Willekeurige afschrijving 2026: zelf je afschrijvingstempo bepalen en belasting uitstellen

 

Investeer je in een bedrijfsmiddel, dan schrijf je de aanschafprijs normaal in vaste jaarlijkse stappen af. Bij bepaalde investeringen mag je dat tempo echter zelf bepalen. Dat heet willekeurige afschrijving en het levert je een liquiditeits- en rentevoordeel op: je haalt de aftrek naar voren, verlaagt je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. In 2026 geldt willekeurige afschrijving vooral voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (de VAMIL) en voor investeringen van startende ondernemers. In dit artikel lees je hoe willekeurige afschrijving werkt, voor wie zij geldt, wat zij oplevert en aan welke voorwaarden en termijnen je moet voldoen.

Wat is willekeurige afschrijving?

Normaal schrijf je een bedrijfsmiddel in vaste stappen af: per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs (bij goodwill 10%), zodat je er minstens vijf jaar over doet. Bij willekeurige afschrijving mag je dat tempo zelf kiezen. Je verdeelt het af te schrijven bedrag (de aanschaf- of voortbrengingskosten min de restwaarde) naar eigen inzicht over de jaren. Je mag dus in het begin veel of zelfs alles ineens afschrijven.

Het voordeel zit in de timing, niet in een groter totaal. Je schrijft niet meer af, maar wel eerder. Door de aftrek naar voren te halen, verlaag je je winst in een vroeg jaar en betaal je de belasting pas later. Zo hou je het geld langer in het bedrijf (het liquiditeitsvoordeel) en bespaar je rente (het rentevoordeel). De totale aftrek over de jaren blijft gelijk; het gaat dus om uitstel, niet om afstel.

Voor wie geldt willekeurige afschrijving?

Willekeurige afschrijving is geen algemene regeling, maar geldt voor twee specifieke groepen: investeerders in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en startende ondernemers.

Milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL)

De VAMIL geldt voor alle ondernemingen die investeren in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel dat op de Milieulijst van de overheid staat, in Nederland nog niet gangbaar is en niet eerder is gebruikt. Deze variant staat open voor eenmanszaken, vof’s, maatschappen en bv’s, en zelfs voor medegerechtigden zoals een commanditaire vennoot. Een urencriterium geldt hierbij niet. Voor milieu-bedrijfsmiddelen mag je sinds 2011 wel maar 75% van de kosten willekeurig afschrijven; de resterende 25% volgt de normale afschrijvingsregels.

Startende ondernemers

De startersvariant geldt voor natuurlijke personen die recht hebben op de verhoogde zelfstandigenaftrek, de startersaftrek. Zij mogen op hun investeringen versneld afschrijven, tot een investeringsplafond dat gelijk is aan het maximale bedrag voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor 2026 is dat plafond 398.236 euro. Over het meerdere gelden de normale afschrijvingsregels. Bv’s en andere rechtspersonen zijn van deze startersvariant uitgesloten.

Wat levert willekeurige afschrijving op?

Het voordeel is een rente- en liquiditeitsvoordeel. Een voorbeeld maakt het duidelijk (zie figuur 1). Een startende ondernemer koopt een machine van 50.000 euro met een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nul. Normaal trekt hij vijf jaar lang 10.000 euro per jaar af. Met willekeurige afschrijving mag hij in jaar 1 het volle bedrag van 50.000 euro aftrekken, mits hij de machine in dat jaar in gebruik neemt; zolang het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen, mag hij niet meer willekeurig afschrijven dan hij in dat jaar werkelijk heeft betaald. Tegen een tarief van ongeveer 37% scheelt dat in jaar 1 zo’n 18.500 euro minder belasting. In de jaren daarna betaal je dat weer terug, omdat er niets meer valt af te schrijven. Het blijft dus uitstel.

Figuur 1: bij normale afschrijving verdeel je de kosten over vijf jaar; bij willekeurige afschrijving haal je de aftrek naar voren. De totale aftrek blijft gelijk.

Let op dat willekeurige afschrijving geen permanent voordeel oplevert. In een jaar met weinig of geen winst kan het naar voren halen van de aftrek juist nadelig zijn, omdat de aftrek dan tegen een laag tarief neerslaat. Plan het tempo daarom op basis van de winst en de tarieven die je de komende jaren verwacht.

Welke voorwaarden en termijnen gelden er?

De voorwaarden verschillen per variant. Voor beide geldt dat je de keuze voor willekeurige afschrijving in je aangifte maakt; de faciliteit wordt niet automatisch toegepast.

Bij milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) moet je de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De kosten moeten minstens 2.500 euro per melding bedragen. De VAMIL is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA), maar niet met de energie-investeringsaftrek (EIA). De vier stappen voor een milieu-bedrijfsmiddel staan in figuur 2. Bij de startersvariant bewaken je het investeringsplafond en let je erop dat bepaalde bedrijfsmiddelen (zoals goederen die je aan derden ter beschikking stelt) zijn uitgesloten.

Figuur 2: de vier stappen bij willekeurige afschrijving van een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL), van investeren tot het combineren met de MIA.

Parameter Waarde in 2026 Geldt voor
Willekeurig af te schrijven deel 75% van de kosten milieu-bedrijfsmiddelen
Drempel per melding 2.500 euro milieu-bedrijfsmiddelen
Meldingstermijn bij RVO binnen 3 maanden milieu-bedrijfsmiddelen
Investeringsplafond 398.236 euro startende ondernemers
Sanctietermijn (terugname) 5 jaar (zeeschepen: 10 jaar) startende ondernemers / zeeschepen

 

Waar moet je op letten?

Voldoe je binnen de sanctietermijn niet meer aan de voorwaarden, dan wordt het voordeel teruggenomen. De boekwaarde wordt dan alsnog gesteld op de waarde zonder willekeurige afschrijving, waardoor het genoten voordeel wordt teruggedraaid. Deze terugname geldt bijvoorbeeld als je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar anders gaat gebruiken of verkoopt.

Ook is willekeurige afschrijving niet bedoeld voor constructies. In een uitspraak van de rechtbank uit 2019 draaide het om een samenwerkingsverband dat alleen was opgezet om via willekeurige afschrijving een fiscaal voordeel te creëren en de machines daarna door te verkopen aan een gelieerde bv. De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een echte onderneming; de verliezen werden teruggedraaid en er volgde een boete. Er moet dus een reële onderneming met een winstverwachting achter de investering zitten.

Praktische checklist: dit regel je bij willekeurige afschrijving

  • Variant bepalen: ga na of je investering een milieu-bedrijfsmiddel (VAMIL) is of dat je als starter met de verhoogde zelfstandigenaftrek in aanmerking komt.
  • Tijdig melden bij RVO: meld een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO. Zonder tijdige melding vervalt het recht op VAMIL.
  • Drempel en plafond bewaken: controleer of de kosten van een milieu-bedrijfsmiddel minstens 2.500 euro zijn en of je investering als starter binnen het plafond van 398.236 euro blijft.
  • Keuze in de aangifte en betaling bewaken: neem de keuze voor willekeurige afschrijving op in uw aangifte en houd er rekening mee dat u, zolang het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen, niet meer mag afschrijven dan u in dat jaar heeft betaald.
  • Tempo plannen: stem het afschrijvingstempo af op de winst en tarieven die je de komende jaren verwacht, zodat de aftrek maximaal rendeert.
  • Terugname voorkomen: houd rekening met de sanctietermijn van vijf jaar (zeeschepen tien jaar) en bewaar de gegevens, zodat je een terugname kunt onderbouwen of voorkomen.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen willekeurige afschrijving en investeringsaftrek?

Willekeurige afschrijving verandert alleen het tempo waarin je afschrijft en levert een timingvoordeel op; de totale aftrek blijft gelijk. Investeringsaftrek (zoals KIA, EIA of MIA) is een extra aftrekpost boven op de normale afschrijving en verlaagt je winst dus blijvend.

Kan ik VAMIL en MIA combineren?

Ja. De willekeurige afschrijving voor milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL) is te combineren met de milieu-investeringsaftrek (MIA). De combinatie met de energie-investeringsaftrek (EIA) is echter uitgesloten.

Moet ik de milieu-investering melden?

Ja. Je moet een milieu-bedrijfsmiddel binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting melden bij RVO. Zonder tijdige melding bestaat er geen recht op willekeurige afschrijving.

Levert versneld afschrijven altijd voordeel op?

Nee. In een jaar met weinig of geen winst slaat de aftrek tegen een laag tarief neer en kan het naar voren halen nadelig zijn. Het voordeel hangt af van je winst en de tarieven per jaar.

Mag mijn bv ook als starter versneld afschrijven?

Nee. De startersvariant geldt alleen voor natuurlijke personen met recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek. Bv’s en andere rechtspersonen zijn hiervan uitgesloten, maar kunnen wel gebruikmaken van de VAMIL voor milieu-bedrijfsmiddelen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je investering in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving, verzorgt de tijdige melding bij RVO en berekent het plafond voor starters. Vooral bij het plannen van het afschrijvingstempo over meerdere jaren valt vaak voordeel te halen, want de beste keuze hangt af van je verwachte winst en tarieven. Wij zorgen dat de keuze correct in je aangifte komt en dat je geen terugname riskeert. Wil je het maximale liquiditeitsvoordeel uit je investering halen? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Box 1, 2 en 3: zo werkt het boxenstelsel van de inkomstenbelasting

Betaal je belasting over je loon, je winst, dividend uit je bv of je spaargeld? Dan krijg je te maken met het boxenstelsel: de indeling van de inkomstenbelasting in box 1, 2 en 3. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels, en de wet bepaalt in welke box een inkomen of vermogen thuishoort. Die indeling is niet vrijblijvend, want een fout in de boxindeling leidt tot een onjuiste aangifte, navordering en belastingrente. In box 3 is er sinds de rechtspraak van de Hoge Raad bovendien een extra route: je mag aantonen dat je werkelijke opbrengst lager was dan het bedrag waarover je belasting betaalt. In dit artikel lees je wat in elke box valt, welke tarieven in 2026 gelden, hoe de rangorde werkt, wat de tegenbewijsregeling in box 3 voor je betekent en wat je praktisch moet regelen.

Wat is het boxenstelsel?

De inkomstenbelasting werkt met een gesloten boxenstelsel. Dat betekent dat al je inkomen en vermogen wordt ingedeeld in drie groepen: box 1 (werk en woning), box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). Elke box heeft een eigen manier van rekenen en een eigen tarief. De belasting van de drie boxen wordt daarna bij elkaar opgeteld, en van dat totaal gaan je heffingskortingen af.

Gesloten betekent ook dat je niet vrij tussen de boxen kunt schuiven. Een verlies in de ene box mag je in principe niet aftrekken van winst in een andere box, en een inkomen dat in box 1 hoort, kun je niet in box 3 laten vallen omdat dat tarief lager is. De onderstaande tabel geeft in het kort weer wat er in elke box valt en welk tarief in 2026 geldt. Figuur 1 zet daaronder de drie boxen, de tarieven van 2026 en de rangorde nog eens naast elkaar.

Box Wat valt hierin? Tarief 2026
Box 1: werk en woning Winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, pensioen en uitkeringen, en het saldo van de eigen woning 35,75%, 37,56% en 49,50% (oplopend)
Box 2: aanmerkelijk belang Dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv of nv 24,5% tot en met 68.843 euro, daarboven 31%
Box 3: sparen en beleggen Spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto 36% over het rendement, boven een heffingvrij vermogen van 59.357 euro

Figuur 1: Het boxenstelsel in 2026: wat in elke box valt, welk tarief geldt en hoe de rangorde box 1, box 2 en box 3 werkt.

 

Box 1: werk en woning

In box 1 valt je actieve inkomen. Denk aan winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, pensioen en uitkeringen. Ook bijverdiensten die geen onderneming en geen loon zijn vallen hier, in de wet resultaat uit overige werkzaamheden genoemd. Je eigen woning hoort er eveneens bij: je telt een vast percentage van de WOZ-waarde bij je inkomen op, het eigenwoningforfait, en trekt de hypotheekrente ervan af. Box 1 heeft een oplopend tarief, ook wel progressief tarief genoemd: over een hoger inkomen betaal je een hoger percentage. In het tarief van de eerste schijf zitten ook de premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) verwerkt.

