U opent een verkoopkantoor in Duitsland, werkt maandenlang op een bouwlocatie in België of koopt een bedrijfspand net over de grens. Vroeg of laat komt u dan de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten tegen. Die regeling haalt de winst van uw buitenlandse vestiging uit de Nederlandse belastinggrondslag, maar doet precies hetzelfde met een verlies. Het gevolg verrast veel ondernemers: een slecht jaar in het buitenland kan uw Nederlandse belasting juist verhogen. In dit artikel leest u hoe de regeling in 2026 uitpakt, wanneer een buitenlands verlies alsnog aftrekbaar is en welke administratie u daarvoor vanaf nu moet bijhouden.
Wat is de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten?
De objectvrijstelling staat in artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en geldt sinds 1 januari 2012. Een objectvrijstelling is een vrijstelling die niet de belasting verlaagt, maar de winst zelf: het buitenlandse resultaat wordt uit de Nederlandse belastinggrondslag gehaald. De rekenwijze is als volgt. Eerst wordt uw wereldwinst bepaald, dat is de totale winst van uw onderneming berekend volgens Nederlandse belastingregels, inclusief het buitenlandse deel. Daarna wordt die wereldwinst verminderd met de positieve én de negatieve bedragen aan winst uit dat land.
Dat tweede woordje is de kern van de regeling. De wetgever schreef het bij de invoering onomwonden op: het verminderen van de winst met een negatief bedrag betekent een verhoging van de winst. Per saldo hebben buitenlandse winsten en verliezen dus geen invloed meer op de Nederlandse grondslag.
Vóór 2012 gold een ander stelsel, de belastingvrijstelling. Een buitenlands verlies mocht toen direct van de Nederlandse winst af en werd later ingehaald zodra de vestiging weer winst maakte. Dat inhalen kon vrijwel eindeloos worden uitgesteld, bijvoorbeeld door de vestiging om te zetten in een dochtervennootschap. De wetgever bracht de maatregel daarom onder bij de regelingen waarvan het gebruik niet in overeenstemming was met de bedoeling ervan. De opbrengst van 250 miljoen euro per jaar is destijds gebruikt om de overdrachtsbelasting tijdelijk te verlagen. Tegelijk was het doel om een buitenlands filiaal fiscaal net zo te behandelen als een buitenlandse dochter.
De naam van de regeling is wat te nauw. De wetgever tekende zelf aan dat de vrijstelling ziet op de winst uit een andere staat, en dat dat ruimer is dan alleen de resultaten van een vaste inrichting. Ook buitenlandse onroerende zaken en overige voordelen die een belastingverdrag aan het andere land toewijst vallen eronder.
Voor welke bedrijven geldt de regeling?
De objectvrijstelling geldt voor lichamen die in Nederland vennootschapsbelastingplichtig zijn, in de praktijk vooral de bv (besloten vennootschap) en de nv (naamloze vennootschap). U hoeft er niets voor aan te vragen: de regeling werkt dwingend, ook als de uitkomst u niet bevalt.
Wanneer heeft u een vaste inrichting in het buitenland?
Er zijn drie soorten winst uit een land die onder de regeling vallen: de winst van een vaste inrichting, de netto-opbrengst van onroerend goed in dat land, en de overige voordelen die het verdrag aan dat land toewijst. Voor die laatste twee hoeft u in dat land geen vaste inrichting te hebben. Een bedrijfspand of vakantiewoning over de grens valt dus onder de regeling, ook zonder eigen vestiging.
Een vaste inrichting is een vaste plek in het buitenland waarmee u uw werk gedeeltelijk uitvoert. Denk aan een filiaal, een verkoopkantoor, een fabriek, een werkplaats of een langdurig bouwproject. Typische situaties in het midden- en kleinbedrijf zijn een groothandel met een verkoopvestiging in Duitsland, een installateur die maanden op een buitenlandse bouwlocatie werkt, een dienstverlener met een klein team in eigen ruimte over de grens en een bv die winstrechten heeft in een buitenlands samenwerkingsverband.
Heeft Nederland met het betrokken land geen belastingverdrag, dan geldt nog een bijzondere categorie: werkt u ten minste dertig aaneengesloten dagen in, op of boven het winningsgebied van dat land, bijvoorbeeld bij offshore-werk, dan vormt dat een zelfstandige buitenlandse onderneming. U hoeft daar dan niet ook nog een gewone vestiging te hebben.
Losse export of verkoop op afstand levert géén vaste inrichting op. Of uw aanwezigheid de drempel haalt, wordt beoordeeld aan de hand van het belastingverdrag met dat land en artikel 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dat is per land maatwerk en juist bij bouwprojecten, thuiswerkende medewerkers en verkoopagenten valt de uitkomst regelmatig anders uit dan verwacht.
Wanneer geldt de regeling niet?
Werkt u via een eenmanszaak of een vof (vennootschap onder firma), dan valt u onder de inkomstenbelasting en het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, niet onder deze regeling. Heeft u in het buitenland een dochtervennootschap in plaats van een filiaal, dan geldt de deelnemingsvrijstelling: de vrijstelling voor winst uit een aandelenbelang van ten minste 5 procent in een andere vennootschap. En is uw bedrijf zelf een fiscale beleggingsinstelling, een beleggingsvehikel dat 0 procent vennootschapsbelasting betaalt en zijn winst verplicht moet uitkeren, dan is de objectvrijstelling uitgesloten. De reden daarvoor is dat de vrijstelling anders de winst zou beïnvloeden die zo’n instelling verplicht moet uitkeren en waarover haar aandeelhouders worden belast. Figuur 1 zet de drie regimes naast elkaar: wat onder de objectvrijstelling valt, wat onder de deelnemingsvrijstelling valt en wat buiten beide regelingen blijft.
Figuur 1. Wat valt onder de objectvrijstelling, wat onder de deelnemingsvrijstelling en wat onder geen van beide.
Hoe pakt de vrijstelling uit in een winstjaar en in een verliesjaar?
Voor de vennootschapsbelasting gelden in 2026 twee tarieven.
| Deel van het belastbare bedrag | Tarief 2026 |
| Tot en met 200.000 euro | 19 procent |
| Boven 200.000 euro | 25,8 procent |
Een rekenvoorbeeld maakt het verschil tussen een winstjaar en een verliesjaar meteen duidelijk. Figuur 2 zet beide jaren naast elkaar.
Winstjaar. Stel dat uw bv 400.000 euro wereldwinst maakt en dat 100.000 euro daarvan toerekenbaar is aan uw Duitse filiaal. De Nederlandse grondslag wordt dan 400.000 euro min 100.000 euro, dus 300.000 euro. U betaalt 19 procent over 200.000 euro plus 25,8 procent over 100.000 euro, samen 63.800 euro. Zonder de vrijstelling zou u 89.600 euro betalen. De vrijstelling scheelt u in dit jaar dus 25.800 euro.
Verliesjaar. Het jaar daarop, uitgaande van gelijkblijvende tarieven, is uw wereldwinst 200.000 euro, maar uw Duitse filiaal maakt 100.000 euro verlies. De grondslag wordt dan 200.000 euro min een negatief bedrag van 100.000 euro, dus 300.000 euro. Dat is hóger dan uw wereldwinst. U betaalt weer 63.800 euro, terwijl er in het bedrijf als geheel maar 200.000 euro winst zit. Het Duitse verlies drukt uw Nederlandse belasting niet.

Figuur 2. Hetzelfde bedrijf in een winstjaar en in een verliesjaar: twee heel verschillende jaren, dezelfde Nederlandse grondslag van 300.000 euro.
In de vakliteratuur wordt dit op zijn best een cashflownadeel genoemd: u moet uw verliesverrekening voorfinancieren. Voor een bv met een krappe liquiditeit is dat geen theoretisch punt. Wie de aangifte simpelweg op de wereldwinst baseert, geeft in zo’n jaar te weinig aan en loopt een correctie op.
Waarom de regeling per land wordt toegepast
De vrijstelling wordt per staat berekend en niet per vestiging of per activiteit. Alles wat u uit één land ontvangt wordt bij elkaar geteld: de winst van het filiaal, de netto-opbrengst van onroerend goed en de overige voordelen die het verdrag aan dat land toewijst. Dat noemen we de per country-benadering. Voor het totaal dat u uit de wereldwinst haalt maakt het niet uit of u per land of over alle landen samen rekent, maar voor de aftrek van een oud verlies maakt het alles uit: zolang er uit een land nog íets binnenkomt, bent u daar niet gestaakt.
Per land moet u ook vaststellen of Nederland met dat land een belastingverdrag of een vergelijkbare regeling heeft, en welke methode dat verdrag voorschrijft. De vrijstelling geldt namelijk alleen voor zover het verdrag Nederland verplicht tot vrijstelling. Verplicht het verdrag alleen tot verrekening, of wijst het de heffing aan Nederland toe, dan geldt de objectvrijstelling niet. Winst uit internationaal scheep- en luchtvaartverkeer is daarvan het schoolvoorbeeld: die wordt onder de meeste verdragen aan Nederland toegewezen.
Die verdragstoets werkt bovendien niet alleen per land, maar ook per belastingplichtige en per soort winst. Heeft Nederland met een land alleen een verdrag over lucht- en scheepvaart, dan is dat land voor een rederij een verdragsland en voor alle andere ondernemingen niet. Een breder, niet-fiscaal verdrag met een voorkomingsregeling telt wel mee; een informatie-uitwisselingsverdrag of een verdrag dat nog niet in werking is getreden telt niet mee. Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden vallen via aparte regelingen ook onder de vrijstelling.
U bent verder niet vrij in de vraag hoeveel winst u aan de buitenlandse vestiging toerekent. Dat gebeurt volgens de zelfstandigheidsfictie: u doet alsof de vestiging een zelfstandig bedrijf is en verdeelt functies, bezittingen en risico’s daarover. Overtollige liquiditeiten zijn volgens de wetgever vrijwel nooit aan een vaste inrichting toe te rekenen. Die zelfstandigheidsfictie staat in de wet voor situaties zonder belastingverdrag; is er wél een verdrag, dan bepaalt dat verdrag hoe u toerekent.
Wanneer kunt u een buitenlands verlies alsnog aftrekken?
Een buitenlands verlies is niet definitief verdwenen. Stopt u later volledig met dat land, dan mag het opgetelde negatieve saldo als stakingsverlies alsnog van uw winst af. Dat is de uitzondering die de regeling in overeenstemming brengt met het Europese recht: definitieve verliezen mogen niet van aftrek worden uitgesloten. Maar de voorwaarden zijn talrijk, formeel en fataal.
De hoofdregel: pas als u helemaal met dat land stopt
Er is pas een stakingsverlies als u uit dat land geen winst uit een vestiging meer geniet, geen voordelen uit onroerende zaken meer ontvangt en ook geen overige toegewezen voordelen meer heeft. Verkoopt u de activiteiten aan een derde, dan is dat volgens de wetgever een gewoon stakingsmoment. Draagt u ze over aan een vennootschap uit uw eigen groep die ze voor 30 procent of meer voortzet, dan is er juist géén staking maar een voortzetting en schuift het saldo mee naar die vennootschap. Ook een bedrijfsfusie, een juridische fusie en een juridische splitsing zijn volgens de wetgever een voortzetting. Blijft de overdracht onder die 30 procent, dan kan er wel een stakingsverlies zijn.
De voorwaarden op een rij
- Het saldo van alle winsten en verliezen uit dat land, opgeteld vanaf het eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2012 begint, moet negatief zijn. Ook de positieve winsten uit de vijf jaren vóór 2012 tellen mee en verkleinen dus uw verlies. Twee soorten winst tellen daarbij niet mee: winst die al is verrekend met een buitenlands verlies uit een ander jaar, en winst waarop de vrijstelling niet is toegepast wegens de inhaalregeling. Dat schonen kan uw stakingsverlies aanzienlijk vergroten.
- Voor het negatieve saldo mag in het andere land op geen enkele manier een tegemoetkoming zijn verleend. Ook verrekening met de winst van een zustermaatschappij in dat land telt als tegemoetkoming. Is dat gedeeltelijk gebeurd, dan wordt uw saldo verminderd met de verliezen waarvoor die tegemoetkoming is verleend.
- Een ander dan u of een groepsmaatschappij mag in dat land geen recht op tegemoetkoming hebben. Gaan de verrekenbare verliezen bij verkoop mee naar de koper, dan verliest u de aftrek voor het deel dat meegaat. Gaat maar een deel over, dan blijft het restant aftrekbaar. Beslissend is wat het buitenlandse belastingstelsel bepaalt, niet wat u met de koper afspreekt.
- De activiteiten mogen niet in belangrijke mate, dat wil zeggen voor 30 procent of meer, zijn voortgezet door een met u verbonden lichaam, dus een vennootschap uit dezelfde groep. Ook een voortzetting die op het stakingsmoment al te voorzien is telt mee. Eerst het verlies nemen en de activiteiten daarna binnen de groep overdragen werkt dus niet.
- U moet uiterlijk in het derde kalenderjaar ná het jaar waarin de activiteiten geheel of vrijwel geheel zijn gestaakt daadwerkelijk zijn gestopt met het genieten van winst uit dat land. Is het stakingsbesluit eerder genomen, dan gaat de termijn vanaf dat besluit lopen. Stopt u later, dan moet u overtuigend aantonen dat dat niet is bedoeld om belasting te ontgaan of uit te stellen.
- Zowel de omvang van het verlies als het halen van die termijn moet u doen blijken. Dat is de zwaarste bewijslast die de wet kent: overtuigend aantonen, niet slechts aannemelijk maken. Zonder dossier is er geen aftrek.
Het saldo per land wordt alleen op verzoek door de inspecteur, de ambtenaar van de Belastingdienst die uw aanslag vaststelt, bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Dat is een formeel besluit waartegen u bezwaar kunt maken. Doe dat verzoek jaarlijks en lever daarbij uw eigen berekening van het saldo aan: dan staat het saldo vast voordat de discussie over de staking begint. De bevoegdheid om die beschikking te herzien vervalt na vijf jaren. Let op dat de beschikking uitdrukkelijk níet gaat over de vraag of de verliezen in het buitenland al met winsten van andere entiteiten zijn verrekend.
Kunt u het stakingsverlies in het jaar van staking niet volledig gebruiken, dan gaat het niet verloren. Het wordt dan op dezelfde manier behandeld als een gewoon verlies en loopt mee in de reguliere verliesverrekening, met de bijbehorende beperkingen bij hoge winsten en het risico dat het verlies vervalt bij een wijziging in het aandeelhoudersbelang.
Figuur 3 zet de momenten die hier tellen op een tijdlijn, van de opbouw van het saldo tot de terugkeerzone van drie jaren na de aftrek.

Figuur 3. De tijdlijn van het stakingsverlies: opbouw van het saldo per land, stakingsbesluit, jaar van staking, de uiterste termijn, de aftrek en de terugkeerzone daarna.
De grens van 5.000.000 euro buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte
Sinds 2021 is het stakingsverlies gemaximeerd op 5.000.000 euro per land. Die grens geldt niet voor landen in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en bij ministeriële regeling aangewezen associatiestaten, en niet voor het deel van het verlies dat betrekking heeft op een als belegging gehouden onroerende zaak of medegerechtigdheid, dat is een aandeel in het vermogen van een onderneming die u zelf niet drijft, zoals een stille deelname. Bij het tarief van 25,8 procent is de grens dus tot 1.290.000 euro belastingvoordeel per land waard. Wordt uw verlies buiten de EU en de EER hoger, dan is het meerdere niet aftrekbaar. Er is bewust geen overgangsrecht: het toetsmoment is het moment waarop u ophoudt winst uit dat land te genieten, ook voor verliezen die al vóór 2021 zijn opgebouwd. Figuur 4 laat zien hoe de grens uitpakt bij een verlies van 8 miljoen euro.

Figuur 4. De grens van 5.000.000 euro buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte, toegepast op een stakingsverlies van 8.000.000 euro in één land.
In de vakliteratuur is betwist of deze grens en de driejaarstermijn Europeesrechtelijk houdbaar zijn. Zolang daarover geen uitspraak is, moet u er in de aangifte van uitgaan dat de grens geldt. Laat wel vastleggen op welk bedrag u zonder de grens recht zou hebben, zodat u een eventueel bezwaar later kunt onderbouwen.
Wat gebeurt er als u binnen drie jaar terugkeert?
Gaat u binnen drie jaren na de aftrek opnieuw winst uit dat land genieten, dan wordt het afgetrokken verlies weer bij uw winst geteld en is de vrijstelling daar niet op van toepassing. De aard, de soort en de omvang van de nieuwe activiteiten doen daarbij niet ter zake: één nieuw project of één verhuurde ruimte is genoeg. Het verlies is daarmee niet definitief kwijt: het bijgetelde bedrag gaat als nieuw negatief saldo mee naar de nieuwe activiteiten in dat land, zodat u het bij een latere definitieve staking opnieuw kunt gebruiken. Wat u kwijtraakt is het moment van aftrek, en dus liquiditeit. Plant u een herstart, neem die driejaarstermijn dan mee in de planning.
Vijf situaties waarin de vrijstelling niet of niet volledig geldt
De vrijstelling is de hoofdregel, maar de wet kent vijf uitzonderingen. Die moet u jaarlijks opnieuw toetsen, want een vestiging kan van karakter veranderen zonder dat u iets doet.
Kort samengevat. Belegt of financiert de vestiging vooral de eigen groep en betaalt zij daar nauwelijks winstbelasting, dan is de winst belast met een beperkte verrekening, tenzij een ouder verdrag Nederland tóch tot vrijstelling verplicht. Erkent het andere land de vestiging niet en belast het de winst daar niet, dan geldt de vrijstelling voor dat deel van de winst niet. Ligt de vestiging in een aangewezen laagbelastend land, dan worden bepaalde inkomsten alsnog in Nederland belast, tenzij ten minste 70 procent van de voordelen niet besmet is of de vestiging wezenlijke economische activiteiten verricht. Is uw bedrijf zelf een fiscale beleggingsinstelling, dan is er geen vrijstelling en ook geen verrekening. En staat er nog een in te halen verlies van vóór 2012 open, dan geldt de vrijstelling niet zolang dat verlies niet is ingehaald. Figuur 5 loopt deze vijf vragen na en laat per antwoord het gevolg zien.

Figuur 5. Beslisboom: vijf vragen die bepalen of uw buitenlandse winst is vrijgesteld, met per uitzondering het gevolg.
1. Een vestiging die vooral belegt of de eigen groep financiert
Bestaan de werkzaamheden van uw buitenlandse vestiging grotendeels uit beleggen, uit het financieren van uw eigen groep of uit het verhuren van bedrijfsmiddelen aan uw groep, en wordt de winst daar niet reëel belast, dan is er sprake van een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming. Grotendeels betekent hier volgens de wetgever meer dan 50 procent. Bij een exacte verdeling van 50 om 50 is uw vestiging dus niet passief. De weging is bovendien kwalitatief: het gaat niet alleen om het aantal medewerkers of uren, maar ook om de functie die de vestiging in het bedrijf heeft. Houdt u via die vestiging een belang van ten minste 5 procent in een ander lichaam, dan tellen de werkzaamheden daarvan naar verhouding mee.
Van beleggen is sprake als u met de vermogensbestanddelen niet meer rendement nastreeft dan bij normaal vermogensbeheer te verwachten is. Twee soorten werkzaamheden blijven buiten de passieve kant: actieve concernfinanciering of terbeschikkingstelling volgens de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971, en het houden van onroerende zaken. Die laatste uitzondering bestaat omdat het heffingsrecht over vastgoedinkomsten aan het land van ligging is voorbehouden en vastgoed niet mobiel is, maar zij vervalt als het vastgoed van een fiscale of vrijgestelde beleggingsinstelling is.
Over de tweede toets, of de winst daar wel reëel wordt belast, is de wetsgeschiedenis terughoudend. Zij verwijst naar dezelfde toets als bij de deelnemingsvrijstelling, maar noemt zelf geen percentage. Het vakcommentaar leest die toets als een effectief tarief van ongeveer 10 procent over een naar Nederlandse maatstaven berekende winst. Reken daar dus niet blind op zonder de effectieve druk in dat land te laten berekenen.
Is uw vestiging een laagbelaste beleggingsonderneming, dan is de winst niet vrijgesteld maar belast, met een beperkte korting op de Nederlandse belasting. Die korting is het laagste van twee bedragen. Het eerste bedrag is 5 procent van het gezamenlijke voordeel; op uw verzoek mag u in plaats daarvan de winstbelasting nemen die u werkelijk in het buitenland heeft betaald. Het tweede bedrag is de Nederlandse belasting die u over datzelfde voordeel zou betalen. Het laagste van die twee is uw korting, en die korting kan nooit tot een teruggaaf leiden.
Anders dan bij de deelnemingsverrekening staat de keuze voor de werkelijk betaalde belasting open ten opzichte van alle landen en niet alleen binnen de EU. Ook de belasting die is betaald door lichamen waarin u onmiddellijk of middellijk 5 procent of meer houdt kan meetellen, mits het belang in élke schakel ten minste 5 procent bedraagt en u aantoont dat die belasting daadwerkelijk is betaald en aan de vestiging toerekenbaar is.
Er is één uitweg uit deze uitzondering als geheel. Verplicht het belastingverdrag met dat land Nederland tóch tot vrijstelling, dan blijft de objectvrijstelling in stand. Dat speelt vooral bij oudere verdragen waarin nog geen aparte regeling voor passieve buitenlandse winst staat. Laat de verdragstekst daarom altijd nakijken voordat u de winst als belast aanmerkt.
Is het gezamenlijke voordeel negatief, dan wordt uw winst verhoogd. In 2026 komt dat erop neer dat het verlies effectief tegen 20,8 procent aftrekbaar is in plaats van tegen 25,8 procent, dus voor ongeveer 80,6 procent. Er is dan geen inhaalregeling nodig. Belangrijk verschil met de vrijstelling zelf: deze verrekening wordt niet per land maar over alle landen samen berekend. Een verlies in het ene land drukt dus de verrekening voor het andere land. Betaalt u in dat land helemaal niets, bijvoorbeeld door een vrijstelling, dan is er ook geen verrekening en geen bijtelling. Figuur 6 laat met een voorbeeld zien waarom een verlies in het ene land uw verrekening voor het andere land kan drukken.

Figuur 6. Per land of over alle landen samen: de objectvrijstelling en het stakingsverlies worden per land bepaald, de verrekening bij een laagbelaste beleggingsvestiging over alle landen samen.
Kunt u de korting in een jaar niet volledig gebruiken, dan schuift het restant door naar het volgende jaar. Dat gebeurt alleen als de inspecteur het over te brengen bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft vastgesteld. Vraagt u die beschikking niet aan, dan gaat het bedrag verloren. Sinds 1 januari 2026 kunt u alleen nog tegen de eerste overbrenging rechtsmiddelen inzetten, wat het tijdig aanvragen extra belangrijk maakt.
2. Een vestiging die het andere land niet als vestiging ziet
Ziet Nederland een vaste inrichting terwijl het andere land die niet erkent, dan spreken we van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting. Deze maatregel komt uit de tweede Europese richtlijn tegen belastingontwijking en werkt mechanisch, ook tussen niet-gelieerde partijen. Sinds 1 januari 2025 wordt de vrijstelling alleen nog geweigerd voor zover de winst in het andere land niet in een winstbelasting wordt betrokken. Dat voorkomt dubbele heffing. Verplicht een belastingverdrag Nederland tóch tot vrijstelling, dan gaat dat verdrag voor op deze maatregel.
Voor de boekjaren 2020 tot en met 2024 is in de Eerste Kamer vastgesteld dat de maatregel tot overkill leidde. Voor die oude jaren is er een gepubliceerde beslissing op een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule, de mogelijkheid voor de staatssecretaris om in een individueel geval van de wet af te wijken. Speelt dit bij u over een ouder jaar, laat dan onderzoeken of u zich daarop kunt beroepen.
3. Een vestiging in een aangewezen laagbelastend land
Ligt uw vestiging in een aangewezen staat, dan geldt de vrijstelling niet voor de zogenoemde besmette voordelen. Een aangewezen staat is een land dat vennootschappen niet of tegen een statutair tarief van minder dan 9 procent belast, gemeten per 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar, of dat op de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staat. De lijst wordt jaarlijks vastgesteld, dus dit moet u elk jaar opnieuw controleren.
Besmette voordelen zijn de makkelijk verplaatsbare inkomsten: rente en financiële activa, royalty’s en immateriële activa, dividend, winst op de verkoop van aandelen, financiële lease, verzekerings- en bankactiviteiten, en facturering met weinig toegevoegde waarde. U ontkomt eraan als uw voordelen doorgaans voor ten minste 70 procent niet besmet zijn, gemeten op nettobasis, of als de vestiging wezenlijke economische activiteiten verricht. Bij een echte vaste inrichting met mensen en middelen is dat laatste vaak snel het geval.
4. Uw bedrijf is een beleggingsinstelling
Een fiscale beleggingsinstelling betaalt 0 procent vennootschapsbelasting en moet haar winst binnen acht maanden uitkeren. Zou de objectvrijstelling ook voor haar gelden, dan zou dat de hoogte van die verplichte uitkering en daarmee de belasting bij de aandeelhouders beïnvloeden. Daarom is zij zowel van de vrijstelling als van de verrekening uitgesloten.
5. Er staat nog een verlies van vóór 2012 open
Heeft u onder het oude stelsel buitenlandse verliezen van de Nederlandse winst afgetrokken en stond daarvoor op 1 januari 2012 nog een in te halen bedrag open, dan blijft de vrijstelling voor nieuwe winst uit dat land buiten toepassing totdat dat bedrag is ingehaald. De wetgever gaf daar zelf een voorbeeld bij: staat er 4.000.000 euro aan in te halen verlies open en maakt u daarna 500.000 euro, 1.000.000 euro en 4.000.000 euro winst, dan valt in het derde jaar 1.500.000 euro onder de vrijstelling en de rest niet.
Er zijn drie uitwegen. De bekendste: is de vestiging gestaakt, bent u niet binnen drie jaren teruggekeerd en voldoet u aan de voorwaarden voor het stakingsverlies, dan vervalt de inhaalplicht. Daarnaast vervalt de inhaalplicht als met het bedrag al rekening is gehouden bij de oude sanctieregeling voor omzetting in een dochter, en als u aannemelijk maakt dat het oude verlies onder de destijds geldende verliesverrekeningstermijnen niet meer verrekenbaar was. Die eerste uitweg is smal. Volgens een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst van 22 oktober 2024 geldt zij uitsluitend voor een vestiging die op of na 1 januari 2012 is gestaakt. Is uw vestiging vóór die datum gestaakt, dan blijft de inhaalplicht in stand, ook als u daarna in datzelfde land opnieuw bent begonnen. Ook het bedrag aan in te halen verlies wordt alleen op verzoek bij beschikking vastgesteld, niet jaarlijks automatisch.
De langste staart heeft een andere overgangsbepaling. Heeft u vóór 2012 verliezen van een buitenlandse vestiging van uw Nederlandse winst afgetrokken en die vestiging later omgezet in een buitenlandse dochter waarin u ten minste 5 procent houdt, dan geldt de oude sanctieregeling: winst en waardestijging van die dochter worden bij u belast totdat de oude verliezen zijn ingelopen, ondanks de deelnemingsvrijstelling. Of die omzetting vóór of na 1 januari 2012 plaatsvond, maakt daarbij niet uit. Deze bepaling kan tientallen jaren doorlopen.
Waar het in de aangifte vaak misgaat
Naast de uitzonderingen zijn er een paar posten die in de praktijk regelmatig verkeerd in de aangifte belanden.
Buitenlandse winstbelasting en investeringsaftrek
De objectvrijstelling geldt als regeling ter voorkoming van dubbele belasting. De winstbelasting die u in het andere land betaalt is daarom niet als kosten aftrekbaar, en bruteren van de buitenlandse winst is evenmin nodig. Voor bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk voor de vrijgestelde vestiging worden gebruikt heeft u bovendien geen recht op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, energie-investeringsaftrek of milieu-investeringsaftrek. Voor een vestiging op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES-eilanden geldt daarop een uitzondering.
Rente, interne rente en royalty’s
Rentelasten en rentebaten die deel uitmaken van de vrijgestelde buitenlandse winst blijven buiten de earningsstrippingregeling. Dat is de algemene renteaftrekbeperking, waarbij rente aftrekbaar is tot 24,5 procent van een gecorrigeerde winst of tot 1.000.000 euro, als dat hoger is. Ook de vrijgestelde winst zelf blijft buiten die gecorrigeerde winst. De beperking geldt dus feitelijk alleen voor het Nederlandse deel van uw onderneming.
Vormt u een fiscale eenheid, een groep vennootschappen die voor de vennootschapsbelasting als één belastingplichtige wordt behandeld, dan moet de vrij te stellen buitenlandse winst worden herrekend naar het bedrag dat zonder die eenheid zou gelden. Interne rente en, sinds 2018, ook interne royalty’s worden daardoor zichtbaar en verlagen de vrijstelling.
Valuta, herinvesteringsreserve en fouten in de eindbalans
De winst van de vestiging wordt in de vreemde valuta berekend en daarna omgerekend, zonder dat daarbij een valutaresultaat wordt gezien. Staat het vermogen van de vestiging in euro’s terwijl u lokaal in een andere valuta aangifte doet, dan ontstaan zogenoemde fantoomwinsten en fantoomverliezen. Een valutaverlies van de vestiging kan uw Nederlandse grondslag dan juist verhogen.
Een in Nederland gevormde herinvesteringsreserve, de reserve waarmee u belasting over de winst op een verkocht bedrijfsmiddel uitstelt, wordt alleen in de wereldwinst afgeboekt en niet in de vrij te stellen winst. Boekt u die reserve af op een buitenlands bedrijfsmiddel, dan wordt de uitgestelde boekwinst over de afschrijvingstermijn alsnog in Nederland belast. Zolang u die reserve mag aanhouden, bent u niet opgehouden winst uit dat land te genieten en kunt u dus geen stakingsverlies nemen.
Tot slot: de Hoge Raad oordeelde op 6 juni 2025 dat een fout in de vermogensopstelling van de vestiging onder de foutenleer valt en dus in een later jaar kan worden hersteld. Dat werkt twee kanten op en maakt uw documentatieplicht zwaarder.
Wat gebeurt er bij een fusie, splitsing of overdracht?
Reorganiseert u terwijl er een buitenlandse vestiging in het spel is, dan verschuift het opgebouwde saldo mee en gelden er extra voorwaarden. De hoofdlijn is dat een bedrijfsfusie, een juridische fusie en een juridische splitsing volgens de wetgever een voortzetting opleveren en geen staking. Het saldo van positieve en negatieve bedragen gaat dan over op de overnemer of verkrijger. Hetzelfde geldt bij het aangaan of verbreken van een fiscale eenheid. Alleen bij een overdracht in het zicht van staking keert het saldo terug naar de overdrager.
Zet u de activiteiten over naar een groepsmaatschappij die de activiteiten voor 30 procent of meer voortzet, dan schuift het gehele saldo verplicht door naar die maatschappij, ook als het saldo positief is. Zit die maatschappij in het buitenland, dan heeft die doorschuiving per saldo geen effect. Is die buitenlandse maatschappij een dochter van u, dan is het verlies toch niet weg: bij liquidatie en ontbinding van die dochter wordt het opgeofferde bedrag, dat is wat u in totaal in die dochter heeft gestoken, verhoogd met het doorgeschoven negatieve saldo, verminderd met de winsten van na de omzetting. Daarvoor moet u wel een schaduwadministratie bijhouden, een extra administratie waaruit blijkt hoe het saldo zou hebben gestaan als de dochter in Nederland was gevestigd. Zonder die administratie is de verhoging niet te onderbouwen. Gaat de vestiging naar een zustermaatschappij in het buitenland in plaats van naar een dochter, dan bestaat dat vangnet niet en is de aftrek in Nederland wel verdwenen.
Staakt de groepsmaatschappij de voortgezette activiteiten binnen drie jaar na de start van de voortzetting, dan moet zíj aannemelijk maken dat die staking berust op zakelijke, niet-fiscale redenen die pas ná de overdracht zijn opgekomen. Lukt dat niet, dan keert het saldo terug naar de overdrager. Aannemelijk maken is een lichtere eis dan het overtuigend aantonen bij het stakingsverlies zelf, maar het vraagt nog steeds een gedateerd dossier bij de voortzetter. De regel is bedoeld om te voorkomen dat activiteiten alleen worden overgedragen omdat de overdrager onvoldoende winst heeft om het verlies te gebruiken.
Zet u een bv met een buitenlandse vestiging om in een eenmanszaak of vof, de zogenoemde geruisloze terugkeer, dan geldt de enige uitzondering op de doorschuifplicht: het negatieve saldo kan onder te stellen voorwaarden tóch in aftrek komen, ondanks de voortzetting.
Let bij een bedrijfsfusie of afsplitsing bovendien op de beleidsvoorwaarden. Sinds 25 september 2025 gelden het Bedrijfsfusiebesluit 2025 en het Besluit juridische afsplitsing 2025. Heeft de overnemer of verkrijger zelf een aanspraak op de objectvrijstelling of op de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten, dan is de automatische fusie- of splitsingsvrijstelling uitgesloten. U moet dan vóóraf de verzoekroute met standaardvoorwaarden lopen. Doet u dat niet tijdig, dan is de overdracht belast. Een aparte voorwaarde beperkt daarnaast het éigen stakingsverlies van de overnemer als die zijn eigen buitenlandse activiteit binnen drie jaren na de transactie staakt: het verlies komt dan alleen in aftrek tegen de winst die aan zijn eigen oude onderneming toerekenbaar is, en het restant schuift door naar latere jaren, zonder belastingrente. Er lopen drie driejaarstermijnen naast elkaar, elk vanaf een ander moment. De eerste gaat lopen vanaf het moment dat de groepsmaatschappij de activiteiten voortzet: staakt zij binnen drie jaar, dan keert het saldo naar u terug. De tweede gaat lopen vanaf het overgangstijdstip van de fusie of vanaf de datum waarop de afsplitsing civielrechtelijk van kracht wordt, en beperkt het eigen stakingsverlies van de overnemer. De derde gaat lopen vanaf de overdracht zelf: verkoopt u de bij de fusie verkregen aandelen binnen drie jaar aan een partij buiten uw groep, dan kan de Belastingdienst de fusie als belastingontwijking aanmerken. Zekerheid daarover krijgt u alleen met een aparte beschikking; de goedkeuring van de fusie zelf geeft die zekerheid niet. Laat deze drie data bij de start van de reorganisatie vastleggen.
Praktische checklist: wat u moet regelen
- Administratie per land. Houd per land een aparte resultatenadministratie bij, met een eigen balans en winst-en-verliesrekening van de vestiging, vanaf het eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2012 begint. Bewaar ook de winsten uit de vijf jaren daarvóór. De wetgever noemt dit een voorwaarde voor de aftrek, niet een advies.
- Verdrag per land vaststellen. Leg vast of Nederland met dat land een verdrag of vergelijkbare regeling heeft, of dat verdrag voor uw onderneming en voor deze soort winst geldt, en welke methode het voorschrijft.
- Winsttoerekening onderbouwen. Documenteer hoe u functies, bezittingen, kapitaal en risico’s aan de vestiging heeft toegerekend. Houd overtollige liquiditeiten in Nederland.
- Jaarlijkse toets op de uitzonderingen. Controleer elk jaar of de vestiging passief is geworden, of het land op de lijst van aangewezen staten staat en of het andere land de vestiging nog erkent en de winst daar belast.
- Beschikkingen aanvragen. Vraag jaarlijks om vaststelling van het saldo per land, van een doorgeschoven saldo, van een gestald verrekeningsbedrag en van een resterend in te halen bedrag. Bij het gestalde verrekeningsbedrag is de beschikking geen formaliteit: zonder verzoek gaat het bedrag verloren.
- Stakingsbesluit dateren. Leg een besluit om met een land te stoppen schriftelijk en gedateerd vast, en zorg dat u binnen het referentiejaar plus drie kalenderjaren daadwerkelijk stopt.
- Buitenlandse verliespositie opvragen. Vraag bij uw buitenlandse adviseur schriftelijk op of en hoe de verliezen daar zijn benut, en of ze bij verkoop meegaan naar de koper.
- Aangifteposten nalopen. Controleer dat u de buitenlandse winstbelasting niet als kosten aftrekt, geen investeringsaftrek claimt voor bedrijfsmiddelen van de vrijgestelde vestiging en de rente van de vestiging buiten de renteaftrekbeperking laat.
- Reorganisatie vooraf toetsen. Meld een voorgenomen fusie, splitsing of overdracht vóóraf bij uw adviseur, zodat het gezamenlijke verzoek tijdig wordt gedaan en de driejaarstermijnen worden vastgelegd.
- Schaduwadministratie bij omzetting. Zet u de vestiging om in een buitenlandse dochter, start dan direct een schaduwadministratie van het saldo. Zonder die administratie verdwijnt het latente verlies alsnog.
Veelgestelde vragen
Wordt de winst van uw buitenlandse filiaal in Nederland belast?
Nee, als de objectvrijstelling van toepassing is wordt die winst uit uw Nederlandse belastinggrondslag gehaald. Daarvoor is niet vereist dat het andere land die winst daadwerkelijk belast. Er zijn wel vijf uitzonderingen, onder andere voor een vestiging die vooral belegt of de eigen groep financiert en voor een vestiging in een aangewezen laagbelastend land.
Kunt u kiezen of u de objectvrijstelling toepast?
Nee. De vrijstelling is dwingend recht en werkt automatisch, ook in een jaar waarin zij nadelig voor u uitpakt. Wat u wel kunt beïnvloeden is de structuur: doordat de toets per vennootschap en per land plaatsvindt, kan het afzonderen van buitenlandse activiteiten in een aparte vennootschap de mogelijkheid om later een verlies af te trekken vergroten of naar voren halen.
Waarom stijgt uw Nederlandse belasting door een buitenlands verlies?
Omdat de wereldwinst wordt verminderd met zowel de positieve als de negatieve bedragen aan buitenlandse winst. Een negatief bedrag aftrekken betekent rekenkundig een verhoging. Uw Nederlandse grondslag kan daardoor hoger uitkomen dan uw werkelijke wereldwinst. Het verlies is niet weg, maar komt pas bij een definitieve staking in aftrek.
Hoe lang moet u de resultaten van uw buitenlandse vestiging bewaren?
Veel langer dan de gewone bewaarplicht van zeven jaar. Voor het stakingsverlies moet u alle winsten en verliezen per land kunnen laten zien vanaf het eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2012 begint, plus de winsten uit de vijf jaren daarvóór. In de praktijk betekent dat een doorlopend dossier zolang u in dat land actief bent.
Geldt de regeling ook als u in het buitenland een dochter-bv heeft?
Nee. Bij een buitenlandse dochtervennootschap geldt de deelnemingsvrijstelling en niet de objectvrijstelling. Dat is een ander regime, met eigen voorwaarden en een eigen behandeling van verliezen. Heeft u zowel een filiaal als een dochter in hetzelfde land, laat dan beide regimes apart toetsen.
Wat gebeurt er als u het stakingsverlies te laat claimt?
Dan bent u de aftrek in beginsel kwijt. Overschrijdt u de termijn van het derde kalenderjaar zonder overtuigend aan te tonen dat u geen uitstel van belasting beoogde, of kunt u de omvang van het verlies niet overtuigend aantonen, dan vervalt het recht. Het verlies kan om een land ook meerdere miljoenen bedragen, dus dit is geen kleine formaliteit.
Hoe Taxcount u kan helpen
De objectvrijstelling is een regeling waarbij het voordeel automatisch komt en het nadeel u overvalt. Taxcount brengt uw buitenlandse activiteiten per land in kaart, stelt vast of er een vaste inrichting is en welk verdrag van toepassing is, en rekent uit wat de vrijstelling in een winstjaar én in een verliesjaar met uw grondslag doet. Wij zetten de administratie per land op, toetsen jaarlijks de vijf uitzonderingen, vragen de benodigde beschikkingen aan en onderbouwen een stakingsverlies zodanig dat het de zware bewijslast doorstaat. Ook bij een voorgenomen fusie, splitsing of omzetting kijken wij vóóraf mee, zodat u de fusiefaciliteit niet onbedoeld verspeelt.
Heeft u een vestiging, bouwproject of pand in het buitenland, of overweegt u de stap over de grens? Laat uw situatie dan door Taxcount beoordelen voordat u de aangifte doet of de vestiging sluit. Neem contact met ons op via www.taxcount.nl voor een eerste gesprek.
Dit artikel bevat algemene informatie over de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt sterk af van uw persoonlijke en zakelijke situatie, van het land waarin u actief bent en van het toepasselijke belastingverdrag. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u handelt.