Herinvesteringsreserve: zo schuif je belasting over je boekwinst door

 

Verkoop je een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maak je boekwinst en betaal je daar normaal meteen belasting over. Wil je opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuif je de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stel je de belasting uit. In 2026 moet je dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel lees je hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat je de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als je een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet je die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trek je de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor je er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat je duurzaam in je bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die je als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat je de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. Je verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boek je de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijf je minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaal je de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat jou zelf uitkomt.

Figuur 1: je vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: je verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, je hebt het voornemen om te herinvesteren en je herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet je onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat je tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteer je ten onrechte niet en verwerk je de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schend je de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regel je bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg je plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat je het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat je uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

Je moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin je de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doe je dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. Je trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die je duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt je voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount berekent je boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in je administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stel je belasting uit zonder dat je een onverwachte vrijval riskeert. Overweeg je een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

MKB-winstvrijstelling 2026: de vaste korting die je winst met 12,7% verlaagt

 

Als ondernemer betaal je inkomstenbelasting over de winst van je onderneming. Wat veel ondernemers niet beseffen, is dat een vast deel van die winst helemaal buiten de heffing blijft. Dat regelt de mkb-winstvrijstelling: in 2026 is 12,7% van je winst vrijgesteld, nadat eerst de ondernemersaftrek van de winst is afgehaald. Je hoeft er niets voor aan te vragen en je hoeft geen minimumaantal uren te werken. In dit artikel lees je wat de mkb-winstvrijstelling in 2026 inhoudt, voor wie zij geldt, hoe de berekening precies werkt en waar je op moet letten, ook in een jaar met verlies.

Wat is de mkb-winstvrijstelling?

De mkb-winstvrijstelling is een vaste korting op de winst van ondernemers. Zij is de allerlaatste stap voordat je belastbare winst uit onderneming vaststaat. Van de winst die overblijft nadat je de ondernemersaftrek hebt toegepast, is 12,7% vrijgesteld. Over dat deel betaal je geen inkomstenbelasting.

De vrijstelling werd in 2007 ingevoerd als tegenwicht voor de verlaging van de vennootschapsbelasting, om te voorkomen dat ondernemers massaal naar de bv zouden overstappen. Het is dus geen subsidie voor een bepaalde investering, maar een algemene verlaging van de belastbare winst die voor vrijwel elke ondernemer geldt.

Wie heeft recht op de mkb-winstvrijstelling?

De vrijstelling geldt voor iedereen die voor de inkomstenbelasting ondernemer is: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Zij geldt voor alle ondernemers, ongeacht de omvang of de sector. Sinds 2010 is er geen urencriterium meer, zodat ook parttime-ondernemers, ondernemers met een baan ernaast en starters ervan profiteren.

Een aantal groepen valt er buiten. Medegerechtigden, zoals een commanditaire (stille) vennoot, krijgen de vrijstelling niet. Ook resultaatgenieters (bijvoorbeeld freelancers met resultaat uit overige werkzaamheden) en terbeschikkingstellers (iemand die een pand aan de eigen bv verhuurt) hebben er geen recht op. Gewone werknemers en directeuren-grootaandeelhouders van een bv vallen er evenmin onder. De kernvraag is dus of je echt ondernemer bent; is dat het geval, dan volgt de vrijstelling vanzelf.

Hoe bereken je de mkb-winstvrijstelling?

De berekening gaat in twee stappen (zie figuur 1). Eerst neem je de gezamenlijke winst uit al je ondernemingen en haal je daar de ondernemersaftrek af. De ondernemersaftrek is de verzamelnaam voor aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Van het bedrag dat dan overblijft, is 12,7% vrijgesteld.

Figuur 1: de mkb-winstvrijstelling wordt in twee stappen berekend, na de ondernemersaftrek. Het percentage is de laatste jaren stap voor stap verlaagd tot 12,7% in 2026.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, je maakt in 2026 een winst van 60.000 euro en je hebt recht op 1.200 euro zelfstandigenaftrek. Eerst trek je de aftrek af: 60.000 euro min 1.200 euro is 58.800 euro. Daarover pas je de mkb-winstvrijstelling toe: 12,7% van 58.800 euro is afgerond 7.468 euro. Je belastbare winst wordt dan 58.800 euro min 7.468 euro, dus 51.332 euro. Je hoeft hiervoor niets aan te vragen; de vrijstelling wordt automatisch in je aangifte verwerkt.

Figuur 2: in het voorbeeld krimpt de winst van 60.000 euro via de ondernemersaftrek en de vrijstelling tot een belastbare winst van 51.332 euro.

Kenmerk Waarde in 2026
Vrijstellingspercentage 12,7% van de winst
Grondslag winst na aftrek van de ondernemersaftrek
Urencriterium niet vereist (vervallen sinds 2010)
Toepassing automatisch, geen keuze of aanvraag
Maximaal aftrektarief in hoogste schijf 37,56%

 

Wat betekent de vrijstelling in een jaar met verlies?

De mkb-winstvrijstelling werkt in beide richtingen. Lijd je verlies, dan verkleint de vrijstelling juist dat verlies met 12,7%. Bij een verlies van 10.000 euro blijft fiscaal 8.730 euro over om met andere jaren te verrekenen. Dat is bewust zo geregeld, omdat de vrijstelling feitelijk als een tariefmaatregel werkt. In een verliesjaar pakt zij dus nadelig uit, wat van belang is als je het verlies wilt verrekenen met winst uit andere jaren.

Waarom telt de vrijstelling niet altijd tegen het toptarief?

De vrijstelling verlaagt je belastbare winst, maar zij verlaagt niet het tarief. Sinds 2020 wordt het tarief waartegen aftrekposten zoals deze vrijstelling meetellen stap voor stap afgebouwd. Valt je inkomen in de hoogste schijf, dan telt de vrijstelling in 2026 mee tegen maximaal 37,56%, en niet tegen het toptarief van 49,50%. Voor ondernemers met een hoog inkomen ontstaat zo een verschil tussen het tarief van de winst en dat van de vrijstelling. Voor de meeste ondernemers speelt dit niet, omdat hun winst onder de bovengrens van de eerste schijf blijft.

Praktische checklist: dit regel je rond de mkb-winstvrijstelling

  • Ondernemerschap vaststellen: controleer of je echt ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en niet slechts medegerechtigde, resultaatgenieter of terbeschikkingsteller. Alleen dan heb je recht op de vrijstelling.
  • Volgorde bewaken: zorg dat eerst de ondernemersaftrek van de winst wordt afgehaald en pas daarna de 12,7% vrijstelling wordt berekend. De volgorde is dwingend en bepaalt de uitkomst.
  • Aangifte controleren: je hoeft niets aan te vragen, maar controleer wel dat de vrijstelling correct in je aangifte staat.
  • Verliesjaren doorrekenen: houd er rekening mee dat de vrijstelling een verlies verkleint. Betrek dit in je planning voor verliesverrekening.
  • Buitenlandse winst: heb je buitenlandse winst waarvoor je voorkoming van dubbele belasting claimt, laat dan de berekening controleren; de vrijstelling werkt door in die aftrek.

Veelgestelde vragen

Moet ik het urencriterium halen voor de mkb-winstvrijstelling?

Nee. Sinds 2010 geldt er geen urencriterium meer voor de mkb-winstvrijstelling. Ook als je weinig uren in je onderneming steekt, heb je recht op de vrijstelling, zolang je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

Hoeveel bedraagt de mkb-winstvrijstelling in 2026?

In 2026 is de vrijstelling 12,7% van de winst na aftrek van de ondernemersaftrek. In 2024 was dit nog 13,31% en het percentage is de afgelopen jaren stap voor stap verlaagd.

Moet ik de mkb-winstvrijstelling aanvragen?

Nee. De vrijstelling wordt automatisch toegepast in je aangifte inkomstenbelasting. Je hoeft geen keuze te maken en geen apart verzoek in te dienen.

Geldt de vrijstelling ook als ik verlies maak?

Ja, maar dan pakt zij nadelig uit. De vrijstelling verkleint je verlies met 12,7%, waardoor je minder verlies overhoudt om met andere jaren te verrekenen.

Krijgt een dga ook de mkb-winstvrijstelling?

Nee. De vrijstelling geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een directeur-grootaandeelhouder werkt via een bv en valt onder de vennootschapsbelasting en box 2, en heeft daarom geen recht op de mkb-winstvrijstelling.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount controleert of je als ondernemer kwalificeert, berekent je voordeel en zorgt dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling in de juiste volgorde en correct in je aangifte terechtkomen. Ook denken wij met je mee over de gevolgen in verliesjaren en bij buitenlandse winst, zodat je geen voordeel laat liggen en geen onnodig risico loopt. Wil je zeker weten dat je het maximale uit de ondernemersregelingen haalt? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling van je situatie.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Innovatiebox: zo betaal je 9% belasting over je innovatiewinst

Ontwikkelt je bv zelf iets innovatiefs, zoals een product, een techniek of software? Dan betaal je over de winst daaruit misschien veel meer belasting dan nodig. Met de innovatiebox wordt die innovatiewinst namelijk effectief tegen 9 procent belast, in plaats van tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief van 25,8 procent. Daar staan wel strenge voorwaarden tegenover. In dit artikel lees je wat de innovatiebox is, wanneer je onderneming kwalificeert en hoe het voordeel wordt berekend.

Wat is de innovatiebox?

De innovatiebox is een fiscale faciliteit voor winst uit innovatie (artikel 12b Wet op de vennootschapsbelasting 1969). Normaal betaalt een bv over haar winst 25,8 procent vennootschapsbelasting in de hoogste schijf. Valt een deel van de winst in de innovatiebox, dan wordt over dat deel effectief maar 9 procent belasting geheven.

Technisch is het geen apart tarief, maar een grondslagvermindering: van de innovatiewinst wordt maar een deel in de belasting betrokken en de rest is vrijgesteld. Het effect is dat je per saldo 9 procent betaalt over de winst die in de box valt. De innovatiebox is een keuze: je moet er bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor kiezen.

Voor wie is de innovatiebox bedoeld?

De innovatiebox is bedoeld voor lichamen die vennootschapsbelasting betalen en zelf onderzoek en ontwikkeling doen: in de praktijk vooral de bv en de nv. Kern is dat je een eigen immaterieel activum hebt voortgebracht, bijvoorbeeld een zelf ontwikkelde uitvinding, techniek, werkwijze of software, en dat daarvoor een S&O-verklaring (WBSO) is afgegeven.

Typische situaties zijn een technologiebedrijf dat software of hardware ontwikkelt, een maakbedrijf met een zelf ontworpen productieproces of machine, of een onderneming die licentie-inkomsten of royalty’s ontvangt uit eigen technologie. Ook als je een deel van het ontwikkelwerk uitbesteedt, kun je de box benutten, mits je het activum voor eigen rekening en risico ontwikkelt en zelf de regie voert. Voor een eenmanszaak of vof is de innovatiebox niet van toepassing; die vallen onder de inkomstenbelasting.

Wanneer kwalificeer je voor de innovatiebox?

De toegang tot de innovatiebox verloopt in twee stappen (zie figuur 1). De eerste stap geldt altijd: je hebt een S&O-verklaring (WBSO) nodig voor het speur- en ontwikkelingswerk dat tot het activum heeft geleid. Zonder die verklaring is er geen toegang.

Figuur 1: de toegang verloopt in twee stappen. De S&O-verklaring is altijd nodig; grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig.

De tweede stap geldt alleen voor grotere belastingplichtigen. Zij hebben naast de S&O-verklaring een tweede toegangsbewijs nodig, bijvoorbeeld een octrooi, een kwekersrecht, software, een geneesmiddelvergunning of een vergelijkbaar recht. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan de S&O-verklaring alleen. Je bent een kleinere belastingplichtige als je voordelen uit innovatie over vijf jaar samen onder 37,5 miljoen euro blijven en de omzet van je groep onder 250 miljoen euro. Merken, logo’s en vergelijkbare zaken kwalificeren nooit, omdat hun succes vooral van marketing afhangt.

Hoe wordt het voordeel berekend?

Het voordeel geldt pas nadat je de drempel hebt ingelopen. Alle ontwikkelkosten en eventuele innovatieverliezen moeten eerst tegen het gewone tarief zijn terugverdiend voordat het lage tarief begint. Daarnaast wordt het voordeel beperkt door de zogenoemde nexusbreuk: eigen onderzoek telt volledig mee, maar werk dat je uitbesteedt aan een eigen groepsvennootschap verlaagt het voordeel (zie figuur 2).

Figuur 2: eerst loop je de drempel in, daarna pas je de nexusbreuk toe. Over het kwalificerende voordeel dat overblijft, betaal je effectief 9%.

Een rekenvoorbeeld laat de omvang zien. Stel, je bv heeft 300.000 euro aan kwalificerende innovatiewinst, na aftrek van de drempel en toepassing van de nexusbreuk. Zonder innovatiebox betaal je daarover 25,8 procent, dat is 77.400 euro. Met de innovatiebox wordt maar een deel van die winst belast, zodat je per saldo 9 procent betaalt, dat is 27.000 euro. Het voordeel is dan 77.400 euro min 27.000 euro is 50.400 euro in dat jaar (zie figuur 3).

Figuur 3: over 300.000 euro innovatiewinst betaal je met de innovatiebox 27.000 euro in plaats van 77.400 euro, een voordeel van 50.400 euro.

De vereenvoudigde regeling voor het mkb

Voor kleinere bedrijven bestaat een praktische, forfaitaire route. Daarbij stel je het kwalificerende voordeel vast op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar. Je mag deze route gebruiken als je in het jaar zelf of in een van de twee voorafgaande jaren een kwalificerend activum hebt voortgebracht, en per activum maximaal drie jaar.

Deze forfaitaire regeling scheelt veel rekenwerk, omdat je het voordeel niet uitgebreid hoeft te onderbouwen met een aparte voordeelberekening en nexusbreuk. Voor bedrijven met een beperkte innovatiewinst is dit vaak de eenvoudigste manier om toch van de innovatiebox te profiteren.

Waar moet je op letten?

De innovatiebox is een keuzefaciliteit: doe je niets, dan volgt geen sanctie, maar je betaalt dan wel te veel belasting. De risico’s zitten in de toepassing. Maak je niet aannemelijk dat je zelf een kwalificerend activum hebt voortgebracht, dan wordt de box geweigerd. Een S&O-verklaring alleen is niet genoeg: je moet kunnen aantonen welk activum je zelf hebt ontwikkeld.

Let daarnaast op de terugname, ook wel clawback genoemd. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die aanvraag uiteindelijk afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog bij de winst geteld. Groeit je onderneming van klein naar groot zonder tweede toegangsbewijs, dan vervalt de box direct vanaf dat boekjaar. Zorg ten slotte voor een goede administratie waarin je het bezit van het activum, de hoogte van de voordelen en de berekeningswijze vastlegt.

Praktische checklist: dit regel je rond de innovatiebox

  • WBSO aanvragen: vraag tijdig een S&O-verklaring aan en behoud die; zonder WBSO is er geen toegang tot de innovatiebox.
  • Activum vastleggen: beschrijf welk eigen product, welke techniek of software je hebt ontwikkeld; kennis, databases, merken en logo’s tellen niet mee.
  • Tweede toegangsbewijs regelen: controleer als grotere onderneming of je naast de WBSO een octrooi, kwekersrecht, software of vergelijkbaar recht hebt.
  • Keuze maken in de aangifte: kies bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor toepassing van de innovatiebox.
  • Drempel en nexus berekenen: loop eerst de ontwikkelkosten in en pas de nexusbreuk toe; leg de berekening onderbouwd vast.
  • Forfait overwegen: bekijk of de eenvoudige forfaitaire regeling (25 procent van de winst, maximaal 25.000 euro) voor jou volstaat.
  • Administratie op orde houden: leg het bezit van het activum, de voordelen en de berekeningswijze vast, zodat je bij een controle sterk staat.

Veelgestelde vragen

Hoeveel belasting bespaar ik met de innovatiebox?

Over de winst die in de box valt betaal je effectief 9 procent in plaats van 25,8 procent, een verschil van 16,8 procentpunt. Bij 300.000 euro innovatiewinst scheelt dat ongeveer 50.400 euro belasting per jaar.

Heb ik een octrooi nodig voor de innovatiebox?

Niet altijd. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan een S&O-verklaring (WBSO). Grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig, zoals een octrooi, kwekersrecht of software.

Geldt de innovatiebox ook voor een eenmanszaak of vof?

Nee. De innovatiebox is een regeling in de vennootschapsbelasting en geldt alleen voor bv’s, nv’s en andere belastingplichtige lichamen. Een eenmanszaak of vof valt onder de inkomstenbelasting.

Wat is de forfaitaire innovatiebox?

Dat is een vereenvoudigde route waarbij je het voordeel vaststelt op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar en maximaal drie jaar per activum. Je hoeft dan geen uitgebreide voordeelberekening te maken.

Kan het voordeel later worden teruggenomen?

Ja, in bepaalde gevallen. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog belast. Dit heet de clawback.

Moet ik de innovatiebox zelf aanvragen?

Je kiest er bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor. In de praktijk maken veel bedrijven vooraf afspraken met de Belastingdienst over de toepassing; bij het mkb-forfait is dat vooroverleg niet verplicht.

Hoe Taxcount je kan helpen

De innovatiebox kan een fors en structureel voordeel opleveren, maar de toegangs- en onderbouwingseisen zijn zwaar. Taxcount beoordeelt of je een kwalificerend activum hebt voortgebracht, regelt en bewaakt de S&O-verklaring en een eventueel tweede toegangsbewijs, en berekent je voordeel met de drempel en de nexusbreuk. Voor kleinere ondernemingen bekijken wij of de eenvoudige forfaitaire regeling het meeste oplevert.

Wil je weten of je bv in aanmerking komt voor het effectieve tarief van 9 procent? Leg je innovatie voor aan Taxcount, dan onderzoeken wij de mogelijkheden en zorgen wij voor een goede onderbouwing.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat je een beslissing neemt.

Zie ook:

Deelnemingsvrijstelling: zo blijft winst uit je dochter-bv onbelast

Heb je een holding met daaronder een of meer werk-bv’s, dan is de deelnemingsvrijstelling waarschijnlijk de belangrijkste fiscale regeling voor jou. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst uit een dochtervennootschap bij je holding onbelast blijven. Zo betaal je niet twee keer vennootschapsbelasting over dezelfde winst. In dit artikel lees je wanneer sprake is van een deelneming, wat er wel en niet onder de vrijstelling valt, en waar je op moet letten om verrassingen te voorkomen.

Wat is de deelnemingsvrijstelling?

Als een bv winst maakt, betaalt zij daarover vennootschapsbelasting. Keert die bv de winst daarna als dividend uit aan haar moeder-bv, dan zou de moeder er nog een keer belasting over betalen. Datzelfde speelt bij de verkoop van een dochter: de verkoopwinst weerspiegelt vaak winst die al belast is of nog belast wordt. De deelnemingsvrijstelling voorkomt die dubbele heffing. Voordelen uit een deelneming, zoals dividend en verkoopwinst, blijven bij de moeder buiten de winst en dus onbelast.

De vrijstelling werkt twee kanten op. Niet alleen winst en dividend zijn vrijgesteld, ook een verlies op de deelneming is niet aftrekbaar, en de kosten van aankoop of verkoop van de deelneming zijn dat evenmin. Wie een deelneming met winst verkoopt, hoeft dus niets af te rekenen. Wie hem met verlies verkoopt, kan dat verlies in beginsel niet aftrekken.

Wanneer is sprake van een deelneming?

Er is sprake van een deelneming bij een belang van ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Dat kan een Nederlandse of een buitenlandse vennootschap zijn. Ook een belang van 5 procent in een fonds voor gemene rekening telt mee, en bij een coöperatie is elk lidmaatschap al genoeg. Voor bepaalde belangen in EU-vennootschappen kan onder voorwaarden ook het stemrecht meetellen.

Zakt je belang onder de 5 procent, dan is er in beginsel geen deelneming meer. Er geldt echter een aflooptermijn van drie jaar als je het belang daarvoor meer dan een jaar onafgebroken boven de 5 procent hield. In die periode blijft de vrijstelling nog gelden. De beslisboom in figuur 1 laat zien hoe je stap voor stap beoordeelt of je belang onder de vrijstelling valt.

Figuur 1: beslisboom in vier stappen. Je toetst achtereenvolgens of je ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt, of je het belang als belegging houdt, of de dochter laagbelast is en of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming. Groen betekent dat de vrijstelling geldt, rood dat die niet geldt.

Rekenvoorbeeld

Een holding bezit 100 procent van de aandelen in een werk-bv. De werk-bv maakt 500.000 euro winst, betaalt daarover vennootschapsbelasting en keert 300.000 euro als dividend uit aan de holding. Door de deelnemingsvrijstelling is dat dividend van 300.000 euro bij de holding volledig onbelast. Verkoopt de holding de werk-bv later voor 2.000.000 euro meer dan de aankoopprijs, dan is ook die verkoopwinst van 2.000.000 euro vrijgesteld (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van een holding met een werk-bv. Links keert de werk-bv uit een winst van 500.000 euro een dividend van 300.000 euro uit, rechts verkoopt de holding de werk-bv met 2.000.000 euro verkoopwinst. In beide gevallen betaalt de holding 0 euro vennootschapsbelasting, dus blijft 2.300.000 euro onbelast binnen de holding.

Wanneer geldt de vrijstelling niet?

De deelnemingsvrijstelling geldt niet altijd. Houd je een belang als belegging en is de dochter laagbelast, dan is er sprake van een beleggingsdeelneming. In dat geval geldt de vrijstelling in beginsel niet. Er is dan pas toch vrijstelling als het een kwalificerende beleggingsdeelneming is: de dochter wordt naar Nederlandse begrippen reëel belast, of haar bezittingen bestaan doorgaans voor minder dan de helft uit laagbelaste beleggingen. Dit onderscheid speelt vooral bij internationale structuren. Ook een fiscale beleggingsinstelling valt buiten de vrijstelling. Deze afwegingen zie je terug in de beslisboom (figuur 1).

Waar je verder op moet letten

Verandert het regime van een belang, bijvoorbeeld doordat een deelneming een beleggingsdeelneming wordt of andersom, dan moet je het resultaat splitsen over de perioden waarin de vrijstelling wel en niet gold. Dat heet compartimenteren. Let ook op eerder afgewaardeerde vorderingen op de dochter: bij verkoop of omzetting daarvan kan een bijtelling volgen. Deze onderwerpen zijn technisch, dus laat ze bij twijfel beoordelen door een adviseur.

Wat levert de vrijstelling op?

De waarde van de vrijstelling hangt samen met het tarief van de vennootschapsbelasting. In 2026 is dat tarief 19 procent over de winst tot 200.000 euro en 25,8 procent over het meerdere. Doordat dividend en verkoopwinst onbelast blijven, kan de deelnemingsvrijstelling bij een bedrijfsverkoop of een winstuitkering binnen het concern een zeer groot voordeel opleveren.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Belang toetsen. Ga na of je ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt; alleen dan is er een deelneming.
  • Karakter bepalen. Beoordeel of je het belang als belegging houdt en of de dochter laagbelast is; dat bepaalt of de vrijstelling geldt.
  • Kosten juist verwerken. Houd aan- en verkoopkosten van de deelneming en een deelnemingsverlies buiten aftrek.
  • Regimewijziging signaleren. Verandert de status van een deelneming, laat dan de compartimentering beoordelen.
  • Vorderingen bewaken. Let bij een eerder afgewaardeerde vordering op de dochter op een mogelijke bijtelling bij verkoop of omzetting.

Veelgestelde vragen

Vanaf welk percentage geldt de deelnemingsvrijstelling?

Vanaf een belang van 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Bij een coöperatie is elk lidmaatschap al voldoende.

Is dividend uit mijn werk-bv onbelast?

Ja, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, blijft het dividend dat je holding uit de werk-bv ontvangt onbelast in de vennootschapsbelasting.

Is de verkoopwinst van een dochter belast?

Nee, als de deelnemingsvrijstelling geldt, is de winst bij verkoop van de deelneming vrijgesteld. Een verlies bij verkoop is dan echter ook niet aftrekbaar.

Wat is een beleggingsdeelneming?

Een deelneming die je als belegging houdt in een laagbelaste vennootschap. Daarop geldt de vrijstelling in beginsel niet, tenzij het een kwalificerende beleggingsdeelneming is.

Zijn de aankoopkosten van een deelneming aftrekbaar?

Nee. De kosten van aankoop en verkoop van een deelneming vallen onder de vrijstelling en zijn niet aftrekbaar van de winst.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je belangen onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook bij internationale structuren en beleggingsdeelnemingen. Wij helpen je bij de opzet van een holdingstructuur, bij de verwerking van dividend en verkoopwinst in de aangifte vennootschapsbelasting en bij lastige onderwerpen zoals compartimentering en afgewaardeerde vorderingen. Overweeg je een herstructurering of verkoop? Laat je situatie vooraf door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Te veel belasting betaald? Zo vraagt u geld over oude jaren terug

Ontdek je dat je in een eerder jaar te veel belasting hebt betaald, bijvoorbeeld door een vergeten aftrekpost, een fout in je aangifte of een te hoge aanslag? Dan is dat geld vaak nog terug te halen. Wie te veel betaalde belasting wil terugvragen, heeft twee routes: binnen zes weken via een bezwaar, en daarna nog jarenlang via een verzoek om ambtshalve vermindering. In dit artikel lees je welke route wanneer geldt, welke termijnen in 2026 hard zijn en hoe je voorkomt dat je geld definitief laat liggen.

Twee routes naar teruggaaf

Zodra je een belastingaanslag of beschikking ontvangt, kun je daartegen bezwaar maken. Bezwaar is je formele protest bij de Belastingdienst. De termijn is zes weken en start op de dag na de dagtekening, de datum die op het aanslagbiljet staat. Betaal je of draag je belasting zelf af op aangifte, zoals btw of loonheffing, dan start de termijn op de dag na de betaling of inhouding. Binnen die zes weken kun je de aanslag inhoudelijk laten corrigeren en hou je al je rechten open.

Is de termijn van zes weken voorbij, dan is de aanslag onherroepelijk: definitief. Toch bestaat er dan nog een tweede route. De inspecteur kan een onjuiste aanslag ambtshalve verminderen en te veel betaalde belasting alsnog teruggeven. Ambtshalve vermindering is een correctie die de Belastingdienst buiten de bezwaartermijn om verleent, op je verzoek of uit eigen beweging. Dien je per ongeluk te laat bezwaar in, dan wordt dat bezwaar niet inhoudelijk behandeld, maar automatisch als zo’n verzoek opgevat. Het verschil met bezwaar is belangrijk: bij de meeste belastingen kun je tegen een afwijzing van dit verzoek niet in beroep bij de rechter. Alleen bij de inkomstenbelasting staat die weg wel open.

Termijnen en voorwaarden

De tijd is bij het terugvragen van belasting de belangrijkste grens. Twee termijnen bepalen wat mogelijk is:

  • Bezwaar: zes weken na de dagtekening van de aanslag, of na de dag van betaling of inhouding bij belastingen die je zelf afdraagt.
  • Ambtshalve vermindering: tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar. In 2026 betekent dit dat je nog terecht kunt voor het jaar 2021 en later; voor oudere jaren is de termijn verstreken.

Naast de termijn gelden nog enkele voorwaarden. Je moet de gevraagde aangifte hebben gedaan en je administratie op orde hebben, anders krijg je alleen teruggaaf als je overtuigend aantoont dat de aanslag onjuist is. Verder werkt een latere, gunstige uitspraak van de rechter of nieuw beleid niet met terugwerkende kracht: over jaren die al definitief vaststonden voordat die uitspraak er was, krijg je langs deze weg geen geld terug. De box 3-zaken lieten dit scherp zien. Wie destijds bezwaar had gemaakt, kreeg rechtsherstel; wie dat niet deed, kreeg dat niet, ook niet na het bekende Kerstarrest. De Hoge Raad bevestigde dit in 2026 nog eens definitief voor de zogenoemde niet-bezwaarmakers. Ten slotte kun je een gemiste keuze uit je aangifte, bijvoorbeeld een regeling waarvoor je toen had moeten kiezen, langs deze route niet meer herstellen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer ontdekt in juli 2026 dat hij in zijn aangifte inkomstenbelasting 2022 een aftrekpost van € 10.000 is vergeten. De aanslag 2022 is al lang definitief, dus bezwaar kan niet meer. Een verzoek om ambtshalve vermindering kan nog wel, tot en met 31 december 2027 (vijf jaar na afloop van 2022). We vergelijken twee scenario’s: hij onderneemt niets, of hij dient tijdig een verzoek in. Ter illustratie gaan we uit van een belastingvoordeel van € 3.700 dat de vergeten aftrekpost oplevert; het werkelijke bedrag hangt af van je tarief.

  Scenario A – niets doen Scenario B – verzoek indienen
Vergeten aftrekpost 2022 € 10.000 € 10.000
Teruggaaf belasting € 0 € 3.700
Resultaat aanspraak vervalt € 3.700 terug

De conclusie: met een simpele brief haal je € 3.700 terug die je anders definitief was kwijtgeraakt. Let op: over zo’n teruggaaf van inkomstenbelasting vergoedt de Belastingdienst in beginsel geen rente.

Praktische gevolgen

  • Bewaak de zes weken: twijfel je of een aanslag klopt, maak dan tijdig bezwaar, desnoods pro forma. Bij een pro forma bezwaar stel je binnen de termijn je rechten veilig en lever je de motivering later aan.
  • Verstuur je per post: je bezwaar is nog op tijd als het vóór het einde van de termijn op de bus is gedaan en binnen een week na afloop is ontvangen.
  • Voor oude jaren: dien een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om ambtshalve vermindering in, binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar.
  • Ben je buiten je schuld te laat: bijvoorbeeld door ziekte of een verkeerd bezorgde aanslag, dan kan de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. Dien je bezwaar dan alsnog in binnen zes weken nadat de belemmering is weggevallen.
  • Btw en loonheffing zijn een plicht, geen keuze: ontdek je dat je over de afgelopen vijf jaar te veel of te weinig btw hebt betaald, dan moet je dit corrigeren met een suppletie, een verplichte herstelmelding. Ook in je voordeel. Voor de loonheffing geldt een vergelijkbare plicht via het correctiebericht. Niet of te laat corrigeren kan een boete opleveren.
  • Vraag je kosten terug: wordt je aanslag in bezwaar herroepen door een fout van de Belastingdienst, dan heb je recht op een kostenvergoeding. Vraag die aan vóórdat de Belastingdienst uitspraak op je bezwaar doet, anders ben je te laat.

Conclusie en advies

Te veel betaalde belasting terugvragen is vaak eenvoudiger dan gedacht: een tijdige brief volstaat meestal. De grootste valkuil zijn de termijnen. Na zes weken is de aanslag definitief en resteert alleen de route van ambtshalve vermindering, en na vijf jaar vervalt ook die. Wie op tijd handelt, houdt niet alleen deze aanspraak open, maar profiteert ook mee van gunstige uitspraken die later komen. De beoordeling of je nog iets kunt terughalen, welke route past en hoe je de aanvraag het sterkst onderbouwt, luistert nauw en verschilt per belasting. Vermoed je dat je in een eerder jaar te veel hebt betaald, of twijfel je over een lopende aanslag? Laat je situatie dan door de fiscalisten van Taxcount beoordelen; wij controleren welke termijn nog loopt en verzorgen het bezwaar of het verzoek voor je.

The Non-Resident DGA: How a Director-Major Shareholder Living Abroad with a Dutch BV Is Taxed

More and more entrepreneurs run a Dutch private limited company (BV) while living outside the Netherlands. If you own at least 5% of the shares in that BV and also direct it, you are a directeur-grootaandeelhouder (DGA), a director-major shareholder. Moving abroad does not make your Dutch tax obligations disappear; it changes them. This article explains how a non-resident DGA is taxed in the Netherlands and, just as importantly, which practical matters you need to arrange to stay compliant and avoid paying tax twice.

What is a “non-resident DGA”?

Two elements define the position. First, you hold a substantial interest (aanmerkelijk belang), generally 5% or more of the shares, in a company, which places that shareholding in box 2 of Dutch income tax. Second, you are a non-resident taxpayer: you live abroad but still receive Dutch-source income or hold Dutch assets. As a director of a Dutch-incorporated BV who has emigrated, you typically fall into exactly this category, and you file a Dutch non-resident income tax return, known as the “C-form” (C-biljet), rather than the ordinary resident return.

Is the BV still taxed in the Netherlands?

Yes. A BV incorporated in the Netherlands remains subject to Dutch corporate income tax (vennootschapsbelasting, VPB) on its worldwide profit, regardless of where its shareholder lives. There is, however, an important nuance: the place of effective management. If you run the company entirely from abroad, the other country may also claim the BV as a tax resident, and questions of substance, permanent establishment and even exit taxation can arise. Ensuring the BV has adequate Dutch substance, and analysing the applicable tax treaty, is therefore part of the picture whenever the director lives overseas.

How the non-resident DGA is taxed personally

Substantial interest income (box 2)

As a non-resident with a substantial interest in a Dutch-established company, the Netherlands taxes your box 2 income: dividends distributed to you and gains on the sale of your shares. Since 2024, box 2 has two brackets. For 2026, the rate is 24.5% up to €68,843 and 31% above that (for partners who qualify, the lower bracket runs to €137,686 combined). The top rate was reduced from 33% to 31% on 1 January 2025 and is unchanged for 2026. Whether the Netherlands may actually levy this tax, and at what maximum rate, also depends on the tax treaty between the Netherlands and your country of residence, so the treaty analysis always comes before the calculation.

Dutch dividend withholding tax

When your BV distributes a dividend, it normally withholds 15% Dutch dividend tax (dividendbelasting). For a resident this is an advance levy credited against the final assessment; for a non-resident the treatment depends on the treaty, which may reduce the rate or allow a refund. Keeping the dividend resolutions and withholding statements is essential to reconcile your box 2 position correctly.

Customary salary (gebruikelijk loon)

A DGA is generally required to pay themselves a customary salary. The statutory minimum norm for 2026 is €58,000, but the salary must be set at the highest of three benchmarks (comparable market wage, the highest-paid employee, or the statutory minimum). For a director living abroad, whether this Dutch wage rule and the taxation of director’s remuneration actually apply depends on the treaty. Directors’ fees are frequently allocated to the country where the company is established. This is one of the areas where non-resident DGAs most often need tailored advice.

Excessive borrowing from your own BV

If you borrow from your own company, the excessive-borrowing rules (Wet excessief lenen) can apply. Debts to your BV(s) above a €500,000 threshold (2025 and 2026) are treated as a deemed box 2 benefit and taxed accordingly. The threshold applies to the combined debt of you and your fiscal partner across all your companies, not per company, and non-resident DGAs are not exempt.

Dutch real estate and other Dutch-source income

For a non-resident, box 3 covers only Dutch-situated assets, principally real estate located in the Netherlands (declared at its WOZ value, less any related debt). Dutch bank balances abroad are not taxed here. Other Dutch-source income, for example a Dutch salary, pension or benefit, is reported in box 1 where the Netherlands has the right to tax it.

Qualifying non-resident status and the C-form

By default, a non-resident DGA reports only Dutch income, assets and deductions and is not entitled to Dutch personal deductions or tax credits. You may, however, be treated as a qualifying non-resident taxpayer (kwalificerende buitenlandse belastingplichtige) if you (a) live in the EU, EEA, Switzerland or the BES islands, and (b) have 90% or more of your income taxed in the Netherlands. Qualifying status requires an official income statement (inkomensverklaring) from the tax authority of your country of residence. In practice, a DGA whose main income arises abroad rarely meets the 90% test, so this status is the exception rather than the rule, but it is always worth checking. If you moved during the year, the year of migration is filed on an M-form rather than a C-form, so confirming your exact dates of residence matters.

Emigration: the protective assessment

A DGA who was a Dutch resident and then emigrates should expect a protective assessment (conserverende aanslag) on the latent box 2 claim in the shares at the moment of departure, together with a step-up in the acquisition price (verkrijgingsprijs). This assessment is usually deferred and can lapse after ten years, but it is triggered again by events such as a substantial dividend or a sale of the shares. If you emigrated with an existing BV, retrieving the protective assessment and the established acquisition price is a priority, they determine how future distributions and disposals are taxed.

Practical checklist: what to arrange

  • Authorisation and access. Arrange authorisation (machtiging) so your adviser can file for you, and sort out DigiD or an alternative route early. This is often the biggest practical bottleneck for people living abroad.
  • Correct address registration. Make sure the Dutch tax authority has your current foreign address; authorisation letters and assessments are sent there, and an outdated address causes months of delay.
  • Treaty analysis first. Establish which country may tax your dividends, director’s fees and capital gains before filing, to prevent double taxation.
  • Keep the deed of incorporation, capital contribution, dividend resolutions, withholding statements and the acquisition price of your shares.
  • Coordinate both countries. Align the Dutch return with your filing in your country of residence and claim any treaty relief or foreign tax credit.
  • Mind the deadlines and back years. Non-residents are frequently invited to file several years at once; late filing can lead to penalties.
  • Review substance and management. Check that the BV’s Dutch substance still matches where and how it is actually run.

Avoiding double taxation

Because both the Netherlands and your country of residence may look at the same income, the tax treaty is your main protection against double taxation. It allocates the right to tax between the two countries and provides either an exemption or a credit. Getting this right, and filing consistently in both jurisdictions, is where most value (and most risk) sits for an internationally mobile DGA.

Frequently asked questions

Do I still pay Dutch tax if I live abroad but own a Dutch BV? Usually yes. The BV pays Dutch corporate income tax, and you as the shareholder can be taxed in the Netherlands on box 2 income (dividends and share gains) and on Dutch assets, subject to the applicable treaty.

Which return do I file? A non-resident files the C-form. If you emigrated or immigrated during the year, that year is filed on the M-form instead.

Can I claim Dutch deductions and tax credits? Only if you are a qualifying non-resident taxpayer, broadly, if you live in the EU/EEA, Switzerland or the BES islands and 90% or more of your income is taxed in the Netherlands, evidenced by an income statement from your country of residence.

Do I have to take a salary from my BV? As a DGA you are generally expected to, based on the customary-salary rules (a €58,000 minimum norm for 2026), but for a director abroad the treaty determines whether and where that remuneration is taxed.

What happens to my shares when I emigrate? The Netherlands typically issues a protective assessment on the built-up value of your substantial interest and records a stepped-up acquisition price; keep this documentation for future dividends or a sale.

How Taxcount can help

Taxcount B.V. advises international entrepreneurs and non-resident DGAs on Dutch corporate and personal tax, treaty positions, dividend planning and the full C-form filing process, from authorisation to submission. If you live abroad and own a Dutch BV, we can review your position and make sure nothing is missed. In the mean time you can check if you have all your bases in order with our non-resident DGA document checklist.

This article provides general information about Dutch tax rules for non-resident director-major shareholders and is not tax advice. Rates, thresholds and treaty outcomes change and depend on your personal situation; please seek advice tailored to your circumstances.

Te veel belasting betaald? Zo vraagt u geld over oude jaren terug

Ontdek je dat je in een eerder jaar te veel belasting hebt betaald, bijvoorbeeld door een vergeten aftrekpost, een fout in je aangifte of een te hoge aanslag? Dan is dat geld vaak nog terug te halen. Wie te veel betaalde belasting wil terugvragen, heeft twee routes: binnen zes weken via een bezwaar, en daarna nog jarenlang via een verzoek om ambtshalve vermindering. In dit artikel lees je welke route wanneer geldt, welke termijnen in 2026 hard zijn en hoe je voorkomt dat je geld definitief laat liggen.

Twee routes naar teruggaaf

Zodra je een belastingaanslag of beschikking ontvangt, kun je daartegen bezwaar maken. Bezwaar is je formele protest bij de Belastingdienst. De termijn is zes weken en start op de dag na de dagtekening, de datum die op het aanslagbiljet staat. Betaal je of draag je belasting zelf af op aangifte, zoals btw of loonheffing, dan start de termijn op de dag na de betaling of inhouding. Binnen die zes weken kun je de aanslag inhoudelijk laten corrigeren en hou je al je rechten open.

Is de termijn van zes weken voorbij, dan is de aanslag onherroepelijk: definitief. Toch bestaat er dan nog een tweede route. De inspecteur kan een onjuiste aanslag ambtshalve verminderen en te veel betaalde belasting alsnog teruggeven. Ambtshalve vermindering is een correctie die de Belastingdienst buiten de bezwaartermijn om verleent, op je verzoek of uit eigen beweging. Dien je per ongeluk te laat bezwaar in, dan wordt dat bezwaar niet inhoudelijk behandeld, maar automatisch als zo’n verzoek opgevat. Het verschil met bezwaar is belangrijk: bij de meeste belastingen kun je tegen een afwijzing van dit verzoek niet in beroep bij de rechter. Alleen bij de inkomstenbelasting staat die weg wel open.

Termijnen en voorwaarden

De tijd is bij het terugvragen van belasting de belangrijkste grens. Twee termijnen bepalen wat mogelijk is:

  • Bezwaar: zes weken na de dagtekening van de aanslag, of na de dag van betaling of inhouding bij belastingen die je zelf afdraagt.
  • Ambtshalve vermindering: tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar. In 2026 betekent dit dat je nog terecht kunt voor het jaar 2021 en later; voor oudere jaren is de termijn verstreken.

Naast de termijn gelden nog enkele voorwaarden. Je moet de gevraagde aangifte hebben gedaan en je administratie op orde hebben, anders krijg je alleen teruggaaf als je overtuigend aantoont dat de aanslag onjuist is. Verder werkt een latere, gunstige uitspraak van de rechter of nieuw beleid niet met terugwerkende kracht: over jaren die al definitief vaststonden voordat die uitspraak er was, krijg je langs deze weg geen geld terug. De box 3-zaken lieten dit scherp zien. Wie destijds bezwaar had gemaakt, kreeg rechtsherstel; wie dat niet deed, kreeg dat niet, ook niet na het bekende Kerstarrest. De Hoge Raad bevestigde dit in 2026 nog eens definitief voor de zogenoemde niet-bezwaarmakers. Ten slotte kun je een gemiste keuze uit je aangifte, bijvoorbeeld een regeling waarvoor je toen had moeten kiezen, langs deze route niet meer herstellen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer ontdekt in juli 2026 dat hij in zijn aangifte inkomstenbelasting 2022 een aftrekpost van € 10.000 is vergeten. De aanslag 2022 is al lang definitief, dus bezwaar kan niet meer. Een verzoek om ambtshalve vermindering kan nog wel, tot en met 31 december 2027 (vijf jaar na afloop van 2022). We vergelijken twee scenario’s: hij onderneemt niets, of hij dient tijdig een verzoek in. Ter illustratie gaan we uit van een belastingvoordeel van € 3.700 dat de vergeten aftrekpost oplevert; het werkelijke bedrag hangt af van je tarief.

  Scenario A – niets doen Scenario B – verzoek indienen
Vergeten aftrekpost 2022 € 10.000 € 10.000
Teruggaaf belasting € 0 € 3.700
Resultaat aanspraak vervalt € 3.700 terug

De conclusie: met een simpele brief haal je € 3.700 terug die je anders definitief was kwijtgeraakt. Let op: over zo’n teruggaaf van inkomstenbelasting vergoedt de Belastingdienst in beginsel geen rente.

Praktische gevolgen

  • Bewaak de zes weken: twijfel je of een aanslag klopt, maak dan tijdig bezwaar, desnoods pro forma. Bij een pro forma bezwaar stel je binnen de termijn je rechten veilig en lever je de motivering later aan.
  • Verstuur je per post: je bezwaar is nog op tijd als het vóór het einde van de termijn op de bus is gedaan en binnen een week na afloop is ontvangen.
  • Voor oude jaren: dien een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om ambtshalve vermindering in, binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar.
  • Ben je buiten je schuld te laat: bijvoorbeeld door ziekte of een verkeerd bezorgde aanslag, dan kan de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. Dien je bezwaar dan alsnog in binnen zes weken nadat de belemmering is weggevallen.
  • Btw en loonheffing zijn een plicht, geen keuze: ontdek je dat je over de afgelopen vijf jaar te veel of te weinig btw hebt betaald, dan moet je dit corrigeren met een suppletie, een verplichte herstelmelding. Ook in je voordeel. Voor de loonheffing geldt een vergelijkbare plicht via het correctiebericht. Niet of te laat corrigeren kan een boete opleveren.
  • Vraag je kosten terug: wordt je aanslag in bezwaar herroepen door een fout van de Belastingdienst, dan heb je recht op een kostenvergoeding. Vraag die aan vóórdat de Belastingdienst uitspraak op je bezwaar doet, anders ben je te laat.

Conclusie en advies

Te veel betaalde belasting terugvragen is vaak eenvoudiger dan gedacht: een tijdige brief volstaat meestal. De grootste valkuil zijn de termijnen. Na zes weken is de aanslag definitief en resteert alleen de route van ambtshalve vermindering, en na vijf jaar vervalt ook die. Wie op tijd handelt, houdt niet alleen deze aanspraak open, maar profiteert ook mee van gunstige uitspraken die later komen. De beoordeling of je nog iets kunt terughalen, welke route past en hoe je de aanvraag het sterkst onderbouwt, luistert nauw en verschilt per belasting. Vermoed je dat je in een eerder jaar te veel hebt betaald, of twijfel je over een lopende aanslag? Laat je situatie dan door de fiscalisten van Taxcount beoordelen; wij controleren welke termijn nog loopt en verzorgen het bezwaar of het verzoek voor je.

WBSO 2026: zo verlaagt u de loonkosten van onderzoek en ontwikkeling

Ontwikkel je bedrijf technisch nieuwe producten, productieprocessen of software? Dan kun je met de WBSO een fors deel van de loonkosten van dat ontwikkelwerk terugkrijgen. De WBSO 2026 verlaagt namelijk de loonheffing die je als werkgever aan de Belastingdienst afdraagt. Voor veel innovatieve bedrijven is dit het belangrijkste fiscale voordeel dat er is. In dit artikel lees je wat de WBSO inhoudt, voor wie de regeling bedoeld is, welk werk meetelt, hoeveel de regeling in 2026 oplevert en hoe je de S&O-afdrachtvermindering op tijd en correct aanvraagt.

Wat is de WBSO?

WBSO staat voor de afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk. De overheid wil onderzoek en ontwikkeling in Nederland stimuleren en verlaagt daarom de loonkosten daarvan. Dat gebeurt via een korting op de loonheffing, dat zijn de loonbelasting en premies die je normaal voor je personeel afdraagt. Je werknemers merken er niets van: het voordeel komt volledig bij je als werkgever terecht. Naast loonkosten tellen ook andere kosten en investeringen voor het ontwikkelwerk mee.

Voor wie is de WBSO bedoeld?

De regeling is er voor elke werkgever die loonheffing afdraagt en zelf een onderneming drijft: bv’s, nv’s, en eenmanszaken of vof’s met personeel. Denk aan software- en techbedrijven, de maakindustrie, machinebouw, engineeringbureaus en R&D-afdelingen. Publieke kennisinstellingen, zoals universiteiten, zijn uitgesloten.

Ook zonder personeel kun je profiteren. Ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting en besteed je zelf minstens 500 uur per jaar aan speur- en ontwikkelingswerk, dan krijg je geen korting op de loonheffing, maar een verhoging van je zelfstandigenaftrek. Starters krijgen een extra hoog percentage, waardoor de WBSO juist voor jonge, innovatieve bedrijven interessant is.

Welk werk telt als speur- en ontwikkelingswerk?

Alleen werk dat technisch nieuw is voor je eigen bedrijf komt in aanmerking. Het gaat om het oplossen van een technisch probleem waarvoor de oplossing niet voor de hand ligt. Het werk moet systematisch worden uitgevoerd en binnen de Europese Unie plaatsvinden. Werk in het Verenigd Koninkrijk telt sinds 2021 niet meer mee. Je project hoeft niet te slagen om te kwalificeren, maar het moet wel om echte technische vernieuwing gaan.

Sommige werkzaamheden vallen er nadrukkelijk buiten: marktonderzoek, organisatorisch en administratief werk, literatuuronderzoek en vormgeving. Bij software geldt een extra aandachtspunt. Alleen de uren die je nodig hebt om een concreet programmeertechnisch knelpunt op te lossen tellen mee, en niet de gewone bouw- en ontwikkeluren. Houd die uren daarom apart bij in je administratie.

Hoe werkt de WBSO in drie stappen?

Je doorloopt de WBSO in drie stappen: vooraf aanvragen, de korting laten berekenen en die daarna verrekenen en melden (zie figuur 1).

\"\"

Figuur 1: de WBSO in drie stappen, van de aanvraag vooraf tot het verrekenen en jaarlijks melden.

Stap 1: vooraf aanvragen bij RVO

Je vraagt de WBSO digitaal aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de aanvraag omschrijf je het geplande ontwikkelwerk, de verwachte uren en eventueel de verwachte kosten. Je kunt maximaal vier keer per jaar aanvragen. De aanvraag moet uiterlijk binnen zijn op de laatste dag van de maand voordat de periode begint. Voor een periode die op 1 januari start, moet de aanvraag zelfs uiterlijk 20 december van het jaar ervoor binnen zijn. Vraag dus op tijd aan, want een te late aanvraag betekent geen korting.

Stap 2: de korting berekenen

RVO geeft een S&O-verklaring af met daarin het kortingsbedrag. De korting is 16 procent over de grondslag, met een verhoging van 20 procent over het deel van de grondslag tot 391.020 euro. Per saldo krijg je dus 36 procent over de eerste 391.020 euro en 16 procent daarboven. Voor starters is de verhoging groter: zij krijgen 50 procent over de eerste schijf. De grondslag bestaat uit de S&O-uren maal het gemiddelde uurloon, plus de kosten en uitgaven. Voor die kosten kies je bij de eerste aanvraag van het jaar tussen de werkelijke bedragen of een vast bedrag per uur.

Stap 3: verrekenen en terugmelden

Je verrekent de korting zelf in je aangiften loonheffingen. Binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar meld je aan RVO hoeveel uren (en eventueel kosten) je werkelijk hebt besteed. Heb je minder gerealiseerd dan aangevraagd, dan volgt een correctie. Vergeet deze jaarlijkse melding niet, want zonder melding volgt een boete en wordt de volledige korting teruggedraaid.

Hoeveel levert de WBSO op in 2026?

De belangrijkste percentages en bedragen voor 2026 staan in figuur 2. Let op: deze bedragen kunnen jaarlijks wijzigen, dus controleer ze elk jaar.

\"\"

Figuur 2: de WBSO-percentages en de schijfgrens voor 2026. Het hogere starterspercentage is uitgelicht.

Rekenvoorbeeld: een software-bv laat twee ontwikkelaars in 2026 samen 2.000 uur aan een technisch nieuw platform werken. Het gemiddelde uurloon is 35 euro. De bv kiest het kostenforfait: 1.800 uur maal 10 euro plus 200 uur maal 4 euro is 18.800 euro. De grondslag is dan 2.000 maal 35 euro plus 18.800 euro, samen 88.800 euro. Dat blijft onder de schijfgrens, dus de korting is 36 procent van 88.800 euro, ofwel 31.968 euro minder af te dragen loonheffing. Is de bv een starter, dan is de korting 50 procent, ofwel 44.400 euro (zie figuur 3).

\"\"

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een software-bv. Bij een grondslag van 88.800 euro levert het gewone tarief 31.968 euro op en het starterstarief 44.400 euro.

Welke administratie moet je bijhouden?

Een sluitende administratie is bij de WBSO cruciaal. Je houdt per project bij wat je ontwikkelt, welke technische knelpunten je oplost en hoeveel uur elke medewerker per dag aan het werk besteedt. De projectadministratie moet binnen twee maanden na afloop van het kwartaal beschikbaar zijn, de urenadministratie binnen tien werkdagen. Kies je voor werkelijke kosten in plaats van het forfait, dan houd je ook een kosten- en uitgavenadministratie bij. Bij een controle kijkt RVO hier scherp naar.

Aandachtspunten en veranderingen

De WBSO-verklaring is ook het toegangsticket voor de innovatiebox in de vennootschapsbelasting. Wordt je verklaring op nihil gecorrigeerd, dan kan ook die innovatiebox vervallen. Verder zijn de percentages en de schijfgrens ieder jaar aan verandering onderhevig, dus controleer ze jaarlijks. Voor 2027 is aangekondigd dat het forfaitaire uurloon stijgt van 29 naar 33 euro. Let er ten slotte op dat de S&O-verklaring niet automatisch overgaat bij een fusie of bedrijfsoverdracht: regel dan tijdig een nieuwe aanvraag.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Op tijd aanvragen. Dien de aanvraag digitaal in bij RVO vóór de start van het werk; voor een periode vanaf 1 januari uiterlijk op 20 december.
  • Tenaamstelling controleren. Zorg dat de verklaring op naam staat van de onderneming die het personeel verloont; de verklaring is niet overdraagbaar.
  • Technisch knelpunt omschrijven. Beschrijf per project het technische probleem, niet alleen het gewenste resultaat.
  • Uren dagelijks vastleggen. Houd per medewerker per dag de S&O-uren bij en scheid bij software de knelpunturen van gewone ontwikkeluren.
  • Jaarlijks melden. Geef binnen drie maanden na afloop van het jaar de werkelijk bestede uren en kosten door aan RVO.
  • Starterspercentage nagaan. Ga na of je recht hebt op het hogere starterspercentage van 50 procent over de eerste schijf.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de WBSO in 2026?

De korting is 16 procent over de grondslag, oplopend tot 36 procent over de eerste 391.020 euro. Voor starters is dit 50 procent over de eerste schijf.

Moet ik de WBSO vooraf aanvragen?

Ja. Je vraagt de WBSO altijd vooraf en digitaal aan bij RVO, voordat het werk begint. Een aanvraag met terugwerkende kracht is niet mogelijk.

Kan ik de WBSO als zzp’er krijgen?

Ja, als je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en zelf minstens 500 uur per jaar aan speur- en ontwikkelingswerk besteed. Je krijgt dan een verhoging van je zelfstandigenaftrek in plaats van een korting op de loonheffing.

Telt software-ontwikkeling mee voor de WBSO?

Alleen als je een concreet programmeertechnisch knelpunt oplost. De uren die je daarvoor nodig hebt tellen mee; gewone bouw- en ontwikkeluren niet.

Wat gebeurt er als ik de jaarmelding vergeet?

Dan volgt een boete en wordt de toegekende korting volledig teruggedraaid via een correctie. Plan de melding daarom binnen drie maanden na het jaareinde in.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je ontwikkelwerk als speur- en ontwikkelingswerk kwalificeert, verzorgt de aanvraag bij RVO en bewaakt de termijnen. Wij helpen je een sluitende project- en urenadministratie op te zetten, kiezen samen met je tussen het kostenforfait en de werkelijke kosten, en zorgen voor de jaarlijkse melding. Zo benut je het maximale voordeel zonder risico op boetes. Neem gerust contact met ons op om je project te bespreken.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Bedrijfsopvolgingsregeling: draag uw familiebedrijf vrijwel belastingvrij over

Wil je je bedrijf overdragen aan je kind of aan een andere opvolger, maar schrikt je van de belasting die daarbij komt kijken? Over een onderneming die je schenkt of nalaat, is in beginsel schenk- of erfbelasting verschuldigd. Dat geld zit vaak vast in panden, machines en voorraad, waardoor de belasting de continuïteit van het bedrijf in gevaar kan brengen. De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) biedt dan uitkomst: deze regeling stelt het grootste deel van je ondernemingsvermogen vrij, zodat het bedrijf gewoon door kan draaien. In dit artikel lees je hoe de bedrijfsopvolgingsregeling werkt, welke voorwaarden in 2026 gelden en wat je vooraf moet regelen.

Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling?

De bedrijfsopvolgingsregeling stelt ondernemingsvermogen dat je erft of geschonken krijgt grotendeels vrij van schenk- en erfbelasting. Het idee erachter is eenvoudig: een familiebedrijf moet niet hoeven te stoppen of te worden verkocht alleen om de belasting over de overdracht te kunnen betalen. De regeling geldt zowel bij overlijden (erfbelasting) als bij een schenking tijdens leven, en is er voor de eenmanszaak, de vennoot in een vof of maatschap en voor de directeur-grootaandeelhouder met een aanmerkelijk belang (5% of meer van de aandelen) in een bv.

De vrijstelling werkt in twee stappen. Is de onderneming niet meer waard dan 1.543.500 euro (bedrag 2026), dan is de verkrijging voor 100% vrijgesteld. Is het bedrijf meer waard, dan is het deel tot 1.543.500 euro voor 100% vrijgesteld en het meerdere voor 75%. Over de resterende 25% betaal je wel belasting, maar daarvoor kun je tot tien jaar uitstel van betaling krijgen. Zou het bedrijf bij opheffing (liquidatie) meer opbrengen dan bij voortzetting, dan is dat verschil bovendien volledig vrijgesteld. De grens van 1.543.500 euro geldt per onderneming als geheel, niet per persoon die een deel verkrijgt.

Voorwaarden

De Belastingdienst stelt strenge eisen aan de bedrijfsopvolgingsregeling. Wordt aan een van deze voorwaarden niet voldaan, dan vervalt de vrijstelling geheel of gedeeltelijk. De belangrijkste voorwaarden zijn:

  • Kwalificerend ondernemingsvermogen: alleen echt ondernemingsvermogen telt mee. Beleggingen en verhuurd vastgoed kwalificeren niet. Bedrijfsmiddelen boven 103.000 euro die je ook privé gebruikt, tellen alleen mee voor het zakelijke deel.
  • Bezitseis: de overledene moet de onderneming minstens 1 jaar voor het overlijden in bezit hebben gehad, een schenker minstens 5 jaar voor de schenking. Voor gevers boven de AOW-leeftijd worden deze termijnen langer.
  • Voortzettingseis: de opvolger moet de onderneming daarna minstens 3 jaar voortzetten. Verkoopt of staakt hij het bedrijf eerder, dan vervalt de vrijstelling naar verhouding.
  • Minimumleeftijd bij schenking: bij een schenking moet de ontvanger op dat moment 21 jaar of ouder zijn. Bij een erfenis geldt geen leeftijdseis.
  • Aanvraag: je vraagt de vrijstelling zelf aan, gelijktijdig met de aangifte schenk- of erfbelasting. Zonder tijdig verzoek krijg je de vrijstelling niet.

Voldoe je aan al deze voorwaarden, dan blijft het grootste deel van het ondernemingsvermogen buiten de schenk- en erfbelasting.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer schenkt zijn bedrijf aan zijn dochter van 30 jaar. De onderneming is bij voortzetting 2.000.000 euro waard en de ondernemer heeft het bedrijf al 8 jaar in bezit. Voor een kind geldt in tariefgroep I een schenkbelasting van 10% tot 158.669 euro en 20% over het meerdere. We vergelijken de overdracht met en zonder de bedrijfsopvolgingsregeling.

Scenario A: met de bedrijfsopvolgingsregeling

  • Vrijgesteld: 100% over de eerste 1.543.500 euro plus 75% over het meerdere van 456.500 euro, samen 1.885.875 euro.
  • Belast blijft: 2.000.000 euro min 1.885.875 euro is 114.125 euro.
  • Schenkbelasting: 10% over 114.125 euro is ongeveer 11.413 euro (en daarvoor is uitstel van betaling mogelijk).

Scenario B: zonder de bedrijfsopvolgingsregeling

  • Belast: de volledige 2.000.000 euro.
  • Schenkbelasting: 10% over 158.669 euro plus 20% over 1.841.331 euro, samen ongeveer 384.133 euro.

De conclusie: de bedrijfsopvolgingsregeling levert in dit voorbeeld een besparing van ongeveer 372.720 euro op. Zet de dochter het bedrijf drie jaar voort, dan wordt de vrijstelling definitief.

Praktische gevolgen

Wie van de bedrijfsopvolgingsregeling gebruik wil maken, moet vooral tijdig plannen en de administratie op orde hebben. Let op de volgende punten:

  • Plan de overdracht op tijd: door de bezitseis kan schenken vlak na de aankoop van een bedrijf of op zeer hoge leeftijd de vrijstelling blokkeren.
  • Houd het vermogen zuiver: beleggingen en verhuurd vastgoed kwalificeren niet, dus beoordeel vooraf welk deel van het vermogen echt zakelijk is.
  • Bewaak de voortzettingstermijn: de opvolger zit drie jaar vast aan het bedrijf. Een verkoop, staking of omzetting in preferente aandelen binnen die termijn kost een deel van de vrijstelling.
  • Meld wijzigingen op tijd: doet zich binnen de voortzettingsperiode een strijdige gebeurtenis voor, dan moet je dat binnen 8 maanden melden.
  • Denk aan de samenloop met de inkomstenbelasting: de bedrijfsopvolgingsregeling wordt vrijwel altijd gecombineerd met de doorschuifregeling in box 2 of de doorschuiving bij een IB-onderneming. Beide hebben eigen voorwaarden die op elkaar moeten aansluiten.
  • Gebruik het uitstel van betaling: voor het belaste deel kun je tot tien jaar rentedragend uitstel krijgen, zodat je de belasting niet in een keer hoeft op te brengen.

Conclusie en advies

De bedrijfsopvolgingsregeling is voor de meeste familiebedrijven de belangrijkste faciliteit bij de overdracht naar de volgende generatie. Het voordeel is groot, maar de eisen zijn technisch en de bedragen fors, waardoor een fout snel tienduizenden tot honderdduizenden euro’s kost. De bezitseis, de voortzettingseis en de vraag welk vermogen kwalificeert, vragen bovendien om planning die jaren van tevoren begint. Wil je weten of je bedrijfsoverdracht onder de bedrijfsopvolgingsregeling valt en hoeveel je ermee kunt besparen? Laat je situatie vrijblijvend beoordelen door de fiscalisten van Taxcount, dan weet je zeker dat je de vrijstelling correct en op tijd benut.

Aanmerkelijk belang in box 2: waarom de 5%-grens u duizenden euro’s kan schelen

Je hebt aandelen in een bv, als directeur-grootaandeelhouder (dga) of als belegger met een fors pakket. Zodra je belang de grens van 5% raakt, heb je een aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment vallen je dividend en verkoopwinst niet meer in box 3, maar in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verandert hoeveel belasting je betaalt en welke verplichtingen je hebt. In dit artikel lees je wanneer je een aanmerkelijk belang hebt, welke tarieven in 2026 gelden en hoe je met slimme planning duizenden euro’s kunt besparen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

De wet verdeelt aandeelhouders in twee groepen. Kleine beleggers betalen belasting over hun vermogen in box 3. Wie een groot belang in een vennootschap heeft, is voor de wet meer ondernemer dan belegger. Die aandeelhouder betaalt belasting in box 2 over het werkelijke inkomen uit de aandelen: dividend en de winst bij verkoop.

De grens ligt bij 5%. Je hebt een aanmerkelijk belang als je, alleen of samen met je fiscale partner, direct of indirect (bijvoorbeeld via een holding) ten minste 5% van de uitgegeven aandelen van een vennootschap bezit. Dat staat in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De regel geldt ook voor buitenlandse vennootschappen, voor coöperaties en voor bepaalde beleggingsfondsen.

Niet alleen gewone aandelen tellen. Je hebt ook een aanmerkelijk belang bij:

  • opties op ten minste 5% van de aandelen (rechten om aandelen te kopen);
  • winstbewijzen die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering;
  • ten minste 5% van de stemmen in een coöperatie;
  • ten minste 5% van één soort aandelen, bijvoorbeeld letteraandelen of preferente aandelen.

Belangrijk om te weten: deze categorieën mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Wie 4% aandelen en 4% opties heeft, zit dus onder de grens. En de grens is hard: precies 5% telt, 4,9% niet.

Ook zonder eigen 5% in box 2

De wet kent drie uitbreidingen die in de praktijk vaak worden gemist. De Belastingdienst toetst daarom breder dan alleen je eigen aandelenpakket.

Ten eerste de meesleepregeling: heb je eenmaal een aanmerkelijk belang, dan vallen ook al je overige aandelen, opties en winstbewijzen in dezelfde vennootschap in box 2. Ten tweede de meetrekregeling: bezit je zelf minder dan 5%, maar heeft je partner, een (groot)ouder of een (klein)kind van je of je partner wél een aanmerkelijk belang in dezelfde vennootschap, dan valt je kleine pakket toch in box 2. Broers en zussen tellen hierbij niet mee. Ten derde het fictieve aanmerkelijk belang: is bij je ooit een doorschuifregeling toegepast, bijvoorbeeld bij de geruisloze inbreng van je onderneming in een bv of bij vererving van aandelen, dan blijft een belang onder de 5% toch als aanmerkelijk belang gelden.

Een voorbeeld van de meetrekregeling: vader heeft 96% van de aandelen in de familie-bv, dochter heeft 4%. De dochter zit onder de 5%, maar wordt door het belang van haar vader meegetrokken. Haar dividend valt daardoor gewoon in box 2. Voor je betekent dit: kijk niet alleen naar je eigen belang, maar naar de hele familiekring rond de vennootschap.

Tarieven box 2 in 2026

In 2026 kent box 2 twee schijven. Over de eerste € 68.843 aan inkomen uit aanmerkelijk belang betaal je 24,5%. Over alles daarboven betaal je 31%. Heb je een fiscale partner, dan kun je het inkomen verdelen en geldt de lage schijf tot € 137.686 gezamenlijk. Dat maakt de verdeling van dividend een belangrijk planningsinstrument.

Rekenvoorbeeld

De situatie: Karin is dga van een bv met flinke winstreserves. Zij wil in 2026 € 140.000 dividend uitkeren aan privé. Karin is gehuwd; haar echtgenoot heeft geen eigen inkomen in box 2.

Scenario A: Karin geeft het volledige dividend bij zichzelf aan

Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief € 68.843 24,5% € 16.867
Hoog tarief € 71.157 31% € 22.059
Totaal € 140.000 € 38.926

 

Scenario B: Karin verdeelt het dividend met haar fiscale partner

Schijf Bedrag Tarief Belasting
Laag tarief (2 × € 68.843) € 137.686 24,5% € 33.733
Hoog tarief € 2.314 31% € 717
Totaal € 140.000 € 34.450

 

De conclusie: door het dividend in de aangifte te verdelen over beide fiscale partners betaal je € 34.450 in plaats van € 38.926. Dat scheelt € 4.476 aan belasting bij precies dezelfde uitkering. Spreiden over meerdere jaren kan een vergelijkbaar effect hebben.

Praktische gevolgen

Een aanmerkelijk belang brengt verplichtingen mee die verder gaan dan de aangifte alleen. Je geeft dividend en verkoopwinst aan in box 2. Daarnaast moet je de verkrijgingsprijs van je aandelen vastleggen: het bedrag dat fiscaal als je aankoopprijs geldt. Die verkrijgingsprijs bepaalt later hoeveel verkoopwinst belast wordt. Werk je als dga voor je eigen bv, dan geldt bovendien de gebruikelijkloonregeling: je moet jezelf een zakelijk salaris toekennen. Verhuur je privévermogen aan je bv, zoals een pand, dan valt dat onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.

Let verder op momenten waarop je positie ongemerkt verandert. Een huwelijk, een echtscheiding, een statutenwijziging, het certificeren van aandelen of een wijziging in een familiefonds kan leiden tot een fictieve vervreemding, waarbij de Belastingdienst afrekent alsof je je aandelen hebt verkocht. Ook goed om te weten: wie alleen via de meetrekregeling een aanmerkelijk belang heeft, krijgt geen toegang tot de doorschuifregelingen bij schenken en erven en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Conclusie en advies

De 5%-grens van het aanmerkelijk belang bepaalt of je aandeleninkomen in box 2 of box 3 valt, en dat verschil loopt snel in de duizenden euro’s. De regels kijken verder dan je eigen pakket: partner, familie in de rechte lijn, opties, soortaandelen en oude doorschuiftrajecten tellen mee. Tegelijk biedt box 2 kansen, zoals het verdelen van dividend met je fiscale partner of het spreiden van uitkeringen over meerdere jaren. Twijfel je of je een aanmerkelijk belang hebt, of wil je weten wat het voordeligste uitkeringsmoment is? De adviseurs van Taxcount rekenen je situatie graag door en zorgen dat je geen grens of faciliteit over het hoofd ziet. Neem gerust contact op voor een vrijblijvende kennismaking.