Voor wie de AOW-leeftijd in 2026 nog niet heeft bereikt, geldt 35,75% over de eerste 38.883 euro, daarna 37,56% tot en met 78.426 euro en 49,50% over het meerdere. Heb je de AOW-leeftijd wel bereikt, dan betaal je over die eerste schijf 17,85%, omdat je geen AOW-premie meer betaalt. Ben je geboren voor 1 januari 1946, dan loopt je eerste schijf door tot 41.123 euro.

Aftrekposten in box 1 tellen niet altijd tegen je hoogste tarief mee. Voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de vrijstelling voor vermogen dat je aan je eigen bv ter beschikking stelt, de aftrekbare kosten van de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten, giften en alimentatie) geldt in 2026 een maximaal aftrektarief van 37,56%. Verdien je meer dan 78.426 euro, dan levert een euro aftrek je dus geen 49,50% op, maar 37,56%.

Box 2: aanmerkelijk belang

Box 2 is de box voor de grootaandeelhouder. Je valt hierin als je, samen met je fiscale partner, een belang van 5% of meer hebt in een bv of nv. Dat heet een aanmerkelijk belang. Het dividend dat je uit je bv haalt en de winst die je maakt bij verkoop van je aandelen worden in box 2 belast.

In 2026 kent box 2 twee schijven: 24,5% over de eerste 68.843 euro en 31% over het meerdere. Over inkomen in box 2 betaal je geen premies volksverzekeringen. Heb je een fiscale partner, dan kun je het box 2-inkomen onderling verdelen. Zo benut je de lage schijf twee keer, samen dus tot en met 137.686 euro. Voor een directeur-grootaandeelhouder grijpen box 1 en box 2 op elkaar in via het gebruikelijk loon en de afweging tussen loon en dividend. Die afweging vraagt altijd een berekening voor je eigen situatie.

Box 3: sparen en beleggen

In box 3 valt je privévermogen dat niet al in box 1 of box 2 wordt belast: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen en crypto. Box 3 is de box die de afgelopen jaren het meest is veranderd, en die verandering is nog niet klaar.

Hoe wordt je box 3-inkomen in 2026 berekend?

Box 3 belast niet je werkelijke opbrengst, maar een forfaitair rendement: een percentage dat de wet vooraf vaststelt. Dat percentage verschilt per soort vermogen. Over het zo berekende rendement betaal je 36% inkomstenbelasting. Peildatum is 1 januari van het belastingjaar: je vermogen op die datum bepaalt de heffing over het hele jaar. Je betaalt pas belasting boven het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon, of 118.714 euro voor fiscale partners samen.

Soort vermogen (2026) Forfaitair rendement
Banktegoeden, spaargeld en contant geld 1,28% (voorlopig percentage)
Overige bezittingen, zoals beleggingen en een tweede woning 6,00%
Schulden (aftrekbaar van je rendement) 2,70%

Let op het woord voorlopig bij de banktegoeden. Dit percentage wordt pas na afloop van 2026 definitief vastgesteld op basis van de werkelijke spaarrente. Voor je voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst met 1,28%.

Wat als je werkelijke opbrengst lager was?

Dan mag je dat aantonen, en betaal je over je werkelijke rendement in plaats van over het forfait. Dit heet de tegenbewijsregeling. De achtergrond is een reeks uitspraken van de Hoge Raad. In het Kerstarrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het toenmalige box 3-stelsel in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht voor wie een lager werkelijk rendement had dan het forfait. Op 6 juni 2024 besliste de Hoge Raad dat ook de opvolgende regelingen dat probleem niet oplossen voor wie meer heeft dan alleen spaargeld. Voor spaarders klopt het forfait redelijk, maar bij beleggingen en vastgoed wordt een succesvolle en een ongelukkige belegger nog altijd gelijk behandeld.

Belangrijk is dat dit oordeel ook geldt voor het stelsel dat vanaf 2023 loopt, en dus ook voor 2026. Tegenbewijs is daarmee geen uitzondering voor oude jaren, maar een structurele mogelijkheid zolang het forfaitaire stelsel bestaat. Het kabinet wil overstappen op een heffing over het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam dat wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar die staat nog niet definitief vast.

Wat telt mee als werkelijk rendement?

De Hoge Raad heeft daar vaste rekenregels voor gegeven, en die vallen vaak anders uit dan mensen verwachten. Meegerekend worden je directe opbrengsten (rente, dividend en huur) en de waardestijging of waardedaling van je bezittingen, ook als je niets hebt verkocht. Die ongerealiseerde waardestijging maakt je werkelijke rendement dus juist hoger.

Niet meegerekend worden je kosten, met een belangrijke uitzondering: de rente over je box 3-schulden mag je wel aftrekken. Ook de drempel voor schulden blijft hier buiten beschouwing, zodat al je box 3-rente meetelt. Over die kostenaftrek loopt nog discussie: de advocaat-generaal bij de Hoge Raad vindt dat ook andere kosten, zoals verbeteringskosten, aftrekbaar zouden moeten zijn, dus houd rekening met nieuwe procedures. Er wordt niet gecorrigeerd voor inflatie, je kijkt naar je hele box 3-vermogen zonder het heffingvrije vermogen eraf te halen, en je rekent per jaar. Een slecht beleggingsjaar kun je dus niet verrekenen met een goed jaar. Heb je een fiscale partner, dan volgt jouw deel van het werkelijke rendement je aandeel in de gezamenlijke grondslag. Figuur 2 zet naast elkaar wat wel en wat niet meetelt bij je werkelijke rendement.

Figuur 2: Werkelijk rendement in box 3: wat wel en wat niet meetelt volgens de rekenregels van de Hoge Raad.

Een tweede woning of ander vastgoed in box 3

Voor vastgoed gelden aanvullende regels uit vier uitspraken van de Hoge Raad van 20 december 2024. Gebruik je de woning zelf, dan levert dat eigen gebruik voor het werkelijke rendement geen voordeel op: het wordt op nihil gesteld. De waardeontwikkeling bepaal je door de WOZ-waarde van het jaar zelf te vergelijken met de WOZ-waarde van het jaar erna. Koop of verkoop je in de loop van het jaar, dan wordt die waardeontwikkeling tijdsevenredig tussen koper en verkoper verdeeld. Een waardestijging die het gevolg is van verbouwing of uitbreiding telt niet mee als opbrengst. Voor gewoon onderhoud geldt dat niet, en de grens tussen onderhoud en verbetering is in de praktijk vaak een discussiepunt.

Op twee punten is het laatste woord nog niet gesproken. Het kabinet vindt dat eigen gebruik wel een voordeel oplevert, namelijk de huur die je bij normale verhuur zou kunnen vragen, terwijl de Hoge Raad dat voordeel op nihil stelt. En bij een aankoop of verkoop in de loop van het jaar is nog niet beslist of de datum van de koopovereenkomst of van de levering telt. Laat vastgoed in box 3 daarom altijd apart doorrekenen.

Oude jaren: rechtsherstel over 2017 tot en met 2022

Voor de jaren 2017 tot en met 2022 geldt een aparte wet, de Wet rechtsherstel box 3. Die rekent je box 3-inkomen over die jaren opnieuw uit, met per jaar een eigen percentage voor spaargeld, voor overige bezittingen en voor schulden. Deze herberekening werkt eenzijdig in je voordeel: zij wordt alleen toegepast als je box 3-inkomen daardoor lager uitvalt dan volgens de oude berekening, en je inkomen wordt nooit lager gesteld dan nul. Voor 2021 bedroeg het percentage voor banktegoeden bijvoorbeeld 0,01%, tegen 5,69% voor overige bezittingen. Wie vooral spaarde is met het rechtsherstel dus flink beter af; wie belegde heeft eerder iets aan de tegenbewijsregeling.

Of je nog aan die oude jaren toekomt, hangt af van wat je destijds hebt gedaan. Voor 2021 en later kan iedere belastingplichtige een lager werkelijk rendement opgeven. Voor 2019 en 2020 geldt dat alleen als je definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet definitief vaststond of daarna is opgelegd, en je tijdig hebt gevraagd om een ambtshalve vermindering. Dat is een verlaging van een aanslag die al vaststaat, buiten de gewone bezwaartermijn om. Voor 2017 en 2018 moet jouw bezwaar hebben meegelopen in de procedure massaal bezwaar, waarin een paar proefzaken worden uitgeprocedeerd voor een hele groep, of moet jouw aanslag na het Kerstarrest zijn ontvangen, plus een tijdig verzoek om ambtshalve vermindering.

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad hierover een streep getrokken. Wie over de jaren 2017 tot en met 2020 geen of niet op tijd bezwaar maakte, de zogenoemde niet-bezwaarmaker, heeft geen recht op teruggaaf. Deze groep hoopte via de procedure massaal bezwaar plus alsnog geld terug te krijgen; die route is met deze uitspraak gesloten. Voor 2021 en latere jaren staat de tegenbewijsregeling wel open. Krijg je een box 3-vermindering, dan vergoedt de Belastingdienst daarover in de regel geen rente. Dat geldt niet alleen bij oude jaren, maar bij elke vermindering. Figuur 3 laat per jaargroep zien of tegenbewijs voor jou nog openstaat en hoe je het doorgeeft.

Figuur 3: Beslisboom: was je werkelijke rendement lager dan het forfait, en kom je over dat belastingjaar nog aan bod?

Zo geef je een lager werkelijk rendement door

Een beroep op de tegenbewijsregeling doe je niet met een gewone brief. Je moet het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) gebruiken, dat sinds 10 juli 2025 in Mijn Belastingdienst staat. Per belastingjaar heb je een apart formulier nodig, en aanvullende stukken kun je tot zes weken na verzending van het formulier nasturen. Vanaf de aangifte over 2025 kun je het werkelijke rendement ook rechtstreeks in je aangifte opgeven.

De bewijslast ligt bij jou. Je moet je hele box 3-vermogen in dat jaar onderbouwen, niet alleen het bestanddeel dat slecht rendeerde. Bewaar dus per jaar je rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten van je beleggingen. Reken bovendien eerst door of tegenbewijs je werkelijk iets oplevert: doordat ongerealiseerde waardestijgingen meetellen en kosten niet aftrekbaar zijn, valt het werkelijke rendement vaak hoger uit dan verwacht.

Hoe bepaalt de wet in welke box iets valt?

Omdat de tarieven per box verschillen, is het belangrijk dat een inkomen in de juiste box terechtkomt. Daarvoor kent de wet de rangorderegeling. Past een voordeel in meerdere boxen, dan geldt de box die als eerste in de wet staat: box 1 gaat voor box 2, en box 2 gaat voor box 3. Die volgorde werkt ook binnen een box, waar winst uit onderneming voorgaat op loon en loon voorgaat op resultaat uit overige werkzaamheden.

Een gevolg van de rangorde is dat vermogen dat inkomen in box 1 of box 2 oplevert, niet ook in box 3 wordt meegeteld. Verhuur je bijvoorbeeld een pand aan je eigen bv, dan valt dat pand in box 1 en niet in box 3. Schulden volgen daarbij het vermogen waar zij bij horen. Er zijn wel uitzonderingen. Een schuld waarvan de rente in box 1 of box 2 niet aftrekbaar is, komt juist in box 3 terecht. En een eigenwoningschuld die je voor 2013 hebt afgesloten, blijft dwingend in box 1. Het overgangsrecht gaat hier voor de rangorde: de Hoge Raad besliste op 14 maart 2025 dat je die lening niet naar box 3 kunt overbrengen.

De wet bevat daarnaast maatregelen tegen boxhoppen: het tijdelijk verplaatsen van vermogen rond de peildatum van 1 januari om box 3-heffing te ontlopen. Haal je vermogen minder dan drie maanden uit box 3, dan wordt het toch in box 3 belast en is tegenbewijs niet mogelijk. Bij drie tot zes maanden, en bij zes tot achttien maanden via een beleggingsinstelling of een buitenlands beleggingslichaam, kun je nog aantonen dat je zakelijke en niet-fiscale redenen had. Slaagt dat niet, dan betaal je in twee boxen tegelijk.

Kun je een verlies uit de ene box met een andere box verrekenen?

In beginsel niet. Het boxenstelsel is gesloten, dus een verlies blijft binnen zijn eigen box. Een verlies in box 1 verreken je binnen box 1: drie jaar terug en negen jaar vooruit. Een verlies in box 2 verreken je binnen box 2: een jaar terug en zes jaar vooruit. Box 3 kent in de praktijk geen verrekenbaar verlies. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 is wettelijk vastgelegd dat het voordeel uit sparen en beleggen op ten minste nul wordt gesteld, en ook bij tegenbewijs verreken je een slecht jaar niet met een goed jaar. Of een negatief werkelijk rendement tot een verrekenbaar box 3-verlies kan leiden, is nog niet uitgekristalliseerd.

Op de geslotenheid bestaat een belangrijke uitzondering. Heb je een verlies uit aanmerkelijk belang dat je niet meer in box 2 kon verrekenen, en hebben jij en je fiscale partner in het jaar zelf en het jaar daarvoor geen aanmerkelijk belang meer, dan kun je dat verlies op verzoek omzetten in een belastingkorting van 25%. Die korting gaat af van je box 1-belasting. Er geldt een wachttijd van minstens een jaar, de korting leidt niet tot een teruggaaf en je kunt haar niet met box 3-inkomen verrekenen. Wel kun je een onbenut deel doorschuiven naar een volgend jaar. Let op de volgorde: de korting gaat af voor je heffingskortingen, waardoor een deel van die heffingskortingen kan verdampen.

Wat is het verzamelinkomen en waarom telt het?

Naast de belasting per box telt de wet ook je drie boxinkomens bij elkaar op, na verrekening van verliezen en voor aftrek van de heffingskortingen. Die optelsom heet het verzamelinkomen. Het is niet alleen de basis voor je belasting, maar ook de maatstaf voor inkomensafhankelijke regelingen: je heffingskortingen, toeslagen en allerlei eigen bijdragen. In 2026 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal 3.115 euro en is die nihil vanaf een verzamelinkomen van 78.426 euro. De arbeidskorting bedraagt maximaal 5.685 euro en is nihil vanaf een arbeidsinkomen van 132.920 euro.

Heb je een fiscale partner, dan mag je gemeenschappelijke posten zoals de eigen woning, het box 2-inkomen, de box 3-grondslag en de persoonsgebonden aftrek jaarlijks vrij onderling verdelen. Dat beïnvloedt niet alleen de belasting, maar via het verzamelinkomen ook je kortingen en toeslagen. Let op een uitzondering: leidt rechtsherstel of tegenbewijs in box 3 tot een herrekening, dan volgt de extra persoonsgebonden aftrek (zoals zorgkosten en giften) de verdeling die je in de aangifte koos voor zorgkosten of giften. Wil je die anders verdelen, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering nodig.

Een voorbeeld maakt het concreet. Stel dat je in 2026 60.000 euro loon uit je eigen bv ontvangt, dat je bv 50.000 euro dividend aan je uitkeert en dat je 150.000 euro privévermogen hebt. Het loon wordt progressief belast in box 1. Het dividend valt binnen de eerste schijf van box 2 en wordt belast tegen 24,5%, dus 12.250 euro. Van je privévermogen blijft 59.357 euro onbelast; over het rendement op het meerdere betaal je 36% in box 3. De drie uitkomsten worden opgeteld en verminderd met je heffingskortingen. Was je werkelijke rendement op dat vermogen lager dan het forfait, dan kun je dat via de tegenbewijsregeling laten meewegen. Figuur 4 werkt dit voorbeeld per box uit, met de heffing per box en de optelsom tot het verzamelinkomen.

Figuur 4: Rekenvoorbeeld: loon, dividend en privévermogen van een dga in 2026, met de heffing per box en het verzamelinkomen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de juiste box. Ga per inkomen en per vermogensbestanddeel na of het in box 1, box 2 of box 3 hoort, en respecteer de rangorde: box 1 voor box 2 voor box 3.
  • Gebruik de tarieven en grenzen van 2026. Reken met de schijven van box 1, de grens van 68.843 euro in box 2 en het heffingvrije vermogen van 59.357 euro per persoon in box 3.
  • Houd de peildatum in het oog. Voor box 3 telt je vermogen op 1 januari. Vermijd tijdelijke boxwisselingen rond die datum, want die kunnen tot dubbele heffing leiden.
  • Reken je werkelijke rendement in box 3 door. Was je opbrengst lager dan het forfait, dan kan tegenbewijs lonen. Reken het eerst uit, want ongerealiseerde waardestijgingen tellen mee en kosten zijn niet aftrekbaar.
  • Bewaar je box 3-dossier per jaar. Rente- en dividendoverzichten, huuropbrengsten, WOZ-beschikkingen en waardeoverzichten heb je nodig om een lager rendement aannemelijk te maken.
  • Controleer je oude aanslagen. Voor 2021 en latere jaren kun je het formulier Opgaaf werkelijk rendement gebruiken. Voor 2017 tot en met 2020 is een tijdig bezwaar of verzoek om ambtshalve vermindering voorwaarde.
  • Verdeel gemeenschappelijke posten. Heb je een fiscale partner, verdeel dan de eigen woning, het box 2-inkomen en het box 3-vermogen bewust, en kijk ook naar het effect op toeslagen.
  • Bewaak je verliezen. Verreken verliezen binnen de juiste box en vergeet een oud aanmerkelijkbelangverlies niet: dat kan via een belastingkorting van 25% alsnog tegen box 1 worden ingezet.
  • Geef alles volledig aan. Meld al je inkomen en vermogen, ook buitenlandse rekeningen en crypto. Verzwijgen leidt tot navordering, belastingrente en mogelijk een boete.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen box 1, 2 en 3?

Box 1 belast je werk en woning: winst, loon, uitkering, pensioen en de eigen woning, tegen een oplopend tarief. Box 2 belast dividend en verkoopwinst uit een belang van 5% of meer in een bv. Box 3 belast je overige privévermogen, zoals spaargeld en beleggingen. Elke box heeft een eigen tarief en eigen regels.

Welke tarieven gelden in 2026?

Box 1 kent 35,75%, 37,56% en 49,50% voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Box 2 kent 24,5% tot en met 68.843 euro en 31% daarboven. Box 3 kent een tarief van 36% over het berekende rendement, met een heffingvrij vermogen van 59.357 euro per persoon.

Wat is de rangorderegeling?

De rangorderegeling bepaalt in welke box een inkomen valt als het in meerdere boxen zou kunnen vallen. De volgorde is box 1 voor box 2 voor box 3. Daardoor valt een pand dat je aan je eigen bv verhuurt in box 1 en niet in box 3.

Kan ik in box 3 belasting terugkrijgen als mijn rendement lager was?

Dat kan via de tegenbewijsregeling. Je maakt dan aannemelijk dat je werkelijke rendement lager was dan het forfait en betaalt over dat werkelijke rendement. Je gebruikt daarvoor het formulier Opgaaf werkelijk rendement, per belastingjaar apart. Reken het eerst door, want kosten zijn niet aftrekbaar en waardestijgingen tellen wel mee.

Krijg ik nog rechtsherstel als ik nooit bezwaar heb gemaakt?

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 niet. De Hoge Raad besliste op 25 juni 2026 dat niet-bezwaarmakers over die jaren geen recht hebben op teruggaaf. Voor 2021 en latere jaren kun je wel een lager werkelijk rendement opgeven, ook zonder eerder bezwaar.

Kan ik een verlies uit box 3 verrekenen met box 1?

Nee. Verliezen blijven binnen hun eigen box en box 3 kent geen verlies. De enige uitzondering op het gesloten stelsel is een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang: dat kun je na beëindiging van je belang omzetten in een belastingkorting van 25% tegen je box 1-belasting.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount bepaalt voor je in welke box je inkomen en vermogen thuishoren, berekent per box de belasting en zorgt dat de rangorde en de verliesverrekening kloppen. Wij rekenen daarbij ook de keuzes door die echt verschil maken: loon of dividend uit je bv, de verdeling van gemeenschappelijke posten met je fiscale partner, en de vraag of je box 3-vermogen beter in box 3 blijft of via een bv naar box 2 gaat. Voor box 3 rekenen wij je werkelijke rendement per jaar uit en toetsen wij of een beroep op de tegenbewijsregeling je daadwerkelijk iets oplevert, inclusief de onderbouwing op het verplichte formulier.

Twijfel je over je boxindeling, over een openstaande aanslag uit een eerder jaar of over de fiscale gevolgen van je vermogen? Leg je situatie aan ons voor, dan beoordelen wij die en zetten wij de mogelijkheden voor je op een rij.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Het forfaitaire percentage voor banktegoeden in 2026 is nog voorlopig, en de rechtspraak over box 3 is nog in beweging. Laat je situatie daarom altijd door een adviseur beoordelen voordat je besluiten neemt.

Werkruimte in de woning 2026: wanneer zijn de kosten van je werkkamer aftrekbaar?

Werk je als ondernemer (deels) vanuit huis, dan is de vraag al snel of je de kosten van je werkkamer van de winst mag aftrekken. Denk aan een deel van de huur of afschrijving, energie, schoonmaak en inrichting. Veel ondernemers gaan ervan uit dat dit mag, maar de wet is streng: de kosten van een werkruimte in je eigen woning zijn in de meeste gevallen juist niet aftrekbaar. Alleen als je werkruimte aan twee strenge eisen voldoet, is aftrek mogelijk. In dit artikel leest je hoe de regeling in 2026 werkt, wanneer je de kosten wel mag aftrekken en wat je praktisch moet regelen.

Wat valt onder een werkruimte in de woning?

Een werkruimte is elke ruimte in of bij je woning die je voor je werk gebruikt. Dat is een ruim begrip: het gaat niet alleen om een kantoor of werkkamer, maar ook om een praktijk- of behandelruimte, een atelier of een garage die je als opslag gebruikt. Onder de kosten van de werkruimte valt vrijwel alles wat met de ruimte te maken heeft: afschrijving of het huurdeel, energie, schoonmaak, behang- en schilderwerk, stoffering en de inrichting zoals een bureau en kasten.

De regeling geldt voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap), voor medegerechtigden en voor mensen met resultaat uit overige werkzaamheden. Ze geldt voor koop- en huurwoningen, en ook voor een tweede woning, een woonschip of een woonwagen. Voor een bv met een dga geldt een eigen, vergelijkbare regeling.

Waarom zijn de kosten meestal niet aftrekbaar?

De wet bepaalt dat de kosten van een werkruimte in je woning niet van de winst aftrekbaar zijn, ook al werk je er elke dag. Dit geldt zolang de woning tot je privévermogen behoort, wat bij de meeste ondernemers het geval is, en sinds 2017 net zo voor huurwoningen. Een werkplek in de woonkamer, een slaapkamer of een zolderkamer telt dus nooit mee voor aftrek. De wetgever heeft hier bewust een grove grens getrokken om discussies over gemengde kosten te voorkomen.

De uitzondering: twee eisen die allebei moeten worden gehaald

Er is één uitzondering. Je werkruimte moet dan aan twee eisen voldoen, en die gelden allebei tegelijk. De eerste is de zelfstandigheidseis, de tweede is de inkomenseis. De beslisboom hierna laat in één oogopslag zien of je kosten aftrekbaar zijn (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom. Alleen als je alle vragen met ja beantwoordt, zijn de kosten aftrekbaar.

De zelfstandigheidseis

De werkruimte moet naar verkeersopvatting, dus zoals mensen er in het dagelijks leven tegenaan kijken, een zelfstandig deel van de woning vormen. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen voorzieningen zoals sanitair, zodat je de ruimte in principe apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. Ontbreekt een eigen toilet of eigen ingang, dan is dat in de rechtspraak vrijwel altijd fataal. Een aanbouw of uitbreiding van de woning helpt op zichzelf niet: het gaat om echte zelfstandigheid. Ook massaal thuiswerken tijdens de coronacrisis heeft deze eis niet versoepeld.

De inkomenseis

Naast de zelfstandigheidseis moet je een groot deel van je arbeidsinkomen in de werkruimte verdienen. Bij het arbeidsinkomen tellen je winst, je loon en je bijverdiensten samen. Welke eis precies geldt, hangt ervan af of je ook een werkplek buiten je woning hebt.

Je situatie Inkomenseis om af te trekken
Je hebt ook een werkplek buiten de woning Minimaal 70% van je arbeidsinkomen verdien je in de werkruimte thuis
Je hebt geen werkplek buiten de woning Minimaal 70% verdien je in of vanuit de werkruimte thuis en minimaal 30% echt in de werkruimte

Figuur 2: de twee eisen en de inkomensdrempels van 70 procent en 30 procent.

Let op: een werkplek elders wordt ruim opgevat. Ook een gedeelde flexplek of die maar één dag per week beschikbaar is, telt al mee als werkruimte buiten de woning. Daardoor geldt dan de zwaardere eis dat je 70 procent in de thuiswerkruimte moet verdienen. De bewijslast ligt bij je: je moet aannemelijk kunnen maken dat je aan de inkomenseis voldoet, bijvoorbeeld met een onderbouwde urenverdeling.

Rekenvoorbeeld: Eva is rijinstructeur en heeft geen kantoor elders. Ze plant en administreert alles vanuit een verbouwde garage met eigen ingang en eigen toilet. Haar winst is 55.000 euro en ander inkomen heeft zij niet. Vrijwel alles verdient zij vanuit de garage, ruim 70 procent, dus de eerste toets haalt zij. Maar echt in de garage verdient zij, gemeten naar haar administratie-uren, maar zo’n 15 procent. Ze haalt de 30-procenteis niet, dus de kosten zijn niet aftrekbaar.

Koop- of huurwoning: maakt het verschil?

Voor de hoofdregel maakt het geen verschil of je een koop- of huurwoning hebt: in beide gevallen zijn de kosten van een niet-kwalificerende werkruimte niet aftrekbaar. Vroeger kon een huurder het huurrecht soms tot het ondernemingsvermogen rekenen en zo de huisvestingskosten aftrekken, maar die route is sinds 2017 afgesloten.

De uitsluiting geldt alleen zolang de woning tot je privévermogen behoort. Wie de woning of een zelfstandige werkruimte tot het ondernemingsvermogen rekent, valt buiten deze regeling. Die keuze ligt in beginsel al bij de start van je onderneming vast en is later moeilijk te wijzigen. Tegenover de aftrek staan dan wel andere gevolgen, zoals een bijtelling voor het privégebruik en belasting over de verkoopwinst. Sinds 2025 zijn bepaalde woonkosten ook in dat geval van aftrek uitgesloten. Dit is maatwerk: laat je hierover goed adviseren.

Praktische checklist: wat je moet nagaan

  • Bepaal of je een werkruimte gebruikt. Elke ruimte die je voor je werk gebruikt telt mee, ook een opslag of atelier.
  • Toets de zelfstandigheid. Heeft de ruimte een eigen ingang en eigen sanitair, zodat je hem apart zou kunnen verhuren?
  • Check of je een werkplek elders hebt. Ook een gedeelde of beperkt beschikbare flexplek telt mee en verzwaart de inkomenseis.
  • Reken de inkomenseis na. Verdien je genoeg van je arbeidsinkomen in of vanuit de werkruimte om aan de 70- of 30-procenteis te voldoen?
  • Leg je onderbouwing vast. Houd een urenverdeling bij tussen thuis en elders; de bewijslast ligt bij je.
  • Trek niets af als je niet kwalificeert. Voer huisvestings-, energie- en inrichtingskosten dan niet op in je aangifte.

Veelgestelde vragen

Mag ik de kosten van mijn werkkamer thuis aftrekken?

Meestal niet. Kosten van een werkruimte in je privéwoning zijn alleen aftrekbaar als de ruimte een zelfstandig deel van de woning is (met eigen ingang en sanitair) en je er een groot deel van je arbeidsinkomen verdient. Voldoe je niet aan beide eisen, dan zijn de kosten niet aftrekbaar.

Wat betekent de zelfstandigheidseis precies?

De werkruimte moet zo zelfstandig zijn dat je hem apart aan een vreemde zou kunnen verhuren. In de praktijk betekent dit een eigen ingang of opgang en eigen sanitair. Een werkplek in de woonkamer of op zolder voldoet niet.

Geldt de regeling ook voor een huurwoning?

Ja. Sinds 2017 gelden voor een huurwoning dezelfde regels als voor een koopwoning. De kosten zijn alleen aftrekbaar als de werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet.

Telt een flexplek bij een opdrachtgever als werkruimte elders?

Ja. Ook een gedeelde flexplek of een werkplek die maar één dag per week beschikbaar is, telt als werkruimte buiten je woning. Dan geldt de zwaardere eis dat je 70 procent van je arbeidsinkomen in de werkruimte thuis moet verdienen.

Wat gebeurt er als ik de kosten ten onrechte aftrek?

De Belastingdienst corrigeert dan de afgetrokken kosten, inclusief samenhangende posten zoals energie, schoonmaak en inrichting. Trek deze kosten daarom alleen af als je zeker weet dat je aan alle voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount je kan helpen

De regels rond de werkruimte in de woning zijn streng en er wordt in de praktijk veel over geprocedeerd. Taxcount beoordeelt of je werkruimte aan de zelfstandigheids- en inkomenseis voldoet, rekent de 70- en 30-procenteis voor je na en adviseert of het aantrekkelijk is om een zelfstandige werkruimte tot je ondernemingsvermogen te rekenen. Zo weet je zeker dat je aftrek benut waar het mag en correcties voorkomt waar het niet mag. Twijfel je of je werkkamer aftrekbaar is? Leg je situatie aan ons voor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zelfstandigenaftrek 2026: zo verlaagt u als ondernemer uw belastbare winst

Als ondernemer betaalt u inkomstenbelasting over uw winst. Voldoet u aan een aantal voorwaarden, dan mag u een vast bedrag van die winst aftrekken voordat de belasting wordt berekend. Dat is de zelfstandigenaftrek. In 2026 is het bedrag lager dan u van vroeger gewend bent, want de aftrek wordt al jaren stap voor stap afgebouwd. Toch blijft het de moeite waard, zeker voor starters. In dit artikel leest u wat de zelfstandigenaftrek in 2026 inhoudt, wanneer u er recht op heeft, hoeveel de aftrek bedraagt en wat u praktisch moet regelen om hem veilig te benutten.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een vast bedrag dat u als ondernemer van uw winst mag aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager, en dus betaalt u minder inkomstenbelasting. De aftrek hoort bij de ondernemersaftrek, een verzamelnaam voor fiscale voordelen die alleen voor ondernemers gelden. De zelfstandigenaftrek is niet afhankelijk van de hoogte van uw winst: het is een vast bedrag, geen percentage.

Wie heeft recht op de zelfstandigenaftrek?

De aftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Werknemers, freelancers zonder onderneming en directeuren-grootaandeelhouders van een bv hebben er geen recht op.

De belangrijkste voorwaarde is het urencriterium. U moet in het jaar minimaal 1.225 uur aan uw onderneming besteden (zie figuur 1). Kunt u dat niet aannemelijk maken, dan vervalt de aftrek. Houd daarom een goede urenadministratie bij. Had u aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan krijgt u de volledige aftrek. Bent u bij het begin van het jaar al AOW-gerechtigd, dan is de aftrek de helft.

  Figuur 1: het urencriterium. Pas vanaf 1.225 uur per jaar, gemiddeld ruim 23,5 uur per week, heeft u recht op de zelfstandigenaftrek: 1.200 euro als u bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, 600 euro als dat wel zo is. Kunt u de 1.225 uur niet met een urenadministratie aantonen, dan vervalt de aftrek.

Hoeveel bedraagt de zelfstandigenaftrek in 2026?

In 2026 is de zelfstandigenaftrek 1.200 euro. Voor wie bij het begin van het jaar al de AOW-leeftijd heeft, is dit de helft: 600 euro. De aftrek werkt tegen maximaal het tarief van de tweede schijf, dat in 2026 37,56 procent bedraagt. Bij het volledige bedrag levert de aftrek dus ongeveer 451 euro belastingvoordeel op.

Situatie (2026) Bedrag Maximaal voordeel
Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd) 1.200 euro circa 451 euro
Zelfstandigenaftrek (AOW-leeftijd bereikt) 600 euro circa 225 euro
Startersaftrek (extra, zie hierna) 2.123 euro circa 797 euro

Dat bedrag is flink lager dan een paar jaar geleden. In 2019 was de zelfstandigenaftrek nog 7.280 euro. Sindsdien is hij elk jaar verlaagd, met de grootste stappen vanaf 2023, en voor 2027 wordt 900 euro verwacht (zie figuur 2).

Figuur 2: de afbouw van de zelfstandigenaftrek van 7.280 euro in 2019 naar 1.200 euro in 2026. Voor 2027 wordt 900 euro verwacht (gestippeld). De bedragen gelden voor ondernemers die bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt.

De startersaftrek: extra voordeel in de eerste jaren

Bent u een startende ondernemer, dan krijgt u boven op de zelfstandigenaftrek een extra bedrag: de startersaftrek van 2.123 euro in 2026. U bent starter als u in een of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer was en in die periode niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek heeft gehad. U kunt de startersaftrek daardoor maximaal drie keer krijgen, meestal in uw eerste drie jaar. Samen met de zelfstandigenaftrek trekt u dan 3.323 euro af. In figuur 3 ziet u het verschil tussen een starter en een niet-starter naast elkaar.

De startersaftrek kent nog een voordeel. Anders dan de gewone zelfstandigenaftrek mag u de aftrek als starter drie jaar lang ook verrekenen met ander inkomen in box 1, zoals loon uit een dienstverband. Zo profiteert u ook als uw onderneming nog weinig winst maakt.

Figuur 3: starter of niet-starter in 2026. Een niet-starter trekt alleen de zelfstandigenaftrek van 1.200 euro af, wat maximaal circa 451 euro belastingvoordeel oplevert. Een starter krijgt daar 2.123 euro startersaftrek bij en trekt in totaal 3.323 euro af, met een maximaal voordeel van circa 1.248 euro. De startersaftrek vervalt naar verwachting per 1 januari 2027.

Wat gebeurt er als uw winst te laag is?

De zelfstandigenaftrek kan niet hoger zijn dan uw winst. Maakt u te weinig winst, dan blijft een deel van de aftrek onbenut. Dat deel gaat niet verloren: het heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en u mag het in de volgende negen jaar alsnog van de winst aftrekken. Laat dit onbenutte deel per beschikking door de Belastingdienst vaststellen, zodat het doorschuiven later niet ter discussie staat. Let op: dit winstplafond geldt niet voor de startersaftrek.

Rekenvoorbeeld

Tom start in 2026 een klusbedrijf. Hij haalt het urencriterium en maakt 20.000 euro winst. Als starter trekt hij de zelfstandigenaftrek van 1.200 euro en de startersaftrek van 2.123 euro af, samen 3.323 euro (zie figuur 4). Zijn belastbare winst daalt daardoor naar 16.677 euro. Daarna wordt over de resterende winst ook nog de MKB-winstvrijstelling berekend, waardoor zijn belastbare winst verder daalt.

Figuur 4: rekenvoorbeeld van starter Tom in 2026. Van zijn winst van 20.000 euro trekt hij 2.123 euro startersaftrek en 1.200 euro zelfstandigenaftrek af, samen 3.323 euro. Zijn belastbare winst daalt daardoor naar 16.677 euro. Daarna verlaagt de MKB-winstvrijstelling de winst nog verder.

Let op: wijziging vanaf 2027

Het kabinet heeft aangekondigd de startersaftrek per 1 januari 2027 te schrappen, zonder overgangsregeling. Voor het belastingjaar 2026 geldt de startersaftrek van 2.123 euro nog wel. Start u nu, dan kunt u er in 2026 dus nog van profiteren. Ook de gewone zelfstandigenaftrek daalt naar verwachting verder: van 1.200 euro in 2026 naar 900 euro in 2027 (zie figuur 2).

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Urenadministratie bijhouden. Noteer het hele jaar door uw gewerkte uren, zodat u de 1.225 uur van het urencriterium kunt aantonen.
  • Starterstatus toetsen. Ga na of u in de afgelopen vijf jaar geen ondernemer was en de aftrek hooguit twee keer had; alleen dan heeft u recht op de startersaftrek.
  • Aftrek claimen in de aangifte. Vermeld de zelfstandigenaftrek en eventuele startersaftrek in uw aangifte inkomstenbelasting.
  • Onbenut deel laten vaststellen. Is uw winst lager dan de aftrek, vraag dan een beschikking niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek aan om het bedrag negen jaar te kunnen doorschuiven.
  • Startersaftrek benutten in 2026. De startersaftrek vervalt naar verwachting per 2027; gebruik hem zolang het nog kan.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de zelfstandigenaftrek in 2026?

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 1.200 euro. Heeft u bij het begin van het jaar de AOW-leeftijd bereikt, dan is het de helft: 600 euro.

Wat is het verschil tussen zelfstandigenaftrek en startersaftrek?

De zelfstandigenaftrek krijgt elke ondernemer die aan het urencriterium voldoet. De startersaftrek is een extra bedrag van 2.123 euro dat u in uw eerste jaren als starter boven op de zelfstandigenaftrek krijgt, maximaal drie keer.

Moet ik het urencriterium halen voor de zelfstandigenaftrek?

Ja. U moet minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteden en dat aannemelijk kunnen maken. Zonder het urencriterium heeft u geen recht op de aftrek.

Wat als mijn winst lager is dan de aftrek?

Dan kunt u de aftrek niet volledig benutten. Het onbenutte deel heet niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek en mag u in de volgende negen jaar alsnog aftrekken. Voor starters geldt bovendien dat zij de aftrek drie jaar met ander box 1-inkomen mogen verrekenen.

Verdwijnt de startersaftrek?

Het kabinet wil de startersaftrek per 1 januari 2027 afschaffen. In 2026 kunt u de startersaftrek nog toepassen als u aan de voorwaarden voldoet.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of u aan het urencriterium en de starterseisen voldoet, berekent uw voordeel en zorgt dat de zelfstandigenaftrek en startersaftrek correct in uw aangifte terechtkomen. Ook helpen wij bij het vastleggen van een onbenut deel via een beschikking, zodat u niets laat liggen. Wilt u zeker weten dat u het maximale uit de ondernemersaftrek haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Jaarruimte 2026: zo bouw je met lijfrente fiscaal voordelig pensioen op

Bouw je als ondernemer, dga of werknemer weinig of geen pensioen op? Dan loop je waarschijnlijk fiscaal voordeel mis. De belastingdienst geeft je namelijk ruimte om zelf een oudedagsvoorziening op te bouwen met een lijfrente, en die inleg mag je van je inkomen aftrekken. Hoeveel je mag aftrekken, heet de jaarruimte. Je jaarruimte 2026 bedraagt in beginsel 30% van je inkomen, na aftrek van een vast basisbedrag. Heb je de afgelopen jaren ruimte laten liggen, dan kun je die vaak alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In dit artikel leest je wat de jaarruimte precies is, welke bedragen en grenzen in 2026 gelden, hoe je de aftrek benut en welke valkuilen je moet vermijden.

Wat is de jaarruimte en waarom bestaat deze?

De overheid wil dat iedereen ongeveer evenveel fiscaal voordeel kan krijgen voor zijn oudedag. Bouw je via een werkgever pensioen op, dan gebeurt dat belastingvrij. Bouw je te weinig op, dan mag je het verschil zelf aanvullen met een lijfrente: een geblokkeerde oudedagsvoorziening bij een verzekeraar of bank die later in vaste termijnen wordt uitgekeerd. De premie die je stort, mag je van je inkomen aftrekken, maar alleen tot een maximum. Dat maximum is de jaarruimte.

De achterliggende gedachte is een pensioentekort. Alleen wie te weinig oudedag opbouwt, krijgt ruimte om dat fiscaal aan te vullen. Levert de berekening een positief bedrag op, dan is er per definitie een tekort en mag je premie aftrekken. Bouw je al volledig pensioen op, dan is er weinig of geen ruimte.

Voor wie is de jaarruimte interessant?

De jaarruimte is relevant voor iedereen met inkomen in box 1 die te weinig pensioen opbouwt. In de praktijk gaat het vooral om ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap die zelf geen pensioen opbouwen. Ook dga’s en werknemers met een beperkte pensioenregeling hebben vaak ruimte, net als mensen die net een baan zonder pensioen hebben of die na de verkoop of staking van hun onderneming een oudedagsvoorziening willen opbouwen.

Let op: de ruimte is strikt persoonlijk. Je kunt je eigen niet-gebruikte ruimte niet aan je partner overdragen. Voor de bv zelf geldt de regeling niet; die valt onder de loon- en vennootschapsbelasting.

Hoe berekent je je jaarruimte 2026?

De hoofdregel voor 2026 is: 30% van de premiegrondslag, verminderd met wat je al aan pensioen hebt opgebouwd. De premiegrondslag is je inkomen van vorig jaar (winst voor ondernemersaftrek, loon, freelance-resultaat en periodieke uitkeringen). Dat inkomen telt mee tot een plafond van 137.800 euro en wordt verminderd met een vrijgesteld basisbedrag, de AOW-franchise, van 19.172 euro. De maximale premiegrondslag komt daarmee op 118.628 euro, en de maximale jaarruimte voor 2026 op ongeveer 35.589 euro voordat je pensioenopbouw ervan af gaat. In figuur 1 zie je die berekening stap voor stap, uitgewerkt voor een winst van 60.000 euro.

Figuur 1: Van inkomen naar jaarruimte 2026 in vier stappen. Bij 60.000 euro inkomen en geen pensioenopbouw via een werkgever blijft 12.248 euro aftrekbare ruimte over.

De vermindering wegens pensioenopbouw heet de imputatie. Die zorgt ervoor dat je niet dubbel voordeel krijgt: wat je al via een werkgever opbouwt, gaat van je ruimte af. De gegevens hiervoor (de factor A of de ingelegde premies) vind je op je Uniform Pensioenoverzicht (UPO). De Belastingdienst biedt een online rekenhulp waarmee je je jaarruimte kunt berekenen.

Wat is de reserveringsruimte?

Heb je een jaar of meer niet je volledige jaarruimte benut, dan gaat die ruimte niet automatisch verloren. Je mag onbenutte ruimte van de afgelopen tien kalenderjaren alsnog inhalen via de reserveringsruimte. In 2026 kun je zo maximaal 42.753 euro extra inleggen en aftrekken, bovenop de gewone jaarruimte van dat jaar. Het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar en gebeurt op verzoek in je aangifte. Vooral in een goed jaar, of in het jaar waarin je stopt met je onderneming, kan dit een fors voordeel opleveren. Figuur 2 laat zien hoe onbenutte ruimte uit tien jaar zich optelt tot het bedrag dat je alsnog mag aftrekken.

Figuur 2: Onbenutte jaarruimte per jaar over 2016 tot en met 2025. In dit voorbeeld telt dat op tot 40.100 euro, net binnen het maximum van 42.753 euro voor 2026.

Hoeveel belasting bespaar je? Een rekenvoorbeeld

Een groot voordeel van de lijfrenteaftrek is dat deze niet wordt afgetopt. Anders dan bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en de ondernemersaftrek, die in de hoogste schijf tegen maximaal 37,56% aftrekbaar zijn, telt de lijfrentepremie mee tegen je volledige tarief, tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dat een wezenlijk verschil.

Stel: een zzp’er had vorig jaar 60.000 euro winst en bouwt geen pensioen op. Haar premiegrondslag is 60.000 euro min de AOW-franchise van 19.172 euro, dus 40.828 euro. Haar jaarruimte is 30% daarvan, oftewel 12.248 euro. Stort zij dit bedrag op een lijfrenterekening, dan daalt haar belastbaar inkomen met 12.248 euro. Bij een tarief van 37,56% scheelt dat ruim 4.600 euro belasting nu. Over de uitkering betaalt zij later belasting, meestal tegen een lager tarief (zie figuur 3).

Figuur 3: Hetzelfde inkomen, twee keuzes. Wie de jaarruimte van 12.248 euro benut, betaalt bij een tarief van 37,56% ruim 4.600 euro minder belasting in het jaar van storting.

Welke lijfrentes zijn aftrekbaar en wanneer moet je betalen?

Toegelaten aanbieders en vormen

De premie is alleen aftrekbaar bij een toegelaten aanbieder. Dat is een verzekeraar of een geblokkeerde lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een bank of beleggingsonderneming (de zogenoemde bancaire lijfrente). Daarnaast moet de lijfrente een toegestane vorm hebben: een oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente. Bij die laatste mogen de termijnen niet meer bedragen dan 27.192 euro per jaar. Een polis of rekening die niet aan deze eisen voldoet, geeft geen recht op aftrek.

Betalen in het jaar zelf

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte geldt sinds 2011 geen terugwentelingstermijn meer. Je moet de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Een premie die je pas in het nieuwe jaar betaalt, telt niet meer mee voor het afgelopen jaar. Alleen bij een lijfrente die je aankoopt met stakingswinst geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Stop je met je onderneming? Let op de stakingslijfrente

Zet je de winst uit de staking of verkoop van je onderneming om in een lijfrente, dan gelden aparte, veel hogere maxima. Afhankelijk van je leeftijd en situatie kun je tot 574.867 euro, 287.445 euro of 143.732 euro omzetten, verminderd met eerder opgebouwde voorzieningen. Voor deze route geldt wel de terugwenteling van zes maanden. Omdat de bedragen en voorwaarden hier complex zijn, is advies vooraf verstandig.

Wat gebeurt er als je de lijfrente later afkoopt?

De premieaftrek is voorwaardelijk. Koop je de lijfrente later af, verpand je die, of gebruik je die anders dan voor periodieke oudedagsuitkeringen, dan neemt de fiscus de eerder afgetrokken premies en het behaalde rendement terug. Dit bedrag wordt belast in box 1 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bovenop de belasting ben je dan in beginsel 20% revisierente verschuldigd, een soort boete voor het verkeerd gebruiken van de regeling.

Er zijn uitzonderingen. Over een klein lijfrentetegoed met een waarde tot 5.513 euro is geen revisierente verschuldigd, en bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag je vervroegd afkopen tot 51.440 euro per jaar zonder deze gevolgen. Ook geldt: voor zover je de premies aantoonbaar niet hebt afgetrokken, is geen revisierente verschuldigd. Een saldoverklaring van de Belastingdienst kan de grondslag dan verlagen. Bewaar daarom je aangiften en betaalbewijzen goed.

De belangrijkste bedragen voor 2026 op een rij

Parameter Waarde 2026 Vindplaats
Opbouwpercentage jaarruimte 30% art. 3.127 lid 1
Aftoppingsgrens inkomen 137.800 euro art. 3.127 lid 3
AOW-franchise 19.172 euro art. 3.127 lid 3
Maximale premiegrondslag 118.628 euro afgeleid
Maximale jaarruimte (voor imputatie) ± 35.589 euro afgeleid
Maximale reserveringsruimte 42.753 euro art. 3.127 lid 2
Terugblikperiode reserveringsruimte 10 jaar art. 3.127 lid 2
Max. termijn tijdelijke oudedagslijfrente 27.192 euro per jaar art. 3.125
Afkoopgrens klein tegoed (geen revisierente) 5.513 euro art. 3.126a lid 5
Maximaal aftrektarief 49,50% art. 2.10
Revisierente bij afkoop in beginsel 20% art. 30i AWR

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bereken je jaarruimte. Gebruik je inkomen van vorig jaar en je pensioenoverzicht (UPO), of de rekenhulp van de Belastingdienst.
  • Controleer de reserveringsruimte. Laat narekenen of je ruimte uit de afgelopen tien jaar alsnog kunt inhalen, tot 42.753 euro.
  • Kies een toegelaten product. Sluit de lijfrente af bij een erkende verzekeraar of bank, in een toegestane vorm.
  • Stort op tijd. Betaal de premie voor 31 december; voor de gewone ruimte is er geen terugwenteling.
  • Verwerk de aftrek in je aangifte. Neem de premie op als aftrekpost en vraag de reserveringsruimte expliciet aan.
  • Bewaar je stukken. Houd het UPO, de premiebevestiging en je aangiften bij voor eventuele controle of een latere saldoverklaring.
  • Denk vooruit bij afkoop. Bespreek de gevolgen van afkoop of verpanding vooraf, om onverwachte belasting en 20% revisierente te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel jaarruimte heb ik in 2026?

Je jaarruimte is in beginsel 30% van je premiegrondslag (je inkomen van vorig jaar, tot 137.800 euro, min de AOW-franchise van 19.172 euro), verminderd met je pensioenopbouw. De maximale jaarruimte voor 2026 is ongeveer 35.589 euro. De exacte uitkomst hangt af van je inkomen en je pensioen.

Kan ik onbenutte ruimte van vorige jaren nog gebruiken?

Ja. Via de reserveringsruimte mag je niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar alsnog inhalen, in 2026 tot maximaal 42.753 euro. Je vraagt dit aan in je aangifte; het inhalen begint bij het oudste niet-benutte jaar.

Tot wanneer moet ik de premie betalen?

Voor de gewone jaar- en reserveringsruimte moet je de premie in het kalenderjaar zelf betalen, dus voor 31 december. Er is geen terugwenteling meer. Alleen bij een stakingslijfrente geldt nog een terugwenteling van zes maanden.

Is lijfrentepremie tegen het hoogste tarief aftrekbaar?

Ja. Anders dan de hypotheekrente en de ondernemersaftrek wordt de lijfrentepremie niet afgetopt op 37,56%. Je trekt de premie af tegen je volledige tarief, in 2026 tot 49,50%. Voor hogere inkomens is dit een belangrijk voordeel.

Wat kost het afkopen van een lijfrente?

Bij afkoop worden de eerder afgetrokken premies en het rendement teruggenomen en belast in box 1. Daarbovenop ben je in beginsel 20% revisierente verschuldigd. Uitzonderingen gelden voor een klein tegoed tot 5.513 euro en voor afkoop bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot 51.440 euro per jaar.

Kan mijn partner mijn jaarruimte gebruiken?

Nee. De jaarruimte is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar tussen partners. Alleen degene die de premie zelf verschuldigd is en betaalt, kan aftrekken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een lijfrente kan tienduizenden euro’s aan aftrek opleveren, maar de berekening luistert nauw: een vergeten imputatie of een te hoge premie leidt tot correcties, en een verkeerde afkoop tot 20% revisierente. Taxcount berekent je jaar- en reserveringsruimte, controleert je pensioengegevens en bepaalt hoeveel je fiscaal voordelig kunt inleggen. Ook bij een staking of verkoop van je onderneming rekenen wij de aparte maxima voor je uit en begeleiden wij de aftrek in je aangifte. Wil je weten hoeveel ruimte je dit jaar hebt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen, dan weet je zeker dat je geen voordeel laat liggen en geen fouten maakt.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je voor je eigen geval altijd door een adviseur voorlichten.

 

Herinvesteringsreserve: zo schuif je belasting over je boekwinst door

 

Verkoop je een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maak je boekwinst en betaal je daar normaal meteen belasting over. Wil je opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuif je de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stel je de belasting uit. In 2026 moet je dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel lees je hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat je de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als je een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet je die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trek je de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor je er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat je duurzaam in je bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die je als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat je de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. Je verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boek je de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijf je minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaal je de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat jou zelf uitkomt.

Figuur 1: je vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: je verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, je hebt het voornemen om te herinvesteren en je herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet je onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat je tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteer je ten onrechte niet en verwerk je de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schend je de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regel je bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg je plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat je het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat je uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

Je moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin je de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doe je dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. Je trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die je duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt je voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount berekent je boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in je administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stel je belasting uit zonder dat je een onverwachte vrijval riskeert. Overweeg je een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

MKB-winstvrijstelling 2026: de vaste korting die je winst met 12,7% verlaagt

 

Als ondernemer betaal je inkomstenbelasting over de winst van je onderneming. Wat veel ondernemers niet beseffen, is dat een vast deel van die winst helemaal buiten de heffing blijft. Dat regelt de mkb-winstvrijstelling: in 2026 is 12,7% van je winst vrijgesteld, nadat eerst de ondernemersaftrek van de winst is afgehaald. Je hoeft er niets voor aan te vragen en je hoeft geen minimumaantal uren te werken. In dit artikel lees je wat de mkb-winstvrijstelling in 2026 inhoudt, voor wie zij geldt, hoe de berekening precies werkt en waar je op moet letten, ook in een jaar met verlies.

Wat is de mkb-winstvrijstelling?

De mkb-winstvrijstelling is een vaste korting op de winst van ondernemers. Zij is de allerlaatste stap voordat je belastbare winst uit onderneming vaststaat. Van de winst die overblijft nadat je de ondernemersaftrek hebt toegepast, is 12,7% vrijgesteld. Over dat deel betaal je geen inkomstenbelasting.

De vrijstelling werd in 2007 ingevoerd als tegenwicht voor de verlaging van de vennootschapsbelasting, om te voorkomen dat ondernemers massaal naar de bv zouden overstappen. Het is dus geen subsidie voor een bepaalde investering, maar een algemene verlaging van de belastbare winst die voor vrijwel elke ondernemer geldt.

Wie heeft recht op de mkb-winstvrijstelling?

De vrijstelling geldt voor iedereen die voor de inkomstenbelasting ondernemer is: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht de omvang of de sector. Sinds 2010 is er geen urencriterium meer, zodat ook parttime-ondernemers, ondernemers met een baan ernaast en starters ervan profiteren.

Een aantal groepen valt er buiten. Medegerechtigden, zoals een commanditaire (stille) vennoot, krijgen de vrijstelling niet. Ook resultaatgenieters (bijvoorbeeld freelancers met resultaat uit overige werkzaamheden) en terbeschikkingstellers (iemand die een pand aan de eigen bv verhuurt) hebben er geen recht op. Gewone werknemers en directeuren-grootaandeelhouders van een bv vallen er evenmin onder. De kernvraag is dus of je echt ondernemer bent; is dat het geval, dan volgt de vrijstelling vanzelf.

Hoe bereken je de mkb-winstvrijstelling?

De berekening gaat in twee stappen (zie figuur 1). Eerst neem je de gezamenlijke winst uit al je ondernemingen en haal je daar de ondernemersaftrek af. De ondernemersaftrek is de verzamelnaam voor aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Van het bedrag dat dan overblijft, is 12,7% vrijgesteld.

Figuur 1: de mkb-winstvrijstelling wordt in twee stappen berekend, na de ondernemersaftrek. Het percentage is de laatste jaren stap voor stap verlaagd tot 12,7% in 2026.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, je maakt in 2026 een winst van 60.000 euro en je hebt recht op 1.200 euro zelfstandigenaftrek. Eerst trek je de aftrek af: 60.000 euro min 1.200 euro is 58.800 euro. Daarover pas je de mkb-winstvrijstelling toe: 12,7% van 58.800 euro is afgerond 7.468 euro. Je belastbare winst wordt dan 58.800 euro min 7.468 euro, dus 51.332 euro. Je hoeft hiervoor niets aan te vragen; de vrijstelling wordt automatisch in je aangifte verwerkt.

Figuur 2: in het voorbeeld krimpt de winst van 60.000 euro via de ondernemersaftrek en de vrijstelling tot een belastbare winst van 51.332 euro.

Kenmerk Waarde in 2026
Vrijstellingspercentage 12,7% van de winst
Grondslag winst na aftrek van de ondernemersaftrek
Urencriterium niet vereist (vervallen sinds 2010)
Toepassing automatisch, geen keuze of aanvraag
Maximaal aftrektarief in hoogste schijf 37,56%

 

Wat betekent de vrijstelling in een jaar met verlies?

De mkb-winstvrijstelling werkt in beide richtingen. Lijd je verlies, dan verkleint de vrijstelling juist dat verlies met 12,7%. Bij een verlies van 10.000 euro blijft fiscaal 8.730 euro over om met andere jaren te verrekenen. Dat is bewust zo geregeld, omdat de vrijstelling feitelijk als een tariefmaatregel werkt. In een verliesjaar pakt zij dus nadelig uit, wat van belang is als je het verlies wilt verrekenen met winst uit andere jaren.

Waarom telt de vrijstelling niet altijd tegen het toptarief?

De vrijstelling verlaagt je belastbare winst, maar zij verlaagt niet het tarief. Sinds 2020 wordt het tarief waartegen aftrekposten zoals deze vrijstelling meetellen stap voor stap afgebouwd. Valt je inkomen in de hoogste schijf, dan telt de vrijstelling in 2026 mee tegen maximaal 37,56%, en niet tegen het toptarief van 49,50%. Voor ondernemers met een hoog inkomen ontstaat zo een verschil tussen het tarief van de winst en dat van de vrijstelling. Voor de meeste ondernemers speelt dit niet, omdat hun winst onder de bovengrens van de eerste schijf blijft.

Praktische checklist: dit regel je rond de mkb-winstvrijstelling

  • Ondernemerschap vaststellen: controleer of je echt ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en niet slechts medegerechtigde, resultaatgenieter of terbeschikkingsteller. Alleen dan heb je recht op de vrijstelling.
  • Volgorde bewaken: zorg dat eerst de ondernemersaftrek van de winst wordt afgehaald en pas daarna de 12,7% vrijstelling wordt berekend. De volgorde is dwingend en bepaalt de uitkomst.
  • Aangifte controleren: je hoeft niets aan te vragen, maar controleer wel dat de vrijstelling correct in je aangifte staat.
  • Verliesjaren doorrekenen: houd er rekening mee dat de vrijstelling een verlies verkleint. Betrek dit in je planning voor verliesverrekening.
  • Buitenlandse winst: heb je buitenlandse winst waarvoor je voorkoming van dubbele belasting claimt, laat dan de berekening controleren; de vrijstelling werkt door in die aftrek.

Veelgestelde vragen

Moet ik het urencriterium halen voor de mkb-winstvrijstelling?

Nee. Sinds 2010 geldt er geen urencriterium meer voor de mkb-winstvrijstelling. Ook als je weinig uren in je onderneming steekt, heb je recht op de vrijstelling, zolang je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

Hoeveel bedraagt de mkb-winstvrijstelling in 2026?

In 2026 is de vrijstelling 12,7% van de winst na aftrek van de ondernemersaftrek. In 2024 was dit nog 13,31% en het percentage is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd.

Moet ik de mkb-winstvrijstelling aanvragen?

Nee. De vrijstelling wordt automatisch toegepast in je aangifte inkomstenbelasting. Je hoeft geen keuze te maken en geen apart verzoek in te dienen.

Geldt de vrijstelling ook als ik verlies maak?

Ja, maar dan pakt zij nadelig uit. De vrijstelling verkleint je verlies met 12,7%, waardoor je minder verlies overhoudt om met andere jaren te verrekenen.

Krijgt een dga ook de mkb-winstvrijstelling?

Nee. De vrijstelling geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een directeur-grootaandeelhouder werkt via een bv en valt onder de vennootschapsbelasting en box 2, en heeft daarom geen recht op de mkb-winstvrijstelling.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount controleert of je als ondernemer kwalificeert, berekent je voordeel en zorgt dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling in de juiste volgorde en correct in je aangifte terechtkomen. Ook denken wij met je mee over de gevolgen in verliesjaren en bij buitenlandse winst, zodat je geen voordeel laat liggen en geen onnodig risico loopt. Wil je zeker weten dat je het maximale uit de ondernemersregelingen haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling van je situatie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Periodieke gift aftrekken: het verschil dat je honderden euro’s per jaar kan opleveren

Geef je ieder jaar aan een goed doel, je kerk, een museum of een vereniging? Dan laat je waarschijnlijk geld liggen. Een gewone gift is namelijk pas aftrekbaar boven een drempel en tot een maximum. Leg je dezelfde gift vast als periodieke gift, dan trek je het volledige bedrag af, zonder drempel. Bij precies dezelfde donatie houd je zo netto meer over. In dit artikel lees je wat een periodieke gift is, welke voorwaarden in 2026 gelden en hoeveel je ermee kunt besparen.

Wat is het verschil tussen een gewone en een periodieke gift?

De inkomstenbelasting kent twee soorten aftrekbare giften. Een gewone gift is een losse donatie. Die is alleen aftrekbaar voor zover je meer geeft dan de drempel, en tot een maximum. In 2026 is de drempel 1 procent van je drempelinkomen (met een minimum van 60 euro) en het maximum 10 procent van dat inkomen. Alles onder de drempel telt dus niet mee.

Een periodieke gift is een gift die je schriftelijk vastlegt en minimaal vijf jaar lang jaarlijks doet. Het grote voordeel: de drempel en het lage maximum vervallen. Je trekt het volledige bedrag af. In 2026 geldt alleen nog een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar, dat voor de meeste gevers geen rol speelt.

Hoeveel levert een periodieke gift op?

Stel, je drempelinkomen is 80.000 euro en je schenkt 2.000 euro per jaar aan een goed doel met ANBI-status. Als gewone gift is de drempel 1 procent van 80.000 euro, dus 800 euro. Aftrekbaar is dan 1.200 euro. Als periodieke gift vervalt die drempel en trek je het volle bedrag van 2.000 euro af.

Bij een aftrektarief van 37,56 procent (het maximumtarief voor aftrekposten in 2026 bij een hoog inkomen) scheelt dat extra afgetrokken bedrag van 800 euro ongeveer 300 euro belasting per jaar. Over de looptijd van vijf jaar is dat zo’n 1.500 euro extra voordeel, bij exact dezelfde gift (zie figuur 1).

Figuur 1: dezelfde gift van 2.000 euro levert als periodieke gift een hogere aftrek op dan als gewone gift, doordat de drempel vervalt.

Aan welke voorwaarden moet een periodieke gift voldoen?

Tegenover het voordeel staat een verplichting: je bindt je voor langere tijd. Een periodieke gift is een vaste en gelijkmatige jaarlijkse uitkering die uiterlijk eindigt bij overlijden. De belangrijkste voorwaarden zijn de volgende (zie figuur 2).

  • Minimaal vijf jaar. Je verplicht je om minstens vijf jaar achter elkaar jaarlijks ongeveer hetzelfde bedrag te schenken.
  • Schriftelijk vastgelegd. Sinds 2014 hoeft dat niet meer bij de notaris. Een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling volstaat. De Belastingdienst heeft daarvoor een standaardformulier.
  • Een kwalificerende ontvanger. De ontvanger moet een ANBI, een culturele ANBI of een kwalificerende vereniging zijn. Voor verenigingen geldt de eis van volledige rechtsbevoegdheid en ten minste 25 leden zonder winststreven.
  • Geen tegenprestatie. Je geeft vrijwillig en er mag niets tegenover staan (dus geen contributie, lot of andere tegenprestatie).
  • Een reeel overlijdensrisico. De verplichting moet uiterlijk bij overlijden eindigen en er moet werkelijke onzekerheid over de looptijd zijn. Een kunstmatig weggenomen sterfterisico voldoet niet.

Figuur 2: de vier kernvoorwaarden voor een periodieke gift. Voldoe je niet aan deze eisen, dan val je terug op de gewone giftenaftrek.

Let op: alleen betalingen vanaf de datum van de overeenkomst tellen mee als periodieke gift. Leg de gift dus vast voordat je de eerste kwalificerende betaling doet.

Extra aftrek bij een culturele ANBI

Geef je aan een culturele ANBI, bijvoorbeeld een museum, theater of orkest, dan mag je de gift voor de aftrek met 25 procent verhogen. Die verhoging is in 2026 maximaal 1.250 euro per jaar, wat overeenkomt met een culturele gift van 5.000 euro. De multiplier geldt zowel voor periodieke als voor gewone giften. Fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek onderling; de extra aftrek is per huishouden begrensd.

Wat als de gift eerder stopt?

Voldoe je niet aan de vormvereisten, of is de looptijd korter dan vijf jaar, dan is er geen aftrekbare periodieke gift. De gift telt dan hooguit als gewone gift, met drempel en maximum. Stopt de gift binnen vijf jaar buiten je schuld, bijvoorbeeld door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan blijft de aftrek in stand als de overeenkomst een clausule bevat dat de gift bij inkomensdaling mag eindigen. Ontbreekt die clausule, dan val je terug op de gewone giftenaftrek. Neem zo’n clausule dus altijd op.

Praktische checklist: wat je moet regelen

In vier stappen leg je een periodieke gift correct vast (zie figuur 3).

Figuur 3: in vier stappen een periodieke gift regelen. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste betaling doet.

  • Controleer de status van de ontvanger. Zoek de instelling op in het register “ANBI opzoeken” en controleer of het (ook) een culturele ANBI is.
  • Gebruik het standaardformulier. Vraag de instelling om de “Overeenkomst periodieke gift” van de Belastingdienst en vul die volledig in.
  • Leg vast voor de eerste betaling. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste kwalificerende betaling doet; eerdere betalingen tellen niet mee.
  • Neem een inkomensdalingsclausule op. Zo blijft je aftrek in stand als je de gift door omstandigheden eerder moet stoppen.
  • Betaal elk jaar hetzelfde bedrag. Maak de gift minimaal jaarlijks over en houd het bedrag gelijkmatig.
  • Verwerk de aftrek in de aangifte. Neem de gift op in je aangifte inkomstenbelasting; fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek zo gunstig mogelijk.
  • Bewaar akte en betaalbewijzen. Houd de overeenkomst en de bankafschriften bij voor het geval de Belastingdienst vragen stelt.

Veelgestelde vragen

Is een periodieke gift altijd voordeliger dan een gewone gift?

Voor wie meerdere jaren een vast bedrag geeft, vrijwel altijd. De drempel vervalt, waardoor je volledige gift aftrekbaar is. Voor een eenmalige of wisselende gift is de gewone giftenaftrek meestal voldoende.

Heb ik een notaris nodig?

Nee. Sinds 2014 volstaat een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling. De Belastingdienst heeft hiervoor een standaardformulier.

Wat is het maximum in 2026?

Voor periodieke giften geldt geen drempel en een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar (voor jou en je fiscale partner samen). Voor vrijwel iedereen is je volledige gift dus aftrekbaar.

Hoeveel bedraagt het maximale aftrektarief?

De giftenaftrek valt onder de tariefmaatregel. Bij een hoog inkomen telt de aftrek in 2026 mee tegen ten hoogste 37,56 procent, niet tegen het toptarief.

Kan ik ook aan een vereniging periodiek schenken?

Ja, mits de vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft, minstens 25 leden telt en niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Voor gewone giften geldt deze route niet; die moeten naar een (culturele) ANBI.

Ik ben dga. Kan ik beter vanuit mijn bv geven?

Sinds 2025 is de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Voor een dga die structureel geeft, is de periodieke gift in de inkomstenbelasting daarom vaak het aangewezen instrument. Laat je situatie doorrekenen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een periodieke gift is eenvoudig, maar de details bepalen of de aftrek standhoudt: de juiste akte, de looptijd, de inkomensdalingsclausule en de status van de ontvanger. Een kleine fout laat je terugvallen op de lagere gewone giftenaftrek. Taxcount controleert of je giften optimaal zijn ingericht, of je de culturele multiplier kunt benutten en hoe jij en je partner de aftrek het gunstigst verdelen. Voor dga’s bekijken wij bovendien of privé geven na de wijziging van 2025 voordeliger is dan geven vanuit de bv. Wil je zeker weten dat je het maximale uit je giften haalt? Leg je situatie voor aan Taxcount en wij toetsen je giftenaftrek. In de tussentijd kun je gebruik maken van onze schenkingsdashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

pensioen internationale organisatie belasting/pension international organization tax

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Je woont in Nederland en ontvangt pensioen van een internationale organisatie, bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de NAVO, de ruimtevaartorganisatie ESA of het Europees Octrooibureau. Geef je dat pensioen volledig op als inkomen in box 1? Dan betaal je waarschijnlijk te veel belasting. Een deel van je pensioen is namelijk opgebouwd uit je eigen premies, waarover je destijds al belasting betaalde. Dat deel hoort niet in box 1, maar in box 3. Dit splitsen heet de splitsingsmethode. In dit artikel lees je hoe het werkt, voor welke organisaties het geldt en wat je moet regelen om deze besparing veilig te benutten.

Waarom is je pensioen belast en je salaris niet was?

Werknemers van internationale organisaties betalen over hun salaris meestal geen Nederlandse belasting. De organisatie houdt vaak zelf een interne heffing in. Voor het pensioen ligt dat anders: dat mag Nederland volgens de gewone regels belasten. De hoofdregel is daarom dat je pensioenuitkering volledig meetelt als loon in box 1.

Op die hoofdregel bestaat een belangrijke uitzondering. Voor zover je aannemelijk maakt dat over de opbouw van je pensioen destijds al een belasting naar het inkomen is geheven, hoeft dat deel niet nogmaals in box 1. Bij deze regelingen betaalde je je eigen premie uit je netto-inkomen, dus die was niet aftrekbaar. Dat deel is dus al belast geweest en verhuist naar box 3, waar de waarde van dat pensioenrecht als bezitting meetelt.

Wat is de splitsingsmethode?

De splitsingsmethode verdeelt een pensioenuitkering over twee boxen. Het deel dat is opgebouwd met werkgeverspremies blijft belast in box 1 (als loon). Het deel dat je zelf uit je netto-inkomen betaalde, valt in box 3 (als vermogen). Omdat box 3 vaak veel lager wordt belast dan het progressieve tarief in box 1, kan dit duizenden euro per jaar schelen.

Voor het Europees Octrooibureau en de zogeheten Gecoordineerde Pensioenregeling (onder meer NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT) heeft de staatssecretaris een praktische goedkeuring gegeven. Je hoeft dan niet je premiegegevens over tientallen jaren te bewijzen. In plaats daarvan geldt een vast forfait: twee derde van de jaarlijkse uitkering geef je aan in box 1, en een derde valt buiten box 1. De waarde van dat een derde geef je aan in box 3. Toeslagen (allowances) en de tax adjustment horen wel volledig in box 1 (zie figuur 1).

Figuur 1: bij het forfait blijft twee derde van de uitkering in box 1 en verhuist een derde naar box 3; allowances en de tax adjustment horen volledig in box 1.

Een rekenvoorbeeld

Een alleenstaande gepensioneerde van 71 jaar ontvangt 21.000 euro pensioen uit de Gecoordineerde Pensioenregeling en daarnaast 500 euro tax adjustment. In box 1 geeft hij twee derde van 21.000 euro (14.000 euro) plus de 500 euro tax adjustment aan, samen 14.500 euro. Het overige een derde (7.000 euro) valt buiten box 1. De waarde daarvan in box 3 berekent hij door 7.000 euro te vermenigvuldigen met de leeftijdsfactor uit de wet, die bij 71 jaar 8 bedraagt: 8 maal 7.000 euro is 56.000 euro. Zo geeft hij jaarlijks 7.000 euro minder aan in het progressief belaste box 1, tegenover een box 3-bezitting van 56.000 euro (zie figuur 2).

Figuur 2: uitwerking van het rekenvoorbeeld. Van de uitkering van 21.000 euro blijft 14.500 euro in box 1; 7.000 euro wordt met factor 8 een box 3-bezitting van 56.000 euro.

Let op: voor het VN-pensioenfonds UNJSPF ligt dezelfde verhouding vast in het pensioenreglement. De werknemer draagt de helft van wat de werkgever betaalt; de eigen bijdrage is dus ook hier een derde van de totale premie, in alle opbouwjaren. Het beleidsbesluit geldt formeel alleen voor het EOB en de Gecoordineerde Pensioenregeling, dus voor een VN-pensioen is doorgaans meer onderbouwing of overleg met de Belastingdienst nodig.

Voor welke organisaties geldt dit?

De regeling geldt voor in Nederland wonende gepensioneerden en nabestaanden van internationale organisaties. In de praktijk gaat het onder meer om de Verenigde Naties (met het pensioenfonds UNJSPF), het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling van NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT. Ook pensioenen van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank, UNESCO, UNICEF, de WHO en de WTO kunnen eronder vallen.

Belangrijke uitzondering: pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting. Voor die pensioenen speelt de splitsingsmethode dus niet (zie figuur 3).

Figuur 3: de splitsingsmethode geldt voor pensioenen van veel internationale organisaties, maar niet voor de EU en de ECB (die zijn vrijgesteld).

Wanneer geldt de splitsing juist niet?

De splitsingsmethode geldt alleen voor een ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een invaliditeitspensioen (uitkering bij arbeidsongeschiktheid) is fiscaal een risicoverzekering zonder opbouw en is daarom volledig belast in box 1. Ook de bijbehorende toeslagen en de tax adjustment volgen het regime van de hoofduitkering en vallen dus in box 1.

Verder is er een aandachtspunt bij oude opbouwjaren. Tot en met belastingjaar 2024 was een deel van de vroegste opbouw (van voor 1995) in bepaalde internationale situaties nog onbelast. Vanaf 1 januari 2025 is die vrijstelling vervallen. De precieze gevolgen van deze wetswijziging zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, dus over oudere jaren is maatwerk nodig.

Waarop moet je letten?

Het grootste risico is niet een naheffing, maar dat je voordeel laat liggen door je pensioen volledig in box 1 op te geven. Wie de splitsing wel toepast, moet het box 3-deel daadwerkelijk als bezitting aangeven en dit ieder jaar opnieuw berekenen met de leeftijdsfactor. Wijk je af van het forfait, dan moet je het premieverloop over de hele opbouwperiode kunnen onderbouwen. En je moet kiezen: de forfaitaire benadering en de oudere saldomethode mogen niet worden gecombineerd. Zonder tijdig en verifieerbaar bewijs wordt de uitkering alsnog volledig in box 1 belast, zo blijkt uit de rechtspraak.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de herkomst van je pensioen. Ga na van welke organisatie je pensioen komt en of het een ouderdoms- of nabestaandenpensioen is (en dus geen invaliditeitspensioen).
  • Sluit EU en ECB uit. Komt je pensioen van de Europese Unie of de Europese Centrale Bank, dan is het vrijgesteld en speelt de splitsing niet.
  • Vraag premieoverzichten op. Vraag bij de pensioenuitvoerder de jaaropgaven en, bij de VN, je Annual Pension Statement op. Zonder bewijs blijft alles in box 1.
  • Geef het box 3-deel aan. Reken de waarde van het niet-belaste deel jaarlijks om met de leeftijdsfactor en neem die als bezitting op in box 3.
  • Kies bewust tussen forfait en saldomethode. De twee faciliteiten kun je niet combineren; laat doorrekenen welke voor jou het gunstigst is.
  • Controleer openstaande aanslagen. Staan er nog aanslagen open over eerdere jaren, dan kunnen die soms alsnog worden hersteld.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over mijn VN- of NAVO-pensioen in Nederland?

Ja. Anders dan het salaris tijdens je dienstverband mag Nederland je pensioen belasten. Met de splitsingsmethode betaal je alleen over het werkgeversdeel in box 1; het deel dat je zelf uit je netto-inkomen opbouwde, valt in box 3.

Hoeveel van mijn pensioen valt in box 3?

Bij het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling geldt een forfait van een derde in box 3 en twee derde in box 1. De waarde van dat een derde bereken je met een leeftijdsafhankelijke factor uit de wet.

Geldt de regeling ook voor een pensioen van de EU?

Nee. Pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn volledig vrijgesteld van Nederlandse belasting. De splitsingsmethode is daar niet aan de orde.

Wat als ik een invaliditeitspensioen ontvang?

Een invaliditeitspensioen is volledig belast in box 1. Er vindt geen splitsing plaats, omdat er geen sprake is van opbouw met eigen premies.

Kan ik te veel betaalde belasting van eerdere jaren terugkrijgen?

Dat kan soms. Voor jaren waarvan de aanslag nog niet definitief vaststaat, kan de splitsing alsnog worden toegepast. Laat je aanslagen en aangiften daarom nakijken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Het pensioen van een internationale organisatie is fiscaal specialistisch werk: de juiste box, het forfait of het werkelijke premieverloop, de leeftijdsfactor voor box 3 en de keuze tussen faciliteiten luisteren nauw. Een fout kost je ofwel jaarlijks onnodig belastinggeld, ofwel een langlopende discussie met de Belastingdienst. Taxcount beoordeelt van welke regeling je pensioen komt, past de splitsingsmethode correct toe, verzorgt zo nodig het overleg met de inspecteur en controleert of oude jaren nog te herstellen zijn. Ontvang je pensioen van de VN, NAVO, ESA, het EOB of een vergelijkbare organisatie? Laat je aangifte door Taxcount toetsen en betaal niet meer belasting dan nodig.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

 

English version


You live in the Netherlands and receive a pension from an international organisation, for example the United Nations, NATO, the space agency ESA or the European Patent Office. Do you report that pension in full as income in box 1? Then you are probably paying too much tax. Part of your pension was built up from your own contributions, on which you already paid tax at the time. That part does not belong in box 1, but in box 3. Dividing the pension in this way is called the split method. This article explains how it works, which organisations it applies to and what you need to arrange to secure this saving safely.

Why is your pension taxed while your salary was not?

Employees of international organisations usually pay no Dutch tax on their salary. The organisation often applies its own internal levy. Pensions are treated differently: the Netherlands may tax them under the ordinary rules. The main rule is therefore that your pension payment counts in full as salary in box 1.

There is an important exception to this main rule. To the extent that you can make it plausible that tax on income was already levied on the build-up of your pension, that part does not have to be taxed again in box 1. Under these schemes you paid your own contribution out of your net income, so it was not deductible. That part has therefore already been taxed and moves to box 3, where the value of the pension right counts as an asset.

What is the split method?

The split method divides a pension payment across two boxes. The part built up with employer contributions remains taxed in box 1 (as salary). The part you paid yourself out of your net income falls in box 3 (as wealth). Because box 3 is often taxed much more lightly than the progressive rate in box 1, this can save thousands of euro per year.

For the European Patent Office and the so-called Co-ordinated Pension Scheme (including NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT) the State Secretary has issued a practical approval. You then do not have to prove your contribution history going back decades. Instead a fixed ratio applies: you report two thirds of the annual payment in box 1, and one third falls outside box 1. You report the value of that one third in box 3. Allowances and the tax adjustment do belong entirely in box 1 (see figure 1).

Figure 1: under the fixed ratio two thirds of the payment stays in box 1 and one third moves to box 3; allowances and the tax adjustment belong entirely in box 1.

A worked example

A single pensioner aged 71 receives 21,000 euro of pension from the Co-ordinated Pension Scheme, plus 500 euro of tax adjustment. In box 1 he reports two thirds of 21,000 euro (14,000 euro) plus the 500 euro tax adjustment, being 14,500 euro in total. The remaining one third (7,000 euro) falls outside box 1. He calculates its box 3 value by multiplying 7,000 euro by the statutory age factor, which is 8 at the age of 71: 8 times 7,000 euro is 56,000 euro. In this way he reports 7,000 euro less each year in progressively taxed box 1, against a box 3 asset of 56,000 euro (see figure 2).

Figure 2: the worked example. Of the 21,000 euro payment, 14,500 euro stays in box 1; 7,000 euro becomes a box 3 asset of 56,000 euro using factor 8.

Which organisations does this apply to?

The scheme applies to pensioners and surviving dependants living in the Netherlands who worked for international organisations. In practice this includes the United Nations (with the UNJSPF pension fund), the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme of NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT. Pensions from, for example, the IMF, the World Bank, UNESCO, UNICEF, the WHO and the WTO may also fall under it.

Important exception: pensions from the European Union and the European Central Bank are exempt from Dutch tax. The split method therefore does not apply to those pensions (see figure 3).

Figure 3: the split method applies to pensions from many international organisations, but not to the EU and the ECB (which are exempt).

When does the split not apply?

The split method applies only to an old-age or survivor pension. A disability pension (a payment on incapacity for work) is, for tax purposes, an insurance without build-up and is therefore taxed in full in box 1. The related allowances and the tax adjustment follow the treatment of the main payment and so also fall in box 1.

There is a further point of attention for older build-up years. Up to and including tax year 2024, part of the earliest build-up (from before 1995) was still untaxed in certain international situations. From 1 January 2025 that exemption has lapsed. The precise consequences of this change in the law are not yet fully settled, so older years call for a tailored assessment.

What should you watch out for?

The biggest risk is not an additional assessment, but leaving money on the table by reporting your pension in full in box 1. Anyone who does apply the split must actually report the box 3 part as an asset and recalculate it each year using the age factor. If you depart from the fixed ratio, you must be able to substantiate the contribution history for the whole build-up period. And you have to choose: the fixed-ratio approach and the older balance method may not be combined. Without timely and verifiable evidence the payment is taxed in full in box 1 after all, as the case law shows.

Practical checklist: what to arrange

  • Determine the origin of your pension. Establish which organisation your pension comes from and whether it is an old-age or survivor pension (and therefore not a disability pension).
  • Rule out the EU and the ECB. If your pension comes from the European Union or the European Central Bank, it is exempt and the split does not apply.
  • Request contribution statements. Ask the pension administrator for the annual statements and, at the UN, your Annual Pension Statement. Without evidence everything stays in box 1.
  • Report the box 3 part. Convert the value of the untaxed part each year using the age factor and report it as an asset in box 3.
  • Choose deliberately between fixed ratio and balance method. The two facilities cannot be combined; have it calculated which one is most favourable for you.
  • Check open assessments. If assessments over earlier years are still open, they can sometimes be corrected retroactively.

Frequently asked questions

Do I have to pay Dutch tax on my UN or NATO pension?

Yes. Unlike your salary during your employment, the Netherlands may tax your pension. With the split method you pay tax only on the employer part in box 1; the part you built up yourself from your net income falls in box 3.

How much of my pension falls in box 3?

For the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme a fixed ratio of one third in box 3 and two thirds in box 1 applies. You calculate the value of that one third using a statutory age-dependent factor.

Does the scheme also apply to an EU pension?

No. Pensions from the European Union and the European Central Bank are fully exempt from Dutch tax. The split method does not come into play there.

What if I receive a disability pension?

A disability pension is taxed in full in box 1. No split takes place, because there is no build-up from your own contributions.

Can I reclaim tax overpaid in earlier years?

Sometimes you can. For years whose assessment is not yet final, the split can still be applied. It is therefore worth having your assessments and returns reviewed.

How Taxcount can help you

A pension from an international organisation is specialist tax work: the correct box, the fixed ratio or the actual contribution history, the age factor for box 3 and the choice between facilities all require precision. A mistake either costs you unnecessary tax every year, or leads to a lengthy dispute with the Tax Administration. Taxcount assesses which scheme your pension comes from, applies the split method correctly, arranges any consultation with the inspector where needed and checks whether earlier years can still be corrected. Do you receive a pension from the UN, NATO, ESA, the EPO or a comparable organisation? Have your return reviewed by Taxcount and pay no more tax than necessary.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, thresholds and conditions may change and the outcome depends on your personal situation. Always seek personal advice before making tax decisions.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeer je als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) je in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag je 45, 36 of 27 procent van je investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en je moet de investering op tijd melden. In dit artikel lees je wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel je kunt aftrekken en wat je moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij je elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag je eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager en je betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Ben je alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heb je geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor je geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet je minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

\"\"

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

\"\"

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet je investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet je investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat je de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

Je moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat je de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kies je voor de MIA in je aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meld je te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als je de melding wel op tijd hebt verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kun je de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag je de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat je deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee je zelf bepaalt wanneer je afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. Je moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

\"\"

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet je kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoop je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet je een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als je van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van je MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of je bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijg je geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in je aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar je stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. Je moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag je ze niet allebei gebruiken; je kiest de gunstigste. De MIA mag je wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kun je de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteer je van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount je kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of je investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweeg je een duurzame investering? Leg je plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook: