meerdere.

Hier ligt precies het spiegelbeeld van de holdingsituatie: de kosten tellen in box 2 juist wél mee. Aankoopprovisie, honoraria van adviseurs en notariskosten verhogen de verkrijgingsprijs, en de verkoopkosten verlagen de overdrachtsprijs. De grens is dat de kosten in onmiddellijk verband met de verkrijging moeten staan. Betaalde schenkbelasting, kosten om de verkrijgingsprijs te laten vaststellen en rente over de periode dat u de aandelen hield, tellen niet mee.

Let op één valkuil. Is uw bv ooit ontstaan uit een geruisloze inbreng van een eenmanszaak, dan kan de verkrijgingsprijs negatief zijn. In dat geval wordt bij de verkoop meer belast dan u aan verkoopprijs ontvangt. Vraag daarom vóór de onderhandelingen op wat uw fiscale verkrijgingsprijs is.

Wanneer is de verkoop fiscaal een feit?

Voor box 2 telt niet de datum van de notariële akte, maar het moment waarop de koopovereenkomst perfect wordt en het economische belang overgaat. Bij een transactie rond de jaarwisseling bepaalt dat in welk jaar u de belasting betaalt. Werkt u met een opschortende voorwaarde, bijvoorbeeld een blokkeringsregeling in de statuten, dan verschuift het moment naar de vervulling van die voorwaarde.

Wat als de prijs later nog verandert?

Een nabetaling of earn-out, dat is een deel van de prijs dat pas later wordt betaald als het bedrijf bepaalde resultaten haalt, werkt in box 2 anders dan onder de deelnemingsvrijstelling. Bij de holding valt een latere prijsaanpassing gewoon onder de vrijstelling en blijft die dus onbelast. In box 2 wordt in het jaar van de verkoop de hele overdrachtsprijs belast, ook het deel dat u nog niet hebt ontvangen. Staat de prijs niet vast, dan maakt u een schatting. Valt de opbrengst hoger uit, dan wordt het meerdere belast zodra u het ontvangt. Valt zij lager uit, dan telt het nadeel pas mee bij de laatste termijn.

Wat daarbij de doorslag geeft, is de tekst van de koopovereenkomst. Voert u alleen uit wat u al had afgesproken, bijvoorbeeld een balansgarantie waarin u garandeert dat de balans klopt en de prijs daalt als dat niet zo blijkt, dan is verdedigbaar dat de correctie terugwerkt naar het jaar van verkoop en dat die aanslag wordt verminderd. Over dat punt lopen de opvattingen in de vakliteratuur uiteen, dus laat de tekst van zo’n garantie vooraf fiscaal beoordelen. Spreekt u later alsnog een nieuwe prijs af, dan valt het nadeel in het jaar van die nieuwe afspraak. Een prijsverlaging die jaren later wordt overeengekomen, moet bovendien zakelijk zijn en aantoonbaar; anders wordt zij niet geaccepteerd.

Verkoopt u aan familie, tegen een vriendenprijs?

Ontbreekt een tegenprestatie of is de prijs tot stand gekomen in een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan rekent de Belastingdienst met de waarde in het economische verkeer. De Hoge Raad legt daarbij de nadruk op de bedoeling om de ander te bevoordelen: is die er niet, dan is er geen reden voor correctie. Bij een verkoop binnen de familie is de vastgelegde onderbouwing van de prijs daarom uw hele verweer. Leg de onderhandelingen en de waardering schriftelijk vast.

Rekenvoorbeeld: wat scheelt de routekeuze in de praktijk?

Stel: uw bedrijf is 800.000 euro waard. De fiscale boekwaarde van de bezittingen is 300.000 euro, dus er zit 500.000 euro aan meerwaarde en goodwill in. U hebt de AOW-leeftijd nog niet bereikt en verder geen ander inkomen in box 1. De bedragen hieronder zijn afgerond en dienen ter illustratie; uw eigen uitkomst hangt af van uw overige inkomen, uw leeftijd en de afspraken in de koopovereenkomst.

Figuur 3 laat eerst stap voor stap zien hoe die 500.000 euro bij een eenmanszaak tot een aanslag leidt.

Figuur 3: van meerwaarde naar aanslag bij een eenmanszaak, met de stakingsaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de stakingslijfrente.

RouteBelasting bij de verkoopToelichting
Eenmanszaak, activatransactieafgerond 204.400 euro in box 1stakingswinst 500.000 euro, min 3.630 euro stakingsaftrek, min 12,7 procent MKB-winstvrijstelling, dus 433.331 euro belastbaar
Bv verkoopt de onderneming115.400 euro vennootschapsbelastingboekwinst 500.000 euro: 19 procent over de eerste 200.000 euro en 25,8 procent over de rest. Het geld zit daarna nog in de bv
Holding verkoopt de aandelen0 euro bij de holdingdeelnemingsvrijstelling. De verkoopkosten zijn niet aftrekbaar en bij uitkering naar privé volgt nog box 2
DGA verkoopt de aandelen privéafgerond 204.800 euro in box 2opbrengst 800.000 euro, min 25.000 euro verkoopkosten, min 100.000 euro verkrijgingsprijs, dus 675.000 euro belast tegen 24,5 en 31 procent

 

Twee dingen vallen op. De eerste route en de laatste komen toevallig bijna op hetzelfde bedrag uit, maar de weg ernaartoe verschilt volledig; bij de eenmanszaak kunt u de rekening bijvoorbeeld nog verlagen met een stakingslijfrente. Zet u in het eerste voorbeeld 143.732 euro om in een lijfrente, dan daalt de aanslag naar afgerond 133.300 euro. Dat is uitstel, geen afstel: over de latere uitkeringen betaalt u alsnog belasting. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: de belasting bij de verkoop per route, bij een bedrijfswaarde van 800.000 euro en een boekwaarde van 300.000 euro.

Het tweede punt is dat de holdingroute in de tabel en in figuur 4 op nul lijkt uit te komen, maar dat niet is. Het geld staat dan in uw holding. Haalt u het naar privé, dan komt de box 2-heffing er alsnog achteraan. De vergelijking is dus pas eerlijk als u meeneemt wanneer en waarvoor u het geld nodig hebt.

Moet u btw rekenen over een asset deal?

Meestal niet, en dat is geen keuze maar een wettelijke regel. Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan wordt geacht dat er geen levering of dienst plaatsvindt. De koper treedt voor de btw in uw plaats. Die regel geldt van rechtswege zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Er zijn twee voorwaarden. Ten eerste moet u een geheel overdragen waarmee de koper zelfstandig een economische activiteit kan uitoefenen. De verkoop van alleen een voorraad producten of van losse machines valt daar niet onder. Blijft een onderdeel achter dat noodzakelijk is om de onderneming te drijven, dan is het geen algemeenheid meer. Of u het bedrijfspand in eigendom of in huur overdraagt, maakt niet uit; ook een huurrecht kan volstaan, mits het echt meegaat. Ten tweede moet de koper op het moment van de overdracht de bedoeling hebben om de onderneming voort te zetten en niet om haar meteen op te heffen en leeg te verkopen.

Brengt u toch btw in rekening terwijl deze regel geldt, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. De Belastingdienst kan die btw onder omstandigheden zelfs bij de koper naheffen. Dat is een discussie die u eenvoudig voorkomt: leg de voortzettingsbedoeling van de koper schriftelijk vast in de koopovereenkomst. Verplicht is dat niet, maar het kost niets en het is achteraf uw bewijs.

Twee aandachtspunten blijven. Btw-schulden die zijn ontstaan vóór de overdracht kunnen alleen bij u worden nageheven, niet bij de koper, en afspraken die u met de Belastingdienst hebt gemaakt gaan niet mee over. Laat lopende contracten bovendien intact meegaan in plaats van ze te beëindigen en de koper nieuwe te laten sluiten: doet u dat wel, dan kan de regeling alsnog niet van toepassing zijn.

Wanneer roept de verkoop overdrachtsbelasting op?

Zit er onroerend goed in de transactie, dan verdient de overdrachtsbelasting een eigen controle. In 2026 is het algemene tarief 10,4 procent en geldt voor woningen die niet als eigen hoofdverblijf worden gebruikt 8 procent.

Het verrassende nadeel bij een asset deal

Omdat bij een kwalificerende asset deal voor de btw geen levering plaatsvindt, kunt u ook geen beroep meer doen op de samenloopvrijstelling die dubbele heffing van btw en overdrachtsbelasting voorkomt. Er bestaat een goedkeuring die dit repareert, maar die kent eigen voorwaarden. Zit er vastgoed in de deal, laat dit dan vooraf toetsen. Het is een van de weinige punten waarop een fiscaal gunstige btw-behandeling tot een hogere rekening elders leidt.

Ook een aandelenverkoop kan belast zijn

Verkoopt u aandelen in een vennootschap die vooral vastgoed bezit, dan kan die verkoop toch overdrachtsbelasting oproepen. De wet merkt zo’n vennootschap aan als onroerendezaakrechtspersoon. Daarvoor moeten drie horden worden genomen. De bezittingen moeten voor meer dan 50 procent uit onroerende zaken bestaan en tegelijk voor ten minste 30 procent uit Nederlands vastgoed, gemeten naar de werkelijke waarde en niet naar de boekwaarde. Die onroerende zaken moeten voor ten minste 70 procent van hun waarde dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren daarvan; de feitelijke activiteiten tellen, niet de omschrijving in de statuten. En de koper moet een kwalificerend belang bereiken, in de regel ten minste een derde.

Voor de meeste MKB-bedrijven pakt dit gunstig uit: een gewone werk-bv met een eigen bedrijfspand valt hierbuiten, omdat het pand dienstbaar is aan de onderneming en niet aan de exploitatie van vastgoed. Een vastgoed-bv die aan derden verhuurt, valt er juist onder. Twee dingen zijn dan van belang. Er geldt een terugblik van een jaar, dus de balans tijdelijk verwateren met liquide middelen werkt niet. En verkopen in twee tranches helpt evenmin: verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde koper en zijn naaste kring worden bij elkaar opgeteld, zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Bij een belaste verkrijging van aandelen doet niet de notaris maar de koper zelf aangifte.

Eerst een bv tussen uzelf en uw onderneming zetten?

Wie een eenmanszaak heeft en fiscaal liever een share deal doet, kan de onderneming eerst inbrengen in een bv en daarna de aandelen verkopen. Dat kan geruisloos, dus zonder direct af te rekenen. Er zit alleen een stevige rem op. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng, dan geldt het vermoeden dat de inbreng onderdeel was van een plan om de onderneming over te dragen, en dan vervalt de faciliteit. U mag tegenbewijs leveren, maar de bewijslast ligt volledig bij u. De termijn begint te lopen op de oprichtingsdatum van de bv. Figuur 5 laat die route en die termijn zien.

 Figuur 5: eerst een bv tussen uzelf en de onderneming zetten en daarna de aandelen verkopen, met de driejaarstermijn na de inbreng.

Het alternatief is een ruisende inbreng: u rekent direct af, zet de stakingswinst om in een stakingslijfrente en de bv mag daarna afschrijven over de hogere waarde. De vuistregel uit de vakliteratuur is eenvoudig. Past de stakingswinst binnen de ruimte voor lijfrenteaftrek, dan is een ruisende inbreng meestal de betere keuze. Is de stakingswinst hoger, dan komt de geruisloze inbreng in beeld. Reken beide varianten door voordat u een letter of intent tekent.

Zit uw onderneming al in een concern, dan gelden vergelijkbare wachttijden. Is binnen een fiscale eenheid, waarbij meerdere bv’s samen één aangifte doen, vermogen met een meerwaarde verschoven en wordt de betrokken vennootschap daarna verkocht, dan volgt herwaardering naar de werkelijke waarde, tenzij er zes jaar zijn verstreken. Alleen als een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan is overgedragen tegen uitgifte van nieuwe aandelen, geldt een kortere termijn van drie jaar; die eis van uitgifte van aandelen is hard. Die sanctie kent geen tegenbewijs. Bij een verkoop onder ontbindende voorwaarden begint de klok bovendien later te lopen dan de koopovereenkomst suggereert, namelijk pas als vaststaat dat aan alle voorwaarden is voldaan. De les is steeds dezelfde: herstructureer vóórdat een verkoopproces begint, niet erna.

