Verliesverrekening in 2026: zo voorkomt u dat waardevolle verliezen verdampen

Heeft uw onderneming in een of meer jaren verlies geleden? Dan is dat verlies geld waard, want via verliesverrekening trekt u het af van winst uit andere jaren. Toch kan zo’n verlies definitief verloren gaan: het kan verdampen. Dat gebeurt als een termijn verloopt of als het belang in uw bv sterk wijzigt. Daarnaast kan een winstlimiet de verrekening over meerdere jaren uitsmeren, waardoor u eerder belasting betaalt dan u verwacht. In dit artikel leest u hoe verliesverrekening in 2026 werkt in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, wanneer verdamping dreigt en hoe u uw verliezen op tijd veiligstelt.

Wat is verliesverrekening?

Maakt uw onderneming verlies, dan kan dat verlies de belasting in een ander jaar verlagen. Dat heet verliesverrekening. U trekt het verlies af van winst uit een eerder jaar (carry-back of achterwaartse verliesverrekening) of van winst uit latere jaren (carry-forward of voorwaartse verliesverrekening). Een verlies dat u nog niet hebt gebruikt, is dus een soort tegoedbon op toekomstige belasting. Verdamping betekent dat zo’n tegoedbon definitief vervalt voordat u hem hebt kunnen inwisselen.

De regels verschillen per belastingsoort. Voor de eenmanszaak en de vennootschap onder firma (vof) geldt de inkomstenbelasting. Voor de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv) geldt de vennootschapsbelasting, met een aparte valkuil bij een wijziging van de aandeelhouders.

Verliesverrekening in de inkomstenbelasting: drie jaar terug, negen jaar vooruit

In de inkomstenbelasting verrekent de Belastingdienst een verlies uit werk en woning eerst met de inkomens van de drie jaar daarvoor en daarna met de inkomens van de negen jaar daarna. Die volgorde is verplicht. Na die negen jaar is het verlies definitief weg. Voor 2026 betekent dit: een verlies uit 2017 dat nog openstaat, kunt u alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026. Daarna verdampt het (zie figuur 1).

Figuur 1: de negenjaarstermijn in de inkomstenbelasting: een verlies uit 2017 heeft in 2026 zijn laatste kans.

De rechter heeft bevestigd dat dit verval is toegestaan en dat een later afgegeven beschikking een al verdampt verlies niet laat herleven. Bewaak de termijn dus actief. Loopt een oud verlies bijna af, dan kan het lonen om winst naar voren te halen, bijvoorbeeld door kosten uit te stellen of een stille reserve (een waardestijging die nog niet in de boeken zichtbaar is) te realiseren.

Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting: een jaar terug, onbeperkt vooruit

In de vennootschapsbelasting gelden sinds 1 januari 2022 andere termijnen. Een verlies gaat eerst een jaar terug en daarna onbeperkt vooruit. Verdamping door tijdsverloop is daar dus grotendeels verdwenen. De onbeperkte termijn geldt voor verliezen vanaf 2022, en ook voor verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en die eind 2021 nog verrekenbaar waren. Verliezen uit oudere boekjaren vielen onder de oude termijn van negen jaar en zijn inmiddels vervallen.

Let op een belangrijke vormeis: uw bv kan een verlies alleen verrekenen als de Belastingdienst het heeft vastgesteld in een verliesbeschikking. Dat is een formeel besluit waarin de hoogte van het verlies staat. Controleer dus of elk verliesjaar zo’n beschikking heeft. Wilt u weten hoeveel verlies er nog openstaat, dan kunt u schriftelijk een totaaloverzicht van de verrekende en verrekenbare verliezen opvragen bij uw belastingkantoor. U ontvangt dat overzicht binnen zes weken. Figuur 2 zet de termijnen en de risico’s van de twee stelsels naast elkaar.

Figuur 2: verliesverrekening in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting naast elkaar (2026).

Wat is de temporisering?

Tegenover de onbeperkte termijn staat een rem op het bedrag. Per jaar mag uw bv een verlies maar verrekenen tot 1.000.000 euro, plus 50 procent van de winst boven 1.000.000 euro. Dat heet temporisering: de verrekening wordt over meerdere jaren uitgesmeerd. Is de belastbare winst 1.000.000 euro of lager, dan merkt u hier niets van.

Maakt uw bv bijvoorbeeld 2.200.000 euro winst, dan is de verrekenruimte 1.000.000 euro plus 50 procent van 1.200.000 euro, samen 1.600.000 euro (zie figuur 3). Over de resterende 600.000 euro betaalt de bv dit jaar belasting, ook al staan er nog verliezen open. Die verliezen gaan niet verloren; u benut ze in latere jaren. De temporisering kost dus geen verlies, maar wel liquiditeit: uw bv betaalt eerder belasting dan u misschien verwacht.

Figuur 3: de temporiseringsgrens van 1.000.000 euro in 2026.

De grootste valkuil: artikel 20a bij een belangenwijziging

De grootste verdampingsval in de vennootschapsbelasting is artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting. Dat artikel is bedoeld tegen de handel in verlieslichamen: het opkopen van een bv alleen vanwege haar verrekenbare verliezen. Het artikel raakt in de praktijk echter ook gewone bedrijfsoverdrachten en investeringsrondes.

Wanneer vervallen verliezen door een belangenwijziging?

Wijzigt het uiteindelijke belang in uw bv voor 30 procent of meer, dan zijn de verliezen van voor die wijziging niet meer voorwaarts verrekenbaar. Met het uiteindelijke belang wordt bedoeld wie er economisch gezien achter de aandelen zit; ook wijzigingen in zeggenschap en winstverdeling tellen mee. Denk aan de verkoop van aandelen, het toetreden van een nieuwe investeerder of een herstructurering. De Belastingdienst vergelijkt de situatie met het begin van het oudste jaar waarvan het verlies nog openstaat.

In het jaar van de belangenwijziging wordt het resultaat gesplitst in de periode voor en de periode na de wijziging. Ook de andere richting kan geraakt worden: een verlies van na de wijziging kan niet worden teruggewenteld naar winst van voor de wijziging als de werkzaamheden voor 90 procent of meer zijn gestaakt en de bezittingen grotendeels uit beleggingen bestaan.

Welke uitzonderingen gelden er?

De verliesverrekening blijft in drie situaties gewoon in stand. Ten eerste als de wijziging voortvloeit uit erfrecht of huwelijksvermogensrecht, bijvoorbeeld bij overlijden van een aandeelhouder. Ten tweede als degene die het belang uitbreidt aan het begin van het oudste verliesjaar al minimaal een derde van het belang had. Ten derde als de bv niet wist en ook niet kon weten dat het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer is gewijzigd, wat kan spelen bij beursgenoteerde aandelen of een belegger op afstand.

De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets

Valt de wijziging niet onder een uitzondering, dan kan uw bv de verliezen toch behouden als zij aan drie toetsen voldoet. De beleggingstoets: de bezittingen van de bv mogen in het verliesjaar en in het winstjaar niet langer dan drie maanden voor meer dan de helft uit beleggingen bestaan. De werkzaamhedentoets: de activiteiten zijn direct voor de wijziging niet gekrompen tot minder dan 30 procent van de activiteiten aan het begin van het oudste verliesjaar. De intentietoets: er bestaat op het moment van de wijziging geen voornemen om de activiteiten binnen drie jaar alsnog onder die 30 procent te laten zakken.

Haalt de bv wel de beleggingstoets, maar niet de werkzaamhedentoets of de intentietoets, dan is er nog een tussenweg: de oude verliezen blijven dan verrekenbaar met winst uit de werkzaamheden die worden voortgezet (zie figuur 4).

Figuur 4: de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets van artikel 20a.

Zekerheid vooraf en de step-up

Twijfelt u of de verliezen behouden blijven, dan kunt u de Belastingdienst vooraf om een beschikking vragen. U weet dan zeker waar u aan toe bent voordat de aandelen wisselen. Vervallen de verliezen toch, dan biedt de wet een verzachting die in de praktijk step-up heet. Vlak voor het vervalmoment mag de bv de boekwaarden van haar bezittingen (de waarde waarvoor ze in de administratie staan) verhogen tot de werkelijke waarde, en mag zij een herinvesteringsreserve (een uitgestelde belastingpot voor de verkoopwinst op bedrijfsmiddelen) in de winst opnemen. Zo ontstaat er nog winst waar de vervallende verliezen tegenover staan, en benut de bv het verlies alsnog. Figuur 5 vat de hele route van artikel 20a samen in een beslisboom.

Figuur 5: beslisboom artikel 20a: blijven de oude verliezen verrekenbaar?

Rekenvoorbeeld: wat staat er op het spel?

Het volgende voorbeeld laat zien hoeveel er bij een belangenwijziging op het spel staat. De bedragen gelden voor het belastingjaar 2026 (zie figuur 6).

Figuur 6: verliezen behouden tegenover verliezen die verdampen (bedragen 2026).

De situatie

Uw bv heeft 3.000.000 euro aan vastgestelde, nog niet verrekende verliezen. De bv maakt inmiddels weer winst. Een investeerder wil instappen en neemt een belang van meer dan 30 procent over.

Scenario A: verliezen behouden

De bv drijft nog een echte onderneming en de activiteiten blijven op peil. De beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets worden gehaald, en de bv vraagt vooraf zekerheid aan de Belastingdienst. De verliezen van 3.000.000 euro blijven daardoor verrekenbaar. Tegen het hoge tarief van de vennootschapsbelasting van 25,8 procent in 2026 is dat een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro.

Scenario B: verliezen verdampen

Er wordt geen aandacht besteed aan artikel 20a. Het belang wijzigt met meer dan 30 procent en de toetsen worden niet gehaald. De verliezen van 3.000.000 euro vervallen voorgoed. Uw bv loopt daardoor een belastingbesparing van maximaal 774.000 euro mis.

De conclusie: door bij een belangenwijziging op tijd artikel 20a te toetsen en de toetsen te onderbouwen, voorkomt u dat uw bv 3.000.000 euro aan verliezen en tot 774.000 euro aan belastingbesparing kwijtraakt.

Praktische checklist: zo voorkomt u verdamping

Verdamping is onomkeerbaar: een verloren verlies komt niet terug. Voorkomen is dus de enige route. Let op de volgende punten:

  • Controleer of elk verliesjaar van uw bv bij beschikking is vastgesteld; zonder beschikking is er geen verrekenbaar verlies.
  • Een verlies in de inkomstenbelasting verdampt na negen jaar; een verlies uit 2017 kunt u alleen nog met uw inkomen over 2026 verrekenen.
  • Vraag bij twijfel het totaaloverzicht van verrekenbare verliezen schriftelijk op bij uw belastingkantoor.
  • Artikel 20a. Toets bij elke voorgenomen wijziging in de aandeelhouders vooraf of oude verliezen dreigen te vervallen.
  • Documenteer de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets, en vraag zo nodig vooraf een beschikking aan.
  • Verwacht uw bv winst boven 1.000.000 euro, houd er dan rekening mee dat u niet alles in een keer kunt verrekenen.
  • Step-up. Dreigt verval toch, benut dan voor het vervalmoment de mogelijkheid om boekwaarden op te hogen en het verlies alsnog te gelde te maken.

Veelgestelde vragen

Wanneer verdampt een verlies in de inkomstenbelasting?

Na negen jaar. Een verlies uit werk en woning gaat eerst drie jaar terug en daarna negen jaar vooruit. Een verlies uit 2017 kunt u dus alleen nog verrekenen met uw inkomen over 2026; daarna is het definitief weg.

Kunnen verliezen in de vennootschapsbelasting nog verdampen door tijdsverloop?

Vrijwel niet meer. Verliezen vanaf 2022, en oudere verliezen uit boekjaren die op of na 1 januari 2013 zijn begonnen en eind 2021 nog openstonden, zijn onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. De echte risico’s zitten nu in de belangenwijziging van artikel 20a en in het ontbreken van een verliesbeschikking.

Wat is een verliesbeschikking en waarom is die belangrijk?

Een verliesbeschikking is het formele besluit van de Belastingdienst waarin de hoogte van een verlies wordt vastgesteld. In de vennootschapsbelasting kan uw bv een verlies alleen verrekenen als er zo’n beschikking is. Controleer dit dus per verliesjaar.

Raakt u verliezen kwijt als u uw bv verkoopt?

Dat kan. Wijzigt het uiteindelijke belang voor 30 procent of meer, dan vervallen de oude verliezen, tenzij een uitzondering geldt of de bv de beleggingstoets, de werkzaamhedentoets en de intentietoets haalt. Laat dit voor de verkoop toetsen; achteraf repareren kan niet.

Kunt u een verlies alvast verrekenen zonder de definitieve aanslag af te wachten?

Ja. U kunt bij de aangifte over het verliesjaar schriftelijk om voorlopige verliesverrekening vragen. De Belastingdienst verrekent dan alvast maximaal 80 procent van het aangegeven verlies met de winst van het vorige jaar. Voorwaarde is onder meer dat de aanslag over dat vorige jaar definitief vaststaat.

Geldt de temporisering ook bij een winst tot 1.000.000 euro?

Nee. Is de belastbare winst van uw bv 1.000.000 euro of lager, dan kunt u verliezen verrekenen tot maximaal het bedrag van die winst. De rem van 50 procent speelt alleen bij het deel van de winst boven 1.000.000 euro.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount brengt uw verliespositie in kaart, controleert of alle verliezen bij beschikking zijn vastgesteld en bewaakt de termijnen. Bij een voorgenomen verkoop, investeringsronde of herstructurering beoordelen wij vooraf of uw verliezen onder artikel 20a vervallen. Wij onderbouwen de toetsen, vragen waar nodig zekerheid vooraf bij de Belastingdienst en zetten bij dreigend verval een step-up in. Wilt u voorkomen dat waardevolle verliezen in 2026 verdampen? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en regels kunnen wijzigen. Wat in uw situatie geldt, hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Neem voor advies op maat contact op met Taxcount.

Zie ook:

Boete van de Belastingdienst: wanneer u een verzuimboete of een vergrijpboete krijgt en hoe u zich verweert

Een boete van de Belastingdienst verrast zelden over de reden, maar bijna altijd over de hoogte. Een aangifte voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die te laat binnenkomt kost 82 euro, terwijl een te late betaling 3 procent van het bedrag kost met een minimum van 50 euro. Bij een correctie achteraf is het uitgangspunt 25 of 50 procent van de belasting, en de wet laat tot 100 procent toe. Dat verschil komt doordat er twee soorten boetes bestaan: bij de verzuimboete maakt het niet uit of u er iets aan kon doen, bij de vergrijpboete moet de Belastingdienst bewijzen dat u het bewust of zwaar onzorgvuldig verkeerd deed. In dit artikel leest u de bedragen en percentages van 2026, welke verweren werken, welke termijnen u moet bewaken en wat u nu al kunt vastleggen. Tot slot ziet u wanneer niet alleen uw onderneming, maar ook u persoonlijk of uw boekhouder een boete kan krijgen.

Welke twee soorten boetes kan de Belastingdienst opleggen?

De Belastingdienst kan zelf een boete opleggen, zonder dat daar een rechter aan te pas komt. Dat gebeurt door de inspecteur, de ambtenaar die uw aanslag vaststelt. De boete is een aparte beschikking, een op zichzelf staand besluit. Staat zij op hetzelfde aanslagbiljet als de aanslag, dan hoort zij voor bezwaar en beroep wel bij die aanslag: één bezwaarschrift is dan genoeg.

De verzuimboete is de lichte boete. Die volgt vrijwel automatisch als een aangifte te laat is of een bedrag te laat is betaald. Of u er iets aan kon doen, doet in beginsel niet mee: de Belastingdienst hoeft geen schuld te bewijzen. Het bekendste verweer heet afwezigheid van alle schuld: als u aannemelijk maakt dat u alles hebt gedaan wat redelijkerwijs van u te vergen was, kan de boete vervallen. Er zijn ook andere routes, zoals een ontbrekende aanmaning, alsnog indienen binnen zeven dagen of matiging omdat de boete niet in verhouding staat.

De vergrijpboete is de zware boete. Die mag alleen als de inspecteur bewijst dat er opzet of grove schuld in het spel was. Opzet betekent dat u wist dat het fout ging, of dat u de aanmerkelijke kans daarop bewust hebt aanvaard. Grove schuld is minder: zo onzorgvuldig dat het daar bijna op neerkomt, en duidelijk meer dan een vergissing. De inspecteur moet dat overtuigend aantonen, een zwaardere bewijseis dan het gewone aannemelijk maken, en bij twijfel valt de zaak in uw voordeel uit.

Dat onderscheid bepaalt bijna alles wat daarna komt: de hoogte van de boete, de procedure die de Belastingdienst moet volgen en de verweren die u kunt inbrengen. De eerste vraag bij elke boetebrief is daarom of het woord opzet of grove schuld erin staat. Figuur 1 zet de twee soorten naast elkaar.

     Figuur 1: verzuimboete of vergrijpboete? De eerste vraag bij elke boetebrief is of het woord opzet of grove schuld erin staat.

Hoe hoog is een verzuimboete in 2026?

Voor de hoogte moet u eerst weten met welk soort belasting u te maken hebt. Bij een aangiftebelasting berekent u zelf wat u moet betalen en betaalt u dat met de aangifte mee: btw en loonheffingen zijn de bekendste voorbeelden. Bij een aanslagbelasting doet u aangifte en stuurt de Belastingdienst daarna een aanslag: inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, erfbelasting en schenkbelasting werken zo. De boetes lopen tussen die twee groepen sterk uiteen.

Btw en loonheffingen: een lage boete voor de aangifte, een hoge boete voor de betaling

Komt uw btw-aangifte niet of te laat binnen, dan is de boete 82 euro. Bij de aangifte loonheffingen is dat 83 euro. Die bedragen lijken mild, en dat zijn ze ook: het wettelijk maximum is 165 euro voor de btw en 1.675 euro voor de loonaangifte, en dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als iemand het herhaaldelijk laat afweten.

De betaling is een tweede, zelfstandig verzuim. Betaalt u de btw of de loonheffing niet, niet volledig of te laat, dan is de boete 3 procent van het te laat betaalde bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro. Blijkt het verzuim pas nadat de Belastingdienst uw aangifte inhoudelijk heeft getoetst, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, een controle van uw administratie, dan gaat dat percentage volgens het boetebeleid naar 10 procent van de belasting die u in dat kalenderjaar of boekjaar te laat betaalde, met hetzelfde maximum.

Dat verschil is geen slordigheid van de wetgever. Bij deze belastingen is de aangifte vooral een begeleidend briefje bij de betaling, en om het geld gaat het. Wie de aangifte vergeet maar wel betaalt komt er dus goedkoop van af; wie de aangifte netjes indient maar niet betaalt niet.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting: er komt eerst een aanmaning

Bij een jaaraangifte kan de boete niet uit de lucht vallen. De Belastingdienst stuurt eerst een herinnering en daarna een aanmaning, de laatste schriftelijke waarschuwing met een nieuwe termijn. Pas als u die termijn ook laat verstrijken, mag de boete volgen. Ontbreekt de aanmaning, of bereikte die u of uw adviseur te laat, dan kan dat de hele boete kosten.

Doet u geen of te late aangifte inkomstenbelasting, erfbelasting of schenkbelasting, dan is de boete 469 euro. Voor de vennootschapsbelasting begint de boete veel hoger: 3.354 euro. In beide gevallen kan de boete bij herhaald verzuim oplopen tot het wettelijk maximum van 6.709 euro, maar dat maximum is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen: het beleid laat de standaardboete niet met het aantal eerdere verzuimen meelopen.

Bij de jaaraangifte bestaat geen regeling die de boete laat vervallen als u alsnog snel indient. Alsnog aangifte doen helpt wel, maar dan als grond om de boete te verlagen en niet om hem weg te nemen.

Vergeten om een aangifte te vragen kost apart geld

Krijgt u geen uitnodiging tot het doen van aangifte terwijl u wel belasting verschuldigd bent, dan moet u er zelf om vragen. Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt daarvoor een termijn van zes maanden na het moment waarop de belastingschuld is ontstaan, voor de erfbelasting de aangiftetermijn van twintig maanden na het overlijden bij een overlijden vanaf 1 januari 2026, en acht maanden bij een overlijden in 2025 of eerder en voor de schenkbelasting twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin u de schenking kreeg of deed. Doet u dat niet op tijd, dan is de boete 3.354 euro. De Belastingdienst legt die boete niet op als u binnen twee weken na die termijn alsnog om een aangifte vraagt.

Een aanslag te laat betalen

Betaalt u een aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting niet, niet volledig of te laat, dan kunt u een betaalverzuimboete krijgen van 5 procent van het openstaande bedrag, met een minimum van 50 euro en een maximum van 6.709 euro per keer. Die boete volgt niet automatisch: volgens de wetsgeschiedenis wordt zij niet in een massaal proces opgelegd, maar in individuele gevallen van belastingschuldigen die stelselmatig niet of te laat betalen, en dan doorgaans bij bedragen van tienduizenden euro’s. Wordt de aanslag later verlaagd, dan gaat de boete evenredig mee omlaag, tot dat minimum van 50 euro. Deze boete komt van de ontvanger, de ambtenaar die belastingschulden invordert, en niet van de inspecteur. Vindt u dat u te veel hebt betaald over een oud jaar, dan is de route van een teruggaaf over oude jaren een andere; daarover leest u meer in ons artikel over het terugvragen van te veel betaalde belasting.

Het patroon achter al die bedragen is eenvoudig. Bij de aangiftebelastingen is de boete voor de aangifte laag en die voor de betaling hoog; bij de jaaraangiften is het precies omgekeerd, want daar is de aangifte zelf het punt. Figuur 2 zet de acht situaties met hun standaardbedrag en hun wettelijk maximum naast elkaar. De bedragen die de Belastingdienst standaard oplegt komen uit haar eigen boetebeleid; de wet noemt alleen de maxima. Dat beleid kan wijzigen, en de inspecteur mag in uw geval lager uitkomen.

Figuur 2: de standaardbedragen en de wettelijke maxima van de verzuimboetes in 2026, per soort belasting.

Deze bedragen gelden voor beboetbare feiten in 2026. Voor een oud jaar geldt het maximum dat toen gold: de verhoging naar 6.709 euro per 1 januari 2025 werkt niet terug. Wordt een regeling ná uw fout juist gunstiger, dan geldt omgekeerd de voor u gunstigste versie.

Wat gebeurt er als u zeven dagen te laat bent?

Bij de btw en de loonheffingen kent het boetebeleid een coulancetermijn: een respijtperiode van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Voor de aangifte is die termijn eenvoudig. Is uw aangifte binnen die zeven dagen alsnog binnen, dan krijgt u geen boete.

Voor de betaling werkt dezelfde termijn juist andersom, en dat is de meest onderschatte val in het hele boeterecht. Betaalt u binnen die zeven dagen alsnog, dan krijgt u alleen géén boete als u de vórige aangifte volledig en op tijd betaalde. Was u de vorige keer te laat of betaalde u toen niet alles, dan volgt nu wél een boete van 3 procent met een minimum van 50 euro. Bij tijdstipbelastingen, belastingen die per gebeurtenis worden geheven in plaats van per maand of kwartaal, kijkt de Belastingdienst daarvoor niet naar het vorige tijdvak maar naar het afgelopen jaar.

Betaalt u een deel binnen en een deel na die zeven dagen, dan rekent de Belastingdienst de boete over het hele te late bedrag en niet alleen over het deel dat echt laat was. Dat verklaart waarom twee ondernemers die beide een paar dagen te laat zijn, de ene keer niets en de andere keer 50 euro of meer betalen. Figuur 3 laat de twee sporen zien.

