Deelnemingsvrijstelling: zo blijft winst binnen je holding onbelast

Heb je een holding met daaronder een of meer werk-bv’s, dan is de deelnemingsvrijstelling waarschijnlijk de belangrijkste fiscale regeling voor jou. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst uit een dochtervennootschap bij je holding onbelast blijven. Zo betaal je niet twee keer vennootschapsbelasting over dezelfde winst. In dit artikel lees je wanneer sprake is van een deelneming, wat er wel en niet onder de vrijstelling valt, en waar je op moet letten om verrassingen te voorkomen.

Wat is de deelnemingsvrijstelling?

Als een bv winst maakt, betaalt zij daarover vennootschapsbelasting. Keert die bv de winst daarna als dividend uit aan haar moeder-bv, dan zou de moeder er nog een keer belasting over betalen. Datzelfde speelt bij de verkoop van een dochter: de verkoopwinst weerspiegelt vaak winst die al belast is of nog belast wordt. De deelnemingsvrijstelling voorkomt die dubbele heffing. Voordelen uit een deelneming, zoals dividend en verkoopwinst, blijven bij de moeder buiten de winst en dus onbelast.

De vrijstelling werkt twee kanten op. Niet alleen winst en dividend zijn vrijgesteld, ook een verlies op de deelneming is niet aftrekbaar, en de kosten van aankoop of verkoop van de deelneming zijn dat evenmin. Wie een deelneming met winst verkoopt, hoeft dus niets af te rekenen. Wie hem met verlies verkoopt, kan dat verlies in beginsel niet aftrekken.

Wanneer is sprake van een deelneming?

Er is sprake van een deelneming bij een belang van ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Dat kan een Nederlandse of een buitenlandse vennootschap zijn. Ook een belang van 5 procent in een fonds voor gemene rekening telt mee, en bij een coöperatie is elk lidmaatschap al genoeg. Voor bepaalde belangen in EU-vennootschappen kan onder voorwaarden ook het stemrecht meetellen.

Zakt je belang onder de 5 procent, dan is er in beginsel geen deelneming meer. Er geldt echter een aflooptermijn van drie jaar als je het belang daarvoor meer dan een jaar onafgebroken boven de 5 procent hield. In die periode blijft de vrijstelling nog gelden. De beslisboom in figuur 1 laat zien hoe je stap voor stap beoordeelt of je belang onder de vrijstelling valt.

Figuur 1: beslisboom om stap voor stap te bepalen of je belang onder de deelnemingsvrijstelling valt.

Rekenvoorbeeld

Een holding bezit 100 procent van de aandelen in een werk-bv. De werk-bv maakt 500.000 euro winst, betaalt daarover vennootschapsbelasting en keert 300.000 euro als dividend uit aan de holding. Door de deelnemingsvrijstelling is dat dividend van 300.000 euro bij de holding volledig onbelast. Verkoopt de holding de werk-bv later voor 2.000.000 euro meer dan de aankoopprijs, dan is ook die verkoopwinst van 2.000.000 euro vrijgesteld (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van een holding met werk-bv. Dividend van 300.000 euro en verkoopwinst van 2.000.000 euro blijven onbelast.

Wanneer geldt de vrijstelling niet?

De deelnemingsvrijstelling geldt niet altijd. Houd je een belang als belegging en is de dochter laagbelast, dan is er sprake van een beleggingsdeelneming. In dat geval geldt de vrijstelling in beginsel niet. Er is dan pas toch vrijstelling als het een kwalificerende beleggingsdeelneming is: de dochter wordt naar Nederlandse begrippen reëel belast, of haar bezittingen bestaan doorgaans voor minder dan de helft uit laagbelaste beleggingen. Dit onderscheid speelt vooral bij internationale structuren. Ook een fiscale beleggingsinstelling valt buiten de vrijstelling. Deze afwegingen zie je terug in de beslisboom (figuur 1).

Waar je verder op moet letten

Verandert het regime van een belang, bijvoorbeeld doordat een deelneming een beleggingsdeelneming wordt of andersom, dan moet je het resultaat splitsen over de perioden waarin de vrijstelling wel en niet gold. Dat heet compartimenteren. Let ook op eerder afgewaardeerde vorderingen op de dochter: bij verkoop of omzetting daarvan kan een bijtelling volgen. Deze onderwerpen zijn technisch, dus laat ze bij twijfel beoordelen door een adviseur.

Wat levert de vrijstelling op?

De waarde van de vrijstelling hangt samen met het tarief van de vennootschapsbelasting. In 2026 is dat tarief 19 procent over de winst tot 200.000 euro en 25,8 procent over het meerdere. Doordat dividend en verkoopwinst onbelast blijven, kan de deelnemingsvrijstelling bij een bedrijfsverkoop of een winstuitkering binnen het concern een zeer groot voordeel opleveren.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Belang toetsen. Ga na of je ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt; alleen dan is er een deelneming.
  • Karakter bepalen. Beoordeel of je het belang als belegging houdt en of de dochter laagbelast is; dat bepaalt of de vrijstelling geldt.
  • Kosten juist verwerken. Houd aan- en verkoopkosten van de deelneming en een deelnemingsverlies buiten aftrek.
  • Regimewijziging signaleren. Verandert de status van een deelneming, laat dan de compartimentering beoordelen.
  • Vorderingen bewaken. Let bij een eerder afgewaardeerde vordering op de dochter op een mogelijke bijtelling bij verkoop of omzetting.

Veelgestelde vragen

Vanaf welk percentage geldt de deelnemingsvrijstelling?

Vanaf een belang van 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Bij een coöperatie is elk lidmaatschap al voldoende.

Is dividend uit mijn werk-bv onbelast?

Ja, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, blijft het dividend dat je holding uit de werk-bv ontvangt onbelast in de vennootschapsbelasting.

Is de verkoopwinst van een dochter belast?

Nee, als de deelnemingsvrijstelling geldt, is de winst bij verkoop van de deelneming vrijgesteld. Een verlies bij verkoop is dan echter ook niet aftrekbaar.

Wat is een beleggingsdeelneming?

Een deelneming die je als belegging houdt in een laagbelaste vennootschap. Daarop geldt de vrijstelling in beginsel niet, tenzij het een kwalificerende beleggingsdeelneming is.

Zijn de aankoopkosten van een deelneming aftrekbaar?

Nee. De kosten van aankoop en verkoop van een deelneming vallen onder de vrijstelling en zijn niet aftrekbaar van de winst.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je belangen onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook bij internationale structuren en beleggingsdeelnemingen. Wij helpen je bij de opzet van een holdingstructuur, bij de verwerking van dividend en verkoopwinst in de aangifte vennootschapsbelasting en bij lastige onderwerpen zoals compartimentering en afgewaardeerde vorderingen. Overweeg je een herstructurering of verkoop? Laat je situatie vooraf door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Belastingvoordeel via Huwelijkse Voorwaarden Verdwijnt in 2026

Veel stellen met een aanzienlijk vermogen gebruiken een slimme constructie in hun huwelijkse voorwaarden om erfbelasting te besparen. De overheid ziet dit echter als een onbedoelde maas in de wet en heeft aangekondigd deze per 1 januari 2026 te dichten. Heb je huwelijkse voorwaarden? Dan is dit nieuws mogelijk erg belangrijk voor jou.

Hoe de Huidige Truc Werkt

Standaard ben je bij een huwelijk in gemeenschap van goederen ieder voor 50% eigenaar van het gezamenlijke vermogen. In huwelijkse voorwaarden kun je echter een andere verdeling afspreken, bijvoorbeeld 20% voor de ene partner en 80% voor de andere. Voorbeeld (huidige situatie):
Jan en Marie hebben samen een vermogen van € 4.000.000. In hun huwelijkse voorwaarden staat dat Jan recht heeft op 20% en Marie op 80%. Als Jan overlijdt, erven Marie en de kinderen alleen zijn deel van 20% (€ 800.000). Over de overige € 3.200.000 hoeft geen erfbelasting betaald te worden, wat een enorme besparing oplevert.

Wat Gaat er Veranderen vanaf 2026?