Draagt u over aan uw kind? Dan is verkopen vaak niet de route

Gaat het bedrijf naar de volgende generatie, dan is de vraag niet asset of share, maar verkopen of doorschuiven. Bij vererving en bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen, dat wil zeggen een belang van ten minste 5 procent in een bv, kunt u samen met de verkrijger verzoeken de overgang niet als vervreemding aan te merken, voor zover de waarde is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. U rekent dan niet af; de claim schuift door naar uw kind. Bij schenking geldt sinds 1 januari 2025 dat de verkrijger 21 jaar of ouder moet zijn; de oude eis van 36 maanden dienstbetrekking is vervallen.

Beleggingsvermogen gaat niet mee. Als ondernemingsvermogen telt het vermogen dat aan de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met beleggingsvermogen tot ten hoogste 5 procent daarvan. Panden die u meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking stelt, vallen erbuiten, net als bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer die u voor meer dan een klein deel privé gebruikt. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privégebruik. Let er verder op dat de doorschuifregeling in box 2 zelf geen bezits- of voortzettingseis kent; die eisen gelden in de schenk- en erfbelasting, waar de voortzettingstermijn per 1 januari 2026 is verkort van vijf naar drie jaar.

Welke risico’s blijven na de verkoop bij u liggen?

Met de handtekening onder de akte bent u er niet. Vier regelingen lopen door, en juist die worden in de prijsonderhandeling het vaakst vergeten. Figuur 6 zet de termijnen op een rij.

Figuur 6: de aansprakelijkheden en termijnen die na de overdracht doorlopen.

Aansprakelijkheid bij verkoop van een kasrijke of beleggende bv

Verkoopt u, samen met uw partner en bloedverwanten in de rechte lijn, een belang van ten minste een derde in een vennootschap waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen bestaan, en liquide middelen tellen daarbij mee, dan kunt u nog jaren na de verkoop aansprakelijk worden gesteld. Het gaat om de volledige vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop, ongeacht waar die winst vandaan komt, plus de vennootschapsbelasting over de drie jaren daarna voor zover die samenhangt met de reserves die op het moment van verkoop in de bv zaten.

Die aansprakelijkheid ontstaat alleen als het vermogen van de vennootschap buiten de normale bedrijfsvoering is verminderd, in de vijf jaar vóór, in het jaar van of in de drie jaar na de verkoop. Een gewone winstuitkering of de betaling van vennootschapsbelasting telt daar niet voor mee. De omvang van de onttrekking is echter niet relevant: in beginsel kan één euro al genoeg zijn om de aansprakelijkheid in werking te zetten. De mogelijkheid om u vrij te pleiten is sinds 2015 sterk versmald en de bewijslast ligt bij u. Zij geldt alleen nog voor een deel van de reserves, en dan nog alleen als de zaken en rechten waarop die reserves zien na de verkoop ten minste zes maanden in de bv blijven.

Twee maatregelen hebben in de rechtspraak geholpen. De eerste is uitvoerig en aantoonbaar onderzoek naar de achtergrond van de koper en naar zijn plannen met de aankoop. De tweede is het bedrag aan latent verschuldigde vennootschapsbelasting via de kwaliteitsrekening van de notaris aan de vennootschap betalen. Die rechtspraak dateert wel van vóór de aanscherping van 15 september 2015, dus onder het huidige recht bieden deze maatregelen minder zekerheid dan destijds. Ze blijven niettemin het beste dat u kunt doen. Leg vóór de overdracht schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht: dat dossier is achteraf uw enige verweer.

Aansprakelijkheid uit een fiscale eenheid

Maakte de verkochte bv deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan blijft zij hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting van de hele eenheid over de periode waarin zij daarvan deel uitmaakte. Hoofdelijk aansprakelijk betekent dat de Belastingdienst de hele schuld bij haar kan opeisen. De wet regelt niet wie dat uiteindelijk draagt, dus dat moet in de koopovereenkomst worden afgesproken. Bestond er een fiscale eenheid voor de btw, dan geldt daar een aansprakelijkheid zonder ontsnappingsmogelijkheid, die pas eindigt als de bv feitelijk niet meer tot die eenheid behoort én u de inspecteur daarover schriftelijk hebt geïnformeerd. Zet die melding op de checklist voor de dag van de overdracht.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Treedt u bij de overdracht af als bestuurder, dan bent u niet van uw verleden af. U blijft aansprakelijk voor belastingschulden die tijdens uw bestuur zijn ontstaan, ook als de aanslag pas veel later wordt opgelegd. Kan de vennootschap in die periode niet betalen, dan moet dat onverwijld bij de ontvanger zijn gemeld, in de praktijk uiterlijk twee weken na de dag waarop betaald had moeten worden.

Wat regelt u civielrechtelijk en voor uw personeel?

Hier zit het praktische verschil tussen de twee routes, en het is precies omgekeerd aan het fiscale beeld.

Bij een share deal gaat er één ding over: het aandeel, geleverd bij notariële akte. Wel moet u eerst de blokkeringsregeling in de statuten volgen, de bepaling die u meestal verplicht de aandelen eerst aan uw mede-aandeelhouders aan te bieden. Een overdracht in strijd met zo’n statutaire beperking is ongeldig.

Bij een asset deal moet elk vermogensbestanddeel afzonderlijk worden geleverd. Onroerende zaken gaan via een notariële akte met inschrijving in de openbare registers, vorderingen via een akte met mededeling aan de debiteur. Schulden gaan alleen over als de schuldeiser toestemming geeft, en een contract gaat alleen over met medewerking van de wederpartij. Daar zit de pijn: change-of-controlbepalingen, huurcontracten, leases, vergunningen en licenties moeten stuk voor stuk worden nagelopen. Begin daar vroeg mee, want het duurt vrijwel altijd langer dan gepland.

Voor uw medewerkers geldt het omgekeerde. Bij een asset deal die kwalificeert als overgang van onderneming gaan de arbeidsovereenkomsten van rechtswege mee over, en blijft u nog een jaar hoofdelijk verbonden voor verplichtingen van vóór de overgang. Pensioen kent een eigen regime. Bij een share deal blijft de bv gewoon de werkgever en verandert er arbeidsrechtelijk niets. Bij beide routes geldt wel het adviesrecht van de ondernemingsraad. Het advies moet worden gevraagd op een moment waarop het nog invloed kan hebben op uw besluit, en wijkt u van het advies af, dan moet u de uitvoering een maand opschorten. Hebt u geen ondernemingsraad, dan informeert u de medewerkers zelf over het besluit, de datum, de reden en de gevolgen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de route vroeg. De keuze tussen asset deal en share deal vraagt vaak jaren voorbereiding. Begin het gesprek voordat een koper zich meldt, niet erna.
  • Laat het bedrijf waarderen. Zonder een onderbouwde waardering weet u niet hoe groot de meerwaarde is en kunt u de routes niet vergelijken.
  • Vraag uw verkrijgingsprijs op. Bij een verkoop in box 2 bepaalt de verkrijgingsprijs de heffing. Na een geruisloze inbreng kan die negatief zijn.
  • Check de stakingsaftrek. Die geldt eenmaal in uw leven. Laat oude aangiften nakijken als u eerder een onderneming hebt beëindigd.
  • Reken de lijfrenteruimte door. Doe dat voordat de overdrachtsdatum vastligt, en houd rekening met de betaaltermijn van zes maanden na afloop van het stakingsjaar.
  • Haal het investeringsoverzicht op. Investeringsaftrek uit de laatste vijf jaar kan een desinvesteringsbijtelling opleveren die de opbrengst verlaagt.
  • Leg de koopprijsverdeling vast. Verdeel de koopsom per bedrijfsmiddel en onderbouw dat met taxaties op het moment van tekenen.
  • Beoordeel de btw. Gaat een hele onderneming over, dan mag u geen btw factureren. Leg de voortzettingsbedoeling van de koper vast in de overeenkomst.
  • Toets het vastgoed apart. Zit er onroerend goed in de deal, controleer dan de samenloop met de overdrachtsbelasting en of de bv als onroerendezaakrechtspersoon geldt.
  • Bewaak de wachttijden. Drie jaar na een geruisloze inbreng, en drie of zes jaar na een interne overdracht binnen een fiscale eenheid. Hebt u eerder een bedrijfsfusie of afsplitsing gedaan, waarbij een onderdeel van uw bedrijf naar een andere bv is verplaatst, laat dan vóór de verkoop toetsen of de fiscale faciliteit in stand blijft; de rechtspraak op dat punt is in 2026 gewijzigd.
  • Documenteer de koper. Verkoopt u een bv met veel beleggingen of spaargeld, leg dan schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht.
  • Meld het einde van een btw-eenheid. Zonder schriftelijke melding aan de inspecteur loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid gewoon door.
  • Vraag de ondernemingsraad tijdig om advies. Of informeer uw medewerkers als er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is.

 

Veelgestelde vragen

Is een share deal altijd voordeliger voor de verkoper?

Nee. Voor een DGA met een holding is de share deal meestal het gunstigst, omdat de deelnemingsvrijstelling de verkoopwinst vrijstelt. Maar de opbrengst zit dan in de holding en bij uitkering naar privé volgt alsnog box 2. Hebt u een eenmanszaak, dan bestaat de keuze niet en is de vraag vooral of u vooraf een bv tussen uzelf en de onderneming zet.

Moet u btw rekenen als u uw onderneming verkoopt?

Draagt u een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan geldt van rechtswege dat er geen levering plaatsvindt en mag u geen btw factureren. Doet u dat toch, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. Bij een aandelenverkoop speelt dit niet, omdat de bv dezelfde ondernemer blijft.

Kunt u de belasting over de stakingswinst uitstellen?

Ja, op twee manieren. U kunt de stakingswinst omzetten in een lijfrente, in 2026 tot maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro afhankelijk van uw situatie. Of u schuift de winst door naar een nieuwe onderneming, mits u binnen twaalf maanden herinvesteert. Beide routes stellen de heffing uit; ze stellen haar niet af.

Zijn uw advieskosten bij de verkoop aftrekbaar?

Dat hangt af van de route. Verkoopt uw holding de aandelen, dan zijn de aan- en verkoopkosten niet aftrekbaar, ook niet uw eigen interne uren. Verkoopt u de aandelen privé, dan verlagen de verkoopkosten juist uw belaste voordeel in box 2. Bij een asset deal zijn transactiekosten in beginsel gewone ondernemingskosten.

Kunt u na de verkoop nog aansprakelijk worden gesteld?

Ja. Verkoopt u aandelen in een bv waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen of liquide middelen bestaan, dan kunt u aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting van die bv over het jaar van verkoop en de drie jaren daarna. Ook aansprakelijkheden uit een fiscale eenheid en uit uw bestuursperiode lopen door. Onderzoek naar de koper en goede contractuele afspraken beperken dat risico.

U wilt uw bedrijf overdragen aan uw kind. Geldt dit artikel dan ook?

Gedeeltelijk. Bij een overdracht binnen de familie is doorschuiven meestal aantrekkelijker dan verkopen. Bij vererving en schenking van aanmerkelijkbelangaandelen kunt u de box 2-claim doorschuiven voor zover die ziet op het ondernemingsvermogen. Bij schenking moet uw kind 21 jaar of ouder zijn. Beleggingsvermogen gaat niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze tussen een asset deal en een share deal is vrijwel altijd het duurste besluit van een verkooptraject, en de beste beslissing neemt u jaren voordat de koper zich meldt. Taxcount rekent beide routes voor u door op basis van uw eigen cijfers, brengt de meerwaarde en de fiscale reserves in kaart en laat zien wat een geruisloze of ruisende inbreng in uw situatie oplevert. Wij toetsen de btw-behandeling, de samenloop met de overdrachtsbelasting bij vastgoed, de wachttijden na een eerdere herstructurering en de aansprakelijkheden die na de overdracht doorlopen. Ook de fiscale bepalingen in de koopovereenkomst nemen wij met u door, van de koopprijsverdeling tot de earn-out en de balansgarantie.

Overweegt u de komende jaren te verkopen of ligt er al een bod op tafel? Laat uw situatie dan vrijblijvend beoordelen, zodat u weet welke route in uw geval het meeste oplevert en welke stappen u nu al moet zetten.

