Vastgoed-B.V. gekocht in twee stappen? Zo werkt de overdrachtsbelasting bij aandelen

Wie aandelen koopt in een B.V. die vooral vastgoed bezit, betaalt vaak overdrachtsbelasting alsof hij het vastgoed zelf koopt. Maar niet altijd. Koop je minder dan een derde van de aandelen, dan blijft de heffing achterwege. Dat klinkt als een handige route, totdat je een tweede stap zet. Aan de hand van een praktijkcasus uit onze adviespraktijk leggen we uit hoe de regels werken, waar de valkuil zit en wat de interne reorganisatievrijstelling wel en niet voor je doet.

De casus: vier kopers, één holding

Vier ondernemers kopen samen alle aandelen in een vastgoed-B.V. (wij noemen haar Vastgoed B.V.). Een van hen, Peter, koopt via zijn werkmaatschappij Ontwikkel B.V. 38 van de 120 aandelen, dus 31,7%. Omdat dat minder is dan een derde, is bij die aankoop geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Vijf maanden later verandert het plan: Holding B.V., de persoonlijke holding van Peter en moedermaatschappij van Ontwikkel B.V., koopt alle 120 aandelen. De 82 aandelen van de drie medekopers en de 38 aandelen van de eigen dochter Ontwikkel B.V.

De notaris rekent twee scenario’s voor: overdrachtsbelasting over alle 120 aandelen, of over 82 aandelen omdat de 38 aandelen van de eigen dochter onder de interne reorganisatievrijstelling zouden vallen. Bij een vastgoedwaarde van EUR 3.000.000 en het woningtarief van 8% scheelt dat EUR 76.000. De vraag aan ons: kan de vrijstelling worden toegepast, en klopt het plaatje?

 

Tijdlijn van de casus: wat er bij elke stap gebeurt met de overdrachtsbelasting.

Regel 1: aandelen in een vastgoed-B.V. tellen als vastgoed

De Wet op belastingen van rechtsverkeer merkt aandelen in een zogeheten onroerendezaakrechtspersoon aan als fictieve onroerende zaak (artikel 4 lid 1). Dat is, kort gezegd, een B.V. waarvan de bezittingen voor meer dan de helft uit vastgoed bestaan, voor minimaal 30% uit Nederlands vastgoed, en die dat vastgoed hoofdzakelijk exploiteert, verkoopt of aankoopt. Koop je zulke aandelen, dan betaal je overdrachtsbelasting over de waarde van het vastgoed dat de aandelen vertegenwoordigen (artikel 10). Niet over de koopprijs van de aandelen en zonder aftrek van de schulden van de B.V. Dat verschil wordt in de praktijk vaak onderschat.

Het tarief hangt af van het vastgoed: in 2026 is dat 8% voor woningen die niet als eigen hoofdverblijf worden gebruikt, ook als je ze via aandelen koopt, en 10,4% voor ander vastgoed (artikel 14). Voor nieuw gebouwd, met btw geleverd vastgoed dat via aandelen wordt gekocht, kan onder voorwaarden een tarief van 4% gelden.

Regel 2: de grens van een derde

Er wordt alleen geheven als de koper na de aankoop, samen met wat hij al had en samen met verbonden vennootschappen of personen, een belang van minimaal een derde heeft (artikel 4 lid 3). Peter’s Ontwikkel B.V. bleef met 31,7% onder die grens. Daarom was de eerste aankoop onbelast. Let op: de grens wordt getoetst op het totale belang na de aankoop, niet op het gekochte pakket. Wie 32% heeft en 5% bijkoopt, betaalt over die 5%.

Regel 3: de tweejaarssamentelling, de eigenlijke valkuil

Hier gaat het in de casus om. Aankopen binnen twee jaar door dezelfde koper, of door een vennootschap uit hetzelfde concern, worden door de wet gezien als één samenhangende aankoop (artikel 4 lid 5 onderdeel b). Tegenbewijs is niet mogelijk. Zodra Holding B.V. de overige aandelen koopt, komt het concern binnen twee jaar op 100%. Daardoor wordt de aankoop van de 38 aandelen door Ontwikkel B.V. van vijf maanden eerder alsnog belast, naar de waarde van het vastgoed op dat moment. Ontwikkel B.V. moet daarvoor alsnog aangifte doen en betaalt mogelijk belastingrente.

Zit er meer dan twee jaar tussen, dan geldt de automatische samentelling niet. Maar ook dan kan de Belastingdienst heffen over de eerste aankoop als zij aantoont dat beide aankopen al bij de eerste stap met elkaar samenhingen, bijvoorbeeld door een optie, een afspraak of een vastgelegd plan. Het verschil is de bewijslast: binnen twee jaar hoeft de inspecteur niets te bewijzen, daarna wel.

Regel 4: de interne reorganisatievrijstelling

Overdrachten van vastgoed, en dus ook van aandelen in een vastgoed-B.V., tussen vennootschappen binnen één concern zijn vrijgesteld (artikel 15 lid 1 onderdeel h van de wet en artikel 5b van het Uitvoeringsbesluit). Een concern bestaat uit een topvennootschap en alle vennootschappen waarin zij, direct of indirect via aandelen, minimaal 90% van het belang houdt. Het gaat om het werkelijke economische belang: bij verschillende soorten aandelen of gecertificeerde aandelen moet je goed kijken.

In de casus kan Holding B.V. de 38 aandelen dus vrijgesteld van haar dochter overnemen, mits zij minimaal 90% in Ontwikkel B.V. houdt. Omdat de aandelen van dochter naar moeder gaan (een overdracht omhoog), geldt de gebruikelijke eis dat de structuur drie jaar in stand blijft hier niet. Wel geldt een voortzettingseis van drie jaar als de dochter pas kort geleden, zonder heffing, tot het concern is gaan behoren en de aandelen al had voordat zij toetrad.

Maar let op de samenhang met regel 3. Hetzelfde concernbegrip dat de vrijstelling mogelijk maakt, zorgt voor de samentelling. Wie de concernverhouding aantoont om de vrijstelling te krijgen, bevestigt daarmee ook dat de eerste aankoop alsnog wordt belast. De vrijstelling voorkomt dat het 38/120-deel twee keer wordt belast, niet dat het één keer wordt belast. De besparing van EUR 76.000 uit de notariële berekening is voor de groep als geheel dus grotendeels een verschuiving: wie betaalt, wanneer en naar welke waarde. Het echte voordeel is dat over dat deel wordt geheven naar de waarde van vijf maanden eerder, niet naar de huidige waarde.

Wat wij de klant adviseerden

  • Bevestig de concernverhouding met het aandeelhoudersregister en de statuten van de dochter en neem het beroep op de vrijstelling op in de akte.
  • Reken erop dat de eerste aankoop alsnog wordt belast en regel die aangifte in overleg met de notaris, zodat er geen naheffing met rente en boete op de deurmat valt.
  • Controleer de grondslag: de waarde van het vastgoed zelf, met een taxatie, niet de koopprijs van de aandelen.
  • Controleer het tarief: 8% alleen voor zover het om woningen gaat, 10,4% voor de rest, en check of het 4%-tarief voor nieuw btw-vastgoed speelt.
  • Houd de zesmaandstermijn van artikel 13 in de gaten: bij een tweede overdracht van dezelfde aandelen binnen zes maanden na een belaste eerste overdracht wordt de grondslag verminderd. Dat is een vangnet als de vrijstelling onverhoopt niet kan worden toegepast.
  • Creëer geen concernverhouding op het laatste moment om de vrijstelling te kunnen inroepen. Dan geldt de voortzettingseis en loopt u het risico op fraus legis; de Hoge Raad heeft dat in 2017 in een vergelijkbare constructie aangenomen.

De les voor iedere koper van een vastgoed-B.V.

Wie in stappen aandelen koopt in een vastgoed-B.V., moet niet alleen kijken naar de aankoop van vandaag maar ook twee jaar terug en twee jaar vooruit. Bepaal vooraf via welke vennootschap je koopt, zodat je later niet hoeft te herstructureren. En laat een adviseur de grondslag en het tarief toetsen voordat de akte passeert: het gaat al snel om tienduizenden euro’s.

Veelgestelde vragen

Wanneer is een B.V. een vastgoed-B.V. voor de overdrachtsbelasting?

Als de bezittingen op het moment van de aankoop, of op enig moment in het jaar daarvoor, voor meer dan de helft uit vastgoed bestaan, voor minimaal 30% uit Nederlands vastgoed, en dat vastgoed als geheel hoofdzakelijk dient voor exploitatie, verkoop of aankoop van vastgoed. Bezittingen van deelnemingen van een derde of meer worden naar rato meegeteld.

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik precies een derde koop?

Ja. De grens is “ten minste een derde gedeelte”. Precies een derde is dus belast, iets minder niet.

Kan ik de heffing ontlopen door de aankoop te splitsen over twee vennootschappen?

Nee. Aankopen door verbonden vennootschappen tellen mee voor de grens, en aankopen binnen twee jaar binnen hetzelfde concern worden automatisch samengeteld.

Waarover wordt de overdrachtsbelasting berekend bij aandelen?

Over de waarde van het vastgoed dat de aandelen vertegenwoordigen, naar rato van het gekochte belang. Niet over de koopprijs van de aandelen, en schulden van de B.V. worden niet afgetrokken.

Wat is de interne reorganisatievrijstelling precies?

Een vrijstelling voor overdrachten van vastgoed of vastgoedaandelen tussen vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren (minimaal 90% belang). Meestal geldt een aanhoudingseis van drie jaar; bij een overdracht van dochter naar moeder niet.

Geldt de zesmaandsregeling ook voor aandelen?

Ja. Aandelen in een vastgoed-B.V. en het onderliggende vastgoed worden voor die regeling als dezelfde goederen gezien.

Koopt u aandelen in een vastgoed-B.V.?

Taxcount adviseert ondernemers en beleggers over de overdrachtsbelasting bij aandelentransacties, herstructureringen en vastgoedaankopen. Wij toetsen vooraf de 1/3-grens, de samentelling, de vrijstellingen, de grondslag en het tarief, en stemmen de akte af met uw notaris. Download onze checklist “Overdrachtsbelasting bij aandelen in een vastgoed-B.V.” of neem contact op via www.taxcount.nl. Taxcount B.V., Lange Voorhout 86, 2514 EJ Den Haag.

Dit artikel bevat algemene informatie op basis van de wet- en regelgeving zoals die geldt op 8 september 2026 en is geen advies. Tarieven en grenzen wijzigen jaarlijks. De casus is geanonimiseerd en op onderdelen vereenvoudigd. Laat uw eigen situatie altijd beoordelen door een adviseur.

Dividend uitkeren uit uw bv in 2026: zo doorstaat u de balanstest en de uitkeringstoets

U wilt geld uit uw bv (besloten vennootschap) naar privé halen via dividend. Dan mag dat niet zomaar: eerst moeten de balanstest en de uitkeringstoets worden doorlopen. Die twee toetsen bepalen samen hoeveel uw bv mag uitkeren, en het bestuur moet de uitkering apart goedkeuren voordat er een euro overgemaakt wordt. Keurt het bestuur te veel goed en kan de bv haar rekeningen daarna niet meer betalen, dan kunnen de bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor het tekort en kan de ontvanger het dividend moeten terugbetalen. In dit artikel leest u wat de twee toetsen inhouden, op welk moment u moet toetsen, wat de rechter tot nu toe heeft beslist en welke belasting u in 2026 over het dividend betaalt. Ook krijgt u een checklist waarmee u het uitkeringsbesluit aantoonbaar goed vastlegt.

Wat is een uitkering en wanneer speelt dit?

Een uitkering is geld, of iets anders van waarde, dat uw bv aan haar aandeelhouders geeft. Denk aan gewoon dividend na vaststelling van de jaarrekening, tussentijds dividend (ook wel interim-dividend) of een uitkering uit de reserves. De regels staan in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en gelden voor elke bv die geld naar haar aandeelhouders laat gaan, of dat nu 5.000 euro of 500.000 euro is. Voor de nv (naamloze vennootschap) geldt een eigen, vergelijkbare regeling. Heeft u een eenmanszaak of een vof (vennootschap onder firma), dan speelt dit niet: daar is geen sprake van aandelen en dividend.

De regeling is vooral belangrijk voor de directeur-grootaandeelhouder (dga): iemand die zowel bestuurder is van de bv als een groot deel van de aandelen bezit. U neemt dan zelf het besluit om uit te keren (als aandeelhouder) en geeft zelf de goedkeuring (als bestuurder). Beide rollen komen dus bij een en dezelfde persoon samen, en daarmee ook het volledige risico. Gaat het mis, dan kunt u als bestuurder worden aangesproken op het tekort en als ontvanger op het uitgekeerde bedrag, als u wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de bv haar rekeningen niet meer kon betalen.

De regeling is inhoudelijk niet gewijzigd sinds 1 oktober 2012, toen de wet voor de bv werd vereenvoudigd (de zogeheten Flex-bv), en ook in 2026 is zij op dit punt onveranderd. Wat er wel verandert, zijn de percentages die eraan hangen: de wettelijke rente en de belastingtarieven. Die vindt u verderop in dit artikel.

De twee horden voor elke dividenduitkering

De wet stelt twee eisen voordat uw bv mag uitkeren. De ene toets kijkt terug naar de balans, de andere kijkt vooruit naar de liquiditeit, dus naar het geld dat er straks moet zijn om rekeningen te betalen. Pas als aan beide toetsen is voldaan, mag het geld daadwerkelijk worden overgemaakt (zie figuur 1).

     Figuur 1: de balanstest en de uitkeringstoets naast elkaar, met de laagste van de twee grenzen als maximum en de bestuursgoedkeuring als sluitstuk.

Horde 1: de balanstest

De balanstest is een rekensom op de balans. Uw bv mag alleen uitkeren voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die de bv wettelijk of volgens haar statuten verplicht moet aanhouden. Het eigen vermogen is het verschil tussen de bezittingen en de schulden van de bv, dus het geld dat van de onderneming zelf is. Wettelijke en statutaire reserves zijn delen van het eigen vermogen die de bv volgens de wet of haar eigen statuten moet vasthouden en dus niet mag uitkeren. Heeft uw bv geen van die reserves, dan is in beginsel het hele eigen vermogen vrij uitkeerbaar.

Let op een detail dat vaak wordt vergeten: bij de bv blokkeert het gestorte kapitaal de uitkering niet. Dat is anders bij de nv, waar het eigen vermogen groter moet zijn dan het gestorte en opgevraagde kapitaal plus de verplichte reserves. Verder kunnen de statuten, de eigen regels van de bv die in de akte bij de notaris staan, de bevoegdheid van de algemene vergadering (de vergadering van aandeelhouders) beperken of aan een ander orgaan toekennen. Loop de statuten dus altijd na voordat u een besluit neemt.

Wordt er meer uitgekeerd dan de balanstest toestaat, dan mist het besluit voor dat deel een grondslag en kan het te veel uitgekeerde bedrag worden teruggevorderd. De persoonlijke aansprakelijkheid van het bestuur, die u hieronder tegenkomt, hangt overigens niet aan de balanstest maar aan horde 2.

Horde 2: de uitkeringstoets

De uitkeringstoets, in de wetsgeschiedenis (de stukken die bij de totstandkoming van de wet zijn geschreven) ook uitkeringstest of distributietoets genoemd, is een blik vooruit. Het bestuur moet het uitkeringsbesluit apart goedkeuren; zonder die goedkeuring heeft het besluit geen gevolgen en is de uitkering niet rechtsgeldig.

Het bestuur mag de goedkeuring maar om één reden weigeren. Weet het bestuur, of behoort het redelijkerwijs te voorzien, dat de bv haar opeisbare schulden na de uitkering niet meer kan betalen? Dan moet het weigeren. Opeisbare schulden zijn schulden die de bv nu of binnenkort moet betalen. In alle andere gevallen mag het bestuur de goedkeuring niet weigeren.

In de praktijk maakt het bestuur hiervoor een liquiditeitsprognose: een overzicht van het geld dat de komende maanden binnenkomt en eruit gaat. De rechter kijkt daarbij niet alleen naar de balans op papier, maar naar de vraag hoeveel snel beschikbaar geld er tegenover de kortlopende schulden staat. In een van de weinige zaken over dit onderwerp noemde de rechtbank de quick ratio, de verhouding tussen de vlot beschikbare middelen en de kortlopende schulden, informatiever dan de current ratio, die ook voorraden en nog niet geïnde vorderingen meerekent en daardoor een gunstiger beeld geeft.

De wetgever heeft ook opgeschreven wanneer een bestuurder niets te vrezen heeft. Heeft u de boekhouding op orde? Komt u op basis van de beschikbare informatie tot een redelijk en onderbouwd oordeel over de financiële positie? En heeft u daarbij ook naar de belangen van de schuldeisers gekeken? Dan hoeft u geen aansprakelijkheid te vrezen. Andersom kunt u zich er niet achter verschuilen dat u te weinig financiële kennis heeft om de toets uit te voeren: de wetgever heeft dat verweer uitdrukkelijk afgesloten.

Wie besluit en wie keurt goed?

Het besluit om uit te keren neemt in beginsel de algemene vergadering. De goedkeuring komt altijd van het bestuur. Bij een bv met een eenmansbestuur kan die goedkeuring volgens de wetsgeschiedenis ook stilzwijgend blijken uit de betaalbaarstelling zelf: door het geld over te maken, keurt u als enig bestuurder de uitkering feitelijk goed. Dat is geen vrijbrief om niets vast te leggen, want u moet later kunnen aantonen dat u de toets echt heeft gedaan. Bestaat het bestuur uit meer personen, dan mag de goedkeuring niet uit de handeling van een van hen worden afgeleid: alle bestuurders moeten erbij betrokken zijn.

Ontbreekt het besluit van het bevoegde orgaan helemaal, dan is het uitgekeerde bedrag zonder rechtsgrond betaald, dus betaald zonder dat er een geldige verplichting tegenover stond, en moet het terug. Het hof besliste dat in 2017 in een zaak waarin twee aandeelhouders ieder 47.500 euro als interim-dividend hadden ontvangen zonder dat er een geldig besluit lag. Dat de bv niet in betalingsproblemen was gekomen, hielp de aandeelhouders niet: van die bevoegdheidsregel kunt u niet afwijken, ook niet met instemming van alle aandeelhouders, want het is dwingend recht.

Op welk moment moet u toetsen?

Twee momenten: de goedkeuring en de betaalbaarstelling

Dit is het punt waarop in de praktijk het vaakst iets misgaat. Er zijn twee momenten die niet samenvallen: het moment waarop het bestuur het besluit goedkeurt en het moment waarop de bv het dividend uitkeert of betaalbaar stelt. Voor de aansprakelijkheid van het bestuur is volgens de wetgever steeds het tweede moment beslissend, dus het moment van uitkeren of betaalbaar stellen (zie figuur 2).

Figuur 2: de vijf momenten van een dividenduitkering op een tijdlijn. De betaalbaarstelling is het beslissende moment voor de aansprakelijkheid van het bestuur.

Volgt de betaling kort na de goedkeuring, dan volstaat de toets die u bij de goedkeuring heeft gedaan. Zit er meer tijd tussen en weet u van nieuwe omstandigheden waardoor de bv door de uitkering alsnog in de problemen komt, dan moet u van de uitkering afzien en het eerdere goedkeuringsbesluit herzien. U keurt een uitkering dus in feite altijd goed onder de voorwaarde dat u op het moment van uitkeren nog steeds mag verwachten dat de bv haar opeisbare schulden kan blijven betalen.

Twee praktische gevolgen. Een besluit met een terugwerkende datum helpt u niet: de rechtbank merkte in 2021 een dividendbesluit dat op 31 december was gedateerd aan als geantedateerd en nam het feitelijke moment een half jaar later als peilmoment. En een besluit uit het voorjaar dat u pas in het najaar uitbetaalt, vraagt vlak voor de betaling om een korte hertoets.

De vooruitkijktermijn: in de regel ongeveer een jaar, soms langer

De wet noemt geen termijn. De wetgever schreef bij de invoering op dat de beoordeling zich in de regel over ongeveer een jaar zal uitstrekken, gerekend vanaf de uitkering. Dat is dus een vuistregel en geen wettelijke termijn, en de wetgever geeft er zelf meteen een uitzondering bij: weet het bestuur dat de bv over anderhalf jaar een grote belastingschuld moet aflossen, dan hoort die schuld in de beoordeling. Later is daaraan toegevoegd dat het bestuur alle beschikbare informatie moet betrekken, ook als een verplichting pas over twee jaar speelt.

De rechtspraak volgt die lijn. In 2021 rekende de rechtbank met ongeveer een jaar vooruit en verweet het bestuur dat het een voorzienbare overnameverplichting buiten beschouwing had gelaten. In 2023 oordeelde een andere rechtbank dat een jaar juist te kort was, omdat de enige verplichting van de bv een levenslange pensioenuitkering aan een weduwe van 76 jaar was. Die zaak liep formeel via de onrechtmatige daad en niet via de uitkeringstoets, maar de gedachte is dezelfde: de periode waarover u vooruitkijkt, moet passen bij de verplichtingen die de bv heeft.

Tussentijds dividend en meerdere uitkeringen

Voor tussentijds dividend gelden dezelfde eisen als voor een uitkering na vaststelling van de jaarrekening. Een aparte vermogensopstelling is niet wettelijk voorgeschreven; volgens de minister mag u voor de toets aansluiten bij de laatst vastgestelde jaarrekening. Schrijf echter niet in uw besluit dat de wet dat toestaat, want die zinsnede staat niet in de wet zelf. Het blijft een uitleg van de bewindspersoon, en de feitelijke situatie op het moment van uitkeren is beslissend.

Doet uw bv meerdere uitkeringen in een jaar, dan staat elke uitkering op zichzelf en vraagt elke uitkering dus om een eigen toets. De wetgever heeft dat bewust zo geformuleerd: ook bij meerdere uitkeringen op verschillende momenten kan iedere uitkering afzonderlijk worden teruggevorderd. Bij tussentijds dividend kan het bestuur aan de goedkeuring bovendien de voorwaarde verbinden dat het bedrag terug moet als bij het vaststellen van de jaarrekening blijkt dat de winst lager uitvalt. Daar is geen aparte wettelijke regeling voor nodig, maar leg die voorwaarde dan wel in het besluit zelf vast.

Wat gebeurt er als de uitkeringstoets misgaat?

De wet laat de gevolgen bij drie groepen neerkomen: de bestuurders, de ontvanger van het dividend en wie feitelijk de leiding had zonder formeel bestuurder te zijn. Figuur 3 zet die drie routes naast elkaar.

Figuur 3: wie waarvoor aansprakelijk is bij een uitkering die de toets niet had mogen halen, met per groep de bovengrens en de vraag of vrijpleiten mogelijk is.

De bestuurders zijn aansprakelijk voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, plus wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering, en ieder van hen kan voor het hele bedrag worden aangesproken. Dat laatste heet hoofdelijk. De wet begrenst dat bedrag niet tot het uitgekeerde dividend en rechters denken daar verschillend over, dus die bovengrens is onbeslist. Een bestuurder kan zich wel vrijpleiten, maar draagt daarvoor zelf de bewijslast.

De ontvanger van de uitkering draait op voor hetzelfde tekort, maar alleen als hij wist of behoorde te voorzien dat de bv niet kon blijven betalen. Zijn aansprakelijkheid is wel begrensd: tot het bedrag of de waarde van de uitkering die hij heeft gekregen, plus wettelijke rente. Voor hem kent de wet geen vrijpleitgrond. Wie het beleid bepaalde alsof hij bestuurder was, valt onder dezelfde regels als de bestuurders, met dezelfde bovengrens en dezelfde uitweg; die gelijkstelling geldt niet voor een bewindvoerder die door de rechter is benoemd.

Het tekort is het bedrag dat de bv door de uitkering niet meer aan haar schuldeisers kan betalen. De wettelijke rente is het rentepercentage dat de wet vaststelt en dat bovenop zo’n schuld komt; die rente loopt vanaf de dag van de uitkering en is per 1 januari 2026 verlaagd naar 4 procent per jaar. Over heel 2025 was het nog 6 procent. Gaat het om een uitkering uit een eerder jaar, dan wordt de rente per jaar tegen het percentage van dat jaar berekend. Bij een groot tekort kan dat in een paar jaar flink oplopen.

De vordering is een vordering van de bv zelf. Gaat de bv failliet, dan stelt de curator haar in, de door de rechtbank benoemde beheerder van een faillissement. Heeft een bestuurder het tekort al aan de bv betaald, dan moet de ontvanger van de uitkering dat aan die bestuurder vergoeden, ieder naar zijn aandeel. Bij een dga die zelf bestuurder en ontvanger is verandert dat niets, maar met meerdere bestuurders of aandeelhouders kan het uitmaken wie uiteindelijk betaalt.

Voor deze schulden geldt bovendien een verrekeningsverbod: u kunt het bedrag niet wegstrepen tegen een vordering die u zelf op de bv heeft. De rechter kan het tekort laten vaststellen in een aparte procedure, een schadestaatprocedure, zodat eerst de aansprakelijkheid vaststaat en pas daarna het bedrag.

Wanneer kunt u zich als bestuurder vrijpleiten?

De wet geeft de bestuurder een uitweg, en die kent twee eisen die u beide moet halen. U moet bewijzen dat het niet aan u te wijten is dat de bv de uitkering heeft gedaan, en dat u niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden. De bewijslast ligt hier ondubbelzinnig bij u als bestuurder: de wet zegt letterlijk dat u dit moet bewijzen. Dit vrijpleiten wordt in de vakliteratuur disculpatie genoemd. Bent u enig bestuurder en enig aandeelhouder, dan is deze uitweg in de praktijk vrijwel gesloten: u heeft de uitkering zelf goedgekeurd, dus u kunt moeilijk bewijzen dat het niet aan u te wijten is. Voorkomen is voor u dus de enige echte bescherming.

Voor de vraag of u wist of behoorde te voorzien dat het mis zou gaan, is de verdeling minder scherp. Een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij die wetenschap wordt aangenomen als de bv binnen een jaar failliet gaat, stond nog in een eerder ontwerp maar is bewust niet in de wet terechtgekomen. De wetgever heeft er wel bij gezegd dat de bewijslast daarmee niet automatisch bij de curator of de schuldeiser ligt: de rechter verdeelt die aan de hand van de omstandigheden, en de mate van zeggenschap van de bestuurder weegt daarbij mee. Heeft u als dga volledige zeggenschap, dan is het dus reëel dat u zelf moet uitleggen hoe het besluit tot stand kwam, want u beschikt over die informatie.

Twee dingen die vaak worden aangenomen maar niet vaststaan. Of decharge, de kwijting die de algemene vergadering aan het bestuur geeft, deze aansprakelijkheid uitsluit, is door de rechter niet beslist. En of de aansprakelijkheid van de bestuurder begrensd is tot het uitgekeerde bedrag, is evenmin uitgemaakt: een rechtbank nam die grens in 2021 wel aan, een andere rechtbank wees hem in hetzelfde jaar uitdrukkelijk af omdat de wet die grens alleen voor de ontvanger noemt. Ga er dus niet van uit dat uw risico nooit groter kan zijn dan het dividend.

Let op: verrekening met uw rekening-courant is ook een uitkering

Veel dga’s keren dividend uit zonder dat er geld de deur uit gaat. Het dividend wordt dan verrekend met de rekening-courant, de doorlopende schuld die u bij uw eigen bv heeft opgebouwd door privé-opnames. Op papier verandert er niets aan het banksaldo, en juist daarom leeft het idee dat de uitkeringstoets dan geen rol speelt. Dat idee is onjuist en het is precies de constructie waarop bestuurders in de rechtspraak zijn afgerekend (zie figuur 4).

Figuur 4: geld overmaken tegenover wegstrepen tegen de rekening-courant. Het banksaldo verandert in de tweede variant niet, maar de uitkeringstoets geldt onverkort.

De bv geeft door de verrekening een vordering prijs waarop haar schuldeisers zich anders hadden kunnen verhalen, dus waaruit zij anders betaald hadden kunnen worden. Zij geeft die vordering op haar aandeelhouder op zonder daar iets voor terug te krijgen. Dat de liquiditeit gelijk blijft, doet daar niet aan af: er valt voor de schuldeisers minder te halen. In een zaak uit 2021 werd een dividend van 1.080.000 euro volledig verrekend met een rekening-courantvordering en werd de bestuurder toch aansprakelijk gehouden voor het tekort. In een andere zaak uit hetzelfde jaar ging het om 485.234 euro, exact gelijk aan de rekening-courantschuld.

Keert u dividend uit aan uw holding, dan biedt die tussenschakel geen bescherming. De rechtbank rekende de wetenschap van de dga toe aan de ontvangende holding, waardoor ook de holding het tekort moest vergoeden tot het bedrag van de ontvangen uitkering. Wilt u weten of een opname in rekening-courant zelf zakelijk is, dan is dat een eigen vraag met eigen voorwaarden; daarover leest u meer in ons artikel over de rekening-courant met uw eigen bv.

Wat heeft de rechter tot nu toe beslist?

Hier past een belangrijk voorbehoud. Over de toepassing van de uitkeringstoets zelf, zoals die sinds 1 oktober 2012 geldt, heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgesproken. Hij heeft in 2016 wel beslist over de verhouding tussen die toets en de oudere aansprakelijkheidsroutes, waarover u onderaan deze sectie meer leest. Alles wat daartussen staat, komt van rechtbanken en gerechtshoven. Dat betekent dat de lijn zich nog kan wijzigen en dat een uitspraak van een rechtbank geen algemene regel is. Wij noemen ze omdat ze goed laten zien waar het in de praktijk op stukloopt.

De rechtbank die het dividend van 1.080.000 euro beoordeelde, formuleerde de drempel als evident onverantwoorde uitkeringen. Of die drempel algemeen geldt, staat nog niet vast: één rechtbank heeft het zo verwoord en de Hoge Raad heeft zich er niet over uitgelaten. Ga er dus niet van uit dat een kleine misrekening u nooit kan worden aangerekend. In diezelfde zaak werd overigens ook het accountantskantoor aansprakelijk geacht tegenover de bestuurder, omdat het niet had gewaarschuwd voor het aansprakelijkheidsrisico van de dividend- en verrekeningsconstructie. Een adviseur die u hierin begeleidt, heeft dus een eigen waarschuwingsplicht.

Er is ook een uitspraak die laat zien hoe het goed gaat. Het hof oordeelde in 2022 dat bestuurders bij de uitkeringstoets niet alles zelf hoeven na te rekenen. Zijn de cijfers vóór uw bestuursperiode door een extern professioneel bureau aangeleverd, dan mag u daarop vertrouwen, zolang er geen aanwijzingen zijn dat ze onjuist zijn. Een financiële analyse op basis van alle beschikbare stukken was in die zaak voldoende en de bestuurders waren niet aansprakelijk.

Twee oudere zaken worden in dit verband vaak genoemd: Nimox uit 1991 en Reinders Didam uit 2004. Die gaan over recht van voor 2012 en over andere regels, namelijk de onrechtmatige daad en de aansprakelijkheid bij faillissement. De wetgever heeft de normen uit die zaken wel richtinggevend genoemd bij het opstellen van de huidige regeling, en de Hoge Raad bevestigde in 2016 dat die routes naast de uitkeringstoets blijven bestaan. Ook als u de uitkeringstoets netjes doorloopt, kan een uitkering dus nog langs die andere weg worden aangepakt.

Rekenvoorbeeld: drie uitkomsten bij dezelfde bv

Onderstaand voorbeeld speelt in 2026 en laat zien dat de balanstest ruimte kan geven die de uitkeringstoets vervolgens grotendeels wegneemt. De bedragen zijn afgerond op hele euro’s (zie figuur 5).

De situatie

Stel dat u enig aandeelhouder en enig bestuurder van uw bv bent. Het eigen vermogen is 200.000 euro en er zijn geen wettelijke of statutaire reserves. De balanstest staat dus een uitkering van maximaal 200.000 euro toe. Op de bankrekening staat 160.000 euro. Over drie maanden moet de bv een banklening van 150.000 euro aflossen, en uit de lopende bedrijfsvoering komt in die drie maanden netto nog 15.000 euro binnen. De liquiditeitsprognose voor de komende twaalf maanden laat zonder dividend daarom een laagste banksaldo zien van 25.000 euro (160.000 plus 15.000 min 150.000), en dat dieptepunt valt in de maand van de aflossing.

Uitkomst 1: een dividend dat de bv kan dragen

U keurt als bestuurder een dividend van 15.000 euro goed en legt de prognose bij het besluit. De bv houdt 15 procent dividendbelasting in, dus 2.250 euro, maakt 12.750 euro aan u over en draagt 2.250 euro af. Het laagste banksaldo zakt naar 10.000 euro, dus de aflossing blijft haalbaar. In box 2 betaalt u 24,5 procent over 15.000 euro, dat is 3.675 euro. De ingehouden dividendbelasting van 2.250 euro wordt daarmee verrekend, dus u betaalt nog 1.425 euro bij.

Uitkomst 2: een gematigd dividend dat de toets toch niet haalt

U denkt voorzichtig te zijn met 60.000 euro, ruim onder de 200.000 euro die de balanstest toestaat. Ook hier gaat het volledige brutobedrag de kas uit: 51.000 euro naar u en 9.000 euro dividendbelasting naar de Belastingdienst. Het laagste banksaldo komt daarmee uit op 35.000 euro negatief, dus de aflossing van 150.000 euro kan niet volledig worden gedaan. Ook een tekort van 35.000 euro betekent al dat de bv haar opeisbare schuld niet kan betalen, dus moet u de goedkeuring weigeren.

Er is wel een uitweg. De vrije ruimte in de prognose is 25.000 euro, dus tot dat bedrag kan de bv verantwoord uitkeren. Wilt u meer uitkeren, dan wacht u tot na de aflossing en toetst u dan opnieuw. Dit is het scenario dat in de praktijk het vaakst wordt onderschat, want het bedrag voelt bescheiden en de balanstest geeft ruimte.

Uitkomst 3: uitkeren zonder de toets te doen

U keurt 180.000 euro goed zonder naar de liquiditeit te kijken. De bv houdt 27.000 euro dividendbelasting in en maakt 153.000 euro over. Het laagste saldo komt uit op 155.000 euro negatief en de banklening kan niet worden afgelost. Dat de bv over drie maanden 150.000 euro moest aflossen stond al vast, dus u behoorde redelijkerwijs te voorzien dat de bv haar opeisbare schulden na de uitkering niet kon blijven betalen.

Daarmee bent u als bestuurder aansprakelijk voor het tekort dat de bv door de uitkering niet meer kan betalen, in dit voorbeeld ongeveer 155.000 euro, met wettelijke rente van 4 procent vanaf de dag van de uitkering. Als ontvanger bent u aansprakelijk tot maximaal het bedrag van de uitkering, dus 180.000 euro. Dat is het brutobedrag, ook al kwam er 153.000 euro op uw rekening; de ingehouden 27.000 euro is immers voor uw rekening afgedragen.

De box 2-heffing blijft daarbij gewoon staan. U betaalt 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over de resterende 111.157 euro, samen 51.325 euro. Daarvan is 27.000 euro al ingehouden, dus u betaalt 24.325 euro bij. Moet u het dividend later terugbetalen, dan verdwijnt die heffing over 2026 niet: de terugbetaling werkt fiscaal niet terug en levert pas in het jaar van terugbetaling een negatief voordeel op. U betaalt dus eerst de belasting en moet daarna het geld terug in de bv storten.

De conclusie: de balanstest zegt hoeveel er op papier uitkeerbaar is, de uitkeringstoets zegt hoeveel de bv werkelijk kan missen. Het tweede getal is vaak lager, en alleen dat tweede getal beschermt u tegen aansprakelijkheid. Toetst u niet beide, dan weet u niet welk van de twee bij u het bindende bedrag is.

Figuur 5: de drie uitkomsten naast elkaar. De staven tonen het laagste banksaldo in de komende twaalf maanden; de stippellijn is de vrije ruimte van 25.000 euro.

De fiscale kant: dividendbelasting en box 2 in 2026

Is de uitkering civielrechtelijk in orde, dan begint het fiscale traject. Onderstaande tabel geeft de fiscale percentages en termijnen die in 2026 gelden.

Onderwerp 2026 Toelichting
Dividendbelasting 15 procent De bv houdt dit in op het brutodividend en draagt het af
Box 2, eerste schijf 24,5 procent tot en met 68.843 euro Per persoon; fiscale partners samen dus tot 137.686 euro
Box 2, tweede schijf 31 procent boven 68.843 euro Over het deel boven de schijfgrens
Aangifte dividendbelasting Binnen 1 maand Gerekend vanaf de dag waarop de bv het dividend aan u ter beschikking stelt
Betaling dividendbelasting Binnen 1 maand Zelfde termijn als de aangifte
Bezwaar tegen het betaalde bedrag Binnen 6 weken Gerekend vanaf de datum van betaling
Dividendbelasting inhouden, aangeven en betalen

Keert uw bv dividend uit aan u als particuliere aandeelhouder, dan moet de bv 15 procent dividendbelasting inhouden en daarvan aangifte doen. De termijn loopt vanaf de dag waarop de bv het dividend aan u ter beschikking stelt, dus vanaf het moment waarop u een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling krijgt. Dat is niet hetzelfde als de dag waarop het geld op uw rekening staat. Stelt de bv het dividend in oktober betaalbaar maar betaalt zij pas in januari uit, dan loopt de aangiftetermijn toch vanaf oktober. Stel de uitbetaling ook niet te lang uit: het recht op een vastgesteld dividend verjaart na vijf jaar, tenzij de statuten een langere termijn noemen.

Dat betekent ook dat de bv de dividendbelasting binnen een maand na de betaalbaarstelling moet afdragen, ook als zij het dividend zelf pas later uitbetaalt. Neem die afdracht dus als apart bedrag mee in uw liquiditeitsprognose, want voor de uitkeringstoets is het net zo goed geld dat de bv kwijt is.

Twee praktische valkuilen. De dividendbelasting gaat naar een ander bankrekeningnummer dan de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting, en het aangiftenummer moet u altijd vermelden. En heeft u een fout gemaakt in de aangifte, dan kunt u die niet herstellen door opnieuw aangifte te doen: een nieuwe aangifte overschrijft de eerdere niet. Heeft u al betaald, dan maakt u binnen zes weken na de betaaldatum bezwaar; heeft u nog niet betaald, dan meldt u de fout per brief.

Keert uw bv uit aan een holding die 5 procent of meer van de aandelen heeft, dan is er meestal sprake van deelnemingsdividend, dus dividend tussen vennootschappen waarbij de ontvanger een deelneming van minstens 5 procent heeft. De bv past dan een inhoudingsvrijstelling toe en houdt niets in. Is de hele uitkering vrijgesteld, dan hoeft er geen aangifte te worden gedaan, behalve als de Belastingdienst de bv uitnodigt om aangifte te doen. Zo’n uitnodiging maakt de aangifte alsnog verplicht, ook als er niets te betalen valt.

Box 2 bij uzelf

Heeft u een aanmerkelijk belang, dus minimaal 5 procent van de aandelen, dan is het dividend bij u een regulier voordeel in box 2, dus een opbrengst uit uw aandelen en niet een winst op de verkoop ervan. Het tarief is in 2026 24,5 procent tot en met 68.843 euro en 31 procent daarboven. Bent u fiscaal partner, dan kunt u het box 2-inkomen onderling verdelen, waardoor u samen tot 137.686 euro in de eerste schijf kunt blijven. De ingehouden dividendbelasting is een voorheffing, dus een vooruitbetaling op uw inkomstenbelasting: u geeft die in uw aangifte op en zij wordt met uw box 2-heffing verrekend.

Ontvangt u van uw bv rente op een lening die u aan de bv heeft verstrekt, dan is dat geen dividend en dus geen box 2-inkomen. Die rente hoort in box 1, waar ook uw loon wordt belast. Het gaat dan om de regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen: leent u geld aan uw eigen bv of verhuurt u er iets aan, dan wordt de opbrengst daarvan in box 1 belast. Dat wordt in aangiften geregeld verkeerd ingevuld.

Een civielrechtelijk ongeldige uitkering is fiscaal wel belast

Dit is de meest onderschatte fiscale consequentie. Of er voor de belasting een voordeel uit aandelen is, hangt niet af van de vraag of er vennootschapsrechtelijk een geldige dividenduitkering tot stand is gekomen. Beslissend is dat er vermogen van de bv naar u is verschoven en dat beide partijen zich daarvan bewust waren. Het hof besliste in juni 2026 in die zin over een uitkering van 116.324 euro uit de agioreserve, het bedrag dat aandeelhouders bij de uitgifte van aandelen bovenop de nominale waarde hebben gestort. Over die uitkering had het verkeerde orgaan besloten: civielrechtelijk dus geen geldig besluit, fiscaal toch belast.

Draait u de uitkering later terug, dan is dat een gebeurtenis van het latere jaar. De vernietiging van een besluit of overeenkomst werkt civielrechtelijk wel terug, maar fiscaal niet. Bestaat er een echte verplichting om terug te betalen en betaalt u ook terug, dan is dat in het jaar van terugbetaling een negatief voordeel in box 2. Heeft u in dat jaar geen ander box 2-inkomen, dan ontstaat een box 2-verlies dat u niet meteen kunt gebruiken maar met inkomen uit andere jaren moet verrekenen. U schiet de belasting dus jaren voor. Bestaat die terugbetalingsverplichting niet, dan wordt het als een informele kapitaalstorting gezien, dus als een storting in de bv zonder dat u daar aandelen voor krijgt.

Een correctie van de aanslag over het uitkeringsjaar zit er in beide gevallen niet in. Wat er met de al ingehouden dividendbelasting gebeurt als u de uitkering moet terugbetalen, is niet in algemene regels vastgelegd; laat dat per geval beoordelen.

Ook bij inkoop van eigen aandelen en kapitaalvermindering

De uitkeringstoets geldt niet alleen voor dividend. Koopt uw bv haar eigen aandelen terug en betaalt zij daar iets voor, dan geldt een liquiditeitstoets die vrijwel hetzelfde is geformuleerd als bij dividend. Het verschil zit in de procedure en in de sanctie. Bij inkoop beslist het bestuur zelf, dus er is geen apart goedkeuringsvereiste, en de balanstest wordt strenger: het eigen vermogen min de verkrijgingsprijs moet groter zijn dan de verplichte reserves. Wordt die balanstest geschonden of een statutaire beperking overtreden, dan is de inkoop nietig.

Bij schending van de uitkeringstoets is de inkoop niet nietig, maar zijn de bestuurders aansprakelijk voor het tekort. Daarnaast is de aandeelhouder die zijn aandelen verkocht heeft aansprakelijk tot maximaal de prijs die hij ervoor kreeg; bij inkoop is dat dus de verkoper in plaats van de dividendontvanger.

Vermindert uw bv het kapitaal met terugbetaling op de aandelen, dan gelden dezelfde bestuursgoedkeuring, dezelfde uitkeringstoets en dezelfde aansprakelijkheid: de wet verklaart die regels daarop van toepassing. Er geldt daarnaast een eigen balanstest. Denk hierbij niet dat schuldeisers zich met een verzetprocedure kunnen melden: dat recht is bij de bv per 1 oktober 2012 vervallen en juist vervangen door de uitkeringstoets met aansprakelijkheid. Bij de nv bestaat het verzetrecht nog wel.

Wilt u kapitaal onbelast terugbetalen, dan zijn er strikte fiscale formaliteiten: er moet een besluit van de algemene vergadering en een statutenwijziging zijn, en die handelingen moeten in samenhang en kort na elkaar plaatsvinden. Gebeurt dat niet, dan is de terugbetaling belast voor zover de bv nog winst en winstreserves heeft, de zogeheten zuivere winst. Bij een kapitaalvermindering door intrekking van aandelen komt de onbelaste terugbetaling helemaal niet aan de orde, want dan geldt het fiscaal als een verkoop van uw aandelen: u wordt in box 2 afgerekend over het verschil tussen wat u ontvangt en wat u voor die aandelen heeft betaald.

Praktische checklist: wat u moet regelen

Loop deze punten na voordat uw bv een euro uitkeert (zie figuur 6). De regeling levert u zelf geen voordeel op, maar zorgvuldig naleven voorkomt schade die tot in uw privévermogen kan reiken.

  • Controleer de statuten. Kijk wie bevoegd is te besluiten en of er statutaire reserves of beperkingen zijn.
  • Doe de balanstest. Stel vast dat het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves en keer niet meer uit dan dat meerdere.
  • Neem een besluit van het bevoegde orgaan. Dat is in de regel de algemene vergadering; controleer in de statuten of dat bij uw bv anders is geregeld.
  • Maak een liquiditeitsprognose. Kijk als basis ongeveer een jaar vooruit, en langer als u een grote verplichting verder in de toekomst al ziet aankomen. Neem ook de afdracht van de dividendbelasting mee.
  • Laat het bestuur uitdrukkelijk goedkeuren. Leg de goedkeuring en de onderbouwing schriftelijk vast; bij meer bestuurders moeten zij allen betrokken zijn.
  • Toets opnieuw vlak voor de betaling. Voor de aansprakelijkheid is het moment van uitkeren beslissend, niet het moment van goedkeuren.
  • Behandel verrekening als een echte uitkering. Ook een dividend dat u wegstreept tegen uw rekening-courant valt volledig onder de toets.
  • Regel de dividendbelasting. Houd 15 procent in en doe binnen een maand na de terbeschikkingstelling aangifte en betaling op het aparte rekeningnummer.
  • Bewaar het dossier. Bestuursbesluit, prognose en jaarcijfers vormen later uw bewijs dat u zorgvuldig heeft getoetst.

Figuur 6: de vijf vragen als beslisboom, met per nee-antwoord de uitweg. Vijf keer ja betekent dat de uitkering kan worden gedaan en dat u dat jaren later nog kunt aantonen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel dividend mag u uit uw bv uitkeren?

Op papier het deel van het eigen vermogen dat boven de wettelijke en statutaire reserves uitkomt. In werkelijkheid vaak minder, want het bestuur mag alleen goedkeuren als de bv na de uitkering haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Maak daarom altijd eerst een liquiditeitsprognose; die geeft het bedrag dat u echt kunt uitkeren.

Moet u de uitkeringstoets ook doen als u het dividend verrekent met uw rekening-courant?

Ja, en dat is geen formaliteit: rechters hebben bestuurders juist in deze constructie aansprakelijk gehouden, ook toen het banksaldo door de verrekening niet veranderde. Reken het verrekende bedrag dus volledig mee in de toets, precies zoals een uitbetaling in geld.

Wat gebeurt er als u de bestuursgoedkeuring niet vastlegt?

De goedkeuring kan dan geldig zijn, maar u kunt niet bewijzen dat u de toets echt heeft gedaan, terwijl de bewijslast bij het vrijpleiten juist bij u ligt. Bij een eenmansbestuur kan de betaalbaarstelling volgens de wetsgeschiedenis stilzwijgend als goedkeuring gelden, maar dat helpt u tegen dat bewijsprobleem niet. Leg het besluit met de onderbouwing dus altijd schriftelijk vast.

Hoe ver vooruit moet u kijken bij de uitkeringstoets?

De wet noemt geen termijn. De wetsgeschiedenis spreekt van in de regel ongeveer een jaar vanaf de uitkering, en dat is een vuistregel en geen wettelijke grens. Weet u van een grote verplichting die verder in de toekomst ligt, zoals een aflossing of een pensioenverplichting, dan hoort die er gewoon bij.

Bent u als bestuurder nooit meer kwijt dan het uitgekeerde dividend?

Dat is niet zeker. De wet noemt de grens van het ontvangen bedrag alleen voor de ontvanger van de uitkering, niet voor de bestuurders. Een rechtbank nam die grens in 2021 wel aan voor de bestuurder, een andere rechtbank wees hem in hetzelfde jaar af. De Hoge Raad heeft hierover nog niet beslist, dus houd rekening met een groter risico.

Kunt u de box 2-heffing terugkrijgen als de uitkering achteraf ongeldig blijkt?

Over het jaar van de uitkering meestal niet. Voor de belasting is beslissend dat er vermogen van de bv naar u is verschoven, ook als het besluit vennootschapsrechtelijk niet geldig was. Betaalt u het dividend later terug op grond van een echte verplichting, dan levert dat in dat latere jaar een negatief voordeel in box 2 op, maar alleen als u in dat jaar box 2-inkomen heeft om het tegen af te zetten.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount rekent voor u uit hoeveel uw bv werkelijk kan uitkeren. Wij maken de balanstest en de liquiditeitsprognose. Wij stellen het besluit van de algemene vergadering en de bestuursgoedkeuring op. En wij zorgen dat de onderbouwing zo in het dossier komt dat u die jaren later nog kunt gebruiken. Ook kijken wij naar het moment van uitkeren, naar de verdeling tussen loon en dividend en naar de gevolgen voor uw rekening-courant, zodat de uitkering niet alleen juridisch klopt maar u er fiscaal ook niet te veel voor betaalt. Verzorgt u de aangifte dividendbelasting liever niet zelf, dan nemen wij die inhouding, aangifte en betaling van u over.

Wilt u dit jaar dividend uitkeren en uw persoonlijke risico zo klein mogelijk houden? Leg uw cijfers aan ons voor, dan beoordelen wij uw situatie en zeggen wij u welk bedrag verantwoord is.

Dit artikel bevat algemene informatie over de balanstest en de uitkeringstoets bij een dividenduitkering en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en rentepercentages kunnen wijzigen en de rechtspraak over de uitkeringstoets is nog in ontwikkeling. De uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke en zakelijke omstandigheden. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen.

Zie ook:

Rekening-courant tussen dga en bv in 2026: houd de lening zakelijk en voorkom een correctie

U bent directeur-grootaandeelhouder (dga) en laat weleens een privérekening door uw eigen besloten vennootschap (bv) betalen, of u schiet zelf iets voor de bv voor. Zo’n rekening-courant dga bv is een lopende rekening waarop het saldo heen en weer beweegt. Zolang dat saldo klein blijft en snel wordt aangezuiverd, is er weinig aan de hand. Loopt het op, dan ziet de Belastingdienst een lening en toetst zij of de voorwaarden zakelijk zijn: is er een overeenkomst, een zakelijke rente, een aflossingsafspraak en genoeg zekerheid? Valt die toets verkeerd uit, dan kan uw rentevoordeel of zelfs de hele schuld worden belast in box 2.

Wat is een rekening-courant tussen dga en bv?

Een rekening-courant is een aparte rekening in de boekhouding van de bv waarop bedragen worden geboekt die over en weer gaan tussen u en de bv. Neemt u geld op of laat u een privérekening door de bv betalen, dan ontstaat een schuld aan de bv. Schiet u juist iets voor de bv voor, dan ontstaat een vordering op de bv. Het saldo aan het eind van het jaar is dus of een schuld of een vordering.

U en uw bv zijn juridisch twee verschillende partijen, maar in de praktijk zit u aan beide kanten van de tafel. Daardoor kunt u afspraken maken die een vreemde nooit zou maken: geld opnemen zonder rente, zonder aflossingsschema en zonder onderpand. Juist daarom kijkt de Belastingdienst mee. De winst van een onderneming, en via de vennootschapsbelasting ook die van de bv, wordt namelijk bepaald zonder onzakelijke elementen. Loopt er om privéredenen een voordeel van de bv naar u, dan corrigeert de inspecteur dat. De inspecteur is de ambtenaar die uw aangifte beoordeelt en de aanslag vaststelt.

Wanneer is het nog een rekening-courant en wanneer een lening?

Dit is het punt waar het in de praktijk misgaat. Volgens de Belastingdienst is een rekening-courant bedoeld voor kleine bedragen die over en weer worden geboekt en doorlopend met elkaar worden verrekend. U laat bijvoorbeeld een eigen rekening door de bv betalen en betaalt dat bedrag korte tijd later terug, of u betaalt even een rekening voor de bv en krijgt het geld snel weer terug. Zulke bedragen worden alleen voorgeschoten. Daarom is een rekening-courant geen lening met rente.

De Belastingdienst maakt dat concreet met een grens van 17.500 euro. Blijft het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro, dan hoeft er geen rente te worden berekend. Komt het saldo hoger uit, dan moet er over het hele bedrag rente worden berekend. Let op: die grens staat niet in de wet. Het is een praktische lijn die de Belastingdienst op haar website hanteert. U kunt er dus geen wettelijke aanspraak aan verbinden, en de Belastingdienst kan haar wijzigen.

In figuur 1 ziet u in vier vragen welke route uw rekening-courant volgt. De rest van deze paragraaf werkt die vier vragen uit.

          Figuur 1: beslisboom met vier vragen die bepalen of u rente moet rekenen. Blijft het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro en wordt het bedrag doorlopend met de bv verrekend, dan is geen rente nodig. Komt het saldo hoger uit, dan is rente verplicht over het hele jaar en het hele bedrag. Is er een looptijd en een aflossingsschema afgesproken, of is het bedrag aflossingsvrij uitgeleend, dan is er in wezen een lening en gelden alle zakelijke voorwaarden, ook onder 17.500 euro.

Eén piek in het jaar is genoeg

Het voorbeeld op de website van de Belastingdienst laat zien hoe streng die eis is, en dat ziet u terug in figuur 2. Op 1 januari staat er 10.500 euro op de rekening-courant. In april loopt het saldo op tot 20.500 euro, bijvoorbeeld omdat de bv een privéaankoop voorschiet. In mei lost u 5.000 euro af, zodat het saldo op 31 december 15.500 euro is. Zowel op de beginbalans als op de eindbalans staat er dus minder dan 17.500 euro. Maar omdat het saldo in april boven de grens uitkwam, was het niet het hele jaar lager. U moet daarom over het hele jaar rente berekenen.

Figuur 2: het saldoverloop uit het voorbeeld van de Belastingdienst, met de grens van 17.500 euro als stippellijn. Het saldo start op 1 januari op 10.500 euro, piekt in april op 20.500 euro, daalt in mei met een aflossing van 5.000 euro en staat op 31 december op 15.500 euro. Begin- en eindstand liggen onder de grens, maar door die ene piek in april rekent u over het hele jaar en het hele bedrag rente.

De grens geldt niet als er in wezen een lening is

De regeling voor bedragen onder 17.500 euro geldt alleen voor het voorschieten van kleine bedragen die doorlopend worden verrekend. Wordt via de rekening-courant bijvoorbeeld 16.000 euro aflossingsvrij uitgeleend met een looptijd van tien jaar, dan is dat volgens de Belastingdienst een rentedragende lening. Die moet aan alle zakelijke voorwaarden voldoen, ook al blijft het bedrag onder 17.500 euro. Zoals figuur 1 laat zien, wijst een afgesproken looptijd of aflossingsschema zelf al op een lening: wie zulke afspraken maakt, schiet niet even iets voor maar leent uit. Het gaat dus niet alleen om de hoogte van het saldo, maar ook om de bedoeling en de looptijd.

Welke voorwaarden maken de lening zakelijk?

Zakelijk betekent: dezelfde voorwaarden die uw bv zou stellen aan een lening aan iemand die niet aan de bv of aan u verbonden is en die verder in vergelijkbare omstandigheden verkeert, met bijvoorbeeld een vergelijkbaar inkomen en vermogen. Twijfelt de Belastingdienst aan de zakelijkheid, dan kan zij zes vragen stellen:

  • Is de lening schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst?
  • Hebt u met de bv afspraken gemaakt over het terugbetalen van de lening?
  • Biedt u de bv voldoende zekerheden?
  • Hebt u met de bv een zakelijke rente afgesproken?
  • Kan de bv aan haar verplichtingen blijven voldoen als u de lening opneemt?
  • Zou de bv de lening ook onder dezelfde voorwaarden aan een derde in vergelijkbare omstandigheden hebben verstrekt?

Die zes vragen staan naast elkaar in figuur 3 en worden in samenhang beoordeeld. Eén zwak punt maakt de lening niet automatisch onzakelijk, en een schriftelijke overeenkomst alleen maakt haar niet automatisch zakelijk. Het ontbreken van aflossingsafspraken of zekerheden is wel een sterke aanwijzing dat de lening niet zakelijk is.

Figuur 3: de zes vragen waarmee de inspecteur de zakelijkheid van uw lening toetst, van de schriftelijke leningsovereenkomst tot de vraag of de bv dezelfde lening ook aan een onbekende derde zou hebben gegeven. Die laatste vraag geldt ook voor uw partner en uw kinderen. De zes vragen worden in samenhang beoordeeld: één zwak punt maakt de lening niet automatisch onzakelijk, en een overeenkomst alleen maakt haar niet automatisch zakelijk.

De laatste vraag geldt niet alleen voor u, maar ook voor uw partner en uw kinderen. De Belastingdienst geeft het voorbeeld van een dochter die 20.000 euro nodig heeft om een eigen bedrijf op te richten en bij de bank geen lening krijgt omdat zij niet aan de bankvoorwaarden voldoet. Leent de bv haar het geld toch, dan kan de Belastingdienst dat aanmerken als onzakelijk handelen van de bv.

Wat zet u in de leningsovereenkomst?

De Belastingdienst adviseert een schriftelijke leningsovereenkomst en noemt daarvoor de volgende onderdelen:

  • uw naam en adresgegevens en die van de bv
  • het bedrag dat u leent van de bv
  • de looptijd van de lening en de manier van terugbetalen
  • het rentetarief
  • of de rente per maand of per jaar wordt berekend, en vooraf of achteraf
  • het onderpand dat u als zekerheid stelt, en wat er gebeurt als de waarde van dat onderpand daalt tot onder het bedrag van de lening
  • de gevolgen voor u als u niet aan de voorwaarden voldoet of kunt voldoen

U en een bevoegde vertegenwoordiger van de bv ondertekenen de overeenkomst; u kunt zelf die vertegenwoordiger zijn. Bij de handtekening horen de naam van de ondertekenaars, de plaats en de datum. Het is gebruikelijk dat de overeenkomst is ondertekend voordat u het geld krijgt. Een overeenkomst die pas na een boekenonderzoek wordt opgemaakt, overtuigt niet. Een boekenonderzoek is een controle waarbij de Belastingdienst uw administratie ter plaatse doorneemt.

Heeft uw bv maar één aandeelhouder, dan komt daar een civielrechtelijke eis bij: afspraken tussen de bv en die enige aandeelhouder moeten schriftelijk worden vastgelegd, anders kan de rechtshandeling worden vernietigd. Die eis geldt niet voor handelingen die tot de gewone bedrijfsuitoefening van de bv horen.

Hoe onderbouwt u de rente?

De bv moet u jaarlijks een zakelijke rentevergoeding in rekening brengen. Volgens de Belastingdienst, die zich daarbij op vaste rechtspraak beroept, is dat de renteopbrengst die de bv normaal gesproken ook elders als particuliere belegger kan halen. Zou u net zo kredietwaardig zijn als een bank, dan kon u uitgaan van het normale rentetarief op een privérekening bij een bank, dus het tarief dat een particuliere spaarder krijgt. Dat is meestal niet het geval, dus komt daar een passende risico-opslag bovenop.

Voor een variabele rente op een lening met een looptijd korter dan tien jaar mag u als basis het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement nemen. Dat zijn rendementen op staatsobligaties; het U-rendement wordt maandelijks gepubliceerd door het Data Analytics Centre van het Verbond van Verzekeraars, voorheen het Centrum voor Verzekeringsstatistiek. Dat gemiddelde verhoogt u met een risico-opslag, omdat de bv bij een lening aan u meer risico loopt dan bij een lening aan de Nederlandse Staat. Ook de rente die de bv zelf aan haar financiers betaalt, weegt mee. Ter indicatie: het U-rendement liep in 2026 op van 2,71 procent in januari naar 3,01 procent in september. Een vast percentage bestaat niet: hoe hoog de opslag daarboven moet zijn, hangt af van uw situatie en van de voorwaarden van de lening.

Spreekt u juist een vaste rente af, of leent u voor tien jaar of langer, dan valt u buiten deze methode en is een andere onderbouwing nodig. Wel geldt de algemene lijn: de rente wordt hoger als het risico voor de bv toeneemt, als u een vast rentetarief afspreekt, als u aflossingsvrij leent of als u afspreekt de rente pas aan het eind van de maand of het jaar te betalen.

Tarieven waarbij een bank de uitlener is, mag u niet gebruiken. Onbruikbaar zijn dus het tarief dat banken elkaar in rekening brengen, het tarief voor grote zakelijke klanten, de hypotheekrente en de rente op een doorlopend krediet. Voor uw bv is de lening een belegging, en die belegging moet winst opleveren. Figuur 4 zet de opbouw van de rente en de vier verboden tarieven naast elkaar.

Figuur 4: de opbouw van een zakelijke rente, van onder naar boven. De basis is het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement, dat geldt bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar. Daarop komt een risico-opslag, en daarboven opslagen voor een vaste rente, voor aflossingsvrij lenen en voor rente die u pas achteraf betaalt. Rechts staan de vier tarieven die u niet mag gebruiken: de hypotheekrente, een doorlopend krediet, het interbancaire tarief en het tarief voor grote zakelijke klanten.

Kies vooraf of u een vaste of een variabele rente wilt en of u de rente per maand of per jaar berekent, en zet die keuze in de overeenkomst. Rekent u per jaar, dan mag u het T-rendement of U-rendement van december gebruiken, eventueel met opslag. Tussentijds van systematiek wisselen kan wel, maar heeft financiële gevolgen, zoals boeterente: een vergoeding die u betaalt omdat u van de afgesproken rentevorm afwijkt.

Welke zekerheid verwacht de bv?

Uw bv moet ervan uit kunnen gaan dat zij het uitgeleende geld terugkrijgt. Daarom is het zakelijk dat u een onderpand geeft dat de bv kan verkopen als u niet meer aflost. Het is gebruikelijk dat de waarde van dat onderpand ten minste even hoog is als de lening, niet alleen bij het verstrekken maar ook tijdens de looptijd. Daalt de waarde onder het bedrag van de lening, dan is het gebruikelijk dat u aanvullende zekerheid geeft.

Het soort onderpand telt mee. Bij een effectenportefeuille is het gebruikelijk een korting van 30 procent toe te passen vanwege het risico dat de effecten in waarde dalen. Wilt u 70.000 euro lenen, dan hoort daar dus een portefeuille van ongeveer 100.000 euro bij. Bij een hoge of risicovolle lening zou een bank hypothecaire zekerheid eisen, en dan geldt voor uw bv hetzelfde. Dat kan een recht van hypotheek zijn op uw eigen woning, maar ook op een vakantiewoning of een woning die u aan derden verhuurt. Voor de bv heeft dat twee voordelen: door inschrijving in het hypotheekregister krijgt zij voorrang bij de aflossing van schulden, en omdat dat register openbaar is, kan zij zien of er al andere hypotheken op de woning rusten.

Kan uw bv haar verplichtingen blijven nakomen?

Leent u van uw bv, dan moet de bv daarna nog aan haar eigen verplichtingen kunnen voldoen: de huur, het loon van werknemers, andere leningen en de termijnen van een lijfrente, stamrecht of pensioen. Kan zij dat niet, dan is de lening niet zakelijk.

De Belastingdienst geeft dit voorbeeld. U leent 100.000 euro van uw bv en spreekt af dat u die na vijftien jaar in één keer terugbetaalt. Daardoor krijgt de bv al die tijd geen aflossingen binnen. Na vijf jaar moet zij jaarlijks een lijfrentetermijn van 15.000 euro gaan uitkeren, en dat kan niet omdat al het geld aan u is uitgeleend. De bv moet daarom vooraf een reële inschatting maken van haar andere verplichtingen en afspreken dat zij op tijd voldoende geld terugkrijgt. In dit voorbeeld moet zij vanaf jaar vijf elk jaar minstens 15.000 euro terugkrijgen.

Wat vraagt een aflossingsvrije lening extra?

U kunt afspreken dat u de lening pas aan het eind van de looptijd in één keer terugbetaalt. De bv heeft dan minder zekerheid dan bij aflossing in termijnen, dus is het zakelijk om aanvullende voorwaarden op te nemen. Gebruikelijk zijn: u betaalt de rente in termijnen, het rentetarief is hoger dan bij een lening die u in termijnen terugbetaalt, en de waarde van de zekerheid is hoger dan bij zo’n lening.

Twijfelt u? Vraag de inspecteur om een beoordeling

Weet u niet of uw lening aan de zakelijke voorwaarden voldoet, dan adviseert de Belastingdienst u eerst te laten adviseren door een belastingadviseur. Daarna kunt u de inspecteur van uw belastingkantoor schriftelijk om een beoordeling vragen. Geef in die brief een duidelijk en volledig overzicht van de feiten en omstandigheden en uw eigen analyse, en stuur een kopie van de leningsovereenkomst mee. Vraagt u om een schriftelijke beoordeling, dan krijgt u binnen acht weken bericht; wilt u een gesprek, dan belt de Belastingdienst u binnen tien werkdagen. Vermeld dus ook uw telefoonnummer. Houd er rekening mee dat de uitkomst ook negatief kan zijn: de inspecteur kan een standpunt innemen dat u niet bevalt, en aan een gemaakte afspraak bent u daarna gebonden. In de praktijk wordt bij grote of oplopende rekening-courantschulden vaak een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur gesloten, een schriftelijke afspraak waaraan beide partijen zich binden.

Wat gebeurt er als de rekening-courant niet zakelijk is?

U kunt op twee manieren onzakelijk handelen: de lening voldoet niet aan zakelijke voorwaarden, of u komt de afspraken over terugbetalen en rente niet na. De gevolgen lopen op van een correctie van alleen de rente tot heffing over de volledige schuld.

Eerst iets over de bewijslast, want die wordt vaak vergeten. De inspecteur die een verkapte winstuitdeling wil vaststellen, moet aannemelijk maken dat de bv armer is geworden, dat u als aandeelhouder rijker bent geworden en dat u en de bv zich van die vermogensverschuiving bewust waren. Aannemelijk maken is een lichtere maatstaf dan overtuigend aantonen, maar het is wel de inspecteur die aan zet is. Een compleet dossier met een overeenkomst, een onderbouwde rente en werkelijk geboekte betalingen maakt zijn positie dus aanzienlijk moeilijker. Het toetsingskader en de bewijslast bij een verkapte winstuitdeling worden binnen het project nog afzonderlijk uitgewerkt.

Eerst wordt de rente gecorrigeerd

Rekent de bv geen of een te lage rente, dan is dat een onzakelijk element dat uit de winst wordt gehaald. Bij de bv is het voordeel dat naar u loopt een onttrekking: het komt niet ten laste van haar winst. Een onttrekking is het overbrengen van vermogen van de bv naar de privésfeer. Bij u is datzelfde voordeel een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, belast in box 2. Een aanmerkelijk belang is een belang van meestal 5 procent of meer in een vennootschap. In de praktijk wordt zo’n voordeel verkapt of vermomd dividend genoemd: het is geen formeel uitgekeerd dividend, maar het wordt fiscaal wel zo belast. De Belastingdienst kan het voordeel ook als loon belasten, en dan werkt het anders uit: de last is bij de bv wél aftrekbaar en bij u geldt het progressieve tarief van box 1.

Belangrijk is dat u het geld niet daadwerkelijk hoeft op te nemen. Ook een verrekening in rekening-courant geldt al als het genieten van een voordeel. Verrekening is het tegen elkaar wegstrepen van een vordering en een schuld. Ter illustratie: Hof Den Haag oordeelde in 2020 over een bedrag dat de bv boven op het aandelenkapitaal had ontvangen en dat ten gunste van de rekening-courant vrijviel. De stelling dat er geen uitdeling was omdat er geen geld was onttrokken, ging niet op; het bedrag was belast.

Opnamen in rekening-courant kunnen daarnaast een discussie over uw gebruikelijk loon oproepen, omdat de Belastingdienst opnamen soms ziet als loon dat niet als loon is verwerkt. Wilt u de schuld aflossen met een dividenduitkering, dan moet die uitkering eerst de uitkeringstoets van artikel 2:216 Burgerlijk Wetboek doorstaan: het bestuur moet beoordelen of de bv haar schulden daarna nog kan blijven betalen.

Daarna kan de hele schuld bij uw inkomen worden geteld

Houdt u zich niet aan alle afspraken, dan is de lening niet meteen onzakelijk. De Belastingdienst weegt vier dingen: het bedrag waarvoor u zich niet aan de afspraken houdt, hoelang dat duurt, het aantal afspraken waaraan u zich niet houdt en het belang van de afspraak die u schendt. Wijkt u niet te veel af, dan kan de Belastingdienst alsnog aannemen dat u zakelijk handelt en alleen uw inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting van de bv verhogen. Wijkt u te veel af, dan kan zij het hele bedrag van de lening bij uw inkomen in box 2 tellen. Daarvoor is een oplopend saldo alleen niet genoeg: de inspecteur moet aannemelijk maken dat de vordering feitelijk geen waarde meer heeft, dus dat u niet zult terugbetalen.

Is het hele bedrag van de lening bij uw inkomen geteld, dan kan zij daarna niet meer als lening op de balans van de bv staan; de bv kan haar dan ook niet afwaarderen. Afwaarderen is het verlagen van de boekwaarde van een vordering omdat die niet volledig wordt terugbetaald.

Uw pensioen of lijfrente in de bv loopt gevaar

Voert de bv nog uw pensioen-, stamrecht- of lijfrenteregeling uit, dan komt daar een risico bij. Onzakelijk handelen kan betekenen dat u feitelijk direct beschikt over het geld dat voor die regeling is bestemd, of dat uw recht op de uitkering feitelijk als zekerheid voor de lening dient. In beide gevallen kan dat leiden tot gehele of gedeeltelijke afkoop, en dan moet u direct belasting én revisierente betalen over de waarde van de regeling. Revisierente is een extra heffing bovenop de belasting, omdat u eerder aftrek hebt gehad over de premies.

Ook een te lage zekerheid kan dat gevolg hebben. Het voorbeeld van de Belastingdienst: u leent 100.000 euro van uw bv en geeft alleen een effectenportefeuille van 10.000 euro in onderpand, terwijl dezelfde bv een stamrecht van 150.000 euro uitvoert. Omdat de zekerheid lager is dan de lening, dient het stamrecht feitelijk als extra zekerheid. U betaalt dan direct belasting en revisierente over de volledige waarde van dat stamrecht, en daarbovenop moet u rekening houden met belastingrente en met invorderingsrente, de rente die u betaalt als u een aanslag te laat betaalt.

En dan volgen aanslag, rente en boete

Hebt u de inkomsten niet aangegeven, dan krijgt u een hogere aanslag en betaalt u daarover belastingrente. Die is vanaf 1 januari 2026 5 procent voor alle belastingen. Daarnaast kunt u een boete krijgen. Die boete kan oplopen tot 100 procent van het bedrag dat u meer aan belasting moet betalen. Hoe hoog de boete werkelijk uitvalt, hangt af van de verwijtbaarheid; het percentage van 100 hoort bij de zwaarste gevallen.

Leende u juist geld áán uw bv?

Dan draait het beeld om. Uw vordering op de bv is vermogen dat u aan uw eigen vennootschap ter beschikking stelt; dat heet terbeschikkingstelling (tbs). De zakelijke rente die u ontvangt, is dan geen box 3-inkomen maar resultaat uit overige werkzaamheden in box 1: inkomen uit werkzaamheden die geen dienstbetrekking en geen onderneming vormen. Dat resultaat wordt belast tegen het progressieve tarief van box 1, dat in 2026 oploopt van 35,75 tot 49,50 procent. Wel blijft 12 procent van het tbs-resultaat onbelast door de terbeschikkingstellingsvrijstelling. Ook een vergoeding voor een borgstelling voor schulden van de eigen bv valt onder deze regeling. Een borgstelling is een persoonlijke garantie dat u de schuld van de bv betaalt als zij dat zelf niet doet.

Is voor uw lening aan de bv geen rente te bepalen waartegen een onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden zou hebben geleend, dan spreken fiscalisten van een onzakelijke lening. U wordt dan geacht het risico dat de bv niet terugbetaalt te hebben aanvaard als aandeelhouder, en niet als geldschieter. Dat is beslist in drie arresten van de Hoge Raad uit 2011 en 2012, de zogenoemde novemberarresten. Het gevolg: een afwaarderingsverlies op die lening is niet aftrekbaar, niet in box 1 en bij een bv als geldgever niet in de winst. Scheldt u de lening kwijt, dan is dat geen aftrekbaar verlies maar een informele kapitaalstorting: fiscaal wordt het behandeld als een storting van eigen vermogen in de bv, ook voor zover de vordering oninbaar is. Het bedrag verhoogt dan de verkrijgingsprijs van uw aanmerkelijk belang, dus u ziet het pas terug bij verkoop of liquidatie van de bv. De verkrijgingsprijs is het bedrag dat bij verkoop van uw aandelen van de opbrengst mag worden afgetrokken. Ook een borgstelling zonder vergoeding kan om dezelfde reden onzakelijk zijn.

Rekenvoorbeeld: wat kost een onzakelijke rekening-courant?

Onderstaand voorbeeld laat de verschillen zien. De bedragen en tarieven zijn die van 2026; loopt een scenario over meer jaren, dan gaan wij uit van gelijkblijvende tarieven.

De situatie

Op 1 januari 2026 staat er al 80.000 euro op de rekening-courant en dat saldo blijft het hele jaar staan. Er is dus geen moment waarop het saldo onder 17.500 euro ligt, en rente is verplicht. Een zakelijke rente is in dit voorbeeld 5 procent, dus 4.000 euro over een vol jaar. Wij rekenen met een dga zonder fiscale partner en zonder ander box 2-inkomen, zodat de eerste schijf van 24,5 procent van toepassing is. De winst van de bv blijft onder 200.000 euro, dus geldt daar 19 procent vennootschapsbelasting. Het voorbeeld volgt de dividendroute; corrigeert de inspecteur het voordeel als loon, dan pakt het anders en meestal duurder uit.

Scenario A: u legt de lening zakelijk vast

U sluit een schriftelijke overeenkomst, spreekt 5 procent rente af, maakt afspraken over aflossing en geeft zekerheid. U betaalt de 4.000 euro rente ook daadwerkelijk. Die rente is winst van de bv, dus zij betaalt daarover 760 euro vennootschapsbelasting. Er is niets te corrigeren. Van de 4.000 euro blijft 3.240 euro in uw bv, en over dat bedrag is bij een latere uitkering nog box 2-belasting verschuldigd. Staat de schuld in box 3, dan is de rente voor u niet aftrekbaar.

Scenario B: u spreekt niets af en betaalt geen rente

De inspecteur corrigeert het rentevoordeel van 4.000 euro per jaar. Bij de bv hoort de rente die zij had moeten ontvangen tot haar winst: 19 procent van 4.000 euro is 760 euro. Het voordeel dat naar u is gelopen, is een onttrekking en komt niet ten laste van die winst. Bij u is datzelfde voordeel een regulier voordeel in box 2: 24,5 procent van 4.000 euro is 980 euro. Direct gaat er dus 1.740 euro belasting over een voordeel van 4.000 euro, een druk van ruim 43 procent.

Vergelijk dat eerlijk met scenario A. Daar is de directe heffing 760 euro, maar dan is de 4.000 euro ook echt naar de bv gegaan en draagt de 3.240 euro die daar achterblijft nog een box 2-claim. Puur in geld gemeten liggen A en B daarom dichter bij elkaar dan de bedragen suggereren. Het echte verschil zit ergens anders: in B betaalt u alsnog belasting over een voordeel dat u al had, plus belastingrente van 5 procent en mogelijk een boete, en de correctie herhaalt zich elk jaar dat de rente niet wordt betaald. Legt u nu een overeenkomst vast en betaalt u de rente vanaf nu, dan voorkomt u correcties voor de toekomst. Correcties over verstreken jaren blijven staan, want het voordeel is toen al genoten.

Scenario C: u legt afspraken vast maar komt ze jarenlang niet na

U hebt wel een overeenkomst, maar u betaalt jaren achtereen geen rente, lost niets af en de schuld loopt door tot 200.000 euro. Dan weegt de inspecteur het bedrag, de duur, het aantal geschonden afspraken en het belang daarvan. Blijft het bij een beperkte afwijking, dan kan het bij een verhoging van de heffing blijven. Maakt de inspecteur aannemelijk dat u de schuld niet zult terugbetalen, dan kan hij het hele bedrag bij uw box 2-inkomen tellen. Over de eerste 68.843 euro is dat 24,5 procent, dus 16.867 euro, en over de resterende 131.157 euro 31 procent, dus 40.659 euro: samen afgerond 57.526 euro in één jaar.

Voert uw bv nog uw pensioen, stamrecht of lijfrente uit én dient dat recht feitelijk als zekerheid voor de lening, dan kan daar de belasting plus revisierente over de waarde van die regeling bovenop komen. Dat is een zelfstandig risico met een eigen oorzaak, dus geen automatisch gevolg van de schuld zelf.

Figuur 5 zet de drie scenario’s naast elkaar. De les: in A en B gaat het om de heffing over het rentevoordeel, en dat verschil is beperkt. In C staat de hoofdsom zelf op het spel, en dat gebeurt niet door één gemiste rentebetaling maar door jaren van afspraken die u niet nakomt.

Figuur 5: de directe heffing in het jaar bij de drie scenario’s, uitgaande van een rekening-courant van 80.000 euro en een zakelijke rente van 5 procent. In scenario A betaalt alleen de bv 760 euro vennootschapsbelasting over de ontvangen rente. In scenario B komt daar 980 euro box 2-belasting bij, samen 1.740 euro. In scenario C loopt de schuld op tot 200.000 euro en wordt het hele bedrag in box 2 belast: 16.867 euro tegen 24,5 procent tot 68.843 euro en 40.659 euro tegen 31 procent daarboven, samen 57.526 euro. Omdat staaf C de andere twee overheerst, staan A en B rechts nog eens vergroot in een uitsnede.

Hoe verwerkt u de rekening-courant in de aangifte?

Een zakelijke lening komt in twee aangiften terug: in uw aangifte inkomstenbelasting en in de aangifte vennootschapsbelasting van de bv. In uw eigen aangifte geeft u de schuld aan in box 3 óf in box 1, maar nooit in beide. Figuur 6 zet die twee routes en de bv-kant naast elkaar.

Geeft u het bedrag aan als schuld in box 3, dan daalt uw belastbaar inkomen in box 3. De rente die u aan de bv betaalt, kunt u dan niet aftrekken. In 2026 geldt in box 3 een tarief van 36 procent en een forfaitair rendement op schulden van 2,70 procent. Forfaitair betekent dat de wet met een vast percentage rekent en niet met uw werkelijke rentelast. Er geldt bovendien een schuldendrempel van 3.800 euro: alleen het bedrag boven die drempel mag u aftrekken.

Gebruikt u de lening voor de aankoop, verbouwing of het onderhoud van uw eigen woning, dan geeft u de rente in box 1 aan als aftrekbare rente eigen woning, tegen maximaal 37,56 procent in 2026. Het bedrag van de schuld hoort dan tot de eigenwoningschuld, het deel van uw schuld dat met uw eigen woning samenhangt, en mag niet ook in box 3 staan. Dat geldt wel alleen als de lening aan de wettelijke eisen voor een eigenwoningschuld voldoet en u de gegevens van de lening zelf in uw aangifte opgeeft, want uw bv geeft die niet automatisch aan de Belastingdienst door. Laat dit punt door uw adviseur nakijken. Koopt u met het geleende geld iets dat u vervolgens aan uw bv ter beschikking stelt, bijvoorbeeld een bedrijfspand, dan hoort de lening eveneens in box 1.

De bv zet de lening als vordering op de balans en geeft de ontvangen rente aan als winst. Over die winst betaalt zij 19 procent vennootschapsbelasting tot en met 200.000 euro en 25,8 procent daarboven.

Figuur 6: één schuld aan de bv volgt in uw aangifte inkomstenbelasting altijd één van twee routes, en nooit beide. In box 3 verlaagt de schuld uw grondslag (tarief 36 procent, forfait op schulden 2,70 procent, schuldendrempel 3.800 euro) maar is de rente niet aftrekbaar. In box 1 is de rente aftrekbaar tot 37,56 procent als het om een eigenwoningschuld gaat, of valt de lening onder de terbeschikkingstelling. Onderaan de bv-kant: de lening staat als vordering op de balans en de ontvangen rente is winst, belast tegen 19 procent tot 200.000 euro en 25,8 procent daarboven.

Wanneer geldt de drempel van 500.000 euro?

Naast de zakelijkheidstoets bestaat er een harde drempel: de regeling excessief lenen. Leent u, of lenen u en uw fiscale partner samen, meer dan 500.000 euro van uw bv, dan wordt het meerdere belast als inkomsten uit aanmerkelijk belang in box 2. Peildatum is 31 december. Dat heet een fictief regulier voordeel: u ontvangt niets, maar u wordt wel belast.

Alle schulden aan uw bv tellen mee, behalve de eigenwoningschuld waarvoor de bv een recht van hypotheek heeft. Die hypotheekeis geldt niet voor een eigenwoningschuld die op 31 december 2022 al bestond. Alleen uw schulden tellen: een vordering die u op de bv hebt, mag u er niet tegenover zetten. Hebt u schulden bij meerdere bv’s, dan worden die bij elkaar opgeteld.

De schulden van uw fiscale partner tellen rechtstreeks mee tegen dezelfde drempel; u en uw partner hebben dus samen één keer 500.000 euro. Bij verbonden personen werkt het anders: zij hebben eerst hun eigen drempel, en alleen hun bovenmatige deel wordt aan u toegerekend. Verbonden personen zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van u of uw partner, bijvoorbeeld een kind.

De drempel is niet vast. Is het meerdere in een jaar belast, dan komt dat bedrag het jaar erna bovenop de drempel, zodat u niet twee keer over hetzelfde bedrag wordt belast. Lost u af, dan daalt de drempel met dat bedrag, tot minimaal 500.000 euro. Daalt de schuld onder de opgehoogde drempel, dan ontstaat een negatief fictief regulier voordeel dat u kunt verrekenen met box 2-inkomen van het jaar ervoor of van de komende zes jaar.

Drie dingen worden vaak vergeten, en het eerste verrast bijna iedereen. Anders dan bij een zakelijkheidscorrectie blijft de lening hier in haar geheel bestaan: het is een fictie en geen correctie van de lening zelf. De bv moet dus rente blijven rekenen over het hele bedrag en de overige voorwaarden blijven gelden, ook over het deel dat al in box 2 is belast. Verder houdt de bv over dat belaste deel geen dividendbelasting in. En hebt u eerder met de Belastingdienst afspraken gemaakt over uw schulden bij de bv, dan kunnen die afspraken vervallen zodra het totaal boven 500.000 euro komt.

De drempel ontslaat de Belastingdienst niet van de zakelijkheidstoets daaronder. Blijft u onder 500.000 euro, dan bent u dus nog niet klaar: een te lage rente of een oplopende rekening-courant kan zelfstandig tot een correctie leiden.

Kerncijfers 2026

Onderdeel 2026
Box 2, eerste schijf 24,5 procent tot en met 68.843 euro
Box 2, tweede schijf 31 procent boven 68.843 euro
Box 1, tarief over tbs-resultaat 35,75 tot 49,50 procent
Terbeschikkingstellingsvrijstelling 12 procent van het tbs-resultaat blijft onbelast
Box 3 tarief 36 procent, forfait schulden 2,70 procent, schuldendrempel 3.800 euro
Maximaal aftrektarief rente eigen woning 37,56 procent
Vennootschapsbelasting 19 procent tot en met 200.000 euro, daarboven 25,8 procent
Drempel excessief lenen (stand 31 december) 500.000 euro; schulden van de fiscale partner tellen volledig mee, van verbonden personen alleen hun bovenmatige deel
Belastingrente 5 procent
Boete tot 100 procent van de extra te betalen belasting, afhankelijk van de verwijtbaarheid

De tarieven en drempels in deze tabel gelden voor het belastingjaar 2026.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bewaak het saldo. Blijft de rekening-courant het hele jaar op of onder 17.500 euro en gaat het om voorgeschoten bedragen die u doorlopend verrekent, dan hoeft u geen rente te rekenen. Is er in feite een lening, bijvoorbeeld aflossingsvrij voor tien jaar, dan geldt die lijn niet.
  • Maak een leningsovereenkomst. Zet daarin het bedrag, de looptijd, de aflossingswijze, het rentetarief, het onderpand en de gevolgen als u niet betaalt. Onderteken die overeenkomst vóór de uitbetaling.
  • Onderbouw de rente. Neem bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement als basis, tel daar een risico-opslag bij op en bewaar die onderbouwing bij de overeenkomst. Bij een vaste rente of een langere looptijd is een andere onderbouwing nodig.
  • Spreek aflossing af en betaal ook echt. Leg de einddatum, de termijnen en de bedragen vast, en boek de betalingen daadwerkelijk. Papieren afspraken die u niet nakomt, helpen niet.
  • Geef voldoende zekerheid. Zorg dat het onderpand ten minste de waarde van de lening heeft, ook later. Reken bij een effectenportefeuille met een korting van 30 procent en geef bij een hoog bedrag hypothecaire zekerheid.
  • Toets uw bv. Ga na of de bv na de opname haar huur, loon, leningen en pensioen-, stamrecht- of lijfrentetermijnen kan blijven betalen. Zo niet, dan is de lening niet zakelijk.
  • Houd de 500.000 euro in het oog. Tel de stand per 31 december van alle bv’s op, samen met de schulden van uw fiscale partner en het bovenmatige deel van verbonden personen. Uw vordering op de bv mag u er niet tegenover zetten. Een eigenwoningschuld met een recht van hypotheek voor de bv telt niet mee, en die hypotheekeis geldt niet voor een schuld die op 31 december 2022 al bestond.
  • Verwerk de lening in beide aangiften. Zet de schuld in box 3 of in box 1, nooit in beide, en laat de bv de vordering op de balans en de rente in de winst opnemen.
  • Twijfelt u? Vraag het vooraf. Laat uw adviseur meekijken en vraag de inspecteur zo nodig schriftelijk om een beoordeling. U krijgt dan binnen acht weken bericht, of binnen tien werkdagen telefonisch contact.

Veelgestelde vragen

Moet u rente betalen over uw rekening-courant?

Niet als het saldo het hele jaar op of onder 17.500 euro blijft en het gaat om voorgeschoten bedragen die doorlopend worden verrekend. Komt het saldo ook maar één keer hoger uit, dan rekent u over het hele bedrag en over het hele jaar rente. Wordt via de rekening-courant in feite een lening verstrekt, dan geldt de vrijstelling niet, ook al blijft het bedrag lager.

Welke rente moet u in 2026 aan uw bv betalen?

Er is geen vast percentage. Bij een variabele rente en een looptijd korter dan tien jaar neemt u het gemiddelde van het T-rendement en het U-rendement als basis, met daarbovenop een risico-opslag. Het U-rendement liep in 2026 op van 2,71 procent in januari naar 3,01 procent in september. Tarieven waarbij een bank de uitlener is, zoals de hypotheekrente, mag u niet gebruiken.

Moet u de rekening-courant elk jaar aflossen?

Er bestaat geen wettelijke verplichting om jaarlijks een vast bedrag af te lossen, maar u moet zich wel houden aan het aflossingsschema dat u met de bv hebt afgesproken. Een schuld die jaar na jaar oploopt zonder dat er wordt afgelost, is voor de Belastingdienst een signaal dat de lening niet zakelijk is. Spreekt u aflossingsvrij af, dan horen daar aanvullende voorwaarden bij, zoals een hoger rentetarief en meer zekerheid.

Mag u de rente die u aan uw bv betaalt aftrekken?

Alleen als de lening in box 1 hoort. Bij een schuld in box 3 is de rente niet aftrekbaar; het voordeel loopt daar via een lagere box 3-grondslag. Gebruikt u het geld voor aankoop, verbouwing of onderhoud van uw eigen woning en voldoet de lening aan de eisen voor een eigenwoningschuld, dan is de rente in box 1 aftrekbaar tegen maximaal 37,56 procent en hoort de schuld niet ook in box 3.

Wat is voor u het verschil tussen de zakelijkheidstoets en de regeling excessief lenen?

De zakelijkheidstoets kijkt naar de voorwaarden van uw lening en kan de rente of zelfs de hoofdsom als verkapt dividend belasten. De regeling excessief lenen kijkt alleen naar de stand per 31 december en belast het bedrag boven 500.000 euro als fictief regulier voordeel. De drempel ontslaat de Belastingdienst niet van de zakelijkheidstoets daaronder, dus u kunt onder 500.000 euro blijven en tóch een correctie krijgen.

Wat doet u als de rekening-courant al jaren oploopt?

Kom er zelf mee voordat de inspecteur ernaar vraagt. Breng eerst de stand per jaareinde in beeld, leg daarna een overeenkomst met een onderbouwde rente, aflossing en zekerheid vast en betaal de rente vanaf dat moment ook echt. Daarmee voorkomt u correcties voor de toekomst; over verstreken jaren kan een correctie blijven staan. Is de schuld te hoog om af te lossen, laat dan berekenen of een dividenduitkering of een aanpassing van uw loon een reële uitweg is.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een rekening-courant is zelden een probleem zolang u de spelregels kent. Wij brengen eerst in beeld waar u staat: hoe hoog het saldo het afgelopen jaar werkelijk is geweest, of de 17.500 euro is overschreden en of er al een overeenkomst ligt. Daarna bepalen wij een onderbouwde zakelijke rente, stellen wij een sluitende leningsovereenkomst met aflossings- en zekerheidsafspraken op en toetsen wij of uw bv haar pensioen- en lijfrenteverplichtingen kan blijven nakomen. Ook volgen wij de stand per 31 december in verband met de drempel van 500.000 euro, en verwerken wij de lening consistent in uw aangifte inkomstenbelasting en de aangifte vennootschapsbelasting van de bv. Waar zekerheid vooraf nodig is, verzorgen wij het overleg met de inspecteur.

Loopt uw rekening-courant al jaren op, of hebt u nooit iets vastgelegd? Ook dan is er vaak nog veel te repareren voor de toekomst, maar correcties over verstreken jaren kunnen blijven staan. Het scheelt daarom veel als u er zelf mee komt in plaats van dat de inspecteur ernaar vraagt. Laat uw situatie beoordelen voordat het boekjaar is afgesloten.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Laat uw eigen situatie daarom altijd beoordelen door een belastingadviseur.

 

Verliesverrekening in 2026: zo voorkomt u dat waardevolle verliezen verdampen

Heeft uw onderneming in een of meer jaren verlies geleden? Dan is dat verlies geld waard, want via verliesverrekening trekt u het af van winst uit andere jaren. Toch kan zo’n verlies definitief verloren gaan: het kan verdampen. Dat gebeurt als een termijn verloopt of als het belang in uw bv sterk wijzigt. Daarnaast kan een winstlimiet de verrekening over meerdere jaren uitsmeren, waardoor u eerder belasting betaalt dan u verwacht. In dit artikel leest u hoe verliesverrekening in 2026 werkt in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, wanneer verdamping dreigt en hoe u uw verliezen op tijd veiligstelt.

Wat is verliesverrekening?

Maakt uw onderneming verlies, dan kan dat verlies de belasting in een ander jaar verlagen. Dat heet verliesverrekening. U trekt het verlies af van winst uit een eerder jaar (carry-back of achterwaartse verliesverrekening) of van winst uit latere jaren (carry-forward of voorwaartse verliesverrekening). Een verlies dat u nog niet hebt gebruikt, is dus een soort tegoedbon op toekomstige belasting. Verdamping betekent dat zo’n tegoedbon definitief vervalt voordat u hem hebt kunnen inwisselen.

De regels verschillen per belastingsoort. Voor de eenmanszaak en de vennootschap onder firma (vof) geldt de inkomstenbelasting. Voor de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv) geldt de vennootschapsbelasting, met een aparte valkuil bij een wijziging van de aandeelhouders.

Verliesverrekening in de inkomstenbelasting: drie jaar terug, negen jaar vooruit

In de inkomstenbelasting verrekent de Belastingdienst een verlies uit werk en woning eerst met de inkomens van de drie jaar daarvoor en daarna met de inkomens van de negen jaar daarna. Die volgorde is verplicht. Na die negen jaar is het verlies definitief weg. Voor 2026 betekent dit: een verlies uit 2017 dat nog openstaat, kunt u alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026. Daarna verdampt het (zie figuur 1).

Figuur 1: de negenjaarstermijn in de inkomstenbelasting: een verlies uit 2017 heeft in 2026 zijn laatste kans.

De rechter heeft bevestigd dat dit verval is toegestaan en dat een later afgegeven beschikking een al verdampt verlies niet laat herleven. Bewaak de termijn dus actief. Loopt een oud verlies bijna af, dan kan het lonen om winst naar voren te halen, bijvoorbeeld door kosten uit te stellen of een stille reserve (een waardestijging die nog niet in de boeken zichtbaar is) te realiseren.

Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting: een jaar terug, onbeperkt vooruit

In de vennootschapsbelasting gelden sinds 1 januari 2022 andere termijnen. Een verlies gaat eerst een jaar terug en daarna onbeperkt vooruit. Verdamping door tijdsverloop is daar dus grotendeels verdwenen. De onbeperkte termijn geldt voor verliezen vanaf 2022, en ook voor verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en die eind 2021 nog verrekenbaar waren. Verliezen uit oudere boekjaren vielen onder de oude termijn van negen jaar en zijn inmiddels vervallen.

Let op een belangrijke vormeis: uw bv kan een verlies alleen verrekenen als de Belastingdienst het heeft vastgesteld in een verliesbeschikking. Dat is een formeel besluit waarin de hoogte van het verlies staat. Controleer dus of elk verliesjaar zo’n beschikking heeft. Wilt u weten hoeveel verlies er nog openstaat, dan kunt u schriftelijk een totaaloverzicht van de verrekende en verrekenbare verliezen opvragen bij uw belastingkantoor. U ontvangt dat overzicht binnen zes weken. Figuur 2 zet de termijnen en de risico’s van de twee stelsels naast elkaar.

Figuur 2: verliesverrekening in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting naast elkaar (2026).

Wat is de temporisering?

Tegenover de onbeperkte termijn staat een rem op het bedrag. Per jaar mag uw bv een verlies maar verrekenen tot 1.000.000 euro, plus 50 procent van de winst boven 1.000.000 euro. Dat heet temporisering: de verrekening wordt over meerdere jaren uitgesmeerd. Is de belastbare winst 1.000.000 euro of lager, dan merkt u hier niets van.

Maakt uw bv bijvoorbeeld 2.200.000 euro winst, dan is de verrekenruimte 1.000.000 euro plus 50 procent van 1.200.000 euro, samen 1.600.000 euro (zie figuur 3). Over de resterende 600.000 euro betaalt de bv dit jaar belasting, ook al staan er nog verliezen open. Die verliezen gaan niet verloren; u benut ze in latere jaren. De temporisering kost dus geen verlies, maar wel liquiditeit: uw bv betaalt eerder belasting dan u misschien verwacht.

Figuur 3: de temporiseringsgrens van 1.000.000 euro in 2026.

De grootste valkuil: artikel 20a bij een belangenwijziging

De grootste verdampingsval in de vennootschapsbelasting is artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting. Dat artikel is bedoeld tegen de handel in verlieslichamen: het opkopen van een bv alleen vanwege haar verrekenbare verliezen. Het artikel raakt in de praktijk echter ook gewone bedrijfsoverdrachten en investeringsrondes.

Wanneer vervallen verliezen door een belangenwijziging?

Wijzigt het uiteindelijke belang in uw bv voor 30 procent of meer, dan zijn de verliezen van voor die wijziging niet meer voorwaarts verrekenbaar. Met het uiteindelijke belang wordt bedoeld wie er economisch gezien achter de aandelen zit; ook wijzigingen in zeggenschap en winstverdeling tellen mee. Denk aan de verkoop van aandelen, het toetreden van een nieuwe investeerder of een herstructurering. De Belastingdienst vergelijkt de situatie met het begin van het oudste jaar waarvan het verlies nog openstaat.

In het jaar van de belangenwijziging wordt het resultaat gesplitst in de periode voor en de periode na de wijziging. Ook de andere richting kan geraakt worden: een verlies van na de wijziging kan niet worden teruggewenteld naar winst van voor de wijziging als de werkzaamheden voor 90 procent of meer zijn gestaakt en de bezittingen grotendeels uit beleggingen bestaan.

Welke uitzonderingen gelden er?

De verliesverrekening blijft in drie situaties gewoon in stand. Ten eerste als de wijziging voortvloeit uit erfrecht of huwelijksvermogensrecht, bijvoorbeeld bij overlijden van een aandeelhouder. Ten tweede als degene die het belang uitbreidt aan het begin van het oudste verliesjaar al minimaal een derde van het belang had. Ten derde als de bv niet wist en ook niet kon weten dat het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer is gewijzigd, wat kan spelen bij beursgenoteerde aandelen of een belegger op afstand.

De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets

Valt de wijziging niet onder een uitzondering, dan kan uw bv de verliezen toch behouden als zij aan drie toetsen voldoet. De beleggingstoets: de bezittingen van de bv mogen in het verliesjaar en in het winstjaar niet langer dan drie maanden voor meer dan de helft uit beleggingen bestaan. De werkzaamhedentoets: de activiteiten zijn direct voor de wijziging niet gekrompen tot minder dan 30 procent van de activiteiten aan het begin van het oudste verliesjaar. De intentietoets: er bestaat op het moment van de wijziging geen voornemen om de activiteiten binnen drie jaar alsnog onder die 30 procent te laten zakken.

Haalt de bv wel de beleggingstoets, maar niet de werkzaamhedentoets of de intentietoets, dan is er nog een tussenweg: de oude verliezen blijven dan verrekenbaar met winst uit de werkzaamheden die worden voortgezet (zie figuur 4).

Figuur 4: de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets van artikel 20a.

Zekerheid vooraf en de step-up

Twijfelt u of de verliezen behouden blijven, dan kunt u de Belastingdienst vooraf om een beschikking vragen. U weet dan zeker waar u aan toe bent voordat de aandelen wisselen. Vervallen de verliezen toch, dan biedt de wet een verzachting die in de praktijk step-up heet. Vlak voor het vervalmoment mag de bv de boekwaarden van haar bezittingen (de waarde waarvoor ze in de administratie staan) verhogen tot de werkelijke waarde, en mag zij een herinvesteringsreserve (een uitgestelde belastingpot voor de verkoopwinst op bedrijfsmiddelen) in de winst opnemen. Zo ontstaat er nog winst waar de vervallende verliezen tegenover staan, en benut de bv het verlies alsnog. Figuur 5 vat de hele route van artikel 20a samen in een beslisboom.

Figuur 5: beslisboom artikel 20a: blijven de oude verliezen verrekenbaar?

Rekenvoorbeeld: wat staat er op het spel?

Het volgende voorbeeld laat zien hoeveel er bij een belangenwijziging op het spel staat. De bedragen gelden voor het belastingjaar 2026 (zie figuur 6).

Figuur 6: verliezen behouden tegenover verliezen die verdampen (bedragen 2026).

De situatie

Uw bv heeft 3.000.000 euro aan vastgestelde, nog niet verrekende verliezen. De bv maakt inmiddels weer winst. Een investeerder wil instappen en neemt een belang van meer dan 30 procent over.

Scenario A: verliezen behouden

De bv drijft nog een echte onderneming en de activiteiten blijven op peil. De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets worden gehaald, en de bv vraagt vooraf zekerheid aan de Belastingdienst. De verliezen van 3.000.000 euro blijven daardoor verrekenbaar. Tegen het hoge tarief van de vennootschapsbelasting van 25,8 procent in 2026 is dat een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro.

Scenario B: verliezen verdampen

Er wordt geen aandacht besteed aan artikel 20a. Het belang wijzigt met meer dan 30 procent en de toetsen worden niet gehaald. De verliezen van 3.000.000 euro vervallen voorgoed. Uw bv loopt daardoor een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro mis.

De conclusie: door bij een belangenwijziging op tijd artikel 20a te toetsen en de toetsen te onderbouwen, voorkomt u dat uw bv 3.000.000 euro aan verliezen en tot 774.000 euro aan belastingbesparing kwijtraakt.

Praktische checklist: zo voorkomt u verdamping

Verdamping is onomkeerbaar: een verloren verlies komt niet terug. Voorkomen is dus de enige route. Let op de volgende punten:

  • Controleer of elk verliesjaar van uw bv bij beschikking is vastgesteld; zonder beschikking is er geen verrekenbaar verlies.
  • Een verlies in de inkomstenbelasting verdampt na negen jaar; een verlies uit 2017 kunt u alleen nog met uw inkomen over 2026 verrekenen.
  • Vraag bij twijfel het totaaloverzicht van verrekenbare verliezen schriftelijk op bij uw belastingkantoor.
  • Artikel 20a. Toets bij elke voorgenomen wijziging in de aandeelhouders vooraf of oude verliezen dreigen te vervallen.
  • Documenteer de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets, en vraag zo nodig vooraf een beschikking aan.
  • Verwacht uw bv winst boven 1.000.000 euro, houd er dan rekening mee dat u niet alles in een keer kunt verrekenen.
  • Step-up. Dreigt verval toch, benut dan voor het vervalmoment de mogelijkheid om boekwaarden op te hogen en het verlies alsnog te gelde te maken.

Veelgestelde vragen

Wanneer verdampt een verlies in de inkomstenbelasting?

Na negen jaar. Een verlies uit werk en woning gaat eerst drie jaar terug en daarna negen jaar vooruit. Een verlies uit 2017 kunt u dus alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026; daarna is het definitief weg.

Kunnen verliezen in de vennootschapsbelasting nog verdampen door tijdsverloop?

Vrijwel niet meer. Verliezen vanaf 2022, en oudere verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en eind 2021 nog openstonden, zijn onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. De echte risico’s zitten nu in de belangenwijziging van artikel 20a en in het ontbreken van een verliesbeschikking.

Wat is een verliesbeschikking en waarom is die belangrijk?

Een verliesbeschikking is het formele besluit van de Belastingdienst waarin de hoogte van een verlies wordt vastgesteld. In de vennootschapsbelasting kan uw bv een verlies alleen verrekenen als er zo’n beschikking is. Controleer dit dus per verliesjaar.

Raakt u verliezen kwijt als u uw bv verkoopt?

Dat kan. Wijzigt het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer, dan vervallen de oude verliezen, tenzij een uitzondering geldt of de bv de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets haalt. Laat dit voor de verkoop toetsen; achteraf repareren kan niet.

Kunt u een verlies alvast verrekenen zonder de definitieve aanslag af te wachten?

Ja. U kunt bij de aangifte over het verliesjaar schriftelijk om voorlopige verliesverrekening vragen. De Belastingdienst verrekent dan alvast maximaal 80 procent van het aangegeven verlies met de winst van het vorige jaar. Voorwaarde is onder meer dat de aanslag over dat vorige jaar definitief vaststaat.

Geldt de temporisering ook bij een winst tot 1.000.000 euro?

Nee. Is de belastbare winst van uw bv 1.000.000 euro of lager, dan kunt u verliezen verrekenen tot maximaal het bedrag van die winst. De rem van 50 procent speelt alleen bij het deel van de winst boven 1.000.000 euro.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount brengt uw verliespositie in kaart, controleert of alle verliezen bij beschikking zijn vastgesteld en bewaakt de termijnen. Bij een voorgenomen verkoop, investeringsronde of herstructurering beoordelen wij vooraf of uw verliezen onder artikel 20a vervallen. Wij onderbouwen de toetsen, vragen waar nodig zekerheid vooraf bij de Belastingdienst en zetten bij dreigend verval een step-up in. Wilt u voorkomen dat waardevolle verliezen in 2026 verdampen? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en regels kunnen wijzigen. Wat in uw situatie geldt, hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Neem voor advies op maat contact op met Taxcount.

Zie ook:

Oudedagsverplichting afwikkelen in 2026: keer de ODV op tijd uit en voorkom een heffing ineens

Heeft u als directeur-grootaandeelhouder vroeger pensioen in eigen beheer opgebouwd en dat omgezet in een oudedagsverplichting? Dan staat er nog een pensioenpotje op de balans van uw bv. Zodra u de AOW-leeftijd nadert, komt het erop aan: u moet de oudedagsverplichting op tijd afwikkelen. Start u de uitkeringen te laat, dan dreigt een zware sanctie: de hele waarde wordt ineens belast, met daarbovenop 20 procent revisierente. In dit artikel leest u hoe u de oudedagsverplichting in 2026 correct afwikkelt, welke termijnen u moet bewaken en welke keuzes u heeft.

Wat is een oudedagsverplichting?

Tot 2017 mochten directeuren-grootaandeelhouders pensioen opbouwen in eigen beheer. De eigen bv hield het pensioengeld dan zelf, in plaats van het bij een verzekeraar onder te brengen. Sinds 1 april 2017 mag dat niet meer. Wie toen pensioen in eigen beheer had, kon dat tussen 1 april 2017 en 31 december 2019 omzetten in een oudedagsverplichting, kortweg ODV. Dat is een vereenvoudigde pensioenverplichting in de bv. Sinds 2020 is omzetten of afkopen niet meer mogelijk. Elke ODV die nu nog op een balans staat, moet dus de komende jaren worden afgewikkeld.

Heeft uw bv zo’n ODV, dan moet u er twee dingen mee doen. U moet de ODV elk jaar oprenten en u moet de ODV op tijd laten uitkeren of omzetten in een lijfrente.

Hoe rent u de ODV op in 2026?

De bv verhoogt de stand van de ODV elk jaar met een marktrente die het ministerie vaststelt. Die rente is het gemiddelde van de zogenoemde U-rendementen over het vorige kalenderjaar. Voor 2026 is de marktrente vastgesteld op 2,593 procent. Dit percentage wordt elk jaar opnieuw bepaald; controleer dus jaarlijks het actuele cijfer voordat u de oprenting boekt.

Wanneer moeten de uitkeringen ingaan?

 Figuur 1: de termijnen rond de AOW-leeftijd.

Kiest u ervoor om de ODV zelf uit te keren, dan schrijft de wet een vast ritme voor. De waarde wordt uitgekeerd in twintig jaarlijkse termijnen. Het bedrag per jaar is steeds de stand van de ODV aan het begin van dat jaar, gedeeld door het aantal resterende jaren. De uitkering is loon uit vroegere dienstbetrekking en wordt belast in box 1 (zie figuur 1).

Het belangrijkste is het startmoment. De eerste termijn mag op zijn vroegst ingaan vijf jaar voor uw AOW-leeftijd. De eerste termijn moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd zijn gestart. Deze grens is de kern van de tijdige afwikkeling: mist u die, dan loopt u een groot risico.

Start u eerder dan de AOW-leeftijd, dan keert u ook langer uit. De periode van twintig jaar wordt dan verlengd met het aantal jaren dat de eerste termijn voor de AOW-leeftijd ligt. Begint u bijvoorbeeld drie jaar voor uw AOW-leeftijd, dan keert de bv uit in drieëntwintig jaarlijkse termijnen.

Rekenvoorbeeld: op tijd uitkeren of te laat

Figuur 2: op tijd uitkeren tegenover een misgelopen afwikkeling (bedragen 2026).

Onderstaand voorbeeld laat zien waarom een tijdige afwikkeling zoveel scheelt. De bedragen gelden voor het belastingjaar 2026 (zie figuur 2).

De situatie

De ODV van een dga staat bij het bereiken van de AOW-leeftijd op 200.000 euro. De dga moet kiezen: de ODV op tijd in termijnen uitkeren, of het risico lopen dat de afwikkeling misgaat.

Scenario A: u keert op tijd uit

De dga start de uitkering op tijd en keert de ODV uit in twintig termijnen. De eerste termijn is 200.000 euro gedeeld door 20, dus 10.000 euro. De resterende 190.000 euro wordt opgerent met de marktrente van 2,593 procent tot 194.927 euro; de tweede termijn is dan 194.927 euro gedeeld door 19, ofwel 10.259 euro. Elke termijn is belast in box 1, maar de heffing is netjes gespreid over twintig jaar.

Scenario B: de afwikkeling gaat mis

De dga start de termijnen niet op tijd of koopt de ODV af. Dat geldt als een oneigenlijke handeling. De volledige waarde van 200.000 euro wordt dan ineens belast in box 1. Daar bovenop komt revisierente van 20 procent van die waarde, ofwel 40.000 euro. De dga betaalt dus in een keer belasting over 200.000 euro plus 40.000 euro extra.

De conclusie: wikkelt de dga de ODV op tijd af in twintig termijnen, dan blijft de heffing gespreid. Bij een te late of onjuiste afwikkeling wordt de hele 200.000 euro ineens belast, met daarbovenop 40.000 euro revisierente.

Kunt u de ODV omzetten in een lijfrente?

In plaats van zelf uitkeren mag u de ODV ook geruisloos omzetten in een lijfrente of een lijfrenterekening bij een verzekeraar of bank. Geruisloos betekent dat u op dat moment geen belasting betaalt. Deze omzetting kan zelfs nog nadat de termijnen zijn ingegaan. Omzetten kan aantrekkelijk zijn: het geld verlaat de bv, de uitvoering ligt voortaan bij de bank of verzekeraar en u heeft meer keuze in de uitkeringsvorm. Taxcount rekent graag voor u door welke route in uw situatie het beste past.

Wat gebeurt er bij overlijden?

Overlijdt u voordat de termijnen zijn ingegaan, dan moeten de uitkeringen binnen twaalf maanden na het overlijden starten. Ze moeten toekomen aan uw erfgenamen of legatarissen, voor zover dat natuurlijke personen zijn. Overlijdt u nadat de termijnen zijn ingegaan, dan gaan de resterende termijnen op diezelfde personen over. Ook hier geldt: wordt dit niet op tijd of niet aan de juiste personen geregeld, dan dreigt de sanctie van heffing ineens plus revisierente. Leg daarom vast wie de termijnen moet ontvangen en informeer uw erfgenamen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer de balans. Ga na of er nog een ODV op de balans van uw bv staat.
  • Rent jaarlijks op. Verhoog de ODV elk jaar met de voorgeschreven marktrente, voor 2026 is dat 2,593 procent.
  • Bewaak het startmoment. Start de eerste termijn uiterlijk twee maanden na uw AOW-leeftijd.
  • Bereken de termijnen goed. Deel elk jaar de stand door het aantal resterende jaren.
  • Houd loonheffing in. Elke termijn is loon uit vroegere dienstbetrekking; de bv houdt loonheffing in en draagt die af.
  • Overweeg een lijfrente. Een geruisloze omzetting in een lijfrente kan meer flexibiliteit geven en de bv ontlasten.
  • Regel het bij overlijden. Zorg dat de termijnen binnen twaalf maanden na overlijden ingaan en aan de juiste erfgenamen toekomen.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet de eerste ODV-termijn uiterlijk ingaan?

Uiterlijk twee maanden na het bereiken van uw AOW-leeftijd. Eerder mag ook, tot maximaal vijf jaar voor de AOW-leeftijd. Mist u de uiterste grens, dan dreigt heffing ineens plus revisierente.

Mag ik eerder beginnen met uitkeren?

Ja, de eerste termijn mag ingaan vanaf vijf jaar voor uw AOW-leeftijd. De uitkeringsperiode wordt dan wel langer: de twintig jaar wordt verlengd met het aantal jaren dat u eerder start.

Wat kost het als de afwikkeling misgaat?

De volledige waarde van de ODV wordt dan ineens belast in box 1. Daar komt revisierente van 20 procent van de waarde bovenop. Bij een ODV van 200.000 euro is dat 40.000 euro extra, naast de belasting zelf.

Hoe hoog is de oprenting van de ODV in 2026?

Voor 2026 is de voorgeschreven marktrente 2,593 procent. Het percentage wordt elk jaar opnieuw vastgesteld op basis van de U-rendementen van het voorgaande jaar.

Kan ik de ODV nog omzetten in een lijfrente als de termijnen al lopen?

Ja, een geruisloze omzetting in een lijfrente of lijfrenterekening kan ook nog nadat de termijnen zijn ingegaan. U betaalt op het moment van omzetting geen belasting; de latere lijfrente-uitkeringen zijn belast in box 1.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount controleert of er nog een ODV op uw balans staat, bewaakt de oprenting en de termijnen, berekent de jaarlijkse uitkering en adviseert over de keuze tussen zelf uitkeren en omzetten in een lijfrente. Ook de afwikkeling bij overlijden nemen wij mee. Nadert u de AOW-leeftijd, of twijfelt u of uw ODV goed loopt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en termijnen kunnen wijzigen. Wat in uw situatie de beste keuze is, hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Laat u daarom altijd adviseren voordat u beslist.

Fiscaal Omnibusvoorstel kan Nederland vanaf 2037 tot 8 miljard euro per jaar kosten: wat dit betekent voor beleggen via uw besloten vennootschap

Twee hoogleraren van de Universiteit Leiden becijferden in augustus 2026 wat het fiscale Omnibusvoorstel van eurocommissaris Wopke Hoekstra voor Nederland betekent. Volgens hun schatting loopt de schatkist vanaf 2029 maximaal 3 miljard euro per jaar mis, oplopend tot 8 miljard euro vanaf 2037. Het voorstel, dat de Europese belastingregels voor bedrijven moet vereenvoudigen, is op 24 juni 2026 gepubliceerd en moet nog unaniem worden aangenomen door alle lidstaten van de Europese Unie (EU). Voor u als ondernemer of directeur-grootaandeelhouder (DGA) verandert er dus voorlopig niets.

Wat er verandert

Het eerste onderdeel is de dividendbelasting. Bedrijven in de EU houden nu geen bronheffing in op dividend aan een moederbedrijf met een belang vanaf 10 procent. Bronheffing is belasting die het uitkerende bedrijf meteen afdraagt. Vanaf 2037 zou die vrijstelling gelden voor alle dividenden tussen bedrijven in de EU. Jan van de Streek en Jan Vleggeert schatten de derving op circa 4 miljard euro per jaar, omdat buitenlandse particulieren dan via zo’n bedrijf gaan beleggen.

Het tweede onderdeel raakt beleggen via een besloten vennootschap (bv). Vanaf 2037 zou Nederland geen vennootschapsbelasting meer heffen over dividend dat een bv ontvangt op kleine aandelenbelangen in andere EU-landen. Een DGA die via zijn bv in Europese aandelen belegt, betaalt dan pas belasting bij uitkering aan zichzelf, in box 2 tegen 24,5 of 31 procent. Stappen box 3-beleggers daardoor massaal over, dan kost dat volgens een ruwe schatting nog eens 1 miljard euro.

Het derde onderdeel zou als eerste ingaan. De earningsstrippingmaatregel beperkt de renteaftrek in de vennootschapsbelasting nu tot 24,5 procent van de operationele kasstroom, met een drempel van 1 miljoen euro. Vanaf 2029 zouden lidstaten bankrente buiten die maatregel laten, het percentage op 30 procent zetten en een tegenbewijsregeling invoeren. Vanaf 2032 zou de drempel naar 3 miljoen euro gaan. Van de opbrengst van 2 tot 3 miljard euro blijft dan weinig over.

Boete van de Belastingdienst: wanneer u een verzuimboete of een vergrijpboete krijgt en hoe u zich verweert

Een boete van de Belastingdienst verrast zelden over de reden, maar bijna altijd over de hoogte. Een aangifte voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die te laat binnenkomt kost 82 euro, terwijl een te late betaling 3 procent van het bedrag kost met een minimum van 50 euro. Bij een correctie achteraf is het uitgangspunt 25 of 50 procent van de belasting, en de wet laat tot 100 procent toe. Dat verschil komt doordat er twee soorten boetes bestaan: bij de verzuimboete maakt het niet uit of u er iets aan kon doen, bij de vergrijpboete moet de Belastingdienst bewijzen dat u het bewust of zwaar onzorgvuldig verkeerd deed. In dit artikel leest u de bedragen en percentages van 2026, welke verweren werken, welke termijnen u moet bewaken en wat u nu al kunt vastleggen. Tot slot ziet u wanneer niet alleen uw onderneming, maar ook u persoonlijk of uw boekhouder een boete kan krijgen.

Welke twee soorten boetes kan de Belastingdienst opleggen?

De Belastingdienst kan zelf een boete opleggen, zonder dat daar een rechter aan te pas komt. Dat gebeurt door de inspecteur, de ambtenaar die uw aanslag vaststelt. De boete is een aparte beschikking, een op zichzelf staand besluit. Staat zij op hetzelfde aanslagbiljet als de aanslag, dan hoort zij voor bezwaar en beroep wel bij die aanslag: één bezwaarschrift is dan genoeg.

De verzuimboete is de lichte boete. Die volgt vrijwel automatisch als een aangifte te laat is of een bedrag te laat is betaald. Of u er iets aan kon doen, doet in beginsel niet mee: de Belastingdienst hoeft geen schuld te bewijzen. Het bekendste verweer heet afwezigheid van alle schuld: als u aannemelijk maakt dat u alles hebt gedaan wat redelijkerwijs van u te vergen was, kan de boete vervallen. Er zijn ook andere routes, zoals een ontbrekende aanmaning, alsnog indienen binnen zeven dagen of matiging omdat de boete niet in verhouding staat.

De vergrijpboete is de zware boete. Die mag alleen als de inspecteur bewijst dat er opzet of grove schuld in het spel was. Opzet betekent dat u wist dat het fout ging, of dat u de aanmerkelijke kans daarop bewust hebt aanvaard. Grove schuld is minder: zo onzorgvuldig dat het daar bijna op neerkomt, en duidelijk meer dan een vergissing. De inspecteur moet dat overtuigend aantonen, een zwaardere bewijseis dan het gewone aannemelijk maken, en bij twijfel valt de zaak in uw voordeel uit.

Dat onderscheid bepaalt bijna alles wat daarna komt: de hoogte van de boete, de procedure die de Belastingdienst moet volgen en de verweren die u kunt inbrengen. De eerste vraag bij elke boetebrief is daarom of het woord opzet of grove schuld erin staat. Figuur 1 zet de twee soorten naast elkaar.

     Figuur 1: verzuimboete of vergrijpboete? De eerste vraag bij elke boetebrief is of het woord opzet of grove schuld erin staat.

Hoe hoog is een verzuimboete in 2026?

Voor de hoogte moet u eerst weten met welk soort belasting u te maken hebt. Bij een aangiftebelasting berekent u zelf wat u moet betalen en betaalt u dat met de aangifte mee: btw en loonheffingen zijn de bekendste voorbeelden. Bij een aanslagbelasting doet u aangifte en stuurt de Belastingdienst daarna een aanslag: inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, erfbelasting en schenkbelasting werken zo. De boetes lopen tussen die twee groepen sterk uiteen.

Btw en loonheffingen: een lage boete voor de aangifte, een hoge boete voor de betaling

Komt uw btw-aangifte niet of te laat binnen, dan is de boete 82 euro. Bij de aangifte loonheffingen is dat 83 euro. Die bedragen lijken mild, en dat zijn ze ook: het wettelijk maximum is 165 euro voor de btw en 1.675 euro voor de loonaangifte, en dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als iemand het herhaaldelijk laat afweten.

De betaling is een tweede, zelfstandig verzuim. Betaalt u de btw of de loonheffing niet, niet volledig of te laat, dan is de boete 3 procent van het te laat betaalde bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro. Blijkt het verzuim pas nadat de Belastingdienst uw aangifte inhoudelijk heeft getoetst, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, een controle van uw administratie, dan gaat dat percentage volgens het boetebeleid naar 10 procent van de belasting die u in dat kalenderjaar of boekjaar te laat betaalde, met hetzelfde maximum.

Dat verschil is geen slordigheid van de wetgever. Bij deze belastingen is de aangifte vooral een begeleidend briefje bij de betaling, en om het geld gaat het. Wie de aangifte vergeet maar wel betaalt komt er dus goedkoop van af; wie de aangifte netjes indient maar niet betaalt niet.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting: er komt eerst een aanmaning

Bij een jaaraangifte kan de boete niet uit de lucht vallen. De Belastingdienst stuurt eerst een herinnering en daarna een aanmaning, de laatste schriftelijke waarschuwing met een nieuwe termijn. Pas als u die termijn ook laat verstrijken, mag de boete volgen. Ontbreekt de aanmaning, of bereikte die u of uw adviseur te laat, dan kan dat de hele boete kosten.

Doet u geen of te late aangifte inkomstenbelasting, erfbelasting of schenkbelasting, dan is de boete 469 euro. Voor de vennootschapsbelasting begint de boete veel hoger: 3.354 euro. In beide gevallen kan de boete bij herhaald verzuim oplopen tot het wettelijk maximum van 6.709 euro, maar dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen: het beleid laat de standaardboete niet met het aantal eerdere verzuimen meelopen.

Bij de jaaraangifte bestaat geen regeling die de boete laat vervallen als u alsnog snel indient. Alsnog aangifte doen helpt wel, maar dan als grond om de boete te verlagen en niet om hem weg te nemen.

Vergeten om een aangifte te vragen kost apart geld

Krijgt u geen uitnodiging tot het doen van aangifte terwijl u wel belasting verschuldigd bent, dan moet u er zelf om vragen. Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt daarvoor een termijn van zes maanden na het moment waarop de belastingschuld is ontstaan, voor de erfbelasting de aangiftetermijn van twintig maanden na het overlijden bij een overlijden vanaf 1 januari 2026, en acht maanden bij een overlijden in 2025 of eerder en voor de schenkbelasting twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin u de schenking kreeg of deed. Doet u dat niet op tijd, dan is de boete 3.354 euro. De Belastingdienst legt die boete niet op als u binnen twee weken na die termijn alsnog om een aangifte vraagt.

Een aanslag te laat betalen

Betaalt u een aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting niet, niet volledig of te laat, dan kunt u een betaalverzuimboete krijgen van 5 procent van het openstaande bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro per keer. Die boete volgt niet automatisch: volgens de wetsgeschiedenis wordt zij niet in een massaal proces opgelegd, maar in individuele gevallen van belastingschuldigen die stelselmatig niet of te laat betalen, en dan doorgaans bij bedragen van tienduizenden euro’s. Wordt de aanslag later verlaagd, dan gaat de boete evenredig mee omlaag, tot dat minimum van 50 euro. Deze boete komt van de ontvanger, de ambtenaar die belastingschulden invordert, en niet van de inspecteur. Vindt u dat u te veel hebt betaald over een oud jaar, dan is de route van een teruggaaf over oude jaren een andere; daarover leest u meer in ons artikel over het terugvragen van te veel betaalde belasting.

Het patroon achter al die bedragen is eenvoudig. Bij de aangiftebelastingen is de boete voor de aangifte laag en die voor de betaling hoog; bij de jaaraangiften is het precies omgekeerd, want daar is de aangifte zelf het punt. Figuur 2 zet de acht situaties met hun standaardbedrag en hun wettelijk maximum naast elkaar. De bedragen die de Belastingdienst standaard oplegt komen uit haar eigen boetebeleid; de wet noemt alleen de maxima. Dat beleid kan wijzigen, en de inspecteur mag in uw geval lager uitkomen.

Figuur 2: de standaardbedragen en de wettelijke maxima van de verzuimboetes in 2026, per soort belasting.

Deze bedragen gelden voor beboetbare feiten in 2026. Voor een oud jaar geldt het maximum dat toen gold: de verhoging naar 6.709 euro per 1 januari 2025 werkt niet terug. Wordt een regeling ná uw fout juist gunstiger, dan geldt omgekeerd de voor u gunstigste versie.

Wat gebeurt er als u zeven dagen te laat bent?

Bij de btw en de loonheffingen kent het boetebeleid een coulancetermijn: een respijtperiode van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Voor de aangifte is die termijn eenvoudig. Is uw aangifte binnen die zeven dagen alsnog binnen, dan krijgt u geen boete.

Voor de betaling werkt dezelfde termijn juist andersom, en dat is de meest onderschatte val in het hele boeterecht. Betaalt u binnen die zeven dagen alsnog, dan krijgt u alleen géén boete als u de vórige aangifte volledig en op tijd betaalde. Was u de vorige keer te laat of betaalde u toen niet alles, dan volgt nu wél een boete van 3 procent met een minimum van 50 euro. Bij tijdstipbelastingen, belastingen die per gebeurtenis worden geheven in plaats van per maand of kwartaal, kijkt de Belastingdienst daarvoor niet naar het vorige tijdvak maar naar het afgelopen jaar.

Betaalt u een deel binnen en een deel na die zeven dagen, dan rekent de Belastingdienst de boete over het hele te late bedrag en niet alleen over het deel dat echt laat was. Dat verklaart waarom twee ondernemers die beide een paar dagen te laat zijn, de ene keer niets en de andere keer 50 euro of meer betalen. Figuur 3 laat de twee sporen zien.

Figuur 3: de coulancetermijn van zeven dagen pakt bij de aangifte anders uit dan bij de betaling.

Hoe hoog is een vergrijpboete?

Een vergrijpboete is geen vast bedrag maar een percentage van de belasting die door uw opzet of grove schuld niet is geheven of niet is betaald. De wet stelt het maximum op 100 procent van dat bedrag, en voor niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen zelfs op 300 procent. Binnen dat maximum werkt de Belastingdienst met vaste uitgangspunten uit haar eigen boetebeleid, het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Bij grove schuld is de boete 25 procent van de te weinig geheven belasting, bij opzet 50 procent. Gaat het om inkomen uit sparen en beleggen dat u niet of onjuist hebt aangegeven, dan noemt de Belastingdienst hogere uitgangspunten: 75 procent bij grove schuld en 150 procent bij opzet. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of een straf, of wijst de inspecteur op listigheid, valsheid of samenspanning, dan mag de boete naar 100 procent, en bij inkomen uit sparen en beleggen naar 300 procent. Een boete die later is vernietigd telt niet mee als eerdere boete, en verzachtende omstandigheden werken de andere kant op.

Naast die percentages bestaat een eigen regel voor het herstellen van een oude btw-fout. Meldt u een te lage btw-afdracht niet, niet op tijd of niet op de voorgeschreven manier, dan kan de boete daarvoor bij opzet of grove schuld oplopen tot 100 procent van de belasting die daardoor niet zou zijn geheven. Hoe die melding werkt, leest u in ons artikel over het herstellen van een fout in een eerdere btw-aangifte.

De uitgangspunten voor de vergrijpboete in 2026:

Verwijt Gewone situatie Sparen en beleggen
Grove schuld 25 procent 75 procent
Opzet 50 procent 150 procent
Verhoging bij herhaling binnen vijf jaar voor dezelfde belasting, of bij listigheid, valsheid of samenspanning 100 procent 300 procent

De percentages in deze tabel zijn uitgangspunten uit het boetebeleid. De wet stelt het maximum op 100 procent van de belasting, en bij niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen op 300 procent.

Rekenvoorbeeld: dezelfde omzet, vier uitkomsten

Stel dat u over het eerste kwartaal 20.000 euro omzet niet in uw btw-aangifte hebt opgenomen. De niet aangegeven btw daarover is 4.200 euro. De Belastingdienst legt een naheffingsaanslag op, een extra aanslag voor btw of loonheffing die te weinig is betaald.

Ziet de inspecteur hierin alleen een betaalverzuim zonder verder verwijt, dan is de boete 10 procent van de belasting die u dat jaar te laat betaalde, hier dus 420 euro, omdat het verzuim pas bij een inhoudelijke controle bleek. Vindt hij dat u grof onzorgvuldig was, bijvoorbeeld omdat u een hele reeks facturen niet in uw administratie hebt opgenomen, dan is de boete 25 procent van 4.200 euro, dus 1.050 euro. Kan hij overtuigend aantonen dat u die omzet bewust buiten de aangifte hield, dan is de boete 50 procent, dus 2.100 euro. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor de btw al een vergrijpboete, dan kan hij naar 100 procent, dus 4.200 euro.

De belasting van 4.200 euro betaalt u in alle vier de gevallen. Daar komt ook nog belastingrente bij, die geen boete is maar een vergoeding voor het late betalen; hoe u die beperkt, leest u in ons artikel over belastingrente voorkomen. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde niet aangegeven btw van 4.200 euro levert vier verschillende boetes op.

De boete mag alleen over de verwijtbare correcties

Een fout die in de praktijk vaak wordt gemaakt, zit in de grondslag. Bevat een naheffing of een navordering, een extra aanslag over een jaar dat al was afgerond, tien correcties en zijn er maar drie waarvan de inspecteur zegt dat u ze bewust verkeerd deed, dan mag hij de boete niet over het hele bedrag berekenen. Hij moet de mate van verwijtbaarheid per correctie vaststellen en de boete berekenen over het deel van de belasting dat naar evenredigheid aan die verwijtbare correcties is toe te rekenen. Leg de correcties in de aanslag daarom altijd naast de grondslag van de boete.

Eén waarschuwing voor een kleine groep ondernemingen. Valt uw onderneming onder de minimumbelasting voor grote groepen, of onder de meldplichten voor platforms en aanbieders van cryptodiensten, dan gelden sinds 2026 veel hogere maxima: 1.100.000 euro, en bij de minimumbelasting afhankelijk van de verplichting 1.100.000 of 27.500 euro. Voor de minimumbelasting loopt een tijdelijke vrijstelling van verzuimboetes af op 31 oktober 2026. Laat die termijnen apart bewaken.

Iets vergelijkbaars geldt als de Belastingdienst uw belastingschuld heeft geschat omdat uw administratie of aangifte onvolledig was. Die schatting, met omkering van de bewijslast waardoor u zelf moet aantonen dat de aanslag te hoog is, mag wel de grondslag van de boete vormen. Maar de rechter moet dan wel beoordelen of de boete gelet op alle omstandigheden nog een passende en geboden sanctie is, en dat doet hij ook zonder dat u erom vraagt.

Zes verweren tegen een boete van de Belastingdienst

Een boete staat niet vast omdat er een bedrag op papier staat. Deze zes verweren komen in de praktijk het meest voor, in de volgorde waarin u ze het beste onderzoekt.

1. U had geen enkele schuld

Lag de oorzaak buiten uw invloed en hebt u wel alle zorg betracht die redelijkerwijs van u kon worden gevraagd, dan kan een verzuimboete geheel vervallen. De Hoge Raad besliste dat een ondernemer die zijn bank tijdig opdracht gaf te betalen formeel in verzuim is als de bank blundert, maar dat hij zich wel op afwezigheid van alle schuld kan beroepen. U moet dat zelf aanvoeren en bij tegenspraak aannemelijk maken, dus met stukken: de betaalopdracht, de datum ervan en het rekeningafschrift waaruit blijkt dat er genoeg saldo stond.

Aan de andere kant is in hofrechtspraak aangenomen dat betalen op de laatste dag geldt als het bewust aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven; de Hoge Raad heeft dat niet als algemene regel geformuleerd. In een gepubliceerde zaak was een opdracht van ruim een week vóór de uiterste betaaldatum voldoende, maar dat was een oordeel over die zaak en geen algemene vuistregel. Wees ook realistisch: was u zelf te laat, zonder oorzaak buiten uw invloed, dan slaagt dit verweer zelden.

2. Uw standpunt was verdedigbaar

Berustte uw aangifte op een standpunt waarvoor goede argumenten bestonden, dan is een vergrijpboete niet mogelijk. Dat heet een pleitbaar standpunt: naar objectieve maatstaven kon en mocht u op het moment van de aangifte redelijkerwijs menen dat uw uitleg juist was. Dat u van de rechter uiteindelijk ongelijk krijgt over de belasting zelf, doet daar niets aan af.

Dit is het sterkste verweer dat er is, en wel om twee redenen. De toets is volledig geobjectiveerd, dus het maakt niet uit of u die uitleg destijds ook echt voor ogen had, en de rechter hoeft daarvoor geen ingewonnen adviezen te lezen. Bovendien sluit een pleitbaar standpunt ook het opzet uit dat voor strafvervolging nodig is. Eén beperking is belangrijk: juridisch neemt een pleitbaar standpunt de opzet of grove schuld weg en dus de vergrijpboete, maar in beginsel niet de verzuimboete voor een te late aangifte of betaling. In haar eigen boetebeleid behandelt de Belastingdienst beide gevallen wel gelijk: bij een pleitbaar standpunt legt de inspecteur geen boete op, en blijkt de pleitbaarheid pas in de bezwaarfase, dan vernietigt hij haar. Dat is beleid en geen wet, dus vraag er uitdrukkelijk om.

Wettelijk hoeft u hier niets te bewijzen: de rechter beoordeelt objectief of uw standpunt verdedigbaar was, ook zonder uw eigen adviezen te lezen. Praktisch helpt vastleggen wel, omdat de discussie dan veel korter is. Bewaar daarom bij elk afwijkend of discutabel standpunt een korte onderbouwing met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de vakliteratuur waarop u zich baseerde.

3. De fout lag bij uw adviseur

Opzet of grove schuld van uw adviseur wordt niet aan u toegerekend. Dat de inspecteur kan aantonen dat uw boekhouder of belastingadviseur bewust fout zat, is dus niet genoeg voor een vergrijpboete bij u. Hij moet uw eigen opzet of grove schuld bewijzen, en het enkele feit dat u een adviseur inschakelde die de fout maakte levert dat bewijs niet op.

Er is wel een route waarlangs u zelf een verwijt kunt treffen: in de keuze van uw adviseur en in de manier waarop u met hem samenwerkte. Hebt u stukken niet aangeleverd of vragen niet beantwoord, dan kan dat u worden aangerekend. Ook daarvoor liggen de stelplicht en de bewijslast echter bij de inspecteur, en wat redelijk is verschilt per geval naar uw kennis en ervaring. Leg toch vast welke informatie u aan uw adviseur gaf en welke vragen hij stelde: dat maakt het voor de inspecteur veel moeilijker om zo’n verwijt te onderbouwen.

4. De Belastingdienst volgde de procedure niet

Bij een vergrijpboete schrijft het boetebeleid een zwaardere procedure voor, ongeacht de hoogte van de boete; voor een verzuimboete geldt die zwaardere procedure nooit, ook niet bij een hoog bedrag. De inspecteur moet u schriftelijk laten weten dat hij een vergrijpboete wil opleggen en welke gronden hij daarvoor heeft. Dat is de kennisgeving. U krijgt daarna een redelijke termijn om die gronden te betwisten, en wilt u dat mondeling doen, dan moet u worden gehoord. Blijkt uit uw verweer dat de gronden onvoldoende aanknopingspunten voor opzet of grove schuld bieden, dan moet de vergrijpboete achterwege blijven; een verzuimboete kan dan nog wel volgen.

Rond een gesprek gelden twee mededelingsplichten. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet worden gezegd dat u niet hoeft te antwoorden. Dat is de cautie. En sinds een uitspraak van de Hoge Raad uit 2024 moet u ook worden gewezen op uw recht op bijstand van een raadsman, en dat hoeft geen advocaat te zijn: vereist is alleen dat iemand op een effectieve manier juridische bijstand kan geven, en mogelijk kan ook een belastingadviseur dat zijn.

Ontbreekt zo’n mededeling, dan is de boete niet automatisch van tafel. De rechter beoordeelt of het proces als geheel eerlijk was en of u werkelijk nadeel hebt geleden. Was uw adviseur bij het gesprek aanwezig, dan weegt dat mee en blijven de verklaringen vaak toch bruikbaar. Toch kan één te vroeg gestelde vraag de hele vergrijpboete kosten: in een zaak die na verwijzing bij het hof terugkwam werd één verklaring van vóór de cautie uitgesloten, waardoor de inspecteur het opzet niet meer bewees.

Let ten slotte op wat u wel moet beantwoorden. Vragen over de hoogte van uw inkomen of omzet moet u beantwoorden, want die gaan over de heffing. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. En u hebt recht op inzage in het dossier waarop de boete berust, inclusief de stukken die in uw voordeel werken.

5. De zaak duurde te lang

Een boetezaak moet binnen een redelijke termijn worden afgedaan. Het uitgangspunt is dat de behandeling in eerste aanleg, de bezwaarfase daaronder begrepen, binnen twee jaar is afgerond, en dat het gerechtshof binnen twee jaar na het hoger beroep uitspraak doet. Die termijn begint op het moment waarop de Belastingdienst iets doet waaraan u in redelijkheid de verwachting kunt ontlenen dat er een boete komt; in de praktijk is dat de kennisgeving. Noteer die datum dus.

Duurt het langer, dan moet de boete omlaag. De rechter onderzoekt dat in beginsel ook zonder dat u erom vraagt, maar wacht daar niet op: in cassatie kunt u er niet voor het eerst over klagen. Voor een overschrijding in de cassatiefase geldt als regel een vermindering van 10 procent. Herstel van een gebrek in uw bezwaarschrift, waarvoor doorgaans vier weken worden gegund, en een eerste uitstel van de zitting zijn geen bijzondere omstandigheden die de termijn oprekken. Los daarvan geldt vanaf de dagtekening van een boeterapport een beslistermijn van dertien weken. Dat is een termijn van orde: overschrijding laat de bevoegdheid om te beboeten intact, maar kan wel meewegen bij de hoogte. Figuur 5 zet de momenten en termijnen van een boetezaak op een tijdlijn.

Figuur 5: de tijdlijn van een boetezaak, met de momenten en termijnen die u moet noteren.

6. De boete staat niet in verhouding

Ook zonder dat u helemaal geen schuld had, kan de boete te hoog zijn. Het boetebeleid noemt als redenen om te matigen een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete, verzachtende omstandigheden en uw financiële omstandigheden. Daarbij maakt het beleid onderscheid tussen een slechte financiële positie op het moment van de boete, die de boete onevenredig kan maken, en een slechte positie ten tijde van de fout, die het verwijt kan verminderen.

Bij een vergrijpboete toetst de rechter volledig aan het evenredigheidsbeginsel en mag hij zijn eigen oordeel over de hoogte in de plaats stellen van dat van de inspecteur. Hoger dan de inspecteur oplegde mag hij nooit uitkomen. Of hij een verzuimboete net zo streng toetst, en of uw persoonlijke omstandigheden daarbij meetellen, is in de rechtspraak nog niet uitgekristalliseerd; in de praktijk zijn verzuimboetes wel verlaagd en soms tot nihil teruggebracht.

Voor verzuimboetes in de vennootschapsbelasting noemt een beleidsmemo van de staatssecretaris vier matigingsgronden: een termijnoverschrijding van maximaal tien dagen, een eerste verzuim, een kleine vennootschap die vergelijkbaar is met een eenmanszaak, en een slechte financiële positie. Daarbuiten hebben rechters ook meegewogen dat een ondernemer meedoet aan horizontaal toezicht, een werkafspraak met de Belastingdienst over de kwaliteit van uw aangiften, of dat hij zijn achterstanden alsnog volledig heeft weggewerkt; dat zijn losse uitspraken en geen vaste regel. Bij verzuimboetes wordt alleen met matigende omstandigheden gerekend, maar er is een aandachtspunt: bij niet afgedragen loonbelasting of niet voldane btw weegt mee dat het om zakelijk geld gaat dat niet van u was, en dan is er niet snel reden om te matigen.

De inspecteur moet de verzwarende en de matigende omstandigheden overigens zelf tegen elkaar afwegen, en bij een duidelijke wanverhouding hoort hij de boete op eigen initiatief te verlagen. Reken daar niet op. De verzwarende omstandigheden moet hij stellen en bewijzen, maar de matigende omstandigheden moet u zelf aanvoeren en onderbouwen.

Loont het om de fout zelf te melden?

Meestal wel, maar de regels verschillen sterk per belasting. Voor de aanslagbelastingen, dus de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de erfbelasting en de schenkbelasting, bestaat de inkeerregeling: doet u binnen twee jaar alsnog een juiste en volledige aangifte, dan wordt geen vergrijpboete opgelegd. Doet u dat later, dan blijft de boete bestaan maar wordt zij gematigd. Let goed op wat de regeling niet doet: zij haalt alleen de vergrijpboete weg. Een verzuimboete voor een te late aangifte blijft staan, want te laat blijft te laat. Wanneer die twee jaar precies begint te lopen is bij een te late aangifte niet in alle gevallen duidelijk, dus laat de startdatum in uw situatie vaststellen.

In alle gevallen geldt de voorwaarde dat u meldt vóórdat u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst de fout al op het spoor is. Dat is een objectieve toets: bepalend is niet wat u dacht, maar of er nog een serieuze mogelijkheid bestond dat de Belastingdienst het niet zou achterhalen. Wat zo’n serieuze mogelijkheid precies is, staat niet vast; is er publiciteit geweest over een verzoek van de Belastingdienst aan banken om klantgegevens, dan kan de deur al dicht zijn. Wordt betwist of u tijdig was, dan is dat gunstig geregeld: het boetebeleid legt de bewijslast bij de inspecteur, die aannemelijk moet maken dat er géén vrijwillige inkeer was, en u kunt zich op die beleidsregel beroepen.

Vier beperkingen maken die deur smaller dan hij lijkt. Ten eerste geldt de regeling alleen voor de twee zware boetes bij aanslagbelastingen en niet voor verzuimboetes. Ten tweede geldt zij niet voor inkomen uit sparen en beleggen en sinds 2020 ook niet meer voor inkomen uit aanmerkelijk belang, dus voor winst uit een pakket van vijf procent of meer van de aandelen in uw eigen bv; juist voor verzwegen vermogen werkt de regeling dus niet. Ten derde is de tijdigheidstoets objectief, zodat uw eigen inschatting niet meetelt. En ten vierde werkt de inkeer alleen persoonlijk: een adviseur die zelf als deelnemer wordt beboet, profiteert er niet van, tenzij hij de inkeer zelf heeft bevorderd.

Voor de btw en de loonheffingen loopt het anders. Daar bestaat de inkeerregeling formeel niet, maar het boetebeleid komt in de buurt: meldt u een te lage afdracht uit eigen beweging voordat de Belastingdienst ervan wist, dan legt de inspecteur geen betaalverzuimboete op, en bij een tijdige melding ook geen vergrijpboete. U moet dat wel uitdrukkelijk kenbaar maken. Voor de btw geldt daarbij dat een correctie tot en met 1.000 euro in de eerstvolgende aangifte mag, dat u boven dat bedrag het suppletieformulier moet gebruiken, het formulier waarmee u een eerdere btw-aangifte corrigeert, en dat de melding sinds 1 januari 2025 binnen acht weken moet nadat u de fout ontdekt. Komt de Belastingdienst er eerder achter, dan kunt u niet meer boetevrij corrigeren.

Eén ding dat u moet weten voordat u meldt: een melding waarmee u een eigen fout herstelt, mag niet als bewijs voor een boete tegen u worden gebruikt. Die melding bestaat immers alleen doordat u haar doet. De plicht om te melden blijft bestaan, en op het niet melden staat wel een boete, maar de inhoud van uw eigen melding mag niet tegen u worden gekeerd. Dat verlaagt de drempel om te melden aanzienlijk.

Kunnen uw bestuurder, uw boekhouder of u persoonlijk een boete krijgen?

Ja, en dat is voor een besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv) een apart risico. Een boete aan de vennootschap sluit niet uit dat de bestuurder daarnaast persoonlijk wordt aangepakt als opdrachtgever of als feitelijk leidinggever, degene die in de praktijk de leiding had over de verboden gedraging. Dat de bestuurder tevens enig aandeelhouder is, verandert daar niets aan; het kan wel meewegen bij de straftoemeting. Daarnaast kan een bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor de vergrijpboete van de bv, maar alleen voor zover hem zelf opzet of grove schuld kan worden verweten.

Ook uw adviseur of boekhouder kan zelf een boete krijgen, als medepleger, iemand die de overtreding samen met een ander begaat, als opdrachtgever, als feitelijk leidinggever of in een van de andere deelnemersvormen. Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking nodig waarbij zijn bijdrage van voldoende gewicht is, en de inspecteur moet dat overtuigend aantonen. Ontbreekt bij de onderneming zelf het vereiste opzet, bijvoorbeeld omdat zij op haar adviseur mocht vertrouwen, dan kan er geen medeplegersboete zijn: zonder pleger geen medepleger. De inspecteur kan dan nog wel een van de andere deelnemersvormen inzetten.

Voor zo’n boete aan een ander dan de belastingplichtige gelden twee waarborgen die het opvragen waard zijn. Er is voorafgaande toestemming binnen de Belastingdienst nodig, en degene die de boete krijgt kan zich op dat vereiste beroepen: ontbreekt de toestemming of is zij op een zo onzorgvuldige manier tot stand gekomen dat de waarborg niet is geboden, dan moet daaraan in de regel gevolg worden verbonden, tot en met vernietiging van de boete. En de termijnen zijn anders: de bevoegdheid vervalt na drie jaar bij een verzuim en na vijf jaar bij een vergrijp, gerekend vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding plaatsvond. Wordt bij de onderneming de verlengde termijn van twaalf jaar gebruikt, dan geldt die sinds 1 januari 2025 ook voor de deelnemer.

Twee dingen werken in het voordeel van de deelnemer. Uitstel voor het doen van aangifte, een extra half jaar voor onderzoek naar de schuldvraag en een informatiebeschikking rekken de termijn voor de onderneming zelf wel op, maar volgens de Belastingdienst niet voor de deelnemer. En medeplichtigheid aan een verzuim is helemaal niet beboetbaar; bij een vergrijp ligt het maximum voor de medeplichtige een derde lager, ook voor de standaardpercentages uit het beleid.

Voor beroepsbeoefenaars komt er nog iets bij: een boete wegens medeplegen kan sinds 2020 openbaar worden gemaakt. In de parlementaire behandeling is opgemerkt dat het om enkele gevallen per jaar gaat, maar de reputatieschade is voor een kantoor van een andere orde dan het bedrag. Figuur 6 laat zien wie er naast de onderneming zelf in beeld kan komen.

Figuur 6: naast de onderneming kunnen ook de bestuurder en de adviseur zelf worden beboet.

Wanneer wordt het strafrecht?

Bij dezelfde gedraging kan de Belastingdienst kiezen: een bestuurlijke boete of aanmelding voor strafrechtelijke vervolging. Beide voor hetzelfde feit tegen dezelfde persoon mag in beginsel niet. Is tegen u een strafvervolging ingesteld en is de zitting begonnen, of heeft het Openbaar Ministerie een strafbeschikking uitgevaardigd, een straf zonder tussenkomst van een rechter, dan volgt geen bestuurlijke boete meer. En is er al een boete opgelegd, dan kunt u voor hetzelfde feit in beginsel niet opnieuw in rechte worden betrokken.

De keuze wordt gemaakt volgens een protocol. Een zaak wordt aangemeld bij een nadeel van 100.000 euro of meer met een vermoeden van opzet, of bij een lager nadeel als er behalve dat vermoeden ook een aanvullend wegingscriterium is; een ondergrens bestaat niet. Intern moet een ambtenaar een vermoeden van een strafbaar feit al melden bij een nadeel van 20.000 euro. Reken er niet op dat een beroep op die drempels slaagt: de Hoge Raad liet in 2023 een vervolging in stand bij een nadeel van ongeveer 8.400 euro, omdat de zaak onder een thematische aanpak viel.

De strafmaxima geven een indicatie van hoe zwaar de wetgever de verschillende feiten weegt. Op het opzettelijk niet of niet op tijd doen van aangifte staat maximaal vier jaar gevangenisstraf, op het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte maximaal zes jaar. Daarnaast is het opzettelijk niet betalen van btw of loonheffing sinds 2014 zelfstandig strafbaar.

Bij die laatste bepaling zit een strafuitsluitingsgrond die in de praktijk goud waard is. Wie vóór het einde van de betalingstermijn om uitstel van betaling verzoekt, is niet strafbaar. Volgens de parlementaire geschiedenis maakt het niet uit of dat verzoek wordt toegewezen, en volgens de procureur-generaal worden aan de vorm van het verzoek geen eisen gesteld. Of dat ook opgaat als een verzoek duidelijk oneigenlijk is, is nog niet uitgemaakt. Voor een bv of een andere rechtspersoon bestaat een tweede route: onverwijld melden dat de onderneming niet kan betalen, de melding betalingsonmacht. Die tweede route bestaat niet voor een eenmanszaak, omdat de wet daar alleen over een lichaam spreekt. Heeft uw onderneming liquiditeitsproblemen, dan is een tijdig uitstelverzoek dus het eerste wat moet gebeuren.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Termijnen toewijzen. Leg vast wie in uw organisatie de aangiften controleert en verstuurt, en wat er gebeurt als een termijn dreigt te verlopen. Dit is de enige echte preventie tegen verzuimboetes.
  • Betaalbewijzen bewaren. Bewaar betaalopdrachten met datum en de bijbehorende rekeningafschriften. Zonder die stukken is een beroep op afwezigheid van alle schuld niet hard te maken. Bewaar bij btw en loonheffingen ook bewijs van tijdige indiening, want die bewijslast ligt in beginsel bij u.
  • Niet op de laatste dag betalen. Betalen op de uiterste datum geldt als het aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven. Zorg voor een marge van enkele dagen en voor voldoende saldo.
  • Standpunten onderbouwen. Bewaar bij elk discutabel fiscaal standpunt een korte memo met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de literatuur waarop u zich baseert. Dat is later het bewijs voor een pleitbaar standpunt.
  • Vastleggen wat de adviseur kreeg. Houd bij welke informatie u aanleverde en welke vragen zijn gesteld. Dat blokkeert het verwijt dat u in de samenwerking met uw adviseur onzorgvuldig was.
  • Niets verklaren zonder bijstand. Stuur elke aankondiging van een boete direct naar uw adviseur en laat niemand een verklaring afleggen voordat op het zwijgrecht en op het recht op bijstand is gewezen.
  • Data noteren. Registreer de datum van de kennisgeving, de dagtekening van het boeterapport (de datum die op het rapport zelf staat), de boetebeschikking en elke uitspraak. Dat is de basis voor elk verweer over termijnen.
  • Dossier opvragen. Vraag inzage in de gegevens waarop de boete berust. Dat dossier moet ook stukken bevatten die in uw voordeel werken.
  • Bij betalingsproblemen eerst uitstel vragen. Doe dat vóórdat de betalingstermijn verstrijkt, en meld bij een bv daarnaast betalingsonmacht. Dat sluit strafvervolging voor het opzettelijk niet betalen uit. De verzuimboete of vergrijpboete zelf voorkomt het niet.

Veelgestelde vragen

Krijgt u een boete als u uw btw-aangifte één dag te laat indient?

Nee. Voor de aangifte geldt een coulancetermijn van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Komt uw aangifte daarbinnen alsnog, dan krijgt u geen boete. Voor de betaling is dat anders: daar helpt die zeven dagen alleen als u de vorige aangifte volledig en op tijd betaalde. Let op dat deze coulancetermijn niet bestaat bij de jaaraangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.

Kunt u bezwaar maken tegen een boete?

Ja. De boete is een aparte beslissing waartegen u bezwaar kunt maken, ook als zij op hetzelfde papier staat als de aanslag. Staan de aanslag en de boete op één aanslagbiljet, dan wordt de boetebeschikking voor bezwaar en beroep geacht deel uit te maken van de aanslag. Voer in het bezwaar altijd zelf de matigende omstandigheden aan en onderbouw ze, want de bewijslast daarvan ligt bij u.

Moet u alle vragen van de Belastingdienst over een boete beantwoorden?

Nee. Vragen die over de belastingheffing gaan, zoals hoeveel omzet of inkomen u had, moet u beantwoorden. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet u daarop worden gewezen.

Gaat de boete omlaag als de aanslag later wordt verlaagd?

Ja. Wordt de belasting die de grondslag van de boete vormt verminderd, dan wordt de boete naar evenredigheid verlaagd. Het beleid schrijft voor dat dit zo nodig gebeurt zonder dat u erom vraagt. Controleer dat wel zelf, en let er bij een betaalverzuimboete over een aanslag op dat de verlaging niet onder het minimum van 50 euro gaat.

Hoe lang kan de Belastingdienst nog met een boete komen?

Dat verschilt per situatie. Voor een te late btw- of loonaangifte vervalt de bevoegdheid een jaar na het einde van de aangiftetermijn. Voor een betaalverzuim en voor de vergrijpboete bij aangiftebelastingen is dat vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond. Bij aanslagbelastingen loopt de boete in de regel mee met de termijn waarbinnen de aanslag kan worden opgelegd.

Telt een boete uit het verleden mee als u opnieuw te laat bent?

Ja, op twee manieren. Bij een verzuimboete kijkt de Belastingdienst naar het voorafgaande tijdvak en naar de vraag of u stelselmatig in verzuim bent; volgens interne werkinstructies begint dat bij het vierde verzuim op rij, en dan kan de boete tot het wettelijk maximum oplopen. Bij een vergrijpboete mag verhoging wegens herhaling alleen als u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of straf kreeg; een boete die later is vernietigd telt daarvoor niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een boetezaak wordt zelden gewonnen op het bedrag en bijna altijd op het dossier en de data. Wij lezen de boetebrief naast het controlerapport en de aanslag, stellen vast om welke soort boete het gaat en of de inspecteur de juiste procedure heeft gevolgd, en zetten de termijnen op een rij: de kennisgeving, de dagtekening van het rapport en de duur van de behandeling. Vervolgens beoordelen wij welke verweren in uw situatie kans maken, van afwezigheid van alle schuld en een pleitbaar standpunt tot matiging wegens draagkracht, en maken wij die met stukken hard.

Even belangrijk is het werk vóór een boete. Wij richten de termijnbewaking in, leggen vast wie welke aangifte controleert en zorgen dat afwijkende standpunten bij de aangifte zijn onderbouwd. Bij een fout uit een eerder jaar begeleiden wij de melding zo dat u boetevrij herstelt in plaats van een vergrijpboete uit te lokken.

Hebt u een boete ontvangen, of wilt u weten of uw aangiftepraktijk een boeterisico oplevert? Neem contact met ons op en laat uw situatie beoordelen. Bij een boete geldt dat haast helpt: reageer op een kennisgeving voordat de termijn verstrijkt en laat niemand verklaringen afleggen voordat u zich hebt laten bijstaan.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen, drempels en beleidsregels kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van de feiten en van uw persoonlijke omstandigheden. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat u handelt of afziet van handelen.

Het eenloketsysteem voor de btw: zo geeft u de btw op verkopen aan consumenten in andere EU-landen in één keer aan

U verkoopt via uw webshop een paar keer per maand iets aan een particulier in Duitsland of België, en verder gaat alles gewoon in uw Nederlandse btw-aangifte. Tot uw boekhouder vraagt of u de grens van 10.000 euro al hebt gepasseerd. Vanaf dat moment is niet de Nederlandse btw verschuldigd, maar de btw van het land waar uw klant woont. Het eenloketsysteem btw, ook wel One Stop Shop of OSS genoemd, voorkomt dat u zich in elk land van de Europese Unie (EU) apart moet registreren. U geeft alle buitenlandse btw op in één digitale melding bij de Nederlandse Belastingdienst. Dit artikel legt uit wanneer u met buitenlandse btw te maken krijgt, hoe de drempel van 10.000 euro precies telt, welke meldingen en termijnen daarbij horen en wat er misgaat als u zich te laat aanmeldt.

Wanneer krijgt u met buitenlandse btw te maken?

Verkoopt u iets aan een consument in Nederland, dan rekent u Nederlandse btw. Verkoopt u aan een consument in een ander EU-land, dan is de hoofdregel dat de btw van dat land geldt. Bij goederen komt dat doordat de plaats van levering het land van aankomst is; bij digitale diensten doordat de plaats van dienst de woonplaats van uw klant is. Met “consument” bedoelen wij hier in de eerste plaats particulieren. Daarnaast tellen ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties leveren en rechtspersonen die geen ondernemer zijn mee, maar alleen zolang zij in hun eigen land onder de drempel voor btw-plichtige inkopen blijven. Geeft uw afnemer u een geldig btw-nummer, dan gelden de regels voor zakelijke levering en niet de regels uit dit artikel.

De regels voor goederen heten de regels voor afstandsverkopen. Een afstandsverkoop is een verkoop aan zo iemand in een ander land, waarbij u of iemand voor uw rekening de goederen naar die klant verzendt. Die laatste voorwaarde is een echte voorwaarde en geen formaliteit.

Wie het pakket verstuurt, bepaalt of de hele regeling geldt

Haalt uw klant de goederen zelf op, of regelt hij zelf een vervoerder zonder dat u daarbij helpt of bemiddelt, dan is er geen afstandsverkoop. De gewone btw-regel blijft dan gelden en de vraag naar buitenlandse registratie komt niet op. Helpt u wel mee, bijvoorbeeld door een vervoerder aan te bevelen, het pakket aan te melden of de verzendkosten te innen, dan geldt dat als vervoer voor uw rekening. Ook indirecte tussenkomst telt dus mee. Welke handelingen precies gelden als “helpen organiseren” staat nergens uitputtend opgesomd. En u moet het zelf kunnen laten zien: kan uw administratie niet aannemelijk maken dat uw klant het vervoer volledig zelf heeft geregeld, dan gaat de Belastingdienst uit van een afstandsverkoop en is de buitenlandse btw alsnog verschuldigd. Die btw kunt u dan niet meer aan uw klant doorberekenen. Zet daarom geen bedrijfsmodel op dat alleen op deze uitzondering leunt.

Wat buiten de regeling voor afstandsverkopen valt

Drie soorten leveringen zijn uitgezonderd. Goederen die u onder de margeregeling verkoopt, vallen erbuiten: gebruikte goederen, kunst, verzamelobjecten en antiek waarover u alleen btw over uw winstmarge betaalt. Nieuwe en bijna nieuwe vervoermiddelen vallen erbuiten, zoals auto’s, motoren, boten en vliegtuigen. Voor de btw is een vervoermiddel “nieuw” als het nog maar kort in gebruik is of weinig kilometers of vaaruren heeft gemaakt; laat die grens per geval toetsen, want hij ligt lager dan de meeste ondernemers denken. En montageleveringen vallen erbuiten: goederen die door u of namens u in het andere EU-land worden gemonteerd of geïnstalleerd, zoals een zonnescherm dat u zelf ophangt. Ook zuiver zakelijke verkoop aan ondernemers met een btw-nummer valt buiten dit artikel; daarvoor gelden de regels voor intracommunautaire leveringen. Figuur 1 zet de hele afweging op een rij, inclusief de twee vragen over de vaste inrichting en de drempel die hierna aan bod komen.

     Figuur 1: beslisboom. Vijf vragen die bepalen of u Nederlandse of buitenlandse btw rekent.

De drempel van 10.000 euro: wanneer mag u Nederlandse btw blijven rekenen?

Om te voorkomen dat een kleine ondernemer zich meteen in het buitenland moet registreren, bestaat er een drempel. Blijft uw totale grensoverschrijdende omzet aan consumenten in andere EU-landen in het lopende kalenderjaar op of onder 10.000 euro, exclusief btw, en was dat vorig jaar ook zo, dan mag u gewoon Nederlandse btw blijven rekenen. U geeft die omzet dan aan in rubriek 1 van uw gewone Nederlandse btw-aangifte, de rubriek voor leveringen en diensten in Nederland.

Drie dingen aan die drempel worden vaak verkeerd begrepen. Ten eerste telt u goederen en digitale diensten bij elkaar op. Onder digitale diensten vallen elektronische diensten, telecommunicatiediensten en radio- en televisieomroepdiensten. Ten tweede telt u alle EU-landen samen: er is geen aparte drempel per land, maar één totaalbedrag. En ten derde geldt de drempel alleen als u in slechts één EU-land bent gevestigd.

Overschrijden werkt onmiddellijk, ook voor de order zelf

Komt u in de loop van het jaar boven de 10.000 euro uit, dan geldt de buitenlandse btw vanaf en inclusief de verkoop waarmee u de grens passeert. Er is dus geen overgangsperiode en geen uitstel tot het volgende kwartaal. Dat is het risico van deze regeling: de prijs die u aan uw klant hebt gerekend stond al vast, en de buitenlandse btw kunt u er achteraf niet meer bij optellen. Het verschil komt dan uit uw eigen marge.

Terug naar Nederlandse btw kan pas als uw grensoverschrijdende omzet een volledig kalenderjaar 10.000 euro of lager is. Vanaf 1 januari van het jaar daarna mag u weer Nederlandse btw berekenen.

Een vestiging in een ander EU-land laat de drempel vervallen

Heeft uw onderneming een vaste inrichting in een of meer andere EU-landen, dan geldt de drempel van 10.000 euro helemaal niet en berekent u meteen over al uw afstandsverkopen de btw van het land van bestemming. Een vaste inrichting is een duurzame bedrijfsruimte met eigen mensen en middelen, zoals een winkel, een werkplaats of een fabriek. Heeft u in het buitenland alleen een magazijn, dan is dat volgens de Belastingdienst op zichzelf geen vaste inrichting. Zodra daar eigen personeel en eigen middelen bij komen, kan dat anders liggen. Houdt u voorraad in een ander EU-land zonder dat dit een vaste inrichting is, dan is de meest gevolgde lijn deze: verkopen vanuit die buitenlandse voorraad tellen niet mee voor uw drempel, maar u kunt voor die verkopen de drempel en het eenloketsysteem niet gebruiken en moet u zich in het land van aankomst registreren. Die lijn komt uit niet-bindende Europese richtsnoeren en de EU-landen leggen hem niet allemaal hetzelfde uit, dus laat uw situatie beoordelen voordat u erop vertrouwt.

U mag ook vrijwillig voor buitenlandse btw kiezen

Blijft u onder de drempel, dan mag u er toch voor kiezen om buitenlandse btw te rekenen. Dat kan aantrekkelijk zijn als het btw-tarief in het land van uw klanten lager is dan het Nederlandse tarief van 21 procent. U meldt die keuze bij de Belastingdienst met het formulier “Melding keuze plaats van prestatie digitale diensten en afstandsverkopen”. Let op twee beperkingen: de keuze geldt voor alle EU-landen tegelijk, dus kiezen per land kan niet, en zij geldt voor ten minste twee aaneengesloten kalenderjaren. De keuze gaat in op de eerste dag van uw volgende btw-tijdvak. Wilt u eerder beginnen, dan moet u het uiterlijk op de tiende dag van de maand na die eerste verkoop melden.

Rekenvoorbeeld. U hebt een webshop en verkoopt in 2026 voor 8.000 euro aan Duitse en Belgische particulieren. In 2025 was dat ook minder dan 10.000 euro, dus u rekent Nederlandse btw en hoeft zich nergens te registreren. In oktober komt er een Belgische order van 2.500 euro bij. De teller staat dan op 10.500 euro. Vanaf die order, dus inclusief die 2.500 euro, is Belgische btw verschuldigd. U kunt zich in België laten registreren, of zich in Nederland aanmelden voor de Unieregeling en de btw op uw verkopen vanaf dat moment, Belgisch en Duits, in uw kwartaalmelding opgeven. De 8.000 euro die u eerder verkocht blijft belast met Nederlandse btw; de overschrijding werkt niet terug. Doet u niets, dan bent u die Belgische btw nog steeds verschuldigd en kan de Belgische fiscus naheffen, dat wil zeggen de btw alsnog bij u in rekening brengen, met rente. Meldt u zich wel aan maar levert u de melding niet of te laat in, dan kan de Nederlandse inspecteur, de ambtenaar van de Belastingdienst die uw aangifte vaststelt, daarnaast een boete opleggen. Figuur 2 laat zien hoe de teller in dat voorbeeld loopt.

Figuur 2: de drempelteller. De order waarmee u de grens passeert valt zelf al onder de buitenlandse btw.

Boven de drempel: apart registreren of het eenloketsysteem gebruiken?

Bent u buitenlandse btw verschuldigd, dan hebt u twee routes. U kunt zich registreren in elk EU-land waar u klanten hebt en daar lokaal aangifte doen en betalen. Voor de facturering gelden dan de regels van dat land, en u geeft de omzet ook op in rubriek 3c van uw Nederlandse aangifte, de rubriek voor installatie- en afstandsverkopen binnen de EU. Of u gebruikt het eenloketsysteem en doet alles vanuit Nederland. Figuur 3 zet beide routes naast elkaar; de btw is in beide gevallen even hoog, het verschil zit in de administratie.

Figuur 3: registratie per EU-land tegenover het eenloketsysteem.

De Unieregeling: een melding per kwartaal

De Unieregeling is de variant van het eenloketsysteem voor verkopen binnen de EU en voor diensten aan consumenten in andere EU-landen. U meldt zich aan via Mijn Belastingdienst Zakelijk, onder btw en dan E-commerce. U krijgt een brief waarin de Belastingdienst uw registratie bevestigt of afwijst. Bij de Unieregeling krijgt u geen apart nummer: u doet mee met uw bestaande btw-identificatienummer, dat de Belastingdienst in die brief uw deelnamenummer noemt. Tegen een afwijzing kunt u bezwaar maken.

De regeling gaat in op de eerste dag van het kwartaal na uw registratie. Levert u voor het eerst iets en wilt u meteen meedoen, dan moet uw registratie uiterlijk op de tiende dag van de maand na die eerste levering binnen zijn. Bent u later, dan bent u over de tussenliggende periode gewoon buitenlandse btw verschuldigd zonder dat u het eenloket kunt gebruiken.

Welk tarief u per land moet rekenen, zoekt u op in de tarievenoverzichten van de Belastingdienst en de Europese Commissie. Die tarieven verschillen per land en per productsoort, dus stel ze vast per artikelgroep en niet per land. Kiest u voor de Unieregeling, dan is het alles of niets: alle leveringen en diensten die eronder vallen moeten erin. Verricht u naast afstandsverkopen ook diensten voor particulieren in de EU waarover u buitenlandse btw bent verschuldigd, dan horen ook die in de melding.

De invoerregeling: een melding per maand voor zendingen tot 150 euro

Komen de goederen van buiten de EU en gaan ze rechtstreeks naar een EU-consument, dan kunt u kiezen voor de invoerregeling, in het Engels Import One Stop Shop of IOSS. Denk aan een webshop die uit China importeert en direct aan particulieren in Spanje levert. Kiest u er niet voor, dan is bij invoer gewone invoer-btw verschuldigd en krijgt uw klant die btw plus inklaringskosten van de vervoerder gepresenteerd. Kiest u er wel voor, dan geldt de regeling voor al uw zendingen die eronder vallen. De regeling geldt alleen voor zendingen met een waarde tot en met 150 euro en niet voor accijnsgoederen: goederen waarover naast btw ook accijns wordt geheven, zoals bier, wijn, sterke drank en tabak.

Die 150 euro is niet zomaar het bedrag op de bon. Het gaat om de intrinsieke waarde: de prijs van de goederen zelf. Verzend- en verzekeringskosten tellen alleen niet mee als zij apart op de factuur staan en niet in de productprijs zijn verwerkt. Andere belastingen en heffingen blijven er altijd buiten. Een pakket van 140 euro met 15 euro verzendkosten blijft dus onder de grens als u die verzendkosten los factureert, en gaat erboven als u ze in de prijs verwerkt.

Meldt u zich aan, dan krijgt u een invoerregelingnummer. Dat is een apart nummer dat u uitsluitend voor de invoerregeling mag gebruiken. Het grote voordeel is dat de invoer van de zending is vrijgesteld, zodat uw pakket niet bij de douane blijft hangen en uw klant geen aparte inklaringsafrekening krijgt. Die vrijstelling geldt echter alleen als het invoerregelingnummer uiterlijk bij de invoeraangifte aan de douane is doorgegeven. In de praktijk betekent dit dat het nummer in het proces van uw vervoerder of douane-expediteur moet zitten. Een douane-expediteur is het bedrijf dat namens u de aangifte bij de douane doet.

Bent u buiten de EU gevestigd, dan kunt u de invoerregeling in beginsel alleen gebruiken via een tussenpersoon: een in de EU gevestigde partij, bijvoorbeeld een belastingadviseur, die de meldingen voor u doet en de btw aan de Belastingdienst betaalt. Op die verplichting bestaat een uitzondering voor landen waarmee de EU een verdrag over wederzijdse bijstand heeft. Volgens de Belastingdienst gaat het op dit moment alleen om Noorwegen: ondernemers in Noorwegen hebben geen tussenpersoon nodig voor zendingen die uit Noorwegen komen. Voor ondernemers in het Verenigd Koninkrijk zonder Noord-Ierland is een tussenpersoon wel nodig. EU-ondernemers mogen een tussenpersoon gebruiken, maar hoeven dat niet.

De twee regelingen naast elkaar

De twee regelingen verschillen op vier punten van elkaar. De Unieregeling is er voor goederen die al in de EU zijn plus diensten aan consumenten in andere EU-landen, de invoerregeling voor goederen van buiten de EU die rechtstreeks naar een EU-consument gaan. De Unieregeling kent geen waardegrens per zending, de invoerregeling wel: een intrinsieke waarde tot en met 150 euro en geen accijnsgoederen. Het tijdvak is bij de Unieregeling een kalenderkwartaal en bij de invoerregeling een kalendermaand, in beide gevallen met de laatste dag van de maand erna als uiterste datum voor de melding en de betaling. En een tussenpersoon speelt alleen bij de invoerregeling: verplicht voor ondernemers buiten de EU, met Noorwegen als enige uitzondering en dan uitsluitend voor zendingen uit Noorwegen.

Op drie punten zijn ze juist gelijk. In beide regelingen is een melding zonder omzet verplicht, mag u in de melding geen btw op uw kosten aftrekken, en bewaart u de administratie tien jaar, digitaal aanleverbaar. Figuur 4 zet die verschillen en overeenkomsten naast elkaar.

Figuur 4: Unieregeling of invoerregeling. Vier verschillen en drie punten die gelijk zijn.

Wat u elk tijdvak moet doen

De praktische verplichtingen van het eenloketsysteem zijn beperkt in aantal, maar strak in de uitvoering. Hieronder de vijf die in de praktijk het vaakst tot problemen leiden.

Melden, ook als u niets hebt verkocht

U dient elk tijdvak een melding in, ook als u in dat kwartaal of die maand niets hebt geleverd. Zo’n lege melding heet een nihilmelding en is verplicht. U mag de melding niet indienen voordat het tijdvak voorbij is: de melding over het derde kwartaal doet u in oktober en die moet uiterlijk 31 oktober binnen zijn.

Betalen is een tweede handeling met dezelfde deadline

Melden en betalen zijn twee losse acties. U betaalt de btw voor alle betrokken EU-landen in één keer aan de Belastingdienst in Apeldoorn, uiterlijk op dezelfde datum waarop de melding binnen moet zijn. Betaalt u te weinig, dan wordt het betaalde bedrag naar verhouding over de landen verdeeld en houdt u dus in elk land een tekort. Elk van die landen kan dat tekort zelfstandig naheffen, met eigen rente en boete. Betaalt u te veel, dan krijgt u het verschil terug.

Rekenen met de juiste wisselkoers

U meldt en betaalt in euro’s. Factureert u in ponden of dollars, dan gebruikt u de wisselkoers die de Europese Centrale Bank bekendmaakt op de laatste dag van het tijdvak waarover u meldt. Dat is een andere koers dan in uw gewone Nederlandse btw-aangifte, waar de koers geldt van de dag waarop de btw verschuldigd wordt. Factureert u in vreemde valuta, dan moet u dus twee koersen in uw administratie kunnen terugvinden.

Btw op inkopen valt buiten de melding

In de melding van het eenloketsysteem mag u geen voorbelasting aftrekken. Voorbelasting is de btw die andere ondernemers aan u in rekening brengen. Buitenlandse btw op uw kosten vraagt u apart terug via de regeling voor teruggaaf uit andere EU-landen. Doet u in dat land toch al een gewone btw-aangifte, bijvoorbeeld omdat u daar ook andere activiteiten hebt, dan trekt u die btw gewoon in die aangifte af. Dit is een klassieke inrichtingsfout in boekhoudpakketten.

Fouten herstelt u in een volgende melding, niet met een suppletie

Een ingediende melding kunt u niet opnieuw indienen en niet met een suppletie corrigeren. Een suppletie is het formulier waarmee u een fout in een gewone Nederlandse btw-aangifte herstelt; dat formulier werkt hier niet. U verwerkt de correctie in uw eerstvolgende melding, met vermelding van het land, het tijdvak en het bedrag. Dat kan tot uiterlijk drie jaar na de datum waarop de oorspronkelijke melding had moeten binnenkomen. Daarna moet u het rechtstreeks regelen met de belastingdienst van het betreffende EU-land. Is uw registratie inmiddels beëindigd, dan geldt hetzelfde. Figuur 5 zet de vier momenten van één kwartaal op een rij, met daaronder de correctietermijn en de bewaartermijn.

Figuur 5: de tijdlijn van één kwartaal, van het einde van het tijdvak tot de uiterste datum.

Uw administratie: tien jaar in plaats van zeven

Gebruikt u het eenloketsysteem, dan bewaart u alle gegevens die met de regeling te maken hebben tien jaar na afloop van het jaar van de levering. Dat is drie jaar langer dan de gewone bewaartermijn van zeven jaar. Vraagt de Nederlandse Belastingdienst of de belastingdienst van een ander EU-land om die gegevens, dan levert u ze digitaal aan.

De eis is inhoudelijk uitgewerkt in de Europese btw-uitvoeringsverordening, een verordening die de btw-richtlijn op detailniveau invult en direct in alle EU-landen geldt. Per transactie moet uw administratie onder meer bevatten: het land van uw klant, de omschrijving en hoeveelheid van de goederen of de soort dienst, de datum, het bedrag met de gebruikte valuta, latere verhogingen of verlagingen daarvan, het toegepaste tarief, de verschuldigde btw, datum en bedrag van ontvangen betalingen, eventuele vooruitbetalingen, de gegevens van een eventuele factuur, de gegevens waaruit blijkt waar uw klant zit of waar het vervoer begint en eindigt, en bewijs van retourzendingen. Drie van die gegevens leveren in de praktijk de meeste problemen op: de datum en het bedrag van ontvangen betalingen, de vooruitbetalingen en het bewijs van retourzendingen. Die komen in een webshopadministratie zelden in dezelfde datastroom terecht als de fiscale gegevens.

Een prettige bijkomstigheid: gebruikt u de Unieregeling, dan gelden de Nederlandse factureringsregels. Voor de btw hoeft u dan geen factuur te sturen voor uw afstandsverkopen en uw diensten aan particulieren in de EU. Op die vrijstelling bestaat een uitzondering voor een aantal groothandels, onder meer in levensmiddelen en dranken: zij moeten voor al hun verkopen een factuur uitreiken, ook aan particulieren. Gebruikt u de Unieregeling niet, dan gelden de factureringsregels van het land waar u btw moet betalen.

Verkoopt u via een platform?

Verkoopt u via een marktplaats, platform of app, dan neemt dat platform in twee situaties uw plaats in voor de btw. Dat heet de platformfictie: de wet doet alsof het platform de goederen zelf van u heeft gekocht en aan de consument heeft doorverkocht, zodat het platform de btw aangeeft en niet u. Dat is zo bij zendingen van buiten de EU met een intrinsieke waarde tot en met 150 euro, en bij leveringen binnen de EU door een verkoper die niet in de EU is gevestigd.

Bent u in Nederland gevestigd, dan kan de tweede situatie u niet raken: die geldt alleen voor verkopers buiten de EU. Voor u telt dus alleen de eerste situatie, en die speelt als u via een platform zendingen van buiten de EU verkoopt. Geldt geen fictie, dan blijft u zelf verantwoordelijk voor de btw en heeft het platform alleen een eigen boekhoudplicht van tien jaar. Stel dus vast welke situatie op u van toepassing is, want daarvan hangt af of u zich zelf moet registreren. Ga daar niet vanuit op basis van wat het platform in zijn algemene voorwaarden schrijft, maar toets het aan uw eigen situatie.

Waarom de Belastingdienst uw omzet al kent

Sinds 1 januari 2024 moeten banken, creditcardmaatschappijen en andere betalingsdienstaanbieders grensoverschrijdende betalingen registreren. Een betalingsdienstaanbieder is de partij die uw betalingen uitvoert. Die plicht ontstaat zodra het om meer dan 25 grensoverschrijdende betalingen per kwartaal aan dezelfde ontvanger gaat. De gegevens gaan naar de Belastingdienst en van daar naar CESOP, een Europees systeem waarin de betaalgegevens van alle EU-landen worden verzameld.

In CESOP worden die betaalgegevens naast de meldingen van het eenloketsysteem gelegd. Voor een webshop betekent dat het volgende: de omzet die via betaaldienstverleners binnenkomt is bij de Belastingdienst bekend, ook als er geen melding is gedaan. Een verschil tussen uw betaalstroom en uw gemelde omzet is daarmee zelfstandig aanleiding voor vragen, zonder dat daar een boekenonderzoek voor nodig is. Een boekenonderzoek is een controle waarbij de Belastingdienst uw administratie ter plaatse inziet.

Wat er gebeurt als u zich niet houdt aan de regels

De gevolgen lopen langs drie lijnen: naheffing met rente, een boete, en uitsluiting uit de regeling.

Naheffing in het land van uw klant, plus rente

Boven de drempel is de btw verschuldigd in het land van uw klant. Is die niet aangegeven, dan kan dat land naheffen. De Nederlandse inspecteur kan bovendien naheffen over de in Nederland verrichte leveringen, ongeacht in welk land u zich voor het eenloket hebt aangemeld. Bij zo’n naheffing kan ook belastingrente volgen: rente die de belastingdienst rekent over de periode waarin u de btw te laat betaalt. Hoeveel dat is, hangt af van het land en van de periode. Werkt u met een tussenpersoon voor de invoerregeling, dan kan de naheffing volgens de wetsgeschiedenis ook bij die tussenpersoon terechtkomen.

Twee soorten boetes met een groot verschil in zwaarte

Voor het niet, niet tijdig, onvolledig of onjuist indienen van een melding geldt uitsluitend een verzuimboete: een boete voor een administratieve nalatigheid, los van de vraag of er opzet in het spel was. Ook bij opzet kan het bij dat spoor niet zwaarder worden. De wet koppelt het maximum aan een boetecategorie uit het strafrecht, de derde categorie. Over het exacte bedrag daarvan bestaat discussie in de vakliteratuur, dus laat dat in een concrete zaak nazoeken. In de praktijk stuurt de Belastingdienst eerst een herinnering met een termijn om alsnog te melden; pas daarna volgt een boete. Voor het niet of te laat betalen ligt dat anders: daar is naast een verzuimboete ook een vergrijpboete mogelijk, een zwaardere boete die alleen kan worden opgelegd bij grove schuld of opzet. Hetzelfde feitencomplex kan dus heel verschillend uitpakken, afhankelijk van of het om de melding of om de betaling gaat.

Tussen 1 juli 2021 en 1 januari 2025 werden er wegens opstartproblemen geen betalingsverzuimboetes opgelegd aan deelnemers aan deze regelingen. Die coulance is voorbij: per 1 januari 2025 is het opleggen hervat en per 1 januari 2026 is het onderliggende beleidsbesluit ingetrokken.

Uitsluiting voor twee jaar

De zwaarste sanctie is niet de boete maar de uitsluiting. Doet u drie tijdvakken achter elkaar geen melding, dus drie kwartalen bij de Unieregeling of drie maanden bij de invoerregeling, dan sluit de Belastingdienst u uit en kunt u de regeling twee jaar niet gebruiken. Die uitsluiting geldt dan meteen ook voor de andere regeling. Hetzelfde gebeurt als u drie opeenvolgende tijdvakken een betalingsherinnering krijgt en na elke herinnering niet binnen tien dagen betaalt, en als u de gevraagde administratie niet digitaal aanlevert.

Het gevolg van uitsluiting is dat u zich weer in elk EU-land afzonderlijk moet registreren en daar aangifte moet doen. Voor een webshop met klanten in tien landen is dat een aanzienlijke verzwaring van de administratie.

Twee praktische valkuilen die niets met boetes te maken hebben

Stopt u met uw onderneming, meld u dan zelf af voor het eenloketsysteem. Uw registratie eindigt namelijk niet vanzelf, ook niet als de onderneming ophoudt te bestaan. Doe dat op tijd: u meldt de beëindiging uiterlijk vijftien dagen voor het einde van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal waarin u wilt stoppen. De beëindiging gaat dan in op de eerste dag van dat volgende kwartaal. Meldt u later, dan loopt de meldplicht nog een kwartaal door. Verkoopt u twee jaar lang niets meer naar het buitenland, dan kan de Belastingdienst uw registratie ook zelf beëindigen, ook als u netjes nihilmeldingen bleef doen. Dat is geen sanctie, maar u moet zich dan opnieuw aanmelden als u weer gaat verkopen. En let op de bezwaartermijn: omdat er bij een melding geen aanslag of beschikking volgt, begint de termijn van zes weken om bezwaar te maken al te lopen de dag na uw betaling. Wilt u een eigen melding aanvechten in plaats van corrigeren, dan moet u die termijn dus actief bewaken. Figuur 6 vat de vijf fouten samen die in de praktijk het vaakst voorkomen, met per fout het gevolg.

Figuur 6: vijf veelvoorkomende fouten bij het eenloketsysteem en wat zij kosten.

Een alternatief bij een kleine EU-omzet: de EU-KOR

Is uw totale omzet in de hele EU, inclusief Nederland, in dit en in het vorige kalenderjaar niet hoger dan 100.000 euro, dan kunt u in aanmerking komen voor de kleineondernemersregeling in de EU, de EU-KOR. Met die regeling krijgt u een btw-vrijstelling in de EU-landen waar u zich daarvoor aanmeldt en hoeft u daar geen btw af te dragen, ook niet als u de drempel van 10.000 euro hebt overschreden. U rekent dan geen btw aan uw klanten daar en trekt daar ook geen btw af.

Er zitten wel voorwaarden aan. U moet in Nederland zijn gevestigd, u mag niet boven de nationale omzetgrens van het betreffende EU-land uitkomen, uw totale EU-omzet in dit en vorig kalenderjaar mag niet boven 100.000 euro liggen, en u mag geen deelnemer zijn aan de invoerregeling. Bovendien dient u elk kwartaal een opgaaf kwartaalomzet in. De EU-KOR en de invoerregeling sluiten elkaar dus uit. Komt u boven 100.000 euro uit, of boven de nationale grens van een van die landen, dan vervalt de vrijstelling in dat land en valt u terug op de gewone route: buitenlandse btw via het eenloketsysteem of via een registratie ter plaatse. Of de EU-KOR naast de Unieregeling kan worden gebruikt, hangt af van de landen waar u verkoopt. Laat die combinatie doorrekenen voordat u kiest.

Wat verandert er na 2026?

De regels worden de komende jaren opnieuw verbouwd door het Europese ViDA-pakket, wat staat voor VAT in the Digital Age. Voor dit onderwerp is vooral het onderdeel “enkele btw-registratie” van belang. Het Nederlandse wetsvoorstel daarvoor ligt bij de Tweede Kamer en moet per 1 januari 2027 ingaan. Het regelt onder meer vier dingen. De Unieregeling wordt uitgebreid naar meer soorten leveringen. Voor de drempel tellen alleen nog leveringen vanuit uw vestigingsland mee. De meldplicht bij de vrijwillige keuze vervalt, want die keuze moet voortaan uit uw administratie blijken. En de drempel en de Unieregeling gaan elkaar uitsluiten. Omdat het nog een wetsvoorstel is, staat de definitieve inhoud niet vast.

Verder is er een Europese richtlijn aangenomen die de invoer-btw op kleine zendingen tot en met 150 euro per 1 juli 2028 verlegt van de consument naar de leverancier, als de invoerregeling niet wordt gebruikt. Vanaf diezelfde datum verdwijnt de regeling voor post- en koeriersbedrijven, waarbij het post- of koeriersbedrijf de invoer-btw afdraagt en bij de ontvanger in rekening brengt. Een Nederlands wetsvoorstel daarvoor is er nog niet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Teller inrichten. Zorg dat uw boekhoudpakket de grensoverschrijdende omzet aan consumenten in de EU per transactie bijhoudt, goederen en digitale diensten bij elkaar, exclusief btw, zodat u ziet wanneer de teller over 10.000 euro gaat.
  • Vestigingen inventariseren. Heeft u een vaste inrichting in een ander EU-land, dan geldt de drempel niet en rekent u meteen buitenlandse btw. Een magazijn op zichzelf telt niet als vaste inrichting.
  • Op tijd aanmelden. Meld u aan via Mijn Belastingdienst Zakelijk. Wilt u meteen bij de eerste levering meedoen, dan moet uw registratie uiterlijk op de tiende dag van de maand na die eerste levering binnen zijn. Bent u later, dan gaat de regeling pas in op de eerste dag van het volgende kwartaal.
  • Tijdvakken in de agenda zetten. Kwartaal bij de Unieregeling, maand bij de invoerregeling, telkens uiterlijk de laatste dag van de maand erna, en altijd melden, ook zonder omzet.
  • Betaling apart plannen. Melden en betalen zijn twee handelingen met dezelfde deadline. Plan de betaling niet op de laatste dag.
  • Voorbelasting apart terugvragen. Blokkeer in uw pakket de mogelijkheid om btw op kosten in de melding te verrekenen en richt de teruggaaf uit andere EU-landen als apart proces in.
  • Invoerregelingnummer doorgeven. Werkt u met de invoerregeling, controleer dan of uw vervoerder of douane-expediteur het nummer standaard bij de invoeraangifte meestuurt.
  • Verzendkosten los factureren. Bij zendingen rond de 150 euro bepaalt de factuuropmaak of u onder de grens blijft: verzend- en verzekeringskosten tellen alleen niet mee als ze apart op de factuur staan.
  • Bewaartermijn aanpassen. Zet de bewaartermijn voor alles wat met het eenloketsysteem te maken heeft op tien jaar en zorg dat de gegevens digitaal aanleverbaar zijn.
  • Afmelden bij beëindiging. Stopt u met de onderneming of met de verkoop naar het buitenland, meld u dan actief af. De registratie eindigt niet vanzelf.

Veelgestelde vragen

Geldt de drempel van 10.000 euro per land of voor alle EU-landen samen?

Voor alle EU-landen samen. U telt alle grensoverschrijdende omzet aan consumenten in de EU bij elkaar op, exclusief btw, en u telt daar ook uw digitale diensten bij. Er is dus geen aparte drempel per land.

Wat gebeurt er met de order waarmee u de grens van 10.000 euro passeert?

Die order valt zelf al onder de buitenlandse btw. De grens werkt vanaf en inclusief de verkoop waarmee u eroverheen gaat, zonder overgangsperiode. Uw eerdere verkopen in dat jaar blijven belast met Nederlandse btw, want de overschrijding werkt niet terug.

Kunt u het eenloketsysteem gebruiken als u voorraad in een ander EU-land houdt?

Dat hangt ervan af. Is die voorraad een vaste inrichting, dan vervalt de drempel van 10.000 euro en rekent u meteen buitenlandse btw. Is het alleen een magazijn, dan is de meest gevolgde lijn dat u zich voor verkopen uit die voorraad in het land van aankomst moet registreren en er het eenloketsysteem niet voor kunt gebruiken. De EU-landen leggen dat verschillend uit, dus laat uw situatie beoordelen.

Wat gebeurt er als u zich te laat aanmeldt of meldingen overslaat?

Over de periode dat u niet was aangemeld bent u de buitenlandse btw gewoon verschuldigd, zonder dat u het eenloket kunt gebruiken. Slaat u daarna drie tijdvakken achter elkaar de melding over, dan sluit de Belastingdienst u twee jaar uit van beide regelingen. U moet zich dan in elk EU-land afzonderlijk registreren.

Hoe lang moet u uw administratie bewaren?

Tien jaar na afloop van het jaar waarin u de goederen of diensten hebt geleverd. Dat is drie jaar langer dan de gewone termijn van zeven jaar. De gegevens moeten op verzoek digitaal aanleverbaar zijn, ook aan de belastingdienst van een ander EU-land.

Hebt u een tussenpersoon nodig voor de invoerregeling?

Alleen als uw onderneming buiten de EU is gevestigd. Ondernemers in Noorwegen vormen daarop de uitzondering voor zendingen die uit Noorwegen komen. Bent u in de EU gevestigd, dan mag u een tussenpersoon inschakelen, maar het hoeft niet.

Hoe Taxcount u kan helpen

Bij verkoop aan consumenten in andere EU-landen zit het risico zelden in de berekening en bijna altijd in de inrichting: wordt de drempel goed geteld, staat de registratie op tijd, worden de tijdvakken gehaald en houdt uw administratie de juiste gegevens vast? Wij brengen in kaart welke verkopen onder de regels voor afstandsverkopen vallen, berekenen waar u ten opzichte van de drempel staat, en adviseren of de Unieregeling, de invoerregeling, een lokale registratie of de EU-KOR voor uw situatie het gunstigst is. Ook helpen wij bij de aanmelding, bij het inrichten van uw boekhouding op de bewaartermijn van tien jaar en bij het herstellen van meldingen over eerdere tijdvakken. Wilt u weten waar u nu staat, dan kijken wij graag met u mee naar uw omzetcijfers en uw webshopadministratie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een adviseur voordat u een keuze maakt.

Zie ook:

Suppletie btw en correctiebericht loonheffingen: zo herstelt u een fout in een eerdere aangifte

U maakt de jaarrekening op en ziet dat uw btw-aangiften van vorig jaar niet aansluiten op uw administratie. Of u ontdekt dat een nagekomen bonus in de loonaangifte bij de verkeerde werknemer terecht is gekomen. Veel ondernemers denken dan: dat zet ik recht in mijn volgende aangifte, maar dat mag volgens de Belastingdienst alleen bij kleine bedragen. Voor grotere fouten geldt een wettelijke meldplicht: bij de btw doet u een suppletie btw, bij de loonheffingen een correctiebericht. Meldt u niet of te laat, dan riskeert u naast een naheffing en rente een boete die kan oplopen tot het volledige bedrag van de belasting. In dit artikel leest u welke termijnen in 2026 gelden, wat te laat melden u kost en wat u praktisch moet regelen.

Wat is een suppletie btw?

De btw en de loonheffingen zijn aangiftebelastingen. Dat betekent dat u zelf berekent hoeveel u moet betalen, dat zelf aangeeft en zelf betaalt. De Belastingdienst controleert die aangifte niet vooraf. Daarom heeft de wetgever het herstel bij u neergelegd: merkt u zelf dat een eerdere aangifte onjuist of onvolledig was, dan moet u dat melden.

Bij de btw heet die melding een suppletie. Juridisch is een suppletie geen tweede aangifte, maar een mededeling aan de inspecteur, de ambtenaar van de Belastingdienst die uw aangifte beoordeelt en aanslagen oplegt. Op die mededeling volgt een naheffingsaanslag, een rekening voor belasting die u nog moet betalen, of een teruggaaf. De plicht staat in artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en is uitgewerkt in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

Het correctiebericht doet hetzelfde bij de loonheffingen

Bent u werkgever, dan bent u inhoudingsplichtig: u houdt loonheffing in op het loon van uw werknemers en draagt die af aan de Belastingdienst. Klopt een eerdere loonaangifte niet, dan herstelt u dat met een correctiebericht op werknemersniveau (artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964). Ook een gewezen inhoudingsplichtige moet nog corrigeren, dus ook als u inmiddels bent gestopt als werkgever.

Ook een fout in uw voordeel moet u melden

De meldplicht werkt twee kanten op. De wet spreekt van een onjuistheid waardoor te veel of te weinig belasting is betaald. Hebt u door een verkeerd tarief, een vergeten creditnota of vergeten aftrek juist te veel btw afgedragen, dan moet u dat dus ook melden. Dat is geen loze plicht: wie de aansluiting tussen administratie en aangiften over vijf jaar naloopt, vindt in de praktijk regelmatig geld terug.

De twee routes lijken op elkaar, maar verschillen op vijf punten. Bij de btw meldt u met het formulier Suppletie btw via Mijn Belastingdienst Zakelijk, uiterlijk acht weken na uw constatering; bij de loonheffingen met een correctiebericht per werknemer, bij of los van een loonaangifte. Beide reiken terug tot het lopende jaar en de vijf jaar daarvoor. Bij de btw krijgt u een naheffingsaanslag, maar u kunt het bedrag ook meteen zelf betalen; bij de loonheffingen maakt u een positief saldo altijd zelf over aan de ontvanger, de ambtenaar van de Belastingdienst die de belasting int. Het verschil dat het meeste uitmaakt zit in de boete: bij de btw een vergrijpboete tot 100 procent bij opzet of grove schuld, bij de loonheffingen een verzuimboete van maximaal 1.675 euro. Figuur 1 zet de twee routes naast elkaar.

Figuur 1. Suppletie btw naast correctiebericht loonheffingen: waarvoor, hoe u meldt, welke termijn geldt, hoe ver u terug kunt, wie betaalt en welke boete er staat.

Welke termijnen gelden er voor een suppletie btw?

Er lopen drie termijnen naast elkaar. Ze moeten alle drie kloppen, want elke termijn heeft zijn eigen gevolg. Figuur 2 zet ze op een tijdlijn, met de datum van 1 april er los onder: dat is een rentegrens en geen meldtermijn.

Figuur 2. De drie wettelijke termijnen bij een suppletie btw, met 1 april als aparte rentegrens.

U kijkt vijf jaar terug

U kunt en moet corrigeren over het lopende jaar en de vijf jaar daarvoor. De Belastingdienst rekent dat zo: een btw-aangifte over een tijdvak in 2024 kunt u corrigeren tot en met eind 2029. Dat geldt ook voor een onderneming die inmiddels is beëindigd. Over dezelfde periode kan de inspecteur naheffen, en daarvoor heeft hij geen nieuw feit nodig. Hij mag meerdere tijdvakken in een enkele naheffingsaanslag bundelen.

Acht weken nadat u de fout ziet

Sinds 1 januari 2025 geldt een harde einddatum: de suppletie moet uiterlijk acht weken na uw constatering bij de Belastingdienst zijn. Die termijn loopt vanaf het moment dat u de fout zelf vaststelt, niet vanaf het einde van het jaar. Volgens de toelichting bij de wet telt daarvoor uw eigen kennis: wat uw boekhouder of adviseur weet, wordt niet zonder meer aan u toegerekend. Leg daarom vast wanneer het verschil is gevonden, wie het vond en wanneer de suppletie is verzonden.

Die vastlegging is uw eigen bewijsvoorraad. Te laat melden is zelfstandig beboetbaar, maar wil de Belastingdienst u daarvoor beboeten, dan moet de inspecteur dat overtuigend aantonen; die last ligt niet bij u. Met een gedateerd dossier is de discussie in de praktijk wel in één keer voorbij.

En altijd voordat de Belastingdienst er zelf achter komt

De derde eis is dat u meldt voordat u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur de fout al kent of zal ontdekken. Die toets is objectief bedoeld: het gaat er niet om of u zich betrapt voelt, maar of de Belastingdienst objectief al op het spoor zat. Bestond er nog een serieuze mogelijkheid dat de Belastingdienst er niet achter zou komen, dan kunt u in beginsel nog melden. Heeft de inspecteur al vragen gesteld, een controle aangekondigd of de fout zelf gevonden, dan geldt uw melding niet langer als vrijwillig en kan een boete volgen. Meldt u binnen de acht weken en komt de Belastingdienst u toch voor, dan kan die boete er ook zijn.

Kleine correcties: de Belastingdienst staat 1.000 euro toe in uw volgende aangifte

Gaat het om een bedrag van maximaal 1.000 euro dat u te veel of te weinig hebt aangegeven, dan hoeft u geen suppletieformulier in te vullen. U verwerkt dat bedrag in uw eerstvolgende btw-aangifte, in de rubriek waar u het normaal ook opgeeft. Hebt u bijvoorbeeld 100 euro te weinig voorbelasting opgegeven, dus btw die u zelf aan leveranciers betaalde en mag aftrekken, dan telt u die 100 euro op bij rubriek 5b van uw volgende aangifte.

Gaat het om meer dan 1.000 euro, dan is het suppletieformulier verplicht en moet u dat zo snel mogelijk insturen, in elk geval binnen acht weken. U vindt het formulier door in te loggen op Mijn Belastingdienst Zakelijk en te kiezen voor btw en daarna correctie btw-aangifte. U kunt daarin een enkel tijdvak corrigeren of de gecorrigeerde gegevens over een heel kalender- of boekjaar opgeven; de Belastingdienst kan daarna nog een specificatie vragen. Meld altijd apart en schriftelijk, met een opgave waarmee de inspecteur zonder verder onderzoek de juiste aanslag kan opleggen. Alleen dan geldt uw melding als een vrijwillige verbetering, en dat is precies wat u tegen een boete beschermt.

Let op de status van die grens: het bedrag van 1.000 euro staat niet in de wet, maar is een werkwijze die de Belastingdienst op zijn eigen website toestaat. De wettelijke meldplicht zelf kent geen ondergrens. Wij houden daarom de lijn aan dat u kleine verschillen in de eerstvolgende aangifte meeneemt en dat vastlegt in uw administratie, zodat later duidelijk is waarom er geen suppletie is gedaan.

Figuur 3 loopt de vragen langs die samen bepalen wat u moet doen en of u nog boetevrij bent.

Figuur 3. Beslisboom: moet u suppleren, mag het in uw volgende aangifte, en geldt uw melding nog als vrijwillige verbetering?

Wat kost het als u te laat meldt?

Belastingrente loopt vanaf 1 januari

Belastingrente is de rente die u betaalt over belasting die te laat bij de Belastingdienst binnenkomt. Meldt u de correctie binnen drie maanden na het einde van het kalender- of boekjaar waarover de btw ging, in de regel dus voor 1 april, dan brengt de Belastingdienst geen belastingrente in rekening. Werkt u met een gebroken boekjaar, dan schuift die datum mee. Hetzelfde geldt als u een fout nog binnen hetzelfde jaar corrigeert. Die renteloze termijn geldt uitdrukkelijk ook voor het correctiebericht loonheffingen.

Bent u later, dan loopt de rente vanaf 1 januari van het jaar na het jaar waarop de belasting betrekking heeft, tot de dag voordat u de naheffingsaanslag moet betalen. Voor 2026 is de belastingrente vastgesteld op 5 procent. Bij de btw pakt dat extra ongunstig uit, doordat de rentestop van tien weken die bij sommige andere aanslagen geldt, voor de omzetbelasting niet in de wet is opgenomen. Hoe lang de rente doorloopt, hangt dus mede af van hoe snel de inspecteur de naheffingsaanslag oplegt. U kunt die klok zelf stilzetten: betaalt u het bedrag na uw melding meteen zelf, dan loopt de rente volgens de wet tot de dag van uw betaling en niet langer.

Een rekenvoorbeeld

Stel dat u op 10 maart 2026 bij het opmaken van uw jaarrekening vaststelt dat u over 2025 in totaal 12.600 euro te weinig btw hebt aangegeven.

Stuurt u het suppletieformulier in voor 1 april 2026, dan betaalt u 12.600 euro en geen belastingrente. Meldt u het pas op 1 juli 2026, dan loopt de rente vanaf 1 januari 2026: bij 5 procent en een naheffingsaanslag die begin september 2026 betaald moet zijn, gaat het over ongeveer acht maanden en dus over ongeveer 420 euro. Let op dat uw achtwekentermijn in dit voorbeeld al op 5 mei 2026 afliep, dus melden op 1 juli is niet alleen duurder maar ook te laat. Meld dan alsnog, want de plicht blijft bestaan en niets doen is slechter. Meldt u het helemaal niet en vindt de inspecteur de fout zelf, dan is die termijn hoe dan ook geschonden. Bovenop de naheffing en de rente kan de inspecteur dan een boete opleggen die wettelijk kan oplopen tot 100 procent van 12.600 euro, dus tot 12.600 euro, mits hij opzet of grove schuld aantoont. Wij gaan in dit voorbeeld uit van een gelijkblijvend rentepercentage in 2026.

Figuur 4 zet de drie scenario’s met hun totalen naast elkaar: ongeveer 12.600 euro als u voor 1 april meldt, ongeveer 13.020 euro bij melden op 1 juli en tot ongeveer 25.600 euro als u helemaal niets doet.

Figuur 4. Wat te laat melden kost bij 12.600 euro te weinig btw over 2025: naheffing, belastingrente en boete per scenario.

Welke boetes kunt u krijgen?

De wet kent twee soorten boetes. Een verzuimboete is een boete voor een fout waarbij de Belastingdienst geen opzet hoeft te bewijzen; die is relatief laag en kent een wettelijk maximum. Een vergrijpboete is zwaarder en kan alleen worden opgelegd bij opzet of grove schuld. Opzet betekent dat u bewust fout hebt gehandeld. Grove schuld is een ernstige onzorgvuldigheid die aan opzet grenst: u had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat er te weinig belasting zou worden betaald.

De boete voor het niet melden loopt op tot 100 procent

Het niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze suppleren is een zelfstandig beboetbaar feit. De vergrijpboete daarvoor bedraagt ten hoogste 100 procent van de belasting die door het niet-melden niet is of niet zou zijn geheven. Die boete kan alleen worden opgelegd bij opzet of grove schuld, en de inspecteur moet daarbij ook aantonen dat u van de onjuistheid wist. De bevoegdheid om deze boete op te leggen vervalt vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Gaat het om een bedrag dat u juist terugkrijgt, dan legt het boetebeleid voor dat te late melden in beginsel geen boete op. Dat staat in beleid en niet in de wet, en de meldplicht zelf geldt onverkort.

Daarnaast een boete voor het niet betalen

Naast de meldplicht staat de betaalplicht, en dat zijn volgens de wetgever wezenlijk verschillende gedragingen. Betaalt u te weinig btw en is dat aan opzet of grove schuld te wijten, dan is een tweede vergrijpboete mogelijk van maximaal 100 procent, waarbij het boetebeleid uitgaat van 25 procent bij grove schuld en 50 procent bij opzet. Bij herhaling of bij listigheid, valsheid of samenspanning gaat het beleid naar 100 procent. Betaalt u alleen te laat, dan volgt een verzuimboete. Betaalt u uw gewone aangifte een paar dagen te laat, dan rekent het beleid 3 procent van dat bedrag. Komt de te lage betaling pas na een correctie of een controle aan het licht, dan is de regel 10 procent van de verschuldigde belasting. In beide gevallen geldt een wettelijk maximum van 6.709 euro in 2026.

Bij die verzuimboete telt de mate van schuld niet mee. Alleen afwezigheid van alle schuld of een verdedigbaar juridisch standpunt houdt de boete tegen, en de lat daarvoor ligt hoog: de rechtbank verwacht dat u alle zorg betracht die in de gegeven omstandigheden redelijk van u te vergen is.

Wat de Hoge Raad in juli 2025 besliste

Dat de meldboete geen papieren dreiging is, bleek in een zaak van 18 juli 2025. Een ervaren verhuurder van onroerende zaken had voorbelasting afgetrokken die hoorde bij vrijgestelde verhuur, waarover dus geen btw wordt gerekend. Een boekenonderzoek, waarbij de Belastingdienst de administratie ter plaatse controleert, bracht dat aan het licht, en er waren geen suppleties gedaan. De inspecteur legde over hetzelfde bedrag twee vergrijpboeten op van elk 25 procent, een voor het te weinig betalen en een voor het niet melden, en beide bleven overeind. Samen dus 50 procent van de te veel afgetrokken btw, naast de naheffing en de rente.

De rechter rekende drie dingen zwaar aan: ervaring in het eigen vakgebied, een administratie die zo’n aftrekfout niet tegenhoudt, en het feit dat de verhuurder ruim de tijd had gehad om te suppleren voordat de inspecteur op het spoor van de fout kwam. Een uitspraak in een enkele zaak is nog geen tarief, en wat de Belastingdienst gemiddeld oplegt volgt er niet uit. Wel maakt de uitspraak duidelijk dat de combinatie van beide boetes reëel is.

Uw eigen melding mag niet als bewijs voor een boete dienen

Hier zit een belangrijke bescherming. De Hoge Raad besliste in 2021 dat de meldplicht zelf is toegestaan, maar dat uw mededeling naar haar aard afhangt van uw eigen wil en daarom niet mag worden gebruikt als bewijs dat u een beboetbaar of strafbaar feit hebt begaan. Sinds 2 juni 2023 staat dat ook in het boetebeleid van de Belastingdienst, voor zowel de verzuimboete voor het niet betalen als de zware vergrijpboete daarvoor. Bovendien blijft de verzuimboete voor het niet betalen achterwege voor zover u de fout vrijwillig verbetert. Dat gunstiger beleid werkt terug naar oudere boetes die nog niet definitief vaststaan.

De bescherming is niet onbeperkt. Berust de boete op ander bewijs, bijvoorbeeld op de bevindingen van een boekenonderzoek of op uw facturen, dan blijft die mogelijk. Wie niets meldt en bij een controle wordt betrapt, mist de bescherming juist volledig. Hebt u wel gemeld en toch een boete gekregen, laat die dan toetsen.

De Belastingdienst moet opzet of grove schuld overtuigend aantonen

Voor een vergrijpboete geldt een zware bewijslast. De Hoge Raad besliste in 2022 dat opzet of grove schuld alleen mag worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten buiten redelijke twijfel vaststaan. Dat is meer dan aannemelijk maken, en bij twijfel krijgt u het voordeel van de twijfel. Voor de zwaarste variant, de boete van 50 procent bij opzet, is bovendien nodig dat u de aanmerkelijke kans op te weinig belasting kende en die kans bewust hebt aanvaard. Dat u het had moeten weten, is daarvoor niet genoeg. Bij een aangekondigde vergrijpboete is de eerste vraag dus altijd welke schuldgradatie de inspecteur echt kan waarmaken. Dat verweer heeft wel een grens. In hetzelfde arrest van juli 2025 besliste de Hoge Raad dat de rechter grove schuld ook mag aannemen op grond van een sterk vermoeden dat u niet weerlegt. En het verwijt dat u iets had moeten begrijpen, gelet op uw ervaring en de inrichting van uw administratie, is een oordeel waarvoor de rechter geen aanvullend bewijs nodig heeft.

Figuur 5 vat de vier boetes samen. Links de verzuimboetes, met een vast maximum in euro’s en zonder dat de mate van schuld meetelt; rechts de vergrijpboetes, die een percentage van de belasting zijn en alleen bij opzet of grove schuld mogelijk zijn.

Figuur 5. De boetes bij een fout in een btw- of loonaangifte in 2026, met de wettelijke maxima en de percentages uit het boetebeleid.

Vier plekken waar het in de praktijk misgaat

De btw-schuld blijft op de balans staan

De meest gemaakte fout is een post “nog te betalen btw” die jaar na jaar op de balans blijft staan. Het boetebeleid is daar duidelijk over: het vermelden van een balansschuld in uw jaarstukken is geen vrijwillige verbetering. Zo’n post beschermt u dus niet tegen een boete en voldoet niet aan de meldplicht. Maak er intern een vaste regel van dat bij elke btw-balansschuld ofwel wordt gesuppleerd, ofwel schriftelijk wordt vastgelegd waarom dat niet nodig is. Figuur 6 laat zien welke route wel aan de meldplicht voldoet en welke niet.

Figuur 6. Een post “nog te betalen btw” op de balans: de jaarrekening en de winstaangifte voldoen niet aan de meldplicht, het suppletieformulier wel.

De btw-schuld gaat mee in de aangifte vennootschapsbelasting

Ook het opnemen van de verschuldigde btw in uw winstaangifte geldt niet als suppletie. Dat staat in de toelichting bij de wettelijke regeling en de Hoge Raad heeft het in maart 2023 bevestigd. Erger nog, die aangifte werkt twee kanten op in uw nadeel: hij voldoet niet aan de meldplicht, maar kan er wel voor zorgen dat u vanaf dat moment moet vermoeden dat de inspecteur van de onjuistheid weet. Daarmee kan de achtwekentermijn gaan lopen en kan de bescherming van een vrijwillige melding verdampen. Stuur de suppletie daarom in voordat de aangifte vennootschapsbelasting de deur uit gaat, niet erna.

Een fout in een concern levert meerdere boetes op

Werkt u met meerdere besloten vennootschappen (bv’s) en een gecentraliseerde financiële administratie, dan telt een fout per vennootschap. In een zaak uit 2024 werkte dezelfde fout in zo’n administratie door bij zes vennootschappen en leverde die zes afzonderlijke verzuimboeten op van samen ongeveer 8.700 euro. In bezwaar vielen er twee af; de rechtbank matigde de rest met 15 procent omdat het om één eenmalige fout ging, maar vernietigde de boetes niet. Het totaal kwam daarmee hoger uit dan het wettelijk maximum dat voor één belastingplichtige zou hebben gegolden. Het argument dat een wisseling van personeel de oorzaak was, hielp niet: bij personeelswisselingen wordt juist extra zorg van u verwacht. Richt de bewaking van aangifte- en betaalmomenten daarom per vennootschap in.

Het verschil met de Opgaaf ICP blijft staan

Levert u goederen of diensten aan ondernemers in andere landen van de Europese Unie, dan doet u daarvan een Opgaaf ICP: een aparte opgave van die leveringen naast uw btw-aangifte. Een verschil tussen die opgave en uw btw-aangifte is een van de meest voorkomende redenen om te suppleren, en juist dat verschil blijft vaak jaren onopgemerkt omdat het niet in de winst of op de balans terugkomt. Neem de aansluiting tussen de btw-aangifte en de Opgaaf ICP daarom mee in uw jaarcontrole.

Hoe werkt het correctiebericht voor de loonheffingen?

Wanneer u moet corrigeren

U moet een correctiebericht indienen zodra u binnen het kalenderjaar, of binnen vijf jaar na het einde van een verstreken kalenderjaar, vaststelt dat een loonaangifte onjuist of onvolledig was. Dat geldt ook als de inspecteur de onjuistheid constateert en u daarop wijst. De aanleiding is vaak een loonkostencorrectie, een nagekomen bonus of een naheffing die op werknemersniveau moet worden doorgevoerd.

Welke termijn geldt voor u?

Doet u maandelijks of per vier weken aangifte, dan voegt u het correctiebericht bij de eerstvolgende of de daaropvolgende loonaangifte. Doet u aangifte per halfjaar of per jaar, of bent u gestopt als werkgever, dan geldt een termijn van acht weken na uw constatering en kunt u dus niet wachten op een volgende aangifte. Gaat het om een aangifte over een verstreken kalenderjaar, dan mag u het correctiebericht binnen acht weken na uw constatering los van een aangifte insturen. Constateert de inspecteur de fout, dan bepaalt hij zelf welke termijn u krijgt.

Betalen en de boete

Het correctiebericht wordt verrekend met de aangifte waarbij u het voegt. Dat heet saldering. Blijft er een bedrag te betalen over, dan maakt u dat zelf over aan de ontvanger; u wacht daarvoor niet op een aanslag. Wordt er te veel verrekend of te veel teruggegeven, dan behandelt de wet dat als niet betaalde belasting. De Belastingdienst kan dan naheffen, met een vergrijpboete als er opzet of grove schuld in het spel is. Let op de termijn: die loopt tot vijf jaar na het einde van het jaar waarin de verrekening plaatsvond, dus langer dan de vijf jaar die voor de correctie zelf geldt.

De boete op het correctieverzuim zelf is een verzuimboete van maximaal 1.675 euro. Er geldt geen verzuimreeks, wat wil zeggen dat de boete niet stap voor stap oploopt bij herhaling: ook bij een eerste verzuim kan het maximum worden opgelegd. Het beleid is er wel terughoudend in en mikt vooral op stelselmatig verzuim. Dient u meerdere correctieberichten tegelijk bij een aangifte in, dan gelden die voor de boete als een correctiebericht. En dient u op eigen initiatief in, voordat u weet of moet vermoeden dat de inspecteur de fout kent, dan blijft de verzuimboete voor de onjuiste aangifte achterwege. Die bescherming geldt niet voor de boete op het correctieverzuim zelf.

Kunt u terugvragen wat u te veel hebt betaald?

Soms wel, maar minder vaak dan u zou denken, en de route bepaalt of u nog naar de rechter kunt. Brengt u de correctie in uw voordeel in binnen zes weken na de betaling van uw eigen aangifte, dan geldt dat als een bezwaar en houdt u de gang naar de belastingrechter open. Bent u later, dan wordt uw melding behandeld als een verzoek om ambtshalve teruggaaf: een teruggaaf die de inspecteur uit eigen beweging kan verlenen nadat de bezwaartermijn is verstreken.

Die ambtshalve route loopt vijf jaar terug, maar kent twee harde beperkingen. Berust uw verzoek op nieuwe rechtspraak of op nieuw beleid, dan wijst de Belastingdienst het af; precies de gevallen waarin ondernemers na jaren nog iets hopen te halen, slagen dus zelden. En wijst de inspecteur uw verzoek af, dan staat bij de btw en de loonheffingen geen bezwaar of beroep open. Melden moet u dus altijd, terugkrijgen is een tweede.

Breng een correctie in uw eigen voordeel dus bij voorkeur binnen die zes weken in. Dat is ook praktisch: u ontdekt een fout vaak pas bij de jaarafsluiting, en dan is de bezwaartermijn voor de eerste tijdvakken van dat jaar al lang verlopen. Loop de aansluiting daarom niet een keer per jaar na, maar bij elke kwartaalafsluiting.

Wanneer hoeft u niet te suppleren?

Er zijn twee situaties waarin de meldplicht of de boete u niet raakt, en beide zijn smaller dan ze lijken. De eerste is het pleitbare standpunt. Deed u aangifte volgens de heersende opvatting en bracht u uw eigen, afwijkende standpunt in via bezwaar tegen uw eigen aangifte, dan is uw aangifte juist gedaan en hoeft u niet te suppleren, ook niet als u later ongelijk krijgt. Dat is het pleitbare standpunt: een verdedigbare uitleg van de wet.

De Hoge Raad heeft die uitzondering wel begrensd. Een pleitbaar standpunt kan uitsluitend een juridisch standpunt zijn, waaronder de juridische duiding van feiten. Een discussie over het tarief, een vrijstelling of de kwalificatie van een prestatie kan dus pleitbaar zijn. Een verkeerd geboekt bedrag, een vergeten factuur of een geschil over de feiten is dat niet, en dan geldt de meldplicht onverkort.

De tweede situatie is beperkter dan zij klinkt: hebt u over een tijdvak in het geheel geen btw-aangifte gedaan, dan kunt u voor dat tijdvak geen boete voor het niet-suppleren krijgen. Dat is geen goed nieuws, want het niet doen van aangifte is zelf beboetbaar en de belasting blijft verschuldigd.

Wat als u de aangegeven btw of loonheffing niet kunt betalen?

Dan is melden nog niet genoeg. Het opzettelijk niet, gedeeltelijk niet of niet op tijd betalen van een aangiftebelasting is sinds 2014 een misdrijf, met een strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie, de op één na hoogste boetecategorie in het strafrecht, of, als dat hoger is, eenmaal het bedrag van de te weinig betaalde belasting. Beslissend is de belasting die u werkelijk verschuldigd bent, dus ook wie netjes betaalt wat een onjuiste aangifte vermeldt, kan onder die bepaling vallen.

De wet geeft één uitweg die voor iedereen geldt: u bent niet strafbaar als u de ontvanger, de ambtenaar van de Belastingdienst die de belasting int, om uitstel van betaling vraagt voordat de wettelijke betalingstermijn is verstreken. Of dat uitstel uiteindelijk wordt toegekend, doet daaraan niet af, en aan het verzoek worden geen vormvereisten gesteld. Werkt u met een bv of een vennootschap onder firma, dan is er een tweede route: onverwijld, dus direct nadat u het merkt, schriftelijk melden dat het bedrijf niet kan betalen. Dat is de melding van betalingsonmacht, die ook bij de aansprakelijkheid van bestuurders een rol speelt. Voor een eenmanszaak bestaat die tweede route niet. In één gepubliceerde zaak uit 2019 achtte het hof het feit bewezen, maar legde het geen straf op, omdat de wetgever kwaadwillende en zich verrijkende belastingplichtigen op het oog had en de ondernemer open kaart had gespeeld bij de ontvanger. Dat is één uitspraak en geen vaste lijn: reken er niet op. Vertrouw er niet op dat de ontvanger een saneringsverzoek zelf als melding van betalingsonmacht leest; doe die melding apart en leg de datum vast.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Aansluitcontrole in de jaarafsluiting. Laat de btw-aangiften aansluiten op uw administratie, de loonjournaalposten op uw loonaangiften en de btw-aangifte op de Opgaaf ICP. De wetgever gaat er uitdrukkelijk van uit dat fouten bij het opmaken van de jaarstukken worden ontdekt.
  • Deadline drie maanden na uw boekjaar, in de regel 1 april. Zet die datum vast voor alle suppleties en correctieberichten over het voorgaande jaar. Meldt u binnen die drie maanden, dan betaalt u geen belastingrente.
  • Bent u later, betaal dan meteen zelf. Bij de btw ontbreekt de rentestop van tien weken. Door na uw melding zelf te betalen, loopt de rente tot de dag van uw betaling en niet tot een aanslag die maanden later komt.
  • Constateringsdatum vastleggen. Noteer per verschil wanneer u het vond en wanneer u meldde. De achtwekentermijn loopt vanaf uw constatering en die datum moet u kunnen aantonen.
  • Grens van 1.000 euro toetsen. Kleinere verschillen neemt u mee in uw eerstvolgende btw-aangifte, grotere bedragen gaan altijd via het suppletieformulier. Die grens is beleid van de Belastingdienst en staat niet in de wet.
  • Nooit alleen een balanspost. Een post “nog te betalen btw” in de jaarrekening is geen melding en beschermt u niet tegen een boete.
  • Suppletie voor de aangifte vennootschapsbelasting. Stuur de suppletie in voordat de winstaangifte de deur uit gaat, zodat de bescherming van een vrijwillige melding niet verloren gaat.
  • Loonaangiften per werknemer nalopen. Corrigeer nagekomen loon, bonussen en naheffingen met een correctiebericht en houd de termijn van uw eigen aangiftetijdvak aan.
  • Saldo van het correctiebericht zelf betalen. Blijft er na verrekening een bedrag te betalen over, maak dat dan zelf over. U krijgt daarvoor geen aanslag.
  • Correcties in uw voordeel binnen zes weken. Breng die in als bezwaar tegen uw eigen aangifte, anders resteert alleen de ambtshalve route zonder gang naar de rechter.
  • Bij betaalproblemen eerst uitstel vragen. Doe dat voordat de betalingstermijn verstrijkt en leg de datum vast; dat sluit strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het niet betalen uit. Werkt u met een bv of een vennootschap onder firma, meld dan ook de betalingsonmacht.
  • Boete na uw eigen melding laten toetsen. Een boete mag niet op uw eigen melding worden gebaseerd. Laat boetebeschikkingen van de afgelopen vijf jaar nalopen.

Veelgestelde vragen

Moet u een fout van 500 euro ook met een suppletieformulier melden?

Nee. De Belastingdienst staat op zijn eigen website toe dat u een verschil van maximaal 1.000 euro verwerkt in uw eerstvolgende btw-aangifte, in de rubriek waar het thuishoort. Boven 1.000 euro is het suppletieformulier verplicht. Dat is beleid en geen wet, want de wettelijke meldplicht kent geen ondergrens. Leg daarom vast waarom u geen suppletie hebt gedaan.

Hoeveel tijd hebt u nadat u een fout hebt ontdekt?

Bij de btw uiterlijk acht weken na uw constatering, en in elk geval voordat de Belastingdienst de fout zelf ontdekt. Bij de loonheffingen dient u het correctiebericht in bij de eerstvolgende of daaropvolgende aangifte, of binnen acht weken als u per halfjaar of per jaar aangifte doet of bent gestopt als werkgever.

Krijgt u een boete als u zelf een fout meldt?

In de regel niet. Uw melding mag niet worden gebruikt als bewijs voor een boete, en de verzuimboete voor het niet betalen blijft achterwege voor zover u vrijwillig verbetert. Berust een boete op ander bewijs, zoals een boekenonderzoek, dan is die wel mogelijk. Hebt u na een eigen melding toch een boete gekregen, laat die dan controleren.

Kunt u een btw-aangifte over 2020 nog corrigeren?

Nee, dat jaar is te ver terug. U corrigeert het lopende jaar en de vijf jaar daarvoor, dus in 2026 gaat u terug tot en met 2021. Voor een tijdvak in 2024 hebt u de tijd tot en met eind 2029. Dezelfde termijn geldt voor het naheffen door de inspecteur.

Voldoet een btw-schuld in uw jaarrekening aan de meldplicht?

Nee. Een balansschuld of een bedrag in uw winstaangifte geldt niet als suppletie en niet als vrijwillige verbetering. U moet het suppletieformulier gebruiken. De aangifte vennootschapsbelasting kan er zelfs voor zorgen dat de acht weken gaan lopen, dus meld eerst en dien die aangifte daarna in.

Is het strafbaar als u de btw op tijd aangeeft maar niet betaalt?

Dat kan het zijn. Het opzettelijk niet of te laat betalen van btw of loonheffing is een misdrijf. U bent echter niet strafbaar als u voor het einde van de betalingstermijn om uitstel van betaling vraagt. Werkt u met een bv of een vennootschap onder firma, dan helpt daarnaast een onverwijlde schriftelijke melding van betalingsonmacht. Doe dat altijd op tijd en bewaar het bewijs.

Hoe Taxcount u kan helpen

Wij maken de aansluiting tussen uw administratie en uw btw- en loonaangiften over de afgelopen vijf jaar, stellen vast welke verschillen een meldplicht opleveren en welke u in de eerstvolgende aangifte mag meenemen, en verzorgen de suppleties en correctieberichten binnen de termijnen. Loopt er al een boete of een vragenbrief, dan beoordelen wij of de boete op uw eigen melding is gebaseerd en of die kan worden bestreden of verminderd. Ook bij betaalproblemen kijken wij mee, zodat het uitstelverzoek of de melding betalingsonmacht op tijd en aantoonbaar de deur uit gaat. Wilt u weten of uw aangiften van de afgelopen jaren aansluiten? Leg uw situatie aan ons voor, dan beoordelen wij wat er nog te herstellen en terug te vragen valt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd afzonderlijk beoordelen.