De overheid steekt hier een stokje voor. De nieuwe regel wordt simpel: Alles wat de langstlevende partner bij een overlijden méér krijgt dan de helft (50%) van het gezamenlijke vermogen, wordt voortaan ook gezien als een erfenis. En daar moet dus erfbelasting over betaald worden. In het voorbeeld van Jan en Marie betekent dit dat, naast de erfenis van € 800.000, ook de € 1.200.000 die Marie “extra” krijgt (het verschil tussen haar 80% en de standaard 50%) wordt belast met erfbelasting. Het fiscale voordeel van de constructie verdwijnt daarmee volledig.

Let op: Heb je al zulke Huwelijkse Voorwaarden?

Voor bestaande situaties komt er een overgangsregeling. Als je huwelijkse voorwaarden met een ongelijke verdeling al bestonden vóór 18 april 2025, dan blijven de oude, voordelige regels voor jou gelden. MAAR LET OP: Deze bescherming vervalt direct als je na 18 april 2025 iets aan je huwelijkse voorwaarden wijzigt – zelfs als die wijziging niets met de vermogensverdeling te maken heeft. Een kleine aanpassing kan je dus onbedoeld duur komen te staan.

Wat Betekent Dit Voor Jou?

Heb je huwelijkse voorwaarden met een andere verdeling dan 50/50? Dan is het cruciaal om je situatie opnieuw te laten beoordelen. Het kan zijn dat je huidige voorwaarden door deze wetswijziging fiscaal juist heel ongunstig uitpakken. Neem geen risico. Onze specialisten kijken graag met je mee of je huwelijkse voorwaarden nog passen bij je wensen en de nieuwe wetgeving. Neem vrijblijvend contact met ons op.

Werkkostenregeling (WKR)

Heb je personeel in dienst en wil je je medewerkers iets extra’s geven, zoals een kerstpakket, een personeelsfeest of een vergoeding voor thuiswerken? Dan krijg je te maken met de werkkostenregeling, kortweg de WKR. Deze regeling bepaalt hoeveel je als werkgever belastingvrij mag vergoeden en verstrekken, en wanneer je juist belasting moet betalen. Veel ondernemers laten geld liggen omdat zij de vrije ruimte niet volledig benutten, terwijl anderen onverwacht een naheffing krijgen omdat zij een grens overschrijden. In dit artikel leggen wij uit hoe de werkkostenregeling in 2026 werkt, welke vergoedingen onbeperkt onbelast mogen blijven en wat je praktisch moet regelen om binnen de regels te blijven.

Wat is de werkkostenregeling?

Alles wat je aan je werknemers vergoedt of verstrekt, is in principe loon. Dat geldt niet alleen voor geld, maar ook voor spullen, maaltijden, een sportabonnement of een cadeau. Over loon moet in beginsel loonbelasting worden betaald. De werkkostenregeling biedt twee manieren om vergoedingen en verstrekkingen toch belastingvrij bij je personeel te krijgen: de vrije ruimte en de gerichte vrijstellingen.

De vrije ruimte is een vast budget: een percentage van je totale loonsom dat je per jaar belastingvrij mag besteden aan van alles en nog wat. De gerichte vrijstellingen zijn een vaste lijst met zakelijke kosten die je altijd onbelast mag vergoeden, ook als de vrije ruimte al op is. Daarnaast bestaan er nog nihilwaarderingen voor bepaalde voorzieningen op de werkplek. Hieronder bespreken wij deze routes een voor een.

Voor wie geldt de werkkostenregeling?

De werkkostenregeling geldt voor elke werkgever die personeel in loondienst heeft. Het maakt niet uit of je een eenmanszaak met personeel, een vof, een maatschap, een bv, een nv of een stichting hebt, en er geldt geen minimum voor de omvang van je bedrijf. Zodra je loon betaalt en inhoudingsplichtig bent voor de loonheffingen, val je onder de regeling.

Ook een bijzondere situatie is geregeld. Werk je voor een buitenlandse werkgever die in Nederland niet inhoudingsplichtig is, dan mag je de vrije ruimte en de gerichte vrijstellingen zelf toepassen in je aangifte inkomstenbelasting. Zo profiteren bijvoorbeeld grenswerkers en werknemers van een buitenlands bedrijf toch van de regeling.

Hoe werkt de vrije ruimte in 2026?

De vrije ruimte bereken je over je totale fiscale loonsom. In 2026 gelden twee percentages: je mag 2% van de loonsom tot en met € 400.000 belastingvrij besteden, plus 1,18% van het deel van de loonsom daarboven. Binnen die ruimte betaal je geen loonbelasting en betaalt je werknemer geen inkomstenbelasting over het voordeel.

Belangrijk is dat je een vergoeding of verstrekking actief moet aanwijzen als zogenoemd eindheffingsloon om deze in de vrije ruimte onder te brengen. Dat is een administratieve keuze die je vooraf maakt, niet iets wat je achteraf regelt. Overschrijdt het totaal van je aangewezen vergoedingen de vrije ruimte, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over het bedrag dat boven de vrije ruimte uitkomt. Je werknemer merkt daar niets van: de belasting komt voor jouw rekening.

Rekenvoorbeeld: vrije ruimte en eindheffing

Stel dat je bedrijf in 2026 een fiscale loonsom van € 500.000 heeft. Je vrije ruimte is dan 2% van € 400.000, dus € 8.000, plus 1,18% van de resterende € 100.000, dus € 1.180. In totaal mag je € 9.180 belastingvrij besteden. Geef je dit jaar voor € 11.000 aan kerstpakketten, een personeelsfeest en kleine vergoedingen die je aanwijst als eindheffingsloon, dan overschrijd je de vrije ruimte met € 1.820. Over dat bedrag betaal je 80% eindheffing, dus € 1.456 extra. Door je uitgaven vooraf te plannen, voorkom je zulke onverwachte kosten.

Wat zijn gerichte vrijstellingen?

Naast de vrije ruimte kent de wet een lijst met gerichte vrijstellingen. Dit zijn zakelijke kosten die je onbeperkt onbelast mag vergoeden, ook als je vrije ruimte al vol is. Je moet deze vergoedingen wel aanwijzen als eindheffingsloon, maar zij gaan niet ten koste van je vrije ruimte. Hieronder staan de belangrijkste categorieën voor 2026.

Reiskosten en vervoer

Voor zakelijke reizen, inclusief woon-werkverkeer, mag je in 2026 maximaal € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden, ongeacht het vervoermiddel. Dit bedrag is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Reist je werknemer met het openbaar vervoer, de taxi, het vliegtuig of een schip, dan mag je de werkelijke kosten vergoeden, ook als die hoger uitvallen. Voor werknemers met een vaste werkplek mag je een vaste maandvergoeding geven, berekend alsof zij 214 dagen per jaar reizen, mits zij minstens 128 dagen per jaar naar die vaste plek reizen. Bij deeltijd of thuiswerken reken je dit naar verhouding om.

Thuiswerkvergoeding

Voor iedere dag dat een werknemer thuiswerkt, mag je in 2026 maximaal € 2,45 onbelast vergoeden, ook als het om een deel van een dag gaat. Ook hier mag je met de 128- en 214-dagenregeling een vaste vergoeding geven. Let op: voor dezelfde dag kun je niet zowel een thuiswerkvergoeding als een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer naar de vaste werkplek geven. Je kiest per dag.

Studie, cursussen en vakkennis

Kosten voor het onderhouden en verbeteren van kennis en vaardigheden voor het huidige werk, zoals cursussen, congressen en vakliteratuur, mag je onbelast vergoeden. Datzelfde geldt voor een opleiding of studie die gericht is op het verwerven van inkomen. De kosten van een werk- of studeerruimte thuis vallen hier niet onder.

Gereedschap, laptop en telefoon

Gereedschappen en ICT-middelen zoals een laptop, telefoon of software mag je onbelast vergoeden of verstrekken als je ze in redelijkheid noodzakelijk vindt voor het werk. Dit heet het noodzakelijkheidscriterium. Voorwaarde is dat de werknemer het middel teruggeeft of de restwaarde vergoedt als het niet meer nodig is, en dat het niet is uitgeruild tegen brutoloon.

Verhuiskosten, maaltijden en personeelskorting

Verhuist een werknemer voor het werk, dan mag je de kosten van het overbrengen van de inboedel vergoeden, plus een vast bedrag van maximaal € 7.750. Maaltijden tijdens dienstreizen of maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter, bijvoorbeeld bij overwerk, mag je eveneens onbelast vergoeden. Verkoop je eigen producten, dan mag je je personeel een korting geven van maximaal 20% van de winkelwaarde per product, met een maximum van € 500 per werknemer per jaar. Ook een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die voor het werk nodig is, valt onder de gerichte vrijstellingen.

Buitenlandse werknemers: de 30%-regeling

Voor werknemers die je vanuit het buitenland aanwerft, bestaat de expatregeling, beter bekend als de 30%-regeling. Hiermee mag je een vast deel van het loon onbelast vergoeden voor de extra kosten van tijdelijk verblijf in Nederland, onder voorwaarden zoals een salarisnorm en de zogenoemde 150-kilometergrens. In 2026 bedraagt het forfait maximaal 30% van het loon; vanaf 2027 daalt dit naar 27%, met overgangsrecht voor wie de regeling al vóór 2024 toepaste.

Nihilwaarderingen: voorzieningen op de werkplek

Sommige voorzieningen die je op de werkplek beschikbaar stelt, worden op nihil gewaardeerd. Dat betekent dat zij geen loon vormen en dus ook geen vrije ruimte kosten. Denk aan koffie en thee op kantoor, de inrichting van de werkplek en bedrijfskleding die op het werk achterblijft. De nihilwaarderingen zijn een aparte route binnen de werkkostenregeling en helpen om je vrije ruimte te sparen voor andere zaken.

De gebruikelijkheidstoets: niet alles mag

Aan het aanwijzen van vergoedingen als eindheffingsloon zit een grens: de gebruikelijkheidstoets. Zowel de omvang van een vergoeding als het aanwijzen zelf mag niet meer dan 30% afwijken van wat in vergelijkbare situaties gebruikelijk is. Deze toets voorkomt bijvoorbeeld dat je de hele vrije ruimte toewijst aan één werknemer om diens belaste loon te verlagen, of dat je regulier salaris omzet in onbelast eindheffingsloon. Blijf dus dicht bij wat in jouw branche gangbaar is.

Wat je moet vastleggen: administratie en bewaarplicht

De werkkostenregeling steunt op een goede administratie. Je moet kunnen aantonen welke vergoedingen je hebt aangewezen als eindheffingsloon, hoe je de vrije ruimte hebt berekend en hoe je kilometervergoedingen en vaste vergoedingen hebt onderbouwd. Aan een vaste kostenvergoeding moet bovendien vooraf een onderzoek naar de werkelijke kosten ten grondslag liggen; zonder dat onderzoek is de vergoeding belast.

De loonadministratie geldt als basisgegeven en moet je ten minste zeven jaar bewaren. Digitale opslag is toegestaan, zolang de gegevens gedurende de hele bewaartermijn juist, volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven. Schiet je administratie tekort, dan kan de inspecteur de bewijslast omkeren en verzwaren, wat je positie bij een controle sterk verslechtert.

Wat verandert er in 2027?

Vanaf 1 januari 2027 stijgt het lage percentage van de vrije ruimte van 2% naar 2,16% over de loonsom tot en met € 400.000. Daarnaast daalt het forfait van de 30%-regeling naar 27%. Houd bij je planning voor volgend jaar rekening met deze wijzigingen, want een hogere vrije ruimte betekent meer belastingvrije ruimte voor je personeel.

Kerncijfers werkkostenregeling 2026

De belangrijkste bedragen en percentages voor 2026 op een rij:

Onderdeel Bedrag of percentage in 2026
Vrije ruimte tot en met € 400.000 loonsom 2% van de loonsom
Vrije ruimte boven € 400.000 loonsom 1,18% van de loonsom
Eindheffing bij overschrijding vrije ruimte 80% (betaald door de werkgever)
Onbelaste kilometervergoeding € 0,25 per kilometer
Onbelaste thuiswerkvergoeding € 2,45 per thuiswerkdag
Vrijstelling verhuiskosten inboedelkosten plus maximaal € 7.750
Personeelskorting op eigen producten max. 20% van de waarde en max. € 500 per jaar
Bewaartermijn (loon)administratie ten minste 7 jaar

 

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bereken je vrije ruimte. Neem 2% van je loonsom tot en met € 400.000 en 1,18% van het meerdere, zodat je weet hoeveel je dit jaar belastingvrij kunt besteden.
  • Wijs vergoedingen vooraf aan. Leg in je salarisadministratie vast welke vergoedingen en verstrekkingen je aanwijst als eindheffingsloon; dit moet vooraf, niet achteraf.
  • Benut de gerichte vrijstellingen. Vergoed reiskosten, thuiswerk, studie en noodzakelijke ICT-middelen buiten de vrije ruimte om, zodat je die ruimte overhoudt voor extra’s.
  • Onderbouw vaste vergoedingen. Doe vooraf onderzoek naar de werkelijke kosten voordat je een vaste kostenvergoeding toekent.
  • Houd de kilometeradministratie bij. Registreer per werknemer de vergoede kilometers; een gebrekkige administratie is de belangrijkste oorzaak van naheffingen.
  • Bewaak de gebruikelijkheidstoets. Controleer of je vergoedingen niet meer dan 30% afwijken van wat gebruikelijk is.
  • Toets de vrije ruimte op tijd. Controleer gedurende het jaar of je binnen de vrije ruimte blijft en reken uiterlijk af met de aangifte over het tweede tijdvak van het volgende jaar.
  • Bewaar je administratie zeven jaar. Zorg dat je loonadministratie en onderbouwing minstens zeven jaar toegankelijk blijven.

Veelgestelde vragen

Wat is de vrije ruimte in 2026?

De vrije ruimte is in 2026 2% van je fiscale loonsom tot en met € 400.000, plus 1,18% van het deel daarboven. Binnen die ruimte kun je vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij aan je personeel geven.

Wat gebeurt er als ik de vrije ruimte overschrijd?

Over het bedrag boven de vrije ruimte betaal je als werkgever 80% eindheffing. Je werknemer betaalt hier geen belasting over; de heffing komt volledig voor jouw rekening.

Hoeveel mag ik in 2026 onbelast per kilometer vergoeden?

In 2026 is de onbelaste kilometervergoeding € 0,25 per kilometer, verhoogd van € 0,23 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Voor openbaar vervoer, taxi, vliegtuig of schip mag je de werkelijke kosten vergoeden.

Moet ik vergoedingen aanwijzen als eindheffingsloon?

Ja. Om een vergoeding in de vrije ruimte of onder een gerichte vrijstelling te brengen, moet je deze vooraf aanwijzen als eindheffingsloon in je administratie. Doe je dat niet, dan wordt de vergoeding als gewoon loon belast bij de werknemer.

Geldt de WKR ook voor een eenmanszaak met personeel?

Ja. Zodra je personeel in loondienst hebt en inhoudingsplichtig bent, val je onder de werkkostenregeling, ongeacht de rechtsvorm van je onderneming. Ook de administratie- en bewaarplicht gelden dan voor jou.

Hoelang moet ik mijn WKR-administratie bewaren?

De loonadministratie en de onderbouwing van je vergoedingen bewaar je ten minste zeven jaar. Digitale opslag mag, zolang de gegevens juist, volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven.

Hoe Taxcount je kan helpen

De werkkostenregeling biedt kansen om je personeel belastingvrij te belonen, maar de regels zijn precies en een fout treft direct je eigen kas. Taxcount helpt je de vrije ruimte optimaal te benutten, de juiste vergoedingen aan te wijzen en je administratie zo in te richten dat je een controle zonder zorgen doorstaat. Wij rekenen je vrije ruimte door, beoordelen welke vergoedingen gericht zijn vrijgesteld en signaleren waar je geld laat liggen of risico loopt. Wil je weten of je de werkkostenregeling optimaal toepast? Laat je situatie door ons beoordelen, dan weet je zeker dat je binnen de regels blijft en niets onbenut laat. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze WKR monitor.

Dit artikel bevat algemene informatie over de werkkostenregeling en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen en de uitkomst in jouw situatie hangt af van je persoonlijke omstandigheden. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Auto van de zaak of privé: zo maak je in 2026 de fiscaal slimste keuze

Gebruik je je auto zowel voor je bedrijf als privé, dan sta je voor een keuze die jaarlijks honderden tot duizenden euro’s kan schelen: zet je de auto van de zaak of houd je hem in privé? Veel ondernemers maken die keuze op gevoel, terwijl de fiscale gevolgen sterk verschillen. Bij een auto van de zaak trek je alle autokosten af, maar betaal je belasting over een vaste bijtelling. Bij een auto in privé is er geen bijtelling, maar mag je alleen een vast bedrag per zakelijke kilometer aftrekken. In dit artikel lees je hoe de keuze auto van de zaak of privé in 2026 uitpakt, welke bijtellingspercentages en bedragen gelden, en waar je op moet letten om achteraf geen naheffing te krijgen.

Wat betekent ‘auto van de zaak’ of ‘auto in privé’?

Rijd je een auto voor je onderneming en privé, dan bepaal je eerst of de auto ondernemingsvermogen (op de zaak) of privévermogen (in privé) is. Dat heet vermogensetikettering: het toedelen van een bezitting aan het bedrijf of aan privé. Die keuze bepaalt hoe de auto fiscaal werkt, en die keuze is niet altijd vrij (zie verderop over de grens van 1.000 kilometer).

De twee routes leiden tot totaal verschillende fiscale werelden. Figuur 1 zet ze naast elkaar: bij een auto op de zaak zijn alle kosten aftrekbaar maar volgt bijtelling, bij een auto in privé is er geen bijtelling maar geldt alleen een vaste kilometeraftrek.

Figuur 1: dezelfde auto, twee fiscale werelden. Auto op de zaak versus auto in privé (bedragen 2026).

Auto op de zaak: volledige kostenaftrek, maar wel bijtelling

Staat de auto op de zaak, dan gaan alle autokosten van de winst af: de afschrijving, brandstof of stroom, verzekering, onderhoud en motorrijtuigenbelasting. Daar staat tegenover dat je belasting betaalt over een vast bedrag voor het privégebruik, de bijtelling (formeel: een onttrekking). Je betaalt dus niet over je werkelijke privévoordeel, maar over een forfaitair percentage van de waarde van de auto.

Hoe hoog is de bijtelling in 2026?

De bijtelling is in 2026 ten minste 22% van de cataloguswaarde (de nieuwprijs inclusief btw en BPM). Voor een volledig elektrische auto (CO2-uitstoot 0 gram per kilometer) geldt een korting van 4%, maar alleen over de eerste € 30.000. Per saldo betaal je dan 18% tot € 30.000 en 22% over het meerdere; de korting is maximaal € 1.200 per jaar. Voor een auto die ouder is dan 16 jaar (de youngtimer) geldt 35%, berekend over de dagwaarde (de waarde in het economische verkeer) in plaats van de oude cataloguswaarde. Figuur 2 vat de drie percentages samen.

Figuur 2: de bijtellingspercentages voor 2026 en de twee grenzen die je uit elkaar moet houden.

Let op: de lage bijtelling voor elektrische auto’s wordt afgebouwd. In 2027 wordt het effectieve tarief 20% (korting nog 2%) en vanaf 2028 vervalt de korting. Schaf je in 2026 een elektrische auto aan, dan behoud je het bijtellingspercentage van dat jaar wel 60 maanden (vijf jaar) lang.

De bijtelling wordt verminderd met een eventuele eigen bijdrage of eigen kosten voor het privégebruik. De belaste bijtelling is bovendien nooit hoger dan de autokosten die je in de onderneming hebt afgetrokken.

Wanneer is de bijtelling nihil?

Rijd je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé, dan is de bijtelling nihil en houd je de volledige kostenaftrek. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privé. Je moet dat wel kunnen aantonen, bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie. Een losse verklaring is niet genoeg: bij een controle ligt de bewijslast dat je onder de 500 kilometer blijft bij jou.

Auto in privé: € 0,25 per zakelijke kilometer

Houd je de auto in privé, dan zijn de autokosten geen bedrijfskosten. Je mag voor je zakelijke ritten een vast bedrag aftrekken van je winst. Dat bedrag is per 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026). Meer dan dat vaste bedrag mag je niet aftrekken, ook al zijn je werkelijke kosten hoger. Houd daarom je zakelijke kilometers goed bij, zodat je de aftrek kunt onderbouwen.

Op de zaak of privé: welke keuze is voordeliger?

Welke optie het gunstigst is, hangt af van de cataloguswaarde van de auto, het aantal privékilometers, het aantal zakelijke kilometers en de werkelijke kosten. Een rekenvoorbeeld maakt dit concreet.

Stel: je rijdt een benzineauto met een cataloguswaarde van € 40.000 en maakt 6.000 privékilometers per jaar. Zet je de auto op de zaak, dan tel je 22% × € 40.000 = € 8.800 bij je winst (de werkelijke autokosten mag je er wel van aftrekken). Houd je de auto in privé en rijd je 10.000 zakelijke kilometers, dan trek je 10.000 × € 0,25 = € 2.500 af. Zoals figuur 1 laat zien: bij een goedkope auto met veel zakelijke en weinig privékilometers is ‘in privé’ vaak voordeliger, terwijl ‘op de zaak’ juist gunstiger kan zijn bij een dure of elektrische auto met veel privégebruik. Reken je eigen situatie altijd door voordat je kiest.

Let op de vermogensetikettering: de grens van 1.000 kilometer

De keuze op de zaak of privé is niet altijd vrij. Gebruik je de auto nagenoeg uitsluitend zakelijk, dan is hij verplicht ondernemingsvermogen. ‘Nagenoeg uitsluitend’ betekent minder dan 1.000 kilometer privé per jaar. Rijd je 1.000 kilometer of meer privé (of maak je 1.000 zakelijke kilometers of meer), dan is de auto keuzevermogen en mag je zelf kiezen.

Verwar deze grens niet met de bijtellingsgrens. De grens van 1.000 kilometer bepaalt de etikettering (op de zaak of privé), terwijl de grens van 500 kilometer bepaalt of er bijtelling volgt. Beide moet je dus apart toetsen. Je keuze kun je herzien totdat de aanslag over dat jaar definitief vaststaat; daarna alleen nog bij bijzondere omstandigheden, zoals een relevante wetswijziging. Leg je keuze daarom bewust vast in je administratie.

En de btw? De jaarlijkse correctie voor privégebruik

Heb je de btw op de aanschaf en de kosten van de auto afgetrokken, dan moet je jaarlijks een btw-correctie maken voor het privégebruik. Je geeft die correctie aan in de laatste btw-aangifte van het jaar. Je mag de verschuldigde btw forfaitair stellen op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en BPM). Een lager forfait van 1,5% geldt als je de auto zonder btw-aftrek hebt gekocht, of nadat de auto vijf jaar (inclusief het jaar van ingebruikname) in de onderneming is gebruikt. De uitkomst is nooit hoger dan de btw die je dat jaar hebt afgetrokken.

Kun je aannemelijk maken dat je werkelijke privégebruik lager is dan het forfait, dan mag je dat lagere bedrag gebruiken. Een sluitende kilometeradministratie is voor de btw niet verplicht, maar je moet het lagere privégebruik wel met een redelijke schatting kunnen onderbouwen.

Werknemer of dga met een auto van de zaak

Stel je als werkgever een auto ter beschikking aan een werknemer of aan jezelf als directeur-grootaandeelhouder (dga), dan loopt de bijtelling via de loonbelasting (artikel 13bis Wet LB 1964). De percentages, de grondslag en de grens van 500 kilometer zijn gelijk aan die voor de ondernemer. Het voordeel wordt verminderd met de eigen bijdrage die de werknemer betaalt voor privégebruik.

Wil je de bijtelling in de loonadministratie achterwege laten, dan kan de werknemer een ‘verklaring geen privégebruik auto’ bij de Belastingdienst aanvragen. Blijkt achteraf dat er toch meer dan 500 kilometer privé is gereden, dan wordt de belasting in beginsel bij de werknemer nageheven, tenzij jij als werkgever wist dat de verklaring onjuist was. Voor een uitsluitend zakelijk gebruikte bestelauto bestaat een vergelijkbare verklaring.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de etikettering. Toets of de auto verplicht ondernemingsvermogen is (minder dan 1.000 km privé) of keuzevermogen, en leg je keuze vast in de administratie.
  • Reken beide opties door. Vergelijk de bijtelling bij ‘op de zaak’ met de aftrek van € 0,25 per km bij ‘in privé’, op basis van de cataloguswaarde en je kilometers.
  • Houd een rittenregistratie bij. Wil je de nihil-bijtelling claimen (maximaal 500 km privé), dan is een sluitende rittenregistratie onmisbaar; woon-werkverkeer telt niet als privé.
  • Verwerk de bijtelling correct. Neem het juiste percentage (18%, 22% of 35%) over de juiste grondslag op in je aangifte of loonadministratie.
  • Vergeet de btw-correctie niet. Heb je btw afgetrokken, geef dan in de laatste aangifte van het jaar de correctie privégebruik aan (forfait 2,7% of 1,5%).
  • Administreer zakelijke kilometers. Rijd je zakelijk met een privéauto, houd die kilometers dan bij om de aftrek van € 0,25 per km te onderbouwen.

Veelgestelde vragen

Wat is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

In 2026 betaal je 18% bijtelling over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde en 22% over het bedrag daarboven. De korting is maximaal € 1.200 per jaar. Vanaf 2027 wordt de korting kleiner en vanaf 2028 vervalt hij.

Hoeveel privé mag ik rijden zonder bijtelling?

Maximaal 500 kilometer per jaar. Blijf je daaronder en kun je dat aantonen met een sluitende rittenregistratie, dan is de bijtelling nihil. Woon-werkverkeer telt niet als privékilometers.

Is de auto van de zaak of in privé voordeliger?

Dat hangt af van de prijs van de auto, het aantal privé- en zakelijke kilometers en de werkelijke kosten. Bij een goedkope auto met veel zakelijk en weinig privé is ‘in privé’ vaak gunstiger; bij een dure of elektrische auto met veel privégebruik kan ‘op de zaak’ beter uitpakken.

Wat is het verschil tussen de grens van 500 en 1.000 kilometer?

De grens van 500 kilometer bepaalt of je bijtelling betaalt. De grens van 1.000 kilometer bepaalt de vermogensetikettering: onder 1.000 km privé is de auto verplicht ondernemingsvermogen, daarboven mag je kiezen tussen op de zaak of privé.

Hoeveel kilometervergoeding mag ik in 2026 aftrekken?

Voor zakelijke ritten met een privéauto trek je in 2026 € 0,25 per kilometer af. Dit bedrag is verhoogd van € 0,23 en geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.

Hoe Taxcount je kan helpen

De keuze auto van de zaak of privé lijkt eenvoudig, maar de uitkomst hangt af van veel factoren: de cataloguswaarde, je kilometers, de CO2-uitstoot, de btw en de vermogensetikettering. Een verkeerde keuze of een onterechte nihil-claim kan leiden tot een naheffing met belastingrente. Taxcount rekent beide opties voor je door, beoordeelt de etikettering, richt je rittenregistratie en btw-correctie goed in en zorgt dat de bijtelling correct in je aangifte of loonadministratie komt. Wil je weten welke keuze voor jouw situatie het voordeligst is? Laat je situatie door Taxcount beoordelen. In de tussentijd kun je kijken of een zakelijke of privé auto het beste voor je is met onze zakelijk vs. privé auto dashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat je een keuze maakt.

Zie ook:

Belangrijke rechtspraken:

  • ECLI:NL:GHARL:2024:6420 (Privégebruik auto & Urencriterium)
  • ECLI:NL:GHARL:2024:7637 (Bijtelling bedrijfsauto)
  • ECLI:NL:RBZWB:2025:691 (Bewijslast 500km-grens)

DGA-salaris / DGA salary

Als Directeur-Grootaandeelhouder (DGA) ben je volgens de wet directeur van je eigen B.V. én werknemer ervan. Dat betekent dat je verplicht een “gebruikelijk loon” aan jezelf moet uitkeren, oftewel wat de Belastingdienst normaal vindt voor iemand in jouw positie. Je loon moet minimaal het hoogste zijn van de volgende drie bedragen:

  1. het loon dat iemand in een vergelijkbare functie bij een andere werkgever zou krijgen,
  2. het salaris van de bestbetaalde werknemer in jouw B.V.,
  3. het wettelijk minimum van € 56.000.
    Als je kunt aantonen dat een vergelijkbare functie minder verdient, mag je dat lagere bedrag als DGA-loon gebruiken.

Tot een bepaald inkomen profiteer je van heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), waardoor je minder belasting betaalt. Het zogeheten kantelpunt ligt hierbij rond € 28.406 (bij de huidige tarieven): boven die grens ga je een deel van de algemene heffingskorting verliezen, waardoor elke extra euroloon zwaarder wordt belast dan wanneer je een dividenduitkering krijgt van je eigen B.V. (vooral als je in de lagere schijven van de vennootschapsbelasting en box 2 zit). Na € 43.071 wordt de druk nog hoger, omdat je dan ook de arbeidskorting verder kwijtraakt en dus meer belasting over je loon betaalt. Het deel dat je niet als loon neemt, kun je als dividend uitkeren, wat soms voordeliger is. Let er wel op dat dit kan variëren als je in een hogere schijf van de VPB of box 2 valt.

Stel dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, de hoogste werknemer bij jou € 59.000 verdient en dat de wettelijke ondergrens € 56.000 is. In principe zou je dan € 59.000 moeten kiezen (het hoogste bedrag), maar als je aantoont dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, mag je dat lagere bedrag gebruiken. Zo profiteer je optimaal van de heffingskortingen en betaal je minder belasting, terwijl je de rest van de winst als dividend kunt uitkeren.

Welke optie in jouw situatie het meest voordelig is, hangt af van je individuele omstandigheden. Neem gerust contact met ons op voor persoonlijk fiscaal advies.

English version

As a Director-Major Shareholder (DGA), you are considered by law to be both the director of your own B.V. and its employee. This means you are required to pay yourself a “customary salary” — in other words, an amount the Dutch Tax Administration deems appropriate for someone in your position. Your salary must be at least the highest of the following three amounts:

  1. The salary someone in a comparable position at another employer would receive,
  2. The salary of the highest-paid employee in your B.V.,
  3. The statutory minimum of € 56,000.

If you can demonstrate that a comparable position earns less, you may use that lower amount as your DGA salary.

Up to a certain level of income, you benefit from tax credits (the general tax credit and the labor tax credit), which reduces the amount of tax you pay. The so-called tipping point is around € 28,406 (based on current rates): above that threshold, you start losing part of your general tax credit, meaning that every additional euro of salary is taxed more heavily than a dividend payout from your own B.V. (particularly if you are in the lower brackets for corporate income tax and box 2). After € 43,071, the pressure increases even more, because you also lose more of the labor tax credit, which further increases the tax on your salary. Any portion you do not pay out as salary can instead be distributed as a dividend, which can sometimes be more advantageous. Note that this may vary if you are in a higher bracket for corporate income tax or box 2.

Suppose a comparable position pays € 34,000, the highest-paid employee at your company earns € 59,000, and the statutory lower limit is € 56,000. In principle, you would have to choose € 59,000 (the highest amount), but if you can show that a comparable position actually pays € 34,000, you may use that lower amount instead. This way, you fully benefit from your tax credits and pay less tax, while distributing the remainder of the company’s profit as dividend.

Which option is most beneficial in your situation depends on your individual circumstances. Feel free to contact us for personalized tax advice.

Vrijstellingen, tarieven en verlegging

Vrijstellingen: wat zijn ze en waarom bestaan ze?

Een vrijstelling op grond van artikel 11 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 betekent dat je bij bepaalde leveringen of diensten geen btw in rekening hoeft te brengen en dus ook niet hoeft af te dragen. De achterliggende doelen van deze vrijstellingen zijn heel divers. Zo kan de wetgever bepaalde activiteiten ontzien omdat men ze als sociaal of maatschappelijk wenselijk beschouwt, bijvoorbeeld medische zorg, of omdat het administratief praktisch is, zoals de kleinondernemersregeling, of vanwege een andere beleidsmatige reden, bijvoorbeeld om “leed” niet te belasten bij uitvaartdiensten.

Enkele veelvoorkomende categorieën

  • Medische zorg
    • Artsen
    • Psychologen
    • Lijkbezorging
  • Sociale, culturele en opvoedkundige activiteiten
    • Jeugdwerk
    • Sportbeoefening
    • Diensten van sociale of culturele aard
  • Financiële diensten
    • Banken
    • Verzekeraars
    • Kredieten
  • Overige sectoren of gevallen
    • Uitvaart (lijkbezorging)
    • Culturele instellingen (bijv. theaters)

Vrijstellingen of toch btw-plicht?

Veel ondernemers vinden het prettig om vrijgesteld te zijn van btw, omdat ze dan geen btw hoeven af te dragen. Houd er echter rekening mee dat je als vrijgestelde ook geen btw over je zakelijke kosten kunt aftrekken. Dat kan ongunstig zijn als je veel investeert of hoge kosten maakt.

Doe je vooral zaken met andere ondernemers? Dan is het vaak voordeliger om btw te blijven rekenen. Je kunt dan de btw op je inkopen terugvragen, terwijl je klanten de door jou berekende btw óók mogen aftrekken. Per saldo kost de btw hen niets extra.

Let op dat je niet altijd vrij bent om zelf te kiezen of je vrijgesteld bent of niet. In sommige gevallen kun je je activiteiten en bedrijfsstructuur zó inrichten dat je voor de Belastingdienst wordt gezien als btw-plichtig, zodat je je voorbelasting kunt blijven aftrekken. Het hangt dus af van jouw specifieke situatie of een vrijstelling voordelig is of juist niet.

Deze beperking van je recht op vooraftrek noemen we de ‘aftrekbeperking’ bij vrijstellingen. Je hoeft dan geen btw te rekenen, maar kunt ook geen btw op je kosten terugvragen. Als je veel bedrijfskosten hebt, kan dat financieel nadelig uitpakken.

Nederlandse btw-tarieven

In de wet op de omzetbelasting onderscheiden we drie hoofdtarieven:

  1. Nultarief (0%)
    • Toegepast in specifieke gevallen, zoals bij export van goederen naar een andere EU-lidstaat.
    • Let op: 0% is niet hetzelfde als vrijgesteld. Bij 0% heb je namelijk wel recht op aftrek van voorbelasting.
  2. Laag tarief (9%)
    • Voor o.a. levensmiddelen, geneesmiddelen, boeken en bepaalde diensten zoals kappersdiensten.
    • De volledige lijst vind je terug in Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting.
  3. Hoog tarief (21%)
    • Dit is het algemene tarief, dat op de meeste goederen en diensten van toepassing is.

Als ondernemer moet je altijd checken in de wet welk tarief van toepassing is op jouw levering of dienst.

Bijzondere aandacht voor kappers

Kappers vormen een interessant geval. Kappersdiensten (knippen, verven, föhnen, scheren, etc.) vallen namelijk onder het 9%-tarief. Dit lage tarief geldt ook voor materialen en producten die tijdens de behandeling verbruikt worden (denk aan shampoo of haarverf), en voor simpele haaraccessoires die je direct in het haar aanbrengt.

Zodra je echter losse verkoop pleegt van haarproducten of accessoires, geldt het 21%-tarief. Ook diensten die niet kenmerkend zijn voor het kappersvak (bijv. schoonheidsbehandelingen, make-upadvies) vallen onder 21%.

Verleggingsregeling: waarom bestaat die?

De verleggingsregeling houdt in dat niet de leverancier, maar de afnemer de btw aangeeft en afdraagt. Deze regeling wordt bijvoorbeeld gebruikt bij bepaalde binnenlandse diensten in de bouw- en uitzendsector, en bij aankopen vanuit andere EU-landen.

Redenen voor de verleggingsregeling:

  1. Fraudebestrijding: Door de afnemer de btw te laten afdragen, verklein je de kans dat de leverancier de btw niet afdraagt.
  2. Efficiëntie: Het vereenvoudigt soms de administratie, vooral bij grensoverschrijdende transacties of specifieke sectoren met veel tussenpartijen.
  3. Gelijke spelregels: Het voorkomt dat bedrijven binnen de EU dubbel of juist helemaal geen btw afdragen.

Voor jou als ondernemer betekent een verleggingsregeling dat je de btw niet betaalt aan de leverancier, maar ‘verlegt’ naar jouw eigen btw-aangifte. Je geeft in je aangifte aan hoeveel btw verschuldigd is én je kunt diezelfde btw (mits je recht op aftrek hebt) als voorbelasting aftrekken.

Conclusie

De juiste btw-behandeling – vrijstelling, tarief (0%, 9% of 21%) of verleggingsregeling – kan een grote impact hebben op je bedrijfsvoering. Wil je zeker weten welke aanpak voor jou het gunstigst is? Neem contact met ons op voor deskundig fiscaal advies en voorkom onaangename verrassingen.

Prestaties en vergoedingen in de btw

Prestaties: lever je goederen of verricht je toch diensten?

Stel, je hebt net vastgesteld dat je ondernemer bent voor de btw. De volgende vraag is: wat verkoop of lever je eigenlijk? En staat daar een vergoeding tegenover? In de btw wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen de levering van goederen en het verrichten van diensten. Bovendien moet er sprake zijn van een vergoeding (“bezwarende titel”) om btw te moeten afdragen.

Levering van goederen

“Wat is nu precies een goed?” Volgens de wet gaat het om “lichamelijke zaken”. Denk hierbij aan tastbare producten, maar ook aan elektriciteit of gas. Daarnaast mogen lidstaten het begrip ‘goederen’ uitbreiden, bijvoorbeeld met bepaalde zakelijke rechten die de bevoegdheid geven een onroerend goed te gebruiken. In Nederland is dat onder andere geregeld in artikel 3 lid 2 Wet OB voor rechten zoals erfpacht en opstal.

“Wanneer spreken we van een levering?” Het moment waarop de ‘macht om als eigenaar te beschikken’ overgaat, is een levering. Ook huurkoop, de oplevering van onroerende zaken door de vervaardiger en onteigening door de overheid kunnen een levering vormen. Verder bestaan er fictieve leveringen, bijvoorbeeld als je goederen onttrekt voor privégebruik terwijl je bij aankoop wel voorbelasting hebt afgetrokken.

Stel, je hebt een voorraad kantoorartikelen waar je btw over hebt afgetrokken en besluit deze zonder betaling aan een familielid mee te geven. Dit kan een fictieve levering zijn en je moet mogelijk btw voldoen over de waarde ervan.

Verrichten van diensten

“Wat als het geen levering is?” Alles dat niet kwalificeert als levering van goederen, wordt als een dienst aangemerkt. Denk aan advieswerk, online abonnementen of het gebruik van software. Ook hierbij kent de wet fictieve diensten, zoals het gratis verrichten van werk voor privédoeleinden terwijl je eerder btw kon aftrekken.

Stel, je geeft een personeelsfeestje en maakt gratis gebruik van bedrijfsmiddelen waarvoor je bij aanschaf btw hebt teruggevraagd. Dat kan onder bepaalde voorwaarden een fictieve dienst zijn en dus belastbaar.

 

Een vergoeding onder bezwarende titel

Een ander belangrijk element is de vraag of er een vergoeding is. In de beroemde Tolsma-zaak werd geoordeeld dat er pas btw verschuldigd is als er een rechtstreekse relatie is tussen de prestatie en de betaling. Als iemand zomaar een gift geeft en je dus niet kunt spreken van een overeengekomen prijs of tegenprestatie, is dat geen ‘bezwarende titel’ en dus geen btw-belaste handeling.

Vouchers

“Hoe zit het met bonnen en tegoedkaarten?”

  • Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik: je weet direct welk btw-tarief geldt. Dan is de btw al verschuldigd bij uitgifte van de voucher.
  • Bij vouchers voor meervoudig gebruik kan het tarief nog niet worden vastgesteld bij uitgifte. Dan betaal je pas btw op het moment dat de voucher wordt ingewisseld.

Subsidies

“Geld gekregen zonder ‘echte’ levering?” Een subsidie is in principe niet belast met btw als er geen specifieke tegenprestatie is, zoals blijkt uit het arrest Mohr. Krijg je echter subsidie voor een concreet aantal geleverde diensten of producten, bijvoorbeeld een bedrag per bezoeker aan je evenement, dan kan dat wél een belaste prestatie zijn. Belangrijk is of de verstrekker jouw dienst daadwerkelijk afneemt.

Reisbureauregeling

“Wat als je reisdiensten verkoopt?” Volgens de Btw-richtlijn geldt een aparte regeling als je reisdiensten aanbiedt. Je berekent je btw dan over de winstmarge in plaats van over de totale reissom. Dit is een speciale regeling om het grenzeloze karakter van de reisbranche beheersbaar te houden.

Praktische voorbeelden in de rechtspraak

  • KLM/Air France-arrest: de verkoop van een vliegticket blijft een dienst, ook als de passagier niet komt opdagen (no-show). De betaling is geen schadevergoeding, maar een vergoeding voor het recht op vervoer.
  • Eugenie Les Bains-arrest: bij hotels die een no-show toeslag inhouden, kan dit juist wél als schadevergoeding worden gezien; er wordt immers géén dienst verricht.
  • Lubbock Fine-arrest: een afkoopsom of vertrekpremie bij een einde van een huurcontract wordt behandeld op dezelfde manier als de (vrijgestelde) verhuur zelf.

Conclusie & Advies

zodra je ondernemer bent voor de btw, bepaal je eerst of je goederen levert of diensten verricht. Vervolgens beoordeel je of er sprake is van een bezwarende titel en dus een belaste prestatie. Vouchers, subsidies en speciale regelingen (zoals de reisbureauregeling) kunnen het verhaal verder compliceren, maar volgen dezelfde basislogica: er moet een prestatie zijn en een vergoeding.

Zorg er daarom altijd voor dat je duidelijk vaststelt welke wet- en regelgeving op jouw situatie van toepassing is en welke jurisprudentie hierbij een rol speelt. Zo weet je zeker of je een prestatie verricht waarvoor je btw moet berekenen en of er btw verschuldigd is over een bepaalde vergoeding.

 

 

Herziening voor roerende en onroerende goederen in de btw

Bij de aanschaf van een goed (roerend of onroerend) trek je in eerste instantie de betaalde btw af op basis van het (verwachte) gebruik voor btw-belaste activiteiten. Als het gebruik in de jaren erna verandert (bijvoorbeeld: minder of meer voor belaste doeleinden), dan moet je die aanvankelijke btw-aftrek corrigeren. Dit heet ‘herziening’.

Waarom is er een verschil tussen roerende en onroerende goederen?

De wet stelt verschillende herzieningstermijnen:

  • Voor roerende goederen (zoals machines, apparatuur) geldt een herzieningstermijn van 4 jaar.
  • Voor onroerende goederen (zoals gebouwen, bedrijfspanden) geldt een herzieningstermijn van 9 jaar.
    Deze langere termijn voor onroerende goederen komt door hun grotere waarde en langere levensduur.

Hoe werkt het precies?

Als je in een bepaald jaar de mate van btw-belast gebruik aanpast (bijv. een bedrijfspand meer gebruikt voor vrijgestelde prestaties zoals medische zorg), dan moet je voor dat herzieningsjaar uitrekenen hoeveel btw je oorspronkelijk te veel of te weinig hebt afgetrokken. Vervolgens corrigeer je die btw in je btw-aangifte.

Belangrijkste punten om te onthouden

  1. Controleer ieder jaar: of het gebruik van het goed is gewijzigd.
  2. Bereken de correctie: op basis van artikel 11-13 van de uitvoeringsbeschikking van de wet op de omzetbelasting (via artikel 15 lid 4 voor jaar van ingebruikname en lid 6 voor de resterende herzieningsjaren).
  3. Verwerk: deze correctie in de juiste btw-aangifte.

Zo voorkom je dat je te veel of te weinig btw hebt afgetrokken en blijf je voldoen aan de btw-regels.

Uitwerking herzien

Er zijn in de btw 3 momenten waarop herzien dient te worden:

  1. Herzien op moment van ingebruikname
  2. Herzien in het eerste jaar van ingebruikname
  3. Herzien in het tweede tot 5de of 10de jaar van ingebruikname (liggend aan roeren of onroerend goed)

Roerend goed

  1. Herziening op het moment van ingebruikname

Stel, je koopt op 1 januari 2019 een laptop met een btw-bedrag van € 1.000. In principe mag je deze btw direct aftrekken als voorbelasting (artikel 15 lid 1), uitgaande van 100% gebruik voor belaste handelingen. De wet schrijft echter (artikel 15 lid 4) voor dat je op het moment van ingebruikname moet herzien en dat je in het jaar van ingebruikname verder moet beoordelen hoe het gebruik uitpakt (zie stap 2).

Als je de laptop niet direct gebruikt en deze pas later in gebruik neemt, dan geldt de eerste gebruiksdatum als herzieningsmoment. In dit voorbeeld wordt dat 1 januari 2020.

  • Berekening: Raadpleeg artikel 11 en artikel 12 lid 1 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting.
  • Stel dat je op het moment van ingebruikname verwacht de laptop voor 50% te gebruiken voor belaste handelingen en voor 50% voor vrijgestelde handelingen. Dan moet je € 500 van de reeds afgetrokken € 1.000 btw terugbetalen aan de Belastingdienst. Je behoudt dus aftrek voor de andere 500.
  1. Herziening in het jaar van ingebruikname

Het eerste jaar van ingebruikname is in dit voorbeeld 2020. Je beoordeelt dan elk tijdvak (meestal per kwartaal) in hoeverre je de laptop gebruikt voor belaste of vrijgestelde prestaties (zie artikel 11 in combinatie met artikel 12 lid 2 van de Uitvoeringsbeschikking).

  • Stel dat je na het eerste kwartaal vaststelt dat de laptop voor 60% voor belaste prestaties wordt gebruikt (in plaats van de eerder geraamde 50%).
  • Je hebt oorspronkelijk bij de herziening op 1 januari 2020 € 500 terugbetaald. Met de nieuwe verhouding (60%) komt je totale recht op aftrek voor dat kwartaal uit op € 600 (van de oorspronkelijke € 1.000), dus ontvang je nu € 100 terug.
  • In totaal heb je dan € 600 aan aftrek behouden en € 400 terugbetaald.

Deze beoordeling herhaal je ieder tijdvak. Aan het einde van het jaar (artikel 12 lid 3) pas je nogmaals een eindberekening toe. Daarna ga je over naar de herzieningsjaren 2 t/m 5.

  1. Herziening van jaar 2 tot en met 5

In deze periode werkt de herziening iets anders:

  1. Bepaal het feitelijk aftrekbedrag uit het jaar van ingebruikname. In dit voorbeeld: € 600 van de oorspronkelijke € 1.000.
  2. Verdeel dit bedrag over de resterende 5 jaar: € 600 / 5 = € 120 per jaar.
  3. Maximale aftrek per jaar (als je het goed 100% voor belaste handelingen zou gebruiken) is in dit voorbeeld: € 1.000 / 5 = € 200 per jaar.
  • Stel dat je in 2021 (het tweede jaar) de laptop voor 70% voor belaste prestaties gebruikt. Dan heb je recht op 70% van € 200 = 140.
  • Je hebt echter al € 120 verrekend (op basis van de startberekening), dus je mag nog € 20 extra terugvragen.
  • Deze berekening herhaal je voor elk jaar in de resterende herzieningsperiode.
  1. Vervreemding tijdens de herzieningsperiode

Het kan gebeuren dat je de laptop verkoopt binnen de herzieningsperiode (5 jaar voor roerende goederen, 10 jaar voor onroerende). Dit is geregeld in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking.

  • Stel, je verkoopt de laptop op 1 januari 2024.
  • Of je bij de verkoop btw in rekening moet brengen, hangt af van het type handelingen dat je met de laptop verricht (belaste of vrijgestelde). In de meeste gevallen, omdat je de btw eerder hebt afgetrokken, moet je bij verkoop wél btw in rekening brengen.
  • Indien je btw in rekening brengt, wordt verondersteld dat je de laptop voor de resterende herzieningsperiode (1 januari 2024 – 31 december 2025) volledig voor belaste handelingen zou hebben gebruikt. Je krijgt dan dus voor die jaren de maximale aftrek.

Stel dat je per jaar € 200 als maximale aftrek mocht hebben. Fictief heb je € 120 al gekregen in 2024 en €120 euro in 2025. Je krijgt dan ook nog een bedrag van160 terug van de belastingdienst over deze twee jaar.

Op deze manier voorkom je dat je te veel of te weinig btw aftrekt en blijf je voldoen aan de btw-regels.

Onroerende goederen

Ook voor onroerende goederen werkt de herzieningsberekening in grote lijnen hetzelfde. Net als bij roerende goederen zijn de artikelen 11 tot en met 13a van de Uitvoeringsbeschikking bepalend voor de herziening. Het belangrijkste verschil is dat een gebouw op grond van artikel 13 over een periode van 10 jaar wordt herzien.

Daarnaast is het bij de levering van onroerend goed soms verplicht om van rechtswege btw te heffen, terwijl je in andere gevallen kunt opteren voor een btw-belaste levering. Dit heeft gevolgen voor de toepassing van artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking. Wanneer je immers met btw verkoopt, mag je gedurende de resterende herzieningsperiode doen alsof het pand volledig voor btw-belaste handelingen wordt gebruikt. Daarmee kan een aanzienlijk bedrag worden bespaard (zie artikel over Levering van onroerende goederen).

Conclusie: Neem gerust contact met ons op om te bespreken wat in jouw situatie de meest gunstige optie is.

 

Ondernemerschap: wanneer ben je ondernemer voor de btw?

Om te bepalen of je btw-plichtig bent, moet eerst worden vastgesteld of je ondernemer bent voor de btw. Dit wordt geregeld in artikel 7 van de Wet op de Omzetbelasting. Deze wet bepaalt dat je ondernemer bent als je zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent en economische activiteiten verricht. Hieronder bespreken we de belangrijkste criteria.

Zelfstandig een onderneming voeren

De wet stelt dat iedereen die zelfstandig een bedrijf voert in principe ondernemer is voor de btw. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar factoren zoals:

  • Voer je opdrachten uit onder je eigen naam?
  • Werk je voor meerdere opdrachtgevers?
  • Draag je ondernemersrisico?

Dit zijn enkele factoren bepalend zijn voor je status als btw-ondernemer. Meer informatie over de specifieke voorwaarden vind je op de website van de Belastingdienst: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/btw/hoe_werkt_de_btw/voor_wie_geldt_de_btw/ondernemer

Economische activiteiten

Naast zelfstandigheid is het belangrijk dat je economische activiteiten uitvoert. Dit betekent dat je werkzaamheden gericht zijn op het verkrijgen van regelmatige inkomsten. Winst is hierbij niet vereist. Zelfs als je verlies maakt, kun je als ondernemer worden aangemerkt.

Voorbeeld:

Een uitvinder werkt jarenlang zonder inkomsten aan de ontwikkeling van een machine. Wanneer hij van plan is deze machine te licentiëren in ruil voor maandelijkse vergoedingen, wordt hij al tijdens de ontwikkelfase als ondernemer voor de btw beschouwd. Dit geldt ook als hij in die periode alleen kosten maakt.

Heb je echter slechts een eenmalige opbrengst, zoals bij de verkoop van een octrooi, dan voldoe je niet aan de eis van regelmatige inkomsten. Dit onderscheid is belangrijk. Het Hong-Kong Trade-arrest bevestigt ook dat er een tegenprestatie nodig is om als ondernemer te worden aangemerkt. Gratis diensten kwalificeren dus niet als economische activiteit.

In concurrentie treden

Je kunt ook als ondernemer worden beschouwd als je met je activiteiten in concurrentie treedt met andere ondernemingen. Een voorbeeld is een gemeente of stichting die een eenmalig evenement organiseert, zoals een festival. Hoewel dit geen duurzame activiteit is, moet er toch btw worden geheven. Dit voorkomt dat zij een onterecht concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van commerciële festivals.

De Wet op de Omzetbelasting regelt ook dat overheidsinstanties en stichtingen btw-plichtig kunnen zijn wanneer zij soortgelijke diensten leveren als commerciële partijen.

Conclusie: Om als btw-ondernemer te worden aangemerkt, moet je zelfstandig werken, economische activiteiten verrichten en in sommige gevallen rekening houden met concurrentie. Dit vormt de basis voor jouw verplichtingen binnen de btw.

Levering onroerende zaken in de btw 

Artikel 11 van de wet op de omzetbelasting bespreekt de vrijgestelde prestaties in de btw. In dit stuk zal de focus liggen op lid 1 van artikel 11: In deze artikel wordt behandeld dat de levering van onroerend goed in de principe is vrijgesteld van heffing voor de omzetbelasting. Echter zijn er hier weer uitzonderingen van die van belang zijn. Hier zal de stappenplan besproken worden in welke situaties de levering belast zou zijn of niet.

Is het een bouwterrein?

Er is sprake van een bouwterrein wanneer het gaat om onbebouwde grond waarop bewerkingen worden of zijn uitgevoerd. Denk hierbij aan graafwerkzaamheden voor de bouw van onroerend goed, het treffen van voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond (zoals riolering of waterafvoer) of het aanleggen van nieuwe wegen en verlichting in de omgeving. Ook wanneer een bouwvergunning is verleend of de grond bestemd is voor bebouwing, kwalificeert de grond als een bouwterrein. Zodra sprake is van een bouwterrein, is de levering van dat terrein belast met btw.

Don Bosco-arrest
In het Don Bosco-arrest ging het om grond met een oud pand. De afspraak was dat de verkoper het terrein na de overdracht bouwklaar zou maken; de eerste sloopwerkzaamheden waren al verricht. Op het eerste gezicht leek dit te gaan om de levering van een oud pand (zonder btw), waarbij eventueel voor btw kon worden geopteerd en overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn. Het Hof oordeelde echter dat hier feitelijk sprake was van één prestatie: de levering van een bouwterrein. Omdat de levering van een bouwterrein met btw is belast, geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een bouwterrein, ga je verder naar de volgende stap.

Nieuw onroerende zaak of max 2 jaar in gebruik genomen?

Als er een nieuwe onroerende zaak is gebouwd die nog niet in gebruik is genomen (bijvoorbeeld omdat het pand leeg staat), dan moet over de levering btw worden berekend. Daarnaast geldt dat een onroerende zaak tot twee jaar na de eerste ingebruikneming als ‘nieuw’ wordt aangemerkt, waardoor de levering ook in die periode met btw belast is. Omdat je de btw al dient te betalen krijg je een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Een bestaand pand kan door een ingrijpende verbouwing zó worden veranderd dat het weer als ‘nieuw’ wordt beschouwd, waarna de tweejaarsperiode opnieuw gaat lopen. Is het pand echter al twee jaar of langer geleden voor het eerst in gebruik genomen en heb je het niet zodanig verbouwd dat het als nieuw kan worden aangemerkt? Dan ga je verder met stap 3.

Ouder dan 2 jaar na ingebruikname?

Wanneer een onroerende zaak langer dan twee jaar in gebruik is, geldt in principe dat de levering is vrijgesteld van btw. Er bestaat echter de mogelijkheid om te opteren voor een btw-belaste levering. Dat kan voor de verkoper voordelig zijn, omdat hij dan de eerder afgetrokken voorbelasting niet hoeft terug te betalen. Daarnaast is het mogelijk om, bij verkoop binnen de herzieningstermijn, niet-afgetrokken btw over de aankoop alsnog (gedeeltelijk) in aftrek te brengen. Dit kan leiden tot aanzienlijke belastingvoordelen. Voor meer informatie over de herzieningstermijn, zie het desbetreffende artikel.

Je kunt voor een btw-belaste levering van een onroerende zaak kiezen wanneer zowel de verkoper als de koper daarvoor opteren, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de levering niet deel uitmaken van een bedrijfsoverdracht, en moet de koper voldoen aan de zogeheten 90%- of 70%-eis. De keuze voor belaste levering moet vóór de levering worden gemaakt. De koper dient het onroerend goed voor minimaal 90% (of in bepaalde gevallen 70%) te gebruiken voor btw-belaste bedrijfsactiviteiten. Zodra voor een belaste levering wordt geopteerd, start voor de koper een nieuwe herzieningstermijn van tien jaar. Bovendien behoudt de koper zijn recht op aftrek van de btw die hij bij aanschaf heeft betaald, en hoeft hij deze niet terug te betalen aan de Belastingdienst. Omdat de levering bij het opteren niet van rechtswege wordt belast, moet er bij een verkoop met geopteerde btw alsnog overdrachtsbelasting worden betaald. Hier dient dus wel rekening mee gehouden te worden.

Conclusie: Ben je van plan je onroerende zaak binnen 10 jaar te verkopen, dan kan het fiscaal voordelig zijn om te opteren voor een btw-belaste levering; neem in zo’n geval gerust contact met ons op voor deskundig advies.