Dit artikel bevat algemene informatie over de verkoop van een onderneming en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie, uw rechtsvorm en de afspraken in de koopovereenkomst. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een transactie aangaat.

Zie ook:

Terugbetaling van gestort kapitaal: zo haal je geld uit je bv zonder directe heffing in box 2

Je wil geld uit je bv naar privé halen, boven je salaris, maar je ziet op tegen de belasting die daarbij hoort. Over een dividenduitkering betaal je in 2026 24,5 procent tot en met 68.843 euro en 31 procent over het meerdere. Er bestaat een route die dat kan uitstellen: de terugbetaling van gestort kapitaal. Wat je ooit zelf op je aandelen heeft ingelegd, kun je onder voorwaarden onbelast terugkrijgen. De wetgever stelt daar wel drie formele eisen aan, en één gemiste of te laat gezette stap maakt de hele uitkering alsnog belast. In dit artikel lees je wanneer een terugbetaling van gestort kapitaal onbelast blijft, waarom agio eerst moet worden omgezet in aandelenkapitaal, en wat je geregeld moet hebben vóórdat het geld je bv verlaat.

Wat is een terugbetaling van gestort kapitaal?

Als je bv geld overmaakt naar je als aandeelhouder, moet duidelijk zijn waar dat geld vandaan komt. Komt het uit de winst, dan is het dividend en betaal je daarover belasting in box 2. Komt het uit het geld dat je zelf ooit in de bv heeft gestopt, dan krijg je in feite je eigen inleg terug. Zo’n teruggaaf hoort niet belast te zijn: je wordt er niet rijker van.

De wet onderscheidt drie soorten geld die een bv kan uitkeren:

  1. Gestort aandelenkapitaal: het geld dat je bij oprichting of later als kapitaal hebt gestort. Dit mag je onbelast terugkrijgen.
  2. Agio: het geld dat je meer hebt betaald dan de nominale waarde van je aandelen. Dit moet eerst worden omgezet naar aandelenkapitaal.
  3. Ingehouden winst: winst die je niet hebt uitgedeeld. Dit is dividend en belast.

De drie voorwaarden voor onbelaste terugbetaling

Niet elke terugbetaling van gestort kapitaal is onbelast. Je moet aan drie voorwaarden voldoen. Mis je er één, dan wordt de hele terugbetaling belast als dividend.

Voorwaarde 1: het geld moet echt gestort kapitaal zijn

Dit lijkt simpel, maar het kan ingewikkelder zijn dan je denkt. Je bv is opgericht met (bijvoorbeeld) 100 euro nominaal kapitaal, en je hebt meer geld in de bv gestopt. Dat extra geld is “agio” — je hebt meer betaald dan de nominale waarde. Dat agio is niet onbelast terug te halen zolang het in het agio-deel zit.

Voorbeeld 1: Je richt je bv op met 1 aandeel van 100 euro nominaal kapitaal. Je stort 90.000 euro extra. Totaal heb je 90.100 euro ingelegd, maar alleen 100 euro daarvan is “gestort kapitaal” — de rest (90.000 euro) is agio. Dit agio kan je alleen onbelast terugkrijgen als je het eerst in aandelenkapitaal omzet (zie verderop).

\n

Voorwaarde 2: het moet goedgekeurd worden door de aandeelhoudersvergadering

\n

Je kunt niet zomaar geld uit je bv halen. Je moet dit voorstel voorleggen in de aandeelhoudersvergadering en het goedkeuren. Dit moet gebeuren VÓÓR het geld de bv verlaat. Doe je het daarna, dan telt het niet.

\n

Voorbeeld 2: Je stuurt je accountant op maandag geld door naar privé (500.000 euro, bedoeld als terugbetaling van kapitaal). Dinsdag hou je een aandeelhoudersvergadering en legt dit voor. Te laat! De goedkeuring moet voor de betaling komen.

\n

Bij bv met één aandeelhouder (jezelf): je kan dit informeel doen (jezelf goedkeuren), maar je moet het wel vastleggen in een notulen of e-mail. Zonder schriftelijk bewijs, twijfelt de Belastingdienst.

\n

Voorwaarde 3: de balans moet in orde zijn

\n

De bv moet voldoende middelen hebben. De waarde van het gestort kapitaal plus eventueel nog ingehouden winst moet gelijk of hoger zijn dan het bedrag dat je teruggaat krijgen. Klinkt logisch, maar veel ondernemers rekenen dit fout.

\n

Voorbeeld 3: Je bv heeft een balans van 200.000 euro (waarvan 100.000 gestort kapitaal en 100.000 ingehouden winst). Je wil jezelf 150.000 euro teruggeven. De Belastingdienst kan dan zeggen: “Je hebt maar 100.000 euro gestort kapitaal, dus die 150.000 euro kan niet helemaal gestort kapitaal zijn; het restant (50.000 euro) moet dividend zijn.”

\n

Hoe je agio omzet in gestort kapitaal

\n

Veel bv’s hebben agio — geld dat je meer hebt betaald dan nominaal. Dit agio kun je onbelast terugkrijgen, maar dan moet het eerst in aandelenkapitaal worden omgezet. Hier zijn de stappen:

\n

    \n

  1. Hou een aandeelhoudersvergadering. Besluit dat je het agio (bijvoorbeeld 90.000 euro) omzet in aandelenkapitaal.
  2. \n

  3. Wijzig je statuten. Dit moet formeel vastgelegd worden in je statuten.
  4. \n

  5. Stort het nog niet uit. Je bv hoeft niets te doen; het geld blijft in de bv, maar het status verandert van “agio” naar “gestort kapitaal”.
  6. \n

  7. Nu kan je het onbelast terugbetalen. Met de volgende aandeelhoudersvergadering kan je dit nieuwe gestort kapitaal onbelast teruggeven.
  8. \n

\n

Dit kost je geen geld, het gebeurt alleen op papier. Veel ondernemers laten dit moment liggen en betalen onnodig box 2-belasting over hun eigen geld.

\n

Praktische checklist: voor je geld uit je bv haalt

\n

    \n

  • Controleer je balans. Hoeveel gestort kapitaal zit er in je bv? Alleen dit bedrag kan je onbelast terughalen.
  • \n

  • Zet agio om in gestort kapitaal. Dit gaat makkelijk en levenseft veel belasting op. Doen!
  • \n

  • Hou een aandeelhoudersvergadering. Vastleggen dat je jezelf het bedrag teruggaat betalen.
  • \n

  • Documenteer dit goed. Notulen van de vergadering, schriftelijke goedkeuring als je alleen aandeelhouder bent.
  • \n

  • Bet het geld daarna uit. Niet andersom.
  • \n

  • Controleer de timing. Gebeurt dit alles in dezelfde periode (maand)? Goed. Of spreidt je het uitdrukkelijk zodat duidelijk is dat eerst de goedkeuring en dan de betaling komt? Ook goed.
  • \n

  • Laat je accountant dit checken. Zeker als het veel geld betreft.
  • \n

\n

Twee meer voorbeelden

\n

Voorbeeld: terugbetaling in de praktijk

\n

Jouw bv is vijf jaar geleden opgericht met 1.000 euro kapitaal, en je hebt 200.000 euro extra gestort. De balans toont nu 210.000 euro (je hebt 10.000 euro winst gemaakt). Van dit alles is:

\n

    \n

  • 1.000 euro: nominaal gestort kapitaal
  • \n

  • 200.000 euro: agio (extra gestort, geen nominaal kapitaal)
  • \n

  • 9.000 euro: ingehouden winst
  • \n

\n

Stap 1: Zet het agio (200.000 euro) om in gestort kapitaal. Nu is de balans:

\n

    \n

  • 201.000 euro gestort kapitaal
  • \n

  • 9.000 euro ingehouden winst
  • \n

\n

Stap 2: Je wil jezelf 150.000 euro uitbetalen. Met de aandeelhoudersvergadering goed je dit goed. De terugbetaling mag onbelast gebeuren.

\n

Stap 3: De bv betaalt je 150.000 euro. Dit is onbelast.

\n

Na afwikkeling heeft je bv nog 60.000 euro (150.000 euro gestort kapitaal, 9.000 euro winst, minus de 150.000 euro die je eruit hebt gehaald). Hiervan is 51.000 euro gestort kapitaal en 9.000 euro ingehouden winst.

\n

Voorbeeld: wat fout kan gaan

\n

Je houdt de aandeelhoudersvergadering NADAT je jezelf het geld hebt overgemaakt. De Belastingdienst ziet dat en zegt: “Dit geld is niet goedgekeurd voordat het werd uitbetaald; dus het telt als dividend en je betaal je hier box 2-belasting over.” Resulaat: je betaal alsnog 24,5% of 31% belasting.

\n

Veelgestelde vragen

\n

Kan ik dit ook doen als ik niet de enige aandeelhouder ben?

\n

Ja, maar dan moet ELKE aandeelhouder instemmen in de aandeelhoudersvergadering. Heb je een partner met 50%, dan moet die ook akkoord gaan.

\n

Hoeveel keer per jaar kan ik dit doen?

\n

In principe onbeperkt, zolang er gestort kapitaal in de bv zit. Veel ondernemers doen dit meermaals per jaar. Telkens moet je wel die formele stappen volgen.

\n

Mag ik meer terugbetalen dan ik heb gestort?

\n

Nee. Je bv moet de middelen hebben. Heb je 100.000 euro gestort en je bv heeft maar 80.000 euro, dan kan je maximaal 80.000 euro onbelast terugkrijgen.

\n

Telt agio ook als gestort kapitaal?

\n

Alleen als je het expliciet hebt omgezet. In de basis: nee. Je moet actief beslissen dat het agio in gestort kapitaal wordt omgezet (statuten wijzigen, aandeelhoudersvergadering).

\n

Hoe Taxcount je kan helpen

\n

Dit lijkt ingewikkelder dan het is, maar de formele vereisten zijn strikt. Één misstap en je betaalt onnodig veel box 2-belasting. Taxcount controleert je bv-balans, adviseert op het moment van agio-omzetting, begeleidt je bij de aandeelhoudersvergadering, en zorgt dat alle papierwerk klopt. Wil je jezelf geld uit je bv halen? Vraag ons eerst, zodat je geen geld weggooitaan belasting.

\n

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen individueel fiscaal advies. De regels zijn strikt en de Belastingdienst controleert scherp. Vraag altijd advies voordat je jezelf geld teruggaat betalen.

\n

Zie ook:

\n

Je BV opheffen: zo verloopt de liquidatie en dit betaal je aan belasting in 2026

Je bent gestopt met ondernemen, je hebt je activiteiten verkocht of je holding heeft geen functie meer. Dan blijft er een vennootschap over die alleen nog kosten en administratie oplevert. Je BV opheffen klinkt als een formaliteit, maar het is vooral een fiscale beslissing. De BV rekent in haar laatste jaar af over alles wat nog niet is belast. Daarnaast betaal je als aandeelhouder belasting in box 2 over wat je uit de BV krijgt. De datum waarop je de afwikkeling afrondt, bepaalt in welk jaar die belasting valt en of je een verlies nog kunt gebruiken. In dit artikel lees je hoe de opheffing juridisch verloopt, welke belasting de BV en je zelf betalen, welke termijnen hard zijn en wat je vóór de opheffing moet regelen.

Wat betekent het opheffen van een BV precies?

Een BV verdwijnt in twee stappen. Eerst is er de ontbinding: het besluit van de aandeelhoudersvergadering om te stoppen. Daarna volgt de vereffening: de bezittingen worden verkocht, de schulden worden betaald en wat overblijft gaat naar de aandeelhouders. Pas als de vereffening klaar is, houdt de BV op te bestaan. Tussen die twee momenten blijft de BV gewoon bestaan en voert zij achter haar naam de toevoeging “in liquidatie” of “in vereffening” op de website.

Stap 1: de ontbinding

Dit is puur juridisch. Je houdt een aandeelhoudersvergadering en beslist dat je stopt. Dat besluit voer je in via KVK en het Handelsregister. Je BV begint dan officieel met liquideren. Voor belastingdoeleinden is dit het moment waarop de BV haar normale werkzaamheden beëindigt en naar het uitfaseringsstadium gaat.

Stap 2: de vereffening

Dit is waar het werk zit. Je moet:

  • Alle activa verkopen (gebouwen, inventaris, klantbestanden, rechten).
  • Alle schulden betalen (leningen, leveranciersrekeningen, salarisverplichting).
  • Alle belastingschulden voldoen (omzetbelasting, vennootschapsbelasting).
  • Al je personeel ontslaan.
  • Je administratie op orde krijgen en je aangiften doen.

Je benoemt meestal een vervener. Dit kan je accountant zijn, je zelf, of iemand anders. De vervener voert de liquidatie uit onder toezicht van de aandeelhouders. Hoe langer je erover doet, hoe meer kosten de vereffening je kost.

Fiscale gevolgen van opheffing

Voor de BV zelf

De BV doet in haar laatste jaar belastingaangifte over het resultaat van dat jaar. Dat resultaat kun je beïnvloeden: je verkoopt je activa en betaalt je schulden, waarna het verschil — winst of verlies — in aangifte gaat. Veel ondernemers proberen hier verlies te realiseren door waarden af te schrijven of voorraden te ontwaarden.

Let op: dit mag, maar alleen als het economisch gerechtvaardigd is. Je kunt niet zomaar je bedrijfsgebouw op 1 euro waarderen als het eigenlijk 200.000 euro waard is. Hoe beter je dit voorbereidt, hoe eerder je verlies en de bijbehorende belastingbesparing (verliesvoorvoering) kunt realiseren.

\n

Voor jou als aandeelhouder

\n

Als de BV is leeggelopen, krijg je de rest van het geld. Dit is dividend en onderworpen aan box 2-belasting. In 2026 betaal je 24,5% over winsten tot 68.843 euro en 31% daarover. Dit kan je flink raken, afhankelijk van hoeveel geld er nog in de BV zit.

\n

Voorbeeld: Je BV wordt opgeheven met nog 100.000 euro in kas. Je betaalt daar nu 24,5% of 31% box 2-belasting op, dus 24.500 tot 31.000 euro.

\n

Termijnen en harde deadlines

\n

De volgende termijnen zijn niet flexibel:

\n

    \n

  • Inschrijving ontbinding KVK: binnen twee weken na aandeelhoudersvergadering.
  • \n

  • Aangifte vennootschapsbelasting afgeslankte vereffening: binnen twee maanden na jaar waarin opheffing plaatsvindt.
  • \n

  • Aangifte definitieve vereffening: nog voor je de BV uit het Handelsregister haalt (dus na ongeveer een jaar).
  • \n

  • Omzetbelasting tijdens vereffening: je blijft btw-aangifte doen zolang je btw-plichtig bent (meestal tot je laatste btw-aangifte).
  • \n

\n

Waar je voordeel kunt halen

\n

Veel ondernemers laten geld onnodig veel belasting betalen. Enkele ideëen:

\n

1. Realiseer verlies in de BV. Schrijf voorraden af die niet meer verkoopbaar zijn, waarderen jaarrekeningposten realistisch, en verkoop vaste activa met verlies (je auto, je computer). Dit verlies vervalt tegen je winst en bespaart je vennootschapsbelasting.

\n

2. Betaal jezelf uit voor je stopt. Kan je jezelf nog een bonus geven vóór sluiting? Dit verliest de BV geld en bespaart vennootschapsbelasting. Maar opgepast: dit mag alleen als dit econom

Heffingskortingen in 2026: zo zorg je dat je geen korting op je belasting misloopt

Bijna iedereen die in Nederland belasting betaalt, heeft recht op heffingskortingen: kortingen die je belastingaanslag rechtstreeks verlagen. Toch laten veel mensen elk jaar geld liggen, omdat een deel van die kortingen alleen bij je terechtkomt als je er zelf om vraagt. In dit artikel lees je welke heffingskortingen er in 2026 zijn, hoeveel ze bedragen en, belangrijker nog, hoe je voorkomt dat een korting verloren gaat. We leggen uit waarom je zonder aangifte een teruggaaf kunt mislopen, wat er misgaat bij twee banen en welke ruimte je als ondernemer, DGA of partner hebt om meer uit je kortingen te halen. Zo weet je precies wat je praktisch moet regelen.

Wat is een heffingskorting?

Je belasting wordt in twee stappen berekend. Eerst wordt de belasting over box 1, 2 en 3 bij elkaar opgeteld. Daarna gaan de heffingskortingen daarvan af. Een heffingskorting verlaagt dus niet je inkomen, maar direct het bedrag dat je aan belasting en premies betaalt. Eén euro korting is één euro minder betalen. Dat maakt heffingskortingen waardevoller dan een aftrekpost van hetzelfde bedrag.

De meeste heffingskortingen zijn inkomensafhankelijk. Ze bouwen op naarmate je meer werkt, of ze bouwen juist af naarmate je inkomen stijgt. Daardoor verandert het bedrag dat je krijgt van jaar tot jaar met je situatie.

Welke heffingskortingen zijn er in 2026?

De wet kent zeven heffingskortingen. Samen vormen zij de standaardheffingskorting. Niet iedereen heeft recht op alle zeven; het hangt af van je inkomen, je leeftijd en je gezinssituatie. Het overzicht hieronder laat de belangrijkste bedragen voor 2026 zien, en of de korting al automatisch in je loon wordt verwerkt (zie figuur 1).

Figuur 1: De zeven heffingskortingen in 2026 met hun maximumbedragen en of ze automatisch in je loon zitten. De twee blauw gemarkeerde kortingen, de combinatiekorting en de korting groene beleggingen, moet je zelf aanvragen.

De twee bekendste kortingen zijn de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De algemene heffingskorting krijgt vrijwel iedere belastingplichtige. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.115 euro en daalt met 6,398% van het deel van je verzamelinkomen boven 29.736 euro. Vanaf een inkomen van ongeveer 78.400 euro is zij nihil. De arbeidskorting krijg je als je werkt. Zij loopt op tot maximaal 5.685 euro en daalt daarna met 6,51% van het arbeidsinkomen boven 45.592 euro, tot zij bij ongeveer 132.900 euro op nihil uitkomt.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is er voor werkende ouders met een jong kind. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.032 euro. De ouderenkorting (maximaal 2.067 euro) en de alleenstaande ouderenkorting (540 euro) gelden vanaf de AOW-leeftijd. De jonggehandicaptenkorting (923 euro) is er voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering. De korting voor groene beleggingen is klein (ongeveer 27 euro per persoon) en verdwijnt bovendien na 2027, dus alleen 2026 is nog interessant.

Waarom je nooit meer korting krijgt dan je aan belasting betaalt

Er zit een rem op de heffingskortingen. Je krijgt nooit meer korting dan het bedrag dat je werkelijk aan belasting en premies verschuldigd bent. Wie weinig inkomen heeft, kan zijn korting dus niet helemaal benutten. Het deel dat je niet kunt gebruiken, vervalt. Dat treft vooral mensen met een laag inkomen, en het kan ook gebeuren als je een grote aftrekpost of een verlies in mindering brengt: daardoor daalt de belasting die je verschuldigd bent, en daarmee de ruimte om kortingen tegen af te zetten.

Er is één uitzondering. Verdien je weinig en heeft je partner een goed inkomen, dan kan de algemene heffingskorting soms via je partner worden uitbetaald. Sinds 2023 geldt die uitbetaling alleen nog voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1963. Voor jongere partners vervalt de onbenutte korting. Volgens de plannen van het kabinet komt er vanaf naar verwachting 2028 een gedeeltelijke uitbetaling terug voor jongere partners, maar dat is nu nog geen geldend recht.

De grootste gemiste kans: een teruggaaf die je zelf moet ophalen

Je werkgever of uitkeringsinstantie verwerkt een deel van je heffingskortingen al maandelijks in de loonheffing. Dat gebeurt alleen als je daarvoor een verzoek hebt gedaan, en het mag maar bij één werkgever tegelijk. Wat er te veel is ingehouden, is een voorheffing die je met je aanslag verrekent. Maar dat gaat niet vanzelf: zonder aangifte of voorlopige teruggaaf wordt dat bedrag niet aan je uitbetaald. Bij een teruggaaf van 18 euro of minder blijft de aanslag zelfs op nul staan.

Dit is de meest voorkomende gemiste kans. Wie een deel van het jaar heeft gewerkt, bij geen enkele werkgever de korting liet toepassen, of een korting heeft die niet in het loon zit, heeft vaak recht op geld terug. Vooral scholieren, studenten, seizoenswerkers en herintreders lopen zo elk jaar een teruggaaf mis. Herken je een van de vier situaties hierna, dan is aangifte doen de moeite waard (zie figuur 2).

Figuur 2: Vier situaties waarin je een teruggaaf kunt mislopen. Herken je er één, dan levert een aangifte of een voorlopige teruggaaf je geld op; zonder aangifte betaalt de Belastingdienst het te veel ingehouden bedrag niet uit.

Het goede nieuws: je kunt tot vijf jaar terug alsnog aangifte doen. Voor 2026 betekent dat dat de jaren 2021 tot en met 2026 nog openstaan (zie figuur 3). Een aangifte binnen die termijn verplicht de Belastingdienst om een aanslag op te leggen en de te veel ingehouden belasting terug te betalen. Dat kan zomaar vijf keer hetzelfde bedrag opleveren in plaats van één keer. Let op: dit werkt alleen zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Ligt die er al, dan is herstel vaak niet meer mogelijk.

Figuur 3: Over de jaren 2021 tot en met 2026 kun je nog aangifte doen, zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Jaren ouder dan vijf jaar zijn gesloten. Elk jaar schuift deze termijn een jaar op.

Kortingen die niet in je loon zitten

Twee kortingen worden nooit automatisch in de loonheffing verwerkt: de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de korting voor groene beleggingen. Die krijg je dus alleen via de aangifte of een voorlopige teruggaaf. Een ouder met een kind onder de 12 jaar en een lager arbeidsinkomen dan de partner loopt zonder aangifte tot 3.032 euro mis. Dat is geen klein bedrag, en het is puur een kwestie van het op de juiste plek invullen.

Ook de jonggehandicaptenkorting en sommige verschillen tussen loon en aangifte moet je soms zelf rechttrekken. Wie recht heeft op een Wajong-uitkering, heeft recht op de jonggehandicaptenkorting, ook als die niet in het loon is verwerkt. Bewaar in dat geval de stukken van het UWV waaruit dat recht blijkt.

Meer halen uit je kortingen als partners

Heb je een fiscale partner, dan kunnen jullie samen sturen. Je mag een aantal inkomsten en aftrekposten vrij tussen jullie beiden verdelen: de eigen woning, box 2-inkomen, de grondslag van box 3 en de persoonsgebonden aftrek. Door slim te verdelen kun je de heffingskortingen van de partner met het laagste inkomen activeren en tegelijk voorkomen dat de algemene heffingskorting van de andere partner te ver wordt afgebouwd. Die keuze maak je elk jaar opnieuw bij de aangifte, en je mag haar nog wijzigen zolang beide aanslagen niet definitief vaststaan.

Voor een DGA speelt daarnaast de verhouding tussen loon en dividend. Omdat ook de belasting over box 2 en box 3 meetelt bij het bepalen van de ruimte voor je kortingen, kan een DGA met een laag salaris zijn korting soms alsnog benutten door in dat jaar dividend uit te keren. Laat die afweging altijd doorrekenen, want het samenspel met andere regelingen is gevoelig.

Let op bij twee banen, een verhuizing of de AOW-leeftijd

Twee banen of uitkeringen tegelijk

De loonheffingskorting mag maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie lopen. Laat je de korting bij twee werkgevers tegelijk toepassen, dan is er te weinig belasting ingehouden en volgt een bijbetaling op je aanslag. Laat je de korting bij niemand toepassen, dan betaal je het jaar door te veel en moet je het via de aangifte terugvragen. Kies dus bewust bij welke werkgever de korting loopt.

Verhuizing van of naar het buitenland

Woon je niet het hele jaar in Nederland, dan wordt je heffingskorting naar tijd herrekend. Een eerder aangevraagde voorlopige teruggaaf klopt dan vaak niet meer. Laat die in het jaar van verhuizing opnieuw bekijken.

Het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt

In het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt, verandert je premieplicht en daarmee de opbouw van je kortingen. Ook hier geldt: controleer of je voorlopige teruggaaf nog klopt, zodat je achteraf niet hoeft bij te betalen.

Werken in Nederland en wonen over de grens

Woon je in het buitenland en werk of onderneem je in Nederland, dan krijg je dezelfde kortingen als een inwoner alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent. De belangrijkste voorwaarde is dat je 90% of meer van je inkomen in Nederland verdient en in de EU, de EER, Zwitserland of op de BES-eilanden woont. Sinds 1 januari 2026 is de inkomensverklaring van je woonland geen harde voorwaarde meer; je mag ook op andere manieren aantonen dat je aan de eis voldoet. Zit je net onder de 90%, laat je situatie dan beoordelen, want er lopen procedures die het strikte 90%-criterium ter discussie stellen.

Praktische checklist: zo benut je jouw heffingskortingen

  • Doe aangifte, ook als het niet hoeft. Heb je maar een deel van het jaar gewerkt of geen korting laten toepassen, dan staat er vaak een teruggaaf klaar die je alleen via de aangifte ontvangt.
  • Kijk vijf jaar terug. De jaren 2021 tot en met 2026 staan nog open. Controleer of je over eerdere jaren nog een teruggaaf kunt claimen, zolang er nog geen definitieve aanslag ligt.
  • Vraag de combinatiekorting actief aan. Heb je een kind onder de 12 jaar en werk je met een lager inkomen dan je partner? Deze korting zit niet in je loon en loopt tot 3.032 euro.
  • Laat de loonheffingskorting maar bij één werkgever lopen. Zo voorkom je een bijbetaling bij twee banen of uitkeringen tegelijk.
  • Verdeel slim met je partner. Verdeel eigen woning, box 2, box 3 en aftrekposten zo dat beide partners hun kortingen benutten. De keuze mag elk jaar opnieuw.
  • Herzie je voorlopige teruggaaf bij een levensgebeurtenis. Bij verhuizing, de AOW-leeftijd of een nieuwe baan verandert je korting; pas de voorlopige teruggaaf tijdig aan.
  • Bewaar bewijsstukken. Denk aan UWV-stukken bij de jonggehandicaptenkorting en, bij wonen in het buitenland, aan bewijs van je Nederlandse inkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een heffingskorting en een aftrekpost?

Een aftrekpost verlaagt je belastbare inkomen; het voordeel hangt af van je tarief. Een heffingskorting verlaagt rechtstreeks je belasting: één euro korting is altijd één euro minder betalen.

Krijg ik heffingskortingen automatisch?

Een deel wel, via je loon. Maar de combinatiekorting en de korting groene beleggingen zitten niet in je loon, en te veel ingehouden belasting wordt pas terugbetaald na een aangifte of voorlopige teruggaaf. Zonder actie loop je die mis.

Ik heb weinig verdiend. Krijg ik dan alle korting?

Niet altijd. Je krijgt nooit meer korting dan je aan belasting en premies betaalt. Bij een laag inkomen vervalt het deel dat je niet kunt benutten, tenzij de uitbetaling via je partner mogelijk is.

Kan ik een gemiste korting nog terugvragen?

Ja, tot vijf jaar terug via een aangifte, zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Voor 2026 staan de jaren 2021 tot en met 2026 nog open.

Waarom moet ik bijbetalen terwijl ik korting heb?

Dat gebeurt meestal als je bij twee werkgevers tegelijk de loonheffingskorting liet toepassen. Er is dan te weinig belasting ingehouden en het verschil komt op je aanslag.

Ik woon in het buitenland en werk in Nederland. Heb ik recht op de kortingen?

Alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent: kort gezegd, minstens 90% van je inkomen in Nederland belast en wonend in de EU, EER, Zwitserland of op de BES-eilanden. Zit je er net onder, laat je situatie dan beoordelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

De regels rond heffingskortingen zijn eenvoudig in principe, maar de winst zit in de details: welke korting je misloopt, of een aangifte over een oud jaar nog loont, hoe je met je partner verdeelt en hoe je een bijbetaling voorkomt. Taxcount rekent je situatie door, controleert of er over de afgelopen vijf jaar nog een teruggaaf te halen is en zorgt dat je geen korting laat liggen. Voor ondernemers, DGA’s en grensarbeiders kijken we naar het samenspel met je overige inkomsten. Wil je weten of je alles uit je heffingskortingen haalt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Btw terugvragen over opstartkosten: zo haal je de btw van voor je eerste omzet terug

Je hebt maandenlang gebouwd aan je onderneming voordat er ook maar een euro binnenkwam. Marktonderzoek, een notaris, de inrichting van een bedrijfsruimte, een website, gereedschap of een laptop: die rekeningen komen allemaal met btw. Veel starters gaan ervan uit dat zij pas btw mogen terugvragen zodra zij hun eerste factuur versturen. Dat klopt niet. Btw terugvragen over opstartkosten mag al vanaf het moment dat je met je voorbereidingen begint, en zelfs over kosten van voordat je bv bij de notaris bestond. In dit artikel lees je wanneer je dat recht hebt, welke termijnen in 2026 gelden, wat er gebeurt als je plan niet doorgaat en welk bewijs je nu al moet vastleggen.

Mag je btw terugvragen als je nog geen omzet hebt?

Ja. Btw werkt zo dat je de btw over je verkopen afdraagt en de btw die je zelf op inkopen betaalt daarvan aftrekt. Die betaalde inkoop-btw heet voorbelasting. De vraag is of dat ook kan als er nog geen verkopen zijn.

Volgens de wet is ondernemer iedereen die zelfstandig een bedrijf uitoefent. Het Europese Hof van Justitie heeft daar al in 1985 aan toegevoegd dat ook voorbereidende handelingen meetellen. Je ondernemerschap voor de btw begint al met je voorbereiding, niet pas op het moment van je eerste opbrengst. Dat is gunstig: je kunt al btw terugvragen voordat je nog iets verdiend hebt.

Wanneer kun je btw terugvragen voor opstartkosten?

Het recht op btw-terugvordering ontstaat zodra je ernstig bezig bent met de voorbereiding van je onderneming. Dit is niet precies vastgesteld, en de Belastingdienst toetst het casuïstisch. In de praktijk geldt: heb je aantoonbaar een concreet plan, heb je al geld uitgegeven en heb je duidelijk gemaakt dat je echt gaat ondernemen, dan erken de Belastingdienst je ondernemerschap meestal al. Een paar voorbeelden:

  • Je huurt kantoorruimte en richt die in, voor je nog geen klanten hebt.
  • Je koopt gereedschap en voorraden voor je winkel, voordat je deuren opengaan.
  • Je neemt een boekhoudprogramma in dienst en richt je administratie in.
  • Je koopt merkmateriaal, een logo en een website nog voordat je formeel van start gaat.

Hoe eerder je in het proces je deze kosten goed vast kunt leggen met bonnen en contracten, hoe zeker je recht is. Veel starters wachten te lang met het bewaren ervan.

Hoe ver terug kun je gaan in de tijd?

In beginsel zeven jaar. De wet zegt dat je aanspraken en verplichtingen teruggaan tot vier jaar, maar voor btw geldt een langere termijn. Met je aangifte inkomstenbelasting kun je in het jaar van vestiging al gebreken uit het voorgaande jaar terugvragen. Dit werkt het gunstigste als je halverwege het jaar gaat ondernemen.

Voorbeeld: Jij start met je onderneming op 1 mei 2026. Vanaf 1 januari 2026 heb je al kosten gemaakt: marktonderzoek (januari), inrichting kantoor (februari-april). Met je btw-aangifte over 2026 kun je de btw over deze kosten terugvragen, ook al was je op dat moment nog niet formeel ondernemer.

Wat als je plan niet doorgaat?

Soms start je onderneming toch niet, of je stopt voor je ook maar iets hebt verdiend. De vraag is dan: moet je de teruggevorderde btw terugbetalen? De wet geeft ruimte. Zolang je ondernemersactiviteit niet is opgestart of zeer kortstondig is geweest, mag je de btw houden. Heb je wel fors ingebracht, bijvoorbeeld je onderneming is een half jaar actief, dan kan de Belastingdienst zeggen dat je ondernemerschap toch niet reëel was. In dat geval volgt een teruggaveverplichting.

In de praktijk speelt hier vooral mee wat je hebt gedaan. Heb je alleen maar planning en voorbereiding en je bent gestart in goed vertrouwen, dan is de Belastingdienst mild. Blijkt retroactief dat het hele plan een grap was, dan niet.

Welke kosten kun je terugvragen?

Eigenlijk alles wat nodig is voor je onderneming en waarop btw zit. Dus:

    \n

  • Kantoor- en winkelruimte (inrichting)
  • Gereedschap en machines
  • IT, software en websites
  • Merkmateriaal en reclame
  • Advieskosten (notaris, accountant, juridisch advies)
  • Transport en logistiek
  • Voorraden en grondstoffen
  • Alles behalve voeding en drank (daar zit minder of geen btw op)

Niet terugvraagbaar zijn:

  • Goederen die je privé gaat gebruiken (je auto, je telefoon als je die deels privé gebruikt).
  • Diensten waarop geen btw zit (bijvoorbeeld ziektekostenverzekering of accountantswerk, tenzij je daar de btw apart op betaalt).
  • Diensten in het buitenland zonder btw.

\n

Formaliteiten: wat je nu al moet doen

\n

De Belastingdienst is streng op formaliteiten. Je krijgt de btw alleen terug als je goed kan aantonen dat:

\n

    \n

  • Je serieus aan het ondernemen bent. Leg vast wat je plan is, waarom je onderneming zal lukken en wie je klanten zijn.
  • \n

  • Kosten horen bij je onderneming. Spar je laptop op voor je kantoor, dan is dat bedrijfsmateriaal. Koop je hetzelfde voor je huiswerk, dan niet.
  • \n

  • De btw is daadwerkelijk betaald en gedocumenteerd. Bewaar alle facturen en ontvangstbewijzen. Is er een korting gegeven, zorg dat die op de factuur staat.
  • \n

  • Je hebt je als ondernemer aangemeld. Regel je btw-nummer en je administratie, en houd alles bij.
  • \n

\n

Een checklist voor nu:

\n

    \n

  • Zorg dat alles wat je koopt, op naam van je bedrijf staat (niet privé).
  • \n

  • Vraag altijd een factuur, met je btw-nummer erop (als je die al hebt).
  • \n

  • Bewaar facturen minstens zeven jaar.
  • \n

  • Zorg dat op facturen duidelijk staat wat je hebt gekocht (niet: “diensten onbekend”).
  • \n

  • Zorg dat het btw-tarief goed is (21% voor de meeste zaken, 9% voor bijvoorbeeld voedsel).
  • \n

  • Houd een logboek bij van kosten en hun bedrijfsbestemming.
  • \n

\n

Termijnen en deadlines

\n

De Belastingdienst controleert streng en kijkt scherp naar de voorbereiding. Een paar harde termijnen:

\n

    \n

  • Maak je aangifte op tijd in: je hebt twee maanden na het einde van de maand waarop je onderneming begint (of drie maanden als je naar het buitenland stuurt).
  • \n

  • Bewaar alles zeven jaar: facturen, contracten, e-mails, je ondernemingsplan.
  • \n

  • Meld je btw-nummer aan: dit moet binnen twee weken na je start, of risico’s je sancties.
  • \n

  • Zorg dat je gegevens kloppen: als de Belastingdienst later controleert, moet je kunnen bewijzen dat je ondernemingskosten echt horen bij je activiteiten.
  • \n

\n

Wat doet de Belastingdienst bij misstappen?

\n

Veel starters doen fouten. Je meld je te laat aan voor btw, je bewaart niet alle facturen, of je hebt btw teruggevraagd die niet ter zake doet. De Belastingdienst kan dan:

\n

    \n

  • De btw terugvordering weigeren. In dat geval moet je die zelf betalen.
  • \n

  • Een naheffing geven. Je hebt meer teruggevraagd dan je mocht, dus je betaalt het verschil.
  • \n

  • Rente en boetes opleggen. Ernstige fouten (bijvoorbeeld bewust fout aangegeven) kunnen tot 25-100% boetes leiden.
  • \n

\n

Praktische checklist: wat je regelt

\n

    \n

  • Verzamel bewijs van je ondernemerschap. Ondernemingsplan, contracten met klanten, offertes, alles wat aantoont dat je serieus bezig bent.
  • \n

  • Vraag altijd facturen. Zelfs voor kleine aankopen. Zonder factuur, geen btw-terugvordering.
  • \n

  • Zorg dat op facturen staat: je bedrijfsnaam (of persoonsnaam), btw-nummer (zodra je dat hebt), en duidelijke omschrijving van wat je koopt.
  • \n

  • Bewaar alles zeven jaar. Digitaal en fysiek, voor het geval.
  • \n

  • Houd goed bij hoeveel je van elke factuur voor je onderneming gebruikt. Deels privé? Zet het percentage op het bonnen.
  • \n

  • Zorg dat je op tijd je btw-nummer aanvraagt en je aangifte indient.
  • \n

  • Neem contact op met de Belastingdienst als je twijfelt. Beter voorkomen dan achteraf gedoe.
  • \n

\n

Veelgestelde vragen

\n

Kan ik btw terugvragen als ik alleen adviezen geef?

\n

Ja, als je diensten tegen betaling aanbiedt. Dit telt als ondernemerschap. Je kosten voor kantoor, software, en dergelijke zijn terugvraagbaar.

\n

Mag ik btw terugvragen voor mijn auto?

\n

Voor de aankoop van de auto: alleen als je daar btw-reverse (zelf-facturen tegen btw) toepast, wat lastig is. Voor benzine en onderhoud: alleen voor het zakelijke deel. Als je auto 60% zakelijk en 40% privé wordt gebruikt, haal je 60% van de btw terug.

\n

Wat als ik voor mezelf gaat werken in mijn huiskamer?

\n

Dan zijn je opstartkosten beperkt, maar ze tellen nog steeds. Een bureau, software, een website — allemaal terugvraagbaar. Huurkosten voor je huiskamer mag je niet terugvragen, tenzij je er een apart bedrijfsgedeelte van maakt.

\n

Hoe lang na het eerste inkoopje moet ik mijn onderneming echt starten?

\n

Dit is niet exact bepaald, maar de praktijk leert dat je binnen een paar maanden moet starten. Heb je in januari btw teruggevraagd en start je onderneming pas in oktober, dan kan de Belastingdienst zeggen dat je ondernemerschap niet reëel was.

\n

Kan ik btw terugvragen als ik in loondienst ga, maar ’s avonds als zzp’er werk?

\n

Ja. Zolang je serieus en zakelijk je zzp-activiteiten aanpakt, is dit een onderneming naast je werk. Je startkosten (computer, software, website) zijn terugvraagbaar.

\n

Hoe Taxcount je kan helpen

\n

Btw terugvragen over opstartkosten levert je duizenden euro’s op, maar één fout en je verliest het recht. De regels zijn technisch en de Belastingdienst is streng. Taxcount helpt je je ondernemersplan op papier zetten, je facturen in orde te krijgen, je btw-aangifte correct in te dienen en alles zeven jaar goed bij te houden. Ga je starten en wil je zeker dat je die btw teruggaat krijgen? Neem contact op voor advies op maat.

\n

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen individueel fiscaal advies. Of je btw mag terugvragen, hangt af van je persoonlijke situatie en hoe je ondernemingsplan eruit ziet. Vraag altijd advies voordat je grote kosten maakt.

\n

Zie ook:

\n

Reorganisatievrijstellingen in de overdrachtsbelasting: vastgoed verplaatsen bij een fusie, splitsing of reorganisatie zonder belasting

Wil je vastgoed binnen je concern verplaatsen, twee bv’s laten fuseren, een bedrijfsonderdeel afsplitsen of samen met een compagnon uit elkaar gaan? Bij zulke reorganisaties zit er vaak een bedrijfspand of een vastgoed-bv in de structuur. Over de overgang daarvan betaal je normaal overdrachtsbelasting, tegen 10,4% voor bedrijfsvastgoed. Bij een reorganisatie verandert er economisch echter vaak niets: het vastgoed blijft binnen dezelfde groep of gaat mee met de onderneming. De wet kent daarom vijf vrijstellingen die de heffing achterwege laten. In dit artikel lees je welke vrijstellingen er zijn, welke voorwaarden gelden en waar je in 2026 op moet letten.

Wat is overdrachtsbelasting bij een reorganisatie?

Wie in Nederland een gebouw of grond verkrijgt, betaalt overdrachtsbelasting. Ook het verkrijgen van aandelen in een bv die vooral vastgoed bezit, kan belast zijn; zo’n bv heet een onroerendezaakrechtspersoon. Bij een reorganisatie zou die heffing een zakelijke herstructurering onnodig duur maken. De wet zegt daarom dat de keuze van de rechtsvorm en de plek van het vastgoed in de structuur niet mag stuiten op overdrachtsbelasting, zolang de reorganisatie zakelijk is en het belang bij het vastgoed niet wezenlijk verschuift.

De vijf vrijstellingen op een rij

Er zijn vijf reorganisatievrijstellingen. Welke van toepassing is, hangt af van de vorm van de reorganisatie. Figuur 1 zet ze naast elkaar met de belangrijkste voorwaarde per vrijstelling.

Figuur 1: de vijf reorganisatievrijstellingen (juridische fusie, bedrijfsfusie, interne reorganisatie, splitsing en taakoverdracht) met de kernvoorwaarde per vrijstelling.

Juridische fusie

Twee of meer rechtspersonen gaan juridisch samen; het vermogen van de verdwijnende rechtspersoon gaat in één keer over op de blijvende. Dit kan ook tussen stichtingen, verenigingen of pensioenfondsen. Er geldt geen eis dat er een onderneming wordt gedreven, maar de fusie moet wel hoofdzakelijk (ten minste 70%) plaatsvinden op grond van zakelijke overwegingen.

Bedrijfsfusie

Een bv of nv brengt haar hele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan in in een andere vennootschap en krijgt in ruil aandelen. Het pand dat bij die onderneming hoort, gaat mee zonder overdrachtsbelasting.

Interne reorganisatie

Binnen je concern verplaats je vastgoed of een vastgoed-bv van de ene groepsvennootschap naar de andere (zie figuur 2). Een concern is hier een topvennootschap met alle vennootschappen waarin zij vrijwel het hele belang (ten minste 90%) heeft. Let op: natuurlijke personen horen nooit tot een concern, en een stichting administratiekantoor kan niet als top van het concern gelden.

Figuur 2: de interne reorganisatie: vastgoed verplaatst binnen het concern (belang ten minste 90% in elke schakel) blijft onbelast; een natuurlijk persoon hoort niet tot het concern.

Splitsing

Een rechtspersoon wordt gesplitst, bijvoorbeeld om een divisie te verzelfstandigen of omdat twee aandeelhouders uit elkaar gaan (een ruziesplitsing). Sinds 1 juli 2025 gelden hier strengere regels; daarover verderop meer.

Taakoverdracht tussen goede doelen

Draagt een goededoeleninstelling (anbi) of vereniging een taak met bijbehorend vastgoed en schulden over aan een andere anbi of vereniging, dan is dat onder voorwaarden vrijgesteld. Woningcorporaties gebruiken deze vrijstelling regelmatig. Voorwaarde is dat commerciële factoren geen rol spelen.

De twee kernvoorwaarden

Aan alle vrijstellingen zitten voorwaarden om misbruik te voorkomen. Twee soorten zijn het belangrijkst (zie figuur 3).

De eerste is een zakelijke reden. De reorganisatie moet echt bedrijfsmatig nodig zijn. Alleen belasting besparen is niet genoeg; de fiscus kan de vrijstelling dan weigeren.

De tweede is drie jaar rust. Je mag de aandelen die je bij de reorganisatie krijgt drie jaar niet verkopen, en de activiteiten moeten drie jaar doorgaan. Doe je dat niet, dan is de belasting alsnog verschuldigd. Dat heet in de praktijk een “clawback”. Er zijn wel uitzonderingen als je binnen die periode een volgende gefacilieerde stap zet, bijvoorbeeld een opvolgende fusie of splitsing.

Figuur 3: de driejaarseis. Verkoop je de aandelen of stop je de activiteiten binnen drie jaar, dan volgt een clawback; zet je een volgende gefacilieerde stap, dan blijft die achterwege.

Je moet de vrijstelling zelf inroepen in de aangifte overdrachtsbelasting. Bij een notariële akte zorgt de notaris hiervoor; verkrijg je aandelen in een vastgoed-bv, dan ligt de verantwoordelijkheid bij jezelf.

Aandelen in een vastgoed-bv

De vrijstellingen gelden niet alleen voor de overgang van een pand zelf, maar ook voor aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon: een bv waarvan het bezit grotendeels uit vastgoed bestaat. Verkrijg je zulke aandelen bij een fusie of splitsing, dan kan ook dat zijn vrijgesteld. Zo voorkomt de wet dat een reorganisatie via aandelen duurder uitpakt dan een reorganisatie met losse panden.

Rekenvoorbeeld: een ruziesplitsing

A en B hebben elk 50% van de aandelen in X bv. X bv bezit twee panden: pand 1 is 600.000 euro waard en pand 2 is 400.000 euro. Samen dus 1.000.000 euro, waarvan het belang van A en van B elk 500.000 euro is. X bv wordt gesplitst: A krijgt een bv met pand 1, B krijgt een bv met pand 2 (zie figuur 4).

Sinds 1 juli 2025 wordt per pand gekeken. A krijgt pand 1 (600.000 euro), terwijl zijn belang daarin eerst 300.000 euro was (de helft). Zijn belang stijgt dus met 300.000 euro en over dat bedrag is A overdrachtsbelasting verschuldigd. B krijgt pand 2 (400.000 euro), waar zijn belang eerst 200.000 euro was; over de resterende 200.000 euro betaalt B belasting.

Figuur 4: de ruziesplitsing. Sinds 1 juli 2025 wordt per pand getoetst, waardoor A en B allebei belasting betalen; onder de oude portefeuillebenadering betaalde alleen A, en wel over 100.000 euro.

Onder de oude regels, die golden tot 1 juli 2025, werd naar de hele portefeuille gekeken. Dan betaalde alleen A belasting, en wel over 100.000 euro. De nieuwe regel per pand pakt dus duurder uit. Reken een ruziesplitsing daarom vooraf goed door.

Let op: strengere splitsingsregels sinds 1 juli 2025

Voor splitsingen vanaf 1 juli 2025 gelden extra eisen. De verkrijgende rechtspersoon moet een hele onderneming of een zelfstandig onderdeel krijgen, waarbij het pand bij die onderneming hoort en eraan dienstbaar is. Beleggingsvastgoed valt daar in beginsel buiten. Ook geldt dat de aandeelhouders een gelijkwaardig belang moeten houden en, bij een ruziesplitsing, per pand wordt getoetst. Het gevolg is dat het afsplitsen van los beleggingsvastgoed vóór een bedrijfsoverdracht vaak niet meer onder de vrijstelling valt. Plan je een splitsing, laat de nieuwe regels dan vooraf toetsen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Kies de juiste vrijstelling: stel vast of het gaat om een juridische fusie, bedrijfsfusie, interne reorganisatie, splitsing of taakoverdracht. Bij samenloop is soms een keuze mogelijk, maar je bent daar ook voor de toekomst aan gebonden.
  • Onderbouw de zakelijke reden: leg vast waarom de reorganisatie bedrijfsmatig nodig is. Bij een juridische fusie geldt de eis van hoofdzakelijk zakelijke overwegingen (ten minste 70%).
  • Bewaak de driejaarstermijn: verkoop de verkregen aandelen drie jaar niet en zet de activiteiten voort. Plan een eventuele vervolgstap binnen een uitzondering.
  • Toets het concernbegrip: voor de interne reorganisatie geldt een belang van ten minste 90%. Controleer of alle schakels aan die eis voldoen.
  • Reken een ruziesplitsing per pand door: sinds 1 juli 2025 wordt per onroerende zaak getoetst; dit kan tot heffing leiden waar dat vroeger niet zo was.
  • Doe een beroep bij de aangifte: vermeld de vrijstelling uitdrukkelijk in de akte en de aangifte, met datum en nummer van het toepasselijke besluit waar dat vereist is.

Veelgestelde vragen

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik vastgoed binnen mijn concern verplaats?

Vaak niet. De interne reorganisatievrijstelling stelt de overgang binnen een concern (belang ten minste 90%) vrij. Je moet de aandelen wel drie jaar aanhouden en de activiteiten voortzetten, anders volgt alsnog een aanslag.

Geldt de vrijstelling ook bij een fusie tussen stichtingen?

Ja. Bij een juridische fusie geldt geen ondernemingseis, dus ook stichtingen, verenigingen en pensioenfondsen kunnen vrij van overdrachtsbelasting fuseren, mits de fusie hoofdzakelijk zakelijk is.

Wat is een clawback?

Dat is de terugname van de vrijstelling. Verkoop je de verkregen aandelen binnen drie jaar of stop je de activiteiten, dan is de eerder niet-geheven overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Er zijn uitzonderingen bij een opvolgende gefacilieerde reorganisatie.

Is een aandelenfusie ook vrijgesteld?

De overdrachtsbelasting kent geen aparte aandelenfusievrijstelling. In uitzonderlijke gevallen kan een aandelenfusie via de bedrijfsfusievrijstelling lopen. Laat dit per situatie beoordelen.

Waarom pakt een ruziesplitsing sinds 2025 duurder uit?

Sinds 1 juli 2025 wordt per pand gekeken in plaats van naar de hele portefeuille. Daardoor kan bij vrijwel elke ruziesplitsing waarbij het belang per pand verschuift, overdrachtsbelasting ontstaan.

Hoe Taxcount je kan helpen

De reorganisatievrijstellingen kunnen een fusie, splitsing of herstructurering fiscaal soepel laten verlopen, maar de voorwaarden zijn technisch en sinds 1 juli 2025 op onderdelen strenger geworden. Een verkeerde vormgeving of een te vroege verkoop van aandelen kan de vrijstelling doen vervallen. Taxcount beoordeelt welke vrijstelling past bij je reorganisatie, onderbouwt de zakelijke reden, bewaakt de driejaarstermijnen en het concernbegrip, en rekent een splitsing vooraf door zodat je niet voor verrassingen komt te staan. Plan je een fusie, een interne reorganisatie of een bedrijfsoverdracht? Laat de opzet dan vooraf door ons toetsen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen. Of een vrijstelling in je geval geldt, hangt af van je persoonlijke situatie en van de exacte vormgeving van de reorganisatie. Laat je situatie daarom altijd vooraf beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de familie- en samenwerkingssfeer: zo draag je een bedrijfspand over zonder belasting

Draag je je bedrijf over aan je kind, ga je samenwerken in een maatschap of vof, of zet je je eenmanszaak om in een bv? Vaak zit er dan een bedrijfspand of stuk grond in het bedrijf. Over de overgang van vastgoed betaal je normaal overdrachtsbelasting, en dat kan bij een bedrijfspand flink oplopen. Toch hoef je dat in veel familie- en samenwerkingssituaties niet. De wet kent een aantal vrijstellingen die de belasting achterwege laten, mits je het bedrijf echt voortzet en je jezelf meestal nog drie jaar aan de onderneming verbonden houdt. In dit artikel lees je wanneer een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting geldt, welke voorwaarden er zijn en waar je in 2026 op moet letten.

Wanneer betaal je overdrachtsbelasting?

Koop of krijg je een gebouw of grond in Nederland, dan betaal je meestal overdrachtsbelasting. Je berekent die belasting over de waarde van de onroerende zaak. Het tarief hangt af van het soort object. Voor een bedrijfspand of grond geldt in 2026 het algemene tarief van 10,4%. Voor een woning die je zelf gaat bewonen geldt 2%, en voor een andere woning (bijvoorbeeld voor de verhuur) sinds 2026 8%.

Soort onroerende zaak (2026)Tarief
Woning die je zelf als hoofdverblijf gaat bewonen2%
Andere woning (bijvoorbeeld verhuur of tweede woning)8%
Bedrijfspand, grond en overige onroerende zaken10,4%

Bij een bedrijfspand van bijvoorbeeld 500.000 euro betekent het algemene tarief dus al 52.000 euro belasting. Een vrijstelling kan dat hele bedrag besparen (zie figuur 1). In drie familie- en samenwerkingssituaties hoef je die belasting niet te betalen.

Figuur 1: de overdrachtsbelasting op een bedrijfspand van 500.000 euro met en zonder vrijstelling, plus de overdrachtsbelastingtarieven voor 2026.

De drie vrijstellingen op een rij

In drie situaties laat de wet de overdrachtsbelasting achterwege: bij een overname binnen de familie, bij het inbrengen of omzetten van je onderneming, en bij het uit elkaar gaan van een samenwerking. Figuur 2 laat zien welke vrijstelling bij welke situatie hoort. Let op: een woning of woongedeelte valt nooit onder deze bedrijfsvrijstellingen.

Figuur 2: de drie vrijstellingen in de familie- en samenwerkingssfeer en de kernvoorwaarde per situatie.

Vrijstelling 1: het bedrijf overnemen binnen de familie

Neem je kind, kleinkind, broer of zus van de ondernemer het bedrijf over, of de echtgenoot of geregistreerd partner van zo iemand, dan is de overgang van het bedrijfspand vrijgesteld. Een pleegkind telt mee als kind, en een half- of pleegbroer of half- of pleegzus telt mee als broer of zus.

Er gelden twee belangrijke voorwaarden. Het pand moet bij het bedrijf horen en nodig zijn voor het bedrijf, en de overnemer moet het bedrijf helemaal zelf voortzetten. Een woning of het woongedeelte van een pand valt niet onder de vrijstelling.

Let op de richting: de vrijstelling werkt maar één kant op. Een overdracht van ouder naar kind is vrijgesteld, maar een overdracht terug van kind naar ouder niet. Ook een overdracht aan je eigen echtgenoot valt er niet onder.

Vrijstelling 2: je onderneming inbrengen of omzetten

Breng je je onderneming in een samenwerking in, of zet je die om in een bv, dan blijft de overdrachtsbelasting over het bedrijfspand achterwege. Er zijn twee varianten.

Inbreng in een maatschap, vof of cv

Ga je samenwerken met een familielid of een derde en breng je je onderneming in in een maatschap, vennootschap onder firma (vof) of commanditaire vennootschap (cv), dan geldt de vrijstelling. Je moet dan wel de hele onderneming inbrengen, inclusief de bezittingen en schulden die een rol spelen in het bedrijf. In ruil wordt je op de kapitaalrekening bijgeschreven voor ten minste 90% van de waarde van je onderneming. Krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld (een tegoed op je medevennoten), dan vervalt de vrijstelling.

Omzetting in een nv of bv

Zet je je eenmanszaak of aandeel in een samenwerking om in een bv, dan is de overgang van het pand naar de bv vrijgesteld. Je krijgt in ruil aandelen. Naast die aandelen mag je maximaal 10% van wat op de aandelen is gestort in geld of als vordering terugkrijgen. Blijf je onder die grens, dan betaalt de bv geen overdrachtsbelasting over het pand.

Rekenvoorbeeld. Karin brengt haar notarispraktijk met kantoorpand in in haar nieuwe bv (zie figuur 3). De onderneming is 1.000.000 euro waard. De bv geeft haar aandelen voor 960.000 euro; voor de resterende 40.000 euro krijgt ze een vordering op de bv. Die 40.000 euro blijft ruim onder de 10%-grens. De vrijstelling geldt dus en de bv betaalt niets over het kantoorpand.

Figuur 3: de omzetting van een eenmanszaak in een bv, waarbij de vordering (4%) onder de 10%-grens blijft en de bv geen overdrachtsbelasting betaalt.

Vrijstelling 3: uit elkaar gaan

Stop je de samenwerking en gaat het pand terug naar degene die het ooit inbracht, dan mag dat belastingvrij. Voorwaarde is wel dat bij de inbreng destijds de inbrengvrijstelling is gebruikt. Zo betaal je geen overdrachtsbelasting bij het aangaan van de samenwerking en ook niet bij het uit elkaar gaan.

Let op: de driejaarseis

Bij inbreng en omzetting geldt een belangrijke voorwaarde achteraf (zie figuur 4). Blijf je niet minstens drie jaar vennoot, hou je de aandelen in de bv niet drie jaar, of stop je de onderneming binnen drie jaar, dan wordt de overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Deze terugname wordt in de praktijk een “clawback” genoemd.

Figuur 4: de driejaarseis. Stap je binnen drie jaar uit, dan volgt een clawback; daarna staat de vrijstelling definitief vast.

Er is één uitweg die in de regeling zelf staat. Stap je binnen die drie jaar over naar een andere samenwerking, of zet je alsnog om in een bv, dan blijft de terugname buiten toepassing. Ook bij een latere bedrijfsfusie, interne reorganisatie of splitsing loopt de termijn door zonder dat je hoeft af te rekenen. Plan een vervolgstap dus zorgvuldig, want het verkeerd getimede uitstappen kan de belasting alsnog oproepen.

Tegenvoorbeeld. Anne brengt haar advocatenpraktijk met kantoorpand in voor 600.000 euro in een maatschap met Paula. Twee jaar later laat Anne 200.000 euro uitbetalen. Daardoor daalt haar aandeel binnen drie jaar. De eerder niet-geheven overdrachtsbelasting is nu alsnog verschuldigd.

Vastgoed dat via de familie bij je komt

Naast deze bedrijfsvrijstellingen kent de wet ook regels voor vastgoed dat door persoonlijke gebeurtenissen bij je terechtkomt. Sommige verkrijgingen worden voor de overdrachtsbelasting helemaal niet als verkrijging gezien: erven, een woning of pand dat door je huwelijk in de gemeenschap valt, de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap, en verkrijging door verjaring. Daarover betaal je geen overdrachtsbelasting.

Krijg je bij het verdelen van een gezamenlijk bezit een groter deel toebedeeld dan je eigen aandeel, dan is alleen dat meerdere belast. Je betaalt de belasting dan niet over de hele waarde, maar over het stuk dat je erbij krijgt. Zo voorkomt de wet dat je belasting betaalt over vermogen dat al van jezelf was.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste vrijstelling: stel vast of het gaat om een familieoverdracht, een inbreng of omzetting, of een beëindiging van de samenwerking. Elke situatie heeft eigen voorwaarden.
  • Splits woning en bedrijf: een woning of woongedeelte valt niet onder de bedrijfsvrijstelling. Laat de waarde van het bedrijfsdeel apart bepalen.
  • Breng de hele onderneming in: bij inbreng of omzetting moeten alle bezittingen en schulden die een functie in het bedrijf hebben mee overgaan.
  • Bewaak de 10%-grens: krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld of in geld, dan vervalt de vrijstelling.
  • Houd de drie jaar in de gaten: blijf minstens drie jaar vennoot of aandeelhouder en zet de onderneming voort, anders volgt alsnog een aanslag.
  • Doe een beroep bij de aangifte: een vrijstelling moet je actief inroepen. De notaris of adviseur vermeldt dit in de akte en in de aangifte overdrachtsbelasting.
  • Laat de opzet vooraf toetsen: de voorwaarden zijn strikt en de bedragen groot. Een controle vooraf voorkomt een dure verrassing achteraf.

Veelgestelde vragen

Geldt de vrijstelling ook voor de woning bij het bedrijf?

Nee. De bedrijfsvrijstellingen gelden alleen voor het bedrijfsdeel. Een woning of het woongedeelte valt erbuiten en daarover betaal je de normale overdrachtsbelasting (2% als hoofdverblijf, anders 8%).

Kan ik mijn bedrijf belastingvrij overdragen aan mijn partner?

De familievrijstelling geldt voor een kind, kleinkind, broer of zus, en hun echtgenoot of partner. Je eigen echtgenoot valt er niet onder. Soms is een andere route mogelijk, bijvoorbeeld via een inbreng. Laat dit vooraf beoordelen.

Wat gebeurt er als ik binnen drie jaar stop?

Dan wordt de eerder niet-geheven overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Er zijn uitzonderingen als je binnen die periode overstapt naar een andere samenwerkingsvorm of omzet in een bv. De voorwaarden daarvoor zijn precies en het is verstandig ze vooraf te laten toetsen.

Moet ik de vrijstelling zelf aanvragen?

Ja. Je moet er bij de aangifte overdrachtsbelasting uitdrukkelijk een beroep op doen. Meestal regelt de notaris dit in de akte. Vergeet je het, dan kun je het vaak nog herstellen via bezwaar, maar dat is niet altijd zeker.

Geldt de vrijstelling ook als ik mijn bedrijf overdraag aan een medewerker?

De familievrijstelling geldt alleen binnen de genoemde familiekring. Voor een overdracht aan een derde, zoals een medewerker, kan een andere route nodig zijn, bijvoorbeeld eerst samenwerken en later overnemen. Dit vraagt om maatwerk.

Hoe Taxcount je kan helpen

De vrijstellingen in de overdrachtsbelasting kunnen tienduizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en een kleine fout in de opzet of de timing kan de vrijstelling doen vervallen. Taxcount beoordeelt of je bedrijfsoverdracht, inbreng of omzetting onder een vrijstelling valt, splitst waar nodig het bedrijfsdeel en het woondeel, bewaakt de 10%-grens en de driejaarstermijn, en zorgt dat het beroep op de vrijstelling correct in de aangifte en de akte terechtkomt. Overweeg je een bedrijfsoverdracht of een omzetting naar een bv? Laat je situatie dan vooraf door ons beoordelen, zodat je niet onnodig overdrachtsbelasting betaalt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen. Of een vrijstelling in je geval geldt, hangt af van je persoonlijke situatie en van de exacte vormgeving van de transactie. Laat je situatie daarom altijd vooraf beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Fiets van de zaak in 2026: zo werkt de bijtelling van 7%

Steeds meer werkgevers stellen een (elektrische) fiets ter beschikking aan hun personeel. Fiscaal is dat aantrekkelijk: de bijtelling is laag en eenvoudig te berekenen. Maar er zijn een paar valkuilen. Je kunt geen kilometervergoeding meer geven voor ritten met die fiets, en sinds kort geldt voor deelfietsen en hubfietsen een nihilbijtelling. In dit artikel lees je hoe de fiets van de zaak in 2026 wordt belast, wat je met de grondslag en de btw-drempel van 749 euro moet, en wanneer een renteloze lening voordeliger is dan een fiets ter beschikking stellen.

Wat is de bijtelling voor een fiets van de zaak?

Stel je werkgever stelt een fiets ter beschikking die je ook prive mag gebruiken, dan is dat privevoordeel loon. Net als bij de auto van de zaak rekent de wet dat voordeel uit met een vast percentage: 7% van de waarde van de fiets per jaar. Onder de waarde verstaat de wet de consumentenadviesprijs, dus de adviesprijs die de fabrikant of importeur in Nederland publiceert, inclusief btw. Dat is niet de prijs op de factuur en niet de leaseprijs. Ook voor een tweedehandsfiets geldt de oorspronkelijke adviesprijs; er is geen korting voor de leeftijd van de fiets.

Mag je de fiets voor woon-werkverkeer gebruiken, dan gaat de wet ervan uit dat je hem ook prive gebruikt. Anders dan bij de auto van de zaak is er geen tegenbewijs mogelijk: het aantal privekilometers doet niet ter zake, en er is geen rittenregistratie. Stelt je werkgever de fiets uitsluitend voor zakelijke ritten ter beschikking, woon-werkverkeer daarvan uitgezonderd, dan is er geen bijtelling.

Rekenvoorbeeld: een elektrische fiets van 2.800 euro

Stel, je werkgever stelt een elektrische fiets ter beschikking met een consumentenadviesprijs van 2.800 euro inclusief btw. Je neemt de fiets mee naar huis. De bijtelling is 7% van 2.800 euro = 196 euro per jaar, ongeveer 16,33 euro per maand bij je loon (zie figuur 1). Bij een belastingtarief van 37,56% kost dat je ongeveer 74 euro per jaar, dus ruim 6 euro per maand. Betaal je 10 euro per maand als eigen bijdrage, dan blijft 196 euro min 120 euro = 76 euro bijtelling over.

Figuur 1: zo reken je de bijtelling uit. De consumentenadviesprijs (2.800 euro) maal 7 procent geeft 196 euro bijtelling per jaar; bij een tarief van 37,56 procent kost dat ongeveer 74 euro netto. Een eigen bijdrage verlaagt de bijtelling.

Nieuw: nihilbijtelling voor deelfietsen en hubfietsen

Sinds het Belastingplan 2026 geldt een nihilbijtelling voor fietsen die niet bij je thuis worden gestald (zie figuur 2). Wordt de fiets niet meer dan bijkomstig (in de praktijk: niet meer dan 10% van de tijd) bij je woon- of verblijfadres gestald, dan is het voordeel nihil. Deze regel is bedoeld voor hubfietsen die je voor het laatste stuk tussen station en werkplek gebruikt, en voor ov-fietsen en andere deelfietsen.

Van “stallen” is geen sprake als je in die periode niet zelf over de fiets kunt beschikken. Zet je de fiets voor je deur en neem je de sleutel mee naar binnen, dan is er wel gestald. Kun je de fiets via een app inleveren zodat een ander hem kan gebruiken, dan niet. Belangrijk: deze nihilbijtelling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heb je in eerdere jaren wel 7% bijtelling toegepast op zulke fietsen, dan kan een correctie over die jaren zinvol zijn.

Figuur 2: beslisboom voor de nihilbijtelling. Staat de fiets niet meer dan bijkomstig bij je woonadres, of kun je er in die periode niet zelf over beschikken (bijvoorbeeld een deelfiets die je via een app inlevert), dan is de bijtelling nihil. Anders geldt 7 procent.

Waarom je geen kilometervergoeding meer mag geven

Rij je met de fiets van de zaak, dan regelt en betaalt je werkgever het vervoer al. Dat heet vervoer vanwege de werkgever. Voor die ritten kan geen onbelaste reiskostenvergoeding worden gegeven. Voor dagen waarop je met een eigen vervoermiddel reist, mag wel een vergoeding van maximaal 0,23 euro per kilometer worden gegeven. Werkgever en werknemer kunnen daarover vaste afspraken maken per dag per vervoermiddel, mits die afspraken realistisch zijn en aansluiten bij de persoonlijke situatie.

Ter beschikking stellen of een renteloze lening geven?

Naast een fiets ter beschikking stellen, kan je werkgever je ook een renteloze lening geven zodat je zelf een fiets koopt. De rente mag dan op nihil worden gesteld en er is geen loon. Het grote verschil: bij een lening hou je recht op de onbelaste kilometervergoeding van 0,23 euro per kilometer, ook voor woon-werkverkeer. De keuze komt dus hierop neer (zie figuur 3):

  • Fiets ter beschikking stellen: 7% bijtelling, maar geen kilometervergoeding voor ritten met die fiets.
  • Renteloze lening: geen bijtelling, en je houdt wel recht op de kilometervergoeding.

Figuur 3: twee routes vergeleken. Bij een fiets ter beschikking stellen (variant A) geldt 7 procent bijtelling en vervalt de kilometervergoeding; bij een renteloze lening (variant B) is er geen bijtelling en blijft de vergoeding van 0,23 euro per kilometer mogelijk, maar koop je de fiets zelf.

Welke route voordeliger is, hangt af van de prijs van de fiets, je reisafstand en het aantal fietsdagen. Laat dit doorrekenen voordat je een fietsplan invoert.

Vergoeden of verstrekken via de werkkostenregeling

Geeft je werkgever de fiets in eigendom of vergoedt hij de aanschaf, dan is er geen bijtelling, maar wel loon. Dat loon kan de werkgever als eindheffingsloon aanwijzen en in de vrije ruimte van de werkkostenregeling laten vallen, als aan de gebruikelijkheidseis is voldaan. De Belastingdienst beschouwt in totaal maximaal 2.400 euro per persoon per jaar als gebruikelijk. De vrije ruimte bedraagt in 2026 2% van het loon tot en met 400.000 euro, plus 1,18% van het loon daarboven. Kom je boven de vrije ruimte uit, dan betaalt de werkgever 80% eindheffing over het meerdere.

De btw-drempel van 749 euro

De bijtelling in de loonbelasting staat los van de btw. Voor de btw geldt woon-werkverkeer wel als prive. In beginsel is de btw op een personeelsfiets daardoor niet aftrekbaar, maar er is een uitzondering: verstrek of stel je een fiets voor woon-werkverkeer ter beschikking, dan blijft de btw-aftrek in stand als de aanschafkosten niet meer dan 749 euro inclusief btw bedragen, je in het lopende jaar en de twee jaar daarvoor geen fiets aan die werknemer hebt gegeven, en de werknemer niet grotendeels op een andere manier reist. Is de fiets duurder dan 749 euro, dan is bij goedkeuring alleen de btw over het bedrag boven 749 euro uitgesloten van aftrek.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste grondslag. Gebruik de consumentenadviesprijs inclusief btw, niet de factuur- of leaseprijs. Voor tweedehandsfietsen geldt de oorspronkelijke adviesprijs.
  • Kies bewust: ter beschikking stellen of lenen. Weeg de 7% bijtelling af tegen het behoud van de kilometervergoeding bij een renteloze lening.
  • Beoordeel de nihilbijtelling. Wordt de fiets nauwelijks thuis gestald (deelfiets, hubfiets), dan is de bijtelling nihil, ook met terugwerkende kracht tot 2020.
  • Regel de reiskostenvergoeding zorgvuldig. Geef geen kilometervergoeding voor ritten met de fiets van de zaak; maak wel duidelijke afspraken voor dagen met eigen vervoer.
  • Bewaak de btw-drempel van 749 euro. Controleer of je de btw op de fiets mag aftrekken en let op de driejaarsvoorwaarde.
  • Leg de overname vast. Neemt de werknemer de fiets later over, dan mag je uitgaan van 20% waardevermindering per jaar; na vijf jaar kan de overname onbelast.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bijtelling betaal ik voor een fiets van de zaak?

Je betaalt 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets per jaar. Bij een elektrische fiets van 2.800 euro is dat 196 euro per jaar. Wat je daar netto van merkt, hangt af van je belastingtarief.

Wat is de waarde waarover ik bijtelling betaal?

Dat is de consumentenadviesprijs inclusief btw, de officiele adviesprijs van de fabrikant of importeur. Niet de factuurprijs en niet de leaseprijs. Ook voor een tweedehandsfiets geldt die oorspronkelijke adviesprijs.

Geldt de bijtelling ook voor een speed pedelec of bakfiets?

Ja. Er is geen onderscheid tussen soorten fietsen: een stadsfiets, elektrische fiets, bakfiets en speed pedelec vallen allemaal onder hetzelfde percentage van 7%.

Wanneer is de bijtelling nihil?

Als de fiets niet meer dan bijkomstig bij je woon- of verblijfadres wordt gestald, bijvoorbeeld bij een deelfiets of hubfiets die je alleen tussen station en werk gebruikt. Deze nihilbijtelling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.

Mag ik naast de fiets van de zaak een kilometervergoeding krijgen?

Niet voor ritten die je met die fiets maakt: dat is vervoer vanwege de werkgever. Voor dagen waarop je met een eigen vervoermiddel reist, mag wel een vergoeding van maximaal 0,23 euro per kilometer worden gegeven.

Kan ik ook een fiets naast een auto van de zaak krijgen?

Ja. Een fiets van de zaak naast een auto van de zaak is toegestaan. Voor beide geldt een eigen bijtelling.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een fiets van de zaak is fiscaal aantrekkelijk, maar de keuze tussen ter beschikking stellen, verstrekken via de vrije ruimte of een renteloze lening bepaalt wat het je en je personeel oplevert. Ook de nihilbijtelling voor deelfietsen en de btw-drempel van 749 euro worden vaak gemist. Taxcount helpt je een fietsplan op te zetten dat past bij je personeelsbestand, rekent de varianten voor je door en zorgt dat de bijtelling, de reiskostenvergoeding en de btw kloppen. Overweeg je een fietsregeling? Laat je situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook: