Startersvrijstelling overdrachtsbelasting 2026: geen belasting bij een woning tot 555.000 euro

Koopt u een huis, dan betaalt u normaal gesproken overdrachtsbelasting. Bent u nog geen 35 jaar en gaat u zelf in de woning wonen, dan kunt u die belasting eenmalig helemaal uitsparen met de startersvrijstelling. Maar er zijn strikte voorwaarden: uw leeftijd, de prijs van de woning en een verklaring die vooraf bij de notaris moet kloppen. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 recht heeft op de startersvrijstelling, welke tarieven gelden, en welke technische regelingen de belasting kunnen verlagen als de vrijstelling niet van toepassing is.

Welke tarieven gelden er in 2026?

De overdrachtsbelasting kent in 2026 drie tarieven (zie figuur 1). Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, betaalt u 2% over de waarde. Voor een woning die u niet zelf gaat bewonen, bijvoorbeeld een beleggings- of vakantiewoning, geldt 8%. Dat percentage is per 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor niet-woningen, zoals een bedrijfspand of een stuk grond, blijft het algemene tarief 10,4%.

Wat koopt u? Tarief 2026
Eigen woning (hoofdverblijf), starter tot 35 jaar 0% (startersvrijstelling)
Eigen woning (hoofdverblijf), overige gevallen 2%
Woning die u niet zelf bewoont 8%
Niet-woning (bedrijfspand, grond) 10,4%

   Figuur 1: de vier tarieven voor de overdrachtsbelasting in 2026. 0 procent met de startersvrijstelling, 2 procent voor een eigen woning als hoofdverblijf, 8 procent voor een woning zonder eigen bewoning (verlaagd van 10,4 procent) en 10,4 procent voor een niet-woning.

Wanneer heeft u recht op de startersvrijstelling?

U betaalt geen overdrachtsbelasting als u aan alle onderstaande voorwaarden voldoet (zie figuur 2). De vrijstelling geldt per persoon: koopt u samen met een partner, dan wordt voor ieder afzonderlijk getoetst.

  • Leeftijd: u bent 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar op het moment van de overdracht bij de notaris.
  • Eigen bewoning: u gaat de woning zelf gebruiken als hoofdverblijf, dus niet tijdelijk. U schrijft zich er in en woont er ook echt.
  • Eenmalig: u heeft de startersvrijstelling niet eerder gebruikt. Het is een eenmalige regeling.
  • Woningwaardegrens: de woning is niet meer waard dan 555.000 euro (grens voor 2026).
  • Schriftelijke verklaring: u legt vooraf bij de notaris schriftelijk vast dat u zelf in de woning gaat wonen en dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft gebruikt.

Figuur 2: beslisboom voor de startersvrijstelling. Beantwoordt u alle vijf de vragen met ja, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting. Is een antwoord nee, dan vervalt de vrijstelling en betaalt u 2 procent over de hele waarde.

De vrijstelling is niet beperkt tot een eerste woning. Ook als u eerder al een woning bezat, kunt u er als jonge doorstromer gebruik van maken, zolang u de vrijstelling nog niet eerder heeft ingezet.

Let op: de grens van 555.000 euro is een harde drempel

De woningwaardegrens is geen vrijgesteld bedrag, maar een drempel (zie figuur 3). Kost de woning 555.001 euro, dan geldt de vrijstelling helemaal niet, ook niet voor het deel tot 555.000 euro. U betaalt dan over de hele waarde het tarief van 2%. Zit u met de prijs dicht bij de grens, dan is dit een belangrijk aandachtspunt.

Figuur 3: de woningwaardegrens is een harde drempel. Een woning van 555.000 euro is vrijgesteld, een woning van 555.001 euro kost 2 procent over de hele waarde (ruim 11.000 euro). De grens loopt op van 525.000 euro in 2025 naar 615.000 euro in 2027.

De grens verandert elk jaar mee met de gemiddelde stijging van de woningwaarden en wordt telkens een jaar vooruit bekendgemaakt. Voor 2027 is al bekend dat de grens omhoog gaat naar 615.000 euro. Voor 2026 geldt 555.000 euro (in 2025 was dit 525.000 euro).

Koopt u aandelen in een vastgoed-bv? Dan geldt de vrijstelling niet

Koopt u geen huis rechtstreeks, maar aandelen in een bv die een woning bezit, dan kunt u de startersvrijstelling niet gebruiken. Ook het lage tarief van 2% geldt dan niet: zo’n aandelenverkrijging is altijd belast tegen het algemene tarief. Koopt u wel een lidmaatschapsrecht van bijvoorbeeld een wooncooperatie waarmee u een woning mag gebruiken, dan kan de vrijstelling juist wel gelden.

Rekenvoorbeeld: een koppel van 32 en 37 jaar

Een stel koopt samen een woning van 300.000 euro. Ieder koopt de helft, dus 150.000 euro. Beiden verklaren dat zij er zelf gaan wonen; de 32-jarige verklaart ook dat hij de vrijstelling nog nooit heeft gebruikt. Omdat per persoon wordt getoetst, pakt de aankoop voor beiden anders uit (zie figuur 4).

  • Persoon van 32 jaar: over 150.000 euro geen overdrachtsbelasting. Voordeel: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro.
  • Persoon van 37 jaar: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro belasting.

Figuur 4: bij samen kopen wordt per persoon getoetst. De koper van 32 jaar voldoet aan de voorwaarden en betaalt niets; de koper van 37 jaar voldoet niet aan de leeftijdseis en betaalt 2 procent over zijn aandeel van 150.000 euro.

Let op: betaalt de een de belasting van de ander, dan kan dat een schenking zijn waarover schenkbelasting verschuldigd is.

Geen vrijstelling? Deze regelingen verlagen de grondslag

Ook als u geen recht heeft op de vrijstelling, kunt u soms over een lager bedrag belasting betalen. Dat is iets anders dan een vrijstelling: u betaalt wel, maar over een lagere grondslag.

Zelf aangebrachte zaken

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening iets aan de woning aangebracht, bijvoorbeeld een keuken, dakkapel of aanbouw, en koopt u het pand later? Dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde van wat u zelf heeft aangebracht. Voorwaarde is onder meer dat u nog geen eigenaar van de grond was toen u de verbetering aanbracht, en dat de prijs niet al vooraf was vastgesteld. Bewaar de aannemingsovereenkomsten en rekeningen als bewijs.

Doorverkoop binnen zes maanden

Verkoopt iemand een pand binnen zes maanden aan u door, dan betaalt u alleen belasting over het bedrag boven de vorige koopprijs. Kocht de vorige eigenaar het pand voor 100.000 euro en koopt u het twee maanden later voor 120.000 euro, dan betaalt u overdrachtsbelasting over 20.000 euro. Deze regeling speelt vaak bij snelle doorverkoop, projectontwikkeling en familietransacties.

Erfpacht, opstal en beklemming

Koopt u een recht van erfpacht of opstal, dan telt niet alleen de prijs van het recht mee, maar ook de jaarlijkse canon, omgerekend naar een bedrag ineens. Bij een canon van 2.400 euro per jaar en een looptijd van twaalf jaar komt dat bijvoorbeeld neer op ruim 20.000 euro extra grondslag. Bij gemeentelijke erfpacht met een afkoopsom is de berekening weer anders. Laat dit vooraf uitrekenen, want het kan een groot verschil maken.

De verklaring bij de notaris: geen formaliteit

De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting: op het moment van de overdracht bij de notaris moet aan alle voorwaarden zijn voldaan. De schriftelijke verklaring moet dus vooraf klaar zijn. Ontbreekt de verklaring, dan is de vrijstelling weg, en een eenmaal gebruikte startersvrijstelling kunt u niet terugdraaien om hem voor een duurdere woning te bewaren. Controleer daarom altijd of de verklaring bij de notaris klopt en compleet is.

Ook bij bijzondere situaties luistert het nauw. Koopt u een garage of stukje grond van een andere verkoper bij de woning, dan moet dat op dezelfde dag gebeuren, anders geldt daarvoor het hoge tarief. En koopt u een kavel om zelf te bouwen, dan is er pas sprake van een woning zodra de fundering er ligt.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw leeftijd op de overdrachtsdatum. U moet op de dag van de overdracht 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn.
  • Blijf onder de woningwaardegrens. Voor 2026 is dat 555.000 euro; de grens is een harde drempel, geen vrijgesteld bedrag.
  • Regel de verklaring vooraf. Zorg dat de schriftelijke verklaring bij de notaris klaar en juist is voor de overdracht.
  • Verdeel de eigendom bewust. Bij een leeftijdsverschil rond de 35 jaar loont het om de verdeling van de eigendom vooraf te bespreken.
  • Onderbouw grondslagverlagingen. Bewaar bewijs van zelf aangebrachte zaken, van een doorverkoop binnen zes maanden of van erfpachtvoorwaarden.
  • Let op aandelen in een vastgoed-bv. Koopt u aandelen in plaats van de woning zelf, dan gelden vrijstelling en laag tarief niet.

Veelgestelde vragen

Tot welk bedrag geldt de startersvrijstelling in 2026?

De woning mag in 2026 niet meer waard zijn dan 555.000 euro. Is de woning duurder, dan vervalt de vrijstelling volledig en betaalt u 2% over de hele waarde. Voor 2027 gaat de grens naar 615.000 euro.

Hoe oud mag ik zijn voor de startersvrijstelling?

U moet 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn op het moment van de overdracht bij de notaris. Vanaf uw 35e verjaardag voldoet u niet meer aan de leeftijdseis, ook niet op de verjaardag zelf.

Mag ik de vrijstelling meer dan een keer gebruiken?

Nee. De startersvrijstelling is eenmalig. Heeft u hem eerder gebruikt, dan kunt u er geen tweede keer een beroep op doen. U verklaart bij de notaris dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft benut.

Geldt de vrijstelling ook als ik samen met mijn partner koop?

De vrijstelling wordt per persoon getoetst. Voldoet uw partner niet aan de voorwaarden, bijvoorbeeld door de leeftijd, dan betaalt hij of zij over het eigen aandeel wel 2%, terwijl u over uw aandeel vrijgesteld kunt zijn.

Wat gebeurt er als de verklaring bij de notaris ontbreekt?

Dan heeft u geen recht op de vrijstelling. De verklaring moet vooraf klaar zijn, omdat op het moment van de overdracht aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Controleer dit dus altijd voor het passeren van de akte.

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik zelf al aan de woning heb verbouwd?

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening zaken aangebracht en koopt u het pand later, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde daarvan. Er gelden wel voorwaarden en de bewijslast ligt bij u.

Hoe Taxcount u kan helpen

De startersvrijstelling kan u duizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en de grens is hard. Een verkeerd getimede overdracht, een ontbrekende verklaring of een woning net boven de grens kost het hele voordeel. Bij hogere aankopen, samengestelde transacties, erfpacht of aankoop via een bv is een goede planning vooraf nog belangrijker. Taxcount beoordeelt uw situatie, controleert of u aan de voorwaarden voldoet en stemt de aankoop en de verklaring af met uw notaris. Overweegt u een woningaankoop? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u tekent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Meewerkaftrek 2026: zo verwerkt u het meewerken van uw partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Kostenegalisatiereserve: zo verdeelt u grote, terugkerende kosten gelijkmatig over de jaren

 

Sommige kosten in uw onderneming komen niet elk jaar even hoog terug, maar af en toe in een grote uitgave in een keer. Denk aan groot onderhoud aan een pand, een schip of een installatie dat maar eens in de zoveel jaar nodig is. Zonder maatregel zakt uw winst in het onderhoudsjaar fors in, terwijl die in de jaren ervoor te hoog lijkt. De kostenegalisatiereserve lost dat op: u zet elk jaar alvast een vast bedrag opzij, zodat de kosten gelijkmatig over de jaren drukken. In dit artikel leest u wat de kostenegalisatiereserve is, wanneer u er gebruik van mag maken en waar u op moet letten.

Wat is de kostenegalisatiereserve?

De kostenegalisatiereserve, ook wel egalisatiereserve, is een fiscale reserve waarmee u een toekomstige, ongelijk verdeelde kostenpost gelijkmatig over de jaren verdeelt (artikel 3.53, lid 1, onderdeel a Wet inkomstenbelasting 2001). U verwacht in de toekomst een grote uitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud, en u reserveert daar nu al jaarlijks een deel voor. Daardoor drukt elk jaar een gelijk bedrag op uw winst, in plaats van een enkele piek in het jaar waarin u de kosten maakt.

De reserve berust op goed koopmansgebruik, de fiscale spelregels voor het bepalen van de jaarwinst. Het is een keuzerecht: u mag de reserve vormen, maar u bent daartoe niet verplicht. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u normaal activeert en over meerdere jaren afschrijft.

Voor wie is de reserve interessant?

De kostenegalisatiereserve is er voor alle ondernemingen met periodiek terugkerende, ongelijk verdeelde kosten die in een later jaar tot een uitgavenpiek leiden. Denk aan groot onderhoud aan een schip, een pand of een machine, of aan een grote, verplichte keuring. De reserve geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, vof of maatschap, als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Voor de vennootschapsbelasting werkt de regeling door via artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de praktijk is het belang van deze reserve de laatste jaren afgenomen. Sinds een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 1998 (het Baksteenarrest) kunt u voor veel toekomstige kosten een voorziening vormen, die vaak ruimere mogelijkheden biedt. De kostenegalisatiereserve speelt daardoor vooral nog een rol in situaties waarin geen voorziening mogelijk is.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Uit de rechtspraak zijn vier voorwaarden afgeleid waaraan u tegelijk moet voldoen. Ten eerste worden de kosten in de toekomst ongelijkmatig over de jaren uitgegeven. Ten tweede zijn de kosten opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in de jaren waarover u reserveert. Ten derde leiden die kosten in een later jaar tot een echte piek in de uitgaven; dit wordt het piekvereiste genoemd. En ten vierde bestaat er een redelijke mate van zekerheid dat u de uitgaven daadwerkelijk gaat doen, bijvoorbeeld op grond van een onderhoudsplan of keuringsschema (zie figuur 1).

Figuur 1: u mag alleen een kostenegalisatiereserve vormen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet. Ontbreekt de piek in de uitgaven, dan is de reserve niet mogelijk.

Ontbreekt de piek, bijvoorbeeld bij min of meer gelijkmatig jaarlijks onderhoud, dan is er geen grond voor een egalisatiereserve. Verder geldt een belangrijke beperking, het inhaalverbod: u mag alleen vooruit reserveren vanaf het moment dat de toekomstige kosten zijn opgeroepen. U mag geen bedrag inhalen over jaren die al voorbij zijn.

Hoe berekent u de jaarlijkse toevoeging?

De jaarlijkse toevoeging aan de reserve heet de dotatie. U bepaalt die volgens goed koopmansgebruik en een bestendige gedragslijn, wat betekent dat u de methode elk jaar op dezelfde manier toepast. Bij de hoogte mag u rekening houden met verwachte loon- en prijsstijgingen (artikel 3.53, lid 2 in samenhang met artikel 3.26 Wet inkomstenbelasting 2001).

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel, uw schip moet eens in de vijf jaar groot onderhoud krijgen dat naar schatting 50.000 euro kost. U mag dan jaarlijks 50.000 euro gedeeld door 5 is 10.000 euro aan de reserve toevoegen (zie figuur 2). Verwacht u dat de kosten door prijsstijging oplopen, bijvoorbeeld met 10 procent per jaar, dan mag u met die stijging rekening houden en jaarlijks een wat hoger bedrag reserveren. In het jaar waarin u het onderhoud laat uitvoeren, valt de reserve vrij tegen de werkelijke uitgave.

Figuur 2: door jaarlijks 10.000 euro te reserveren, verdeelt u het onderhoud van 50.000 euro gelijkmatig over vijf jaar. In jaar 5 valt de reserve vrij tegen de werkelijke kosten.

Kostenegalisatiereserve of voorziening: wat is het verschil?

Naast de reserve bestaat de voorziening, een andere manier om toekomstige kosten alvast ten laste van de winst te brengen. Het belangrijkste verschil is het inhaalverbod. Bij de kostenegalisatiereserve mag u niet inhalen over verstreken jaren, terwijl dat bij een voorziening in beginsel wel kan.

Sinds het Baksteenarrest van 1998 is de ruimte voor een voorziening flink verruimd. Daardoor is de praktijkbetekenis van de kostenegalisatiereserve afgenomen: voor veel toekomstige kosten biedt een voorziening nu meer mogelijkheden. Het is daarom verstandig om per situatie te laten toetsen welke van de twee het gunstigst uitpakt.

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve is bedoeld voor een concreet doel. Zodra dat doel vervalt, moet u de reserve geheel of gedeeltelijk laten vrijvallen. Dat betekent dat het opzijgezette bedrag weer als winst meetelt en wordt belast. Vrijval is onder meer aan de orde als het onderhoud definitief niet doorgaat, als u niet langer van plan bent de uitgave te doen, als er geen sprake meer is van een ongelijke verdeling, of als u uw onderneming staakt.

Een geruisloze doorschuiving, waarbij een ander uw onderneming fiscaal voortzet zonder dat u hoeft af te rekenen, geldt niet als staking. In dat geval hoeft de reserve dus niet vrij te vallen. Houd doorlopend in de gaten of de grond voor uw reserve nog bestaat, zodat u een verplichte vrijval niet mist.

Praktische checklist: dit regelt u rond de kostenegalisatiereserve

  • Kostensoort bepalen: controleer of het echt om kosten gaat en niet om de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u activeert en afschrijft; alleen kosten komen in aanmerking.
  • Piek aantonen: leg vast dat de kosten ongelijk over de jaren terugkomen met een duidelijke piek in een jaar; zonder piek is geen reserve mogelijk.
  • Zekerheid onderbouwen: bewaar een onderhoudsplan, keuringsschema of andere stukken waaruit blijkt dat de uitgave redelijk zeker is.
  • Dotatie berekenen: verdeel de geschatte kosten over de jaren en houd waar nodig rekening met loon- en prijsstijging; pas de methode elk jaar op dezelfde manier toe.
  • Inhaalverbod respecteren: reserveer alleen vooruit en haal geen bedrag in over jaren die al voorbij zijn.
  • Voorziening vergelijken: laat ook toetsen of een voorziening mogelijk is; die is sinds 1998 vaak ruimer en voordeliger.
  • Vrijval bewaken: houd bij of het doel van de reserve nog bestaat en laat de reserve vrijvallen zodra dat doel vervalt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een kostenegalisatiereserve en sparen?

Bij deze reserve zet u niet echt geld op een aparte rekening, maar u verlaagt uw fiscale winst met een jaarlijks bedrag. Zo verdeelt u de belastingdruk gelijkmatig over de jaren. In het jaar waarin u de kosten maakt, valt de reserve vrij en wordt zij verrekend met de werkelijke uitgave.

Mag ik voor jaarlijks onderhoud een egalisatiereserve vormen?

Nee. De regeling is alleen bedoeld voor kosten die ongelijk over de jaren terugkomen en tot een piek leiden. Onderhoud dat elk jaar ongeveer hetzelfde kost, mist die piek en komt daarom niet in aanmerking.

Kan ik een reserve vormen voor de aanschaf van een nieuwe machine?

Nee. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel. Een machine activeert u en schrijft u over meerdere jaren af; daarvoor bestaan andere regelingen, zoals de willekeurige afschrijving of de investeringsaftrek.

Is een voorziening beter dan een kostenegalisatiereserve?

Dat hangt af van uw situatie. Sinds 1998 biedt een voorziening voor veel toekomstige kosten ruimere mogelijkheden, onder meer omdat het inhaalverbod daar niet geldt. Het is verstandig beide opties te laten vergelijken.

Geldt de kostenegalisatiereserve ook voor mijn bv?

Ja. Via de vennootschapsbelasting werkt de regeling ook door naar bv’s en andere belastingplichtige lichamen. De voorwaarden zijn dezelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een kostenegalisatiereserve in uw situatie is toegestaan en voordelig is, vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Taxcount bekijkt of aan het piekvereiste en de overige voorwaarden is voldaan, berekent een onderbouwde jaarlijkse dotatie en vergelijkt de reserve met de mogelijkheid van een voorziening. Ook bewaken wij de momenten waarop de reserve moet vrijvallen, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Wilt u weten of u een grote, terugkerende kostenpost fiscaal slim kunt spreiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Willekeurige afschrijving 2026: zelf uw afschrijvingstempo bepalen en belasting uitstellen

 

Investeert u in een bedrijfsmiddel, dan schrijft u de aanschafprijs normaal in vaste jaarlijkse stappen af. Bij bepaalde investeringen mag u dat tempo echter zelf bepalen. Dat heet willekeurige afschrijving en het levert u een liquiditeits- en rentevoordeel op: u haalt de aftrek naar voren, verlaagt uw winst in een vroeg jaar en betaalt de belasting pas later. In 2026 geldt willekeurige afschrijving vooral voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (de VAMIL) en voor investeringen van startende ondernemers. In dit artikel leest u hoe willekeurige afschrijving werkt, voor wie zij geldt, wat zij oplevert en aan welke voorwaarden en termijnen u moet voldoen.

Wat is willekeurige afschrijving?

Normaal schrijft u een bedrijfsmiddel in vaste stappen af: per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs (bij goodwill 10%), zodat u er minstens vijf jaar over doet. Bij willekeurige afschrijving mag u dat tempo zelf kiezen. U verdeelt het af te schrijven bedrag (de aanschaf- of voortbrengingskosten min de restwaarde) naar eigen inzicht over de jaren. U mag dus in het begin veel of zelfs alles ineens afschrijven.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. U schrijft niet meer af, maar wel eerder. Door de aftrek naar voren te halen, verlaagt u uw winst in een vroeg jaar en betaalt u de belasting pas later. Zo houdt u het geld langer in het bedrijf (het liquiditeitsvoordeel) en bespaart u rente (het rentevoordeel). De totale aftrek over de jaren blijft gelijk; het gaat dus om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt willekeurige afschrijving?

Willekeurige afschrijving is geen algemene regeling, maar geldt voor twee specifieke groepen: investeerders in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en startende ondernemers.

Milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL)

De VAMIL geldt voor alle ondernemingen die investeren in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat, in Nederland nog niet gangbaar is en niet eerder is gebruikt. Deze variant staat open voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en zelfs voor medegerechtigden zoals een commanditaire vennoot. Een urencriterium geldt hierbij niet. Voor milieu-bedrijfsmiddelen mag u sinds 2011 wel maar 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de resterende 25% volgt de normale afschrijvingsregels.

Startende ondernemers

De startersvariant geldt voor natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek, de startersaftrek. Zij mogen op hun investeringen versneld afschrijven, tot een investeringsplafond dat gelijk is aan het maximale bedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor 2026 is dat plafond 398.236 euro. Over het meerdere gelden de normale afschrijvingsregels. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Wat levert willekeurige afschrijving op?

Het voordeel is een rente- en liquiditeitsvoordeel. Een voorbeeld maakt het duidelijk (zie figuur 1). Een startende ondernemer koopt een machine van 50.000 euro met een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nul. Normaal trekt hij vijf jaar lang 10.000 euro per jaar af. Met willekeurige afschrijving mag hij in jaar 1 bijvoorbeeld het volle bedrag van 50.000 euro aftrekken. Tegen een tarief van ongeveer 37% scheelt dat in jaar 1 zo’n 18.500 euro minder belasting. In de jaren daarna betaalt hij dat weer terug, omdat er niets meer valt af te schrijven. Het blijft dus uitstel.

Figuur 1: bij normale afschrijving verdeelt u de kosten over vijf jaar; bij willekeurige afschrijving haalt u de aftrek naar voren. De totale aftrek blijft gelijk.

Let op dat willekeurige afschrijving geen permanent voordeel oplevert. In een jaar met weinig of geen winst kan het naar voren halen van de aftrek juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo daarom op basis van de winst en de tarieven die u de komende jaren verwacht.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

De voorwaarden verschillen per variant. Voor beide geldt dat u de keuze voor willekeurige afschrijving in uw aangifte maakt; de faciliteit wordt niet automatisch toegepast.

Bij milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) moet u de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De kosten moeten minstens 2.500 euro per melding bedragen. De VAMIL is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA). De vier stappen voor een milieu-bedrijfsmiddel staan in figuur 2. Bij de startersvariant bewaakt u het investeringsplafond en let u erop dat bepaalde bedrijfsmiddelen (zoals goederen die u aan derden ter beschikking stelt) zijn uitgesloten.

Figuur 2: de vier stappen bij willekeurige afschrijving van een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL), van investeren tot het combineren met de MIA.

Parameter Waarde in 2026 Geldt voor
Willekeurig af te schrijven deel 75% van de kosten milieu-bedrijfsmiddelen
Drempel per melding 2.500 euro milieu-bedrijfsmiddelen
Meldingstermijn bij RVO binnen 3 maanden milieu-bedrijfsmiddelen
Investeringsplafond 398.236 euro startende ondernemers
Sanctietermijn (terugname) 5 jaar (zeeschepen: 10 jaar) startende ondernemers / zeeschepen

 

Waar moet u op letten?

Voldoet u binnen de sanctietermijn niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen. De boekwaarde wordt dan alsnog gesteld op de waarde zonder willekeurige afschrijving, waardoor het genoten voordeel wordt teruggedraaid. Deze terugname geldt bijvoorbeeld als u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar anders gaat gebruiken of verkoopt.

Ook is willekeurige afschrijving niet bedoeld voor constructies. In een uitspraak van de rechtbank uit 2019 draaide het om een samenwerkingsverband dat alleen was opgezet om via willekeurige afschrijving een fiscaal voordeel te creëren en de machines daarna door te verkopen aan een gelieerde bv. De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een echte onderneming; de verliezen werden teruggedraaid en er volgde een boete. Er moet dus een reële onderneming met een winstverwachting achter de investering zitten.

Praktische checklist: dit regelt u bij willekeurige afschrijving

  • Variant bepalen: ga na of uw investering een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL) is of dat u als starter met de verhoogde zelfstandigenaftrek in aanmerking komt.
  • Tijdig melden bij RVO: meld een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO. Zonder tijdige melding vervalt het recht op VAMIL.
  • Drempel en plafond bewaken: controleer of de kosten van een milieu-bedrijfsmiddel minstens 2.500 euro zijn en of uw investering als starter binnen het plafond van 398.236 euro blijft.
  • Keuze in de aangifte: neem de keuze voor willekeurige afschrijving op in uw aangifte; de faciliteit komt niet vanzelf.
  • Tempo plannen: stem het afschrijvingstempo af op de winst en tarieven die u de komende jaren verwacht, zodat de aftrek maximaal rendeert.
  • Terugname voorkomen: houd rekening met de sanctietermijn van vijf jaar (zeeschepen tien jaar) en bewaar de gegevens, zodat u een terugname kunt onderbouwen of voorkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen willekeurige afschrijving en investeringsaftrek?

Willekeurige afschrijving verandert alleen het tempo waarin u afschrijft en levert een timingvoordeel op; de totale aftrek blijft gelijk. Investeringsaftrek (zoals KIA, EIA of MIA) is een extra aftrekpost boven op de normale afschrijving en verlaagt uw winst dus blijvend.

Kan ik VAMIL en MIA combineren?

Ja. De willekeurige afschrijving voor milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA). De combinatie met de energie-investeringsaftrek (EIA) is echter uitgesloten.

Moet ik de milieu-investering melden?

Ja. U moet een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting melden bij RVO. Zonder tijdige melding bestaat er geen recht op willekeurige afschrijving.

Levert versneld afschrijven altijd voordeel op?

Nee. In een jaar met weinig of geen winst slaat de aftrek tegen een laag tarief neer en kan het naar voren halen nadelig zijn. Het voordeel hangt af van uw winst en de tarieven per jaar.

Mag mijn bv ook als starter versneld afschrijven?

Nee. De startersvariant geldt alleen voor natuurlijke personen met recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek. Bv’s en andere rechtspersonen zijn hiervan uitgesloten, maar kunnen wel gebruikmaken van de VAMIL voor milieu-bedrijfsmiddelen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of uw investering in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving, verzorgt de tijdige melding bij RVO en berekent het plafond voor starters. Vooral bij het plannen van het afschrijvingstempo over meerdere jaren valt vaak voordeel te halen, want de beste keuze hangt af van uw verwachte winst en tarieven. Wij zorgen dat de keuze correct in uw aangifte komt en dat u geen terugname riskeert. Wilt u het maximale liquiditeitsvoordeel uit uw investering halen? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Box 1, 2 en 3: zo werkt het boxenstelsel van de inkomstenbelasting

Betaalt u belasting over uw loon, uw winst, dividend uit uw bv of uw spaargeld? Dan krijgt u te maken met het boxenstelsel: de indeling van de inkomstenbelasting in box 1, 2 en 3. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels, en de wet bepaalt in welke box een inkomen of vermogen thuishoort. Die indeling is niet vrijblijvend, want een fout in de boxindeling leidt tot een onjuiste aangifte, navordering en belastingrente. In box 3 is er sinds de rechtspraak van de Hoge Raad bovendien een extra route: u mag aantonen dat uw werkelijke opbrengst lager was dan het bedrag waarover u belasting betaalt. In dit artikel leest u wat in elke box valt, welke tarieven in 2026 gelden, hoe de rangorde werkt, wat de tegenbewijsregeling in box 3 voor u betekent en wat u praktisch moet regelen.

Wat is het boxenstelsel?

De inkomstenbelasting werkt met een gesloten boxenstelsel. Dat betekent dat al uw inkomen en vermogen wordt ingedeeld in drie groepen: box 1 (werk en woning), box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). Elke box heeft een eigen manier van rekenen en een eigen tarief. De belasting van de drie boxen wordt daarna bij elkaar opgeteld, en van dat totaal gaan uw heffingskortingen af.

Gesloten betekent ook dat u niet vrij tussen de boxen kunt schuiven. Een verlies in de ene box mag u in principe niet aftrekken van winst in een andere box, en een inkomen dat in box 1 hoort, kunt u niet in box 3 laten vallen omdat dat tarief lager is. De onderstaande tabel geeft in het kort weer wat er in elke box valt en welk tarief in 2026 geldt. Figuur 1 zet daaronder de drie boxen, de tarieven van 2026 en de rangorde nog eens naast elkaar.

Box Wat valt hierin? Tarief 2026
Box 1: werk en woning Winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, pensioen en uitkeringen, en het saldo van de eigen woning 35,75%, 37,56% en 49,50% (oplopend)
Box 2: aanmerkelijk belang Dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv of nv 24,5% tot en met 68.843 euro, daarboven 31%
Box 3: sparen en beleggen Spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto 36% over het rendement, boven een heffingvrij vermogen van 59.357 euro

   Figuur 1: Het boxenstelsel in 2026: wat in elke box valt, welk tarief geldt en hoe de rangorde box 1, box 2 en box 3 werkt.

 

Box 1: werk en woning

In box 1 valt uw actieve inkomen. Denk aan winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, pensioen en uitkeringen. Ook bijverdiensten die geen onderneming en geen loon zijn vallen hier, in de wet resultaat uit overige werkzaamheden genoemd. Uw eigen woning hoort er eveneens bij: u telt een vast percentage van de WOZ-waarde bij uw inkomen op, het eigenwoningforfait, en trekt de hypotheekrente ervan af. Box 1 heeft een oplopend tarief, ook wel progressief tarief genoemd: over een hoger inkomen betaalt u een hoger percentage. In het tarief van de eerste schijf zitten ook de premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) verwerkt.

Voor wie de AOW-leeftijd in 2026 nog niet heeft bereikt, geldt 35,75% over de eerste 38.883 euro, daarna 37,56% tot en met 78.426 euro en 49,50% over het meerdere. Heeft u de AOW-leeftijd wel bereikt, dan betaalt u over die eerste schijf 17,85%, omdat u geen AOW-premie meer betaalt. Bent u geboren voor 1 januari 1946, dan loopt uw eerste schijf door tot 41.123 euro.

Aftrekposten in box 1 tellen niet altijd tegen uw hoogste tarief mee. Voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de vrijstelling voor vermogen dat u aan uw eigen bv ter beschikking stelt, de aftrekbare kosten van de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten, giften en alimentatie) geldt in 2026 een maximaal aftrektarief van 37,56%. Verdient u meer dan 78.426 euro, dan levert een euro aftrek u dus geen 49,50% op, maar 37,56%.

Box 2: aanmerkelijk belang

Box 2 is de box voor de grootaandeelhouder. U valt hierin als u, samen met uw fiscale partner, een belang van 5% of meer heeft in een bv of nv. Dat heet een aanmerkelijk belang. Het dividend dat u uit uw bv haalt en de winst die u maakt bij verkoop van uw aandelen worden in box 2 belast.

In 2026 kent box 2 twee schijven: 24,5% over de eerste 68.843 euro en 31% over het meerdere. Over inkomen in box 2 betaalt u geen premies volksverzekeringen. Heeft u een fiscale partner, dan kunt u het box 2-inkomen onderling verdelen. Zo benut u de lage schijf twee keer, samen dus tot en met 137.686 euro. Voor een directeur-grootaandeelhouder grijpen box 1 en box 2 op elkaar in via het gebruikelijk loon en de afweging tussen loon en dividend. Die afweging vraagt altijd een berekening voor uw eigen situatie.

Box 3: sparen en beleggen

In box 3 valt uw privévermogen dat niet al in box 1 of box 2 wordt belast: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto. Box 3 is de box die de afgelopen jaren het meest is veranderd, en die verandering is nog niet klaar.

Hoe wordt uw box 3-inkomen in 2026 berekend?

Box 3 belast niet uw werkelijke opbrengst, maar een forfaitair rendement: een percentage dat de wet vooraf vaststelt. Dat percentage verschilt per soort vermogen. Over het zo berekende rendement betaalt u 36% inkomstenbelasting. Peildatum is 1 januari van het belastingjaar: uw vermogen op die datum bepaalt de heffing over het hele jaar. U betaalt pas belasting boven het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon, of 118.714 euro voor fiscale partners samen.

Soort vermogen (2026) Forfaitair rendement
Banktegoeden, spaargeld en contant geld 1,28% (voorlopig percentage)
Overige bezittingen, zoals beleggingen en een tweede woning 6,00%
Schulden (aftrekbaar van uw rendement) 2,70%

Let op het woord voorlopig bij de banktegoeden. Dit percentage wordt pas na afloop van 2026 definitief vastgesteld op basis van de werkelijke spaarrente. Voor uw voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst met 1,28%.

Wat als uw werkelijke opbrengst lager was?

Dan mag u dat aantonen, en betaalt u over uw werkelijke rendement in plaats van over het forfait. Dit heet de tegenbewijsregeling. De achtergrond is een reeks uitspraken van de Hoge Raad. In het Kerstarrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het toenmalige box 3-stelsel in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht voor wie een lager werkelijk rendement had dan het forfait. Op 6 juni 2024 besliste de Hoge Raad dat ook de opvolgende regelingen dat probleem niet oplossen voor wie meer heeft dan alleen spaargeld. Voor spaarders klopt het forfait redelijk, maar bij beleggingen en vastgoed wordt een succesvolle en een ongelukkige belegger nog altijd gelijk behandeld.

Belangrijk is dat dit oordeel ook geldt voor het stelsel dat vanaf 2023 loopt, en dus ook voor 2026. Tegenbewijs is daarmee geen uitzondering voor oude jaren, maar een structurele mogelijkheid zolang het forfaitaire stelsel bestaat. Het kabinet wil overstappen op een heffing over het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam dat wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet definitief vast.

Wat telt mee als werkelijk rendement?

De Hoge Raad heeft daar vaste rekenregels voor gegeven, en die vallen vaak anders uit dan mensen verwachten. Meegerekend worden uw directe opbrengsten (rente, dividend en huur) en de waardestijging of waardedaling van uw bezittingen, ook als u niets heeft verkocht. Die ongerealiseerde waardestijging maakt uw werkelijke rendement dus juist hoger.

Niet meegerekend worden uw kosten, met een belangrijke uitzondering: de rente over uw box 3-schulden mag u wel aftrekken. Ook de drempel voor schulden blijft hier buiten beschouwing, zodat al uw box 3-rente meetelt. Over die kostenaftrek loopt nog discussie: de advocaat-generaal bij de Hoge Raad vindt dat ook andere kosten, zoals verbeteringskosten, aftrekbaar zouden moeten zijn, dus houd rekening met nieuwe procedures. Er wordt niet gecorrigeerd voor inflatie, u kijkt naar uw hele box 3-vermogen zonder het heffingvrije vermogen eraf te halen, en u rekent per jaar. Een slecht beleggingsjaar kunt u dus niet verrekenen met een goed jaar. Heeft u een fiscale partner, dan volgt uw deel van het werkelijke rendement uw aandeel in de gezamenlijke grondslag. Figuur 2 zet naast elkaar wat wel en wat niet meetelt bij uw werkelijke rendement.

Figuur 2: Werkelijk rendement in box 3: wat wel en wat niet meetelt volgens de rekenregels van de Hoge Raad.

Een tweede woning of ander vastgoed in box 3

Voor vastgoed gelden aanvullende regels uit vier uitspraken van de Hoge Raad van 20 december 2024. Gebruikt u de woning zelf, dan levert dat eigen gebruik voor het werkelijke rendement geen voordeel op: het wordt op nihil gesteld. De waardeontwikkeling bepaalt u door de WOZ-waarde van het jaar zelf te vergelijken met de WOZ-waarde van het jaar erna. Koopt of verkoopt u in de loop van het jaar, dan wordt die waardeontwikkeling tijdsevenredig tussen koper en verkoper verdeeld. Een waardestijging die het gevolg is van verbouwing of uitbreiding telt niet mee als opbrengst. Voor gewoon onderhoud geldt dat niet, en de grens tussen onderhoud en verbetering is in de praktijk vaak een discussiepunt.

Op twee punten is het laatste woord nog niet gesproken. Het kabinet vindt dat eigen gebruik wel een voordeel oplevert, namelijk de huur die u bij normale verhuur zou kunnen vragen, terwijl de Hoge Raad dat voordeel op nihil stelt. En bij een aankoop of verkoop in de loop van het jaar is nog niet beslist of de datum van de koopovereenkomst of van de levering telt. Laat vastgoed in box 3 daarom altijd apart doorrekenen.

Oude jaren: rechtsherstel over 2017 tot en met 2022

Voor de jaren 2017 tot en met 2022 geldt een aparte wet, de Wet rechtsherstel box 3. Die rekent uw box 3-inkomen over die jaren opnieuw uit, met per jaar een eigen percentage voor spaargeld, voor overige bezittingen en voor schulden. Deze herberekening werkt eenzijdig in uw voordeel: zij wordt alleen toegepast als uw box 3-inkomen daardoor lager uitvalt dan volgens de oude berekening, en uw inkomen wordt nooit lager gesteld dan nul. Voor 2021 bedroeg het percentage voor banktegoeden bijvoorbeeld 0,01%, tegen 5,69% voor overige bezittingen. Wie vooral spaarde is met het rechtsherstel dus flink beter af; wie belegde heeft eerder iets aan de tegenbewijsregeling.

Of u nog aan die oude jaren toekomt, hangt af van wat u destijds heeft gedaan. Voor 2021 en later kan iedere belastingplichtige een lager werkelijk rendement opgeven. Voor 2019 en 2020 geldt dat alleen als uw definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet definitief vaststond of daarna is opgelegd, en u tijdig heeft gevraagd om een ambtshalve vermindering. Dat is een verlaging van een aanslag die al vaststaat, buiten de gewone bezwaartermijn om. Voor 2017 en 2018 moet uw bezwaar hebben meegelopen in de procedure massaal bezwaar, waarin een paar proefzaken worden uitgeprocedeerd voor een hele groep, of moet uw aanslag na het Kerstarrest zijn ontvangen, plus een tijdig verzoek om ambtshalve vermindering.

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad hierover een streep getrokken. Wie over de jaren 2017 tot en met 2020 geen of niet op tijd bezwaar maakte, de zogenoemde niet-bezwaarmaker, heeft geen recht op teruggaaf. Deze groep hoopte via de procedure massaal bezwaar plus alsnog geld terug te krijgen; die route is met deze uitspraak gesloten. Voor 2021 en latere jaren staat de tegenbewijsregeling wel open. Krijgt u een box 3-vermindering, dan vergoedt de Belastingdienst daarover in de regel geen rente. Dat geldt niet alleen bij oude jaren, maar bij elke vermindering. Figuur 3 laat per jaargroep zien of tegenbewijs voor u nog openstaat en hoe u het doorgeeft.

Figuur 3: Beslisboom: was uw werkelijke rendement lager dan het forfait, en komt u over dat belastingjaar nog aan bod?

Zo geeft u een lager werkelijk rendement door

Een beroep op de tegenbewijsregeling doet u niet met een gewone brief. U moet het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) gebruiken, dat sinds 10 juli 2025 in Mijn Belastingdienst staat. Per belastingjaar heeft u een apart formulier nodig, en aanvullende stukken kunt u tot zes weken na verzending van het formulier nasturen. Vanaf de aangifte over 2025 kunt u het werkelijke rendement ook rechtstreeks in uw aangifte opgeven.

De bewijslast ligt bij u. U moet uw hele box 3-vermogen in dat jaar onderbouwen, niet alleen het bestanddeel dat slecht rendeerde. Bewaar dus per jaar uw rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten van uw beleggingen. Reken bovendien eerst door of tegenbewijs u werkelijk iets oplevert: doordat ongerealiseerde waardestijgingen meetellen en kosten niet aftrekbaar zijn, valt het werkelijke rendement vaak hoger uit dan verwacht.

Hoe bepaalt de wet in welke box iets valt?

Omdat de tarieven per box verschillen, is het belangrijk dat een inkomen in de juiste box terechtkomt. Daarvoor kent de wet de rangorderegeling. Past een voordeel in meerdere boxen, dan geldt de box die als eerste in de wet staat: box 1 gaat voor box 2, en box 2 gaat voor box 3. Die volgorde werkt ook binnen een box, waar winst uit onderneming voorgaat op loon en loon voorgaat op resultaat uit overige werkzaamheden.

Een gevolg van de rangorde is dat vermogen dat inkomen in box 1 of box 2 oplevert, niet ook in box 3 wordt meegeteld. Verhuurt u bijvoorbeeld een pand aan uw eigen bv, dan valt dat pand in box 1 en niet in box 3. Schulden volgen daarbij het vermogen waar zij bij horen. Er zijn wel uitzonderingen. Een schuld waarvan de rente in box 1 of box 2 niet aftrekbaar is, komt juist in box 3 terecht. En een eigenwoningschuld die u voor 2013 heeft afgesloten, blijft dwingend in box 1. Het overgangsrecht gaat hier voor de rangorde: de Hoge Raad besliste op 14 maart 2025 dat u die lening niet naar box 3 kunt overbrengen.

De wet bevat daarnaast maatregelen tegen boxhoppen: het tijdelijk verplaatsen van vermogen rond de peildatum van 1 januari om box 3-heffing te ontlopen. Haalt u vermogen minder dan drie maanden uit box 3, dan wordt het toch in box 3 belast en is tegenbewijs niet mogelijk. Bij drie tot zes maanden, en bij zes tot achttien maanden via een beleggingsinstelling of een buitenlands beleggingslichaam, kunt u nog aantonen dat u zakelijke en niet-fiscale redenen had. Slaagt dat niet, dan betaalt u in twee boxen tegelijk.

Kunt u een verlies uit de ene box met een andere box verrekenen?

In beginsel niet. Het boxenstelsel is gesloten, dus een verlies blijft binnen zijn eigen box. Een verlies in box 1 verrekent u binnen box 1: drie jaar terug en negen jaar vooruit. Een verlies in box 2 verrekent u binnen box 2: een jaar terug en zes jaar vooruit. Box 3 kent in de praktijk geen verrekenbaar verlies. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 is wettelijk vastgelegd dat het voordeel uit sparen en beleggen op ten minste nul wordt gesteld, en ook bij tegenbewijs verrekent u een slecht jaar niet met een goed jaar. Of een negatief werkelijk rendement tot een verrekenbaar box 3-verlies kan leiden, is nog niet uitgekristalliseerd.

Op de geslotenheid bestaat een belangrijke uitzondering. Heeft u een verlies uit aanmerkelijk belang dat u niet meer in box 2 kon verrekenen, en hebben u en uw fiscale partner in het jaar zelf en het jaar daarvoor geen aanmerkelijk belang meer, dan kunt u dat verlies op verzoek omzetten in een belastingkorting van 25%. Die korting gaat af van uw box 1-belasting. Er geldt een wachttijd van minstens een jaar, de korting leidt niet tot een teruggaaf en u kunt haar niet met box 3-inkomen verrekenen. Wel kunt u een onbenut deel doorschuiven naar een volgend jaar. Let op de volgorde: de korting gaat af voor uw heffingskortingen, waardoor een deel van die heffingskortingen kan verdampen.

Wat is het verzamelinkomen en waarom telt het?

Naast de belasting per box telt de wet ook uw drie boxinkomens bij elkaar op, na verrekening van verliezen en voor aftrek van de heffingskortingen. Die optelsom heet het verzamelinkomen. Het is niet alleen de basis voor uw belasting, maar ook de maatstaf voor inkomensafhankelijke regelingen: uw heffingskortingen, toeslagen en allerlei eigen bijdragen. In 2026 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal 3.115 euro en is die nihil vanaf een verzamelinkomen van 78.426 euro. De arbeidskorting bedraagt maximaal 5.685 euro en is nihil vanaf een arbeidsinkomen van 132.920 euro.

Heeft u een fiscale partner, dan mag u gemeenschappelijke posten zoals de eigen woning, het box 2-inkomen, de box 3-grondslag en de persoonsgebonden aftrek jaarlijks vrij onderling verdelen. Dat beïnvloedt niet alleen de belasting, maar via het verzamelinkomen ook uw kortingen en toeslagen. Let op een uitzondering: leidt rechtsherstel of tegenbewijs in box 3 tot een herrekening, dan volgt de extra persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten en giften) de verdeling die u in de aangifte koos voor zorgkosten of giften. Wilt u die anders verdelen, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering nodig.

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel dat u in 2026 60.000 euro loon uit uw eigen bv ontvangt, dat uw bv 50.000 euro dividend aan u uitkeert en dat u 150.000 euro privévermogen heeft. Het loon wordt progressief belast in box 1. Het dividend valt binnen de eerste schijf van box 2 en wordt belast tegen 24,5%, dus 12.250 euro. Van uw privévermogen blijft 59.357 euro onbelast; over het rendement op het meerdere betaalt u 36% in box 3. De drie uitkomsten worden opgeteld en verminderd met uw heffingskortingen. Was uw werkelijke rendement op dat vermogen lager dan het forfait, dan kunt u dat via de tegenbewijsregeling laten meewegen. Figuur 4 werkt dit voorbeeld per box uit, met de heffing per box en de optelsom tot het verzamelinkomen.

Figuur 4: Rekenvoorbeeld: loon, dividend en privévermogen van een dga in 2026, met de heffing per box en het verzamelinkomen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de juiste box. Ga per inkomen en per vermogensbestanddeel na of het in box 1, box 2 of box 3 hoort, en respecteer de rangorde: box 1 voor box 2 voor box 3.
  • Gebruik de tarieven en grenzen van 2026. Reken met de schijven van box 1, de grens van 68.843 euro in box 2 en het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon in box 3.
  • Houd de peildatum in het oog. Voor box 3 telt uw vermogen op 1 januari. Vermijd tijdelijke boxwisselingen rond die datum, want die kunnen tot dubbele heffing leiden.
  • Reken uw werkelijke rendement in box 3 door. Was uw opbrengst lager dan het forfait, dan kan tegenbewijs lonen. Reken het eerst uit, want ongerealiseerde waardestijgingen tellen mee en kosten zijn niet aftrekbaar.
  • Bewaar uw box 3-dossier per jaar. Rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten heeft u nodig om een lager rendement aannemelijk te maken.
  • Controleer uw oude aanslagen. Voor 2021 en latere jaren kunt u het formulier Opgaaf werkelijk rendement gebruiken. Voor 2017 tot en met 2020 is een tijdig bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering voorwaarde.
  • Verdeel gemeenschappelijke posten. Heeft u een fiscale partner, verdeel dan de eigen woning, het box 2-inkomen en het box 3-vermogen bewust, en kijk ook naar het effect op toeslagen.
  • Bewaak uw verliezen. Verreken verliezen binnen de juiste box en vergeet een oud aanmerkelijkbelangverlies niet: dat kan via een belastingkorting van 25% alsnog tegen box 1 worden ingezet.
  • Geef alles volledig aan. Meld al uw inkomen en vermogen, ook buitenlandse rekeningen en crypto. Verzwijgen leidt tot navordering, belastingrente en mogelijk een boete.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen box 1, 2 en 3?

Box 1 belast uw werk en woning: winst, loon, uitkering, pensioen en de eigen woning, tegen een oplopend tarief. Box 2 belast dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv. Box 3 belast uw overige privévermogen, zoals spaargeld en beleggingen. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels.

Welke tarieven gelden in 2026?

Box 1 kent 35,75%, 37,56% en 49,50% voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Box 2 kent 24,5% tot en met 68.843 euro en 31% daarboven. Box 3 kent een tarief van 36% over het berekende rendement, met een heffingvrij vermogen van 59.357 euro per persoon.

Wat is de rangorderegeling?

De rangorderegeling bepaalt in welke box een inkomen valt als het in meerdere boxen zou kunnen vallen. De volgorde is box 1 voor box 2 voor box 3. Daardoor valt een pand dat u aan uw eigen bv verhuurt in box 1 en niet in box 3.

Kan ik in box 3 belasting terugkrijgen als mijn rendement lager was?

Dat kan via de tegenbewijsregeling. U maakt dan aannemelijk dat uw werkelijke rendement lager was dan het forfait en betaalt over dat werkelijke rendement. U gebruikt daarvoor het formulier Opgaaf werkelijk rendement, per belastingjaar apart. Reken het eerst door, want kosten zijn niet aftrekbaar en waardestijgingen tellen wel mee.

Krijg ik nog rechtsherstel als ik nooit bezwaar heb gemaakt?

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 niet. De Hoge Raad besliste op 25 juni 2026 dat niet-bezwaarmakers over die jaren geen recht hebben op teruggaaf. Voor 2021 en latere jaren kunt u wel een lager werkelijk rendement opgeven, ook zonder eerder bezwaar.

Kan ik een verlies uit box 3 verrekenen met box 1?

Nee. Verliezen blijven binnen hun eigen box en box 3 kent geen verlies. De enige uitzondering op het gesloten stelsel is een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang: dat kunt u na beëindiging van uw belang omzetten in een belastingkorting van 25% tegen uw box 1-belasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount bepaalt voor u in welke box uw inkomen en vermogen thuishoren, berekent per box de belasting en zorgt dat de rangorde en de verliesverrekening kloppen. Wij rekenen daarbij ook de keuzes door die echt verschil maken: loon of dividend uit uw bv, de verdeling van gemeenschappelijke posten met uw fiscale partner, en de vraag of uw box 3-vermogen beter in box 3 blijft of via een bv naar box 2 gaat. Voor box 3 rekenen wij uw werkelijke rendement per jaar uit en toetsen wij of een beroep op de tegenbewijsregeling u daadwerkelijk iets oplevert, inclusief de onderbouwing op het verplichte formulier.

Twijfelt u over uw boxindeling, over een openstaande aanslag uit een eerder jaar of over de fiscale gevolgen van uw vermogen? Leg uw situatie aan ons voor, dan beoordelen wij die en zetten wij de mogelijkheden voor u op een rij.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Het forfaitaire percentage voor banktegoeden in 2026 is nog voorlopig, en de rechtspraak over box 3 is nog in beweging. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat u besluiten neemt.

Werkruimte in de woning 2026: wanneer zijn de kosten van uw werkkamer aftrekbaar?

 

Werkt u als ondernemer (deels) vanuit huis, dan is de vraag al snel of u de kosten van uw werkkamer van de winst mag aftrekken. Denk aan een deel van de huur of afschrijving, energie, schoonmaak en inrichting. Veel ondernemers gaan ervan uit dat dit mag, maar de wet is streng: de kosten van een werkruimte in de eigen woning zijn in de meeste gevallen juist níet aftrekbaar. Alleen als uw werkruimte aan twee strenge eisen voldoet, is aftrek mogelijk. In dit artikel leest u hoe de regeling in 2026 werkt, wanneer u de kosten wél mag aftrekken en wat u praktisch moet regelen.

 

Wat valt onder een werkruimte in de woning?

Een werkruimte is elke ruimte in of bij uw woning die u voor uw werk gebruikt. Dat is een ruim begrip: het gaat niet alleen om een kantoor of werkkamer, maar ook om een praktijk- of behandelruimte, een atelier of een garage die u als opslag gebruikt. Onder de kosten van de werkruimte valt vrijwel alles wat met de ruimte te maken heeft: afschrijving of het huurdeel, energie, schoonmaak, behang- en schilderwerk, stoffering en de inrichting zoals een bureau en kasten.

De regeling geldt voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap), voor medegerechtigden en voor mensen met resultaat uit overige werkzaamheden. Ze geldt voor koop- én huurwoningen, en ook voor een tweede woning, een woonschip of een woonwagen. Voor een bv met een dga geldt een eigen, vergelijkbare regeling.

Waarom zijn de kosten meestal niet aftrekbaar?

De wet bepaalt dat de kosten van een werkruimte in uw woning niet van de winst aftrekbaar zijn, ook al werkt u er elke dag. Dit geldt zolang de woning tot uw privévermogen behoort, wat bij de meeste ondernemers het geval is, en sinds 2017 net zo voor huurwoningen. Een werkplek in de woonkamer, een slaapkamer of een zolderkamer telt dus nooit mee voor aftrek. De wetgever heeft hier bewust een grove grens getrokken om discussies over gemengde kosten te voorkomen.

De uitzondering: twee eisen die allebei moeten worden gehaald

Er is één uitzondering. Uw werkruimte moet dan aan twee eisen voldoen, en die gelden allebei tegelijk. De eerste is de zelfstandigheidseis, de tweede is de inkomenseis. De beslisboom hierna laat in één oogopslag zien of uw kosten aftrekbaar zijn (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom. Alleen als u alle vragen met ja beantwoordt, zijn de kosten aftrekbaar.

De zelfstandigheidseis

De werkruimte moet naar verkeersopvatting, dus zoals mensen er in het dagelijks leven tegenaan kijken, een zelfstandig deel van de woning vormen. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen voorzieningen zoals sanitair, zodat u de ruimte in principe apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. Ontbreekt een eigen toilet of eigen ingang, dan is dat in de rechtspraak vrijwel altijd fataal. Een aanbouw of uitbreiding van de woning helpt op zichzelf niet: het gaat om echte zelfstandigheid. Ook massaal thuiswerken tijdens de coronacrisis heeft deze eis niet versoepeld.

De inkomenseis

Naast de zelfstandigheidseis moet u een groot deel van uw arbeidsinkomen in de werkruimte verdienen. Bij het arbeidsinkomen tellen uw winst, uw loon en uw bijverdiensten samen. Welke eis precies geldt, hangt ervan af of u ook een werkplek buiten uw woning heeft.

Uw situatie Inkomenseis om af te trekken
U heeft ook een werkplek buiten de woning Minimaal 70% van uw arbeidsinkomen verdient u ín de werkruimte thuis
U heeft geen werkplek buiten de woning Minimaal 70% verdient u in of vanuit de werkruimte thuis én minimaal 30% echt ín de werkruimte

Figuur 2: de twee eisen en de inkomensdrempels van 70 procent en 30 procent.

Let op: een werkplek elders wordt ruim opgevat. Ook een flexplek die u deelt of die maar één dag per week beschikbaar is, telt al mee als werkruimte buiten de woning. Daardoor geldt dan de zwaardere eis dat u 70 procent ín de thuiswerkruimte moet verdienen. De bewijslast ligt bij u: u moet aannemelijk kunnen maken dat u aan de inkomenseis voldoet, bijvoorbeeld met een onderbouwde urenverdeling.

Rekenvoorbeeld: Eva is rijinstructeur en heeft geen kantoor elders. Zij plant en administreert alles vanuit een verbouwde garage met eigen ingang en eigen toilet. Haar winst is 55.000 euro en ander inkomen heeft zij niet. Vrijwel alles verdient zij vanuit de garage, ruim 70 procent, dus de eerste toets haalt zij. Maar echt ín de garage verdient zij, gemeten naar haar administratie-uren, maar zo’n 15 procent. Zij haalt de 30-procenteis niet, dus de kosten zijn niet aftrekbaar.

Koop- of huurwoning: maakt het verschil?

Voor de hoofdregel maakt het geen verschil of u een koop- of huurwoning heeft: in beide gevallen zijn de kosten van een niet-kwalificerende werkruimte niet aftrekbaar. Vroeger kon een huurder het huurrecht soms tot het ondernemingsvermogen rekenen en zo de huisvestingskosten aftrekken, maar die route is sinds 2017 afgesloten.

De uitsluiting geldt alleen zolang de woning tot uw privévermogen behoort. Wie de woning of een zelfstandige werkruimte tot het ondernemingsvermogen rekent, valt buiten deze regeling. Die keuze ligt in beginsel al bij de start van uw onderneming vast en is later moeilijk te wijzigen. Tegenover de aftrek staan dan wel andere gevolgen, zoals een bijtelling voor het privégebruik en belasting over de verkoopwinst. Sinds 2025 zijn bepaalde woonkosten ook in dat geval van aftrek uitgesloten. Dit is maatwerk: laat u hierover goed adviseren.

Praktische checklist: wat u moet nagaan

  • Bepaal of u een werkruimte gebruikt. Elke ruimte die u voor uw werk gebruikt telt mee, ook een opslag of atelier.
  • Toets de zelfstandigheid. Heeft de ruimte een eigen ingang én eigen sanitair, zodat u hem apart zou kunnen verhuren?
  • Check of u een werkplek elders heeft. Ook een gedeelde of beperkt beschikbare flexplek telt mee en verzwaart de inkomenseis.
  • Reken de inkomenseis na. Verdient u genoeg van uw arbeidsinkomen in of vanuit de werkruimte om aan de 70- of 30-procenteis te voldoen?
  • Leg uw onderbouwing vast. Houd een urenverdeling bij tussen thuis en elders; de bewijslast ligt bij u.
  • Trek niets af als u niet kwalificeert. Voer huisvestings-, energie- en inrichtingskosten dan niet op in uw aangifte.

Veelgestelde vragen

Mag ik de kosten van mijn werkkamer thuis aftrekken?

Meestal niet. Kosten van een werkruimte in uw privéwoning zijn alleen aftrekbaar als de ruimte een zelfstandig deel van de woning is (met eigen ingang en sanitair) én u er een groot deel van uw arbeidsinkomen verdient. Voldoet u niet aan beide eisen, dan zijn de kosten niet aftrekbaar.

Wat betekent de zelfstandigheidseis precies?

De werkruimte moet zo zelfstandig zijn dat u hem apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen sanitair. Een werkplek in de woonkamer of op zolder voldoet niet.

Geldt de regeling ook voor een huurwoning?

Ja. Sinds 2017 gelden voor een huurwoning dezelfde regels als voor een koopwoning. De kosten zijn alleen aftrekbaar als de werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet.

Telt een flexplek bij een opdrachtgever als werkruimte elders?

Ja. Ook een gedeelde flexplek of een werkplek die maar één dag per week beschikbaar is, telt als werkruimte buiten uw woning. Dan geldt de zwaardere eis dat u 70 procent van uw arbeidsinkomen ín de werkruimte thuis moet verdienen.

Wat gebeurt er als ik de kosten ten onrechte aftrek?

De Belastingdienst corrigeert dan de afgetrokken kosten, inclusief samenhangende posten zoals energie, schoonmaak en inrichting. Trek deze kosten daarom alleen af als u zeker weet dat u aan alle voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount u kan helpen

De regels rond de werkruimte in de woning zijn streng en er wordt in de praktijk veel over geprocedeerd. Taxcount beoordeelt of uw werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet, rekent de 70- en 30-procenteis voor u na en adviseert of het aantrekkelijk is om een zelfstandige werkruimte tot uw ondernemingsvermogen te rekenen. Zo weet u zeker dat u aftrek benut waar het mag en correcties voorkomt waar het niet mag. Twijfelt u of uw werkkamer aftrekbaar is? Leg uw situatie aan ons voor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.\

 

Zelfstandigenaftrek 2026: zo verlaagt u als ondernemer uw belastbare winst

Als onde rnemer betaalt u inkomstenbelasting over uw winst. Voldoet u aan een aantal voorwaarden, dan mag u een vast bedrag van die winst aftrekken voordat de belasting wordt berekend. Dat is de zelfstandigenaftrek. In 2026 is het bedrag lager dan u van vroeger gewend bent, want de aftrek wordt al jaren stap voor stap afgebouwd. Toch blijft het de moeite waard, zeker voor starters. In dit artikel leest u wat de zelfstandigenaftrek in 2026 inhoudt, wanneer u er recht op heeft, hoeveel de aftrek bedraagt en wat u praktisch moet regelen om hem veilig te benutten.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een vast bedrag dat u als ondernemer van uw winst mag aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager, en dus betaalt u minder inkomstenbelasting. De aftrek hoort bij de ondernemersaftrek, een verzamelnaam voor fiscale voordelen die alleen voor ondernemers gelden. De zelfstandigenaftrek is niet afhankelijk van de hoogte van uw winst: het is een vast bedrag, geen percentage.

Wie heeft recht op de zelfstandigenaftrek?

De aftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Werknemers, freelancers zonder onderneming en directeuren-grootaandeelhouders van een bv hebben er geen recht op.

De belangrijkste voorwaarde is het urencriterium. U moet in het jaar minimaal 1.225 uur aan uw onderneming besteden (zie figuur 1). Kunt u dat niet aannemelijk maken, dan vervalt de aftrek. Houd daarom een goede urenadministratie bij. Had u aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan krijgt u de volledige aftrek. Bent u bij het begin van het jaar al AOW-gerechtigd, dan is de aftrek de helft.

Figuur 1: het urencriterium van 1.225 uur per jaar bepaalt of u recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

Hoeveel bedraagt de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek 1.200 euro. Voor wie bij het begin van het jaar al de AOW-leeftijd heeft, is dit de helft: 600 euro. De aftrek werkt tegen maximaal het tarief van de tweede schijf, dat in 2026 37,56 procent bedraagt. Bij het volledige bedrag levert de aftrek dus ongeveer 451 euro belastingvoordeel op.

Situatie (2026) Bedrag Maximaal voordeel
Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd) 1.200 euro circa 451 euro
Zelfstandigenaftrek (AOW-leeftijd bereikt) 600 euro circa 225 euro
Startersaftrek (extra, zie hierna) 2.123 euro circa 797 euro

De startersaftrek: extra voordeel in de eerste jaren

Bent u een startende ondernemer, dan krijgt u boven op de zelfstandigenaftrek een extra bedrag: de startersaftrek van 2.123 euro in 2026. U bent starter als u in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer was en in die periode niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek heeft gehad. U kunt de startersaftrek daardoor maximaal drie keer krijgen, meestal in uw eerste drie jaar. Samen met de zelfstandigenaftrek trekt u dan 3.323 euro af.

De startersaftrek kent nog een voordeel. Anders dan de gewone zelfstandigenaftrek mag u de aftrek als starter drie jaar lang ook verrekenen met ander inkomen in box 1, zoals loon uit een dienstverband. Zo profiteert u ook als uw onderneming nog weinig winst maakt.

Wat gebeurt er als uw winst te laag is?

De zelfstandigenaftrek kan niet hoger zijn dan uw winst. Maakt u te weinig winst, dan blijft een deel van de aftrek onbenut. Dat deel gaat niet verloren: het heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en u mag het in de volgende negen jaar alsnog van de winst aftrekken. Laat dit onbenutte deel per beschikking door de Belastingdienst vaststellen, zodat het doorschuiven later niet ter discussie staat. Let op: dit winstplafond geldt niet voor de startersaftrek.

Rekenvoorbeeld

Tom start in 2026 een klusbedrijf. Hij haalt het urencriterium en maakt 20.000 euro winst. Als starter trekt hij de zelfstandigenaftrek van 1.200 euro en de startersaftrek van 2.123 euro af, samen 3.323 euro (zie figuur 2). Zijn belastbare winst daalt daardoor naar 16.677 euro. Daarna wordt over de resterende winst ook nog de MKB-winstvrijstelling berekend, waardoor zijn belastbare winst verder daalt.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van starter Tom. Door 3.323 euro aftrek daalt zijn belastbare winst van 20.000 naar 16.677 euro.

Let op: wijziging vanaf 2027

Het kabinet heeft aangekondigd de startersaftrek per 1 januari 2027 te schrappen, zonder overgangsregeling. Voor het belastingjaar 2026 geldt de startersaftrek van 2.123 euro nog wel. Start u nu, dan kunt u er in 2026 dus nog van profiteren. De gewone zelfstandigenaftrek daalt naar verwachting verder na 2026.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Urenadministratie bijhouden. Noteer het hele jaar door uw gewerkte uren, zodat u de 1.225 uur van het urencriterium kunt aantonen.
  • Starterstatus toetsen. Ga na of u in de afgelopen vijf jaar geen ondernemer was en de aftrek hooguit twee keer had; alleen dan heeft u recht op de startersaftrek.
  • Aftrek claimen in de aangifte. Vermeld de zelfstandigenaftrek en eventuele startersaftrek in uw aangifte inkomstenbelasting.
  • Onbenut deel laten vaststellen. Is uw winst lager dan de aftrek, vraag dan een beschikking niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek aan om het bedrag negen jaar te kunnen doorschuiven.
  • Startersaftrek benutten in 2026. De startersaftrek vervalt naar verwachting per 2027; gebruik hem zolang het nog kan.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de zelfstandigenaftrek in 2026?

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 1.200 euro. Heeft u bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd bereikt, dan is het de helft: 600 euro.

Wat is het verschil tussen zelfstandigenaftrek en startersaftrek?

De zelfstandigenaftrek krijgt elke ondernemer die aan het urencriterium voldoet. De startersaftrek is een extra bedrag van 2.123 euro dat u in uw eerste jaren als starter boven op de zelfstandigenaftrek krijgt, maximaal drie keer.

Moet ik het urencriterium halen voor de zelfstandigenaftrek?

Ja. U moet minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteden en dat aannemelijk kunnen maken. Zonder het urencriterium heeft u geen recht op de aftrek.

Wat als mijn winst lager is dan de aftrek?

Dan kunt u de aftrek niet volledig benutten. Het onbenutte deel heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en mag u in de volgende negen jaar alsnog aftrekken. Voor starters geldt bovendien dat zij de aftrek drie jaar met ander box 1-inkomen mogen verrekenen.

Verdwijnt de startersaftrek?

Het kabinet wil de startersaftrek per 1 januari 2027 afschaffen. In 2026 kunt u de startersaftrek nog toepassen als u aan de voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of u aan het urencriterium en de starterseisen voldoet, berekent uw voordeel en zorgt dat de zelfstandigenaftrek en startersaftrek correct in uw aangifte terechtkomen. Ook helpen wij bij het vastleggen van een onbenut deel via een beschikking, zodat u niets laat liggen. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit de ondernemersaftrek haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Jaarruimte 2026: zo bouwt u met lijfrente fiscaal voordelig pensioen op

Bouwt u als ondernemer, dga of werknemer weinig of geen pensioen op? Dan loopt u waarschijnlijk fiscaal voordeel mis. De belastingdienst geeft u namelijk ruimte om zelf een oudedagsvoorziening op te bouwen met een lijfrente, en die inleg mag u van uw inkomen aftrekken. Hoeveel u mag aftrekken, heet de jaarruimte. Uw jaarruimte 2026 bedraagt in beginsel 30% van uw inkomen, na aftrek van een vast basisbedrag. Hebt u de afgelopen jaren ruimte laten liggen, dan kunt u die vaak alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In dit artikel leest u wat de jaarruimte precies is, welke bedragen en grenzen in 2026 gelden, hoe u de aftrek benut en welke valkuilen u moet vermijden.

Wat is de jaarruimte en waarom bestaat deze?

De overheid wil dat iedereen ongeveer evenveel fiscaal voordeel kan krijgen voor zijn oudedag. Bouwt u via een werkgever pensioen op, dan gebeurt dat belastingvrij. Bouwt u te weinig op, dan mag u het verschil zelf aanvullen met een lijfrente: een geblokkeerde oudedagsvoorziening bij een verzekeraar of bank die later in vaste termijnen wordt uitgekeerd. De premie die u stort, mag u van uw inkomen aftrekken, maar alleen tot een maximum. Dat maximum is de jaarruimte.

De achterliggende gedachte is een pensioentekort. Alleen wie te weinig oudedag opbouwt, krijgt ruimte om dat fiscaal aan te vullen. Levert de berekening een positief bedrag op, dan is er per definitie een tekort en mag u premie aftrekken. Bouwt u al volledig pensioen op, dan is er weinig of geen ruimte.

Voor wie is de jaarruimte interessant?

De jaarruimte is relevant voor iedereen met inkomen in box 1 die te weinig pensioen opbouwt. In de praktijk gaat het vooral om ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap die zelf geen pensioen opbouwen. Ook dga’s en werknemers met een beperkte pensioenregeling hebben vaak ruimte, net als mensen die net een baan zonder pensioen hebben of die na de verkoop of staking van hun onderneming een oudedagsvoorziening willen opbouwen.

Let op: de ruimte is strikt persoonlijk. U kunt uw eigen niet-gebruikte ruimte niet aan uw partner overdragen. Voor de bv zelf geldt de regeling niet; die valt onder de loon- en vennootschapsbelasting.

Hoe berekent u uw jaarruimte 2026?

De hoofdregel voor 2026 is: 30% van de premiegrondslag, verminderd met wat u al aan pensioen hebt opgebouwd. De premiegrondslag is uw inkomen van vorig jaar (winst voor ondernemersaftrek, loon, freelance-resultaat en periodieke uitkeringen). Dat inkomen telt mee tot een plafond van 137.800 euro en wordt verminderd met een vrijgesteld basisbedrag, de AOW-franchise, van 19.172 euro. De maximale premiegrondslag komt daarmee op 118.628 euro, en de maximale jaarruimte voor 2026 op ongeveer 35.589 euro voordat uw pensioenopbouw ervan af gaat. In figuur 1 ziet u die berekening stap voor stap, uitgewerkt voor een winst van 60.000 euro.

  Figuur 1: Van inkomen naar jaarruimte 2026 in vier stappen. Bij 60.000 euro inkomen en geen pensioenopbouw via een werkgever blijft 12.248 euro aftrekbare ruimte over.

De vermindering wegens pensioenopbouw heet de imputatie. Die zorgt ervoor dat u niet dubbel voordeel krijgt: wat u al via een werkgever opbouwt, gaat van uw ruimte af. De gegevens hiervoor (de factor A of de ingelegde premies) vindt u op uw Uniform Pensioenoverzicht (UPO). De Belastingdienst biedt een online rekenhulp waarmee u uw jaarruimte kunt berekenen.

Wat is de reserveringsruimte?

Hebt u een jaar of meer niet uw volledige jaarruimte benut, dan gaat die ruimte niet automatisch verloren. U mag onbenutte ruimte van de afgelopen tien kalenderjaren alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In 2026 kunt u zo maximaal 42.753 euro extra inleggen en aftrekken, bovenop de gewone jaarruimte van dat jaar. Het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar en gebeurt op verzoek in uw aangifte. Vooral in een goed jaar, of in het jaar waarin u stopt met uw onderneming, kan dit een fors voordeel opleveren. Figuur 2 laat zien hoe onbenutte ruimte uit tien jaar zich optelt tot het bedrag dat u alsnog mag aftrekken.

Figuur 2: Onbenutte jaarruimte per jaar over 2016 tot en met 2025. In dit voorbeeld telt dat op tot 40.100 euro, net binnen het maximum van 42.753 euro voor 2026.

Hoeveel belasting bespaart u? Een rekenvoorbeeld

Een groot voordeel van de lijfrenteaftrek is dat deze niet wordt afgetopt. Anders dan bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en de ondernemersaftrek, die in de hoogste schijf tegen maximaal 37,56% aftrekbaar zijn, telt de lijfrentepremie mee tegen uw volledige tarief, tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dat een wezenlijk verschil.

Stel: een zzp’er had vorig jaar 60.000 euro winst en bouwt geen pensioen op. Haar premiegrondslag is 60.000 euro min de AOW-franchise van 19.172 euro, dus 40.828 euro. Haar jaarruimte is 30% daarvan, oftewel 12.248 euro. Stort zij dit bedrag op een lijfrenterekening, dan daalt haar belastbaar inkomen met 12.248 euro. Bij een tarief van 37,56% scheelt dat ruim 4.600 euro belasting nu. Over de uitkering betaalt zij later belasting, meestal tegen een lager tarief (zie figuur 3).

Figuur 3: Hetzelfde inkomen, twee keuzes. Wie de jaarruimte van 12.248 euro benut, betaalt bij een tarief van 37,56% ruim 4.600 euro minder belasting in het jaar van storting.

Welke lijfrentes zijn aftrekbaar en wanneer moet u betalen?

Toegelaten aanbieders en vormen

De premie is alleen aftrekbaar bij een toegelaten aanbieder. Dat is een verzekeraar of een geblokkeerde lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsonderneming (de zogenoemde bancaire lijfrente). Daarnaast moet de lijfrente een toegestane vorm hebben: een oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Bij die laatste mogen de termijnen niet meer bedragen dan 27.192 euro per jaar. Een polis of rekening die niet aan deze eisen voldoet, geeft geen recht op aftrek.

Betalen in het jaar zelf

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte geldt sinds 2011 geen terugwentelingstermijn meer. U moet de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Een premie die u pas in het nieuwe jaar betaalt, telt niet meer mee voor het afgelopen jaar. Alleen bij een lijfrente die u aankoopt met stakingswinst geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Stopt u met uw onderneming? Let op de stakingslijfrente

Zet u de winst uit de staking of verkoop van uw onderneming om in een lijfrente, dan gelden aparte, veel hogere maxima. Afhankelijk van uw leeftijd en situatie kunt u tot 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro omzetten, verminderd met eerder opgebouwde voorzieningen. Voor deze route geldt wel de terugwenteling van zes maanden. Omdat de bedragen en voorwaarden hier complex zijn, is advies vooraf verstandig.

Wat gebeurt er als u de lijfrente later afkoopt?

De premieaftrek is voorwaardelijk. Koopt u de lijfrente later af, verpandt u die, of gebruikt u die anders dan voor periodieke oudedagsuitkeringen, dan neemt de fiscus de eerder afgetrokken premies en het behaalde rendement terug. Dit bedrag wordt belast in box 1 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bovenop de belasting bent u dan in beginsel 20% revisierente verschuldigd, een soort boete voor het verkeerd gebruiken van de regeling.

Er zijn uitzonderingen. Over een klein lijfrentetegoed met een waarde tot 5.513 euro is geen revisierente verschuldigd, en bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag u vervroegd afkopen tot 51.440 euro per jaar zonder deze gevolgen. Ook geldt: voor zover u de premies aantoonbaar niet hebt afgetrokken, is geen revisierente verschuldigd. Een saldoverklaring van de Belastingdienst kan de grondslag dan verlagen. Bewaar daarom uw aangiften en betaalbewijzen goed.

De belangrijkste bedragen voor 2026 op een rij

Parameter Waarde 2026 Vindplaats
Opbouwpercentage jaarruimte 30% art. 3.127 lid 1
Aftoppingsgrens inkomen 137.800 euro art. 3.127 lid 3
AOW-franchise 19.172 euro art. 3.127 lid 3
Maximale premiegrondslag 118.628 euro afgeleid
Maximale jaarruimte (voor imputatie) ± 35.589 euro afgeleid
Maximale reserveringsruimte 42.753 euro art. 3.127 lid 2
Terugblikperiode reserveringsruimte 10 jaar art. 3.127 lid 2
Max. termijn tijdelijke oudedagslijfrente 27.192 euro per jaar art. 3.125
Afkoopgrens klein tegoed (geen revisierente) 5.513 euro art. 3.126a lid 5
Maximaal aftrektarief 49,50% art. 2.10
Revisierente bij afkoop in beginsel 20% art. 30i AWR

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw jaarruimte. Gebruik uw inkomen van vorig jaar en uw pensioenoverzicht (UPO), of de rekenhulp van de Belastingdienst.
  • Controleer de reserveringsruimte. Laat narekenen of u ruimte uit de afgelopen tien jaar alsnog kunt inhalen, tot 42.753 euro.
  • Kies een toegelaten product. Sluit de lijfrente af bij een erkende verzekeraar of bank, in een toegestane vorm.
  • Stort op tijd. Betaal de premie voor 31 december; voor de gewone ruimte is er geen terugwenteling.
  • Verwerk de aftrek in uw aangifte. Neem de premie op als aftrekpost en vraag de reserveringsruimte expliciet aan.
  • Bewaar uw stukken. Houd het UPO, de premiebevestiging en uw aangiften bij voor eventuele controle of een latere saldoverklaring.
  • Denk vooruit bij afkoop. Bespreek de gevolgen van afkoop of verpanding vooraf, om onverwachte belasting en 20% revisierente te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel jaarruimte heb ik in 2026?

Uw jaarruimte is in beginsel 30% van uw premiegrondslag (uw inkomen van vorig jaar, tot 137.800 euro, min de AOW-franchise van 19.172 euro), verminderd met uw pensioenopbouw. De maximale jaarruimte voor 2026 is ongeveer 35.589 euro. De exacte uitkomst hangt af van uw inkomen en uw pensioen.

Kan ik onbenutte ruimte van vorige jaren nog gebruiken?

Ja. Via de reserveringsruimte mag u niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar alsnog inhalen, in 2026 tot maximaal 42.753 euro. U vraagt dit aan in uw aangifte; het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar.

Tot wanneer moet ik de premie betalen?

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte moet u de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Er is geen terugwenteling meer. Alleen bij een stakingslijfrente geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Is lijfrentepremie tegen het hoogste tarief aftrekbaar?

Ja. Anders dan de hypotheekrente en de ondernemersaftrek wordt de lijfrentepremie niet afgetopt op 37,56%. U trekt de premie af tegen uw volledige tarief, in 2026 tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dit een belangrijk voordeel.

Wat kost het afkopen van een lijfrente?

Bij afkoop worden de eerder afgetrokken premies en het rendement teruggenomen en belast in box 1. Daarbovenop bent u in beginsel 20% revisierente verschuldigd. Uitzonderingen gelden voor een klein tegoed tot 5.513 euro en voor afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot 51.440 euro per jaar.

Kan mijn partner mijn jaarruimte gebruiken?

Nee. De jaarruimte is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar tussen partners. Alleen degene die de premie zelf verschuldigd is en betaalt, kan aftrekken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een lijfrente kan tienduizenden euro’s aan aftrek opleveren, maar de berekening luistert nauw: een vergeten imputatie of een te hoge premie leidt tot correcties, en een verkeerde afkoop tot 20% revisierente. Taxcount berekent uw jaar- en reserveringsruimte, controleert uw pensioengegevens en bepaalt hoeveel u fiscaal voordelig kunt inleggen. Ook bij een staking of verkoop van uw onderneming rekenen wij de aparte maxima voor u uit en begeleiden wij de aftrek in uw aangifte. Wilt u weten hoeveel ruimte u dit jaar hebt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen, dan weet u zeker dat u geen voordeel laat liggen en geen fouten maakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u voor uw eigen geval altijd door een adviseur voorlichten.

 

Herinvesteringsreserve: zo schuift u belasting over uw boekwinst door

 

Verkoopt u een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maakt u boekwinst en betaalt u daar normaal meteen belasting over. Wilt u opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuift u de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stelt u de belasting uit. In 2026 moet u dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel leest u hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat u de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als u een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet u die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trekt u de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor u er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat u duurzaam in uw bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die u als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat u de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. U verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boekt u de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijft u minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaalt u de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat u zelf uitkomt.

Figuur 1: u vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: u verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, u hebt het voornemen om te herinvesteren en u herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet u onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat u tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteert u ten onrechte niet en verwerkt u de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schendt u de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regelt u bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg uw plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat u het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat u uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

U moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin u de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doet u dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. U trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die u duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt uw voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount berekent uw boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in uw administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stelt u belasting uit zonder dat u een onverwachte vrijval riskeert. Overweegt u een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

MKB-winstvrijstelling 2026: de vaste korting die uw winst met 12,7% verlaagt

 

Als ondernemer betaalt u inkomstenbelasting over de winst van uw onderneming. Wat veel ondernemers niet beseffen, is dat een vast deel van die winst helemaal buiten de heffing blijft. Dat regelt de mkb-winstvrijstelling: in 2026 is 12,7% van uw winst vrijgesteld, nadat eerst de ondernemersaftrek van de winst is afgehaald. U hoeft er niets voor aan te vragen en u hoeft geen minimumaantal uren te werken. In dit artikel leest u wat de mkb-winstvrijstelling in 2026 inhoudt, voor wie zij geldt, hoe de berekening precies werkt en waar u op moet letten, ook in een jaar met verlies.

Wat is de mkb-winstvrijstelling?

De mkb-winstvrijstelling is een vaste korting op de winst van ondernemers. Zij is de allerlaatste stap voordat uw belastbare winst uit onderneming vaststaat. Van de winst die overblijft nadat u de ondernemersaftrek hebt toegepast, is 12,7% vrijgesteld. Over dat deel betaalt u geen inkomstenbelasting.

De vrijstelling werd in 2007 ingevoerd als tegenwicht voor de verlaging van de vennootschapsbelasting, om te voorkomen dat ondernemers massaal naar de bv zouden overstappen. Het is dus geen subsidie voor een bepaalde investering, maar een algemene verlaging van de belastbare winst die voor vrijwel elke ondernemer geldt.

Wie heeft recht op de mkb-winstvrijstelling?

De vrijstelling geldt voor iedereen die voor de inkomstenbelasting ondernemer is: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht de omvang of de sector. Sinds 2010 is er geen urencriterium meer, zodat ook parttime-ondernemers, ondernemers met een baan ernaast en starters ervan profiteren.

Een aantal groepen valt er buiten. Medegerechtigden, zoals een commanditaire (stille) vennoot, krijgen de vrijstelling niet. Ook resultaatgenieters (bijvoorbeeld freelancers met resultaat uit overige werkzaamheden) en terbeschikkingstellers (iemand die een pand aan de eigen bv verhuurt) hebben er geen recht op. Gewone werknemers en directeuren-grootaandeelhouders van een bv vallen er evenmin onder. De kernvraag is dus of u echt ondernemer bent; is dat het geval, dan volgt de vrijstelling vanzelf.

Hoe berekent u de mkb-winstvrijstelling?

De berekening gaat in twee stappen (zie figuur 1). Eerst neemt u de gezamenlijke winst uit al uw ondernemingen en haalt daar de ondernemersaftrek af. De ondernemersaftrek is de verzamelnaam voor aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Van het bedrag dat dan overblijft, is 12,7% vrijgesteld.

Figuur 1: de mkb-winstvrijstelling wordt in twee stappen berekend, na de ondernemersaftrek. Het percentage is de laatste jaren stap voor stap verlaagd tot 12,7% in 2026.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, u maakt in 2026 een winst van 60.000 euro en u hebt recht op 1.200 euro zelfstandigenaftrek. Eerst trekt u de aftrek af: 60.000 euro min 1.200 euro is 58.800 euro. Daarover past u de mkb-winstvrijstelling toe: 12,7% van 58.800 euro is afgerond 7.468 euro. Uw belastbare winst wordt dan 58.800 euro min 7.468 euro, dus 51.332 euro. U hoeft hiervoor niets aan te vragen; de vrijstelling wordt automatisch in uw aangifte verwerkt.

Figuur 2: in het voorbeeld krimpt de winst van 60.000 euro via de ondernemersaftrek en de vrijstelling tot een belastbare winst van 51.332 euro.

Kenmerk Waarde in 2026
Vrijstellingspercentage 12,7% van de winst
Grondslag winst na aftrek van de ondernemersaftrek
Urencriterium niet vereist (vervallen sinds 2010)
Toepassing automatisch, geen keuze of aanvraag
Maximaal aftrektarief in hoogste schijf 37,56%

 

Wat betekent de vrijstelling in een jaar met verlies?

De mkb-winstvrijstelling werkt in beide richtingen. Lijdt u verlies, dan verkleint de vrijstelling juist dat verlies met 12,7%. Bij een verlies van 10.000 euro blijft fiscaal 8.730 euro over om met andere jaren te verrekenen. Dat is bewust zo geregeld, omdat de vrijstelling feitelijk als een tariefmaatregel werkt. In een verliesjaar pakt zij dus nadelig uit, wat van belang is als u het verlies wilt verrekenen met winst uit andere jaren.

Waarom telt de vrijstelling niet altijd tegen het toptarief?

De vrijstelling verlaagt uw belastbare winst, maar zij verlaagt niet het tarief. Sinds 2020 wordt het tarief waartegen aftrekposten zoals deze vrijstelling meetellen stap voor stap afgebouwd. Valt uw inkomen in de hoogste schijf, dan telt de vrijstelling in 2026 mee tegen maximaal 37,56%, en niet tegen het toptarief van 49,50%. Voor ondernemers met een hoog inkomen ontstaat zo een verschil tussen het tarief van de winst en dat van de vrijstelling. Voor de meeste ondernemers speelt dit niet, omdat hun winst onder de bovengrens van de eerste schijf blijft.

Praktische checklist: dit regelt u rond de mkb-winstvrijstelling

  • Ondernemerschap vaststellen: controleer of u echt ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en niet slechts medegerechtigde, resultaatgenieter of terbeschikkingsteller. Alleen dan hebt u recht op de vrijstelling.
  • Volgorde bewaken: zorg dat eerst de ondernemersaftrek van de winst wordt afgehaald en pas daarna de 12,7% vrijstelling wordt berekend. De volgorde is dwingend en bepaalt de uitkomst.
  • Aangifte controleren: u hoeft niets aan te vragen, maar controleer wel dat de vrijstelling correct in uw aangifte staat.
  • Verliesjaren doorrekenen: houd er rekening mee dat de vrijstelling een verlies verkleint. Betrek dit in uw planning voor verliesverrekening.
  • Buitenlandse winst: hebt u buitenlandse winst waarvoor u voorkoming van dubbele belasting claimt, laat dan de berekening controleren; de vrijstelling werkt door in die aftrek.

Veelgestelde vragen

Moet ik het urencriterium halen voor de mkb-winstvrijstelling?

Nee. Sinds 2010 geldt er geen urencriterium meer voor de mkb-winstvrijstelling. Ook als u weinig uren in uw onderneming steekt, hebt u recht op de vrijstelling, zolang u ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

Hoeveel bedraagt de mkb-winstvrijstelling in 2026?

In 2026 is de vrijstelling 12,7% van de winst na aftrek van de ondernemersaftrek. In 2024 was dit nog 13,31% en het percentage is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd.

Moet ik de mkb-winstvrijstelling aanvragen?

Nee. De vrijstelling wordt automatisch toegepast in uw aangifte inkomstenbelasting. U hoeft geen keuze te maken en geen apart verzoek in te dienen.

Geldt de vrijstelling ook als ik verlies maak?

Ja, maar dan pakt zij nadelig uit. De vrijstelling verkleint uw verlies met 12,7%, waardoor u minder verlies overhoudt om met andere jaren te verrekenen.

Krijgt een dga ook de mkb-winstvrijstelling?

Nee. De vrijstelling geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een directeur-grootaandeelhouder werkt via een bv en valt onder de vennootschapsbelasting en box 2, en heeft daarom geen recht op de mkb-winstvrijstelling.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount controleert of u als ondernemer kwalificeert, berekent uw voordeel en zorgt dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling in de juiste volgorde en correct in uw aangifte terechtkomen. Ook denken wij met u mee over de gevolgen in verliesjaren en bij buitenlandse winst, zodat u geen voordeel laat liggen en geen onnodig risico loopt. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit de ondernemersregelingen haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling van uw situatie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook: