Bijleenregeling en hypotheekrenteaftrek: hoe je overwaarde je aftrek kan beperken

Veel huiseigenaren gaan ervan uit dat de rente op hun hypotheek altijd aftrekbaar is zolang het geld in de eigen woning zit. Dat klopt niet altijd. Wie een woning verkoopt met overwaarde en daarna een nieuwe woning koopt, krijgt te maken met de bijleenregeling en de aflossingsstand. Die twee regels bepalen samen welk deel van de nieuwe hypotheek nog recht geeft op renteaftrek. Een verkeerde keuze bij het afsluiten van de hypotheek kan de aftrek onbedoeld helemaal laten vervallen.

 

Wat is de bijleenregeling?

De bijleenregeling verplicht je om de overwaarde van je oude woning opnieuw in je nieuwe woning te steken als je maximale renteaftrek wilt behouden. De overwaarde die je niet herinvesteert, telt niet mee voor de eigenwoningschuld. Over dat deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar in box 1; die schuld verhuist naar box 3.
De regeling is vastgelegd in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Kort gezegd: je eigenwoningschuld voor de nieuwe woning is gelijk aan de verwervingskosten van die woning, verminderd met je eigenwoningreserve.

 

Wat is de eigenwoningreserve (overwaarde)?

De eigenwoningreserve is de fiscale naam voor je overwaarde bij verkoop. Je berekent die als de verkoopprijs van de oude woning, verminderd met de nog openstaande eigenwoningschuld en de verkoopkosten zoals de makelaarscourtage. Dit staat in artikel 3.119aa van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De eigenwoningreserve blijft na verkoop drie jaar staan. Investeer je die binnen die termijn niet opnieuw in een eigen woning, dan vervalt het restant. Zolang de reserve loopt, verlaagt zij de eigenwoningschuld van je volgende woning.

 

De aflossingsstand: je opgebouwde looptijd verhuist mee

Voor hypotheken die vanaf 2013 zijn afgesloten geldt de aflossingseis: je moet ten minste annuïtair en in maximaal 360 maanden volledig aflossen (artikel 3.119c). Wie eerder al een eigenwoningschuld had, neemt de al verstreken looptijd mee naar de nieuwe lening. Dit heet de aflossingsstand (artikel 3.119d).
Concreet: heb je op je oude hypotheek al tien jaar renteaftrek gehad, dan resteert voor het overeenkomstige deel van je nieuwe hypotheek geen 360 maanden meer, maar 240. Kies je voor de nieuwe lening toch een looptijd van 30 jaar, dan los je voor dat deel te langzaam af. Het gevolg is dat dat deel niet aan de aflossingseis voldoet en de rente erover niet aftrekbaar is.

Praktijkvoorbeeld: een langere looptijd die de renteaftrek kostte

Een klant verkocht in 2025 zijn woning met een aanzienlijke overwaarde en kocht een nieuwe woning. Voor de aankoop sloot hij een annuïteitenhypotheek af met een looptijd van 30 jaar. De financieel adviseur koos bewust voor die lange looptijd, omdat lage maandlasten belangrijker waren dan de renteaftrek.
Fiscaal pakte dit als volgt uit. Door de bijleenregeling kon maar een klein deel van de nieuwe hypotheek als eigenwoningschuld kwalificeren, omdat de overwaarde niet volledig opnieuw was geïnvesteerd. En dat kleine deel had via de aflossingsstand een kortere resterende looptijd moeten krijgen dan de gekozen 30 jaar. Doordat de hele lening over 360 maanden liep, voldeed ook dat deel niet aan de aflossingseis. Per saldo bleef er nauwelijks aftrekbare eigenwoningschuld over en was de hypotheekrente niet aftrekbaar.
De les: de keuze voor lage maandlasten en de keuze voor renteaftrek gaan niet altijd samen. Wie beide wil afwegen, moet de fiscale gevolgen kennen voordat de hypotheek wordt getekend, niet pas bij de aangifte.

Hoe voorkom je dat je renteaftrek misloopt?

Laat de fiscale opzet van je hypotheek toetsen voordat je tekent. Belangrijke aandachtspunten zijn: hoeveel overwaarde herinvesteer je, hoeveel maanden renteaftrek heb je al gehad, en welke looptijd hoort daar fiscaal bij. Soms is het mogelijk de lening te splitsen in een deel dat wel aan de aflossingseis voldoet en een deel dat je bewust in box 3 laat vallen. Zo maak je een geïnformeerde keuze tussen maandlasten en aftrek.

 

Veelgestelde vragen

Is de rente op mijn hypotheek altijd aftrekbaar als ik het geld voor mijn woning gebruik?

Nee. De aftrekbaarheid volgt de fiscale kwalificatie van de schuld, niet het gebruik van het geld. Ook een lening die je voor de aankoop van je woning afsluit, kan geheel of deels in box 3 vallen als niet aan de voorwaarden is voldaan.

Moet ik mijn hele overwaarde opnieuw in mijn woning steken?

Voor maximale renteaftrek wel. Het deel van de overwaarde dat je niet herinvesteert, verlaagt je aftrekbare eigenwoningschuld. Over het overeenkomstige deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar.

Waarom kan een looptijd van 30 jaar een probleem zijn?

Op zichzelf is 30 jaar toegestaan; dat is het wettelijke maximum. Het probleem ontstaat als je al eerder renteaftrek hebt gehad. De al verstreken jaren gaan via de aflossingsstand van je oude schuld mee, waardoor de resterende toegestane looptijd korter is dan 30 jaar.

Hoelang blijft mijn overwaarde meetellen?

De eigenwoningreserve vervalt drie jaar na de verkoop van je oude woning. Daarna telt een niet-benut deel niet meer mee.

Kan ik de aftrek nog herstellen na het tekenen?

Soms. Afhankelijk van de situatie kan de lening worden aangepast of gesplitst zodat een deel alsnog aan de aflossingseis voldoet. Dit vraagt maatwerk en werkt meestal pas vanaf een volgend jaar.

 

Advies nodig over je hypotheek en renteaftrek?

Taxcount rekent je situatie graag door voordat je een hypotheek tekent of je aangifte indient. Wij toetsen de bijleenregeling, de eigenwoningreserve en de aflossingsstand en laten zien welk deel van je rente aftrekbaar is. Neem contact op via www.taxcount.nl of bezoek ons aan de Lange Voorhout 86 te Den Haag.

Deze tekst bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Bedragen, tarieven en termijnen zijn afhankelijk van het belastingjaar en van je persoonlijke situatie. Laat je eigen situatie beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Btw-correctie privegebruik auto: zo betaal je jaarlijks btw over het privegebruik van je auto van de zaak

Rijdt u in een auto van de zaak en gebruikt u die ook privé? Dan hebt u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik waarschijnlijk afgetrokken. Voor het deel dat u privé rijdt, hebt u dan eigenlijk te veel afgetrokken. De Belastingdienst wil dat u dat verschil één keer per jaar rechtzet met de btw-correctie privégebruik auto. Deze correctie is makkelijk te vergeten, omdat u die niet in uw gewone kwartaalaangifte doet maar in de laatste btw-aangifte van het jaar. In dit artikel leest u wanneer de correctie speelt, hoe u het bedrag berekent met het forfait van 2,7% of 1,5% of op basis van uw werkelijke gebruik, en wat u praktisch moet regelen.

Wat is de btw-correctie privégebruik auto?

Koopt of leaset u een auto voor uw onderneming, dan mag u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik (zoals brandstof en reparaties) aftrekken als voorbelasting. Dat mag alleen voor het deel waarmee u belaste omzet maakt. Zolang u de auto puur zakelijk gebruikt, is er niets aan de hand.

Gebruikt u de auto ook privé, dan hebt u over dat privédeel eigenlijk te veel btw afgetrokken. De wet lost dit op door uw privégebruik één keer per jaar te behandelen als een dienst die u aan uzelf verricht. Over die zogenoemde fictieve dienst betaalt u btw. Zo betaalt u alsnog de btw terug die bij het privégebruik hoort. In gewone taal: u corrigeert aan het eind van het jaar de btw die u eerder te ruim hebt afgetrokken.

Wanneer moet u de correctie toepassen?

De btw-correctie speelt zodra aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste behoort de auto tot uw ondernemingsvermogen en hebt u bij de aanschaf, de lease, het onderhoud of het gebruik btw afgetrokken. Ten tweede gebruikt u, uw personeel of de directeur-grootaandeelhouder (DGA) de auto ook privé.

Let op: woon-werkverkeer telt voor de btw als privégebruik. Dit is door de hoogste belastingrechter bevestigd en geldt zelfs voor een thuiswerker die maar af en toe naar kantoor rijdt. Ook als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, rijdt u dus vrijwel altijd een stukje privé. De correctie speelt daarom bij bijna elke auto van de zaak waarvan de btw is afgetrokken.

U hoeft de correctie niet toe te passen als u geen btw hebt afgetrokken, bijvoorbeeld bij een marge-auto of een auto die u van een particulier kocht. Ook een volledig vrijgestelde ondernemer maakt de correctie niet. En kunt u aantonen dat de auto helemaal niet privé wordt gebruikt, dan is er evenmin een correctie. Het onderstaande schema helpt u bepalen of de correctie voor u speelt (zie figuur 1).

  Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de btw-correctie privégebruik auto voor u speelt.

Hoe berekent u de btw-correctie?

U betaalt de btw over het werkelijke privégebruik van de auto. Omdat dat lastig precies bij te houden is, mag u kiezen: u gebruikt een vast forfait, of u rekent met uw werkelijke privégebruik. U mag altijd het laagste van de twee aangeven. Welk forfaitpercentage bij uw auto hoort, ziet u in figuur 2.

Figuur 2: welk forfait past bij uw auto, 2,7% of het verlaagde 1,5%.

Met het forfait van 2,7%

Hebt u geen administratie waaruit uw privégebruik blijkt, dan stelt u de verschuldigde btw op 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Dit forfait geldt ook voor lease-auto’s. U hoeft dan niets bij te houden: u rekent simpelweg met de catalogusprijs. Rijdt de auto maar een deel van het jaar mee, dan verlaagt u het forfait naar evenredigheid, bijvoorbeeld 6/12 als u de auto op 1 juli in gebruik neemt. Het forfait mag u alleen gebruiken als u alle btw op de autokosten hebt afgetrokken en uit uw administratie niet blijkt hoeveel u privé rijdt. Het uitkomstbedrag is meteen de btw die u betaalt: u telt er dus niet apart nog eens 21% bovenop.

Het verlaagde forfait van 1,5%

In twee situaties gebruikt u 1,5% in plaats van 2,7% van de catalogusprijs. De eerste situatie is een auto die u langer dan vier jaar geleden voor het eerst bent gaan gebruiken: vanaf het vijfde jaar na het jaar van ingebruikname geldt het lagere percentage. Dat komt doordat de aanschaf-btw dan is uitgewerkt en alleen de kosten van onderhoud en gebruik overblijven. De tweede situatie is een auto die u zonder btw-aftrek hebt gekocht, zoals een marge-auto of een auto van een particulier. Voor het overige blijft de berekening hetzelfde. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages als voor gewone auto’s.

Doet u ook btw-vrijgestelde dingen en kunt u de btw op de auto daardoor maar deels aftrekken, dan verlaagt u het forfait naar rato van uw aftrekrecht. Bij bijvoorbeeld 50% vrijgestelde omzet wordt het forfait van 2,7% dus verlaagd tot 1,35%. De onderstaande tabel vat de percentages samen.

Situatie Forfait (van catalogusprijs incl. btw en bpm)
Standaard: btw afgetrokken, auto binnen vier jaar na ingebruikname 2,7%
Auto langer dan vier jaar in gebruik (vanaf het vijfde jaar) 1,5%
Auto gekocht zonder btw-aftrek (marge-auto of van particulier) 1,5%
Deels vrijgestelde (gemengde) omzet: forfait naar rato verlaagd bijv. 1,35%

 

Op basis van uw werkelijke privégebruik

Het forfait is een aanbod, geen verplichting. Kunt u aantonen dat u minder privé rijdt, dan mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. U betaalt dan btw over de kosten die echt aan het privégebruik zijn toe te rekenen: de aanschaf, het onderhoud en het gebruik, telkens zonder btw en alleen voor zover u die btw hebt afgetrokken. De aanschafkosten telt u niet in één keer mee, maar verdeeld over vijf jaar (elk jaar een vijfde deel). Vanaf het zesde jaar tellen de aanschafkosten helemaal niet meer mee, waardoor de correctie dan een stuk lager uitvalt. Over die aan het privégebruik toe te rekenen kosten betaalt u het algemene btw-tarief van 21% (het tarief dat in 2026 geldt).

Het bewijs levert u met een sluitende kilometeradministratie waaruit de verhouding tussen zakelijke en privékilometers blijkt. Hebt u die niet, dan mag u het privégebruik ook onderbouwen met een redelijke schatting op basis van andere gegevens, zoals de aard van uw onderneming, de functie van de gebruiker en de manier waarop de auto privé wordt gebruikt. Belangrijk: ontbreekt een rittenadministratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar aannemen dat u vrijwel alles (bijvoorbeeld 99%) privé rijdt. De rechter heeft bepaald dat het privégebruik dan redelijk moet worden geschat. Wilt u met zo’n schatting van het forfait afwijken, dan moet uw onderbouwing wel volledig en juist zijn; een achteraf in elkaar gezette berekening met gaten wordt niet geaccepteerd.

Rekenvoorbeeld

Stel, u hebt een auto met een catalogusprijs van 45.000 euro, inclusief btw en bpm. U hebt de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik volledig afgetrokken en u gebruikt de auto het hele jaar ook privé, zonder dat u uw privégebruik bijhoudt. De correctie via het forfait bedraagt dan 2,7% van 45.000 euro, oftewel 1.215 euro. Dat bedrag geeft u aan in uw laatste btw-aangifte van het jaar.

Neemt u dezelfde auto pas op 1 september in gebruik, dan rekent u met 4/12: 4/12 van 2,7% van 45.000 euro komt uit op 405 euro. Is de auto ouder dan vijf jaar, dan rekent u met 1,5% van 45.000 euro, oftewel 675 euro. En kunt u met een rittenadministratie aantonen dat u maar weinig privé rijdt, dan mag u een lager bedrag aangeven en betaalt u dus minder btw. Figuur 3 laat de berekening in stappen zien.

Figuur 3: de correctie in drie stappen: catalogusprijs maal het forfait geeft de te betalen btw.

Is er een maximum aan de correctie?

Ja. De correctie kan nooit hoger zijn dan de btw die u dat jaar daadwerkelijk hebt afgetrokken. Valt de afgetrokken btw in de eerste vier jaar lager uit dan het forfait, dan is de correctie beperkt tot de som van twee bedragen: de btw op onderhoud en gebruik die u dat jaar hebt afgetrokken, plus een vijfde deel van de bij aanschaf afgetrokken btw. Bij een auto die u langer dan vier jaar geleden in gebruik nam, of die u zonder btw-aftrek kocht, is de correctie zelfs beperkt tot alleen de dat jaar afgetrokken btw op onderhoud en gebruik. Zo betaalt u nooit meer terug dan u ooit hebt afgetrokken.

Wat als uw werknemer een eigen bijdrage betaalt?

Betaalt uw werknemer of de DGA een vergoeding voor het privégebruik, dan verandert de berekening. Is die vergoeding kostendekkend, dan draagt u btw af over de ontvangen vergoeding en past u het forfait niet toe. Is de vergoeding niet kostendekkend, dan vergelijkt u de btw over de vergoeding met de uitkomst van het forfait en volgt u de regels van de Belastingdienst. Belangrijk is dat een te lage eigen bijdrage aan een verbonden gebruiker (zoals een werknemer, bestuurder of familielid) niet loont: in dat geval mag de Belastingdienst uitgaan van de normale, marktconforme waarde. Let op dat een vaste inhouding op het salaris die losstaat van hoeveel er werkelijk privé wordt gereden, niet als zo’n vergoeding telt; dan geldt gewoon de fictieve dienst en berekent u de correctie op de normale manier.

Gelden er bijzondere situaties?

Een paar situaties vragen om extra aandacht. Gebruikt u de auto deels voor vrijgestelde omzet, dan verlaagt u de correctie naar evenredigheid, bijvoorbeeld tot 1,35% bij 50% vrijgestelde omzet, omdat u de btw ook maar deels hebt afgetrokken. Werkt u met een maatschap of vof en hebt u de auto privé gekocht, dan mag het samenwerkingsverband onder voorwaarden toch de 2,7%- of 1,5%-regeling toepassen. En bestaat uw privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een eenvoudige rekenmethode gebruiken: u rekent met de afstand woning-werk maal het aantal keren dat u die rijdt, en u mag daarbij uitgaan van 214 werkdagen per jaar (naar verhouding minder als u parttime werkt of de auto pas in de loop van het jaar krijgt). Zo kunt u de correctie soms lager vaststellen. Twijfelt u over uw situatie, laat de berekening dan vooraf toetsen.

Bestelauto die u verplicht ter beschikking stelt

Voor sommige bestelauto’s geldt een uitzondering. Stelt u een bestelauto om niet ter beschikking en hebt u door de aard van het werk (bijvoorbeeld wisselende, moeilijk bereikbare projectlocaties) feitelijk geen reële keuze, terwijl het privégebruik zich beperkt tot woon-werkverkeer, dan kan het zijn dat er helemaal geen btw-correctie hoeft plaats te vinden. Het bedrijfsbelang staat dan voorop en het privévoordeel van de werknemer is daaraan ondergeschikt. Dit is maatwerk: laat een dergelijke situatie altijd apart beoordelen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of de correctie speelt: hebt u btw afgetrokken op een auto van de zaak die ook privé (inclusief woon-werkverkeer) wordt gebruikt? Dan geldt de correctie.
  • Kies uw methode: reken met het forfait (2,7% of 1,5% van de catalogusprijs) of met uw werkelijke privégebruik, en geef het laagste bedrag aan.
  • Gebruik het juiste percentage: 1,5% als de auto langer dan vier jaar in gebruik is of zonder btw-aftrek is gekocht, anders 2,7%; verlaag verder naar rato bij vrijgestelde omzet (bijvoorbeeld 1,35%).
  • Reken naar tijdsgelang: gebruikt u de auto maar een deel van het jaar, verlaag het forfait dan evenredig (bijvoorbeeld 6/12).
  • Bewaar uw onderbouwing: houd een sluitende kilometeradministratie bij als u van het forfait wilt afwijken, of leg volledige en juiste gegevens vast voor een redelijke schatting.
  • Verwerk de correctie op tijd: geef het bedrag aan en betaal het in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar, niet in een gewone kwartaalaangifte.
  • Let op oudere en dure auto’s: bij weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar is de werkelijke correctie vaak lager dan het forfait; dat verschil kunt u claimen.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet ik de btw-correctie privégebruik auto aangeven?

U geeft de correctie aan in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar. Voor de meeste ondernemers is dat de aangifte over het vierde kwartaal of over december. U doet dit dus maar één keer per jaar (zie figuur 4).

Figuur 4: u geeft de correctie één keer per jaar aan, in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar.

Hoeveel btw betaal ik met het forfait?

Standaard betaalt u 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Bij een auto van 45.000 euro is dat 1.215 euro per jaar. Voor auto’s die langer dan vier jaar in gebruik zijn of zonder btw-aftrek zijn gekocht, geldt 1,5%. Bij deels vrijgestelde omzet verlaagt u het percentage naar rato, bijvoorbeeld tot 1,35%.

Telt woon-werkverkeer mee als privégebruik?

Ja. Voor de btw geldt woon-werkverkeer als privégebruik. Zelfs als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, moet u daarom vrijwel altijd de correctie toepassen. Bestaat het privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een vereenvoudigde berekening gebruiken met 214 werkdagen per jaar.

Kan ik minder betalen dan het forfait?

Ja, als u kunt aantonen dat u weinig privé rijdt. Met een sluitende kilometeradministratie of een goed onderbouwde schatting mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. Ontbreekt een administratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar uitgaan van bijna volledig privégebruik, maar moet het privégebruik redelijk worden geschat. Afwijken loont vooral bij dure auto’s, weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar.

Geldt de correctie ook voor een elektrische auto?

Ja. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages en regels als voor benzine- en dieselauto’s.

Wat gebeurt er als ik de correctie vergeet?

Dan hebt u te veel btw afgetrokken. De Belastingdienst kan dat naheffen en rekent daarover belastingrente; voor de btw is dat 5% in 2026. Corrigeert u een vergeten of te lage correctie zelf met een suppletie, dan volgt daarvoor in beginsel geen betaalverzuimboete meer (dat is sinds 2 juni 2023 het beleid). Alleen bij opzet of grove schuld kan de Belastingdienst nog een vergrijpboete opleggen, die kan oplopen tot 100% van de te weinig betaalde btw. Controleer de correctie daarom elk jaar, want zij valt buiten uw gewone aangiften.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw-correctie privégebruik auto lijkt eenvoudig, maar de keuze tussen het forfait en uw werkelijke gebruik kan flink schelen. Taxcount berekent voor u wat het voordeligst is, beoordeelt of u het verlaagde forfait van 1,5% of een naar rato verlaagd percentage mag toepassen en helpt u de correctie correct te verwerken in uw laatste btw-aangifte. Ook als u een eigen bijdrage van personeel ontvangt, de auto deels voor vrijgestelde omzet gebruikt of een bestelauto verplicht ter beschikking stelt, zorgen wij dat de berekening klopt en dat u niet te veel btw afdraagt. Wilt u weten of u de correctie juist toepast en of u niet te veel betaalt? Laat uw situatie beoordelen door Taxcount en voorkom naheffingen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is nadrukkelijk geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Het BUA: wanneer je de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen wel of niet mag aftrekken

December is voor veel ondernemers de maand van kerstpakketten, relatiegeschenken en een personeelsfeest. Wat u daarbij vaak niet weet: de btw op dit soort uitgaven mag u lang niet altijd aftrekken. Een aparte regeling, het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (het BUA), sluit de btw-aftrek uit voor uitgaven met een prive- of consumptief karakter voor derden en personeel. In dit artikel leest u wat het BUA precies is, welke uitgaven eronder vallen en hoe de belangrijkste ontsnapping werkt: de drempel van 227 euro per ontvanger per jaar. Ook laten we zien hoe u de btw-aftrek op relatiegeschenken en personeel correct beoordeelt en welke fouten u eind van het boekjaar wilt voorkomen. Zo weet u wanneer u een correctie moet maken en wanneer de btw gewoon aftrekbaar blijft.

Wat is het BUA?

Als ondernemer mag u normaal de btw op uw zakelijke inkopen aftrekken van de btw die u aan de Belastingdienst afdraagt. Die aftrekbare btw heet voorbelasting (artikel 15 Wet op de omzetbelasting 1968). Het BUA maakt daar een uitzondering op. Het sluit de aftrek uit voor bepaalde uitgaven die vooral een prive- of consumptief karakter hebben, ook al maakt uw onderneming ze om zakelijke redenen.

Het gaat om drie soorten uitgaven: het voeren van een zekere staat (dure statusuitgaven), relatiegeschenken en andere giften, en verstrekkingen aan uw personeel. Heeft u de btw op zulke uitgaven al afgetrokken, dan moet u die aftrek aan het einde van het boekjaar corrigeren als het BUA van toepassing is. Die correctie hoort thuis in de laatste btw-aangifte van dat boekjaar.

Welke uitgaven raakt het BUA?

Het BUA speelt bij uitgaven met een prive- of consumptief karakter. Grofweg gaat het om drie situaties: relatiegeschenken en giften, verstrekkingen aan personeel, en een aantal uitzonderingen met eigen regels (zie figuur 1). Hierna lichten we ze toe.

Figuur 1: bij welke uitgaven u de btw-aftrek moet beoordelen, en de 227-euro-drempel als uitgang.

Relatiegeschenken en giften

Een relatiegeschenk of gift is elke prestatie die u zonder vergoeding of onder de kostprijs aan een ander doet, uit zakelijke motieven of vrijgevigheid. Denk aan een cadeau voor een klant of leverancier, of een gift aan een stichting. Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. In de praktijk gaat het om ontvangers die voor 30 procent of minder recht op aftrek hebben, zoals particulieren of vrijgestelde organisaties. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw wel gewoon aftrekt, dan speelt het BUA niet.

Verstrekkingen aan personeel

Bij personeel gaat het om zaken die uw werknemers voor persoonlijke doeleinden krijgen: huisvesting, loon in natura (zoals een kerstpakket, telefoon of computer), gelegenheid tot sport of ontspanning, prive-vervoer en andere persoonlijke voorzieningen. Het moet gaan om personeel dat op het moment van verstrekken bij u in dienst is, niet om oud-medewerkers.

Wat valt er buiten het BUA?

Een aantal verstrekkingen valt bewust buiten het BUA en heeft eigen regels. Spijzen en dranken vallen onder de aparte kantineregeling. Verder blijven besloten busvervoer voor woon-werkverkeer, een fiets van maximaal 749 euro inclusief btw (onder voorwaarden) en outplacement buiten schot. Ook de auto van de zaak valt sinds 1 juli 2011 niet meer onder het BUA: het privegebruik daarvan wordt via een andere correctie geregeld (de zogenoemde fictieve dienst).

De drempel van 227 euro per ontvanger

De belangrijkste ontsnapping is de drempel. Blijven de kosten per ontvanger onder 227 euro (exclusief btw) per boekjaar, dan hoeft u niets te corrigeren en blijft de btw aftrekbaar. Komt u daar bovenuit, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar, dus niet alleen over het deel boven 227 euro (zie figuur 2). U toetst per ontvanger en per boekjaar, dus per klant, per relatie of per werknemer.

Heeft de ontvanger een eigen bijdrage betaald waarover u btw afdraagt, dan blijft uw aftrek in stand tot het bedrag van die verschuldigde btw. Let op een belangrijke wijziging: sinds 1 januari 2024 mag u die eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om zo onder de 227-euro-drempel te blijven. Voor de drempeltoets telt dus de volledige kostprijs.

Figuur 2: bij overschrijding van de drempel vervalt de aftrek over het hele bedrag, niet alleen over het meerdere.

Rekenvoorbeeld

Stel: u geeft een werknemer een kerstgeschenk met een kostprijs van 300 euro (exclusief btw) en vraagt daarvoor 100 euro (exclusief btw) eigen bijdrage. U trekt eerst 63 euro btw af (21 procent van 300 euro). Over de eigen bijdrage draagt u 21 euro btw af (21 procent van 100 euro). De kostprijs is 300 euro en dus hoger dan 227 euro, waardoor de drempel is overschreden. De eigen bijdrage telt sinds 2024 niet meer mee om eronder te blijven. De BUA-correctie is dan 63 euro min 21 euro, dus 42 euro die u niet mag aftrekken (zie figuur 3).

Figuur 3: de btw-correctie voor het kerstgeschenk in vier stappen, van kostprijs tot correctie van 42 euro.

De belangrijkste bedragen en grenzen (2026) op een rij

Onderwerp Bedrag / grens Toelichting
Drempel per ontvanger 227 euro excl. btw per jaar Eronder: geen correctie. Erboven: btw over het hele bedrag niet aftrekbaar.
Grens aftrekgerechtigde ontvanger 30 procent of minder Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger nauwelijks aftrekt.
Fiets (uitzondering) 749 euro incl. btw Tot dit bedrag volledige aftrek; leasefiets maximaal 130 euro aftrek.
Kantineregeling 9 procent van (kostprijs + 25 procent) Aparte rekenregel voor eten en drinken; staat los van de 227-euro-toets.
Auto van de zaak (forfait) 2,7 procent (of 1,5 / 1,35 procent) Loopt buiten het BUA om, via een fictieve dienst.

 

De kantineregeling: aparte rekenregel voor eten en drinken

Verstrekt u als werkgever eten en drinken aan uw personeel onder de kostprijs, bijvoorbeeld in een eigen bedrijfskantine, dan geldt een aparte rekenregel. De aftrek is dan uitgesloten tot 9 procent van het verschil tussen enerzijds de aanschafkosten (exclusief btw) plus 25 procent, en anderzijds het bedrag dat u uw personeel in rekening brengt. Dit kantinebedrag staat los van de 227-euro-drempel: u telt het er niet bij op. Heeft u een eigen kantine, houd deze berekening dan apart bij.

Bijzondere situaties: auto, parkeren, fiets en kerstpakketten

Voor een aantal veelvoorkomende verstrekkingen heeft de staatssecretaris in een beleidsbesluit uit 2020 uitgelegd hoe het uitpakt. Hierna zetten we de hoofdlijnen op een rij (zie figuur 4).

Figuur 4: vier veelvoorkomende situaties met hun eigen regel of grens.

Auto van de zaak

Het privegebruik van een auto van de zaak valt sinds 2011 niet meer onder het BUA, maar wordt gecorrigeerd via een vast forfait. Dat forfait bedraagt 2,7 procent van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm). Vanaf het zesde jaar en bij een auto die u zonder btw-aftrek heeft gekocht (een marge-auto), geldt een verlaagd forfait van 1,5 procent. Bij een auto waarvan u de btw maar deels heeft afgetrokken, is dit 1,35 procent.

Parkeergelegenheid

Biedt u uw personeel parkeergelegenheid aan, dan geldt dit als verstrekt voor bedrijfsdoeleinden. Het prive-element gaat daarin op, zodat er geen BUA-correctie nodig is.

Fiets van de zaak

Een eigen bijdrage van de werknemer (ook in de vorm van verlofdagen of brutoloon) brengt u eerst in mindering op de inkoopprijs van de fiets. Blijft het saldo op of onder 749 euro inclusief btw, dan is de btw volledig aftrekbaar en volgt er geen correctie voor eventueel ander privegebruik. Ligt de prijs na de eigen bijdrage hoger dan 749 euro, dan is de aftrek uitgesloten voor het meerdere boven 749 euro. Voor een leasefiets is de btw in de leasetermijnen aftrekbaar tot maximaal 130 euro.

Kerstpakketten en loon in natura

Bij een volledig btw-belaste ondernemer is de btw op kerstpakketten aftrekbaar zolang het totaal per werknemer per jaar op of onder 227 euro blijft. Een volledig vrijgestelde ondernemer heeft sowieso geen recht op aftrek, ook onder 227 euro. Bent u een gemengde ondernemer (deels belast, deels vrijgesteld), dan volgt de aftrek de toerekening: is de uitgave direct aan belaste omzet toe te rekenen, dan is de btw aftrekbaar mits onder 227 euro; is deze direct vrijgesteld, dan is er geen aftrek; horen de kosten bij de algemene kosten, dan geldt de pro rata met uitsluiting boven 227 euro.

Wanneer geldt het BUA niet? Het primair ondernemingsbelang

Het BUA geldt niet als een verstrekking primair in het belang van uw onderneming is en het persoonlijke voordeel van de werknemer daaraan ondergeschikt is. De rechter stelt hierbij wel een strenge eis: er moeten bijzondere omstandigheden zijn die u als ondernemer dwingen de verstrekking te doen. Een bekend voorbeeld is de noodzakelijke huisvesting van buitenlandse uitzendkrachten die geen eigen keuzevrijheid hebben. Ook een gift kan buiten het BUA blijven als die aantoonbaar rechtstreeks het bedrijfsbelang dient, bijvoorbeeld om de afname van uw producten te bevorderen. Kunt u dat onderbouwen, dan blijft uw aftrek in stand. Leg daarom goed vast aan wie en met welk zakelijk doel u verstrekkingen doet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd een overzicht bij. Noteer per boekjaar en per ontvanger welke relatiegeschenken, giften en personeelsverstrekkingen u heeft gedaan en wat de kostprijs (exclusief btw) daarvan is.
  • Toets aan de 227-euro-drempel. Blijft u per ontvanger onder 227 euro, dan hoeft u niets te doen. Zit u erboven, dan corrigeert u de afgetrokken btw over het hele bedrag.
  • Reken een eigen bijdrage niet weg. Sinds 2024 mag u een eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om onder de drempel te blijven.
  • Beoordeel de ontvanger bij relatiegeschenken. Alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken (30 procent of minder), speelt het BUA.
  • Maak de kantineberekening apart. Heeft u een eigen kantine, pas dan de 9-procent-regeling toe naast de gewone drempeltoets.
  • Verwerk de correctie op tijd. De BUA-correctie hoort in de laatste btw-aangifte van het boekjaar.
  • Onderbouw een uitzondering. Meent u dat een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient, leg de bijzondere omstandigheden dan schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Wat betekent BUA?

BUA staat voor het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het is de regeling die de btw-aftrek uitsluit voor bepaalde uitgaven met een prive- of consumptief karakter, zoals relatiegeschenken en verstrekkingen aan personeel.

Mag ik de btw op een kerstpakket aftrekken?

Dat mag als de totale kosten per werknemer op of onder 227 euro (exclusief btw) per jaar blijven. Komt u daarboven, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar. Tel alle verstrekkingen aan dezelfde werknemer in het boekjaar bij elkaar op.

Geldt de drempel van 227 euro per geschenk of per jaar?

Per ontvanger per boekjaar, niet per afzonderlijk geschenk. U telt alle relatiegeschenken of verstrekkingen aan dezelfde persoon in het boekjaar bij elkaar op en toetst dat totaal aan de 227 euro.

Speelt het BUA ook bij een geschenk aan een andere ondernemer?

Meestal niet. Bij relatiegeschenken geldt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw aftrekt, dan hoeft u niets te corrigeren.

Wanneer moet ik de BUA-correctie doen?

De correctie verwerkt u in de laatste btw-aangifte van het boekjaar. U berekent dan per ontvanger of de drempel is overschreden en corrigeert de te veel afgetrokken btw.

Valt de auto van de zaak onder het BUA?

Nee. Sinds 1 juli 2011 valt de auto van de zaak niet meer onder het BUA. Het privegebruik wordt gecorrigeerd via een forfait van 2,7 procent van de catalogusprijs (in bepaalde gevallen 1,5 of 1,35 procent).

Hoe Taxcount u kan helpen

Het BUA is een regeling waarin makkelijk fouten sluipen, vooral rond december. Een gemiste correctie kan leiden tot een naheffing met belastingrente en soms een boete, terwijl u omgekeerd ook onnodig aftrek kunt mislopen door te veel te corrigeren. Taxcount helpt u de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen correct te beoordelen: we brengen uw verstrekkingen in kaart, toetsen ze aan de 227-euro-drempel en de uitzonderingen, maken zo nodig de kantineberekening en beoordelen of een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient. Wilt u zeker weten dat uw btw-aangifte op dit punt klopt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen, dan weet u precies waar u aan toe bent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd door een fiscaal adviseur informeren voordat u besluiten neemt.

Zie ook:

De samenloopvrijstelling: zo voorkom je dubbele belasting bij de koop of verkoop van vastgoed

U koopt een nieuw bedrijfspand, een stuk bouwgrond of u laat uw pand ingrijpend verbouwen. Dan kunnen er ineens twee belastingen tegelijk opduiken: btw op de levering en overdrachtsbelasting op de verkrijging. Betaalt u die dan allebei over dezelfde transactie? In de meeste gevallen niet. De zogeheten samenloopvrijstelling zorgt ervoor dat u niet dubbel betaalt. In dit artikel leest u wanneer een levering van vastgoed met btw is belast, wanneer de samenloopvrijstelling geldt en wat u praktisch moet regelen om deze vrijstelling veilig te benutten.

Wat is de samenloopvrijstelling?

Als u in Nederland een onroerende zaak verkrijgt, betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting. Dat is een belasting op de verkrijging van een pand of stuk grond. Wordt over diezelfde levering ook btw geheven, dan zou u twee belastingen tegelijk over dezelfde transactie betalen. Om dat te voorkomen bestaat de samenloopvrijstelling. De regel is eenvoudig: is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

De centrale vraag is dus steeds: is deze levering belast met btw? Dat bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt. De belangen zijn groot, want btw en overdrachtsbelasting op vastgoed lopen al snel in de tienduizenden tot honderdduizenden euro.

Wanneer is de levering van vastgoed belast met btw?

De hoofdregel is dat de levering van een onroerende zaak is vrijgesteld van btw. Bij “oud” vastgoed dat al langer in gebruik is, is er dus meestal geen btw en betaalt u alleen overdrachtsbelasting. Op die hoofdregel zijn drie belangrijke uitzonderingen, waarbij de levering juist wel met btw is belast (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom voor de btw-status van een vastgoedlevering. De hoofdregel is vrijstelling; drie uitzonderingen maken de levering btw-belast, waarna de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Een nieuw gebouw binnen twee jaar

De levering van een nieuw gebouw (of een deel daarvan) met bijbehorend terrein is verplicht belast met btw tot uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikneming. De datum van eerste ingebruikneming bepaalt dus wanneer die tweejaarstermijn afloopt (zie figuur 2). Legt u die datum goed vast, dan weet u zeker of de levering nog binnen de termijn valt.

  Figuur 2: binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming is de levering van een nieuw gebouw verplicht belast met btw; daarna is de levering vrijgesteld en geldt alleen overdrachtsbelasting.

Een bouwterrein

De levering van een bouwterrein is eveneens verplicht belast met btw. Een bouwterrein is onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd. Ook de levering van een terrein met een te slopen gebouw kan onder omstandigheden als levering van bouwgrond gelden, waardoor er btw is verschuldigd.

De optie belaste levering

Verkoper en koper kunnen er samen voor kiezen om een levering toch met btw te belasten. Dat kan als de koper de zaak voor ten minste 90 procent gebruikt voor prestaties waarvoor hij recht op btw-aftrek heeft. U legt deze keuze vast in de notariele akte van levering. Voor een koper met recht op btw-aftrek is een btw-belaste levering vaak juist gunstig: hij trekt de btw af en bespaart via de samenloopvrijstelling de overdrachtsbelasting.

Let op: ook een ingrijpende verbouwing kan meetellen. Ontstaat door de verbouwing “in wezen nieuwbouw”, dan is er fiscaal een nieuw vervaardigd goed en begint een nieuwe termijn van eerste ingebruikneming. De lat hiervoor ligt hoog en de beoordeling is sterk feitelijk.

Hoe werkt de vrijstelling in de praktijk? Een rekenvoorbeeld

Stel, u koopt een net opgeleverd bedrijfspand van 500.000 euro (exclusief btw), binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming. Deze levering is verplicht belast met btw: 500.000 euro maal 21 procent is 105.000 euro btw. Omdat de levering met btw is belast, is de verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting dankzij de samenloopvrijstelling.

Gebruikt u het pand voor btw-belaste prestaties, dan trekt u de 105.000 euro als voorbelasting af. Per saldo houdt u dan geen btw-last over en betaalt u geen overdrachtsbelasting. Was dezelfde levering vrijgesteld van btw geweest, dan zou u over de verkrijging het algemene overdrachtsbelastingtarief van 10,4 procent (het tarief 2026 voor niet-woningen zoals bedrijfspanden en grond) betalen, oftewel ruim 50.000 euro. Het verschil tussen beide routes is dus fors (zie figuur 3).

Figuur 3: bij een btw-belaste levering vervalt de overdrachtsbelasting en is de btw aftrekbaar; bij een vrijgestelde levering betaalt u 10,4 procent overdrachtsbelasting.

Wat geldt er bij de overname van een hele onderneming?

Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over, inclusief het vastgoed dat daarbij hoort, dan geldt een bijzondere regel. Voor de btw wordt geacht dat er geen levering plaatsvindt (de overgang van een algemeenheid van goederen). Er is dan geen btw. En zonder btw is de samenloopvrijstelling in beginsel niet van toepassing, waardoor over de verkrijging van het vastgoed juist wel overdrachtsbelasting wordt geheven.

Om dubbele of onbedoelde heffing te voorkomen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat de samenloopvrijstelling in deze situatie tocht kan gelden, onder twee voorwaarden. Ten eerste zou de levering zonder deze bijzondere regel belast zijn geweest (bijvoorbeeld omdat het om een nieuw pand binnen de tweejaarstermijn gaat). Ten tweede is de zaak nog niet als bedrijfsmiddel gebruikt, of had de verkrijger de btw sowieso niet kunnen aftrekken. Bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed is het dus verstandig deze voorwaarden vooraf te laten toetsen.

Waarop moet u letten om fouten te voorkomen?

De samenloop van twee heffingswetten maakt fouten makkelijk. Een levering die ten onrechte als vrijgesteld of juist als belast is behandeld, een gemiste tweejaarstermijn of een niet goed vastgelegde optie kan leiden tot een naheffing van btw of overdrachtsbelasting, met belastingrente en soms een boete. In bepaalde gevallen speelt bovendien een strafheffing overdrachtsbelasting bij structuren die bewust btw-belast worden gemaakt. Laat de kwalificatie van uw transactie daarom tijdig beoordelen, het liefst voordat de akte passeert.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Beoordeel de btw-status. Ga na of de levering verplicht met btw is belast (nieuw gebouw binnen twee jaar, bouwterrein) of vrijgesteld is. Dit bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt.
  • Leg de datum van eerste ingebruikneming vast. Zo kunt u aantonen of de levering nog binnen de tweejaarstermijn valt.
  • Regel de optie belaste levering op tijd. Wilt u kiezen voor een btw-belaste levering, neem die keuze dan op in de notariele akte en onderbouw dat de koper de zaak voor minstens 90 procent voor btw-belaste prestaties gebruikt.
  • Trek de voorbelasting juist af. Trek de btw af volgens het werkelijke gebruik van het pand en houd rekening met latere herziening.
  • Let op bij een bedrijfsoverdracht. Verkoopt of koopt u een onderneming met vastgoed, laat dan toetsen of de goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is.
  • Bewaar uw documentatie. Leg de kwalificatie, de akte en de btw-berekening vast, zodat u bij vragen van de Belastingdienst alles kunt onderbouwen.

Veelgestelde vragen

Wat is de samenloopvrijstelling precies?

Het is een vrijstelling die voorkomt dat u over dezelfde vastgoedtransactie zowel btw als overdrachtsbelasting betaalt. Is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Betaal ik altijd overdrachtsbelasting als er geen btw is?

Bij vastgoed dat vrijgesteld is van btw (meestal ouder vastgoed) betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting over de verkrijging. Het niet-woningtarief bedraagt in 2026 10,4 procent. Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt 2 procent, en voor een andere woning 8 procent.

Is een btw-belaste levering nadelig voor mij?

Niet als u recht op btw-aftrek heeft. U trekt de btw dan af en bespaart bovendien de overdrachtsbelasting. Voor kopers zonder btw-aftrek (bijvoorbeeld vrijgestelde ondernemers of particulieren) ligt dat anders, omdat de btw dan een kostenpost wordt.

Geldt de vrijstelling ook bij een verbouwing?

Alleen als de verbouwing zo ingrijpend is dat fiscaal een nieuw vervaardigd pand ontstaat (“in wezen nieuwbouw”). Dan start een nieuwe tweejaarstermijn en kan de levering btw-belast zijn. Of daarvan sprake is, hangt sterk af van de feiten en verdient een aparte beoordeling.

Wat moet ik doen bij de overname van een bedrijf met vastgoed?

Laat vooraf toetsen of de bijzondere goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is. Bij een overgang van een onderneming is er namelijk geen btw, waardoor de vrijstelling niet automatisch werkt en er anders overdrachtsbelasting verschuldigd kan zijn.

Hoe Taxcount u kan helpen

Vastgoedtransacties zitten fiscaal vol met termijnen, kwalificatievragen en de samenloop van twee belastingen. Een verkeerde inschatting kan u tienduizenden euro naheffing en rente kosten, terwijl een goede structurering juist veel voordeel oplevert. Taxcount beoordeelt vooraf of uw levering btw-belast of vrijgesteld is, of de optie belaste levering verstandig is en of de samenloopvrijstelling toepasbaar is, ook bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed. Wij zorgen dat de juiste keuzes op tijd in de akte staan en dat uw btw-aftrek klopt. Wilt u zeker weten dat u geen dubbele belasting betaalt? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw transactie voordat de akte passeert.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Aftrek van voorbelasting: hoe je met het pro rata bepaalt hoeveel btw je mag aftrekken bij gemengd gebruik

U betaalt btw op vrijwel al uw inkopen. Levert uw onderneming alleen btw-belaste prestaties, dan trekt u die btw gewoon volledig af. Maar wat als u daarnaast ook omzet heeft waarover geen btw wordt berekend, bijvoorbeeld verhuur van een woning, verzekeringsbemiddeling, zorg of onderwijs? Dan mag u de betaalde btw, de zogenoemde voorbelasting, niet volledig aftrekken. U moet die splitsen in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel. Dit artikel legt uit hoe de aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik werkt, hoe u het pro rata berekent, wanneer u mag rekenen met het werkelijke gebruik en waar u op moet letten bij dure investeringen en de meerjarige herziening. Ook staan we stil bij een belangrijke wijziging per 1 januari 2026.

Wat is voorbelasting en wanneer mag u die aftrekken?

Btw werkt met verrekening. De btw die u aan uw klanten in rekening brengt, draagt u af aan de Belastingdienst. De btw die u zelf op uw inkopen betaalt, mag u daarvan aftrekken. Die inkoop-btw heet de voorbelasting. Per saldo drukt de btw zo op de eindverbruiker en niet op u als ondernemer.

Er is een belangrijke voorwaarde. U mag de voorbelasting alleen aftrekken voor zover u de ingekochte goederen en diensten gebruikt voor btw-belaste handelingen. Verricht u uitsluitend belaste prestaties, dan is de voorbelasting volledig aftrekbaar en heeft u met de splitsingsregels uit dit artikel niets te maken. Heeft u daarnaast ook prestaties zonder recht op aftrek, dan komt de splitsing in beeld.

Wanneer moet u de btw splitsen?

Splitsen is nodig zodra u gemengd presteert. Dat betekent dat u naast btw-belaste omzet ook omzet heeft zonder btw, of activiteiten waarvoor u geen vergoeding vraagt. Denk aan een adviseur die daarnaast vrijgestelde verzekeringen bemiddelt, een verhuurder met zowel belaste als vrijgestelde verhuur, een zorg- of onderwijsinstelling met een belaste kantine, of een pand dat u deels zakelijk en deels prive gebruikt.

De splitsing gaat in de basis om drie soorten inkopen (zie figuur 1). Inkopen die u uitsluitend voor belaste omzet gebruikt, leveren volledige aftrek op. Inkopen die u uitsluitend voor vrijgestelde omzet gebruikt, geven geen aftrek. En de kosten die u voor beide gebruikt, de zogenoemde algemene kosten, mag u maar deels aftrekken. Dat laatste deel bepaalt u met het pro rata.

Figuur 1: verdeel uw inkopen in drie groepen; alleen de algemene kosten worden met het pro rata beperkt.

Het loont om zoveel mogelijk inkopen rechtstreeks aan de belaste of vrijgestelde activiteit te koppelen. Dat heet directe toerekening. Hoe scherper u dat doet, hoe kleiner de pot met algemene kosten die door het pro rata wordt beperkt, en hoe hoger uw aftrek.

Hoe berekent u het pro rata?

Het pro rata is een omzetverhouding. U deelt de omzet waarvoor u recht op aftrek heeft door uw totale omzet, beide bedragen zonder btw. De uitkomst is een percentage dat u naar boven afrondt op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw die op uw algemene kosten drukt.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, u heeft 200.000 euro belaste omzet en 50.000 euro vrijgestelde omzet, samen 250.000 euro. Op uw algemene kosten, zoals huisvesting en administratie, drukt 10.000 euro voorbelasting. Uw pro rata is dan 200.000 gedeeld door 250.000, oftewel 80 procent. U mag dus 8.000 euro aftrekken. De overige 2.000 euro is niet aftrekbaar en blijft als kostenpost drukken.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van het pro rata bij een verhouding van 200.000 euro belaste en 50.000 euro vrijgestelde omzet.

Mag u ook op basis van het werkelijke gebruik splitsen?

Ja. Als aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van uw algemene kosten een ander beeld geeft dan de omzetverhouding, dan splitst u op basis van dat werkelijke gebruik. U meet dat met een objectieve verdeelsleutel, bijvoorbeeld het aantal vierkante meters, kubieke meters of gebruiksuren. In het voorbeeld hierboven mag u, als u kunt aantonen dat de betrokken ruimtes en middelen in werkelijkheid voor 90 procent aan de belaste activiteit worden besteed, 9.000 euro in plaats van 8.000 euro aftrekken.

Let op twee dingen. U mag niet mixen: voor alle algemene kosten samen kiest u een methode, dus of het pro rata, of het werkelijke gebruik. En wie afwijkt van de omzetverhouding, moet aannemelijk maken dat zijn methode als geheel nauwkeuriger is. De bewijslast ligt dus bij u. Voor een onroerende zaak met gemengd gebruik schrijft de wet het werkelijke gebruik zelfs voor.

Aftrek naar bestemming en de meerjarige herziening

U bepaalt de aftrek op het moment dat u de factuur ontvangt, op basis van de bestemming die u de inkoop dan geeft. Wijkt het gebruik bij de eerste ingebruikneming af van die bestemming, dan corrigeert u dat. Te veel afgetrokken btw wordt alsnog verschuldigd, te weinig afgetrokken btw krijgt u op verzoek terug. Een reele belaste bestemming op het aanschafmoment is essentieel: zonder die intentie vervalt de aftrek en volgt naheffing.

Voor dure bedrijfsmiddelen stopt het daar niet. Daarvoor geldt een meerjarige herziening (zie figuur 3). Voor onroerende zaken volgt de Belastingdienst de aftrek nog negen boekjaren na het jaar van ingebruikname, telkens voor een tiende deel. Voor roerende bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, geldt vier boekjaren, telkens een vijfde deel. Verandert in zo’n jaar de verhouding tussen belast en vrijgesteld gebruik met meer dan 10 procent, dan corrigeert u een deel van de eerder afgetrokken btw. Blijft de afwijking onder de 10 procent, dan hoeft u niets te doen.

Figuur 3: de herzieningstermijnen per soort investering, inclusief de nieuwe categorie investeringsdiensten per 2026.

Nieuw per 1 januari 2026: herziening van investeringsdiensten

Sinds 1 januari 2026 vallen ook dure diensten aan onroerende zaken onder de herziening. Het gaat om investeringsdiensten met een vergoeding van ten minste 30.000 euro exclusief btw per dienst, zoals een grote verbouwing, renovatie of groot onderhoud aan een pand. Deze diensten worden, net als roerende bedrijfsmiddelen, afzonderlijk gevolgd en herzien over vijf boekjaren, telkens een vijfde deel. De regeling geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik worden genomen. Gebruikt u zo’n pand deels vrijgesteld, dan is het belangrijk om deze diensten voortaan apart in uw administratie bij te houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of u gemengd presteert. Heeft u naast btw-belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding? Dan moet u de voorbelasting splitsen.
  • Splits uw inkopen in drie groepen. Alleen belast (volledig aftrekbaar), alleen vrijgesteld (geen aftrek) en gemengd (algemene kosten). Reken zoveel mogelijk direct toe.
  • Bereken het pro rata correct. Aftrekbare omzet gedeeld door totale omzet, exclusief btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten.
  • Overweeg het werkelijke gebruik. Geeft een verdeling op vierkante meters of uren een gunstiger en objectief onderbouwd beeld, laat die methode dan toetsen. Mix geen methoden.
  • Herreken aan het einde van het boekjaar. Pas per aangifte een voorlopig pro rata toe en corrigeer dit in de laatste aangifte op basis van de jaarcijfers.
  • Houd de herzieningsadministratie bij. Voor onroerende zaken tien jaar, voor roerende bedrijfsmiddelen en investeringsdiensten vijf jaar. Toets jaarlijks aan de 10 procent-grens.
  • Let op investeringsdiensten vanaf 2026. Registreer verbouwingen, renovaties en groot onderhoud aan panden vanaf 30.000 euro apart voor de herziening.

Veelgestelde vragen

Wat is voorbelasting precies?

Voorbelasting is de btw die u zelf op uw inkopen betaalt. Die btw mag u aftrekken van de btw die u aan uw klanten in rekening brengt, voor zover u de inkopen gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Wanneer moet ik de btw splitsen?

Zodra u naast belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding heeft. De btw op kosten die u voor beide gebruikt, mag u dan maar voor een deel aftrekken.

Hoe bereken ik het pro rata?

Deel uw aftrekbare omzet door uw totale omzet, beide zonder btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw van uw algemene kosten.

Mag ik kiezen tussen pro rata en werkelijk gebruik?

U rekent standaard met het pro rata. Alleen als u aannemelijk maakt dat het werkelijke gebruik een nauwkeuriger beeld geeft, mag u dat gebruiken. U moet dat wel objectief onderbouwen en u mag de methoden niet mengen.

Wat verandert er per 2026 aan de herziening?

Vanaf 1 januari 2026 vallen ook investeringsdiensten aan onroerende zaken van 30.000 euro of meer onder de meerjarige herziening. Deze worden vijf jaar lang gevolgd, net als roerende bedrijfsmiddelen.

Wat gebeurt er als ik te veel btw aftrek?

De Belastingdienst heft de te veel afgetrokken btw na, met belastingrente en mogelijk een boete. Omdat investeringsgoederen vijf of tien jaar in de herziening blijven, kan een fout jaren doorwerken.

Hoe Taxcount u kan helpen

De aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik is foutgevoelig. De keuze tussen pro rata en werkelijk gebruik, de directe toerekening, de jaarlijkse herrekening en de herziening over vijf of tien jaar vragen om een zorgvuldige aanpak, zeker sinds de nieuwe regels voor investeringsdiensten. Een fout in het aanschafjaar van een pand of dure dienst werkt jaren door en kan leiden tot naheffing met rente.

Taxcount helpt u om uw btw-aftrek scherp en aantoonbaar juist in te richten. Wij beoordelen of u gemengd presteert, zetten een heldere administratieve splitsing op, onderbouwen zo nodig een gunstigere verdeelsleutel op basis van werkelijk gebruik en bewaken uw herzieningsverplichtingen. Wilt u zeker weten dat u niet te veel of te weinig btw aftrekt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook: 

De kleineondernemersregeling (KOR): geen btw rekenen bij een omzet tot 20.000 euro

 

U bent net gestart als zzp’er, u verkoopt zelfgemaakte producten of u heeft een kleine onderneming naast uw baan. De btw-aangifte kost u elk kwartaal tijd, terwijl uw omzet nog bescheiden is. Dan komt u al snel de kleineondernemersregeling (KOR) tegen. Met de KOR hoeft u bij een omzet tot 20.000 euro per jaar geen btw meer aan uw klanten te rekenen en doet u in de meeste gevallen geen btw-aangifte meer. Daar staat wel iets tegenover: u mag de btw op uw eigen inkopen niet meer aftrekken. In dit artikel leggen we uit hoe de kleineondernemersregeling in 2026 werkt, voor wie de KOR voordelig is, hoe u zich aanmeldt en waar u op moet letten.

Wat is de kleineondernemersregeling (KOR)?

De kleineondernemersregeling is een vrijwillige btw-vrijstelling voor ondernemers met een kleine omzet. Normaal rekent u btw (omzetbelasting) aan uw klanten, draagt u die af aan de Belastingdienst en trekt u de btw op uw inkopen daarvan af. Kiest u voor de KOR, dan verandert dit: u rekent geen btw meer aan uw klanten en u hoeft voor uw gewone Nederlandse omzet geen btw-aangifte meer te doen. Ook bent u ontheven van de meeste administratieve verplichtingen voor de btw.

De keerzijde is dat u de btw die u zelf betaalt op inkopen en investeringen niet meer mag terugvragen. Op uw facturen mag u bovendien op geen enkele manier btw vermelden. De KOR is dus een vrijstelling zonder recht op aftrek: u ruilt de btw-aftrek in voor minder administratie en, als u aan particulieren levert, vaak een prijsvoordeel.

De regeling is rechtsvormneutraal. Niet alleen zzp’ers en eenmanszaken kunnen de KOR gebruiken, maar ook een bv, een vof, een maatschap, een stichting of een vereniging. Voorwaarde is wel dat de onderneming in Nederland is gevestigd of hier een vaste inrichting heeft van waaruit omzet wordt gemaakt.

Voor wie is de KOR interessant?

De KOR is vooral aantrekkelijk als u voornamelijk levert aan particulieren of aan andere afnemers die de btw toch niet kunnen aftrekken. Voor hen is ‘geen btw op de factuur’ een echt prijsvoordeel, of het levert u een ruimere marge op. Ook is de regeling gunstig als u weinig btw op uw inkopen betaalt, want dan verliest u met de KOR maar weinig aftrek.

Levert u juist veel aan btw-plichtige bedrijven, dan pakt de KOR vaak nadelig uit. Die bedrijven kunnen de btw namelijk gewoon aftrekken, dus voor hen maakt het geen verschil of u btw rekent. U mist dan wel de aftrek van de btw op uw eigen kosten. Hetzelfde geldt als u grote investeringen doet of veel inkoopt: dan is het verlies van de aftrek meestal groter dan het voordeel. Typische situaties waarin de KOR goed uitpakt zijn kleine (neven)ondernemingen, een hobby die net een onderneming vormt en particuliere eigenaren van zonnepanelen. Met het onderstaande stappenplan bepaalt u snel of de KOR in uw geval waarschijnlijk voordelig is (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de KOR iets voor u is. U doorloopt vier vragen: blijft uw omzet onder 20.000 euro, levert u vooral aan particulieren, en betaalt u weinig btw op inkopen. Bij ‘nee’ op de laatste twee vragen laat u het voordeel eerst doorrekenen.

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

Of u de KOR mag gebruiken hangt af van uw jaaromzet in Nederland. Die mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. Voor die grens telt u vrijwel al uw Nederlandse omzet mee, exclusief btw. Ook bepaalde vrijgestelde omzet telt mee, zoals de verhuur van onroerend goed als dat uw gewone bedrijfsactiviteit is. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, bijvoorbeeld een bestelbus of een bedrijfspand, telt juist niet mee.

Heeft u meerdere activiteiten, dan telt u die bij elkaar op. U kunt uw onderneming niet opsplitsen om onder de grens te blijven. De Hoge Raad heeft bevestigd dat alle bedrijfsactiviteiten van een ondernemer samen worden genomen (HR 27 januari 2023). Wie bijvoorbeeld naast een adviespraktijk ook zonnepanelen exploiteert, telt de omzet van beide op voor de toets aan de 20.000 euro.

Blijft u binnen de grens, dan kunt u kiezen voor de KOR. Komt u in de loop van het jaar toch boven de 20.000 euro uit, dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alles daarna zijn weer gewoon met btw belast, met de bijbehorende aangifteplicht.

Hoe meldt u zich aan en kunt u weer opzeggen?

De KOR is een keuzeregeling. U meldt de toepassing aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Wilt u de KOR dus vanaf een bepaald kwartaal gebruiken, meld u dan ruim op tijd aan, minimaal vier weken van tevoren. Een adviseur mag de aanmelding namens u verzorgen.

U kunt de KOR ook weer opzeggen. Dat heet wederopzegging. Na een opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het kalenderjaar waarin u opzegt én het hele daaropvolgende kalenderjaar. Sinds 1 januari 2025 is de vroegere verplichting om minimaal drie jaar mee te doen vervallen. U kunt uw keuze dus jaarlijks heroverwegen, met inachtneming van deze wachttermijn na opzegging. De figuur hieronder zet de belangrijkste termijnen op een rij (zie figuur 2).

Figuur 2: de termijnen van de KOR. U meldt zich minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak aan, de vrijstelling gaat daarna in, en na opzegging geldt een wachttijd tot en met het volgende kalenderjaar.

Kunt u de KOR ook in andere EU-landen gebruiken?

Sinds 1 januari 2025 kan een in Nederland gevestigde ondernemer de KOR onder voorwaarden ook in andere EU-lidstaten toepassen. Dit heet de grensoverschrijdende KOR. Voorwaarde is dat uw totale jaaromzet in de hele Europese Unie niet meer dan 100.000 euro bedraagt. U moet zich hiervoor vooraf aanmelden en krijgt een apart identificatienummer. De precieze formaliteiten, zoals de voorafgaande kennisgeving en de kwartaalrapportages, laat u het beste vooraf door een adviseur uitwerken.

Wanneer blijft u toch btw verschuldigd?

Ook met de KOR bent u in een aantal situaties toch btw verschuldigd. De vrijstelling geldt niet voor de levering van een nieuw vervoermiddel naar een ander EU-land en niet voor de levering van een onroerende zaak die u in uw bedrijf heeft gebruikt. Die blijven regulier belast.

Daarnaast blijft u btw verschuldigd bij een buitenlandse verleggingsregeling en bij intracommunautaire verwervingen boven de 10.000 euro. Koopt u dus voor meer dan 10.000 euro per jaar goederen in uit een ander EU-land, dan geeft u daarover in Nederland btw aan, ook al past u verder de KOR toe. Voor dat deel doet u dan alsnog aangifte.

Let op de herziening van btw op investeringen

Stapt u over van belast ondernemen naar de vrijgestelde KOR, dan kan de zogeheten herziening van btw-aftrek spelen. Dit betekent dat u eerder afgetrokken btw op investeringen deels moet terugbetalen als u die investering korter geleden heeft gedaan. Voor onroerende zaken geldt een herzieningstermijn van tien jaar, voor roerende investeringsgoederen vijf jaar.

Er zijn drempels die de herziening beperken. Herziening blijft achterwege als de afwijking in een boekjaar niet meer dan 10 procent is. Voor roerende investeringsgoederen, zoals zonnepanelen of een computer, blijft herziening bij overgang naar de KOR na het jaar van eerste gebruik achterwege als het herzieningsbedrag lager is dan 500 euro. Doet u binnenkort grote investeringen, laat dan vooraf doorrekenen wat de KOR betekent voor uw btw-aftrek.

Rekenvoorbeeld: is de KOR voor u voordelig?

Een zzp’er verkoopt zelfgemaakte producten aan particulieren. Zij heeft 15.000 euro omzet per jaar en betaalt 1.000 euro btw op haar inkopen. Zonder de KOR draagt zij over haar verkopen 21 procent btw af, dat is 3.150 euro, waarvan zij 1.000 euro voorbelasting mag aftrekken. Per saldo draagt zij dan 2.150 euro af.

Kiest zij voor de KOR, dan rekent zij geen btw aan haar particuliere klanten en doet zij geen aangifte. Zij mist wel de aftrek van 1.000 euro. Omdat haar klanten de btw toch niet konden aftrekken, is de KOR voor haar per saldo voordelig: zij houdt meer marge over of kan een scherpere prijs bieden, en bespaart bovendien administratie. Voor een ondernemer die vooral aan bedrijven levert, die de btw wél aftrekken, levert ‘geen btw rekenen’ geen voordeel op en weegt het verlies van de 1.000 euro aftrek juist negatief. De figuur hieronder zet beide situaties naast elkaar (zie figuur 3).

Figuur 3: de situatie met en zonder KOR vergeleken bij 15.000 euro omzet en 1.000 euro btw op inkopen. Zonder KOR draagt de ondernemer per saldo 2.150 euro af en doet elk kwartaal aangifte; met KOR vervalt de aangifte en de btw, maar ook de aftrek van 1.000 euro.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw jaaromzet. Tel al uw Nederlandse omzet exclusief btw en al uw activiteiten samen op en controleer of u onder de 20.000 euro per kalenderjaar blijft.
  • Bepaal uw klantengroep. Levert u vooral aan particulieren, dan is de KOR meestal voordelig; levert u vooral aan btw-plichtige bedrijven, dan vaak niet.
  • Reken uw inkopen en investeringen door. Weeg het verlies van de btw-aftrek af tegen het voordeel; grote investeringen op korte termijn pleiten meestal tegen de KOR.
  • Meld u op tijd aan. Dien uw melding minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak in bij de Belastingdienst.
  • Pas de gevolgen consequent toe. Vermeld geen btw op uw facturen en vraag geen voorbelasting terug zolang u de KOR gebruikt.
  • Bewaak de omzetgrens. Houd uw omzet gedurende het jaar in de gaten; bij overschrijding rekent u vanaf die verkoop weer btw en meldt u dit bij de Belastingdienst.
  • Let op grensoverschrijdende situaties. Bij inkopen uit de EU boven 10.000 euro of gebruik van de KOR in andere lidstaten gelden aanvullende regels en aangifteverplichtingen.

Veelgestelde vragen

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

De jaaromzet in Nederland mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. U telt hiervoor al uw activiteiten samen op, exclusief btw. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft telt niet mee.

Moet ik met de KOR nog btw-aangifte doen?

Voor uw gewone Nederlandse omzet niet. U bent ontheven van de meeste btw-administratie en van de periodieke aangifte. Alleen in bijzondere situaties, zoals inkopen uit de EU boven 10.000 euro of een buitenlandse verleggingsregeling, blijft u voor dat deel aangifteplichtig.

Kan ik de btw op mijn inkopen nog terugvragen met de KOR?

Nee. De KOR is een vrijstelling zonder recht op aftrek. U mag de btw op uw inkopen en investeringen niet meer aftrekken zolang u de regeling gebruikt.

Hoe meld ik mij aan voor de KOR?

U meldt de KOR aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Meld u dus ruim op tijd aan. Een adviseur mag dit namens u doen.

Wat gebeurt er als ik boven de 20.000 euro uitkom?

Dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alle latere leveringen zijn weer met btw belast, en u doet daarvoor weer aangifte.

Kan ik de KOR ook weer opzeggen?

Ja. Na opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het jaar van opzegging en het hele daaropvolgende kalenderjaar. De vroegere verplichting om drie jaar mee te doen is per 2025 vervallen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze voor de KOR lijkt eenvoudig, maar pakt per situatie heel verschillend uit. Het verschil zit in uw klantengroep, uw inkopen, geplande investeringen en eventuele grensoverschrijdende activiteiten. Taxcount rekent voor u door of de kleineondernemersregeling in uw geval voordelig is, let daarbij op de gevolgen voor uw btw-aftrek en een mogelijke herziening, en verzorgt zo nodig de aanmelding bij de Belastingdienst. Ook bewaken we samen met u de omzetgrens, zodat u niet voor verrassingen komt te staan. Wilt u weten of de KOR bij uw onderneming past? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd adviseren voordat u een beslissing neemt.

 

Meewerkaftrek 2026: zo verwerk je het meewerken van je partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Kostenegalisatiereserve: zo verdeel je grote, terugkerende kosten gelijkmatig over de jaren

 

Sommige kosten in uw onderneming komen niet elk jaar even hoog terug, maar af en toe in een grote uitgave in een keer. Denk aan groot onderhoud aan een pand, een schip of een installatie dat maar eens in de zoveel jaar nodig is. Zonder maatregel zakt uw winst in het onderhoudsjaar fors in, terwijl die in de jaren ervoor te hoog lijkt. De kostenegalisatiereserve lost dat op: u zet elk jaar alvast een vast bedrag opzij, zodat de kosten gelijkmatig over de jaren drukken. In dit artikel leest u wat de kostenegalisatiereserve is, wanneer u er gebruik van mag maken en waar u op moet letten.

Wat is de kostenegalisatiereserve?

De kostenegalisatiereserve, ook wel egalisatiereserve, is een fiscale reserve waarmee u een toekomstige, ongelijk verdeelde kostenpost gelijkmatig over de jaren verdeelt (artikel 3.53, lid 1, onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001). U verwacht in de toekomst een grote uitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud, en u reserveert daar nu al jaarlijks een deel voor. Daardoor drukt elk jaar een gelijk bedrag op uw winst, in plaats van een enkele piek in het jaar waarin u de kosten maakt.

De reserve berust op goed koopmansgebruik, de fiscale spelregels voor het bepalen van de jaarwinst. Het is een keuzerecht: u mag de reserve vormen, maar u bent daartoe niet verplicht. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u normaal activeert en over meerdere jaren afschrijft.

Voor wie is de reserve interessant?

De kostenegalisatiereserve is er voor alle ondernemingen met periodiek terugkerende, ongelijk verdeelde kosten die in een later jaar tot een uitgavenpiek leiden. Denk aan groot onderhoud aan een schip, een pand of een machine, of aan een grote, verplichte keuring. De reserve geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, vof of maatschap, als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Voor de vennootschapsbelasting werkt de regeling door via artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de praktijk is het belang van deze reserve de laatste jaren afgenomen. Sinds een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 1998 (het Baksteenarrest) kunt u voor veel toekomstige kosten een voorziening vormen, die vaak ruimere mogelijkheden biedt. De kostenegalisatiereserve speelt daardoor vooral nog een rol in situaties waarin geen voorziening mogelijk is.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Uit de rechtspraak zijn vier voorwaarden afgeleid waaraan u tegelijk moet voldoen. Ten eerste worden de kosten in de toekomst ongelijkmatig over de jaren uitgegeven. Ten tweede zijn de kosten opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in de jaren waarover u reserveert. Ten derde leiden die kosten in een later jaar tot een echte piek in de uitgaven; dit wordt het piekvereiste genoemd. En ten vierde bestaat er een redelijke mate van zekerheid dat u de uitgaven daadwerkelijk gaat doen, bijvoorbeeld op grond van een onderhoudsplan of keuringsschema (zie figuur 1).

Figuur 1: u mag alleen een kostenegalisatiereserve vormen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet. Ontbreekt de piek in de uitgaven, dan is de reserve niet mogelijk.

Ontbreekt de piek, bijvoorbeeld bij min of meer gelijkmatig jaarlijks onderhoud, dan is er geen grond voor een egalisatiereserve. Verder geldt een belangrijke beperking, het inhaalverbod: u mag alleen vooruit reserveren vanaf het moment dat de toekomstige kosten zijn opgeroepen. U mag geen bedrag inhalen over jaren die al voorbij zijn.

Hoe berekent u de jaarlijkse toevoeging?

De jaarlijkse toevoeging aan de reserve heet de dotatie. U bepaalt die volgens goed koopmansgebruik en een bestendige gedragslijn, wat betekent dat u de methode elk jaar op dezelfde manier toepast. Bij de hoogte mag u rekening houden met verwachte loon- en prijsstijgingen (artikel 3.53, lid 2 in samenhang met artikel 3.26 Wet inkomstenbelasting 2001).

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel, uw schip moet eens in de vijf jaar groot onderhoud krijgen dat naar schatting 50.000 euro kost. U mag dan jaarlijks 50.000 euro gedeeld door 5 is 10.000 euro aan de reserve toevoegen (zie figuur 2). Verwacht u dat de kosten door prijsstijging oplopen, bijvoorbeeld met 10 procent per jaar, dan mag u met die stijging rekening houden en jaarlijks een wat hoger bedrag reserveren. In het jaar waarin u het onderhoud laat uitvoeren, valt de reserve vrij tegen de werkelijke uitgave.

Figuur 2: door jaarlijks 10.000 euro te reserveren, verdeelt u het onderhoud van 50.000 euro gelijkmatig over vijf jaar. In jaar 5 valt de reserve vrij tegen de werkelijke kosten.

Kostenegalisatiereserve of voorziening: wat is het verschil?

Naast de reserve bestaat de voorziening, een andere manier om toekomstige kosten alvast ten laste van de winst te brengen. Het belangrijkste verschil is het inhaalverbod. Bij de kostenegalisatiereserve mag u niet inhalen over verstreken jaren, terwijl dat bij een voorziening in beginsel wel kan.

Sinds het Baksteenarrest van 1998 is de ruimte voor een voorziening flink verruimd. Daardoor is de praktijkbetekenis van de kostenegalisatiereserve afgenomen: voor veel toekomstige kosten biedt een voorziening nu meer mogelijkheden. Het is daarom verstandig om per situatie te laten toetsen welke van de twee het gunstigst uitpakt.

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve is bedoeld voor een concreet doel. Zodra dat doel vervalt, moet u de reserve geheel of gedeeltelijk laten vrijvallen. Dat betekent dat het opzijgezette bedrag weer als winst meetelt en wordt belast. Vrijval is onder meer aan de orde als het onderhoud definitief niet doorgaat, als u niet langer van plan bent de uitgave te doen, als er geen sprake meer is van een ongelijke verdeling, of als u uw onderneming staakt.

Een geruisloze doorschuiving, waarbij een ander uw onderneming fiscaal voortzet zonder dat u hoeft af te rekenen, geldt niet als staking. In dat geval hoeft de reserve dus niet vrij te vallen. Houd doorlopend in de gaten of de grond voor uw reserve nog bestaat, zodat u een verplichte vrijval niet mist.

Praktische checklist: dit regelt u rond de kostenegalisatiereserve

  • Kostensoort bepalen: controleer of het echt om kosten gaat en niet om de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u activeert en afschrijft; alleen kosten komen in aanmerking.
  • Piek aantonen: leg vast dat de kosten ongelijk over de jaren terugkomen met een duidelijke piek in een jaar; zonder piek is geen reserve mogelijk.
  • Zekerheid onderbouwen: bewaar een onderhoudsplan, keuringsschema of andere stukken waaruit blijkt dat de uitgave redelijk zeker is.
  • Dotatie berekenen: verdeel de geschatte kosten over de jaren en houd waar nodig rekening met loon- en prijsstijging; pas de methode elk jaar op dezelfde manier toe.
  • Inhaalverbod respecteren: reserveer alleen vooruit en haal geen bedrag in over jaren die al voorbij zijn.
  • Voorziening vergelijken: laat ook toetsen of een voorziening mogelijk is; die is sinds 1998 vaak ruimer en voordeliger.
  • Vrijval bewaken: houd bij of het doel van de reserve nog bestaat en laat de reserve vrijvallen zodra dat doel vervalt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een kostenegalisatiereserve en sparen?

Bij deze reserve zet u niet echt geld op een aparte rekening, maar u verlaagt uw fiscale winst met een jaarlijks bedrag. Zo verdeelt u de belastingdruk gelijkmatig over de jaren. In het jaar waarin u de kosten maakt, valt de reserve vrij en wordt zij verrekend met de werkelijke uitgave.

Mag ik voor jaarlijks onderhoud een egalisatiereserve vormen?

Nee. De regeling is alleen bedoeld voor kosten die ongelijk over de jaren terugkomen en tot een piek leiden. Onderhoud dat elk jaar ongeveer hetzelfde kost, mist die piek en komt daarom niet in aanmerking.

Kan ik een reserve vormen voor de aanschaf van een nieuwe machine?

Nee. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel. Een machine activeert u en schrijft u over meerdere jaren af; daarvoor bestaan andere regelingen, zoals de willekeurige afschrijving of de investeringsaftrek.

Is een voorziening beter dan een kostenegalisatiereserve?

Dat hangt af van uw situatie. Sinds 1998 biedt een voorziening voor veel toekomstige kosten ruimere mogelijkheden, onder meer omdat het inhaalverbod daar niet geldt. Het is verstandig beide opties te laten vergelijken.

Geldt de kostenegalisatiereserve ook voor mijn bv?

Ja. Via de vennootschapsbelasting werkt de regeling ook door naar bv’s en andere belastingplichtige lichamen. De voorwaarden zijn dezelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een kostenegalisatiereserve in uw situatie is toegestaan en voordelig is, vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Taxcount bekijkt of aan het piekvereiste en de overige voorwaarden is voldaan, berekent een onderbouwde jaarlijkse dotatie en vergelijkt de reserve met de mogelijkheid van een voorziening. Ook bewaken wij de momenten waarop de reserve moet vrijvallen, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Wilt u weten of u een grote, terugkerende kostenpost fiscaal slim kunt spreiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Willekeurige afschrijving 2026: zelf je afschrijvingstempo bepalen en belasting uitstellen

 

Investeer je in een bedrijfsmiddel, dan schrijf je de aanschafprijs normaal in vaste jaarlijkse stappen af. Bij bepaalde investeringen mag je dat tempo echter zelf bepalen. Dat heet willekeurige afschrijving en het levert je een liquiditeits- en rentevoordeel op: je haalt de aftrek naar voren, verlaagt je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. In 2026 geldt willekeurige afschrijving vooral voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (de VAMIL) en voor investeringen van startende ondernemers. In dit artikel lees je hoe willekeurige afschrijving werkt, voor wie zij geldt, wat zij oplevert en aan welke voorwaarden en termijnen je moet voldoen.

Wat is willekeurige afschrijving?

Normaal schrijf je een bedrijfsmiddel in vaste stappen af: per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs (bij goodwill 10%), zodat je er minstens vijf jaar over doet. Bij willekeurige afschrijving mag je dat tempo zelf kiezen. Je verdeelt het af te schrijven bedrag (de aanschaf- of voortbrengingskosten min de restwaarde) naar eigen inzicht over de jaren. Je mag dus in het begin veel of zelfs alles ineens afschrijven.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. Je schrijft niet meer af, maar wel eerder. Door de aftrek naar voren te halen, verlaag je je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. Zo hou je het geld langer in het bedrijf (het liquiditeitsvoordeel) en bespaar je rente (het rentevoordeel). De totale aftrek over de jaren blijft gelijk; het gaat dus om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt willekeurige afschrijving?

Willekeurige afschrijving is geen algemene regeling, maar geldt voor twee specifieke groepen: investeerders in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en startende ondernemers.

Milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL)

De VAMIL geldt voor alle ondernemingen die investeren in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat, in Nederland nog niet gangbaar is en niet eerder is gebruikt. Deze variant staat open voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en zelfs voor medegerechtigden zoals een commanditaire vennoot. Een urencriterium geldt hierbij niet. Voor milieu-bedrijfsmiddelen mag je sinds 2011 wel maar 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de resterende 25% volgt de normale afschrijvingsregels.

Startende ondernemers

De startersvariant geldt voor natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek, de startersaftrek. Zij mogen op hun investeringen versneld afschrijven, tot een investeringsplafond dat gelijk is aan het maximale bedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor 2026 is dat plafond 398.236 euro. Over het meerdere gelden de normale afschrijvingsregels. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Wat levert willekeurige afschrijving op?

Het voordeel is een rente- en liquiditeitsvoordeel. Een voorbeeld maakt het duidelijk (zie figuur 1). Een startende ondernemer koopt een machine van 50.000 euro met een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nul. Normaal trekt hij vijf jaar lang 10.000 euro per jaar af. Met willekeurige afschrijving mag hij in jaar 1 bijvoorbeeld het volle bedrag van 50.000 euro aftrekken. Tegen een tarief van ongeveer 37% scheelt dat in jaar 1 zo’n 18.500 euro minder belasting. In de jaren daarna betaal je dat weer terug, omdat er niets meer valt af te schrijven. Het blijft dus uitstel.

Figuur 1: bij normale afschrijving verdeel je de kosten over vijf jaar; bij willekeurige afschrijving haal je de aftrek naar voren. De totale aftrek blijft gelijk.

Let op dat willekeurige afschrijving geen permanent voordeel oplevert. In een jaar met weinig of geen winst kan het naar voren halen van de aftrek juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo daarom op basis van de winst en de tarieven die je de komende jaren verwacht.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

De voorwaarden verschillen per variant. Voor beide geldt dat je de keuze voor willekeurige afschrijving in je aangifte maakt; de faciliteit wordt niet automatisch toegepast.

Bij milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) moet je de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De kosten moeten minstens 2.500 euro per melding bedragen. De VAMIL is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA). De vier stappen voor een milieu-bedrijfsmiddel staan in figuur 2. Bij de startersvariant bewaken je het investeringsplafond en let je erop dat bepaalde bedrijfsmiddelen (zoals goederen die je aan derden ter beschikking stelt) zijn uitgesloten.

Figuur 2: de vier stappen bij willekeurige afschrijving van een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL), van investeren tot het combineren met de MIA.

Parameter Waarde in 2026 Geldt voor
Willekeurig af te schrijven deel 75% van de kosten milieu-bedrijfsmiddelen
Drempel per melding 2.500 euro milieu-bedrijfsmiddelen
Meldingstermijn bij RVO binnen 3 maanden milieu-bedrijfsmiddelen
Investeringsplafond 398.236 euro startende ondernemers
Sanctietermijn (terugname) 5 jaar (zeeschepen: 10 jaar) startende ondernemers / zeeschepen

 

Waar moet je op letten?

Voldoe je binnen de sanctietermijn niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen. De boekwaarde wordt dan alsnog gesteld op de waarde zonder willekeurige afschrijving, waardoor het genoten voordeel wordt teruggedraaid. Deze terugname geldt bijvoorbeeld als je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar anders gaat gebruiken of verkoopt.

Ook is willekeurige afschrijving niet bedoeld voor constructies. In een uitspraak van de rechtbank uit 2019 draaide het om een samenwerkingsverband dat alleen was opgezet om via willekeurige afschrijving een fiscaal voordeel te creëren en de machines daarna door te verkopen aan een gelieerde bv. De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een echte onderneming; de verliezen werden teruggedraaid en er volgde een boete. Er moet dus een reële onderneming met een winstverwachting achter de investering zitten.

Praktische checklist: dit regel je bij willekeurige afschrijving

  • Variant bepalen: ga na of je investering een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL) is of dat je als starter met de verhoogde zelfstandigenaftrek in aanmerking komt.
  • Tijdig melden bij RVO: meld een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO. Zonder tijdige melding vervalt het recht op VAMIL.
  • Drempel en plafond bewaken: controleer of de kosten van een milieu-bedrijfsmiddel minstens 2.500 euro zijn en of je investering als starter binnen het plafond van 398.236 euro blijft.
  • Keuze in de aangifte: neem de keuze voor willekeurige afschrijving op in je aangifte; de faciliteit komt niet vanzelf.
  • Tempo plannen: stem het afschrijvingstempo af op de winst en tarieven die je de komende jaren verwacht, zodat de aftrek maximaal rendeert.
  • Terugname voorkomen: houd rekening met de sanctietermijn van vijf jaar (zeeschepen tien jaar) en bewaar de gegevens, zodat je een terugname kunt onderbouwen of voorkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen willekeurige afschrijving en investeringsaftrek?

Willekeurige afschrijving verandert alleen het tempo waarin je afschrijft en levert een timingvoordeel op; de totale aftrek blijft gelijk. Investeringsaftrek (zoals KIA, EIA of MIA) is een extra aftrekpost boven op de normale afschrijving en verlaagt je winst dus blijvend.

Kan ik VAMIL en MIA combineren?

Ja. De willekeurige afschrijving voor milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA). De combinatie met de energie-investeringsaftrek (EIA) is echter uitgesloten.

Moet ik de milieu-investering melden?

Ja. Je moet een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting melden bij RVO. Zonder tijdige melding bestaat er geen recht op willekeurige afschrijving.

Levert versneld afschrijven altijd voordeel op?

Nee. In een jaar met weinig of geen winst slaat de aftrek tegen een laag tarief neer en kan het naar voren halen nadelig zijn. Het voordeel hangt af van je winst en de tarieven per jaar.

Mag mijn bv ook als starter versneld afschrijven?

Nee. De startersvariant geldt alleen voor natuurlijke personen met recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek. Bv’s en andere rechtspersonen zijn hiervan uitgesloten, maar kunnen wel gebruikmaken van de VAMIL voor milieu-bedrijfsmiddelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je investering in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving, verzorgt de tijdige melding bij RVO en berekent het plafond voor starters. Vooral bij het plannen van het afschrijvingstempo over meerdere jaren valt vaak voordeel te halen, want de beste keuze hangt af van je verwachte winst en tarieven. Wij zorgen dat de keuze correct in je aangifte komt en dat je geen terugname riskeert. Wil je het maximale liquiditeitsvoordeel uit je investering halen? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Schenking op papier: zo hevel je vermogen over zonder het geld nu al weg te geven

 

Veel ouders willen alvast vermogen overhevelen naar hun kinderen, maar kunnen of willen het geld nog niet missen. Vaak zit het vermogen vast in de eigen woning of in de onderneming. De schenking op papier biedt dan uitkomst: je schenkt op papier, terwijl het geld bij je blijft. Zo verklein je vast je latere nalatenschap en bespaar je mogelijk erfbelasting. Deze constructie werkt fiscaal alleen als je je aan strikte voorwaarden houdt, waaronder een notariële akte en het jaarlijks daadwerkelijk betalen van 6% rente. In dit artikel lees je hoe een schenking op papier werkt, welke voorwaarden gelden in 2026 en waar de valkuilen zitten.

Wat is een schenking op papier?

Een schenking op papier heet officieel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid. Je maakt het geld niet echt over, maar erkent op papier dat je een bedrag schuldig bent aan bijvoorbeeld je kind. Je spreekt af dat dit bedrag pas opeisbaar is bij je overlijden. Je houdt het geld dus zelf, maar je kind heeft nu al een vordering op je.

Waarom doen mensen dit? Door nu te schenken wordt je latere nalatenschap kleiner. Bij je overlijden staat er immers een schuld aan je kind tegenover je bezit. Over de schenking betaal je nu schenkbelasting, maar vaak valt die binnen de jaarlijkse vrijstelling. Daarnaast betaal je jaarlijks 6% rente aan je kind, waarmee je opnieuw belastingvrij vermogen verschuift. Figuur 1 laat de stappen zien, van de schuldigerkenning tot het overlijden.

 Figuur 1: zo verloopt een schenking op papier, van schuldigerkenning tot overlijden.

Hoeveel mag je belastingvrij schenken in 2026?

Voor een schenking van ouders aan een kind is in 2026 jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld. Blijft de schenking daaronder, dan betaal je geen schenkbelasting en hoef je zelfs geen aangifte te doen. Het is een zogenoemde voetvrijstelling: alleen het bedrag boven de vrijstelling wordt belast. Over dat meerdere betaal een kind 10% schenkbelasting, zolang de verkrijging in 2026 niet boven 158.669 euro uitkomt. Daarboven geldt 20%.

Let op de samentelling. Alle schenkingen die je en je partner in één kalenderjaar aan hetzelfde kind doen, worden bij elkaar opgeteld en als één schenking belast. Een schenking op papier telt dus samen met eventuele contante schenkingen in datzelfde jaar. Voor een kind tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling: 33.129 euro vrij besteedbaar of 69.009 euro als het geld naar een dure studie gaat. Op die eenmalige vrijstelling moet je wel een beroep doen in de aangifte.

Waarom bespaar je er later erfbelasting mee?

Bij je overlijden staat de schuld die je op papier bent aangegaan als aftrekpost tegenover je bezit. Je nalatenschap is daardoor kleiner. Erft je kind, dan geldt in 2026 een vrijstelling van 26.230 euro; over het meerdere betaal je kind 10% erfbelasting, of 20% boven 158.669 euro. Door tijdens leven jaarlijks op papier te schenken, verschuif je vermogen tegen de jaarlijkse schenkvrijstelling en verklein je het bedrag dat later tegen die tarieven wordt belast. De jaarlijkse 6% rente die je aan je kind betaal, verschuif je bovendien extra vermogen zonder heffing.

Welke voorwaarden gelden er? De valkuil van artikel 10

De wet kent een belangrijke valkuil: artikel 10 van de Successiewet. Hou je tot je overlijden het voordeel van het geld, doordat je geen of te weinig rente betaal, dan word je geacht het genot van die vordering te hebben gehouden. Het gevolg is hard: bij je overlijden wordt het volledige schuldig erkende bedrag alsnog met erfbelasting belast, alsof je nooit had geschonken. Om dat te voorkomen gelden drie eisen, samengevat in figuur 2.

  • Notariële akte: de schenking die pas opeisbaar is bij overlijden moet bij de notaris worden vastgelegd. Ontbreekt de akte, dan vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in je nalatenschap.
  • Rente van 6%: over het schuldig erkende bedrag spreek je een jaarlijkse rente van ten minste 6% af. Dit percentage staat vast in de wet.
  • De rente wordt daadwerkelijk elk jaar betaald. Bijschrijven of een jaar overslaan mag niet. Wie een jaar de rente vergeet, laat de hele constructie omvallen. Vergeten rente moet je samengesteld inhalen. Een op het moment van overlijden nog lopende rentetermijn van maximaal een jaar mag na overlijden alsnog worden betaald.

Figuur 2: de drie harde eisen. Voldoe je niet aan alle drie, dan grijpt artikel 10 SW in.

Artikel 10 werkt alleen als de ontvanger je partner is of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Bij een schenking aan bijvoorbeeld een goede vriend mist de constructie dan ook zijn doel. Ook een te lage rente telt als genot: betaal je minder dan de vereiste 6%, dan grijpt artikel 10 alsnog in.

Rekenvoorbeeld

Stel, een ouder erkent in 2026 eenmalig 30.000 euro schuldig aan een kind en legt dit bij de notaris vast. Van dat bedrag is 6.908 euro vrijgesteld (de jaarlijkse kindvrijstelling). Over de resterende 23.092 euro betaal het kind 10% schenkbelasting, ofwel 2.309 euro. De ouder maakt elk jaar 6% van 30.000 euro, dus 1.800 euro rente, over aan het kind. Bij overlijden staat de schuld van 30.000 euro in je nalatenschap en drukt daardoor je bezit. Vergeet de ouder één jaar de 1.800 euro te betalen, dan grijpt artikel 10 in en wordt de volle 30.000 euro bij overlijden alsnog als erfrechtelijke verkrijging belast. Figuur 3 vat de bedragen samen.

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een schenking op papier van 30.000 euro in 2026.

Wat betekent dit voor je aangifte in box 3?

De schenking op papier heeft ook gevolgen voor de inkomstenbelasting. Bij je kind is de vordering een bezitting in box 3; bij je is de schuld een box 3-schuld. Voor die schuld geldt in 2026 een schuldendrempel: schulden tellen pas mee voor zover het totaal boven 3.800 euro uitkomt, of boven 7.600 euro als je het hele jaar dezelfde fiscale partner hebt. Heb je al andere schulden, dan is die drempel mogelijk al verbruikt. De jaarlijkse 6% rente telt bij je kind als inkomen en bij je als een aftrekpost binnen de regels van box 3.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Ga naar de notaris: laat de schuldigerkenning die pas bij overlijden opeisbaar is altijd in een notariële akte vastleggen.
  • Spreek 6% rente af: leg in de akte een jaarlijkse rente van ten minste 6% vast over het schuldig erkende bedrag.
  • Betaal de rente elk jaar echt: maak de rente jaarlijks daadwerkelijk over, bij voorkeur via een automatische overboeking, en bewaar het bewijs.
  • Blijf binnen de vrijstelling: schenk per jaar niet meer op papier dan de kindvrijstelling van 6.908 euro als je geen schenkbelasting wilt betalen, en tel contante schenkingen mee.
  • Doe zo nodig aangifte: schenk je boven de vrijstelling of doet je een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling, doe dan tijdig aangifte schenkbelasting.
  • Denk aan de liquiditeit: zorg dat de schuld met opgelopen rente bij overlijden uit je nalatenschap kan worden voldaan.

Veelgestelde vragen

Moet een schenking op papier per se via de notaris?

Ja. Voor een schenking die pas opeisbaar is bij je overlijden is een notariële akte verplicht. Zonder die akte vervalt de schenking bij overlijden en valt het bedrag alsnog in je nalatenschap.

Waarom moet ik 6% rente betalen?

De wet eist 6% rente om te voorkomen dat je het volledige voordeel van het geschonken bedrag zelf houdt. Betaal je geen of te weinig rente, dan grijpt artikel 10 van de Successiewet in en wordt het volledige bedrag bij overlijden alsnog met erfbelasting belast.

Wat gebeurt er als ik één jaar de rente vergeet?

Dan valt de constructie in beginsel om. Bij overlijden wordt het hele schuldig erkende bedrag alsnog belast. Je kunt vergeten rente wel samengesteld inhalen, maar het is verstandig de betaling elk jaar goed vast te leggen.

Hoeveel mag ik in 2026 belastingvrij aan mijn kind schenken?

In 2026 is jaarlijks 6.908 euro vrijgesteld voor een schenking van ouders aan een kind. Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar bestaat daarnaast een eenmalig verhoogde vrijstelling van 33.129 euro, of 69.009 euro voor een dure studie.

Kan ik dit ook doen als mijn vermogen in mijn woning zit?

Ja, dat is juist een veelvoorkomende reden. Je hoeft het geld niet over te maken; je erkent het op papier schuldig. Wel moet je de jaarlijkse rente daadwerkelijk kunnen betalen en moet de schuld bij overlijden voldaan kunnen worden.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een schenking op papier is fiscaal aantrekkelijk, maar staat of valt met de juiste uitvoering. Taxcount berekent hoeveel je jaarlijks belastingvrij kunt overhevelen, stemt de schenking af met je notaris en zorgt dat de rente, de aangifte schenkbelasting en de verwerking in box 3 kloppen. Ook kijken we naar de samenhang met je totale vermogensplanning en je nalatenschap. Wil je weten of een schenking op papier in je situatie voordeel oplevert? Leg je plannen aan ons voor, dan rekenen we de mogelijkheden voor je uit.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook: