Periodieke gift aftrekken: het verschil dat u honderden euro’s per jaar kan opleveren

Geeft u ieder jaar aan een goed doel, uw kerk, een museum of een vereniging? Dan laat u waarschijnlijk geld liggen. Een gewone gift is namelijk pas aftrekbaar boven een drempel en tot een maximum. Legt u dezelfde gift vast als periodieke gift, dan trekt u het volledige bedrag af, zonder drempel. Bij precies dezelfde donatie houdt u zo netto meer over. In dit artikel leest u wat een periodieke gift is, welke voorwaarden in 2026 gelden en hoeveel u ermee kunt besparen.

Wat is het verschil tussen een gewone en een periodieke gift?

De inkomstenbelasting kent twee soorten aftrekbare giften. Een gewone gift is een losse donatie. Die is alleen aftrekbaar voor zover u meer geeft dan de drempel, en tot een maximum. In 2026 is de drempel 1 procent van uw drempelinkomen (met een minimum van 60 euro) en het maximum 10 procent van dat inkomen. Alles onder de drempel telt dus niet mee.

Een periodieke gift is een gift die u schriftelijk vastlegt en minimaal vijf jaar lang jaarlijks doet. Het grote voordeel: de drempel en het lage maximum vervallen. U trekt het volledige bedrag af. In 2026 geldt alleen nog een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar, dat voor de meeste gevers geen rol speelt.

Hoeveel levert een periodieke gift op?

Stel, uw drempelinkomen is 80.000 euro en u schenkt 2.000 euro per jaar aan een goed doel met ANBI-status. Als gewone gift is de drempel 1 procent van 80.000 euro, dus 800 euro. Aftrekbaar is dan 1.200 euro. Als periodieke gift vervalt die drempel en trekt u het volle bedrag van 2.000 euro af.

Bij een aftrektarief van 37,56 procent (het maximumtarief voor aftrekposten in 2026 bij een hoog inkomen) scheelt dat extra afgetrokken bedrag van 800 euro ongeveer 300 euro belasting per jaar. Over de looptijd van vijf jaar is dat zo’n 1.500 euro extra voordeel, bij exact dezelfde gift (zie figuur 1).

  

Figuur 1: dezelfde gift van 2.000 euro levert als periodieke gift een hogere aftrek op dan als gewone gift, doordat de drempel vervalt.

Aan welke voorwaarden moet een periodieke gift voldoen?

Tegenover het voordeel staat een verplichting: u bindt zich voor langere tijd. Een periodieke gift is een vaste en gelijkmatige jaarlijkse uitkering die uiterlijk eindigt bij overlijden. De belangrijkste voorwaarden zijn de volgende (zie figuur 2).

  • Minimaal vijf jaar. U verplicht zich om minstens vijf jaar achter elkaar jaarlijks ongeveer hetzelfde bedrag te schenken.
  • Schriftelijk vastgelegd. Sinds 2014 hoeft dat niet meer bij de notaris. Een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling volstaat. De Belastingdienst heeft daarvoor een standaardformulier.
  • Een kwalificerende ontvanger. De ontvanger moet een ANBI, een culturele ANBI of een kwalificerende vereniging zijn. Voor verenigingen geldt de eis van volledige rechtsbevoegdheid en ten minste 25 leden zonder winststreven.
  • Geen tegenprestatie. U geeft vrijwillig en er mag niets tegenover staan (dus geen contributie, lot of andere tegenprestatie).
  • Een reeel overlijdensrisico. De verplichting moet uiterlijk bij overlijden eindigen en er moet werkelijke onzekerheid over de looptijd zijn. Een kunstmatig weggenomen sterfterisico voldoet niet.

Figuur 2: de vier kernvoorwaarden voor een periodieke gift. Voldoet u niet aan deze eisen, dan valt u terug op de gewone giftenaftrek.

Let op: alleen betalingen vanaf de datum van de overeenkomst tellen mee als periodieke gift. Leg de gift dus vast voordat u de eerste kwalificerende betaling doet.

Extra aftrek bij een culturele ANBI

Geeft u aan een culturele ANBI, bijvoorbeeld een museum, theater of orkest, dan mag u de gift voor de aftrek met 25 procent verhogen. Die verhoging is in 2026 maximaal 1.250 euro per jaar, wat overeenkomt met een culturele gift van 5.000 euro. De multiplier geldt zowel voor periodieke als voor gewone giften. Fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek onderling; de extra aftrek is per huishouden begrensd.

Wat als de gift eerder stopt?

Voldoet u niet aan de vormvereisten, of is de looptijd korter dan vijf jaar, dan is er geen aftrekbare periodieke gift. De gift telt dan hooguit als gewone gift, met drempel en maximum. Stopt de gift binnen vijf jaar buiten uw schuld, bijvoorbeeld door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan blijft de aftrek in stand als de overeenkomst een clausule bevat dat de gift bij inkomensdaling mag eindigen. Ontbreekt die clausule, dan valt u terug op de gewone giftenaftrek. Neem zo’n clausule dus altijd op.

Praktische checklist: wat u moet regelen

In vier stappen legt u een periodieke gift correct vast (zie figuur 3).

Figuur 3: in vier stappen een periodieke gift regelen. Onderteken de overeenkomst voordat u de eerste betaling doet.

  • Controleer de status van de ontvanger. Zoek de instelling op in het register “ANBI opzoeken” en controleer of het (ook) een culturele ANBI is.
  • Gebruik het standaardformulier. Vraag de instelling om de “Overeenkomst periodieke gift” van de Belastingdienst en vul die volledig in.
  • Leg vast voor de eerste betaling. Onderteken de overeenkomst voordat u de eerste kwalificerende betaling doet; eerdere betalingen tellen niet mee.
  • Neem een inkomensdalingsclausule op. Zo blijft uw aftrek in stand als u de gift door omstandigheden eerder moet stoppen.
  • Betaal elk jaar hetzelfde bedrag. Maak de gift minimaal jaarlijks over en houd het bedrag gelijkmatig.
  • Verwerk de aftrek in de aangifte. Neem de gift op in uw aangifte inkomstenbelasting; fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek zo gunstig mogelijk.
  • Bewaar akte en betaalbewijzen. Houd de overeenkomst en de bankafschriften bij voor het geval de Belastingdienst vragen stelt.

Veelgestelde vragen

Is een periodieke gift altijd voordeliger dan een gewone gift?

Voor wie meerdere jaren een vast bedrag geeft, vrijwel altijd. De drempel vervalt, waardoor uw volledige gift aftrekbaar is. Voor een eenmalige of wisselende gift is de gewone giftenaftrek meestal voldoende.

Heb ik een notaris nodig?

Nee. Sinds 2014 volstaat een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling. De Belastingdienst heeft hiervoor een standaardformulier.

Wat is het maximum in 2026?

Voor periodieke giften geldt geen drempel en een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar (voor u en uw fiscale partner samen). Voor vrijwel iedereen is uw volledige gift dus aftrekbaar.

Hoeveel bedraagt het maximale aftrektarief?

De giftenaftrek valt onder de tariefmaatregel. Bij een hoog inkomen telt de aftrek in 2026 mee tegen ten hoogste 37,56 procent, niet tegen het toptarief.

Kan ik ook aan een vereniging periodiek schenken?

Ja, mits de vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft, minstens 25 leden telt en niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Voor gewone giften geldt deze route niet; die moeten naar een (culturele) ANBI.

Ik ben dga. Kan ik beter vanuit mijn bv geven?

Sinds 2025 is de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Voor een dga die structureel geeft, is de periodieke gift in de inkomstenbelasting daarom vaak het aangewezen instrument. Laat uw situatie doorrekenen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een periodieke gift is eenvoudig, maar de details bepalen of de aftrek standhoudt: de juiste akte, de looptijd, de inkomensdalingsclausule en de status van de ontvanger. Een kleine fout laat u terugvallen op de lagere gewone giftenaftrek. Taxcount controleert of uw giften optimaal zijn ingericht, of u de culturele multiplier kunt benutten en hoe u en uw partner de aftrek het gunstigst verdelen. Voor dga’s bekijken wij bovendien of privé geven na de wijziging van 2025 voordeliger is dan geven vanuit de bv. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit uw giften haalt? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw giftenaftrek. In de tussentijd kan u gebruik maken van onze schenkingsdashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

pensioen internationale organisatie belasting/pension international organization tax

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

U woont in Nederland en ontvangt pensioen van een internationale organisatie, bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de NAVO, de ruimtevaartorganisatie ESA of het Europees Octrooibureau. Geeft u dat pensioen volledig op als inkomen in box 1? Dan betaalt u waarschijnlijk te veel belasting. Een deel van uw pensioen is namelijk opgebouwd uit uw eigen premies, waarover u destijds al belasting betaalde. Dat deel hoort niet in box 1, maar in box 3. Dit splitsen heet de splitsingsmethode. In dit artikel leest u hoe het werkt, voor welke organisaties het geldt en wat u moet regelen om deze besparing veilig te benutten.

Waarom is uw pensioen belast en uw salaris niet was?

Werknemers van internationale organisaties betalen over hun salaris meestal geen Nederlandse belasting. De organisatie houdt vaak zelf een interne heffing in. Voor het pensioen ligt dat anders: dat mag Nederland volgens de gewone regels belasten. De hoofdregel is daarom dat uw pensioenuitkering volledig meetelt als loon in box 1.

Op die hoofdregel bestaat een belangrijke uitzondering. Voor zover u aannemelijk maakt dat over de opbouw van uw pensioen destijds al een belasting naar het inkomen is geheven, hoeft dat deel niet nogmaals in box 1. Bij deze regelingen betaalde u uw eigen premie uit uw netto-inkomen, dus die was niet aftrekbaar. Dat deel is dus al belast geweest en verhuist naar box 3, waar de waarde van dat pensioenrecht als bezitting meetelt.

Wat is de splitsingsmethode?

De splitsingsmethode verdeelt een pensioenuitkering over twee boxen. Het deel dat is opgebouwd met werkgeverspremies blijft belast in box 1 (als loon). Het deel dat u zelf uit uw netto-inkomen betaalde, valt in box 3 (als vermogen). Omdat box 3 vaak veel lager wordt belast dan het progressieve tarief in box 1, kan dit duizenden euro per jaar schelen.

Voor het Europees Octrooibureau en de zogeheten Gecoordineerde Pensioenregeling (onder meer NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT) heeft de staatssecretaris een praktische goedkeuring gegeven. U hoeft dan niet uw premiegegevens over tientallen jaren te bewijzen. In plaats daarvan geldt een vast forfait: twee derde van de jaarlijkse uitkering geeft u aan in box 1, en een derde valt buiten box 1. De waarde van dat een derde geeft u aan in box 3. Toeslagen (allowances) en de tax adjustment horen wel volledig in box 1 (zie figuur 1).

Figuur 1: bij het forfait blijft twee derde van de uitkering in box 1 en verhuist een derde naar box 3; allowances en de tax adjustment horen volledig in box 1.

Een rekenvoorbeeld

Een alleenstaande gepensioneerde van 71 jaar ontvangt 21.000 euro pensioen uit de Gecoordineerde Pensioenregeling en daarnaast 500 euro tax adjustment. In box 1 geeft hij twee derde van 21.000 euro (14.000 euro) plus de 500 euro tax adjustment aan, samen 14.500 euro. Het overige een derde (7.000 euro) valt buiten box 1. De waarde daarvan in box 3 berekent hij door 7.000 euro te vermenigvuldigen met de leeftijdsfactor uit de wet, die bij 71 jaar 8 bedraagt: 8 maal 7.000 euro is 56.000 euro. Zo geeft hij jaarlijks 7.000 euro minder aan in het progressief belaste box 1, tegenover een box 3-bezitting van 56.000 euro (zie figuur 2).

Figuur 2: uitwerking van het rekenvoorbeeld. Van de uitkering van 21.000 euro blijft 14.500 euro in box 1; 7.000 euro wordt met factor 8 een box 3-bezitting van 56.000 euro.

Let op: voor het VN-pensioenfonds UNJSPF ligt dezelfde verhouding vast in het pensioenreglement. De werknemer draagt de helft van wat de werkgever betaalt; de eigen bijdrage is dus ook hier een derde van de totale premie, in alle opbouwjaren. Het beleidsbesluit geldt formeel alleen voor het EOB en de Gecoordineerde Pensioenregeling, dus voor een VN-pensioen is doorgaans meer onderbouwing of overleg met de Belastingdienst nodig.

Voor welke organisaties geldt dit?

De regeling geldt voor in Nederland wonende gepensioneerden en nabestaanden van internationale organisaties. In de praktijk gaat het onder meer om de Verenigde Naties (met het pensioenfonds UNJSPF), het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling van NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT. Ook pensioenen van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank, UNESCO, UNICEF, de WHO en de WTO kunnen eronder vallen.

Belangrijke uitzondering: pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting. Voor die pensioenen speelt de splitsingsmethode dus niet (zie figuur 3).

Figuur 3: de splitsingsmethode geldt voor pensioenen van veel internationale organisaties, maar niet voor de EU en de ECB (die zijn vrijgesteld).

Wanneer geldt de splitsing juist niet?

De splitsingsmethode geldt alleen voor een ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een invaliditeitspensioen (uitkering bij arbeidsongeschiktheid) is fiscaal een risicoverzekering zonder opbouw en is daarom volledig belast in box 1. Ook de bijbehorende toeslagen en de tax adjustment volgen het regime van de hoofduitkering en vallen dus in box 1.

Verder is er een aandachtspunt bij oude opbouwjaren. Tot en met belastingjaar 2024 was een deel van de vroegste opbouw (van voor 1995) in bepaalde internationale situaties nog onbelast. Vanaf 1 januari 2025 is die vrijstelling vervallen. De precieze gevolgen van deze wetswijziging zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, dus over oudere jaren is maatwerk nodig.

Waarop moet u letten?

Het grootste risico is niet een naheffing, maar dat u voordeel laat liggen door uw pensioen volledig in box 1 op te geven. Wie de splitsing wel toepast, moet het box 3-deel daadwerkelijk als bezitting aangeven en dit ieder jaar opnieuw berekenen met de leeftijdsfactor. Wijkt u af van het forfait, dan moet u het premieverloop over de hele opbouwperiode kunnen onderbouwen. En u moet kiezen: de forfaitaire benadering en de oudere saldomethode mogen niet worden gecombineerd. Zonder tijdig en verifieerbaar bewijs wordt de uitkering alsnog volledig in box 1 belast, zo blijkt uit de rechtspraak.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de herkomst van uw pensioen. Ga na van welke organisatie uw pensioen komt en of het een ouderdoms- of nabestaandenpensioen is (en dus geen invaliditeitspensioen).
  • Sluit EU en ECB uit. Komt uw pensioen van de Europese Unie of de Europese Centrale Bank, dan is het vrijgesteld en speelt de splitsing niet.
  • Vraag premieoverzichten op. Vraag bij de pensioenuitvoerder de jaaropgaven en, bij de VN, uw Annual Pension Statement op. Zonder bewijs blijft alles in box 1.
  • Geef het box 3-deel aan. Reken de waarde van het niet-belaste deel jaarlijks om met de leeftijdsfactor en neem die als bezitting op in box 3.
  • Kies bewust tussen forfait en saldomethode. De twee faciliteiten kunt u niet combineren; laat doorrekenen welke voor u het gunstigst is.
  • Controleer openstaande aanslagen. Staan er nog aanslagen open over eerdere jaren, dan kunnen die soms alsnog worden hersteld.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over mijn VN- of NAVO-pensioen in Nederland?

Ja. Anders dan het salaris tijdens uw dienstverband mag Nederland uw pensioen belasten. Met de splitsingsmethode betaalt u alleen over het werkgeversdeel in box 1; het deel dat u zelf uit uw netto-inkomen opbouwde, valt in box 3.

Hoeveel van mijn pensioen valt in box 3?

Bij het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling geldt een forfait van een derde in box 3 en twee derde in box 1. De waarde van dat een derde berekent u met een leeftijdsafhankelijke factor uit de wet.

Geldt de regeling ook voor een pensioen van de EU?

Nee. Pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn volledig vrijgesteld van Nederlandse belasting. De splitsingsmethode is daar niet aan de orde.

Wat als ik een invaliditeitspensioen ontvang?

Een invaliditeitspensioen is volledig belast in box 1. Er vindt geen splitsing plaats, omdat er geen sprake is van opbouw met eigen premies.

Kan ik te veel betaalde belasting van eerdere jaren terugkrijgen?

Dat kan soms. Voor jaren waarvan de aanslag nog niet definitief vaststaat, kan de splitsing alsnog worden toegepast. Laat uw aanslagen en aangiften daarom nakijken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Het pensioen van een internationale organisatie is fiscaal specialistisch werk: de juiste box, het forfait of het werkelijke premieverloop, de leeftijdsfactor voor box 3 en de keuze tussen faciliteiten luisteren nauw. Een fout kost u ofwel jaarlijks onnodig belastinggeld, ofwel een langlopende discussie met de Belastingdienst. Taxcount beoordeelt van welke regeling uw pensioen komt, past de splitsingsmethode correct toe, verzorgt zo nodig het overleg met de inspecteur en controleert of oude jaren nog te herstellen zijn. Ontvangt u pensioen van de VN, NAVO, ESA, het EOB of een vergelijkbare organisatie? Laat uw aangifte door Taxcount toetsen en betaal niet meer belasting dan nodig.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

 

English version


You live in the Netherlands and receive a pension from an international organisation, for example the United Nations, NATO, the space agency ESA or the European Patent Office. Do you report that pension in full as income in box 1? Then you are probably paying too much tax. Part of your pension was built up from your own contributions, on which you already paid tax at the time. That part does not belong in box 1, but in box 3. Dividing the pension in this way is called the split method. This article explains how it works, which organisations it applies to and what you need to arrange to secure this saving safely.

Why is your pension taxed while your salary was not?

Employees of international organisations usually pay no Dutch tax on their salary. The organisation often applies its own internal levy. Pensions are treated differently: the Netherlands may tax them under the ordinary rules. The main rule is therefore that your pension payment counts in full as salary in box 1.

There is an important exception to this main rule. To the extent that you can make it plausible that tax on income was already levied on the build-up of your pension, that part does not have to be taxed again in box 1. Under these schemes you paid your own contribution out of your net income, so it was not deductible. That part has therefore already been taxed and moves to box 3, where the value of the pension right counts as an asset.

What is the split method?

The split method divides a pension payment across two boxes. The part built up with employer contributions remains taxed in box 1 (as salary). The part you paid yourself out of your net income falls in box 3 (as wealth). Because box 3 is often taxed much more lightly than the progressive rate in box 1, this can save thousands of euro per year.

For the European Patent Office and the so-called Co-ordinated Pension Scheme (including NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT) the State Secretary has issued a practical approval. You then do not have to prove your contribution history going back decades. Instead a fixed ratio applies: you report two thirds of the annual payment in box 1, and one third falls outside box 1. You report the value of that one third in box 3. Allowances and the tax adjustment do belong entirely in box 1 (see figure 1).

Figure 1: under the fixed ratio two thirds of the payment stays in box 1 and one third moves to box 3; allowances and the tax adjustment belong entirely in box 1.

A worked example

A single pensioner aged 71 receives 21,000 euro of pension from the Co-ordinated Pension Scheme, plus 500 euro of tax adjustment. In box 1 he reports two thirds of 21,000 euro (14,000 euro) plus the 500 euro tax adjustment, being 14,500 euro in total. The remaining one third (7,000 euro) falls outside box 1. He calculates its box 3 value by multiplying 7,000 euro by the statutory age factor, which is 8 at the age of 71: 8 times 7,000 euro is 56,000 euro. In this way he reports 7,000 euro less each year in progressively taxed box 1, against a box 3 asset of 56,000 euro (see figure 2).

Figure 2: the worked example. Of the 21,000 euro payment, 14,500 euro stays in box 1; 7,000 euro becomes a box 3 asset of 56,000 euro using factor 8.

Which organisations does this apply to?

The scheme applies to pensioners and surviving dependants living in the Netherlands who worked for international organisations. In practice this includes the United Nations (with the UNJSPF pension fund), the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme of NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT. Pensions from, for example, the IMF, the World Bank, UNESCO, UNICEF, the WHO and the WTO may also fall under it.

Important exception: pensions from the European Union and the European Central Bank are exempt from Dutch tax. The split method therefore does not apply to those pensions (see figure 3).

Figure 3: the split method applies to pensions from many international organisations, but not to the EU and the ECB (which are exempt).

When does the split not apply?

The split method applies only to an old-age or survivor pension. A disability pension (a payment on incapacity for work) is, for tax purposes, an insurance without build-up and is therefore taxed in full in box 1. The related allowances and the tax adjustment follow the treatment of the main payment and so also fall in box 1.

There is a further point of attention for older build-up years. Up to and including tax year 2024, part of the earliest build-up (from before 1995) was still untaxed in certain international situations. From 1 January 2025 that exemption has lapsed. The precise consequences of this change in the law are not yet fully settled, so older years call for a tailored assessment.

What should you watch out for?

The biggest risk is not an additional assessment, but leaving money on the table by reporting your pension in full in box 1. Anyone who does apply the split must actually report the box 3 part as an asset and recalculate it each year using the age factor. If you depart from the fixed ratio, you must be able to substantiate the contribution history for the whole build-up period. And you have to choose: the fixed-ratio approach and the older balance method may not be combined. Without timely and verifiable evidence the payment is taxed in full in box 1 after all, as the case law shows.

Practical checklist: what to arrange

  • Determine the origin of your pension. Establish which organisation your pension comes from and whether it is an old-age or survivor pension (and therefore not a disability pension).
  • Rule out the EU and the ECB. If your pension comes from the European Union or the European Central Bank, it is exempt and the split does not apply.
  • Request contribution statements. Ask the pension administrator for the annual statements and, at the UN, your Annual Pension Statement. Without evidence everything stays in box 1.
  • Report the box 3 part. Convert the value of the untaxed part each year using the age factor and report it as an asset in box 3.
  • Choose deliberately between fixed ratio and balance method. The two facilities cannot be combined; have it calculated which one is most favourable for you.
  • Check open assessments. If assessments over earlier years are still open, they can sometimes be corrected retroactively.

Frequently asked questions

Do I have to pay Dutch tax on my UN or NATO pension?

Yes. Unlike your salary during your employment, the Netherlands may tax your pension. With the split method you pay tax only on the employer part in box 1; the part you built up yourself from your net income falls in box 3.

How much of my pension falls in box 3?

For the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme a fixed ratio of one third in box 3 and two thirds in box 1 applies. You calculate the value of that one third using a statutory age-dependent factor.

Does the scheme also apply to an EU pension?

No. Pensions from the European Union and the European Central Bank are fully exempt from Dutch tax. The split method does not come into play there.

What if I receive a disability pension?

A disability pension is taxed in full in box 1. No split takes place, because there is no build-up from your own contributions.

Can I reclaim tax overpaid in earlier years?

Sometimes you can. For years whose assessment is not yet final, the split can still be applied. It is therefore worth having your assessments and returns reviewed.

How Taxcount can help you

A pension from an international organisation is specialist tax work: the correct box, the fixed ratio or the actual contribution history, the age factor for box 3 and the choice between facilities all require precision. A mistake either costs you unnecessary tax every year, or leads to a lengthy dispute with the Tax Administration. Taxcount assesses which scheme your pension comes from, applies the split method correctly, arranges any consultation with the inspector where needed and checks whether earlier years can still be corrected. Do you receive a pension from the UN, NATO, ESA, the EPO or a comparable organisation? Have your return reviewed by Taxcount and pay no more tax than necessary.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, thresholds and conditions may change and the outcome depends on your personal situation. Always seek personal advice before making tax decisions.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeert u als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) u in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag u 45, 36 of 27 procent van uw investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en u moet de investering op tijd melden. In dit artikel leest u wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel u kunt aftrekken en wat u moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij u elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag u eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager en u betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Bent u alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heeft u geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor u geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet u minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet uw investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet uw investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat u de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

U moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat u de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kiest u voor de MIA in uw aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meldt u te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als u de melding wel op tijd heeft verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kunt u de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag u de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat u deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee u zelf bepaalt wanneer u afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. U moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet u kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoopt u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet u een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als u van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van uw MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of uw bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijgt u geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in uw aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar uw stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. U moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag u ze niet allebei gebruiken; u kiest de gunstigste. De MIA mag u wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kunt u de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteert u van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount u kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of uw investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweegt u een duurzame investering? Leg uw plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in Nederland

Heeft u dit jaar geïnvesteerd in nieuwe machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen? Dan laat u mogelijk geld liggen. Met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) mag u in 2026 een fors bedrag, tot € 20.072, extra van uw winst aftrekken, bovenop de gewone afschrijving. Veel ondernemers vergeten deze aftrek of berekenen hem verkeerd. In dit artikel leest u wie recht heeft op de KIA, hoeveel u kunt aftrekken en waar u op moet letten om het maximale voordeel te behalen.

Wat is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek?

De KIA is een extra aftrekpost voor ondernemers die in een jaar bedrijfsmiddelen kopen. U mag eenmalig een deel van het totale investeringsbedrag van uw winst aftrekken. Daardoor betaalt u over dat jaar minder inkomsten- of vennootschapsbelasting. De belangrijkste kenmerken:

  • Extra aftrek bovenop de afschrijving. De afschrijving is het jaarlijks ten laste van de winst brengen van een deel van de aanschafprijs. De KIA komt daar los bovenop en is dus een netto-voordeel.
  • Voor bijna elke ondernemer. Eenmanszaken, vof’s, maatschappen én bv’s komen in aanmerking. Er geldt géén urencriterium en zelfs geen volledig ondernemerschap: ook een medegerechtigde en zelfs een ondernemer in een verliesjaar kan de aftrek krijgen.
  • Dit zijn zaken die u langer dan een jaar in uw bedrijf gebruikt, zoals machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen, geen voorraad.
  • Hoogte volgt uit een tabel. Hoeveel u mag aftrekken hangt af van het totale bedrag dat u dat jaar investeert. Bij weinig investeren krijgt u niets, bij heel veel investeren ook niet; het maximum zit in het midden.

De KIA-tabel voor 2026 (art. 3.41 Wet IB 2001) ziet er zo uit:

Investeringsbedrag in 2026 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
niet meer dan € 2.900 geen aftrek (€ 0)
€ 2.901 t/m € 71.683 28% van het investeringsbedrag
€ 71.684 t/m € 132.746 € 20.072 (vast maximum)
€ 132.747 t/m € 398.236 € 20.072 min 7,56% van het deel boven € 132.746
meer dan € 398.236 geen aftrek (€ 0)

Let op: investeringen onder € 450 per bedrijfsmiddel tellen niet mee. Boven een totaal van € 398.236 vervalt de KIA volledig.

Wanneer heeft u recht op de KIA?

De Belastingdienst toetst een aantal voorwaarden. U komt in aanmerking als u aan al deze punten voldoet:

  • U investeert in kwalificerende bedrijfsmiddelen. Het gaat om bedrijfsmiddelen die u zakelijk gebruikt en die niet zijn uitgesloten.
  • Er is winst uit onderneming. U bent ondernemer of medegerechtigde. Ontbreekt een bron van inkomen, dan bestaat er geen recht op aftrek.
  • Uw totale investering ligt tussen € 2.901 en € 398.236. Buiten deze grenzen is de KIA nihil. De grens geldt per onderneming.
  • Het is geen uitgesloten bedrijfsmiddel. Denk aan goodwill, woonhuizen, personenauto’s of zaken die u hoofdzakelijk aan derden verhuurt (art. 3.45 en 3.46).
  • Elk bedrijfsmiddel kost minstens € 450. Losse aankopen onder dat bedrag tellen niet mee voor de aftrek.
  • U kiest voor de KIA bij de aangifte. De aftrek wordt niet automatisch toegepast; u vraagt hem zelf aan. Vergeet u dat, dan kunt u tot vijf jaar later alsnog een verzoek om “ambtshalve vermindering” doen.

Voldoet u aan al deze punten, dan verlaagt de KIA uw belastbare winst, en dus uw aanslag. Investeert u samen met anderen in een vof of maatschap? Dan geldt de samentelregeling: de investeringen worden bij elkaar opgeteld voor de tabelrij en de KIA wordt naar rato verdeeld. Laat dit altijd goed berekenen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil € 140.000 investeren in nieuwe machines. Hij betaalt belasting tegen ongeveer 37%. Hij kan alles in 2026 aanschaffen, of de investering spreiden over eind 2026 en begin 2027.

Scenario A: alles in 2026 Scenario B: gespreid 2026 + 2027
Investering € 140.000 in één jaar € 70.000 + € 70.000
Toepasselijke schijf afbouwschijf 28%-schijf (per jaar)
KIA € 19.524 € 19.600 + € 19.600 = € 39.200
Belastingvoordeel (± 37%) ± € 7.224 ± € 14.504

De conclusie: in scenario A valt de investering in de afbouwschijf en levert de KIA € 19.524 op (€ 20.072 min 7,56% van € 7.254). Door de investering te spreiden (scenario B) blijft de ondernemer twee keer in de gunstige 28%-schijf en loopt de KIA op tot € 39.200. Dat is bijna een verdubbeling, goed voor ongeveer € 7.280 extra belastingvoordeel. Spreiden moet natuurlijk wél zakelijk verantwoord zijn, en de investeringsverplichting telt mee in het jaar waarin u die aangaat.

Praktische gevolgen

  • Vraag de KIA actief aan. De aftrek is een keuze in uw aangifte. Bent u hem vergeten? Dan is herstel mogelijk via ambtshalve vermindering, tot vijf jaar na afloop van het jaar.
  • Bereken het totale investeringsbedrag zorgvuldig. De juiste tabelrij bepaalt uw aftrek. Eén verkeerde optelling kan honderden euro’s schelen.
  • Let op de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na aanschaf, dan moet u (een deel van) de aftrek terugnemen. Leg het toegepaste KIA-percentage daarom goed vast.
  • Pas de samentelregeling toe bij samenwerkingsverbanden. Zonder juiste samentelling claimt u al snel te veel of te weinig; de inspecteur corrigeert naar rato.
  • Uitgesloten bedrijfsmiddelen tellen niet. Goodwill, woonhuizen en personenauto’s vallen buiten de regeling. Zonnepanelen mogen juist wél als zelfstandig bedrijfsmiddel meetellen.
  • Planning loont. Door investeringen slim over de jaargrens te spreiden blijft u binnen de gunstige schijven en vermijdt u de bovengrens van € 398.236.

Conclusie en advies

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is een van de eenvoudigste en meest voordelige aftrekposten voor ondernemers: tot € 20.072 extra aftrek in 2026, zonder urencriterium en zelfs in een verliesjaar. De valkuilen zitten in de details, de juiste tabelrij, uitgesloten bedrijfsmiddelen, de samentelregeling en de desinvesteringsbijtelling. Twijfelt u of u het maximale voordeel benut, of wilt u uw investeringen fiscaal slim plannen? Laat uw situatie beoordelen door de adviseurs van Taxcount; wij rekenen uw KIA precies uit en zorgen dat u geen aftrek laat liggen. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Zie ook:

Geruisloze inbreng: onderneming omzetten zonder afrekening

Uw eenmanszaak of vof groeit en u vraagt zich af of een bv niet verstandiger is. Vaak zit er dan één ding in de weg: bij de overstap naar een bv moet u in beginsel fiscaal afrekenen over de stille reserves en de goodwill in uw onderneming. Dat kan een forse belastingaanslag opleveren, precies op het moment dat u het geld liever in de onderneming houdt. Met een geruisloze inbreng zet u uw onderneming om in een bv zonder dat u direct hoeft af te rekenen. In dit artikel leest u hoe de geruisloze inbreng werkt, welke voorwaarden in 2026 gelden en wanneer deze route voor u voordelig is.

De kern in het kort

De geruisloze inbreng is geregeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De gedachte is eenvoudig: u wijzigt alleen de juridische vorm van uw onderneming, van een IB-onderneming naar een bv, zonder dat de Belastingdienst dit als een staking ziet. Daardoor blijft belastingheffing op dat moment achterwege. Belangrijk om te weten:

  • Geen afrekening (doorschuiven). De onderneming wordt geacht niet te zijn gestaakt. De bv neemt de boekwaarden over en zet de onderneming voort. U betaalt nu geen inkomstenbelasting over de stille reserves en de goodwill.
  • Uitstel, geen afstel. De fiscale claim verdwijnt niet. Die schuift mee naar de bv en komt pas aan de orde als de winst later wordt gerealiseerd.
  • Verzoek en beschikking. U vraagt de faciliteit aan bij de Belastingdienst. De inspecteur legt de voorwaarden vast in een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken.
  • Ruisend als alternatief. Bij een ruisende inbreng rekent u wél af over de stakingswinst. Dat kan aantrekkelijk zijn als u die winst kunt omzetten in een lijfrente bij uw eigen bv.

De voorwaarden

De Belastingdienst stelt aan de geruisloze inbreng een aantal standaardvoorwaarden (voor het laatst vastgesteld in het besluit van 30 juni 2010). De belangrijkste op een rij:

  • Zelfde gerechtigdheid. U moet als oprichter geheel of nagenoeg geheel (in de praktijk ten minste 90%) in dezelfde verhouding aandelen krijgen als uw aandeel in het ondernemingsvermogen. Brengt u samen met een compagnon in? Dan geldt dit per persoon.
  • Vervreemdingsverbod van drie jaar. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng? Dan mag dat alleen met voorafgaande toestemming van de Belastingdienst. U moet dan aantonen dat de inbreng geen onderdeel was van een plan om de onderneming te verkopen. Een aandelenfusie is onder voorwaarden wel toegestaan.
  • Termijn voor de oprichting. Kiest u voor terugwerkende kracht, dan gelden strakke termijnen. Werkt u met een geregistreerde voorovereenkomst, dan moet de bv binnen negen maanden na het overgangstijdstip zijn opgericht; met een notariële akte van depot geldt een termijn van vijftien maanden.
  • Vaststelling verkrijgingsprijs. De Belastingdienst stelt de verkrijgingsprijs van uw aandelen vast. Dat is van belang voor box 2, omdat u door de inbreng een aanmerkelijk belang in de bv krijgt (art. 4.36 Wet IB 2001).
  • Schriftelijke instemming. De bv moet schriftelijk akkoord gaan met de gestelde voorwaarden.

Voldoet u aan deze voorwaarden, dan zet u uw onderneming om zonder directe belastingheffing. Voldoet u er niet aan, dan volgt alsnog een ruisende inbreng mét afrekening.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil zijn onderneming in 2026 omzetten naar een bv. In de onderneming zitten stille reserves en goodwill van samen € 150.000. De vraag: ruisend inbrengen (afrekenen) of geruisloos inbrengen (doorschuiven)?

Scenario A – Ruisende inbreng (afrekenen) Bedrag
Stakingswinst (stille reserves + goodwill) € 150.000
Af: stakingsaftrek 2026 – € 3.630
Af: mkb-winstvrijstelling 12,7% – € 18.589
Belastbare stakingswinst € 127.781
Inkomstenbelasting box 1 (toptarief 49,50%) ± € 63.251
Direct te betalen ± € 63.251

 

Scenario B – Geruisloze inbreng (doorschuiven) Bedrag
Stakingswinst (onderneming geacht niet gestaakt) € 0
Boekwaarden schuiven door naar de bv
Direct te betalen € 0
Fiscale claim later: vennootschapsbelasting (19% / 25,8%) + box 2 (24,5% / 31%) bij realisatie

De conclusie: in dit voorbeeld houdt de ondernemer met de geruisloze inbreng ruim € 63.000 in de onderneming die hij anders meteen aan belasting kwijt zou zijn. Let op: dit is uitstel, geen afstel, de claim schuift door naar de bv. Bij de ruisende variant kunt u de heffing overigens ook uitstellen door een lijfrente bij uw eigen bv te bedingen. Wij rekenen met het toptarief; uw werkelijke tarief hangt af van uw overige inkomen.

Praktische gevolgen

  • Terugwerkende kracht en termijnen. U kunt de inbreng met terugwerkende kracht laten ingaan per het begin van een boekjaar. Bewaak de negen- of vijftienmaandstermijn scherp; te laat betekent geen geruisloze inbreng.
  • Voorovereenkomst registreren. Leg uw voornemen tijdig vast in een voorovereenkomst of intentieverklaring en laat die registreren bij de Belastingdienst, of gebruik een notariële akte van depot.
  • Beschrijving van activa en passiva. Bij de inbreng wordt een beschrijving van de bezittingen en schulden gemaakt. Deze mag niet ouder zijn dan zes maanden. Een omzetting in de eerste helft van het jaar voorkomt extra tussentijdse cijfers en kosten.
  • Aanmerkelijk belang (box 2). Na de inbreng bent u aandeelhouder met een aanmerkelijk belang. Uw vastgestelde verkrijgingsprijs is bepalend bij een latere verkoop of liquidatie van de bv.
  • Gebruikelijk loon. Als bestuurder-aandeelhouder krijgt u te maken met de gebruikelijkloonregeling en met de jaarlijkse afweging tussen loon en dividend.
  • Bestaande bv gebruiken. U hoeft niet per se een nieuwe bv op te richten. Een bestaande vennootschap kan ook, mits die op het overgangstijdstip een soortgelijke onderneming drijft.

Conclusie en advies

De geruisloze inbreng is aantrekkelijk als u wilt overstappen naar een bv zonder direct een belastingaanslag over uw stille reserves en goodwill te krijgen. De keuze tussen een geruisloze en een ruisende inbreng hangt af van uw cijfers, uw wens om af te rekenen of juist uit te stellen, en van de mogelijkheid om een lijfrente te bedingen. De voorwaarden luisteren nauw, vooral de termijnen en het vervreemdingsverbod van drie jaar. Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? De fiscalisten van Taxcount rekenen beide scenario’s voor u door en verzorgen het verzoek bij de Belastingdienst. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvende beoordeling van uw situatie.

Urencriterium 2026: haalt u de 1.225 uur en wat levert het op?

Werkt u als ondernemer hard aan uw bedrijf, dan wilt u ook de belastingvoordelen benutten die daarbij horen. De toegangspoort tot die voordelen is het urencriterium: de eis dat u genoeg tijd in uw onderneming steekt. Haalt u die drempel, dan mag u de ondernemersaftrek toepassen, met onder meer de zelfstandigenaftrek. Haalt u hem net niet, of kunt u uw uren niet aantonen, dan loopt u die aftrek mis of krijgt u achteraf een naheffing. In dit artikel leest u wat het urencriterium in 2026 precies inhoudt, welke uren meetellen, wat het u oplevert en hoe u uw uren waterdicht vastlegt.

Wat is het urencriterium?

Het urencriterium is de voorwaarde dat u minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteedt, en dat u daar (als u geen starter bent) ook het grootste deel van uw werktijd aan besteedt. Het criterium geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eenmanszaken, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Het geldt niet voor een bv (die valt onder de vennootschapsbelasting) en niet voor mensen met alleen loondienst of losse bijverdiensten.

Figuur 1 laat zien uit welke eisen het urencriterium bestaat en hoe de uitzondering voor starters werkt.

Figuur 1: de eisen van het urencriterium en de toegang tot de ondernemersaftrek.

De twee eisen: 1.225 uur en het grotendeelscriterium

Om het urencriterium te halen, moet u aan twee eisen voldoen die allebei gelden. Voor starters geldt alleen de eerste eis.

De 1.225-ureneis

U besteedt in het kalenderjaar ten minste 1.225 uur aan uw onderneming of ondernemingen. Dat komt neer op gemiddeld zo’n 24 uur per week. Deze drempel is een vast aantal en wordt niet naar rato verlaagd als u pas halverwege het jaar start: ook als starter in bijvoorbeeld juli moet u de volle 1.225 uur halen.

Het grotendeelscriterium (en de uitzondering voor starters)

Van al uw werktijd samen (uw onderneming, plus eventueel loondienst en bijverdiensten) moet meer dan de helft naar uw onderneming gaan. Deze tweede eis heet het grotendeelscriterium. Combineert u uw bedrijf met een baan, dan is dit vaak het lastigste punt: u moet aannemelijk maken dat u méér tijd aan de onderneming besteedt dan aan uw dienstbetrekking. Bent u starter (u was in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer), dan geldt het grotendeelscriterium niet en hoeft u alleen de 1.225 uur te halen.

Welke uren tellen mee (en welke niet)?

Alle tijd die u besteedt met het oog op de zakelijke belangen van uw bedrijf telt mee. Dat is dus veel meer dan alleen de declarabele of productieve uren. Denk aan administratie, het opstellen van offertes, reistijd en woon-werkverkeer, acquisitie, bijscholing om uw vakkennis op peil te houden en zelfs het afwikkelen van een gestaakt bedrijf.

Niet mee tellen onder meer ziekte-uren en uren waarin u alleen maar beschikbaar was zonder daadwerkelijk te werken. Er geldt wel een belangrijke tegemoetkoming bij zwangerschap: gedurende 16 weken rond de bevalling wordt u geacht gewoon te hebben doorgewerkt, zodat een zwangerschap uw urencriterium niet in gevaar brengt.

Wat levert het urencriterium op in 2026?

Haalt u het urencriterium, dan krijgt u toegang tot de ondernemersaftrek: een verzameling aftrekposten die uw belastbare winst verlagen. De belangrijkste bedragen voor 2026 staan in figuur 2.

Figuur 2: de aftrekposten die het urencriterium in 2026 ontsluit.

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dat bedrag is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd (in 2025 was het nog € 2.470) en daalt in 2027 verder naar € 900. Juist daardoor worden de andere aftrekposten relatief belangrijker. Starters krijgen bovenop de zelfstandigenaftrek de startersverhoging van € 2.123, die u in de eerste vijf jaar maximaal drie keer mag toepassen. Doet u speur- en ontwikkelingswerk met een S&O-verklaring, dan komt daar de S&O-aftrek van € 15.979 bij (met € 7.996 extra voor starters), mits u ook ten minste 500 S&O-uren maakt. Werkt uw partner onbetaald mee, dan kan de meewerkaftrek oplopen tot 4% van de winst.

Een rekenvoorbeeld maakt het concreet. Sara start in 2026 een webshop naast haar baan van drie dagen. Ze werkt 1.300 uur in de webshop. Als starter hoeft ze niet aan het grotendeelscriterium te voldoen, dus met 1.300 uur haalt ze het urencriterium. Ze krijgt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 plus de startersverhoging van € 2.123, samen € 3.323 minder belastbare winst. Let op: de MKB-winstvrijstelling (12,7% van de winst) en de stakingsaftrek kennen geen urencriterium; die krijgt u dus ook zonder de 1.225 uur.

Let op bij een meewerkende partner

Werkt uw partner of een familielid met u samen in een vof of maatschap, dan tellen die uren niet altijd mee. De uren tellen niet mee als het werk van de partner voor 70% of meer uit ondersteunende taken bestaat (zoals administratie, telefoon aannemen of schoonmaak) én zo’n samenwerkingsverband tussen niet-verwanten ongebruikelijk zou zijn. Beide voorwaarden moeten samen gelden.

Het klassieke voorbeeld uit de wetsgeschiedenis is de huisarts wiens echtgenoot alleen de administratie doet: die partneruren tellen niet mee. Overweegt u een vof of maatschap met uw partner, laat dan vooraf toetsen of diens uren meetellen. Dat voorkomt een verrassing achteraf.

Houd een sluitende urenadministratie bij

De bewijslast ligt bij u: u moet aannemelijk maken dat u de uren echt heeft gewerkt, ook als de Belastingdienst pas jaren later navordert. Een controleerbare urenadministratie met per dag de datum, de activiteit en het aantal uren is daarom in de praktijk onmisbaar. Te algemene omschrijvingen zoals ‘literatuuronderzoek’ zijn niet genoeg.

Kunt u de uren niet onderbouwen, dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. Begin daarom aan het begin van het jaar met bijhouden en wacht niet tot de aangifte. Taxcount stelt hiervoor desgewenst een urenstaat beschikbaar.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd het hele jaar uw uren bij. Noteer per dag datum, activiteit en aantal uren; ook administratie, reistijd en acquisitie tellen mee.
  • Toets het grotendeelscriterium. Heeft u ook een baan? Controleer dan of meer dan de helft van uw totale werktijd naar uw onderneming gaat (geldt niet voor starters).
  • Check uw starterspositie. Was u in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer, dan hoeft u alleen de 1.225 uur te halen en heeft u recht op de startersverhoging.
  • Toets partneruren vooraf. Werkt uw partner mee, ga dan na of diens uren meetellen voordat u een vof of maatschap aangaat.
  • Benut alle aftrekposten. Naast de zelfstandigenaftrek kunt u mogelijk de startersverhoging, S&O-aftrek en meewerkaftrek toepassen.
  • Denk aan de zwangerschapsregeling. Bij zwangerschap wordt u 16 weken geacht te hebben doorgewerkt; die uren tellen dus mee.

Veelgestelde vragen

Hoeveel uur is het urencriterium in 2026?

Het urencriterium is 1.225 uur per kalenderjaar, ongeacht wanneer u in het jaar bent gestart. Dat is gemiddeld ongeveer 24 uur per week. Daarnaast geldt voor niet-starters het grotendeelscriterium.

Wat is de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek € 1.200. Dit bedrag is de afgelopen jaren verlaagd en daalt in 2027 verder naar € 900. Starters krijgen bovendien de startersverhoging van € 2.123.

Tellen reistijd en administratie mee voor het urencriterium?

Ja. Alle tijd die u besteedt met het oog op de zakelijke belangen van uw onderneming telt mee, dus ook administratie, offertes, acquisitie, reistijd en bijscholing. Ziekte-uren en uren waarin u alleen beschikbaar was, tellen niet mee.

Geldt het urencriterium ook als ik daarnaast een baan heb?

Ja, maar dan is het grotendeelscriterium vaak het knelpunt: u moet aannemelijk maken dat u meer tijd aan uw onderneming besteedt dan aan uw dienstbetrekking. Bent u starter, dan vervalt die eis en telt alleen de 1.225 uur.

Wat gebeurt er als ik mijn uren niet kan aantonen?

Dan wordt de ondernemersaftrek geweigerd of nagevorderd, eventueel met belastingrente. De bewijslast ligt bij u, dus een sluitende urenadministratie is essentieel om uw recht op de aftrek veilig te stellen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Het urencriterium lijkt eenvoudig, maar de details bepalen of u de aftrek krijgt: het grotendeelscriterium naast een baan, de starterspositie, meetellende partneruren en vooral een bewijskrachtige urenadministratie. Taxcount helpt u om de eisen goed te toetsen, uw urenregistratie op orde te brengen en alle aftrekposten die u toekomen te benutten. Twijfelt u of u het urencriterium haalt of hoe u uw uren het beste vastlegt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u aftrekposten claimt.

Gratis hulpmiddelen

Download de documenten hieronder en ontvang ze direct in uw mailbox.

Zie ook:

Bronnen:

Verhuiskosten, dubbele huisvesting en privéauto voor ondernemers

Als ondernemer mag je veel zakelijke kosten van je winst aftrekken. Maar bij sommige kosten zet de wet bewust een rem: je mag ze maar beperkt aftrekken, óók al zijn ze zakelijk.

Die beperkingen staan in artikel 3.17 Wet inkomstenbelasting 2001. Dit artikel gaat vooral over:

  • verhuiskosten (verhuizen voor je onderneming)
  • dubbele huisvesting (twee woonplaatsen door je bedrijf)
  • privévervoermiddelen (zoals je privéauto, motor of fiets)
  • en het gebruik van privébezittingen in je onderneming

Het idee: deze uitgaven zijn deels zakelijk, maar hebben óók een privévoordeel. De wet beperkt daarom de aftrek met forfaits, termijnen en maxima.

 

1. Wanneer geldt artikel 3.17?

Artikel 3.17 hoort bij een rijtje aftrekbeperkingen (art. 3.14 t/m 3.17). Pas als duidelijk is dat een uitgave zakelijk is, kijk je of dit artikel de aftrek beperkt. Het gaat om:

  • Ondernemers in de inkomstenbelasting (zzp, eenmanszaak, vof, maatschap, cv)
  • Medegerechtigden (bijvoorbeeld stille vennoten)
  • Resultaatgenieters (inkomsten uit overige werkzaamheden)

Het artikel geldt niet voor BV’s en NV’s (vennootschapsbelasting).

 

2. Verhuiskosten ondernemer – wat is aftrekbaar?

2.1. Verhuizen voor je onderneming

Artikel 3.17 beperkt de aftrek van verhuiskosten naar een andere woonruimte. Het gaat om verhuizingen die een zakelijk tintje hebben, bijvoorbeeld:

  • je onderneming verhuist naar een andere plaats en jij verhuist mee
  • je gaat dichter bij je bedrijf wonen om je werk goed te kunnen doen
  • je begint je onderneming op een nieuwe locatie en verhuist daarom

Belangrijk: eerst moet duidelijk zijn dat de verhuizing zakelijk noodzakelijk of in elk geval zakelijk verdedigbaar is. Als je puur privé groter of mooier wilt wonen, is er géén aftrek.

2.2. Hoeveel verhuiskosten mag je aftrekken?

Bij een zakelijke verhuizing zijn twee soorten kosten relevant:

  1. Kosten van het overbrengen van de inboedel
    • verhuisbedrijf, huur busje, tijdelijke opslag
    • als de verhuizing zakelijk is, zijn deze kosten volledig aftrekbaar.
  2. Overige verhuiskosten
    • denk aan herinrichting, schilderwerk, aansluiten nutsvoorzieningen, schoonmaak
    • hiervoor geldt een forfaitair maximumbedrag.
    • de wet gaat ervan uit dat je altijd zulke extra kosten hebt; je hoeft ze niet één voor één te bewijzen.

De wet hanteert dus:

werkelijke kosten van de verhuizing van je inboedel + een vast (forfaitair) bedrag aan overige verhuiskosten.

2.3. Verhuiskosten per verhuizing, per huishouden, per ondernemer

Een paar belangrijke nuances:

  • De aftrek geldt per verhuizing.
  • Verhuis je eerst naar een tijdelijke woning en daarna naar je definitieve woning?
    → Fiscaal wordt dat gezien als één verhuizing: je hebt dus maar één keer recht op het forfait voor beide verhuizingen samen.
  • Wonen jij en je partner samen en zijn jullie beiden ondernemer?
    → Dan geldt de verhuiskosten‑aftrek maar één keer per huishouden, niet dubbel.
  • Heb je meerdere ondernemingen (bijvoorbeeld een eenmanszaak én een maatschap)?
    → Dan mag je de (maximaal toegestane) verhuiskosten maar bij één onderneming in aftrek brengen.

 

3. Wanneer is een verhuizing “in het kader van de onderneming”?

De vraag of een verhuizing zakelijk is, geeft in de praktijk veel discussie. Daarom is er een ministeriële regeling met een soort “automatische ja‑check”.

3.1. Onweerlegbaar vermoeden: afstand ≥ 25 km én 60% ingekort

Volgens die regeling geldt:

Je bent in elk geval in het kader van de onderneming verhuisd als:

  • de afstand tussen woning en bedrijf vóór de verhuizing minstens 25 km was, én
  • je binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming verhuist, én
  • de afstand tussen woning en bedrijf door de verhuizing met minimaal 60% wordt verkleind.

Voorbeeld:

  • Voor verhuizing: 80 km van woning naar bedrijf
  • Na verhuizing: 30 km
  • Verkorting: 50 km = 62,5% → zakelijk verhuismotief wordt automatisch aangenomen.

In andere situaties kan de verhuizing óók zakelijk zijn, maar dan moet je dat zelf aannemelijk maken (bijvoorbeeld om gezondheidsredenen, of omdat je anders het werk niet praktisch kunt doen).

 

4. Dubbele huisvesting: twee woonplekken door je bedrijf

Soms ga je (nog) niet meteen verhuizen, maar heb je tijdelijk twee woonplekken:

  • je eigen woning (waar je gezin blijft wonen)
  • én een tweede woning / appartement / hotel / stacaravan in de buurt van je onderneming

Artikel 3.17 beperkt ook de aftrek van deze extra huisvestingskosten buiten je woonplaats.

4.1. Welke kosten vallen hieronder?

Het gaat bijvoorbeeld om:

  • huur van een tweede woning/appartement
  • hotelovernachtingen op vaste basis (bijvoorbeeld 2–3 nachten per week in hetzelfde hotel)
  • bijkomende kosten die direct samenhangen met die tweede huisvesting

Voorwaarde: de kosten moeten zakelijk zijn – bijvoorbeeld omdat de afstand tussen je woonhuis en onderneming anders niet werkbaar is.

4.2. Maximale duur: 24 maanden

De extra huisvestingskosten zijn fiscaal aftrekbaar voor maximaal 24 maanden. Daarna ziet de wet de kosten als privé (je kiest er dan in feite voor om structureel twee woonplaatsen te hebben).

Belangrijk:

  • Die termijn van 24 maanden geldt per situatie van dubbele huisvesting.
  • Ontstaan de dubbele woonlasten al vóórdat je officieel ondernemer wordt? Dan kan de 24‑maandentermijn in de praktijk gaan lopen vanaf de start van de onderneming.

Ook hier geldt weer: heb je meerdere ondernemingen, dan tel je de kosten bij elkaar op en mag je de aftrek maar één keer claimen in je totaalwinst.

 

5. Privéauto, motor, fiets: kilometervergoeding voor ondernemers

Artikel 3.17 bevat ook een belangrijke beperking voor privévervoermiddelen: de auto, motor of fiets die tot je privévermogen behoort en die je zakelijk gebruikt.

5.1. Hoofdregel: vaste kilometervergoeding

Gebruik je je privéauto (of motor/fiets) voor zakelijke ritten? Dan mag je de kosten niet onbeperkt op de winst zetten. De wet zegt:

je mag per zakelijke kilometer een forfaitair bedrag in aftrek brengen, ongeacht de werkelijke kosten.

Dit bedrag sluit aan bij de maximale onbelaste reiskostenvergoeding in de loonbelasting (bijvoorbeeld € 0,23 per km in recente jaren). Het geldt voor alle vervoermiddelen: auto, motor, scooter, fiets.

Belangrijke gevolgen:

  • heb je hoge werkelijke kosten (afschrijving, onderhoud, verzekering)? → tóch maximaal het forfait per km
  • zijn je werkelijke kosten lager dan het forfait? → dan is het forfait vaak juist gunstig
5.2. Wie rijdt maakt niet uit

De beperking geldt voor het vervoermiddel, niet voor wie er rijdt. Dus ook als:

  • je medewerker in jouw privéauto rijdt voor de onderneming, of
  • je partner of kind rijdt in jouw privéauto voor zakelijke doeleinden

…dan blijft de aftrek gebonden aan de kilometervergoeding, zolang de auto tot jouw privévermogen behoort.

 

6. Privébezittingen zakelijk gebruiken

Artikel 3.17 kijkt niet alleen naar vervoermiddelen, maar ook naar andere privébezittingen die je zakelijk inzet – denk aan:

  • een privéboot die je incidenteel zakelijk gebruikt
  • een privévakantiewoning die je deels verhuurt aan je eigen onderneming
  • andere roerende zaken die in box 3 zitten

In dat geval geldt vaak:

De aftrek is beperkt tot maximaal het voordeel in box 3 (het fictieve rendement).
In de praktijk komt dat vaak neer op geen of nauwelijks aftrek, omdat het voordeel box 3 al laag of nihil is.

Zo voorkomt de wet dat je via je onderneming allerlei privébezittingen “leeg trekt” met hoge aftrek van kosten.

 

7. Eén ondernemer, meerdere ondernemingen

Heb je meerdere activiteiten, bijvoorbeeld:

  • een eenmanszaak én een vof
  • meerdere eenmanszaken
  • onderneming + resultaat uit overige werkzaamheden

…dan mag je de beperkt aftrekbare kosten (verhuiskosten, dubbele huisvesting, privévervoer) niet dubbel claimen.

Artikel 3.17 zegt dat deze kosten voor al je activiteiten samen maar één keer in aanmerking mogen worden genomen. Jij kiest bij welke onderneming je de aftrek boekt.

 

8. Praktische voorbeelden voor ondernemers

Voorbeeld 1 – Verhuizing voor de onderneming

Je salon verhuist van Arnhem naar Utrecht. Jij verhuist met je gezin mee.

  • Kosten verhuisbedrijf: € 2.500
  • Overige kosten (schilderen, behang, aansluitkosten): in werkelijkheid € 6.000

Fiscale behandeling (vereenvoudigd):

  • kosten verhuisbedrijf: volledig aftrekbaar
  • overige kosten: aftrekbaar tot het forfaitaire maximum (ongeacht of je € 3.000 of € 10.000 uitgeeft)

Is de verhuizing deels privé (je wilde ook groter wonen, betere buurt)? Dan blijft het zakelijk karakter vaak overeind, maar het forfait dekt meteen het privédeel af.

 

Voorbeeld 2 – Dubbele huisvesting

Je woont met je gezin in Groningen, maar start een praktijk in Eindhoven.
De afstand is niet werkbaar, dus je huurt daar een appartement voor 3 dagen per week.

  • Huur appartement: € 900 per maand
  • Looptijd dubbele huisvesting: 20 maanden

De extra woonlasten in Eindhoven mogen tot maximaal 24 maanden in de winst worden opgenomen. Daarna worden ze als privé gezien.

 

Voorbeeld 3 – Privéauto zakelijk gebruiken

Je rijdt 18.000 zakelijke kilometers per jaar met je privéauto.

  • Je mag voor die kilometers een bedrag per km in aftrek brengen (het fiscaal toegestane tarief).
  • Je werkelijke kosten (afschrijving, brandstof, onderhoud) kunnen hoger of lager zijn – dat maakt voor de aftrek niet uit.

Wil je méér aftrekken dan het forfait, dan moet je doorgaans overwegen de auto tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Dat heeft weer andere gevolgen (bijtelling privégebruik, btw, et cetera).

 

9. Veelgemaakte fouten in de praktijk

Een greep uit wat wij bij ondernemers regelmatig zien:

  • Verhuizing om privéredenen (bijv. groter huis, tweede kind) tóch als zakelijke verhuizing opvoeren.
  • Dubbele huisvesting langer dan 24 maanden blijven aftrekken.
  • Naast de forfaitaire verhuiskosten óók nog losse kosten (zoals bezichtigingen, extra reiskosten) apart opvoeren.
  • Met de privéauto zowel het volledige kostenplaatje boeken als de kilometervergoeding hanteren.
  • Privébezittingen zakelijk gebruiken en alle kosten aftrekken, terwijl art. 3.17 hier een harde grens zet.

10. Hoe helpt Taxcount?

De regels van artikel 3.17 zijn technisch, maar de impact is heel concreet:

  • Te véél aftrekken → risico op correcties, rente en soms boetes.
  • Te weinig aftrekken → je betaalt onnodig veel belasting.

We helpen je om:

  • te bepalen of een verhuizing of dubbele huisvesting fiscaal zakelijk en aftrekbaar is
  • de juiste kilometerkeuze te maken (privéauto of zakelijke auto)
  • privébezittingen op de fiscaal meest gunstige manier te gebruiken
  • je administratie zo in te richten dat je bij een controle sterk staat

Wil je weten welke kosten jij wél en niet mag aftrekken onder artikel 3.17?  Plan een afspraak via taxcount.nl of neem direct contact met ons op.

Wij vertalen de fiscale regels naar heldere keuzes voor jouw onderneming,  zodat jij met een gerust hart verder kunt bouwen aan je bedrijf.

Welke kosten mag je níet aftrekken als ondernemer?

Als ondernemer wil je natuurlijk zo veel mogelijk zakelijke kosten aftrekken. Maar de Belastingdienst zet bij een aantal uitgaven heel bewust een kruis: die zijn (bijna) nooit aftrekbaar, óók al hebben ze een zakelijk tintje. Die regels staan in artikel 3.16 Wet inkomstenbelasting 2001. Daarin gaat het vooral om kosten die eigenlijk vooral jou persoonlijk bevoordelen.

Op deze pagina leggen we in gewone taal uit wat dit artikel betekent, met praktische voorbeelden. Zo weet je meteen waar je aan toe bent als ondernemer.

Wat regelt artikel 3.16 precies?

Artikel 3.16 gaat over “van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de ondernemer zelf”. Dat zijn kosten die je wél in je boekhouding ziet, maar die je niet van je winst mag aftrekken. Kort samengevat gaat het om:

  • werkruimte in je eigen woning (thuiswerkplek)
  • telefoonabonnementen in je woning
  • literatuur (behalve echte vakliteratuur)
  • kleding (behalve echte werkkleding)
  • persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, etc.)
  • de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor jezelf
  • reizen en verblijf bij congressen, cursussen, studiereizen (met een plafond en uitzonderingen)
  • vergoedingen aan je partner onder een bepaalde grens
  • loonbelasting en premies volksverzekeringen die over jouw eigen winst zijn ingehouden

Belangrijk: eerst moet een uitgave zakelijk zijn. Pas daarna kijken we of artikel 3.16 zegt: “dit mag tóch niet in aftrek”.


Snel overzicht: wat valt er onder artikel 3.16?

Een beknopt “spiekbriefje” voor ondernemers:

Kostenpost Hoe kijkt de fiscus ernaar? Aftrekbaar?*
Thuiswerkplek / werkruimte in eigen woning Alleen aftrek als de ruimte zelfstandig is (eigen ingang, eigen sanitair) én je er het grootste deel van je inkomen verdient. Vaak niet
Telefoonabonnement in je woning Abonnement zelf niet aftrekbaar; zakelijke gespreks- of mobiele kosten vaak wél. Beperkt
Kranten, tijdschriften, romans Algemeen / privé → niet aftrekbaar. Nee
Vakliteratuur (bijv. specialistisch vakblad) Alleen als het duidelijk bij je beroep past. Ja
Normale kleding (pak, jurk, schoenen) Wordt gezien als privé; ook al draag je het alleen “voor je werk”. Nee
Werkkleding (uniform, veiligheidskleding, kleding met groot logo) Specifiek en niet normaal privé te dragen. Meestal wel
Persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, spa) Privévoordeel staat centraal. Nee
Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw voor jezelf Specifiek uitgesloten van aftrek in de winst. Nee
Reis & verblijf bij cursussen, congressen, studiereizen Aftrek beperkt; in principe max. € 1.500 per jaar per ondernemer, met uitzonderingen. Beperkt
Vergoeding aan meewerkende partner < € 5.000 Niet aftrekbaar bij jou, en ook geen belast loon bij je partner. Nee
Loonbelasting & premies volksverzekeringen over jouw winst Worden al verrekend als voorheffing, daarom geen extra aftrek in de winst. Nee

* Natuurlijk: situatieafhankelijk. Laat het altijd beoordelen.


Thuiswerkplek / werkruimte in je woning

1. De hoofdregel: thuiswerkplek is meestal níet aftrekbaar

Werk je aan de keukentafel, op zolder of in een hoek van de woonkamer? Dan ziet de Belastingdienst dat meestal als onderdeel van je privéwoning. De kosten van de ruimte (huur, hypotheek, energie, inrichting) zijn dan niet aftrekbaar als zakelijke kosten.

2. Wanneer is een werkruimte wél “fiscale werkruimte”?

Een werkruimte in je woning telt pas echt als zakelijke werkruimte als:

  1. De ruimte een zelfstandig deel van de woning vormt (zelfstandigheidscriterium):
    • eigen ingang of opgang
    • eigen sanitair / voorzieningen
    • zó zelfstandig dat je het in theorie aan een derde zou kunnen verhuren als kantoor of praktijkruimte.
  2. Je voldoet aan het inkomenscriterium:
    • grofweg moet het grootste deel (± 70%) van je relevante inkomen in of vanuit die werkruimte worden verdiend.

Wordt aan beide voorwaarden voldaan, dan kan de werkruimte fiscaal als werkruimte worden behandeld en kunnen de kosten (onder voorwaarden) wél in aftrek komen.

3. Extra beperking vanaf 2025

Vanaf 1 januari 2025 is er nog een extra beperking: ook in situaties waarin de woning zelf tot het ondernemingsvermogen behoort, zijn de gebruikelijke “huurderskosten” (gas, water, licht, inrichting, gemeentelijke lasten) voor een niet‑zelfstandige werkruimte niet aftrekbaar. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak.

 

Telefoon, literatuur en kleding

Telefoonabonnement thuis

Artikel 3.16 sluit de abonnementskosten van telefoonaansluitingen in je woning uit van aftrek. Het gaat om het vaste abonnement; de zakelijke gesprekskosten of kosten van een zakelijke mobiele telefoon kunnen vaak wél (gedeeltelijk) in de winst worden opgenomen.

Kort gezegd:

  • Vast thuisabonnement → niet aftrekbaar
  • Zakelijke mobiele telefonie → meestal (gedeeltelijk) wel aftrekbaar
Boeken, kranten en tijdschriften

De wet maakt verschil tussen:

  • Algemene literatuur (kranten, romans, algemene tijdschriften) → hoort bij het privéleven → niet aftrekbaar.
  • Vakliteratuur → boeken en bladen die duidelijk en specifiek bij jouw beroep horen → wel aftrekbaar.

De grens is: lees je het als professional, of vooral als privé-persoon?

Kleding versus werkkleding

Normale kleding, ook een “net pak”, is volgens de Belastingdienst vooral privé. Ook als je zegt: “ik draag dit alleen zakelijk”, maakt dat het nog geen zakelijke kost.

Alleen werkkleding is aftrekbaar. Denk aan:

  • uniformen
  • veiligheidskleding (bijvoorbeeld veiligheidsschoenen, helm)
  • kleding met een duidelijk en permanent bedrijfslogo die je niet normaal privé zou dragen

 

Persoonlijke verzorging en zorgverzekering

Persoonlijke verzorging

Kosten zoals:

  • kapper of barber
  • cosmetica
  • nagelstudio
  • huidverzorging

worden gezien als uitgaven met een overheersend privékarakter. Daarom zijn ze op grond van artikel 3.16 niet aftrekbaar, ook niet als je “representatief” wilt zijn voor klanten.

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw)

De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die je voor jezelf betaalt, mag je niet als ondernemingskosten aftrekken. Die bijdrage wordt in artikel 3.16 specifiek uitgezonderd.

Let op: als je als ondernemer ook werkgever bent, is de werkgeversheffing over het loon van je werknemers wél gewoon aftrekbaar van de winst.

 

Reizen en verblijf voor congressen, cursussen en opleidingen

Volg je als ondernemer congressen, seminars, studiereizen of cursussen? Dan geldt voor reis- en verblijfkosten een speciale beperking:

  • in principe is de aftrek per jaar gemaximeerd op € 1.500
  • gaat het bedrag daarboven? Dan is het meerdere alleen aftrekbaar als je aannemelijk maakt dat jouw werk zó is dat deelname noodzakelijk is (bijvoorbeeld een specialist die alleen in het buitenland relevante congressen kan volgen).

De cursuskosten zelf (bijscholing, op peil houden van bestaande vakkennis) kunnen, als ze zakelijk zijn, wél tot de normale ondernemingskosten horen. De wet en rechtspraak maken daarbij onderscheid tussen:

  • bijhouden van bestaande vakkennis → kan ondernemingskost zijn
  • vergroten / verbreden van vakkennis (nieuwe richting) → sneller privé of in een andere fiscale regeling

 

Meewerkende partner en voorheffingen

Vergoeding aan partner tot € 5.000

Betaal je je partner een vergoeding voor meewerken in de onderneming die lager is dan € 5.000 per jaar, dan zegt artikel 3.16:

  • die vergoeding is bij jou niet aftrekbaar;
  • en bij je partner niet belast als loon of resultaat.

De regeling is vooral bedoeld om discussies over kleine “partnervergoedingen” te voorkomen.

Let op: deze regeling hangt samen met de meewerkaftrek – daar moet vaak goed naar gekeken worden in de aangifte.

Loonbelasting en premies volksverzekeringen

Loonbelasting en premies volksverzekeringen die al als voorheffing op jouw inkomsten in box 1 zijn ingehouden, worden via de aanslag inkomstenbelasting verrekend. Daarom mag je die bedragen niet óók nog als kosten in de winst aftrekken.

 

Veelgemaakte fouten door ondernemers

Een paar klassiekers die we bij Taxcount vaak zien:

  • Thuiswerkplek afschrijven terwijl die niet zelfstandig is
    → bijvoorbeeld een bureau op zolder zonder eigen ingang en sanitair.
  • Thuisabonnement en internet volledig als kosten boeken
    → terwijl er een groot privégebruik is en het abonnement zelf onder artikel 3.16 kan vallen.
  • Alle kleding als werkkleding opvoeren
    → een blauw pak is voor de fiscus geen werkkleding, hoe zakelijk je het ook vindt.
  • Cursusreis als “volledige zakelijke trip” boeken
    → terwijl er duidelijk ook een vakantie-element in zit; dan grijpt artikel 3.16 in.
  • Partner een kleine vergoeding betalen en volledig als loon aftrekken
    → vergoedingen onder € 5.000 vallen onder de aftrekbeperking.

 

Hoe helpt Taxcount.nl jou met artikel 3.16?

De regels van artikel 3.16 zijn technisch, maar de gevolgen zijn heel concreet:

  • foutieve aftrek → risico op correcties, naheffingen en boetes
  • gemiste mogelijkheden → onnodig hoge belastingdruk

Bij Taxcount helpen we je om:

  • te bepalen welke kosten écht zakelijk aftrekbaar zijn
  • slim om te gaan met werkruimte, opleidingen en reiskosten
  • vergoedingen aan partner en andere gezinsleden juist vorm te geven
  • je administratie zó in te richten dat je goed voorbereid bent bij een controle

 

Hulp nodig bij niet‑aftrekbare kosten?

Twijfel je of bepaalde kosten onder artikel 3.16 vallen?
Stuur ons je situatie, of plan direct een afspraak via ons contactpagina.

Wij vertalen de fiscale regels naar duidelijke keuzes voor jouw onderneming, zodat jij zeker weet dat je foutloos én optimaal gebruikmaakt van de aftrek die wél mag.

Starten met een onderneming? Zo benut je fiscale aanloopkosten optimaal

Artikel 3:10 Wet IB 2001 biedt startende ondernemers de mogelijkheid om zakelijke kosten die al vóór de officiële start zijn gemaakt, fiscaal af te trekken. Dit verlaagt de winst in het eerste ondernemersjaar en opent mogelijkheden voor verliesverrekening. Een krachtige regeling die direct invloed heeft op je liquiditeit en belastingdruk.

Wat zijn aanloopkosten volgens artikel 3:10 Wet IB 2001?

Aanloopkosten zijn zakelijke uitgaven die je maakt tijdens de voorbereidingsfase van je onderneming, binnen de vijf jaren vóór het eerste ondernemersjaar. Denk aan kosten voor onderzoek, advies of de inrichting van je toekomstige werkplek.

Voorbeelden van aftrekbare aanloopkosten
  • Marktonderzoek en analyses
  • Advies van accountant, fiscalist, jurist of consultant
  • Reiskosten voor oriënterende gesprekken
  • Huur en inrichting van een werkruimte
  • Software en licenties ter voorbereiding op de bedrijfsvoering

Belangrijk: deze regeling geldt voor ondernemers in box 1, niet voor medegerechtigden zoals vennoten van een VOF of CV.

 

Voorwaarden voor aftrek van aanloopkosten

Om de aftrek succesvol te kunnen toepassen, moeten de uitgaven voldoen aan een aantal wettelijke criteria.

1. Zakelijk en causaal verband

De kosten moeten aantoonbaar gericht zijn op het opzetten van de onderneming.

2. Per saldo resterend bedrag

Opbrengsten in dezelfde periode worden eerst met de gemaakte kosten gesaldeerd.

3. Moment van prestatie telt

Het jaar van de dienst of levering bepaalt wanneer de kosten fiscaal meetellen.

4. Vijfjaarsgrens

Alleen kosten binnen de vijf jaar vóór de start tellen mee.

5. Controleerbare administratie

De Belastingdienst moet de aftrek kunnen toetsen; correcte vastlegging is verplicht.

6. Geen rente of voorzieningen

Alleen daadwerkelijke kosten mogen worden meegenomen.

 

Hoe werkt het ‘per saldo resterend’-principe?

Het aftrekbare bedrag wordt berekend door kosten te verminderen met eventuele opbrengsten in dezelfde periode.

Voorbeeld:

  • Aanloopkosten 2020–2024: € 8.000
  • Opbrengsten nevenactiviteiten: € 2.000
  • Aftrekbaar in 2025: € 6.000

Verliesverrekening: direct én toekomstig belastingvoordeel

Een negatief resultaat in het eerste jaar door aftrek van aanloopkosten kan worden verrekend:

Carry back (3 jaar terug)

Je ontvangt belasting terug over eerdere jaren.

Carry forward (9 jaar vooruit)

Niet verrekende verliezen mag je meenemen naar toekomstige jaren, vaak fiscaal aantrekkelijker.

Rekenvoorbeeld:

  • Winst 2025 vóór aftrek: € 20.000
  • Aanloopkosten: € 30.000
  • Fiscaal resultaat: – € 10.000
  • Carry back naar 2023 → teruggave: € 2.960
  • Carry forward naar 2026 → belastingbesparing: € 4.950

Praktijkvoorbeelden van aftrekbare aanloopkosten

  • Training geboekt in 2024, gevolgd in 2025
  • Adviestraject gestart in 2024, uitgevoerd in 2025
  • Software gekocht in 2024, gebruikt vanaf 2025
  • Marketingcampagne besteld in 2024, live bij start in 2025
  • Huur of kantoorinrichting voorafgaand aan opening

Kernvragen voor ondernemers:

  • Zijn de kosten zakelijk?
  • Zijn eventuele opbrengsten gesaldeerd?
  • Vallen de uitgaven binnen de vijfjaarsperiode?
  • Is de onderneming feitelijk gestart?
  • Is de bewijsvoering overtuigend en compleet?

Conclusie: benut aanloopkosten voor een sterke fiscale start

Artikel 3:10 Wet IB biedt starters een waardevol instrument om hun onderneming fiscaal optimaal te lanceren. Door aanloopkosten slim toe te passen, kun je:

  • de winst in het eerste jaar verlagen;
  • verliesverrekening optimaal benutten;
  • de liquiditeit verbeteren;
  • fiscale risico’s beperken door juiste documentatie en toepassing.

Een doordachte inzet van deze regeling zorgt voor directe én toekomstige belastingvoordelen. Wil je je administratie vanaf de start goed geregeld hebben? Bekijk dan onze dienstenpagina over boekhouding en financiële administratie.

 

Van Eenmanszaak naar BV: Wanneer is het Tijd voor de Overstap?

Uw eenmanszaak groeit en de winst stijgt. Een fantastische prestatie! Met die groei komt onvermijdelijk de vraag: is het tijd om de overstap te maken naar een Besloten Vennootschap (BV)? Deze beslissing hangt af van twee cruciale factoren: de fiscale voordelen en de beperking van uw persoonlijke aansprakelijkheid. In dit artikel leggen we uit wanneer de BV de slimmere keuze wordt.

Het Fiscale Omslagpunt: De €100.000-Vuistregel

Fiscaal gezien is er een omslagpunt waarop de belastingdruk in een BV lager wordt dan in een eenmanszaak. Als algemene vuistregel wordt vaak een winst van circa €100.000 per jaar gehanteerd.

  • Onder de €100.000: De eenmanszaak is meestal voordeliger. U profiteert van waardevolle aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, die uw belastbaar inkomen aanzienlijk verlagen.
  • Boven de €100.000: De BV wordt vaak aantrekkelijker. De ondernemersaftrekposten vervallen, maar u profiteert van een lager vennootschapsbelastingtarief op de winst die in de BV achterblijft.

Het is echter cruciaal om te begrijpen dat dit een vuistregel is. De hoogte van uw DGA-salaris (het loon dat u uzelf uitkeert vanuit de BV) heeft een enorme invloed. Een hoger salaris wordt zwaarder belast in de inkomstenbelasting (Box 1), waardoor het fiscale voordeel van de BV pas bij een hogere winst wordt bereikt.

Het Voordeel van Beperkte Aansprakelijkheid

Misschien wel het belangrijkste voordeel van een BV is de juridische bescherming van uw privévermogen.

  • In een eenmanszaak bent u en uw bedrijf juridisch gezien één. Als uw bedrijf schulden maakt of een schadeclaim krijgt, bent u met uw volledige privévermogen aansprakelijk. Uw spaargeld, uw auto en zelfs uw huis kunnen in gevaar komen.
  • In een BV is er een strikte scheiding. De BV is een aparte rechtspersoon. Schulden en claims zijn in principe van de BV, niet van u persoonlijk. Uw privévermogen is veilig.

Een praktisch voorbeeld: Stel, u levert een product en een klant stelt u aansprakelijk voor €50.000 schade.

  • Met een eenmanszaak: Als de rechter de klant gelijk geeft, kan er beslag worden gelegd op uw privé-bankrekening en woning.
  • Met een BV: De claim is gericht aan de BV. Alleen het vermogen binnen de BV kan worden aangesproken. Uw privébezittingen blijven buiten schot.

Let op: Deze bescherming is niet absoluut. Bij ‘onbehoorlijk bestuur’, zoals fraude of het bewust aangaan van verplichtingen die de BV niet kan nakomen, kunt u als bestuurder alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Conclusie en Advies

De overstap van een eenmanszaak naar een BV is een strategische beslissing die verder gaat dan alleen de winstcijfers. Het is een afweging tussen fiscale optimalisatie en het afdekken van persoonlijke risico’s. De €100.000-grens is een nuttige indicator, maar het werkelijke omslagpunt is afhankelijk van uw specifieke situatie, uw salariswensen en uw risicobereidheid.

De juiste keuze is maatwerk en kan u op de lange termijn duizenden euro’s en veel kopzorgen besparen. Wilt u een heldere berekening die is toegespitst op uw onderneming? Neem contact met ons op. Wij analyseren uw situatie en adviseren u over de meest voordelige en veilige route voor uw toekomst.