Figuur 3: de coulancetermijn van zeven dagen pakt bij de aangifte anders uit dan bij de betaling.

Hoe hoog is een vergrijpboete?

Een vergrijpboete is geen vast bedrag maar een percentage van de belasting die door uw opzet of grove schuld niet is geheven of niet is betaald. De wet stelt het maximum op 100 procent van dat bedrag, en voor niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen zelfs op 300 procent. Binnen dat maximum werkt de Belastingdienst met vaste uitgangspunten uit haar eigen boetebeleid, het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Bij grove schuld is de boete 25 procent van de te weinig geheven belasting, bij opzet 50 procent. Gaat het om inkomen uit sparen en beleggen dat u niet of onjuist hebt aangegeven, dan noemt de Belastingdienst hogere uitgangspunten: 75 procent bij grove schuld en 150 procent bij opzet. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of een straf, of wijst de inspecteur op listigheid, valsheid of samenspanning, dan mag de boete naar 100 procent, en bij inkomen uit sparen en beleggen naar 300 procent. Een boete die later is vernietigd telt niet mee als eerdere boete, en verzachtende omstandigheden werken de andere kant op.

Naast die percentages bestaat een eigen regel voor het herstellen van een oude btw-fout. Meldt u een te lage btw-afdracht niet, niet op tijd of niet op de voorgeschreven manier, dan kan de boete daarvoor bij opzet of grove schuld oplopen tot 100 procent van de belasting die daardoor niet zou zijn geheven. Hoe die melding werkt, leest u in ons artikel over het herstellen van een fout in een eerdere btw-aangifte.

De uitgangspunten voor de vergrijpboete in 2026:

Verwijt Gewone situatie Sparen en beleggen
Grove schuld 25 procent 75 procent
Opzet 50 procent 150 procent
Verhoging bij herhaling binnen vijf jaar voor dezelfde belasting, of bij listigheid, valsheid of samenspanning 100 procent 300 procent

De percentages in deze tabel zijn uitgangspunten uit het boetebeleid. De wet stelt het maximum op 100 procent van de belasting, en bij niet aangegeven inkomen uit sparen en beleggen op 300 procent.

Rekenvoorbeeld: dezelfde omzet, vier uitkomsten

Stel dat u over het eerste kwartaal 20.000 euro omzet niet in uw btw-aangifte hebt opgenomen. De niet aangegeven btw daarover is 4.200 euro. De Belastingdienst legt een naheffingsaanslag op, een extra aanslag voor btw of loonheffing die te weinig is betaald.

Ziet de inspecteur hierin alleen een betaalverzuim zonder verder verwijt, dan is de boete 10 procent van de belasting die u dat jaar te laat betaalde, hier dus 420 euro, omdat het verzuim pas bij een inhoudelijke controle bleek. Vindt hij dat u grof onzorgvuldig was, bijvoorbeeld omdat u een hele reeks facturen niet in uw administratie hebt opgenomen, dan is de boete 25 procent van 4.200 euro, dus 1.050 euro. Kan hij overtuigend aantonen dat u die omzet bewust buiten de aangifte hield, dan is de boete 50 procent, dus 2.100 euro. Kreeg u in de vijf jaar daarvoor voor de btw al een vergrijpboete, dan kan hij naar 100 procent, dus 4.200 euro.

De belasting van 4.200 euro betaalt u in alle vier de gevallen. Daar komt ook nog belastingrente bij, die geen boete is maar een vergoeding voor het late betalen; hoe u die beperkt, leest u in ons artikel over belastingrente voorkomen. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: dezelfde niet aangegeven btw van 4.200 euro levert vier verschillende boetes op.

De boete mag alleen over de verwijtbare correcties

Een fout die in de praktijk vaak wordt gemaakt, zit in de grondslag. Bevat een naheffing of een navordering, een extra aanslag over een jaar dat al was afgerond, tien correcties en zijn er maar drie waarvan de inspecteur zegt dat u ze bewust verkeerd deed, dan mag hij de boete niet over het hele bedrag berekenen. Hij moet de mate van verwijtbaarheid per correctie vaststellen en de boete berekenen over het deel van de belasting dat naar evenredigheid aan die verwijtbare correcties is toe te rekenen. Leg de correcties in de aanslag daarom altijd naast de grondslag van de boete.

Eén waarschuwing voor een kleine groep ondernemingen. Valt uw onderneming onder de minimumbelasting voor grote groepen, of onder de meldplichten voor platforms en aanbieders van cryptodiensten, dan gelden sinds 2026 veel hogere maxima: 1.100.000 euro, en bij de minimumbelasting afhankelijk van de verplichting 1.100.000 of 27.500 euro. Voor de minimumbelasting loopt een tijdelijke vrijstelling van verzuimboetes af op 31 oktober 2026. Laat die termijnen apart bewaken.

Iets vergelijkbaars geldt als de Belastingdienst uw belastingschuld heeft geschat omdat uw administratie of aangifte onvolledig was. Die schatting, met omkering van de bewijslast waardoor u zelf moet aantonen dat de aanslag te hoog is, mag wel de grondslag van de boete vormen. Maar de rechter moet dan wel beoordelen of de boete gelet op alle omstandigheden nog een passende en geboden sanctie is, en dat doet hij ook zonder dat u erom vraagt.

Zes verweren tegen een boete van de Belastingdienst

Een boete staat niet vast omdat er een bedrag op papier staat. Deze zes verweren komen in de praktijk het meest voor, in de volgorde waarin u ze het beste onderzoekt.

1. U had geen enkele schuld

Lag de oorzaak buiten uw invloed en hebt u wel alle zorg betracht die redelijkerwijs van u kon worden gevraagd, dan kan een verzuimboete geheel vervallen. De Hoge Raad besliste dat een ondernemer die zijn bank tijdig opdracht gaf te betalen formeel in verzuim is als de bank blundert, maar dat hij zich wel op afwezigheid van alle schuld kan beroepen. U moet dat zelf aanvoeren en bij tegenspraak aannemelijk maken, dus met stukken: de betaalopdracht, de datum ervan en het rekeningafschrift waaruit blijkt dat er genoeg saldo stond.

Aan de andere kant is in hofrechtspraak aangenomen dat betalen op de laatste dag geldt als het bewust aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven; de Hoge Raad heeft dat niet als algemene regel geformuleerd. In een gepubliceerde zaak was een opdracht van ruim een week vóór de uiterste betaaldatum voldoende, maar dat was een oordeel over die zaak en geen algemene vuistregel. Wees ook realistisch: was u zelf te laat, zonder oorzaak buiten uw invloed, dan slaagt dit verweer zelden.

2. Uw standpunt was verdedigbaar

Berustte uw aangifte op een standpunt waarvoor goede argumenten bestonden, dan is een vergrijpboete niet mogelijk. Dat heet een pleitbaar standpunt: naar objectieve maatstaven kon en mocht u op het moment van de aangifte redelijkerwijs menen dat uw uitleg juist was. Dat u van de rechter uiteindelijk ongelijk krijgt over de belasting zelf, doet daar niets aan af.

Dit is het sterkste verweer dat er is, en wel om twee redenen. De toets is volledig geobjectiveerd, dus het maakt niet uit of u die uitleg destijds ook echt voor ogen had, en de rechter hoeft daarvoor geen ingewonnen adviezen te lezen. Bovendien sluit een pleitbaar standpunt ook het opzet uit dat voor strafvervolging nodig is. Eén beperking is belangrijk: juridisch neemt een pleitbaar standpunt de opzet of grove schuld weg en dus de vergrijpboete, maar in beginsel niet de verzuimboete voor een te late aangifte of betaling. In haar eigen boetebeleid behandelt de Belastingdienst beide gevallen wel gelijk: bij een pleitbaar standpunt legt de inspecteur geen boete op, en blijkt de pleitbaarheid pas in de bezwaarfase, dan vernietigt hij haar. Dat is beleid en geen wet, dus vraag er uitdrukkelijk om.

Wettelijk hoeft u hier niets te bewijzen: de rechter beoordeelt objectief of uw standpunt verdedigbaar was, ook zonder uw eigen adviezen te lezen. Praktisch helpt vastleggen wel, omdat de discussie dan veel korter is. Bewaar daarom bij elk afwijkend of discutabel standpunt een korte onderbouwing met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de vakliteratuur waarop u zich baseerde.

3. De fout lag bij uw adviseur

Opzet of grove schuld van uw adviseur wordt niet aan u toegerekend. Dat de inspecteur kan aantonen dat uw boekhouder of belastingadviseur bewust fout zat, is dus niet genoeg voor een vergrijpboete bij u. Hij moet uw eigen opzet of grove schuld bewijzen, en het enkele feit dat u een adviseur inschakelde die de fout maakte levert dat bewijs niet op.

Er is wel een route waarlangs u zelf een verwijt kunt treffen: in de keuze van uw adviseur en in de manier waarop u met hem samenwerkte. Hebt u stukken niet aangeleverd of vragen niet beantwoord, dan kan dat u worden aangerekend. Ook daarvoor liggen de stelplicht en de bewijslast echter bij de inspecteur, en wat redelijk is verschilt per geval naar uw kennis en ervaring. Leg toch vast welke informatie u aan uw adviseur gaf en welke vragen hij stelde: dat maakt het voor de inspecteur veel moeilijker om zo’n verwijt te onderbouwen.

4. De Belastingdienst volgde de procedure niet

Bij een vergrijpboete schrijft het boetebeleid een zwaardere procedure voor, ongeacht de hoogte van de boete; voor een verzuimboete geldt die zwaardere procedure nooit, ook niet bij een hoog bedrag. De inspecteur moet u schriftelijk laten weten dat hij een vergrijpboete wil opleggen en welke gronden hij daarvoor heeft. Dat is de kennisgeving. U krijgt daarna een redelijke termijn om die gronden te betwisten, en wilt u dat mondeling doen, dan moet u worden gehoord. Blijkt uit uw verweer dat de gronden onvoldoende aanknopingspunten voor opzet of grove schuld bieden, dan moet de vergrijpboete achterwege blijven; een verzuimboete kan dan nog wel volgen.

Rond een gesprek gelden twee mededelingsplichten. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet worden gezegd dat u niet hoeft te antwoorden. Dat is de cautie. En sinds een uitspraak van de Hoge Raad uit 2024 moet u ook worden gewezen op uw recht op bijstand van een raadsman, en dat hoeft geen advocaat te zijn: vereist is alleen dat iemand op een effectieve manier juridische bijstand kan geven, en mogelijk kan ook een belastingadviseur dat zijn.

Ontbreekt zo’n mededeling, dan is de boete niet automatisch van tafel. De rechter beoordeelt of het proces als geheel eerlijk was en of u werkelijk nadeel hebt geleden. Was uw adviseur bij het gesprek aanwezig, dan weegt dat mee en blijven de verklaringen vaak toch bruikbaar. Toch kan één te vroeg gestelde vraag de hele vergrijpboete kosten: in een zaak die na verwijzing bij het hof terugkwam werd één verklaring van vóór de cautie uitgesloten, waardoor de inspecteur het opzet niet meer bewees.

Let ten slotte op wat u wel moet beantwoorden. Vragen over de hoogte van uw inkomen of omzet moet u beantwoorden, want die gaan over de heffing. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. En u hebt recht op inzage in het dossier waarop de boete berust, inclusief de stukken die in uw voordeel werken.

5. De zaak duurde te lang

Een boetezaak moet binnen een redelijke termijn worden afgedaan. Het uitgangspunt is dat de behandeling in eerste aanleg, de bezwaarfase daaronder begrepen, binnen twee jaar is afgerond, en dat het gerechtshof binnen twee jaar na het hoger beroep uitspraak doet. Die termijn begint op het moment waarop de Belastingdienst iets doet waaraan u in redelijkheid de verwachting kunt ontlenen dat er een boete komt; in de praktijk is dat de kennisgeving. Noteer die datum dus.

Duurt het langer, dan moet de boete omlaag. De rechter onderzoekt dat in beginsel ook zonder dat u erom vraagt, maar wacht daar niet op: in cassatie kunt u er niet voor het eerst over klagen. Voor een overschrijding in de cassatiefase geldt als regel een vermindering van 10 procent. Herstel van een gebrek in uw bezwaarschrift, waarvoor doorgaans vier weken worden gegund, en een eerste uitstel van de zitting zijn geen bijzondere omstandigheden die de termijn oprekken. Los daarvan geldt vanaf de dagtekening van een boeterapport een beslistermijn van dertien weken. Dat is een termijn van orde: overschrijding laat de bevoegdheid om te beboeten intact, maar kan wel meewegen bij de hoogte. Figuur 5 zet de momenten en termijnen van een boetezaak op een tijdlijn.

Figuur 5: de tijdlijn van een boetezaak, met de momenten en termijnen die u moet noteren.

6. De boete staat niet in verhouding

Ook zonder dat u helemaal geen schuld had, kan de boete te hoog zijn. Het boetebeleid noemt als redenen om te matigen een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete, verzachtende omstandigheden en uw financiële omstandigheden. Daarbij maakt het beleid onderscheid tussen een slechte financiële positie op het moment van de boete, die de boete onevenredig kan maken, en een slechte positie ten tijde van de fout, die het verwijt kan verminderen.

Bij een vergrijpboete toetst de rechter volledig aan het evenredigheidsbeginsel en mag hij zijn eigen oordeel over de hoogte in de plaats stellen van dat van de inspecteur. Hoger dan de inspecteur oplegde mag hij nooit uitkomen. Of hij een verzuimboete net zo streng toetst, en of uw persoonlijke omstandigheden daarbij meetellen, is in de rechtspraak nog niet uitgekristalliseerd; in de praktijk zijn verzuimboetes wel verlaagd en soms tot nihil teruggebracht.

Voor verzuimboetes in de vennootschapsbelasting noemt een beleidsmemo van de staatssecretaris vier matigingsgronden: een termijnoverschrijding van maximaal tien dagen, een eerste verzuim, een kleine vennootschap die vergelijkbaar is met een eenmanszaak, en een slechte financiële positie. Daarbuiten hebben rechters ook meegewogen dat een ondernemer meedoet aan horizontaal toezicht, een werkafspraak met de Belastingdienst over de kwaliteit van uw aangiften, of dat hij zijn achterstanden alsnog volledig heeft weggewerkt; dat zijn losse uitspraken en geen vaste regel. Bij verzuimboetes wordt alleen met matigende omstandigheden gerekend, maar er is een aandachtspunt: bij niet afgedragen loonbelasting of niet voldane btw weegt mee dat het om zakelijk geld gaat dat niet van u was, en dan is er niet snel reden om te matigen.

De inspecteur moet de verzwarende en de matigende omstandigheden overigens zelf tegen elkaar afwegen, en bij een duidelijke wanverhouding hoort hij de boete op eigen initiatief te verlagen. Reken daar niet op. De verzwarende omstandigheden moet hij stellen en bewijzen, maar de matigende omstandigheden moet u zelf aanvoeren en onderbouwen.

Loont het om de fout zelf te melden?

Meestal wel, maar de regels verschillen sterk per belasting. Voor de aanslagbelastingen, dus de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de erfbelasting en de schenkbelasting, bestaat de inkeerregeling: doet u binnen twee jaar alsnog een juiste en volledige aangifte, dan wordt geen vergrijpboete opgelegd. Doet u dat later, dan blijft de boete bestaan maar wordt zij gematigd. Let goed op wat de regeling niet doet: zij haalt alleen de vergrijpboete weg. Een verzuimboete voor een te late aangifte blijft staan, want te laat blijft te laat. Wanneer die twee jaar precies begint te lopen is bij een te late aangifte niet in alle gevallen duidelijk, dus laat de startdatum in uw situatie vaststellen.

In alle gevallen geldt de voorwaarde dat u meldt vóórdat u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst de fout al op het spoor is. Dat is een objectieve toets: bepalend is niet wat u dacht, maar of er nog een serieuze mogelijkheid bestond dat de Belastingdienst het niet zou achterhalen. Wat zo’n serieuze mogelijkheid precies is, staat niet vast; is er publiciteit geweest over een verzoek van de Belastingdienst aan banken om klantgegevens, dan kan de deur al dicht zijn. Wordt betwist of u tijdig was, dan is dat gunstig geregeld: het boetebeleid legt de bewijslast bij de inspecteur, die aannemelijk moet maken dat er géén vrijwillige inkeer was, en u kunt zich op die beleidsregel beroepen.

Vier beperkingen maken die deur smaller dan hij lijkt. Ten eerste geldt de regeling alleen voor de twee zware boetes bij aanslagbelastingen en niet voor verzuimboetes. Ten tweede geldt zij niet voor inkomen uit sparen en beleggen en sinds 2020 ook niet meer voor inkomen uit aanmerkelijk belang, dus voor winst uit een pakket van vijf procent of meer van de aandelen in uw eigen bv; juist voor verzwegen vermogen werkt de regeling dus niet. Ten derde is de tijdigheidstoets objectief, zodat uw eigen inschatting niet meetelt. En ten vierde werkt de inkeer alleen persoonlijk: een adviseur die zelf als deelnemer wordt beboet, profiteert er niet van, tenzij hij de inkeer zelf heeft bevorderd.

Voor de btw en de loonheffingen loopt het anders. Daar bestaat de inkeerregeling formeel niet, maar het boetebeleid komt in de buurt: meldt u een te lage afdracht uit eigen beweging voordat de Belastingdienst ervan wist, dan legt de inspecteur geen betaalverzuimboete op, en bij een tijdige melding ook geen vergrijpboete. U moet dat wel uitdrukkelijk kenbaar maken. Voor de btw geldt daarbij dat een correctie tot en met 1.000 euro in de eerstvolgende aangifte mag, dat u boven dat bedrag het suppletieformulier moet gebruiken, het formulier waarmee u een eerdere btw-aangifte corrigeert, en dat de melding sinds 1 januari 2025 binnen acht weken moet nadat u de fout ontdekt. Komt de Belastingdienst er eerder achter, dan kunt u niet meer boetevrij corrigeren.

Eén ding dat u moet weten voordat u meldt: een melding waarmee u een eigen fout herstelt, mag niet als bewijs voor een boete tegen u worden gebruikt. Die melding bestaat immers alleen doordat u haar doet. De plicht om te melden blijft bestaan, en op het niet melden staat wel een boete, maar de inhoud van uw eigen melding mag niet tegen u worden gekeerd. Dat verlaagt de drempel om te melden aanzienlijk.

Kunnen uw bestuurder, uw boekhouder of u persoonlijk een boete krijgen?

Ja, en dat is voor een besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv) een apart risico. Een boete aan de vennootschap sluit niet uit dat de bestuurder daarnaast persoonlijk wordt aangepakt als opdrachtgever of als feitelijk leidinggever, degene die in de praktijk de leiding had over de verboden gedraging. Dat de bestuurder tevens enig aandeelhouder is, verandert daar niets aan; het kan wel meewegen bij de straftoemeting. Daarnaast kan een bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor de vergrijpboete van de bv, maar alleen voor zover hem zelf opzet of grove schuld kan worden verweten.

Ook uw adviseur of boekhouder kan zelf een boete krijgen, als medepleger, iemand die de overtreding samen met een ander begaat, als opdrachtgever, als feitelijk leidinggever of in een van de andere deelnemersvormen. Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking nodig waarbij zijn bijdrage van voldoende gewicht is, en de inspecteur moet dat overtuigend aantonen. Ontbreekt bij de onderneming zelf het vereiste opzet, bijvoorbeeld omdat zij op haar adviseur mocht vertrouwen, dan kan er geen medeplegersboete zijn: zonder pleger geen medepleger. De inspecteur kan dan nog wel een van de andere deelnemersvormen inzetten.

Voor zo’n boete aan een ander dan de belastingplichtige gelden twee waarborgen die het opvragen waard zijn. Er is voorafgaande toestemming binnen de Belastingdienst nodig, en degene die de boete krijgt kan zich op dat vereiste beroepen: ontbreekt de toestemming of is zij op een zo onzorgvuldige manier tot stand gekomen dat de waarborg niet is geboden, dan moet daaraan in de regel gevolg worden verbonden, tot en met vernietiging van de boete. En de termijnen zijn anders: de bevoegdheid vervalt na drie jaar bij een verzuim en na vijf jaar bij een vergrijp, gerekend vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding plaatsvond. Wordt bij de onderneming de verlengde termijn van twaalf jaar gebruikt, dan geldt die sinds 1 januari 2025 ook voor de deelnemer.

Twee dingen werken in het voordeel van de deelnemer. Uitstel voor het doen van aangifte, een extra half jaar voor onderzoek naar de schuldvraag en een informatiebeschikking rekken de termijn voor de onderneming zelf wel op, maar volgens de Belastingdienst niet voor de deelnemer. En medeplichtigheid aan een verzuim is helemaal niet beboetbaar; bij een vergrijp ligt het maximum voor de medeplichtige een derde lager, ook voor de standaardpercentages uit het beleid.

Voor beroepsbeoefenaars komt er nog iets bij: een boete wegens medeplegen kan sinds 2020 openbaar worden gemaakt. In de parlementaire behandeling is opgemerkt dat het om enkele gevallen per jaar gaat, maar de reputatieschade is voor een kantoor van een andere orde dan het bedrag. Figuur 6 laat zien wie er naast de onderneming zelf in beeld kan komen.

Figuur 6: naast de onderneming kunnen ook de bestuurder en de adviseur zelf worden beboet.

Wanneer wordt het strafrecht?

Bij dezelfde gedraging kan de Belastingdienst kiezen: een bestuurlijke boete of aanmelding voor strafrechtelijke vervolging. Beide voor hetzelfde feit tegen dezelfde persoon mag in beginsel niet. Is tegen u een strafvervolging ingesteld en is de zitting begonnen, of heeft het Openbaar Ministerie een strafbeschikking uitgevaardigd, een straf zonder tussenkomst van een rechter, dan volgt geen bestuurlijke boete meer. En is er al een boete opgelegd, dan kunt u voor hetzelfde feit in beginsel niet opnieuw in rechte worden betrokken.

De keuze wordt gemaakt volgens een protocol. Een zaak wordt aangemeld bij een nadeel van 100.000 euro of meer met een vermoeden van opzet, of bij een lager nadeel als er behalve dat vermoeden ook een aanvullend wegingscriterium is; een ondergrens bestaat niet. Intern moet een ambtenaar een vermoeden van een strafbaar feit al melden bij een nadeel van 20.000 euro. Reken er niet op dat een beroep op die drempels slaagt: de Hoge Raad liet in 2023 een vervolging in stand bij een nadeel van ongeveer 8.400 euro, omdat de zaak onder een thematische aanpak viel.

De strafmaxima geven een indicatie van hoe zwaar de wetgever de verschillende feiten weegt. Op het opzettelijk niet of niet op tijd doen van aangifte staat maximaal vier jaar gevangenisstraf, op het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte maximaal zes jaar. Daarnaast is het opzettelijk niet betalen van btw of loonheffing sinds 2014 zelfstandig strafbaar.

Bij die laatste bepaling zit een strafuitsluitingsgrond die in de praktijk goud waard is. Wie vóór het einde van de betalingstermijn om uitstel van betaling verzoekt, is niet strafbaar. Volgens de parlementaire geschiedenis maakt het niet uit of dat verzoek wordt toegewezen, en volgens de procureur-generaal worden aan de vorm van het verzoek geen eisen gesteld. Of dat ook opgaat als een verzoek duidelijk oneigenlijk is, is nog niet uitgemaakt. Voor een bv of een andere rechtspersoon bestaat een tweede route: onverwijld melden dat de onderneming niet kan betalen, de melding betalingsonmacht. Die tweede route bestaat niet voor een eenmanszaak, omdat de wet daar alleen over een lichaam spreekt. Heeft uw onderneming liquiditeitsproblemen, dan is een tijdig uitstelverzoek dus het eerste wat moet gebeuren.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Termijnen toewijzen. Leg vast wie in uw organisatie de aangiften controleert en verstuurt, en wat er gebeurt als een termijn dreigt te verlopen. Dit is de enige echte preventie tegen verzuimboetes.
  • Betaalbewijzen bewaren. Bewaar betaalopdrachten met datum en de bijbehorende rekeningafschriften. Zonder die stukken is een beroep op afwezigheid van alle schuld niet hard te maken. Bewaar bij btw en loonheffingen ook bewijs van tijdige indiening, want die bewijslast ligt in beginsel bij u.
  • Niet op de laatste dag betalen. Betalen op de uiterste datum geldt als het aanvaarden van het risico dat het bedrag te laat wordt bijgeschreven. Zorg voor een marge van enkele dagen en voor voldoende saldo.
  • Standpunten onderbouwen. Bewaar bij elk discutabel fiscaal standpunt een korte memo met de wettekst, de wetsgeschiedenis of de literatuur waarop u zich baseert. Dat is later het bewijs voor een pleitbaar standpunt.
  • Vastleggen wat de adviseur kreeg. Houd bij welke informatie u aanleverde en welke vragen zijn gesteld. Dat blokkeert het verwijt dat u in de samenwerking met uw adviseur onzorgvuldig was.
  • Niets verklaren zonder bijstand. Stuur elke aankondiging van een boete direct naar uw adviseur en laat niemand een verklaring afleggen voordat op het zwijgrecht en op het recht op bijstand is gewezen.
  • Data noteren. Registreer de datum van de kennisgeving, de dagtekening van het boeterapport (de datum die op het rapport zelf staat), de boetebeschikking en elke uitspraak. Dat is de basis voor elk verweer over termijnen.
  • Dossier opvragen. Vraag inzage in de gegevens waarop de boete berust. Dat dossier moet ook stukken bevatten die in uw voordeel werken.
  • Bij betalingsproblemen eerst uitstel vragen. Doe dat vóórdat de betalingstermijn verstrijkt, en meld bij een bv daarnaast betalingsonmacht. Dat sluit strafvervolging voor het opzettelijk niet betalen uit. De verzuimboete of vergrijpboete zelf voorkomt het niet.

Veelgestelde vragen

Krijgt u een boete als u uw btw-aangifte één dag te laat indient?

Nee. Voor de aangifte geldt een coulancetermijn van zeven kalenderdagen na de uiterste datum. Komt uw aangifte daarbinnen alsnog, dan krijgt u geen boete. Voor de betaling is dat anders: daar helpt die zeven dagen alleen als u de vorige aangifte volledig en op tijd betaalde. Let op dat deze coulancetermijn niet bestaat bij de jaaraangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.

Kunt u bezwaar maken tegen een boete?

Ja. De boete is een aparte beslissing waartegen u bezwaar kunt maken, ook als zij op hetzelfde papier staat als de aanslag. Staan de aanslag en de boete op één aanslagbiljet, dan wordt de boetebeschikking voor bezwaar en beroep geacht deel uit te maken van de aanslag. Voer in het bezwaar altijd zelf de matigende omstandigheden aan en onderbouw ze, want de bewijslast daarvan ligt bij u.

Moet u alle vragen van de Belastingdienst over een boete beantwoorden?

Nee. Vragen die over de belastingheffing gaan, zoals hoeveel omzet of inkomen u had, moet u beantwoorden. Vragen die alleen over de schuldvraag gaan, hoeft u niet te beantwoorden. Voordat u wordt ondervraagd met het oog op een boete, moet u daarop worden gewezen.

Gaat de boete omlaag als de aanslag later wordt verlaagd?

Ja. Wordt de belasting die de grondslag van de boete vormt verminderd, dan wordt de boete naar evenredigheid verlaagd. Het beleid schrijft voor dat dit zo nodig gebeurt zonder dat u erom vraagt. Controleer dat wel zelf, en let er bij een betaalverzuimboete over een aanslag op dat de verlaging niet onder het minimum van 50 euro gaat.

Hoe lang kan de Belastingdienst nog met een boete komen?

Dat verschilt per situatie. Voor een te late btw- of loonaangifte vervalt de bevoegdheid een jaar na het einde van de aangiftetermijn. Voor een betaalverzuim en voor de vergrijpboete bij aangiftebelastingen is dat vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond. Bij aanslagbelastingen loopt de boete in de regel mee met de termijn waarbinnen de aanslag kan worden opgelegd.

Telt een boete uit het verleden mee als u opnieuw te laat bent?

Ja, op twee manieren. Bij een verzuimboete kijkt de Belastingdienst naar het voorafgaande tijdvak en naar de vraag of u stelselmatig in verzuim bent; volgens interne werkinstructies begint dat bij het vierde verzuim op rij, en dan kan de boete tot het wettelijk maximum oplopen. Bij een vergrijpboete mag verhoging wegens herhaling alleen als u in de vijf jaar daarvoor voor dezelfde belasting al een vergrijpboete of straf kreeg; een boete die later is vernietigd telt daarvoor niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een boetezaak wordt zelden gewonnen op het bedrag en bijna altijd op het dossier en de data. Wij lezen de boetebrief naast het controlerapport en de aanslag, stellen vast om welke soort boete het gaat en of de inspecteur de juiste procedure heeft gevolgd, en zetten de termijnen op een rij: de kennisgeving, de dagtekening van het rapport en de duur van de behandeling. Vervolgens beoordelen wij welke verweren in uw situatie kans maken, van afwezigheid van alle schuld en een pleitbaar standpunt tot matiging wegens draagkracht, en maken wij die met stukken hard.

Even belangrijk is het werk vóór een boete. Wij richten de termijnbewaking in, leggen vast wie welke aangifte controleert en zorgen dat afwijkende standpunten bij de aangifte zijn onderbouwd. Bij een fout uit een eerder jaar begeleiden wij de melding zo dat u boetevrij herstelt in plaats van een vergrijpboete uit te lokken.

Hebt u een boete ontvangen, of wilt u weten of uw aangiftepraktijk een boeterisico oplevert? Neem contact met ons op en laat uw situatie beoordelen. Bij een boete geldt dat haast helpt: reageer op een kennisgeving voordat de termijn verstrijkt en laat niemand verklaringen afleggen voordat u zich hebt laten bijstaan.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen, drempels en beleidsregels kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van de feiten en van uw persoonlijke omstandigheden. Laat uw situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat u handelt of afziet van handelen.

Belastingrente voorkomen: zo betaalt u in 2026 geen rente over uw belastingaanslag

U doet netjes aangifte, u betaalt wat u moet betalen, en toch staat onderaan de aanslag nog een extra bedrag: belastingrente. Bij een bijbetaling van enkele tienduizenden euro’s loopt dat al snel op tot duizenden euro’s. Het vervelende is dat die kosten in veel gevallen niet nodig waren. Belastingrente voorkomen kan namelijk met één administratieve handeling: op tijd aangifte doen, of vóór 1 mei zelf om een voorlopige aanslag vragen. In dit artikel leest u wanneer de renteteller gaat lopen, welk percentage in 2026 geldt, hoe u de rente op nul houdt en wat u nog kunt doen als de rente al is berekend.

Wat is belastingrente precies?

Belastingrente is geen boete. Het is een vergoeding voor de tijd die zit tussen het moment waarop uw belastingschuld ontstaat en het moment waarop de Belastingdienst die schuld met een aanslag vaststelt. Een aanslag is de brief waarin de Belastingdienst vaststelt hoeveel belasting u over een jaar moet betalen. Duurt dat vaststellen lang omdat u laat aangifte doet, dan rekent de Belastingdienst rente. Duurt het lang doordat de Belastingdienst zelf traag is, dan vergoedt hij juist rente aan u.

De rente wordt enkelvoudig berekend. Dat betekent dat er alleen rente over het belastingbedrag zelf wordt gerekend, en dus geen rente over eerder berekende rente. De Hoge Raad heeft meermalen bevestigd dat belastingrente geen straf is. U krijgt er dus geen boete bij, maar de kosten zijn wel echt.

In dit artikel komen vier soorten aanslagen langs. Een voorlopige aanslag is een tussentijdse aanslag op basis van een schatting. Een definitieve aanslag stelt de belasting over het jaar echt vast. Een navorderingsaanslag is een extra aanslag achteraf, als blijkt dat er te weinig belasting is geheven. Een naheffingsaanslag is de variant daarvan bij belastingen die u zelf aangeeft en betaalt, zoals de btw (belasting over de toegevoegde waarde) en de loonheffing.

Hoeveel belastingrente betaalt u in 2026?

Vanaf 1 januari 2026 bedraagt de belastingrente 5 procent, voor alle belastingen. Dat was niet altijd zo. Voor de vennootschapsbelasting gold jarenlang een hoger percentage, in 2026 zou dat 7,5 procent zijn geweest. De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat dat hogere percentage niet mag worden toegepast en dat voor de vennootschapsbelasting hetzelfde percentage moet gelden als voor de andere belastingen. Het verhoogde percentage blijft daardoor buiten toepassing. De Belastingdienst heeft zijn gepubliceerde overzicht van percentages daarop aangepast voor de jaren vanaf 2022.

Figuur 1 zet de percentages van de afgelopen jaren op een rij. Van oktober 2020 tot en met december 2021 gold 4 procent voor alle belastingen, ook voor de vennootschapsbelasting. Van januari 2022 tot en met juni 2023 bleef dat 4 procent, waarna het opliep naar 6 procent in de tweede helft van 2023, 7,5 procent in heel 2024 en 6,5 procent in heel 2025. Vanaf 1 januari 2026 is het 5 procent. Voor de vennootschapsbelasting zou zonder het arrest een hoger percentage hebben gegolden: 8 procent in 2022 en 2023, 10 procent in 2024, 9 procent in 2025 en 7,5 procent in 2026. Die verhoogde percentages zijn buiten toepassing verklaard en staan in de figuur als gestippelde balken.

     Figuur 1: de belastingrente per periode. De gestippelde balken tonen het hogere percentage dat voor de vennootschapsbelasting zou hebben gegolden zonder het arrest van 16 januari 2026.

Heeft uw bv (besloten vennootschap) sinds oktober 2020 een aanslag vennootschapsbelasting gekregen waarop belastingrente stond, en is daar tijdig bezwaar tegen gemaakt? Dan valt dat bezwaar onder de regeling massaal bezwaar, waarbij één rechtsvraag uit heel veel bezwaren collectief wordt uitgeprocedeerd. Op 25 februari 2026 zijn die bezwaren gegrond verklaard. De rentebeschikkingen worden binnen zes maanden na de kennisgeving verlaagd. De bezwaren over de inkomstenbelasting zijn juist ongegrond verklaard, omdat het reguliere percentage wel in stand blijft.

Is er destijds geen bezwaar gemaakt, dan valt uw rentebeschikking buiten die collectieve uitspraak. In dat geval kunt u de Belastingdienst nog vragen de rentebeschikking alsnog te verlagen met een verzoek om ambtshalve vermindering, een verzoek om een aanslag aan te passen buiten de bezwaartermijn om. Laat vooraf beoordelen of dat in uw geval kans maakt.

Wanneer gaat de renteteller lopen?

Het startmoment verschilt per belasting. Dat verschil is groter dan de meeste ondernemers denken en het bepaalt hoeveel tijd u heeft om in te grijpen. Figuur 2 zet de drie startmomenten naast elkaar.

Figuur 2: de drie startmomenten van de renteteller. Bij btw en loonheffing loopt de rente al vanaf 1 januari na het jaar, bij inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting pas vanaf 1 juli, en bij erfbelasting pas twintig maanden na het overlijden.

Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting: de eerste zes maanden zijn renteloos

Bij de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting begint de rente pas te lopen zes maanden na het einde van het belastingjaar. Loopt uw boekjaar gelijk met het kalenderjaar, dan is dat 1 juli van het volgende jaar. Over het jaar 2026 gaat de teller dus op 1 juli 2027 lopen. Die eerste zes maanden zijn gratis en geven u ruimte om uw cijfers rond te krijgen.

Btw en loonheffing: de teller loopt al vanaf 1 januari

Bij de belastingen die u zelf aangeeft en betaalt gelden strengere regels. Voor onder meer de btw, de loonheffing, de dividendbelasting, de overdrachtsbelasting en de accijns geldt geen renteloze periode van zes maanden. De rente loopt daar al vanaf de dag na het einde van het jaar, dus vanaf 1 januari.

Er is wel een uitweg, en die is belangrijk. Meldt u een fout binnen drie maanden na het einde van het jaar met een suppletie of een correctiebericht, dan wordt geen rente gerekend. Een suppletie is de verplichte herstelmelding waarmee u fouten in eerdere btw-aangiften corrigeert; een correctiebericht is de vergelijkbare correctie op een eerdere loonaangifte. Bij een kalenderjaar betekent dat: insturen vóór 1 april. Betaalt u te laat maar wel binnen die drie maanden, dan geldt hetzelfde. Meldt u het later, dan stopt de renteteller uiterlijk tien weken nadat de Belastingdienst uw melding heeft ontvangen, maar alleen als de naheffingsaanslag precies uw melding volgt. Legt de Belastingdienst er uit eigen beweging nog een bedrag bovenop, dan geldt die rentestop daarvoor niet. En voor de btw geldt hij voorlopig helemaal nog niet.

Erfbelasting: twintig maanden na het overlijden

Bij de erfbelasting begint de rente te lopen twintig maanden na het overlijden. Die termijn geldt voor overlijdens in 2026 en later; bij een overlijden in 2025 of eerder was het acht maanden. Doet u binnen die termijn aangifte of vraagt u binnen die termijn om een aanslag, dan betaalt u geen rente. Belangrijk om te weten: bij de erfbelasting vergoedt de Belastingdienst nooit rente aan u, ook niet als hij zelf traag is. Voor de schenkbelasting geldt overigens helemaal geen belastingrente.

Zo voorkomt u belastingrente helemaal

Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting biedt de wet twee routes om de rente op precies nul te houden. U hoeft er maar één van te bewandelen. Figuur 3 laat in vier vragen zien waar u uitkomt.

Figuur 3: de beslisboom. Was uw aangifte op tijd binnen en volgde de aanslag die aangifte exact, dan betaalt u niets. Was de aangifte te laat, dan redt een tijdig verzoek om een voorlopige aanslag u alsnog.

Route 1: dien uw aangifte op tijd in

Is uw aangifte inkomstenbelasting vóór 1 mei na het jaar bij de Belastingdienst binnen, of uw aangifte vennootschapsbelasting vóór de eerste dag van de zesde maand na uw boekjaar, en legt de Belastingdienst de aanslag op zoals u die heeft aangegeven? Loopt uw boekjaar gelijk met het kalenderjaar, dan is die tweede datum 1 juni. Dan wordt geen belastingrente in rekening gebracht. Voor de aangifte over 2026 betekent dat dus: uiterlijk 30 april 2027 bij de inkomstenbelasting en uiterlijk 31 mei 2027 bij de vennootschapsbelasting.

Route 2: vraag vóór 1 mei om een voorlopige aanslag

Lukt de aangifte niet op tijd, dan is er een tweede route. Vraagt u vóór 1 mei na het jaar zelf om een (aangepaste) voorlopige aanslag, en volgt de Belastingdienst dat verzoek, dan betaalt u ook geen rente. Deze route geldt voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting allebei, en in beide gevallen is 30 april de uiterste dag.

Krijgt u een eenmalig groot bedrag binnen, bijvoorbeeld dividend uit uw bv of de opbrengst van de verkoop van uw aandelen, vraag dan meteen een voorlopige aanslag aan en wacht niet tot het voorjaar daarna. Bij dat soort bedragen loopt de rente in enkele maanden op tot tienduizenden euro’s. Doe het verzoek op de manier die de Belastingdienst voorschrijft, dus met het daarvoor bestemde formulier of via de opengestelde kanalen. Maak de schatting zo goed mogelijk. Een verzoek om een hógere voorlopige aanslag mag ook: wie een betere winst verwacht dan eerder gedacht, kan zo de rente afkappen. Aan de motivering worden geen zware eisen gesteld. Wel geldt: geef nooit bewust een te laag bedrag op om liquiditeit te sparen, want dat kan een vergrijpboete opleveren, een boete die de Belastingdienst oplegt bij opzet of grove schuld.

Wacht ook niet tot de laatste dag. De Belastingdienst heeft wettelijk veertien weken om uw verzoek te verwerken, en een aanslag die binnen die termijn wordt opgelegd geldt als voortvarend genoeg. Een klacht dat het te lang duurde, heeft dan geen kans. Rechtbank Gelderland oordeelde in april 2026 nog zo in een zaak waarin het verzoek pas in juni was gedaan.

Twee praktische punten tot slot. Heeft u over een eerder jaar nog geen aangifte gedaan, breng dat dan eerst in orde: zolang die aangifte ontbreekt, verleent de Belastingdienst geen voorlopige teruggaaf. En bent u bang dat uw bedrag te klein is voor een voorlopige aanslag? Vraagt u er zelf om, dan legt de Belastingdienst die ook voor kleine bedragen op.

Let op deze twee valkuilen

De eerste valkuil is de datum. Beslissend is de dag waarop de Belastingdienst uw aangifte of verzoek ontvangt, niet de dag waarop u het verstuurt. De Algemene termijnenwet geldt hier niet, dus “vóór 1 mei” betekent uiterlijk 30 april, ook als dat een zondag of een feestdag is. Eén dag te laat is te laat: de rechter heeft geen ruimte om een minimale overschrijding door de vingers te zien. Reken ook niet met de dag waarop de Belastingdienst laat weten dat de aanslag eraan komt. Alleen de datum op het aanslagbiljet telt, en die ligt altijd later.

De tweede valkuil is de conformiteitseis. De aanslag moet zijn vastgesteld precies zoals u het heeft aangegeven of gevraagd. Wijkt de Belastingdienst af, ook maar op één punt, dan vervalt de vrijstelling en wordt rente gerekend over het hele te betalen bedrag, niet alleen over de correctie. Wie eerst een voorlopige aanslag conform de aangifte laat vaststellen, beperkt de grondslag tot het bedrag dat per saldo nog bij te betalen is.

Figuur 4 vat de drie data samen waarmee u de rente op nul houdt.

Figuur 4: de drie data die tellen: 1 april voor een suppletie of correctiebericht, 30 april voor de aangifte inkomstenbelasting en voor een verzoek om een voorlopige aanslag, en 31 mei voor de aangifte vennootschapsbelasting bij een kalenderboekjaar.

Waarom uitstel voor uw aangifte niet helpt

Uitstel voor het doen van aangifte beschermt u niet tegen belastingrente. Wie uitstel vraagt, schuift de aangifte voorbij 1 mei of 1 juni en accepteert daarmee dat de rente gaat lopen. Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Sterker nog: uitstel verlengt ook de termijn waarbinnen de Belastingdienst een aanslag of een navorderingsaanslag mag opleggen, en daarmee de periode waarover rente kan worden berekend.

Loopt uw aangifte via de beconregeling, de uitstelregeling waarmee belastingadviseurs de aangiften van hun klanten gespreid indienen, dan is dat extra van belang. Adviseurs leveren die aangiften volgens een maandschema aan, waarbij de laatste aangiften pas in april van het jaar daarna binnenkomen. Zit uw aangifte achteraan in dat schema en verwacht u een forse bijbetaling, dan is een tijdig verzoek om een voorlopige aanslag geen luxe maar noodzaak. Bespreek met uw adviseur waar u in het schema staat.

Bewaar wel altijd de brief waarin het uitstel is verleend. Stond daarin geen waarschuwing dat u door dat uitstel belastingrente gaat betalen, en heeft u binnen de uitsteltermijn een correcte aangifte gedaan, dan is er een verweer tegen de rente. Dat u een adviseur inschakelde, doet daar niet aan af.

Wat kost belastingrente u? Een rekenvoorbeeld

Stel, uw bv heeft een boekjaar dat gelijkloopt met het kalenderjaar en moet over 2026 nog 60.000 euro vennootschapsbelasting bijbetalen.

Doet u tijdig aangifte, dan komt die over 2026 op 20 mei 2027 binnen, dus vóór 1 juni, en volgt de aanslag uw aangifte. U betaalt dan nul euro belastingrente. Vraagt u uitstel aan, dan komt de aangifte pas op 1 maart 2028 binnen. De aanslag krijgt als datum 1 mei 2028 en moet uiterlijk 12 juni 2028 zijn betaald. De rente loopt dan van 1 juli 2027 tot en met 11 juni 2028, oftewel 341 dagen. Bij 5 procent komt dat neer op 2.841 euro. Figuur 5 zet beide uitkomsten naast elkaar.

Figuur 5: hetzelfde belastingbedrag, twee uitkomsten. Een tijdige aangifte kost nul euro rente, uitstel kost 2.841 euro over 341 dagen bij 5 procent.

Dat verschil van ruim 2.800 euro kost u niets meer dan één tijdige aangifte of één verzoekformulier. Bij de renteberekening telt de Belastingdienst een volle maand als 30 dagen en een jaar als 360 dagen; alleen in de laatste maand telt hij de werkelijke dagen. Rente die u moet betalen wordt naar beneden afgerond op hele euro’s, rente die u krijgt naar boven.

Ook bij de btw loopt het snel op. Ontdekt u in de zomer van 2027 dat u over 2026 nog 50.000 euro btw moet afdragen, dan loopt de rente daar al vanaf 1 januari 2027. Bij 5 procent is dat ongeveer 2.500 euro over een jaar. Had u de suppletie vóór 1 april 2027 ingestuurd, dan was de rente nul geweest.

De rente loopt al: zo beperkt u het bedrag

Staat er al een rentebedrag op uw aanslag, dan is het bijna altijd de moeite waard om dat na te rekenen. Er zijn drie controles die in de praktijk geld opleveren.

Had de Belastingdienst uw geld al?

Had de Belastingdienst het bedrag in dezelfde belasting en over hetzelfde jaar al binnen, bijvoorbeeld door een eerdere voorlopige aanslag, dan hoeft u over die periode geen rente te betalen. Dat speelt bij heen-en-weer gaande voorlopige aanslagen, bij een gewijzigd boekjaar, bij opname in een fiscale eenheid en bij teruggedraaide verliesverrekening. Voor verschuivingen tussen fiscale partners of tussen erfgenamen geldt een aparte, bij regeling aangewezen groep gevallen. Let op: geld dat u alvast uit eigen beweging overmaakt telt hier niet mee, en een bedrag dat u uit een andere aanslag of een andere belasting tegoed heeft evenmin.

In een zaak uit 2022 was over 14.478 euro rente berekend over 483 dagen, terwijl het geld een groot deel van die tijd al bij de Belastingdienst stond. De Hoge Raad beperkte de rente tot 219 dagen en verlaagde het bedrag van 1.553 euro naar 704 euro. Belangrijk: deze vermindering gaat meestal niet automatisch, u moet er zelf om vragen. Vermeld daarbij duidelijk en overzichtelijk over welke periode het gaat en maak aannemelijk dat u er recht op heeft. Is het rentebedrag op de beschikking niet hoger dan 100 euro, dan wordt de vermindering overigens niet toegepast.

Eén beperking blijft altijd staan: over de periode tussen de datum op het aanslagbiljet en de uiterste betaaldatum, meestal zes weken, blijft u rente verschuldigd. Ook als u de aanslag meteen betaalt. De wetgever heeft dat bewust aanvaard als een enigszins ruwe berekening.

Controleer de einddatum van de renteperiode

De renteperiode loopt in beginsel door tot de dag vóór de uiterste betaaldatum. Er gelden echter maximumtermijnen. Volgt de aanslag uw aangifte, dan stopt de teller uiterlijk negentien weken na ontvangst van die aangifte. Volgt de aanslag een verzoek, dan is dat veertien weken; bij een navorderingsaanslag op verzoek twaalf weken.

Wijkt de aanslag af van uw aangifte, dan hoeft de Belastingdienst die negentienwekengrens niet toe te passen, maar in de praktijk doet hij dat soms wel. In een zaak uit 2021 scheelde dat ruim een jaar aan rente. Kijk daar dus altijd naar. Ook een aantoonbaar gebrek aan voortvarendheid bij de Belastingdienst kan de periode verkorten: Gerechtshof Den Haag haalde er in maart 2026 twaalf maanden af.

Wees wel realistisch over wat kansrijk is. Narekenen op de periode, op het percentage en op geld dat de Belastingdienst al binnen had, levert regelmatig geld op. Een klacht dat het percentage te hoog is of dat u de cijfers onmogelijk eerder kon kennen, slaagt vrijwel nooit: de rechter mag de rekenregels niet op redelijkheid toetsen en de Belastingdienst hoeft geen rekening te houden met uw persoonlijke situatie.

Wanneer vergoedt de Belastingdienst rente aan u?

De Belastingdienst vergoedt alleen rente als hij zelf te traag is geweest. Krijgt u geld terug via een voorlopige aanslag, dan bestaat recht op rente als de Belastingdienst die aanslag heeft vastgesteld precies zoals u die heeft gevraagd of aangegeven, én er meer dan acht weken zijn verstreken na uw verzoek of meer dan dertien weken na uw aangifte. De teller begint daarbij niet eerder dan zes maanden na het einde van het jaar. Bij een teruggaaf van btw of loonheffing geldt een termijn van acht weken na het teruggaafverzoek.

Twee situaties leveren juist géén vergoeding op. Wordt uw aanslag verlaagd na een bezwaar of een rechtszaak, dan krijgt u geen rente over de periode dat u te veel had betaald. En bij achterwaartse verliesverrekening, waarbij u een verlies verrekent met de winst van een eerder jaar, wordt evenmin rente vergoed. Anders dan bij bezwaar wordt de rente die u over dat eerdere jaar al betaalde dan ook niet verlaagd. Alleen de zogenoemde coulancerente, die de Belastingdienst buiten de wettelijke regeling om vergoedt bij vertraging die aan hem te wijten is, kan dat soms deels goedmaken.

U bent het niet eens met de rente: bezwaar of herziening?

De rente wordt vastgesteld in een rentebeschikking: een aparte beslissing waarin het bedrag aan belastingrente staat. Welke stap u moet zetten, hangt af van het soort aanslag. Kiest u de verkeerde route, dan wordt uw protest niet inhoudelijk behandeld. Figuur 6 zet de twee routes naast elkaar.

Figuur 6: de twee routes. Bij een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag maakt u bezwaar binnen zes weken; bij een voorlopige aanslag vraagt u om herziening en kunt u pas bezwaar maken tegen een afwijzing.

Definitieve aanslag of navordering: bezwaar binnen zes weken

Gaat het om een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag, dan maakt u binnen zes weken na de datum op het aanslagbiljet bezwaar. Bezwaar tegen de aanslag geldt automatisch ook als bezwaar tegen de rentebeschikking. Bent u die zes weken voorbij, dan resteert alleen een verzoek om ambtshalve vermindering: een verzoek om de aanslag alsnog te verlagen buiten de bezwaartermijn om, waarbij minder ruime regels gelden.

Voorlopige aanslag: geen bezwaar, maar een verzoek om herziening

Bij een voorlopige aanslag ligt het anders. Daartegen staat geen bezwaar open, ook niet tegen de rente die erbij hoort. U vraagt dan om herziening van de voorlopige aanslag: een verzoek om die aanslag aan te passen. Wijst de Belastingdienst dat verzoek geheel of gedeeltelijk af, dan doet hij dat met een beslissing waartegen u wél bezwaar kunt maken.

Die bezwaartermijn is ongewoon ruim. Hij eindigt pas op de datum van de definitieve aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend, en voor de rentebeschikking geldt altijd ten minste zes weken na de afwijzing. U heeft dus meer tijd dan de gebruikelijke zes weken om uw punt op te bouwen. Er zit wel een harde buitengrens aan: een verzoek om herziening van de rentebeschikking kunt u nog indienen tot zes weken na de datum van de definitieve aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. Daarna is de deur dicht. Let wel op twee dingen: op een bezwaar tegen zo’n afwijzing beslist de Belastingdienst binnen zes weken, en een bezwaarschrift tegen een voorlopige aanslag levert geen uitstel van betaling op. Wilt u later betalen, vraag dat dan apart aan.

Verstuurt u uw brief naar de verkeerde instantie? Dat kost u in de regel geen termijn. De ontvangende instantie moet uw brief doorsturen en het moment waarop u hem daar indiende telt als indieningsmoment.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Zet 30 april in uw agenda. Dat is de uiterste dag voor uw aangifte inkomstenbelasting én voor een verzoek om een voorlopige aanslag over het voorgaande jaar.
  • Zet 31 mei erbij voor de bv. Dat is de uiterste dag voor uw aangifte vennootschapsbelasting over een boekjaar dat gelijkloopt met het kalenderjaar.
  • Zet 1 april erbij voor btw en loonheffing. Een suppletie of correctiebericht over het vorige jaar dat vóór die datum binnen is, kost geen rente.
  • Schat realistisch. Laat uw verwachte winst en belasting tijdig doorrekenen en vraag op basis daarvan een voorlopige aanslag aan die zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid ligt.
  • Reken niet op uitstel. Uitstel voor de aangifte voorkomt geen rente. Vraag bij uitstel altijd óók vóór 1 mei een voorlopige aanslag aan.
  • Vraag ruim op tijd. De Belastingdienst mag veertien weken over uw verzoek doen; die tijd loopt gewoon door terwijl de rente oploopt.
  • Vergelijk aanslag en aangifte. Wijkt de aanslag ook maar op één punt af, dan vervalt de vrijstelling en gaat rente lopen over het hele bedrag.
  • Reken de rentebeschikking na. Controleer de periode, het percentage en of de maximumtermijn van negentien of veertien weken is toegepast.
  • Claim de vermindering zelf. Stond het geld al bij de Belastingdienst, vraag dan actief om vermindering van de rente over die periode. Dit gebeurt niet automatisch.
  • Kies het juiste rechtsmiddel. Bezwaar bij een definitieve aanslag of navordering, een verzoek om herziening bij een voorlopige aanslag.
  • Bespreek uw plek in het becon-schema. Vraag uw adviseur in welke maand uw aangifte is ingepland en trek die naar voren als u een forse bijbetaling verwacht.

Veelgestelde vragen

Welk percentage belastingrente geldt in 2026?

Vanaf 1 januari 2026 geldt 5 procent voor alle belastingen, dus ook voor de vennootschapsbelasting. Dat laatste is nieuw: de Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat het hogere percentage voor de vennootschapsbelasting niet mag worden toegepast. De rente wordt enkelvoudig berekend, dus zonder rente over rente.

Voorkomt uitstel voor uw aangifte de belastingrente?

Nee. Uitstel schuift uw aangifte juist voorbij de datum waarop de vrijstelling nog geldt, waardoor de rente gaat lopen. De oplossing bij uitstel is om vóór 1 mei alsnog een voorlopige aanslag aan te vragen die aansluit bij de belasting die u verwacht te moeten betalen.

Wat gebeurt er als u één dag te laat bent?

Dan vervalt de vrijstelling volledig. De termijn is fataal en de rechter heeft geen ruimte om een kleine overschrijding door de vingers te zien. Bovendien telt de dag waarop de Belastingdienst uw stuk ontvangt, niet de dag waarop u het verstuurt.

Kunt u bezwaar maken tegen de belastingrente?

Dat hangt af van het soort aanslag. Bij een definitieve aanslag of een navorderingsaanslag maakt u binnen zes weken bezwaar; uw bezwaar tegen de aanslag geldt dan ook voor de rente. Bij een voorlopige aanslag staat geen bezwaar open en vraagt u om herziening van die aanslag.

Krijgt u rente terug als u gelijk krijgt in bezwaar?

Nee. Wordt uw aanslag na bezwaar of na een rechtszaak verlaagd, dan vergoedt de Belastingdienst daarover geen rente. Wel wordt de eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid verlaagd. Dit is een bewuste keuze van de wetgever. Het is een reden om samen met uw adviseur te bekijken of u de aanslag betaalt of uitstel van betaling vraagt: krijgt u uiteindelijk ongelijk, dan betaalt u over de uitstelperiode invorderingsrente.

Geldt belastingrente ook voor de btw en de loonheffing?

Ja, en daar is de regeling strenger, omdat de renteloze periode van zes maanden ontbreekt. De teller loopt al vanaf 1 januari na het jaar. U ontloopt de rente volledig door een fout binnen drie maanden na het jaareinde te melden met een suppletie of een correctiebericht, dus vóór 1 april bij een kalenderjaar.

Hoe Taxcount u kan helpen

Belastingrente is een van de weinige kostenposten die u volledig zelf in de hand heeft, mits u de data en de bedragen scherp heeft. Taxcount bewaakt voor u de aangifte- en verzoektermijnen, maakt een realistische schatting van de belasting die u over het lopende jaar verschuldigd bent en dient waar nodig tijdig een verzoek om een voorlopige aanslag in. Ook voor de btw en de loonheffing bewaken wij de deadline van 1 april voor suppleties en correctieberichten.

Staat er al een rentebedrag op een aanslag, dan rekenen wij de beschikking voor u na: klopt de periode, is het juiste percentage gebruikt, is de maximumtermijn toegepast en had de Belastingdienst uw geld misschien al? Wij verzorgen vervolgens het bezwaar of het herzieningsverzoek. Laat uw situatie vrijblijvend beoordelen, dan weet u binnen één gesprek of er geld te besparen of terug te halen valt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages, drempels en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt altijd af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een belastingadviseur voordat u actie onderneemt.

 

Fiscaal partnerschap in 2026: wanneer bent u fiscaal partner en welke keuzes leveren u geld op

U woont samen, bent getrouwd of heeft net samen een huis gekocht. In de aangifte inkomstenbelasting komt dan de vraag hoe u de gezamenlijke posten onderling verdeelt, en vaak vult u daar zonder nadenken vijftig om vijftig in. Toch is fiscaal partnerschap geen keuze maar een gevolg van vaste feiten, en juist daarom zijn de keuzes die eruit voortvloeien elk jaar geld waard. Een onnadenkende verdeling kost u zo enkele duizenden euro’s, en een ontbrekend samenlevingscontract kan bij een overlijden een veelvoud daarvan kosten. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 fiscaal partner bent, welke posten u vrij mag verdelen, tot wanneer u die verdeling nog kunt wijzigen en welke nadelen het partnerschap ongevraagd meebrengt. Ook leest u wat u praktisch moet vastleggen voordat u aangifte doet.

Wanneer bent u fiscaal partner?

Fiscaal partnerschap is geen keuze die u in de aangifte aanvinkt. De wet werkt met objectieve feiten: een huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke woning. Voldoet u aan een van die feiten, dan bent u partner, ook als u dat liever niet was. Wat u wel kunt sturen, zijn de feiten zelf. U kunt bijvoorbeeld besluiten om wel of niet naar de notaris te gaan, maar dat moet dan gebeuren vóór het jaar waarin het effect moet optreden.

Getrouwd of geregistreerd partner: direct partner

Bent u getrouwd of heeft u een geregistreerd partnerschap, dan bent u fiscaal partner. Er geldt geen wachttijd: vanaf de trouwdag telt u voor de belastingen als paar. Woont u samen zonder te trouwen, dan bent u fiscaal partner als u twee dingen combineert: een notarieel samenlevingscontract én een inschrijving op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen, de bevolkingsadministratie van de gemeente. Beide voorwaarden moeten kloppen. Alleen samenwonen is niet genoeg en alleen een contract ook niet.

Zes situaties waarin u ook zonder contract partner bent

Voor de inkomstenbelasting komen er zes situaties bij. Staat u samen op één adres ingeschreven, dan bent u ook fiscaal partner als een van deze punten geldt:

  • u heeft samen een kind;
  • een van u heeft het kind van de ander erkend;
  • u bent bij een pensioenregeling als partner van de ander aangemeld;
  • u bent samen eigenaar van de woning waarin u woont;
  • er staat een minderjarig kind van een van u beiden op het adres ingeschreven;
  • u was in het vorige kalenderjaar al fiscaal partner.

Die laatste wordt het vaakst over het hoofd gezien. Bent u eenmaal partner, dan bent u het jaar daarna opnieuw partner zolang u samen ingeschreven staat. De op één na belangrijkste is de gezamenlijke woning: veel stellen worden fiscaal partner op het moment dat zij samen een huis kopen, zonder dat zij ooit iets hebben getekend.

Wie geen fiscaal partner kan zijn

Drie groepen vallen af. Een bloed- of aanverwant in de eerste graad, dus uw ouder, uw kind, uw schoonouder of uw stiefkind, is geen partner, tenzij u beiden bij het begin van het kalenderjaar 27 jaar of ouder was. Iemand die buiten Nederland woont, is alleen partner als hij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, dus als hij vrijwel zijn hele inkomen in Nederland verdient. En voor een pleegkind of een kind waarvoor u kinderbijslag ontvangt en dat jonger is dan 27 jaar, kunt u samen een verzoek doen om het partnerschap uit te sluiten. U kunt bovendien maar één fiscaal partner tegelijk hebben.

Naast het pleegkind is er nog één situatie die u zelf kunt uitsluiten. Woont u samen met iemand terwijl er een minderjarig kind op het adres staat, dan kunt u met een schriftelijke huurovereenkomst op zakelijke gronden aantonen dat u geen partners bent. Denk aan een inwonende volwassen huisgenoot. U dient daarvoor een verzoek in bij de inspecteur, die beslist met een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken.

Figuur 1 zet de vier vragen op een rij waarmee u in één oogopslag ziet of er fiscaal partnerschap is.

 

Figuur 1: beslisboom. Vier vragen bepalen of u fiscaal partner bent, met rechts de zes extra situaties die gelden zodra u samen op één adres staat ingeschreven.

Wanneer begint en eindigt het fiscaal partnerschap?

Bent u een deel van het jaar partner, dan wordt u ook partner genoemd in de overige perioden van dat jaar waarin u samen ingeschreven stond. Het partnerschap wordt dus over het jaar heen doorgetrokken.

Bij een echtscheiding stopt het partnerschap pas als aan twee eisen tegelijk is voldaan: het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is bij de rechter ingediend, én u staat niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Blijft u samen ingeschreven staan omdat een van u de woning nog niet uit is, dan loopt het partnerschap door. En omdat u het vorige jaar partner was, bent u het jaar daarna opnieuw partner. Het moment van uitschrijven bepaalt dus meer dan veel mensen denken.

Wordt samenwonen onmogelijk door opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis wegens medische redenen of ouderdom, dan blijft het partnerschap bestaan zolang geen van u beiden een nieuwe partner krijgt. Wilt u dat beëindigen, dan moet u dat schriftelijk melden aan de inspecteur. Een vakje aankruisen in de aangifte is daarvoor niet genoeg.

Bent u maar een deel van het jaar partner, bijvoorbeeld omdat u in de loop van het jaar bent gaan samenwonen of uit elkaar bent gegaan, dan kunt u samen kiezen om toch als partners voor het hele jaar te gelden. Alleen dan staat de vrije verdeling voor u open. Die keuze maakt u bij de aangifte of bij een verzoek om voorlopige teruggaaf en niet later. Let op: de keuze telt niet mee voor de zesmaandsregel bij het uitbetalen van de algemene heffingskorting.

Welke posten mag u samen vrij verdelen?

De hoofdregel is dat ieder zijn eigen inkomen en zijn eigen vermogen aangeeft. Voor een beperkte groep posten maakt de wet een uitzondering: die mag u als partners in elke verhouding over elkaar verdelen, zolang u samen op precies 100 procent uitkomt.

Vrij te verdelen zijn vijf posten: het saldo van de eigen woning (het eigenwoningforfait, een vast bedrag dat u bij uw inkomen optelt op basis van de WOZ-waarde, min de aftrekbare rente), het inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2, de persoonsgebonden aftrek zoals zorgkosten, partneralimentatie en giften, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in box 3, en de ingehouden dividendbelasting. Niet verdeelbaar zijn onder meer loon, uitkering, pensioen en lijfrente-uitkeringen, winst uit onderneming, het resultaat uit terbeschikkingstelling (verhuur van vermogen aan de onderneming of bv van uw partner) en de heffingskortingen. Figuur 2 zet beide groepen naast elkaar.

Figuur 2: de vijf posten die u samen vrij mag verdelen tegenover de posten die de wet bij ieder afzonderlijk laat.

Kiest u niets, of komt u samen niet precies op 100 procent uit, dan rekent de Belastingdienst automatisch de helft aan ieder toe. De Hoge Raad besliste in maart 2025 dat die verdeling ook geldt als de partner van de post niets af wist. De standaardverdeling is dus hard: wie niets kiest, kiest vijftig om vijftig.

Bij de eigen woning mag u alleen het saldo verdelen. Het eigenwoningforfait bij de ene partner nemen en de rente bij de andere is niet toegestaan. Bij de persoonsgebonden aftrek mag u wél per aftrekpost een andere verhouding kiezen.

Wat levert een goede verdeling u op in 2026?

Twee lage schijven in box 2

Keert uw bv, uw besloten vennootschap, dividend uit, dan is dit het grootste eenmalige voordeel in dit artikel. Box 2 kent twee schijven, en die schijven gelden per persoon.

Deel van het box 2-inkomen (2026) Tarief
Tot en met 68.843 euro 24,5 procent
Boven 68.843 euro 31 procent

Omdat u het box 2-inkomen vrij mag verdelen, kunt u samen tot en met 137.686 euro tegen 24,5 procent afrekenen.

Rekenvoorbeeld. Uw bv keert in 2026 140.000 euro dividend uit. Rekent u alles aan uzelf toe, dan betaalt u over de eerste 68.843 euro 24,5 procent en over de resterende 71.157 euro 31 procent. Samen is dat afgerond 38.925 euro. Verdeelt u het dividend gelijk over u beiden, dan blijft ieder van u met 70.000 euro vrijwel volledig in de eerste schijf. Samen betaalt u dan afgerond 34.450 euro. Het verschil is 4.475 euro, alleen door een ander getal in de aangifte. Figuur 3 laat zien waar dat verschil vandaan komt.

Figuur 3: bij een dividend van 140.000 euro schuift een gelijke verdeling het volledige bedrag vrijwel geheel in de eerste schijf van beide partners. Dat scheelt 4.475 euro.

Deze verdeling staat alleen open als u het hele jaar dezelfde fiscaal partner had, of als u samen kiest voor voljaarspartnerschap.

De eigen woning: minder speelruimte dan u denkt

Veel mensen rekenen de hypotheekrenteaftrek automatisch toe aan de partner met het hoogste inkomen. Dat helpt minder dan vroeger, want de aftrek voor de eigen woning is in tarief beperkt. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent op, ook als u in de schijf van 49,50 procent valt.

Rekenvoorbeeld. U verdient 90.000 euro en uw partner 20.000 euro. Samen heeft u een eigen woning met een negatief saldo van 8.000 euro. Rekent u dat volledig aan uzelf toe, dan levert de aftrek 3.005 euro op. Bij uw partner, die in de eerste schijf van 35,75 procent valt, is dat 2.860 euro. Het verschil is ongeveer 145 euro.

Het echte effect van de verdeling zit hier dus niet in het tariefverschil, maar in wat de verdeling doet met uw verzamelinkomen, het totaal van uw inkomen in box 1, box 2 en box 3: de afbouw van heffingskortingen, de drempels voor zorgkosten en giften en het recht op toeslagen.

Sturen op uw verzamelinkomen

Heeft u of uw partner de AOW-leeftijd bereikt, de leeftijd waarop de uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat, dan is de ouderenkorting van 2.067 euro het duidelijkste voorbeeld. Die korting wordt lager zodra het verzamelinkomen van degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt boven 46.002 euro komt, met 15 procent van het meerdere, en is nihil vanaf 59.782 euro. Door de eigen woning en het box 3-vermogen anders te verdelen, stuurt u dat verzamelinkomen. Dat is toegestaan.

Wat volgens de rechter niet werkt, is de ouderenkorting eerst opmaken om vervolgens meer algemene heffingskorting uitbetaald te krijgen. Drie uitspraken hebben die route afgewezen. Een ouderenkorting die u zelf niet kunt gebruiken, is definitief verloren en kunt u niet aan uw partner overdragen.

Wat u niet kunt sturen

De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt alleen als er een kind jonger dan 12 jaar ten minste zes maanden bij u in huis woont. Die korting gaat naar de partner met het laagste inkomen uit werk en volgt dat arbeidsinkomen. Zij is dus niet met een verdeling in de aangifte te beïnvloeden. In 2026 bedraagt zij 11,45 procent van het arbeidsinkomen boven 6.239 euro, met een maximum van 3.032 euro dat u bereikt bij een arbeidsinkomen van 32.720 euro. Heeft een van u helemaal geen inkomen uit werk, dan krijgt niemand deze korting.

Ook de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner is niet meer voor iedereen beschikbaar. Die bestaat alleen nog voor wie is geboren vóór 1 januari 1963 en meer dan zes maanden dezelfde partner heeft. In het Belastingplan 2025 is een gedeeltelijke herinvoering opgenomen voor wie later is geboren, met een afbouw van 14,70 procent boven een gezamenlijk verzamelinkomen van 36.000 euro. Die regeling treedt pas in werking bij koninklijk besluit. De beoogde datum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet vast.

Tot wanneer kunt u de verdeling nog wijzigen?

U mag de gekozen verhouding samen wijzigen tot het moment waarop de aanslagen van u beiden onherroepelijk vaststaan, dus tot er geen bezwaar of beroep meer mogelijk is. Bewaak daarom ook de aanslagdatum van uw partner en niet alleen die van uzelf. Werd een aanslag onherroepelijk door een uitspraak van de Hoge Raad, dan heeft u daarna nog zes weken.

Staan beide aanslagen vast, dan is de verdeling in beginsel definitief. Er blijft één route over: zelf om een navorderingsaanslag verzoeken, een extra aanslag over een jaar dat al was afgerond. Zo’n navorderingsaanslag opent de verdeling opnieuw, en niet alleen voor de post waarop de navordering ziet. Bespreek die route met uw adviseur, want een navorderingsaanslag heeft ook nadelen. Houd er verder rekening mee dat de Belastingdienst bij een keuze over de verdeling zonder termijn kan navorderen.

Er loopt op dit moment een bijzondere termijn voor box 3. Heeft u over de jaren 2017 tot en met 2020 meegedaan aan het massaal bezwaar over de heffing op vermogen, en heeft u daarna een verminderingsbeschikking ontvangen, de brief waarmee de inspecteur uw aanslag verlaagt? De Hoge Raad heeft op 27 maart 2026 beslist dat u dan vanaf de dagtekening van die beschikking nog zes weken heeft om de verdeling van het vermogen samen te wijzigen. Een verzoek om ambtshalve vermindering, waarmee u de Belastingdienst vraagt een aanslag te verlagen die al vaststaat, geeft daarna geen extra ruimte. Omdat het rechtsherstel is berekend op de verdeling die u destijds koos, kan een andere verdeling in deze dossiers geld opleveren. Zet de dagtekening van uw beschikkingen per jaar op een rij.

Figuur 4 zet de momenten op een tijdlijn, met de aparte termijn voor box 3 eronder.

Figuur 4: tijdlijn van de wijzigingstermijn. De deur sluit pas als de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan; voor box 3 over 2017 tot en met 2020 geldt een eigen termijn van zes weken.

Welke nadelen brengt fiscaal partnerschap ongevraagd mee?

Naast keuzes levert het partnerschap ook beperkingen op waar u niet om heeft gevraagd. Deze vijf komen in de praktijk het vaakst voor.

Samen mag u maar één hoofdverblijf hebben

Heeft u allebei een koopwoning, dan mag maar één daarvan als hoofdverblijf gelden. U kiest samen welke, en die keuze is voor dat jaar onherroepelijk. Maakt u geen keuze, dan geldt géén van beide woningen als eigen woning: de rente is dan niet aftrekbaar en beide woningen gaan naar box 3. Geeft u in uw aangiften een verschillende woning op, dan telt de woning uit de eerst ingediende aangifte. Leg de keuze dus schriftelijk vast voordat een van u aangifte doet.

Koopt u samen een woning, dan telt een overwaarde uit een eerdere woning van uw partner, de eigenwoningreserve, ook mee bij de toets van uw eigen maximale eigenwoningschuld. Vraag het woningverleden van uw partner daarom op vóór de aankoop. Een lening die u bij uw partner afsluit, is nooit een eigenwoningschuld.

Het leenmaximum bij uw eigen bv geldt voor u samen

Leent u geld van uw eigen bv, anders dan voor de eigen woning, dan wordt het bedrag boven 500.000 euro belast alsof u dividend heeft ontvangen. Dat maximum geldt voor u en uw partner samen, en de schulden van u beiden worden bij elkaar opgeteld. Twee aandeelhouders die geen partners zijn, mogen ieder 500.000 euro lenen. Worden zij fiscaal partner, dan halveert die ruimte in feite. Houd de stand het hele jaar in de gaten, want ook bijgeschreven rente telt mee.

De uren van uw meewerkende partner kunnen vervallen

Heeft u samen met uw partner een vof (vennootschap onder firma) of maatschap, dan tellen de uren van degene wiens werk hoofdzakelijk ondersteunend is niet mee, als twee dingen tegelijk gelden: dat werk is voor 70 procent of meer ondersteunend, én zo’n samenwerking zou tussen mensen die geen familie van elkaar zijn ongebruikelijk zijn. Is dat zo, dan tellen alle uren van die persoon voor dat samenwerkingsverband niet mee. Hij haalt het urencriterium van 1225 uur dan mogelijk niet meer en verliest daarmee de zelfstandigenaftrek. In de praktijk is dat meestal de meewerkende partner. De bewijslast ligt volledig bij u, ook bij een navordering, en de rechter verlangt dat u per taak kunt aangeven welk deel niet ondersteunend was. Een enkel totaal aantal uren is niet genoeg.

Betaalt u uw partner een vergoeding voor het meewerken, let dan op de grens van 5.000 euro. Blijft de vergoeding daaronder, dan is niets aftrekbaar en bij uw partner ook niets belast; de meewerkaftrek blijft dan wel mogelijk, een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald of tegen een lage vergoeding meewerkt. Vanaf 5.000 euro is de volledige beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Reken uit welke variant in uw situatie gunstiger uitpakt.

Verhuurt u een pand aan de bv van uw partner?

Dan valt het pand niet in box 3, maar wordt de opbrengst min de kosten in box 1 belast, tegen een hoger tarief. Dit heet terbeschikkingstelling: vermogen dat u aan de onderneming of bv van uw partner beschikbaar stelt. Dat resultaat mag u niet vrij tussen u beiden verdelen. Eindigt het partnerschap, bijvoorbeeld door een scheiding, dan moet u afrekenen over de waardestijging van het pand zonder dat u die opbrengst in handen heeft. Er is dan geen doorschuifregeling, alleen uitstel van betaling.

Hetzelfde geldt voor een lening of een borgstelling. Staat u borg voor de onderneming of bv van uw partner uit genegenheid en niet op zakelijke voorwaarden, dan is het verlies niet aftrekbaar terwijl u er wel volledig voor kunt worden aangesproken. Leg vergoeding, plafond en looptijd daarom zakelijk vast.

U kunt aansprakelijk zijn voor de belasting van uw partner

Rekent u een post aan uw partner toe, dan kan de Belastingdienst u aanspreken voor een evenredig deel van de inkomstenbelasting. Dat deel wordt per box berekend. De aansprakelijkheid blijft bestaan nadat de relatie is geëindigd, want bepalend is het jaar waarin de toerekening plaatsvond. Voor de belasting zelf kunt u zich niet disculperen, dus niet aantonen dat het u niet valt aan te rekenen. Wel geldt de aansprakelijkheid niet als er na verliesverrekening geen te betalen aanslag overblijft, en uw partner moet eerst in gebreke zijn. Voor een boete, rente en invorderingskosten bent u alleen aansprakelijk voor zover dat aan u te wijten is, en bij een boete moet de Belastingdienst opzet of grove schuld bewijzen. Weeg dit mee als een van u financiële problemen heeft.

Let op: er bestaan drie verschillende partnerbegrippen

Voor de inkomstenbelasting, voor de toeslagen en voor de erf- en schenkbelasting gelden niet dezelfde regels. U kunt dus voor de belasting wél partner zijn en voor de erfbelasting niet.

Voor de toeslagen gelden vrijwel dezelfde regels als voor de inkomstenbelasting, maar met drie verschillen die er in de praktijk toe doen: het partnerschap gaat pas in vanaf de dag waarop het ontstaat en werkt niet terug over het jaar, uw ouder of kind is er nooit partner, en verzoeken over het partnerschap dient u in bij de Dienst Toeslagen en niet bij de inspecteur. Figuur 5 zet de drie begrippen naast elkaar.

Figuur 5: de drie partnerbegrippen met hun eigen wachttijden. Rechts het bedrag waar het bij de erfbelasting om gaat: 828.035 euro vrijgesteld tegenover 2.769 euro.

Voor de erfbelasting is het verschil het grootst. Erft u van uw partner, dan is in 2026 828.035 euro vrijgesteld. Bent u geen partner in de zin van de Successiewet, dan is dat 2.769 euro en geldt bovendien een hoger tarief. Ter vergelijking: een kind of kleinkind erft 26.230 euro belastingvrij. Een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgplicht brengt de hoge vrijstelling al na zes maanden binnen bereik; zonder contract duurt het vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres. Voor ongehuwd samenwonenden met vermogen is de gang naar de notaris daarmee de goedkoopste maatregel met het grootste bedrag erachter.

Let daarbij op drie punten. De wederzijdse zorgplicht moet in de notariële akte zelf staan; afspraken die u onderling regelt buiten de akte om zijn onvoldoende, oordeelde het gerechtshof in een zaak die de Hoge Raad in 2022 in stand liet. Verder wordt op de partnervrijstelling de helft van de waarde van een nabestaandenpensioen of lijfrente in mindering gebracht, waarbij de vrijstelling na die korting ten minste 213.915 euro bedraagt. En wonen er drie of meer mensen samen die allemaal aan de voorwaarden voldoen ten opzichte van dezelfde persoon, dan is niemand partner en vervalt de vrijstelling voor iedereen.

Gaat u trouwen en wordt er in de familie geschonken? Schenkingen aan u en aan uw partner worden voor de schenkbelasting bij elkaar opgeteld alsof u één persoon bent. Dat geldt ook al voor schenkingen in de twaalf maanden vóór uw huwelijksdag. Schenkingen tussen u beiden vallen daar juist buiten. De timing van een schenking ten opzichte van de trouwdatum is dus een bewuste keuze.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Stel eerst vast of er partnerschap is. Vraag een uittreksel van de basisregistratie personen op met alle bewoners van uw adres en loop de zes extra situaties na. Partnerschap volgt uit feiten, niet uit uw gevoel.
  • Reken de verdeling elk jaar opnieuw door. De beste verdeling verandert mee met uw inkomen, uw vermogen en uw leeftijd. Vijftig om vijftig uit gewoonte is zelden de beste uitkomst.
  • Vul samen precies 100 procent in. Komt u samen niet op 100 procent uit, dan rekent de Belastingdienst automatisch de helft aan ieder toe.
  • Kies vóór de aangifte welke woning uw hoofdverblijf is. Leg die keuze schriftelijk vast, want bij verschillende aangiften telt de eerst ingediende.
  • Bewaak de aanslagdata van u beiden. Zolang één aanslag nog openstaat, kunt u de verdeling samen nog wijzigen. Daarna is de weg vrijwel dicht.
  • Vraag vóór een gezamenlijke aankoop op welke woningen uw partner eerder had. Een overwaarde uit een eerdere woning van uw partner telt mee bij de toets van uw eigen maximale eigenwoningschuld.
  • Houd een urenadministratie per taak bij als uw partner meewerkt. Alleen daarmee kunt u aantonen dat het werk niet hoofdzakelijk ondersteunend is.
  • Houd de stand van uw leningen bij de bv in de gaten. Het maximum van 500.000 euro geldt voor u samen, inclusief bijgeschreven rente.
  • Ga naar de notaris als u ongehuwd samenwoont en vermogen heeft. Zonder notarieel samenlevingscontract met zorgplicht mist u de partnervrijstelling in de erfbelasting.
  • Leg bij een scheiding de verdeling vast in het convenant. Zonder medewerking van uw ex kunt u de verdeling later niet meer wijzigen.
  • Zoek uw verminderingsbeschikkingen box 3 over 2017 tot en met 2020 op. Vanaf de dagtekening loopt een termijn van zes weken om de verdeling nog te wijzigen.

Veelgestelde vragen

Kunt u zelf kiezen of u fiscaal partner bent?

Nee. Het partnerschap volgt uit vaste feiten, zoals een huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, een gezamenlijk kind of een gezamenlijke woning. U kunt het niet aan- of uitzetten in de aangifte. U kunt wel de feiten beïnvloeden, bijvoorbeeld door wel of geen samenlevingscontract te sluiten. Er is één uitzondering waarvoor u een verzoek kunt doen: bij een huisgenoot terwijl er een minderjarig kind op het adres staat, met een schriftelijke zakelijke huurovereenkomst.

Wat gebeurt er als u samen geen verdeling invult?

Dan rekent de Belastingdienst de helft aan ieder toe. Dat geldt ook als u samen niet precies op 100 procent uitkomt, en zelfs als een van u niet wist dat de post er was. Bij een groot dividend of een hoog box 3-vermogen kan dat duizenden euro’s schelen.

Kunt u de verdeling achteraf nog wijzigen?

Ja, zolang de aanslagen van u beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. U moet dat samen doen. Staan beide aanslagen vast, dan blijft alleen de route over om zelf om een navorderingsaanslag te verzoeken, waardoor de verdeling opnieuw opengaat. Bespreek die route eerst met uw adviseur.

Bent u fiscaal partner als u samenwoont zonder samenlevingscontract?

Dat hangt ervan af. Zonder notarieel contract bent u alleen partner als u samen op één adres staat ingeschreven én een van de zes extra situaties geldt, bijvoorbeeld een gezamenlijk kind of een gezamenlijke koopwoning. Geldt geen van die punten, dan bent u geen fiscaal partner. U mist dan de vrije verdeling: u kunt vermogen en aftrekposten niet naar elkaar verschuiven, zodat een onbenut heffingvrij vermogen of een onbenutte aftrek bij een van u verloren gaat.

Bent u tijdens uw scheiding nog fiscaal partner?

Ja, totdat aan twee eisen tegelijk is voldaan: het echtscheidingsverzoek is bij de rechter ingediend én u staat niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Blijft u samen ingeschreven, dan loopt het partnerschap door en bent u het jaar daarna opnieuw partner. Het moment van uitschrijven is daarom belangrijk.

Is uw partner die in het buitenland woont ook uw fiscaal partner?

Alleen als hij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, dus als vrijwel het hele inkomen in Nederland wordt belast. Uw partner kan daarbij meeliften op het gezamenlijke inkomen. Voldoet u niet, dan is er geen partnerschap: u kunt niets verdelen, de hypotheekrente is alleen aftrekbaar voor zover die op u drukt en u heeft één keer het heffingvrije vermogen. Sinds 2026 is een inkomensverklaring geen harde voorwaarde meer; de inspecteur kan die opvragen, waarna ander bewijs is toegestaan.

Hoe Taxcount u kan helpen

Fiscaal partnerschap raakt bijna elk onderdeel van uw aangifte tegelijk: de eigen woning, box 2, box 3, de heffingskortingen, de toeslagen en bij ondernemers ook het urencriterium. Taxcount stelt eerst vast of er partnerschap is en vanaf welke datum, en rekent daarna verschillende verdelingen door op het totaal van u beiden samen, inclusief de doorwerking naar kortingen, drempels en toeslagen.

Daarnaast kijken wij vooruit. Wij lopen na of uw hoofdverblijfkeuze, uw leningen bij de bv, uw urenadministratie en uw samenlevingscontract op elkaar aansluiten, en welke oude jaren nog openstaan om te herstellen. Wilt u weten of uw verdeling in 2026 optimaal is, of wat er verandert als u gaat samenwonen, trouwen of scheiden? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, vrijstellingen en drempelbedragen kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw eigen situatie altijd beoordelen voordat u een keuze vastlegt in de aangifte of bij de notaris.

Zie ook:

Asset deal of share deal: zo bepaalt u hoe u uw bedrijf het beste verkoopt

U hebt jaren aan uw bedrijf gebouwd en er dient zich een koper aan. Dan komt vrijwel meteen de vraag op tafel die het financiële resultaat van de hele verkoop bepaalt: verkoopt u de bezittingen en schulden van het bedrijf, of verkoopt u de aandelen in uw bv? Dat is de keuze tussen een asset deal en een share deal. Die keuze bepaalt wie welke belasting betaalt, of er btw over de transactie loopt, welke contracten en welke medewerkers meegaan, en welke risico’s ook na de overdracht bij u blijven liggen. In dit artikel leest u wat beide routes fiscaal betekenen, welke faciliteiten en drempels in 2026 gelden, en wat u het beste jaren vooraf al regelt.

Wat is het verschil tussen een asset deal en een share deal?

Bij een asset deal, ook wel activa-passivatransactie genoemd, verkoopt u de onderdelen van het bedrijf: het pand, de machines, de voorraad, de klantenkring en de goodwill. Met goodwill bedoelen we de waarde van uw naam, uw klantenkring en uw marktpositie, die niet in losse bezittingen zit. Het bedrijf zelf blijft juridisch achter bij u; alleen de inhoud gaat over. Bij een share deal verkoopt u de aandelen in de bv. Het bedrijf verandert dan niet: alle contracten, vergunningen en arbeidsovereenkomsten blijven staan waar ze staan, want de bv blijft dezelfde partij.

Of u die keuze überhaupt hebt, hangt af van uw rechtsvorm. Hebt u een eenmanszaak, een vof of een maatschap, dan zijn er geen aandelen en is elke verkoop automatisch een activa-passivatransactie. De keuze verschuift dan naar de vraag of u vooraf nog een bv tussen uzelf en de onderneming zet. Hebt u wel een bv, dan kunt u kiezen: de bv verkoopt haar onderneming, of u verkoopt de aandelen in de bv. Figuur 1 laat zien welke route bij welke rechtsvorm hoort en hoe de verkoopwinst dan wordt belast.

    Figuur 1: uw rechtsvorm bepaalt of u kunt kiezen tussen een asset deal en een share deal, en hoe de verkoopwinst wordt belast.

In de praktijk lopen de belangen tegengesteld. Kopers willen meestal een asset deal: zij kiezen precies uit wat zij overnemen, laten het verleden van de onderneming achter en mogen afschrijven op de betaalde goodwill. Verkopers willen meestal een share deal: die is fiscaal vaak gunstiger, en het verleden gaat mee de deur uit. Dat verschil in belang komt terug in de prijs. Wie de fiscale gevolgen van beide routes kent, onderhandelt daar bewuster over. Figuur 2 zet naast elkaar wat er bij elke route meegaat en wat achterblijft of nog actie vraagt.

Figuur 2: wat er bij een asset deal en bij een share deal meegaat, en wat achterblijft of nog actie van u vraagt.

Wat betekent een asset deal voor u als IB-ondernemer?

Waarover rekent u af?

Verkoopt u als ondernemer voor de inkomstenbelasting uw hele onderneming, dan is dat fiscaal een staking. U rekent in één keer af over alles wat nog niet eerder is belast. Daar horen drie dingen bij: de stille reserves, dat wil zeggen het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van uw bezittingen, de goodwill die u in de loop der jaren hebt opgebouwd, en de fiscale reserves die nog op uw balans staan. Bij elkaar is dat de stakingswinst, en die valt in box 1.

Belangrijk is dat u de koopsom per bedrijfsmiddel toerekent. Staat er in de koopovereenkomst geen prijs per onderdeel, dan moet de koopsom in redelijkheid worden verdeeld over de bezittingen en de goodwill. Legt u de verdeling wel vast, dan moet die met de werkelijkheid overeenkomen. De bewijslast ligt bij u, zeker als u later van de verdeling in de koopovereenkomst wilt afwijken. Onderbouw de verdeling daarom met taxaties op het moment dat u tekent, niet achteraf.

Welke faciliteiten verzachten de rekening in 2026?

Tegenover die afrekening staan drie regelingen die de belastingdruk verlagen of uitstellen.

  • In 2026 mag u maximaal 3.630 euro van de stakingswinst aftrekken. Die aftrek geldt eenmaal in uw leven, dus als u eerder al een onderneming hebt beëindigd, is hij mogelijk al gebruikt.
  • MKB-winstvrijstelling. Van de winst die overblijft na de ondernemersaftrek is in 2026 12,7 procent vrijgesteld. Die vrijstelling geldt ook over stakingswinst.
  • U mag een deel van de stakingswinst omzetten in een lijfrente en daarmee de belasting uitstellen tot het moment waarop de uitkeringen binnenkomen. In 2026 is dat maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro, afhankelijk van uw leeftijd, van arbeidsongeschiktheid en van het moment waarop de uitkeringen ingaan. Wat u al aan pensioen en lijfrente hebt opgebouwd, gaat van dat maximum af.

Aan de stakingslijfrente zitten twee harde voorwaarden. De premie moet uiterlijk zes maanden na afloop van het stakingsjaar zijn betaald of verrekend; het bedrag schuldig blijven is niet genoeg. En er mag geen sprake zijn van een vooraf afgesproken doorverkoop of van een op het moment van de overdracht al vaststaande liquidatie. Staat vast dat de onderneming kort daarna wordt opgeheven of dat de verkoop aan een derde vrijwel rond is, dan vervalt de aftrek volledig. De maatstaf is dus wat vaststaat, niet wat u van plan bent.

Verkoopt u alles, of een deel?

Het maakt fiscaal verschil of u de hele onderneming staakt of maar een deel. Bij een gedeeltelijke staking vervallen de stakingsaftrek en de doorschuifregeling, terwijl een herinvesteringsreserve juist alleen bij een gedeeltelijke staking in stand kan blijven. Van een gedeeltelijke staking is al sneller sprake dan ondernemers denken: ook de verkoop van alleen een deel van uw klantenbestand met wat inventaris telt mee, als uw onderneming daardoor in korte tijd duurzaam en flink kleiner wordt.

  Hele onderneming Deel van de onderneming
Stakingsaftrek ja, maximaal 3.630 euro nee
Stakingslijfrente ja ja
Herinvesteringsreserve nee, valt verplicht vrij mogelijk, als u nog wilt herinvesteren
Doorschuiven naar een nieuwe onderneming ja, op verzoek nee

 

Wilt u na de verkoop opnieuw ondernemen, dan kunt u de stakingswinst doorschuiven naar die nieuwe onderneming. U doet daarvoor een verzoek bij uw aangifte. U krijgt dan een conserverende aanslag, dat is een aanslag die wel wordt opgelegd maar die u nog niet hoeft te betalen, en u moet herinvesteren in het jaar van de staking of binnen twaalf maanden daarna, in een onderneming waaruit u zelf winst geniet. Let op: verliezen uit het verleden kunt u niet met dat doorgeschoven inkomen verrekenen. Hebt u nog te verrekenen verliezen, dan kan doorschuiven juist ongunstig uitpakken.

Twee posten die u makkelijk over het hoofd ziet

De eerste is de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u bedrijfsmiddelen mee waarop u investeringsaftrek hebt gehad, en zijn er sinds het begin van dat investeringsjaar nog geen vijf jaar verstreken, dan telt u hetzelfde percentage weer bij uw winst op zodra u in een jaar voor meer dan 2.900 euro desinvesteert. Meer dan u destijds hebt afgetrokken, wordt nooit bijgeteld. Vraag vóór de onderhandelingen een investeringsoverzicht van de laatste vijf jaar op en neem de uitkomst mee in de prijs.

De tweede is de herinvesteringsreserve, waarmee u de winst op een verkocht bedrijfsmiddel tijdelijk opzij zet om later opnieuw te investeren. Staat die nog op uw balans en staakt u de hele onderneming, dan valt de reserve verplicht vrij in de stakingswinst. Vergeet u dat, dan is het probleem niet weg: de Belastingdienst kan de reserve in een later jaar alsnog belasten, ook als uw onderneming dan feitelijk niet meer bestaat.

Wat betekent een share deal, en wie betaalt dan de belasting?

Verkoopt uw holding de aandelen? Dan geldt de deelnemingsvrijstelling

Houdt een holding-bv de aandelen in uw werk-bv, dan is de winst bij verkoop van die aandelen in beginsel onbelast. Dat komt door de deelnemingsvrijstelling, een regeling die voorkomt dat dezelfde winst twee keer met vennootschapsbelasting wordt belast. Zij geldt als de holding ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal van de werk-bv bezit. Dit is de reden dat een verkopende directeur-grootaandeelhouder (DGA) vrijwel altijd naar de share deal kijkt: de meerwaarde die bij een asset deal in de vennootschapsbelasting zou vallen, blijft nu buiten de heffing.

De keerzijde staat minder vaak in de presentatie van de adviseur. De opbrengst zit dan wel in de holding en niet op uw privérekening. Wilt u er privé over beschikken, dan volgt bij de uitkering alsnog heffing in box 2. En de kosten van de verkoop, van advocaat en notaris tot adviseurs en zelfs uw eigen interne uren, zijn bij de holding niet aftrekbaar. Dat aftrekverbod geldt alleen als de verkoop ook echt doorgaat. Ketst een transactie definitief af, dan zijn de kosten van dat traject in beginsel wel aftrekbaar. Verkoopt u de aandelen daarna alsnog aan een andere partij, dan moet per kostenpost worden beoordeeld of u die kosten ook zonder dat eerste traject had gemaakt. Kosten die pas een gevolg zijn van de verkoop, zoals een afscheidsbonus die u ná de overdracht toekent, vallen buiten het aftrekverbod. Leg daarom per factuur vast op welke transactie en op welke fase zij ziet; achteraf is dat niet meer te reconstrueren.

Houdt u de aandelen privé? Dan loopt de verkoop via box 2

Bezit u de aandelen rechtstreeks, zonder holding, dan is de verkoopwinst belast in box 2. Het belaste voordeel is de overdrachtsprijs min de verkrijgingsprijs, dat wil zeggen wat u destijds voor de aandelen hebt betaald. In 2026 betaalt u in box 2 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent over het meerdere.

Hier ligt precies het spiegelbeeld van de holdingsituatie: de kosten tellen in box 2 juist wél mee. Aankoopprovisie, honoraria van adviseurs en notariskosten verhogen de verkrijgingsprijs, en de verkoopkosten verlagen de overdrachtsprijs. De grens is dat de kosten in onmiddellijk verband met de verkrijging moeten staan. Betaalde schenkbelasting, kosten om de verkrijgingsprijs te laten vaststellen en rente over de periode dat u de aandelen hield, tellen niet mee.

Let op één valkuil. Is uw bv ooit ontstaan uit een geruisloze inbreng van een eenmanszaak, dan kan de verkrijgingsprijs negatief zijn. In dat geval wordt bij de verkoop meer belast dan u aan verkoopprijs ontvangt. Vraag daarom vóór de onderhandelingen op wat uw fiscale verkrijgingsprijs is.

Wanneer is de verkoop fiscaal een feit?

Voor box 2 telt niet de datum van de notariële akte, maar het moment waarop de koopovereenkomst perfect wordt en het economische belang overgaat. Bij een transactie rond de jaarwisseling bepaalt dat in welk jaar u de belasting betaalt. Werkt u met een opschortende voorwaarde, bijvoorbeeld een blokkeringsregeling in de statuten, dan verschuift het moment naar de vervulling van die voorwaarde.

Wat als de prijs later nog verandert?

Een nabetaling of earn-out, dat is een deel van de prijs dat pas later wordt betaald als het bedrijf bepaalde resultaten haalt, werkt in box 2 anders dan onder de deelnemingsvrijstelling. Bij de holding valt een latere prijsaanpassing gewoon onder de vrijstelling en blijft die dus onbelast. In box 2 wordt in het jaar van de verkoop de hele overdrachtsprijs belast, ook het deel dat u nog niet hebt ontvangen. Staat de prijs niet vast, dan maakt u een schatting. Valt de opbrengst hoger uit, dan wordt het meerdere belast zodra u het ontvangt. Valt zij lager uit, dan telt het nadeel pas mee bij de laatste termijn.

Wat daarbij de doorslag geeft, is de tekst van de koopovereenkomst. Voert u alleen uit wat u al had afgesproken, bijvoorbeeld een balansgarantie waarin u garandeert dat de balans klopt en de prijs daalt als dat niet zo blijkt, dan is verdedigbaar dat de correctie terugwerkt naar het jaar van verkoop en dat die aanslag wordt verminderd. Over dat punt lopen de opvattingen in de vakliteratuur uiteen, dus laat de tekst van zo’n garantie vooraf fiscaal beoordelen. Spreekt u later alsnog een nieuwe prijs af, dan valt het nadeel in het jaar van die nieuwe afspraak. Een prijsverlaging die jaren later wordt overeengekomen, moet bovendien zakelijk zijn en aantoonbaar; anders wordt zij niet geaccepteerd.

Verkoopt u aan familie, tegen een vriendenprijs?

Ontbreekt een tegenprestatie of is de prijs tot stand gekomen in een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan rekent de Belastingdienst met de waarde in het economische verkeer. De Hoge Raad legt daarbij de nadruk op de bedoeling om de ander te bevoordelen: is die er niet, dan is er geen reden voor correctie. Bij een verkoop binnen de familie is de vastgelegde onderbouwing van de prijs daarom uw hele verweer. Leg de onderhandelingen en de waardering schriftelijk vast.

Rekenvoorbeeld: wat scheelt de routekeuze in de praktijk?

Stel: uw bedrijf is 800.000 euro waard. De fiscale boekwaarde van de bezittingen is 300.000 euro, dus er zit 500.000 euro aan meerwaarde en goodwill in. U hebt de AOW-leeftijd nog niet bereikt en verder geen ander inkomen in box 1. De bedragen hieronder zijn afgerond en dienen ter illustratie; uw eigen uitkomst hangt af van uw overige inkomen, uw leeftijd en de afspraken in de koopovereenkomst.

Figuur 3 laat eerst stap voor stap zien hoe die 500.000 euro bij een eenmanszaak tot een aanslag leidt.

Figuur 3: van meerwaarde naar aanslag bij een eenmanszaak, met de stakingsaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de stakingslijfrente.

Route Belasting bij de verkoop Toelichting
Eenmanszaak, activatransactie afgerond 204.400 euro in box 1 stakingswinst 500.000 euro, min 3.630 euro stakingsaftrek, min 12,7 procent MKB-winstvrijstelling, dus 433.331 euro belastbaar
Bv verkoopt de onderneming 115.400 euro vennootschapsbelasting boekwinst 500.000 euro: 19 procent over de eerste 200.000 euro en 25,8 procent over de rest. Het geld zit daarna nog in de bv
Holding verkoopt de aandelen 0 euro bij de holding deelnemingsvrijstelling. De verkoopkosten zijn niet aftrekbaar en bij uitkering naar privé volgt nog box 2
DGA verkoopt de aandelen privé afgerond 204.800 euro in box 2 opbrengst 800.000 euro, min 25.000 euro verkoopkosten, min 100.000 euro verkrijgingsprijs, dus 675.000 euro belast tegen 24,5 en 31 procent

 

Twee dingen vallen op. De eerste route en de laatste komen toevallig bijna op hetzelfde bedrag uit, maar de weg ernaartoe verschilt volledig; bij de eenmanszaak kunt u de rekening bijvoorbeeld nog verlagen met een stakingslijfrente. Zet u in het eerste voorbeeld 143.732 euro om in een lijfrente, dan daalt de aanslag naar afgerond 133.300 euro. Dat is uitstel, geen afstel: over de latere uitkeringen betaalt u alsnog belasting. Figuur 4 zet de vier uitkomsten naast elkaar.

Figuur 4: de belasting bij de verkoop per route, bij een bedrijfswaarde van 800.000 euro en een boekwaarde van 300.000 euro.

Het tweede punt is dat de holdingroute in de tabel en in figuur 4 op nul lijkt uit te komen, maar dat niet is. Het geld staat dan in uw holding. Haalt u het naar privé, dan komt de box 2-heffing er alsnog achteraan. De vergelijking is dus pas eerlijk als u meeneemt wanneer en waarvoor u het geld nodig hebt.

Moet u btw rekenen over een asset deal?

Meestal niet, en dat is geen keuze maar een wettelijke regel. Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan wordt geacht dat er geen levering of dienst plaatsvindt. De koper treedt voor de btw in uw plaats. Die regel geldt van rechtswege zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Er zijn twee voorwaarden. Ten eerste moet u een geheel overdragen waarmee de koper zelfstandig een economische activiteit kan uitoefenen. De verkoop van alleen een voorraad producten of van losse machines valt daar niet onder. Blijft een onderdeel achter dat noodzakelijk is om de onderneming te drijven, dan is het geen algemeenheid meer. Of u het bedrijfspand in eigendom of in huur overdraagt, maakt niet uit; ook een huurrecht kan volstaan, mits het echt meegaat. Ten tweede moet de koper op het moment van de overdracht de bedoeling hebben om de onderneming voort te zetten en niet om haar meteen op te heffen en leeg te verkopen.

Brengt u toch btw in rekening terwijl deze regel geldt, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. De Belastingdienst kan die btw onder omstandigheden zelfs bij de koper naheffen. Dat is een discussie die u eenvoudig voorkomt: leg de voortzettingsbedoeling van de koper schriftelijk vast in de koopovereenkomst. Verplicht is dat niet, maar het kost niets en het is achteraf uw bewijs.

Twee aandachtspunten blijven. Btw-schulden die zijn ontstaan vóór de overdracht kunnen alleen bij u worden nageheven, niet bij de koper, en afspraken die u met de Belastingdienst hebt gemaakt gaan niet mee over. Laat lopende contracten bovendien intact meegaan in plaats van ze te beëindigen en de koper nieuwe te laten sluiten: doet u dat wel, dan kan de regeling alsnog niet van toepassing zijn.

Wanneer roept de verkoop overdrachtsbelasting op?

Zit er onroerend goed in de transactie, dan verdient de overdrachtsbelasting een eigen controle. In 2026 is het algemene tarief 10,4 procent en geldt voor woningen die niet als eigen hoofdverblijf worden gebruikt 8 procent.

Het verrassende nadeel bij een asset deal

Omdat bij een kwalificerende asset deal voor de btw geen levering plaatsvindt, kunt u ook geen beroep meer doen op de samenloopvrijstelling die dubbele heffing van btw en overdrachtsbelasting voorkomt. Er bestaat een goedkeuring die dit repareert, maar die kent eigen voorwaarden. Zit er vastgoed in de deal, laat dit dan vooraf toetsen. Het is een van de weinige punten waarop een fiscaal gunstige btw-behandeling tot een hogere rekening elders leidt.

Ook een aandelenverkoop kan belast zijn

Verkoopt u aandelen in een vennootschap die vooral vastgoed bezit, dan kan die verkoop toch overdrachtsbelasting oproepen. De wet merkt zo’n vennootschap aan als onroerendezaakrechtspersoon. Daarvoor moeten drie horden worden genomen. De bezittingen moeten voor meer dan 50 procent uit onroerende zaken bestaan en tegelijk voor ten minste 30 procent uit Nederlands vastgoed, gemeten naar de werkelijke waarde en niet naar de boekwaarde. Die onroerende zaken moeten voor ten minste 70 procent van hun waarde dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren daarvan; de feitelijke activiteiten tellen, niet de omschrijving in de statuten. En de koper moet een kwalificerend belang bereiken, in de regel ten minste een derde.

Voor de meeste MKB-bedrijven pakt dit gunstig uit: een gewone werk-bv met een eigen bedrijfspand valt hierbuiten, omdat het pand dienstbaar is aan de onderneming en niet aan de exploitatie van vastgoed. Een vastgoed-bv die aan derden verhuurt, valt er juist onder. Twee dingen zijn dan van belang. Er geldt een terugblik van een jaar, dus de balans tijdelijk verwateren met liquide middelen werkt niet. En verkopen in twee tranches helpt evenmin: verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde koper en zijn naaste kring worden bij elkaar opgeteld, zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Bij een belaste verkrijging van aandelen doet niet de notaris maar de koper zelf aangifte.

Eerst een bv tussen uzelf en uw onderneming zetten?

Wie een eenmanszaak heeft en fiscaal liever een share deal doet, kan de onderneming eerst inbrengen in een bv en daarna de aandelen verkopen. Dat kan geruisloos, dus zonder direct af te rekenen. Er zit alleen een stevige rem op. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng, dan geldt het vermoeden dat de inbreng onderdeel was van een plan om de onderneming over te dragen, en dan vervalt de faciliteit. U mag tegenbewijs leveren, maar de bewijslast ligt volledig bij u. De termijn begint te lopen op de oprichtingsdatum van de bv. Figuur 5 laat die route en die termijn zien.

 Figuur 5: eerst een bv tussen uzelf en de onderneming zetten en daarna de aandelen verkopen, met de driejaarstermijn na de inbreng.

Het alternatief is een ruisende inbreng: u rekent direct af, zet de stakingswinst om in een stakingslijfrente en de bv mag daarna afschrijven over de hogere waarde. De vuistregel uit de vakliteratuur is eenvoudig. Past de stakingswinst binnen de ruimte voor lijfrenteaftrek, dan is een ruisende inbreng meestal de betere keuze. Is de stakingswinst hoger, dan komt de geruisloze inbreng in beeld. Reken beide varianten door voordat u een letter of intent tekent.

Zit uw onderneming al in een concern, dan gelden vergelijkbare wachttijden. Is binnen een fiscale eenheid, waarbij meerdere bv’s samen één aangifte doen, vermogen met een meerwaarde verschoven en wordt de betrokken vennootschap daarna verkocht, dan volgt herwaardering naar de werkelijke waarde, tenzij er zes jaar zijn verstreken. Alleen als een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan is overgedragen tegen uitgifte van nieuwe aandelen, geldt een kortere termijn van drie jaar; die eis van uitgifte van aandelen is hard. Die sanctie kent geen tegenbewijs. Bij een verkoop onder ontbindende voorwaarden begint de klok bovendien later te lopen dan de koopovereenkomst suggereert, namelijk pas als vaststaat dat aan alle voorwaarden is voldaan. De les is steeds dezelfde: herstructureer vóórdat een verkoopproces begint, niet erna.

Draagt u over aan uw kind? Dan is verkopen vaak niet de route

Gaat het bedrijf naar de volgende generatie, dan is de vraag niet asset of share, maar verkopen of doorschuiven. Bij vererving en bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen, dat wil zeggen een belang van ten minste 5 procent in een bv, kunt u samen met de verkrijger verzoeken de overgang niet als vervreemding aan te merken, voor zover de waarde is toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. U rekent dan niet af; de claim schuift door naar uw kind. Bij schenking geldt sinds 1 januari 2025 dat de verkrijger 21 jaar of ouder moet zijn; de oude eis van 36 maanden dienstbetrekking is vervallen.

Beleggingsvermogen gaat niet mee. Als ondernemingsvermogen telt het vermogen dat aan de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met beleggingsvermogen tot ten hoogste 5 procent daarvan. Panden die u meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking stelt, vallen erbuiten, net als bedrijfsmiddelen met een waarde van 103.000 euro of meer die u voor meer dan een klein deel privé gebruikt. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als privégebruik. Let er verder op dat de doorschuifregeling in box 2 zelf geen bezits- of voortzettingseis kent; die eisen gelden in de schenk- en erfbelasting, waar de voortzettingstermijn per 1 januari 2026 is verkort van vijf naar drie jaar.

Welke risico’s blijven na de verkoop bij u liggen?

Met de handtekening onder de akte bent u er niet. Vier regelingen lopen door, en juist die worden in de prijsonderhandeling het vaakst vergeten. Figuur 6 zet de termijnen op een rij.

Figuur 6: de aansprakelijkheden en termijnen die na de overdracht doorlopen.

Aansprakelijkheid bij verkoop van een kasrijke of beleggende bv

Verkoopt u, samen met uw partner en bloedverwanten in de rechte lijn, een belang van ten minste een derde in een vennootschap waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen bestaan, en liquide middelen tellen daarbij mee, dan kunt u nog jaren na de verkoop aansprakelijk worden gesteld. Het gaat om de volledige vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop, ongeacht waar die winst vandaan komt, plus de vennootschapsbelasting over de drie jaren daarna voor zover die samenhangt met de reserves die op het moment van verkoop in de bv zaten.

Die aansprakelijkheid ontstaat alleen als het vermogen van de vennootschap buiten de normale bedrijfsvoering is verminderd, in de vijf jaar vóór, in het jaar van of in de drie jaar na de verkoop. Een gewone winstuitkering of de betaling van vennootschapsbelasting telt daar niet voor mee. De omvang van de onttrekking is echter niet relevant: in beginsel kan één euro al genoeg zijn om de aansprakelijkheid in werking te zetten. De mogelijkheid om u vrij te pleiten is sinds 2015 sterk versmald en de bewijslast ligt bij u. Zij geldt alleen nog voor een deel van de reserves, en dan nog alleen als de zaken en rechten waarop die reserves zien na de verkoop ten minste zes maanden in de bv blijven.

Twee maatregelen hebben in de rechtspraak geholpen. De eerste is uitvoerig en aantoonbaar onderzoek naar de achtergrond van de koper en naar zijn plannen met de aankoop. De tweede is het bedrag aan latent verschuldigde vennootschapsbelasting via de kwaliteitsrekening van de notaris aan de vennootschap betalen. Die rechtspraak dateert wel van vóór de aanscherping van 15 september 2015, dus onder het huidige recht bieden deze maatregelen minder zekerheid dan destijds. Ze blijven niettemin het beste dat u kunt doen. Leg vóór de overdracht schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht: dat dossier is achteraf uw enige verweer.

Aansprakelijkheid uit een fiscale eenheid

Maakte de verkochte bv deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan blijft zij hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting van de hele eenheid over de periode waarin zij daarvan deel uitmaakte. Hoofdelijk aansprakelijk betekent dat de Belastingdienst de hele schuld bij haar kan opeisen. De wet regelt niet wie dat uiteindelijk draagt, dus dat moet in de koopovereenkomst worden afgesproken. Bestond er een fiscale eenheid voor de btw, dan geldt daar een aansprakelijkheid zonder ontsnappingsmogelijkheid, die pas eindigt als de bv feitelijk niet meer tot die eenheid behoort én u de inspecteur daarover schriftelijk hebt geïnformeerd. Zet die melding op de checklist voor de dag van de overdracht.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Treedt u bij de overdracht af als bestuurder, dan bent u niet van uw verleden af. U blijft aansprakelijk voor belastingschulden die tijdens uw bestuur zijn ontstaan, ook als de aanslag pas veel later wordt opgelegd. Kan de vennootschap in die periode niet betalen, dan moet dat onverwijld bij de ontvanger zijn gemeld, in de praktijk uiterlijk twee weken na de dag waarop betaald had moeten worden.

Wat regelt u civielrechtelijk en voor uw personeel?

Hier zit het praktische verschil tussen de twee routes, en het is precies omgekeerd aan het fiscale beeld.

Bij een share deal gaat er één ding over: het aandeel, geleverd bij notariële akte. Wel moet u eerst de blokkeringsregeling in de statuten volgen, de bepaling die u meestal verplicht de aandelen eerst aan uw mede-aandeelhouders aan te bieden. Een overdracht in strijd met zo’n statutaire beperking is ongeldig.

Bij een asset deal moet elk vermogensbestanddeel afzonderlijk worden geleverd. Onroerende zaken gaan via een notariële akte met inschrijving in de openbare registers, vorderingen via een akte met mededeling aan de debiteur. Schulden gaan alleen over als de schuldeiser toestemming geeft, en een contract gaat alleen over met medewerking van de wederpartij. Daar zit de pijn: change-of-controlbepalingen, huurcontracten, leases, vergunningen en licenties moeten stuk voor stuk worden nagelopen. Begin daar vroeg mee, want het duurt vrijwel altijd langer dan gepland.

Voor uw medewerkers geldt het omgekeerde. Bij een asset deal die kwalificeert als overgang van onderneming gaan de arbeidsovereenkomsten van rechtswege mee over, en blijft u nog een jaar hoofdelijk verbonden voor verplichtingen van vóór de overgang. Pensioen kent een eigen regime. Bij een share deal blijft de bv gewoon de werkgever en verandert er arbeidsrechtelijk niets. Bij beide routes geldt wel het adviesrecht van de ondernemingsraad. Het advies moet worden gevraagd op een moment waarop het nog invloed kan hebben op uw besluit, en wijkt u van het advies af, dan moet u de uitvoering een maand opschorten. Hebt u geen ondernemingsraad, dan informeert u de medewerkers zelf over het besluit, de datum, de reden en de gevolgen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de route vroeg. De keuze tussen asset deal en share deal vraagt vaak jaren voorbereiding. Begin het gesprek voordat een koper zich meldt, niet erna.
  • Laat het bedrijf waarderen. Zonder een onderbouwde waardering weet u niet hoe groot de meerwaarde is en kunt u de routes niet vergelijken.
  • Vraag uw verkrijgingsprijs op. Bij een verkoop in box 2 bepaalt de verkrijgingsprijs de heffing. Na een geruisloze inbreng kan die negatief zijn.
  • Check de stakingsaftrek. Die geldt eenmaal in uw leven. Laat oude aangiften nakijken als u eerder een onderneming hebt beëindigd.
  • Reken de lijfrenteruimte door. Doe dat voordat de overdrachtsdatum vastligt, en houd rekening met de betaaltermijn van zes maanden na afloop van het stakingsjaar.
  • Haal het investeringsoverzicht op. Investeringsaftrek uit de laatste vijf jaar kan een desinvesteringsbijtelling opleveren die de opbrengst verlaagt.
  • Leg de koopprijsverdeling vast. Verdeel de koopsom per bedrijfsmiddel en onderbouw dat met taxaties op het moment van tekenen.
  • Beoordeel de btw. Gaat een hele onderneming over, dan mag u geen btw factureren. Leg de voortzettingsbedoeling van de koper vast in de overeenkomst.
  • Toets het vastgoed apart. Zit er onroerend goed in de deal, controleer dan de samenloop met de overdrachtsbelasting en of de bv als onroerendezaakrechtspersoon geldt.
  • Bewaak de wachttijden. Drie jaar na een geruisloze inbreng, en drie of zes jaar na een interne overdracht binnen een fiscale eenheid. Hebt u eerder een bedrijfsfusie of afsplitsing gedaan, waarbij een onderdeel van uw bedrijf naar een andere bv is verplaatst, laat dan vóór de verkoop toetsen of de fiscale faciliteit in stand blijft; de rechtspraak op dat punt is in 2026 gewijzigd.
  • Documenteer de koper. Verkoopt u een bv met veel beleggingen of spaargeld, leg dan schriftelijk vast wat u over de koper hebt onderzocht.
  • Meld het einde van een btw-eenheid. Zonder schriftelijke melding aan de inspecteur loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid gewoon door.
  • Vraag de ondernemingsraad tijdig om advies. Of informeer uw medewerkers als er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is.

 

Veelgestelde vragen

Is een share deal altijd voordeliger voor de verkoper?

Nee. Voor een DGA met een holding is de share deal meestal het gunstigst, omdat de deelnemingsvrijstelling de verkoopwinst vrijstelt. Maar de opbrengst zit dan in de holding en bij uitkering naar privé volgt alsnog box 2. Hebt u een eenmanszaak, dan bestaat de keuze niet en is de vraag vooral of u vooraf een bv tussen uzelf en de onderneming zet.

Moet u btw rekenen als u uw onderneming verkoopt?

Draagt u een hele onderneming of een zelfstandig deel daarvan over aan iemand die de activiteit voortzet, dan geldt van rechtswege dat er geen levering plaatsvindt en mag u geen btw factureren. Doet u dat toch, dan bent u die btw verschuldigd en kan de koper haar niet aftrekken. Bij een aandelenverkoop speelt dit niet, omdat de bv dezelfde ondernemer blijft.

Kunt u de belasting over de stakingswinst uitstellen?

Ja, op twee manieren. U kunt de stakingswinst omzetten in een lijfrente, in 2026 tot maximaal 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro afhankelijk van uw situatie. Of u schuift de winst door naar een nieuwe onderneming, mits u binnen twaalf maanden herinvesteert. Beide routes stellen de heffing uit; ze stellen haar niet af.

Zijn uw advieskosten bij de verkoop aftrekbaar?

Dat hangt af van de route. Verkoopt uw holding de aandelen, dan zijn de aan- en verkoopkosten niet aftrekbaar, ook niet uw eigen interne uren. Verkoopt u de aandelen privé, dan verlagen de verkoopkosten juist uw belaste voordeel in box 2. Bij een asset deal zijn transactiekosten in beginsel gewone ondernemingskosten.

Kunt u na de verkoop nog aansprakelijk worden gesteld?

Ja. Verkoopt u aandelen in een bv waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer uit beleggingen of liquide middelen bestaan, dan kunt u aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting van die bv over het jaar van verkoop en de drie jaren daarna. Ook aansprakelijkheden uit een fiscale eenheid en uit uw bestuursperiode lopen door. Onderzoek naar de koper en goede contractuele afspraken beperken dat risico.

U wilt uw bedrijf overdragen aan uw kind. Geldt dit artikel dan ook?

Gedeeltelijk. Bij een overdracht binnen de familie is doorschuiven meestal aantrekkelijker dan verkopen. Bij vererving en schenking van aanmerkelijkbelangaandelen kunt u de box 2-claim doorschuiven voor zover die ziet op het ondernemingsvermogen. Bij schenking moet uw kind 21 jaar of ouder zijn. Beleggingsvermogen gaat niet mee.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze tussen een asset deal en een share deal is vrijwel altijd het duurste besluit van een verkooptraject, en de beste beslissing neemt u jaren voordat de koper zich meldt. Taxcount rekent beide routes voor u door op basis van uw eigen cijfers, brengt de meerwaarde en de fiscale reserves in kaart en laat zien wat een geruisloze of ruisende inbreng in uw situatie oplevert. Wij toetsen de btw-behandeling, de samenloop met de overdrachtsbelasting bij vastgoed, de wachttijden na een eerdere herstructurering en de aansprakelijkheden die na de overdracht doorlopen. Ook de fiscale bepalingen in de koopovereenkomst nemen wij met u door, van de koopprijsverdeling tot de earn-out en de balansgarantie.

Overweegt u de komende jaren te verkopen of ligt er al een bod op tafel? Laat uw situatie dan vrijblijvend beoordelen, zodat u weet welke route in uw geval het meeste oplevert en welke stappen u nu al moet zetten.

Dit artikel bevat algemene informatie over de verkoop van een onderneming en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempelbedragen en termijnen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie, uw rechtsvorm en de afspraken in de koopovereenkomst. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u een transactie aangaat.

Zie ook:

Heffingskortingen in 2026: zo zorg je dat je geen korting op je belasting misloopt

Bijna iedereen die in Nederland belasting betaalt, heeft recht op heffingskortingen: kortingen die je belastingaanslag rechtstreeks verlagen. Toch laten veel mensen elk jaar geld liggen, omdat een deel van die kortingen alleen bij je terechtkomt als je er zelf om vraagt. In dit artikel lees je welke heffingskortingen er in 2026 zijn, hoeveel ze bedragen en, belangrijker nog, hoe je voorkomt dat een korting verloren gaat. We leggen uit waarom je zonder aangifte een teruggaaf kunt mislopen, wat er misgaat bij twee banen en welke ruimte je als ondernemer, DGA of partner hebt om meer uit je kortingen te halen. Zo weet je precies wat je praktisch moet regelen.

Wat is een heffingskorting?

Je belasting wordt in twee stappen berekend. Eerst wordt de belasting over box 1, 2 en 3 bij elkaar opgeteld. Daarna gaan de heffingskortingen daarvan af. Een heffingskorting verlaagt dus niet je inkomen, maar direct het bedrag dat je aan belasting en premies betaalt. Eén euro korting is één euro minder betalen. Dat maakt heffingskortingen waardevoller dan een aftrekpost van hetzelfde bedrag.

De meeste heffingskortingen zijn inkomensafhankelijk. Ze bouwen op naarmate je meer werkt, of ze bouwen juist af naarmate je inkomen stijgt. Daardoor verandert het bedrag dat je krijgt van jaar tot jaar met je situatie.

Welke heffingskortingen zijn er in 2026?

De wet kent zeven heffingskortingen. Samen vormen zij de standaardheffingskorting. Niet iedereen heeft recht op alle zeven; het hangt af van je inkomen, je leeftijd en je gezinssituatie. Het overzicht hieronder laat de belangrijkste bedragen voor 2026 zien, en of de korting al automatisch in je loon wordt verwerkt (zie figuur 1).

Figuur 1: De zeven heffingskortingen in 2026 met hun maximumbedragen en of ze automatisch in je loon zitten. De twee blauw gemarkeerde kortingen, de combinatiekorting en de korting groene beleggingen, moet je zelf aanvragen.

De twee bekendste kortingen zijn de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De algemene heffingskorting krijgt vrijwel iedere belastingplichtige. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.115 euro en daalt met 6,398% van het deel van je verzamelinkomen boven 29.736 euro. Vanaf een inkomen van ongeveer 78.400 euro is zij nihil. De arbeidskorting krijg je als je werkt. Zij loopt op tot maximaal 5.685 euro en daalt daarna met 6,51% van het arbeidsinkomen boven 45.592 euro, tot zij bij ongeveer 132.900 euro op nihil uitkomt.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is er voor werkende ouders met een jong kind. Zij bedraagt in 2026 maximaal 3.032 euro. De ouderenkorting (maximaal 2.067 euro) en de alleenstaande ouderenkorting (540 euro) gelden vanaf de AOW-leeftijd. De jonggehandicaptenkorting (923 euro) is er voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering. De korting voor groene beleggingen is klein (ongeveer 27 euro per persoon) en verdwijnt bovendien na 2027, dus alleen 2026 is nog interessant.

Waarom je nooit meer korting krijgt dan je aan belasting betaalt

Er zit een rem op de heffingskortingen. Je krijgt nooit meer korting dan het bedrag dat je werkelijk aan belasting en premies verschuldigd bent. Wie weinig inkomen heeft, kan zijn korting dus niet helemaal benutten. Het deel dat je niet kunt gebruiken, vervalt. Dat treft vooral mensen met een laag inkomen, en het kan ook gebeuren als je een grote aftrekpost of een verlies in mindering brengt: daardoor daalt de belasting die je verschuldigd bent, en daarmee de ruimte om kortingen tegen af te zetten.

Er is één uitzondering. Verdien je weinig en heeft je partner een goed inkomen, dan kan de algemene heffingskorting soms via je partner worden uitbetaald. Sinds 2023 geldt die uitbetaling alleen nog voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1963. Voor jongere partners vervalt de onbenutte korting. Volgens de plannen van het kabinet komt er vanaf naar verwachting 2028 een gedeeltelijke uitbetaling terug voor jongere partners, maar dat is nu nog geen geldend recht.

De grootste gemiste kans: een teruggaaf die je zelf moet ophalen

Je werkgever of uitkeringsinstantie verwerkt een deel van je heffingskortingen al maandelijks in de loonheffing. Dat gebeurt alleen als je daarvoor een verzoek hebt gedaan, en het mag maar bij één werkgever tegelijk. Wat er te veel is ingehouden, is een voorheffing die je met je aanslag verrekent. Maar dat gaat niet vanzelf: zonder aangifte of voorlopige teruggaaf wordt dat bedrag niet aan je uitbetaald. Bij een teruggaaf van 18 euro of minder blijft de aanslag zelfs op nul staan.

Dit is de meest voorkomende gemiste kans. Wie een deel van het jaar heeft gewerkt, bij geen enkele werkgever de korting liet toepassen, of een korting heeft die niet in het loon zit, heeft vaak recht op geld terug. Vooral scholieren, studenten, seizoenswerkers en herintreders lopen zo elk jaar een teruggaaf mis. Herken je een van de vier situaties hierna, dan is aangifte doen de moeite waard (zie figuur 2).

Figuur 2: Vier situaties waarin je een teruggaaf kunt mislopen. Herken je er één, dan levert een aangifte of een voorlopige teruggaaf je geld op; zonder aangifte betaalt de Belastingdienst het te veel ingehouden bedrag niet uit.

Het goede nieuws: je kunt tot vijf jaar terug alsnog aangifte doen. Voor 2026 betekent dat dat de jaren 2021 tot en met 2026 nog openstaan (zie figuur 3). Een aangifte binnen die termijn verplicht de Belastingdienst om een aanslag op te leggen en de te veel ingehouden belasting terug te betalen. Dat kan zomaar vijf keer hetzelfde bedrag opleveren in plaats van één keer. Let op: ligt er over dat jaar al een definitieve aanslag, dan is herstel nog steeds mogelijk, maar loopt het via een verzoek om ambtshalve vermindering; dat verzoek moet binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar bij de Belastingdienst binnen zijn.

Figuur 3: Over de jaren 2021 tot en met 2026 kun je nog aangifte doen, zolang er over dat jaar nog geen definitieve aanslag ligt. Jaren ouder dan vijf jaar zijn gesloten. Elk jaar schuift deze termijn een jaar op.

Kortingen die niet in je loon zitten

Twee kortingen worden nooit automatisch in de loonheffing verwerkt: de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de korting voor groene beleggingen. Die krijg je dus alleen via de aangifte of een voorlopige teruggaaf. Een ouder met een kind onder de 12 jaar en een lager arbeidsinkomen dan de partner loopt zonder aangifte tot 3.032 euro mis. Dat is geen klein bedrag, en het is puur een kwestie van het op de juiste plek invullen.

Ook de jonggehandicaptenkorting en sommige verschillen tussen loon en aangifte moet je soms zelf rechttrekken. Wie recht heeft op een Wajong-uitkering, heeft recht op de jonggehandicaptenkorting, ook als die niet in het loon is verwerkt. Bewaar in dat geval de stukken van het UWV waaruit dat recht blijkt.

Meer halen uit je kortingen als partners

Heb je een fiscale partner, dan kunnen jullie samen sturen. Je mag een aantal inkomsten en aftrekposten vrij tussen jullie beiden verdelen: de eigen woning, box 2-inkomen, de grondslag van box 3 en de persoonsgebonden aftrek. Door slim te verdelen kun je de heffingskortingen van de partner met het laagste inkomen activeren en tegelijk voorkomen dat de algemene heffingskorting van de andere partner te ver wordt afgebouwd. Die keuze maak je elk jaar opnieuw bij de aangifte, en je mag haar nog wijzigen zolang beide aanslagen niet definitief vaststaan.

Voor een DGA speelt daarnaast de verhouding tussen loon en dividend. Omdat ook de belasting over box 2 en box 3 meetelt bij het bepalen van de ruimte voor je kortingen, kan een DGA met een laag salaris zijn korting soms alsnog benutten door in dat jaar dividend uit te keren. Laat die afweging altijd doorrekenen, want het samenspel met andere regelingen is gevoelig.

Let op bij twee banen, een verhuizing of de AOW-leeftijd

Twee banen of uitkeringen tegelijk

De loonheffingskorting mag maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie lopen. Laat je de korting bij twee werkgevers tegelijk toepassen, dan is er te weinig belasting ingehouden en volgt een bijbetaling op je aanslag. Laat je de korting bij niemand toepassen, dan betaal je het jaar door te veel en moet je het via de aangifte terugvragen. Kies dus bewust bij welke werkgever de korting loopt.

Verhuizing van of naar het buitenland

Woon je niet het hele jaar in Nederland, dan wordt je heffingskorting naar tijd herrekend. Een eerder aangevraagde voorlopige teruggaaf klopt dan vaak niet meer. Laat die in het jaar van verhuizing opnieuw bekijken.

Het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt

In het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt, verandert je premieplicht en daarmee de opbouw van je kortingen. Ook hier geldt: controleer of je voorlopige teruggaaf nog klopt, zodat je achteraf niet hoeft bij te betalen.

Werken in Nederland en wonen over de grens

Woon je in het buitenland en werk of onderneem je in Nederland, dan krijg je dezelfde kortingen als een inwoner alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent. De belangrijkste voorwaarde is dat je 90% of meer van je inkomen in Nederland verdient en in de EU, de EER, Zwitserland of op de BES-eilanden woont. Sinds 1 januari 2026 is de inkomensverklaring van je woonland geen harde voorwaarde meer; je mag ook op andere manieren aantonen dat je aan de eis voldoet. Zit je net onder de 90%, laat je situatie dan beoordelen, want er lopen procedures die het strikte 90%-criterium ter discussie stellen.

Praktische checklist: zo benut je jouw heffingskortingen

  • Doe aangifte, ook als het niet hoeft. Heb je maar een deel van het jaar gewerkt of geen korting laten toepassen, dan staat er vaak een teruggaaf klaar die je alleen via de aangifte ontvangt.
  • Kijk vijf jaar terug. De jaren 2021 tot en met 2026 staan nog open. Controleer of u over eerdere jaren nog een teruggaaf kunt claimen, met een aangifte als er nog geen aanslag ligt en anders met een verzoek om ambtshalve vermindering.
  • Vraag de combinatiekorting actief aan. Heb je een kind onder de 12 jaar en werk je met een lager inkomen dan je partner? Deze korting zit niet in je loon en loopt tot 3.032 euro.
  • Laat de loonheffingskorting maar bij één werkgever lopen. Zo voorkom je een bijbetaling bij twee banen of uitkeringen tegelijk.
  • Verdeel slim met je partner. Verdeel eigen woning, box 2, box 3 en aftrekposten zo dat beide partners hun kortingen benutten. De keuze mag elk jaar opnieuw.
  • Herzie je voorlopige teruggaaf bij een levensgebeurtenis. Bij verhuizing, de AOW-leeftijd of een nieuwe baan verandert je korting; pas de voorlopige teruggaaf tijdig aan.
  • Bewaar bewijsstukken. Denk aan UWV-stukken bij de jonggehandicaptenkorting en, bij wonen in het buitenland, aan bewijs van je Nederlandse inkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een heffingskorting en een aftrekpost?

Een aftrekpost verlaagt je belastbare inkomen; het voordeel hangt af van je tarief. Een heffingskorting verlaagt rechtstreeks je belasting: één euro korting is altijd één euro minder betalen.

Krijg ik heffingskortingen automatisch?

Een deel wel, via je loon. Maar de combinatiekorting en de korting groene beleggingen zitten niet in je loon, en te veel ingehouden belasting wordt pas terugbetaald na een aangifte of voorlopige teruggaaf. Zonder actie loop je die mis.

Ik heb weinig verdiend. Krijg ik dan alle korting?

Niet altijd. Je krijgt nooit meer korting dan je aan belasting en premies betaalt. Bij een laag inkomen vervalt het deel dat je niet kunt benutten, tenzij de uitbetaling via je partner mogelijk is.

Kan ik een gemiste korting nog terugvragen?

Ja, tot vijf jaar terug. Ligt er nog geen aanslag, dan doet u alsnog aangifte; is de aanslag al definitief, dan dient u binnen die vijf jaar een verzoek om ambtshalve vermindering in. Voor 2026 staan de jaren 2021 tot en met 2026 nog open.

Waarom moet ik bijbetalen terwijl ik korting heb?

Dat gebeurt meestal als je bij twee werkgevers tegelijk de loonheffingskorting liet toepassen. Er is dan te weinig belasting ingehouden en het verschil komt op je aanslag.

Ik woon in het buitenland en werk in Nederland. Heb ik recht op de kortingen?

Alleen als je kwalificerend buitenlands belastingplichtige bent: kort gezegd, minstens 90% van je inkomen in Nederland belast en wonend in de EU, EER, Zwitserland of op de BES-eilanden. Zit je er net onder, laat je situatie dan beoordelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

De regels rond heffingskortingen zijn eenvoudig in principe, maar de winst zit in de details: welke korting je misloopt, of een aangifte over een oud jaar nog loont, hoe je met je partner verdeelt en hoe je een bijbetaling voorkomt. Taxcount rekent je situatie door, controleert of er over de afgelopen vijf jaar nog een teruggaaf te halen is en zorgt dat je geen korting laat liggen. Voor ondernemers, DGA’s en grensarbeiders kijken we naar het samenspel met je overige inkomsten. Wil je weten of je alles uit je heffingskortingen haalt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de familie- en samenwerkingssfeer: zo draag je een bedrijfspand over zonder belasting

Draag je je bedrijf over aan je kind, ga je samenwerken in een maatschap of vof, of zet je je eenmanszaak om in een bv? Vaak zit er dan een bedrijfspand of stuk grond in het bedrijf. Over de overgang van vastgoed betaal je normaal overdrachtsbelasting, en dat kan bij een bedrijfspand flink oplopen. Toch hoef je dat in veel familie- en samenwerkingssituaties niet. De wet kent een aantal vrijstellingen die de belasting achterwege laten, mits je het bedrijf echt voortzet en je jezelf meestal nog drie jaar aan de onderneming verbonden houdt. In dit artikel lees je wanneer een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting geldt, welke voorwaarden er zijn en waar je in 2026 op moet letten.

Wanneer betaal je overdrachtsbelasting?

Koop of krijg je een gebouw of grond in Nederland, dan betaal je meestal overdrachtsbelasting. Je berekent die belasting over de waarde van de onroerende zaak. Het tarief hangt af van het soort object. Voor een bedrijfspand of grond geldt in 2026 het algemene tarief van 10,4%. Voor een woning die je zelf gaat bewonen geldt 2%, en voor een andere woning (bijvoorbeeld voor de verhuur) sinds 2026 8%.

Soort onroerende zaak (2026) Tarief
Woning die je zelf als hoofdverblijf gaat bewonen 2%
Andere woning (bijvoorbeeld verhuur of tweede woning) 8%
Bedrijfspand, grond en overige onroerende zaken 10,4%

Bij een bedrijfspand van bijvoorbeeld 500.000 euro betekent het algemene tarief dus al 52.000 euro belasting. Een vrijstelling kan dat hele bedrag besparen (zie figuur 1). In drie familie- en samenwerkingssituaties hoef je die belasting niet te betalen.

Figuur 1: de overdrachtsbelasting op een bedrijfspand van 500.000 euro met en zonder vrijstelling, plus de overdrachtsbelastingtarieven voor 2026.

De drie vrijstellingen op een rij

In drie situaties laat de wet de overdrachtsbelasting achterwege: bij een overname binnen de familie, bij het inbrengen of omzetten van je onderneming, en bij het uit elkaar gaan van een samenwerking. Figuur 2 laat zien welke vrijstelling bij welke situatie hoort. Let op: een woning of woongedeelte valt nooit onder deze bedrijfsvrijstellingen.

Figuur 2: de drie vrijstellingen in de familie- en samenwerkingssfeer en de kernvoorwaarde per situatie.

Vrijstelling 1: het bedrijf overnemen binnen de familie

Neem je kind, kleinkind, broer of zus van de ondernemer het bedrijf over, of de echtgenoot of geregistreerd partner van zo iemand, dan is de overgang van het bedrijfspand vrijgesteld. Een pleegkind telt mee als kind, en een half- of pleegbroer of half- of pleegzus telt mee als broer of zus.

Er gelden twee belangrijke voorwaarden. Het pand moet bij het bedrijf horen en nodig zijn voor het bedrijf, en de overnemer moet het bedrijf helemaal zelf voortzetten. Een woning of het woongedeelte van een pand valt niet onder de vrijstelling.

Let op de richting: de vrijstelling werkt maar één kant op. Een overdracht van ouder naar kind is vrijgesteld, maar een overdracht terug van kind naar ouder niet. Ook een overdracht aan je eigen echtgenoot valt er niet onder.

Vrijstelling 2: je onderneming inbrengen of omzetten

Breng je je onderneming in een samenwerking in, of zet je die om in een bv, dan blijft de overdrachtsbelasting over het bedrijfspand achterwege. Er zijn twee varianten.

Inbreng in een maatschap, vof of cv

Ga je samenwerken met een familielid of een derde en breng je je onderneming in in een maatschap, vennootschap onder firma (vof) of commanditaire vennootschap (cv), dan geldt de vrijstelling. Je moet dan wel de hele onderneming inbrengen, inclusief de bezittingen en schulden die een rol spelen in het bedrijf. In ruil wordt je op de kapitaalrekening bijgeschreven voor ten minste 90% van de waarde van je onderneming. Krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld (een tegoed op je medevennoten), dan vervalt de vrijstelling.

Omzetting in een nv of bv

Zet je je eenmanszaak of aandeel in een samenwerking om in een bv, dan is de overgang van het pand naar de bv vrijgesteld. Je krijgt in ruil aandelen. Naast die aandelen mag je maximaal 10% van wat op de aandelen is gestort in geld of als vordering terugkrijgen. Blijf je onder die grens, dan betaalt de bv geen overdrachtsbelasting over het pand.

Rekenvoorbeeld. Karin brengt haar notarispraktijk met kantoorpand in in haar nieuwe bv (zie figuur 3). De onderneming is 1.000.000 euro waard. De bv geeft haar aandelen voor 960.000 euro; voor de resterende 40.000 euro krijgt ze een vordering op de bv. Die 40.000 euro blijft ruim onder de 10%-grens. De vrijstelling geldt dus en de bv betaalt niets over het kantoorpand.

Figuur 3: de omzetting van een eenmanszaak in een bv, waarbij de vordering (4%) onder de 10%-grens blijft en de bv geen overdrachtsbelasting betaalt.

Vrijstelling 3: uit elkaar gaan

Stop je de samenwerking en gaat het pand terug naar degene die het ooit inbracht, dan mag dat belastingvrij. Voorwaarde is wel dat bij de inbreng destijds de inbrengvrijstelling is gebruikt. Zo betaal je geen overdrachtsbelasting bij het aangaan van de samenwerking en ook niet bij het uit elkaar gaan.

Let op: de driejaarseis

Bij inbreng en omzetting geldt een belangrijke voorwaarde achteraf (zie figuur 4). Blijf je niet minstens drie jaar vennoot, hou je de aandelen in de bv niet drie jaar, of stop je de onderneming binnen drie jaar, dan wordt de overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Deze terugname wordt in de praktijk een “clawback” genoemd.

Figuur 4: de driejaarseis. Stap je binnen drie jaar uit, dan volgt een clawback; daarna staat de vrijstelling definitief vast.

Er is één uitweg die in de regeling zelf staat. Stap je binnen die drie jaar over naar een andere samenwerking, of zet je alsnog om in een bv, dan blijft de terugname buiten toepassing. Ook bij een latere bedrijfsfusie, interne reorganisatie of splitsing loopt de termijn door zonder dat je hoeft af te rekenen. Plan een vervolgstap dus zorgvuldig, want het verkeerd getimede uitstappen kan de belasting alsnog oproepen.

Tegenvoorbeeld. Anne brengt haar advocatenpraktijk met kantoorpand in voor 600.000 euro in een maatschap met Paula. Twee jaar later laat Anne 200.000 euro uitbetalen. Daardoor daalt haar aandeel binnen drie jaar. De eerder niet-geheven overdrachtsbelasting is nu alsnog verschuldigd.

Vastgoed dat via de familie bij je komt

Naast deze bedrijfsvrijstellingen kent de wet ook regels voor vastgoed dat door persoonlijke gebeurtenissen bij je terechtkomt. Sommige verkrijgingen worden voor de overdrachtsbelasting helemaal niet als verkrijging gezien: erven, een woning of pand dat door je huwelijk in de gemeenschap valt, de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap, en verkrijging door verjaring. Daarover betaal je geen overdrachtsbelasting.

Krijg je bij het verdelen van een gezamenlijk bezit een groter deel toebedeeld dan je eigen aandeel, dan is alleen dat meerdere belast. Je betaalt de belasting dan niet over de hele waarde, maar over het stuk dat je erbij krijgt. Zo voorkomt de wet dat je belasting betaalt over vermogen dat al van jezelf was.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste vrijstelling: stel vast of het gaat om een familieoverdracht, een inbreng of omzetting, of een beëindiging van de samenwerking. Elke situatie heeft eigen voorwaarden.
  • Splits woning en bedrijf: een woning of woongedeelte valt niet onder de bedrijfsvrijstelling. Laat de waarde van het bedrijfsdeel apart bepalen.
  • Breng de hele onderneming in: bij inbreng of omzetting moeten alle bezittingen en schulden die een functie in het bedrijf hebben mee overgaan.
  • Bewaak de 10%-grens: krijg je meer dan 10% van de waarde terug als schuld of in geld, dan vervalt de vrijstelling.
  • Houd de drie jaar in de gaten: blijf minstens drie jaar vennoot of aandeelhouder en zet de onderneming voort, anders volgt alsnog een aanslag.
  • Doe een beroep bij de aangifte: een vrijstelling moet je actief inroepen. De notaris of adviseur vermeldt dit in de akte en in de aangifte overdrachtsbelasting.
  • Laat de opzet vooraf toetsen: de voorwaarden zijn strikt en de bedragen groot. Een controle vooraf voorkomt een dure verrassing achteraf.

Veelgestelde vragen

Geldt de vrijstelling ook voor de woning bij het bedrijf?

Nee. De bedrijfsvrijstellingen gelden alleen voor het bedrijfsdeel. Een woning of het woongedeelte valt erbuiten en daarover betaal je de normale overdrachtsbelasting (2% als hoofdverblijf, anders 8%).

Kan ik mijn bedrijf belastingvrij overdragen aan mijn partner?

De familievrijstelling geldt voor een kind, kleinkind, broer of zus, en hun echtgenoot of partner. Je eigen echtgenoot valt er niet onder. Soms is een andere route mogelijk, bijvoorbeeld via een inbreng. Laat dit vooraf beoordelen.

Wat gebeurt er als ik binnen drie jaar stop?

Dan wordt de eerder niet-geheven overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd. Er zijn uitzonderingen als je binnen die periode overstapt naar een andere samenwerkingsvorm of omzet in een bv. De voorwaarden daarvoor zijn precies en het is verstandig ze vooraf te laten toetsen.

Moet ik de vrijstelling zelf aanvragen?

Ja. Je moet er bij de aangifte overdrachtsbelasting uitdrukkelijk een beroep op doen. Meestal regelt de notaris dit in de akte. Vergeet je het, dan kun je het vaak nog herstellen via bezwaar, maar dat is niet altijd zeker.

Geldt de vrijstelling ook als ik mijn bedrijf overdraag aan een medewerker?

De familievrijstelling geldt alleen binnen de genoemde familiekring. Voor een overdracht aan een derde, zoals een medewerker, kan een andere route nodig zijn, bijvoorbeeld eerst samenwerken en later overnemen. Dit vraagt om maatwerk.

Hoe Taxcount je kan helpen

De vrijstellingen in de overdrachtsbelasting kunnen tienduizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en een kleine fout in de opzet of de timing kan de vrijstelling doen vervallen. Taxcount beoordeelt of je bedrijfsoverdracht, inbreng of omzetting onder een vrijstelling valt, splitst waar nodig het bedrijfsdeel en het woondeel, bewaakt de 10%-grens en de driejaarstermijn, en zorgt dat het beroep op de vrijstelling correct in de aangifte en de akte terechtkomt. Overweeg je een bedrijfsoverdracht of een omzetting naar een bv? Laat je situatie dan vooraf door ons beoordelen, zodat je niet onnodig overdrachtsbelasting betaalt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal of juridisch advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen. Of een vrijstelling in je geval geldt, hangt af van je persoonlijke situatie en van de exacte vormgeving van de transactie. Laat je situatie daarom altijd vooraf beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Startersvrijstelling overdrachtsbelasting 2026: geen belasting bij een woning tot 555.000 euro

Koopt u een huis, dan betaalt u normaal gesproken overdrachtsbelasting. Bent u nog geen 35 jaar en gaat u zelf in de woning wonen, dan kunt u die belasting eenmalig helemaal uitsparen met de startersvrijstelling. Maar er zijn strikte voorwaarden: uw leeftijd, de prijs van de woning en een verklaring die vooraf bij de notaris moet kloppen. In dit artikel leest u wanneer u in 2026 recht heeft op de startersvrijstelling, welke tarieven gelden, en welke technische regelingen de belasting kunnen verlagen als de vrijstelling niet van toepassing is.

Welke tarieven gelden er in 2026?

De overdrachtsbelasting kent in 2026 drie tarieven (zie figuur 1). Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, betaalt u 2% over de waarde. Voor een woning die u niet zelf gaat bewonen, bijvoorbeeld een beleggings- of vakantiewoning, geldt 8%. Dat percentage is per 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor niet-woningen, zoals een bedrijfspand of een stuk grond, blijft het algemene tarief 10,4%.

Wat koopt u? Tarief 2026
Eigen woning (hoofdverblijf), starter tot 35 jaar 0% (startersvrijstelling)
Eigen woning (hoofdverblijf), overige gevallen 2%
Woning die u niet zelf bewoont 8%
Niet-woning (bedrijfspand, grond) 10,4%

Figuur 1: de vier tarieven voor de overdrachtsbelasting in 2026. 0 procent met de startersvrijstelling, 2 procent voor een eigen woning als hoofdverblijf, 8 procent voor een woning zonder eigen bewoning (verlaagd van 10,4 procent) en 10,4 procent voor een niet-woning.

Wanneer heeft u recht op de startersvrijstelling?

U betaalt geen overdrachtsbelasting als u aan alle onderstaande voorwaarden voldoet (zie figuur 2). De vrijstelling geldt per persoon: koopt u samen met een partner, dan wordt voor ieder afzonderlijk getoetst.

  • Leeftijd: u bent 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar op het moment van de overdracht bij de notaris.
  • Eigen bewoning: u gaat de woning zelf gebruiken als hoofdverblijf, dus niet tijdelijk. U schrijft zich er in en woont er ook echt.
  • Eenmalig: u heeft de startersvrijstelling niet eerder gebruikt. Het is een eenmalige regeling.
  • Woningwaardegrens: de woning is niet meer waard dan 555.000 euro (grens voor 2026).
  • Schriftelijke verklaring: u legt vooraf bij de notaris schriftelijk vast dat u zelf in de woning gaat wonen en dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft gebruikt.

Figuur 2: beslisboom voor de startersvrijstelling. Beantwoordt u alle vijf de vragen met ja, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting. Is een antwoord nee, dan vervalt de vrijstelling en betaalt u 2 procent over de hele waarde.

De vrijstelling is niet beperkt tot een eerste woning. Ook als u eerder al een woning bezat, kunt u er als jonge doorstromer gebruik van maken, zolang u de vrijstelling nog niet eerder heeft ingezet.

Let op: de grens van 555.000 euro is een harde drempel

De woningwaardegrens is geen vrijgesteld bedrag, maar een drempel (zie figuur 3). Kost de woning 555.001 euro, dan geldt de vrijstelling helemaal niet, ook niet voor het deel tot 555.000 euro. U betaalt dan over de hele waarde het tarief van 2%. Zit u met de prijs dicht bij de grens, dan is dit een belangrijk aandachtspunt.

Figuur 3: de woningwaardegrens is een harde drempel. Een woning van 555.000 euro is vrijgesteld, een woning van 555.001 euro kost 2 procent over de hele waarde (ruim 11.000 euro). De grens loopt op van 525.000 euro in 2025 naar 615.000 euro in 2027.

De grens verandert elk jaar mee met de gemiddelde stijging van de woningwaarden en wordt telkens een jaar vooruit bekendgemaakt. Voor 2027 is al bekend dat de grens omhoog gaat naar 615.000 euro. Voor 2026 geldt 555.000 euro (in 2025 was dit 525.000 euro).

Koopt u aandelen in een vastgoed-bv? Dan geldt de vrijstelling niet

Koopt u geen huis rechtstreeks, maar aandelen in een bv die een woning bezit, dan kunt u de startersvrijstelling niet gebruiken. Ook het lage tarief van 2 procent geldt dan niet. Sinds 1 januari 2026 is zo’n aandelenverkrijging belast tegen 8 procent voor zover de aandelen middellijk of onmiddellijk op woningen zien, en tegen 10,4 procent voor het overige. Koopt u wel een lidmaatschapsrecht van bijvoorbeeld een wooncooperatie waarmee u een woning mag gebruiken, dan kan de vrijstelling juist wel gelden.

Rekenvoorbeeld: een koppel van 32 en 37 jaar

Een stel koopt samen een woning van 300.000 euro. Ieder koopt de helft, dus 150.000 euro. Beiden verklaren dat zij er zelf gaan wonen; de 32-jarige verklaart ook dat hij de vrijstelling nog nooit heeft gebruikt. Omdat per persoon wordt getoetst, pakt de aankoop voor beiden anders uit (zie figuur 4).

  • Persoon van 32 jaar: over 150.000 euro geen overdrachtsbelasting. Voordeel: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro.
  • Persoon van 37 jaar: 2% van 150.000 euro = 3.000 euro belasting.

Figuur 4: bij samen kopen wordt per persoon getoetst. De koper van 32 jaar voldoet aan de voorwaarden en betaalt niets; de koper van 37 jaar voldoet niet aan de leeftijdseis en betaalt 2 procent over zijn aandeel van 150.000 euro.

Let op: betaalt de een de belasting van de ander, dan kan dat een schenking zijn waarover schenkbelasting verschuldigd is.

Geen vrijstelling? Deze regelingen verlagen de grondslag

Ook als u geen recht heeft op de vrijstelling, kunt u soms over een lager bedrag belasting betalen. Dat is iets anders dan een vrijstelling: u betaalt wel, maar over een lagere grondslag.

Zelf aangebrachte zaken

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening iets aan de woning aangebracht, bijvoorbeeld een keuken, dakkapel of aanbouw, en koopt u het pand later? Dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde van wat u zelf heeft aangebracht. Voorwaarde is onder meer dat u nog geen eigenaar van de grond was toen u de verbetering aanbracht, en dat de prijs niet al vooraf was vastgesteld. Bewaar de aannemingsovereenkomsten en rekeningen als bewijs.

Doorverkoop binnen zes maanden

Verkoopt iemand een pand binnen zes maanden aan u door, dan betaalt u alleen belasting over het bedrag boven de vorige koopprijs. Kocht de vorige eigenaar het pand voor 100.000 euro en koopt u het twee maanden later voor 120.000 euro, dan betaalt u overdrachtsbelasting over 20.000 euro. Deze regeling speelt vaak bij snelle doorverkoop, projectontwikkeling en familietransacties.

Erfpacht, opstal en beklemming

Koopt u een recht van erfpacht of opstal, dan telt niet alleen de prijs van het recht mee, maar ook de jaarlijkse canon, omgerekend naar een bedrag ineens. Bij een canon van 2.400 euro per jaar en een looptijd van twaalf jaar komt dat bijvoorbeeld neer op ruim 20.000 euro extra grondslag. Bij gemeentelijke erfpacht met een afkoopsom is de berekening weer anders. Laat dit vooraf uitrekenen, want het kan een groot verschil maken.

De verklaring bij de notaris: geen formaliteit

De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting: op het moment van de overdracht bij de notaris moet aan alle voorwaarden zijn voldaan. De schriftelijke verklaring moet dus vooraf klaar zijn. Ontbreekt de verklaring, dan is de vrijstelling weg, en een eenmaal gebruikte startersvrijstelling kunt u niet terugdraaien om hem voor een duurdere woning te bewaren. Controleer daarom altijd of de verklaring bij de notaris klopt en compleet is.

Ook bij bijzondere situaties luistert het nauw. Koopt u een garage of stukje grond van een andere verkoper bij de woning, dan moet dat op dezelfde dag gebeuren, anders geldt daarvoor het hoge tarief. En koopt u een kavel om zelf te bouwen, dan is er pas sprake van een woning zodra de fundering er ligt.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets uw leeftijd op de overdrachtsdatum. U moet op de dag van de overdracht 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn.
  • Blijf onder de woningwaardegrens. Voor 2026 is dat 555.000 euro; de grens is een harde drempel, geen vrijgesteld bedrag.
  • Regel de verklaring vooraf. Zorg dat de schriftelijke verklaring bij de notaris klaar en juist is voor de overdracht.
  • Verdeel de eigendom bewust. Bij een leeftijdsverschil rond de 35 jaar loont het om de verdeling van de eigendom vooraf te bespreken.
  • Onderbouw grondslagverlagingen. Bewaar bewijs van zelf aangebrachte zaken, van een doorverkoop binnen zes maanden of van erfpachtvoorwaarden.
  • Let op aandelen in een vastgoed-bv. Koopt u aandelen in plaats van de woning zelf, dan gelden vrijstelling en laag tarief niet.

Veelgestelde vragen

Tot welk bedrag geldt de startersvrijstelling in 2026?

De woning mag in 2026 niet meer waard zijn dan 555.000 euro. Is de woning duurder, dan vervalt de vrijstelling volledig en betaalt u 2% over de hele waarde. Voor 2027 gaat de grens naar 615.000 euro.

Hoe oud mag ik zijn voor de startersvrijstelling?

U moet 18 jaar of ouder en nog geen 35 jaar zijn op het moment van de overdracht bij de notaris. Vanaf uw 35e verjaardag voldoet u niet meer aan de leeftijdseis, ook niet op de verjaardag zelf.

Mag ik de vrijstelling meer dan een keer gebruiken?

Nee. De startersvrijstelling is eenmalig. Heeft u hem eerder gebruikt, dan kunt u er geen tweede keer een beroep op doen. U verklaart bij de notaris dat u de vrijstelling nog niet eerder heeft benut.

Geldt de vrijstelling ook als ik samen met mijn partner koop?

De vrijstelling wordt per persoon getoetst. Voldoet uw partner niet aan de voorwaarden, bijvoorbeeld door de leeftijd, dan betaalt hij of zij over het eigen aandeel wel 2%, terwijl u over uw aandeel vrijgesteld kunt zijn.

Wat gebeurt er als de verklaring bij de notaris ontbreekt?

Dan heeft u geen recht op de vrijstelling. De verklaring moet vooraf klaar zijn, omdat op het moment van de overdracht aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Controleer dit dus altijd voor het passeren van de akte.

Betaal ik overdrachtsbelasting als ik zelf al aan de woning heb verbouwd?

Heeft u als huurder zelf en voor eigen rekening zaken aangebracht en koopt u het pand later, dan betaalt u geen overdrachtsbelasting over de waarde daarvan. Er gelden wel voorwaarden en de bewijslast ligt bij u.

Hoe Taxcount u kan helpen

De startersvrijstelling kan u duizenden euro’s schelen, maar de voorwaarden zijn strikt en de grens is hard. Een verkeerd getimede overdracht, een ontbrekende verklaring of een woning net boven de grens kost het hele voordeel. Bij hogere aankopen, samengestelde transacties, erfpacht of aankoop via een bv is een goede planning vooraf nog belangrijker. Taxcount beoordeelt uw situatie, controleert of u aan de voorwaarden voldoet en stemt de aankoop en de verklaring af met uw notaris. Overweegt u een woningaankoop? Laat uw situatie door ons beoordelen voordat u tekent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Meewerkaftrek 2026: zo verwerk je het meewerken van je partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook:

Kostenegalisatiereserve: zo verdeel je grote, terugkerende kosten gelijkmatig over de jaren

 

Sommige kosten in uw onderneming komen niet elk jaar even hoog terug, maar af en toe in een grote uitgave in een keer. Denk aan groot onderhoud aan een pand, een schip of een installatie dat maar eens in de zoveel jaar nodig is. Zonder maatregel zakt uw winst in het onderhoudsjaar fors in, terwijl die in de jaren ervoor te hoog lijkt. De kostenegalisatiereserve lost dat op: u zet elk jaar alvast een vast bedrag opzij, zodat de kosten gelijkmatig over de jaren drukken. In dit artikel leest u wat de kostenegalisatiereserve is, wanneer u er gebruik van mag maken en waar u op moet letten.

Wat is de kostenegalisatiereserve?

De kostenegalisatiereserve, ook wel egalisatiereserve, is een fiscale reserve waarmee u een toekomstige, ongelijk verdeelde kostenpost gelijkmatig over de jaren verdeelt. U verwacht in de toekomst een grote uitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud, en u reserveert daar nu al jaarlijks een deel voor. Daardoor drukt elk jaar een gelijk bedrag op uw winst, in plaats van een enkele piek in het jaar waarin u de kosten maakt.

De reserve berust op goed koopmansgebruik, de fiscale spelregels voor het bepalen van de jaarwinst. Het is een keuzerecht: u mag de reserve vormen, maar u bent daartoe niet verplicht. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u normaal activeert en over meerdere jaren afschrijft.

Voor wie is de reserve interessant?

De kostenegalisatiereserve is er voor alle ondernemingen met periodiek terugkerende, ongelijk verdeelde kosten die in een later jaar tot een uitgavenpiek leiden. Denk aan groot onderhoud aan een schip, een pand of een machine, of aan een grote, verplichte keuring. De reserve geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, vof of maatschap, als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Voor de vennootschapsbelasting werkt de regeling door via artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de praktijk is het belang van deze reserve de laatste jaren afgenomen. Sinds een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 1998 (het Baksteenarrest) kunt u voor veel toekomstige kosten een voorziening vormen, die vaak ruimere mogelijkheden biedt. De kostenegalisatiereserve speelt daardoor vooral nog een rol in situaties waarin geen voorziening mogelijk is.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Uit de rechtspraak zijn vier voorwaarden afgeleid waaraan u tegelijk moet voldoen. Ten eerste worden de kosten in de toekomst ongelijkmatig over de jaren uitgegeven. Ten tweede zijn de kosten opgeroepen door de bedrijfsuitoefening in de jaren waarover u reserveert. Ten derde leiden die kosten in een later jaar tot een echte piek in de uitgaven; dit wordt het piekvereiste genoemd. En ten vierde bestaat er een redelijke mate van zekerheid dat u de uitgaven daadwerkelijk gaat doen, bijvoorbeeld op grond van een onderhoudsplan of keuringsschema (zie figuur 1).

 Figuur 1: u mag alleen een kostenegalisatiereserve vormen als u aan alle vier de voorwaarden voldoet. Ontbreekt de piek in de uitgaven, dan is de reserve niet mogelijk.

Ontbreekt de piek, bijvoorbeeld bij min of meer gelijkmatig jaarlijks onderhoud, dan is er geen grond voor een egalisatiereserve. Verder geldt een belangrijke beperking, het inhaalverbod: u mag alleen vooruit reserveren vanaf het moment dat de toekomstige kosten zijn opgeroepen. U mag geen bedrag inhalen over jaren die al voorbij zijn.

Hoe berekent u de jaarlijkse toevoeging?

De jaarlijkse toevoeging aan de reserve heet de dotatie. U bepaalt die volgens goed koopmansgebruik en een bestendige gedragslijn, wat betekent dat u de methode elk jaar op dezelfde manier toepast. Bij de hoogte mag u rekening houden met verwachte loon- en prijsstijgingen.

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel, uw schip moet eens in de vijf jaar groot onderhoud krijgen dat naar schatting 50.000 euro kost. U mag dan jaarlijks 50.000 euro gedeeld door 5 is 10.000 euro aan de reserve toevoegen (zie figuur 2). Verwacht u dat de kosten door loon- of prijsstijging oplopen, dan mag u daar juist geen rekening mee houden: artikel 3.26 van de Wet inkomstenbelasting 2001 laat kosten die verband houden met loon- en prijsstijgingen ná afloop van het jaar buiten aanmerking, en die bepaling werkt via artikel 3.53 door naar de egalisatiereserve. In het jaar waarin u het onderhoud laat uitvoeren, valt de reserve vrij tegen de werkelijke uitgave.

Figuur 2: door jaarlijks 10.000 euro te reserveren, verdeelt u het onderhoud van 50.000 euro gelijkmatig over vijf jaar. In jaar 5 valt de reserve vrij tegen de werkelijke kosten.

Kostenegalisatiereserve of voorziening: wat is het verschil?

Naast de reserve bestaat de voorziening, een andere manier om toekomstige kosten alvast ten laste van de winst te brengen. Het belangrijkste verschil is het inhaalverbod. Bij de kostenegalisatiereserve mag u niet inhalen over verstreken jaren, terwijl dat bij een voorziening in beginsel wel kan.

Sinds het Baksteenarrest van 1998 is de ruimte voor een voorziening flink verruimd. Daardoor is de praktijkbetekenis van de kostenegalisatiereserve afgenomen: voor veel toekomstige kosten biedt een voorziening nu meer mogelijkheden. Het is daarom verstandig om per situatie te laten toetsen welke van de twee het gunstigst uitpakt.

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve is bedoeld voor een concreet doel. Zodra dat doel vervalt, moet u de reserve geheel of gedeeltelijk laten vrijvallen. Dat betekent dat het opzijgezette bedrag weer als winst meetelt en wordt belast. Vrijval is onder meer aan de orde als het onderhoud definitief niet doorgaat, als u niet langer van plan bent de uitgave te doen, als er geen sprake meer is van een ongelijke verdeling, of als u uw onderneming staakt.

Een geruisloze doorschuiving, waarbij een ander uw onderneming fiscaal voortzet zonder dat u hoeft af te rekenen, geldt niet als staking. In dat geval hoeft de reserve dus niet vrij te vallen. Houd doorlopend in de gaten of de grond voor uw reserve nog bestaat, zodat u een verplichte vrijval niet mist.

Praktische checklist: dit regelt u rond de kostenegalisatiereserve

  • Kostensoort bepalen: controleer of het echt om kosten gaat en niet om de aankoop van een bedrijfsmiddel dat u activeert en afschrijft; alleen kosten komen in aanmerking.
  • Piek aantonen: leg vast dat de kosten ongelijk over de jaren terugkomen met een duidelijke piek in een jaar; zonder piek is geen reserve mogelijk.
  • Zekerheid onderbouwen: bewaar een onderhoudsplan, keuringsschema of andere stukken waaruit blijkt dat de uitgave redelijk zeker is.
  • Dotatie berekenen: verdeel de geschatte kosten over de jaren en houd waar nodig rekening met loon- en prijsstijging; pas de methode elk jaar op dezelfde manier toe.
  • Inhaalverbod respecteren: reserveer alleen vooruit en haal geen bedrag in over jaren die al voorbij zijn.
  • Voorziening vergelijken: laat ook toetsen of een voorziening mogelijk is; die is sinds 1998 vaak ruimer en voordeliger.
  • Vrijval bewaken: houd bij of het doel van de reserve nog bestaat en laat de reserve vrijvallen zodra dat doel vervalt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een kostenegalisatiereserve en sparen?

Bij deze reserve zet u niet echt geld op een aparte rekening, maar u verlaagt uw fiscale winst met een jaarlijks bedrag. Zo verdeelt u de belastingdruk gelijkmatig over de jaren. In het jaar waarin u de kosten maakt, valt de reserve vrij en wordt zij verrekend met de werkelijke uitgave.

Mag ik voor jaarlijks onderhoud een egalisatiereserve vormen?

Nee. De regeling is alleen bedoeld voor kosten die ongelijk over de jaren terugkomen en tot een piek leiden. Onderhoud dat elk jaar ongeveer hetzelfde kost, mist die piek en komt daarom niet in aanmerking.

Kan ik een reserve vormen voor de aanschaf van een nieuwe machine?

Nee. De reserve geldt alleen voor kosten, niet voor de aankoop van een bedrijfsmiddel. Een machine activeert u en schrijft u over meerdere jaren af; daarvoor bestaan andere regelingen, zoals de willekeurige afschrijving of de investeringsaftrek.

Is een voorziening beter dan een kostenegalisatiereserve?

Dat hangt af van uw situatie. Sinds 1998 biedt een voorziening voor veel toekomstige kosten ruimere mogelijkheden, onder meer omdat het inhaalverbod daar niet geldt. Het is verstandig beide opties te laten vergelijken.

Geldt de kostenegalisatiereserve ook voor mijn bv?

Ja. Via de vennootschapsbelasting werkt de regeling ook door naar bv’s en andere belastingplichtige lichamen. De voorwaarden zijn dezelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een kostenegalisatiereserve in uw situatie is toegestaan en voordelig is, vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Taxcount bekijkt of aan het piekvereiste en de overige voorwaarden is voldaan, berekent een onderbouwde jaarlijkse dotatie en vergelijkt de reserve met de mogelijkheid van een voorziening. Ook bewaken wij de momenten waarop de reserve moet vrijvallen, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Wilt u weten of u een grote, terugkerende kostenpost fiscaal slim kunt spreiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount, dan rekenen wij de mogelijkheden voor u door.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook: