Belaste verhuur en btw: zo kies je voor btw op de huur en hou je je aftrek overeind

U verhuurt een bedrijfspand, een unit of een werkkamer en u heeft daar net flink in geïnvesteerd. De btw op die verbouwing loopt snel op tot tienduizenden euro’s. Of u die btw mag aftrekken, hangt af van één keuze in uw huurovereenkomst: kiest u samen met uw huurder voor belaste verhuur, dus voor btw op de huur? Verhuur is namelijk in principe vrijgesteld van btw, en zonder btw op de huur is de btw op uw pand een kostenpost. In dit artikel leest u wanneer u mag kiezen voor btw op de huur, welke eisen de Belastingdienst in 2026 stelt aan het 90%-criterium en aan uw contract, wat er gebeurt als uw huurder die norm niet haalt, en wat u praktisch moet vastleggen om uw aftrek te behouden.

Wat betekent belaste verhuur precies?

De wet bepaalt dat het verhuren en verpachten van onroerende zaken is vrijgesteld van btw (artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968). Vrijgesteld klinkt gunstig, maar dat is het meestal niet. Vrijgesteld betekent: geen btw op de huurfactuur, en dus ook geen recht op aftrek van de btw die u zelf betaalde bij de aankoop, de nieuwbouw, de verbouwing, de verduurzaming en het onderhoud van het pand.

Op die vrijstelling bestaan vijf uitzonderingen. Bij vier daarvan is de verhuur automatisch met btw belast. De vijfde is de optie belaste verhuur: verhuurder en huurder kiezen samen voor btw op de huur. Die keuze wordt in de praktijk “opteren” genoemd. Doel is het voorkomen van btw die in de keten blijft hangen. Gebruikt uw huurder het pand voor btw-belaste activiteiten, dan is de btw op de huur voor hem geen last, terwijl u als verhuurder de btw op het pand terugkrijgt.

Voor de verhuur van woningen bestaat die keuzemogelijkheid niet. Woningverhuur voor langere tijd blijft vrijgesteld, zonder aftrek.

Wanneer is verhuur al met btw belast zonder dat u hoeft te kiezen?

Bij vier vormen van verhuur regelt de wet de btw-heffing zelf. Opteren is daar dus niet nodig. Het gaat om de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines, om verhuur binnen een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf aan mensen die er kort verblijven, om parkeerruimte voor voertuigen en lig- en bergplaatsen voor vaartuigen, en om safeloketten. Verhuurt u een van deze zaken, controleer dan vooral of u de btw ook daadwerkelijk factureert.

Daarnaast is er een goedkeuring voor congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte. Verhuurt u zo’n ruimte per huurder feitelijk voor maximaal één maand, gebruikt de huurder de ruimte uitsluitend daarvoor, en maakt u kenbaar dat u btw in rekening brengt, dan is de verhuur belast zonder dat u hoeft te opteren.

Short stay: de belangrijkste wijziging voor 2026

Verhuurt u gemeubileerde woonruimte voor korte periodes, dan valt die verhuur van rechtswege buiten de vrijstelling. U berekent dus btw en u heeft volledig recht op aftrek. Per 1 januari 2026 gaat die verhuur wel naar het algemene tarief van 21 procent, omdat het verlaagde tarief voor het verstrekken van logies per die datum is vervallen. Kortdurende verhuur van afgebakende percelen op kampeerterreinen en in caravanparken blijft wel onder het verlaagde tarief van 9 procent vallen.

Wanneer is sprake van kort verblijf? In het beleidsbesluit gaat de staatssecretaris er in ieder geval van uit dat daarvan sprake is als de huurtermijn contractueel maximaal zes maanden is én het feitelijke verblijf ook maximaal zes maanden duurt. Bij langere periodes moet u als verhuurder aannemelijk maken dat het toch om kort verblijf gaat. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 1 juli 2025 dat de verhuur van 24 gemeubileerde appartementen voor drie of vijf maanden inderdaad onder deze uitzondering valt. Het ging in die zaak om teruggaafverzoeken van 127.472 euro en 287.523 euro. Het is een uitspraak van een gerechtshof, dus cassatie is niet uitgesloten. Beslissend is de aard van de prestatie: verblijfsruimten die zijn toegerust voor kort verblijf, zonder dat de tijdelijke bewoner de zorg voor de inventaris draagt. Dat huurders zich inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) of permanente bewoning zoeken, doet daar niet aan af.

Wanneer mag u kiezen voor btw op de huur?

De optie belaste verhuur kent drie inhoudelijke voorwaarden. Aan alle drie moet zijn voldaan, en aan de eerste ook nog elk jaar opnieuw. Figuur 1 laat de hele route zien, inclusief de vraag of uw verhuur misschien al van rechtswege belast is.

     Figuur 1: de route naar btw op de huur in vier vragen. Bij elke vraag ziet u wat het antwoord betekent: van rechtswege belast, vrijgesteld, of opteren mogelijk.

Uw huurder haalt de 90%-eis

Uw huurder moet het pand volledig of nagenoeg volledig gebruiken voor activiteiten waarvoor hij zelf btw mag aftrekken. “Nagenoeg volledig” betekent 90 procent of meer. Een kledingzaak, een groothandel of een adviesbureau haalt die norm doorgaans wel. Een huisarts, een verzekeringstussenpersoon, een school of een bank juist niet, omdat hun omzet grotendeels is vrijgesteld. Fictieve prestaties, zoals privégebruik, tellen niet mee als aftrekgerechtigd gebruik. In figuur 2 ziet u waar de grenzen liggen.

Voor zes aangewezen branches volstaat 70 procent: werkgeversbelangenorganisaties, reisbureaus (inclusief verzekeringsbemiddeling), makelaardij in onroerende zaken, juridisch zelfstandige arbodiensten, postvervoersbedrijven en openbare radio- en televisieorganisaties. Andere branches kunnen alleen worden toegevoegd op verzoek aan het ministerie.

Figuur 2: de drie zones van aftrekgerechtigd gebruik. Onder 70 procent is opteren niet mogelijk, tussen 70 en 90 procent alleen voor zes aangewezen branches, en vanaf 90 procent kunt u samen met uw huurder kiezen.

De toets vindt plaats bij de start én daarna elk boekjaar van de huurder. Let op dat woord: het gaat om het boekjaar van de huurder, niet om uw eigen boekjaar. Haalt uw huurder de norm door onvoorziene omstandigheden één jaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie, ook als die onderschrijding in het tweede jaar evenmin te voorzien was. Die uitzondering geldt bovendien niet voor het eerste boekjaar.

Het pand wordt niet als woning gebruikt

Opteren kan niet voor een gebouw of een gedeelte daarvan dat als woning wordt gebruikt. De wet omschrijft niet wat een woning is, dus dit is een feitelijke vraag en de bewijslast ligt bij u. Een appartement dat uitsluitend als kantoor en voor representatieve doeleinden wordt gebruikt, is geen woning; opteren mag dan. Slaagt u niet in het bewijs dat het pand niet tevens als woning diende, dan wordt uw aftrek geweigerd. Hof Arnhem-Leeuwarden liet dat op 2 september 2025 nog zien.

U past de kleineondernemersregeling niet toe

Een verhuurder die de kleineondernemersregeling (KOR) toepast, kan niet opteren. De achtergrond is logisch: met de KOR laat u zich juist ontheffen van de btw-verplichtingen waar opteren u aan onderwerpt. Wilt u met btw verhuren, dan moet u zich dus niet aanmelden voor de KOR, of zich juist afmelden. Let op: na afmelding kunt u de KOR pas na het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw kiezen. De Hoge Raad oordeelde in 1997 dat de minister deze uitsluiting mocht regelen; inmiddels staat zij in de wet zelf. Ook uw huurder haalt de 90%-eis nooit als hij de KOR toepast, want een KOR-ondernemer heeft geen recht op aftrek en mag op zijn facturen geen btw vermelden.

Hoe legt u de keuze vast? De formele eisen zijn hard

De keuze voor belaste verhuur legt u vast in de schriftelijke huurovereenkomst, of u dient samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur. Een digitale overeenkomst is gelijkgesteld met een schriftelijke. Dient u een verzoek in, dan beslist de inspecteur bij een beslissing waartegen u bezwaar kunt maken.

In de huurovereenkomst of het verzoek moeten vier gegevens staan: dat de verhuur met btw plaatsvindt, een omschrijving van het pand met zowel de plaatselijke als de kadastrale aanduiding, de datum waarop het boekjaar van de huurder begint, en een door de huurder ondertekende verklaring dat hij aan de 90%-eis voldoet. Ontbreekt één van die gegevens, dan is in beginsel niet rechtsgeldig geopteerd en is de verhuur vrijgesteld. Dat is geen theoretisch risico: in een zaak die eindigde bij de Hoge Raad op 1 juni 2018 ontbraken de kadastrale aanduiding, de begindatum van het boekjaar en de ondertekende verklaring. De naheffing bedroeg 339.250 euro, met daarnaast een vergrijpboete van 84.812 euro. Figuur 3 zet de vier gegevens naast elkaar.

Figuur 3: de vier gegevens die in de huurovereenkomst horen, met daaronder het gevolg als er één ontbreekt en de reparatiemogelijkheid die dan nog bestaat.

Er is wel een reparatiemogelijkheid. Heeft u gehandeld alsof rechtsgeldig was geopteerd, dus btw berekend en gefactureerd, en is over de hele periode aan de 90%-norm (of 70%-norm) voldaan, dan mag de keuze terugwerken tot de in het verzoek genoemde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Heeft u niet zo gehandeld, dan is maximaal drie maanden terugwerkende kracht mogelijk.

U kunt per onroerende zaak kiezen, maar ook per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte. Dat mag zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte, zoals een werkkamer in een pand dat verder als woning wordt gebruikt, mits die verhuur een echte economische activiteit is en niet alleen op papier bestaat. Is het pand gesplitst in appartementsrechten, dan moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Wat levert de keuze op? Een rekenvoorbeeld

Stel dat u als bv een winkelpand verbouwt voor 200.000 euro exclusief btw. De aannemer factureert daarover 42.000 euro btw (21 procent). U verhuurt het pand voor 30.000 euro huur per jaar aan een kledingzaak met uitsluitend btw-belaste omzet. Figuur 4 zet de twee uitkomsten naast elkaar.

Verhuurt u vrijgesteld, dan is die 42.000 euro definitief verloren; u kunt dat bedrag alleen nog verwerken in een hogere huurprijs. Kiest u samen met de kledingzaak voor belaste verhuur, dan trekt u de 42.000 euro af. Over de huur berekent u vervolgens 6.300 euro btw per jaar, en die trekt uw huurder volledig af. De btw kost geen van beide partijen iets, terwijl u 42.000 euro terugkrijgt. Precies daarom is dit een van de meest waardevolle keuzes in vastgoed, en precies daarom is een fout in de vastlegging zo duur.

Figuur 4: vrijgesteld verhuren tegenover opteren, met de bedragen uit dit rekenvoorbeeld. Links blijft 42.000 euro btw als kostenpost hangen, rechts krijgt u die volledig terug.

De kerncijfers en termijnen voor 2026 op een rij

Waar het om gaat Norm of termijn in 2026
Gebruik door de huurder 90 procent of meer aftrekgerechtigd gebruik
Verlaagde norm aangewezen branches 70 procent
Ingebruikneming door de huurder vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon
Melding als de norm niet is gehaald de huurder meldt dit binnen 4 weken na afloop van zijn boekjaar aan u, met afschrift aan de inspecteur
Onvoorziene onderschrijding 1 boekjaar toegestaan, 2 opeenvolgende jaren niet
Herzieningstermijn op het pand 9 boekjaren na het jaar van eerste gebruik, 1/10 per jaar
Terugwerkende kracht bij formeel gebrek tot de verzochte datum bij herstel, anders maximaal 3 maanden
Congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte belast zonder opteren feitelijke huurduur maximaal 1 maand per huurder
Btw-tarief short stay per 1-1-2026 21 procent (kortdurende verhuur van kampeerplaatsen blijft onder het verlaagde tarief van 9 procent)
Omzetgrens kleineondernemersregeling 20.000 euro jaaromzet in Nederland
Herziening blijft achterwege bij een afwijking van 10 procent of minder, en bij in- of uitstappen in de KOR in ieder geval onder 500 euro

 

Figuur 5: de toetsmomenten op een rij, van de ondertekening van de huurovereenkomst tot het einde van de herzieningstermijn van tien jaar.

Hoe lang loopt de keuze en wanneer eindigt hij?

De keuze voor belaste verhuur is onherroepelijk. U kunt er niet op terugkomen, ook niet door met dezelfde huurder een nieuwe huurovereenkomst te sluiten. Dat is bewust zo geregeld, om te voorkomen dat partijen met de herzieningsregeling gaan schuiven. Pakt de keuze later ongunstig uit, dan zit u er dus aan vast.

De optie eindigt alleen van rechtswege. Dat gebeurt bij het einde van de verhuur, bij een wisseling van huurder, wanneer het pand door een verbouwing een nieuw vervaardigd goed wordt, wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen, wanneer huurder en verhuurder tot één fiscale eenheid gaan behoren, en wanneer de huurder de 90%-norm niet langer haalt, behalve bij een onvoorziene onderschrijding in één boekjaar. Bij een wisseling van huurder wordt in de vakliteratuur aangenomen dat u met de nieuwe huurder opnieuw moet opteren; laat dat bij elke huurderswissel controleren.

Verkoopt u het pand, dan loopt de optie volgens de staatssecretaris door bij de nieuwe verhuurder. In de literatuur wordt daar buiten de gevallen van een overdracht van een onderneming aan getwijfeld, omdat de wet uitgaat van een keuze van deze verhuurder met deze huurder. Draagt u niet één pand over maar een hele verhuurexploitatie, bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw met meerdere onroerende zaken, dan kan de overdracht van een onderneming (artikel 37d Wet OB 1968) van toepassing zijn. Laat dat bij een verkoop altijd apart beoordelen, ook vanwege de gevolgen voor de overdrachtsbelasting.

Wat gebeurt er als de 90%-eis niet wordt gehaald?

Vervalt de optie, of blijkt dat nooit rechtsgeldig is geopteerd, dan is de verhuur vanaf de aanvang vrijgesteld. Dat werkt twee kanten op. U betaalt via de herzieningsregels de eerder afgetrokken btw op het pand alsnog (deels) terug, verspreid over de resterende jaren van de tienjaarstermijn. Herziening betekent dat u eerder afgetrokken btw achteraf deels terugbetaalt als het gebruik van het pand verandert; bij panden loopt dat negen boekjaren na het jaar van eerste gebruik door, met een tiende deel per jaar. En uw huurder moet de btw die hij op de huurtermijnen heeft afgetrokken corrigeren, voor zover hem ten onrechte met btw is verhuurd. Figuur 6 volgt beide sporen tot en met de naheffing.

Wie draagt uiteindelijk de rekening? Bij de vergelijkbare optie belaste levering heeft de Hoge Raad op 25 februari 2022 beslist dat de herzienings-btw bij de leverancier kan worden nageheven, ook als die redelijkerwijs mocht aannemen dat zijn afnemer de 90%-eis zou halen. Op Europees niveau geldt dat herzienings-btw wordt nageheven bij degene die die btw heeft afgetrokken. Bij belaste verhuur is dat de verhuurder. Voor de belaste verhuur is dit nog niet in rechtspraak bevestigd, maar u bent wel degene die de aftrek claimde. Het gedrag van uw huurder is daarmee in de praktijk uw risico. Leg het beoogde gebruik daarom contractueel vast en neem een clausule op waarmee u schade kunt verhalen als uw huurder de norm niet haalt of u niet tijdig informeert.

Figuur 6: wat er bij u en bij uw huurder gebeurt als de optie vervalt of nooit rechtsgeldig was, tot en met de naheffing met belastingrente en een mogelijke vergrijpboete.

Naast de naheffing kan de Belastingdienst belastingrente rekenen; voor de btw is die in 2026 5 procent. Bij opzet of grove schuld kan daarnaast een vergrijpboete volgen.

Leegstand: wat als uw huurder het pand nog niet gebruikt?

Neemt uw huurder het pand niet in gebruik vóór het einde van het boekjaar waarin de belaste huur begon, dan is niet aan de norm voldaan en valt de verhuur met terugwerkende kracht in de vrijstelling. Gelukkig wordt “gebruiken” ruim opgevat: het begint al zodra uw huurder feitelijke handelingen verricht die zijn gericht op btw-belaste prestaties. Dat hij daar uiteindelijk niet aan toe komt, is niet fataal. De Hoge Raad besliste dat in 2011 voor een huurder die een informatiebalie plaatste om units in de markt te zetten, maar nooit tot onderverhuur kwam. Documenteer inrichtings- en verhuurinspanningen dus zorgvuldig: dat kan uw optie redden.

Loopt die termijn voor ingebruikneming, de referentieperiode, toch af, dan bestaat een goedkeuring om de ingangsdatum op te schorten. Daarvoor gelden vijf voorwaarden, waaronder dat het eerste gebruik ten minste zes aaneengesloten maanden voor btw-belaste prestaties plaatsvindt en dat u ermee instemt dat de herzieningstermijn pas begint in het jaar van feitelijk gebruik. Wordt de eerste huurovereenkomst ontbonden of verstrijkt hij zonder dat de huurder het pand in gebruik nam, dan kan een tweede huurovereenkomst in de plaats treden, mits die is gesloten binnen twee boekjaren na het boekjaar van ontbinding of verstrijken. Leegstand zelf leidt overigens niet tot herziening van de aanschaf-btw; de btw op instandhoudingskosten in een leegstandsjaar volgt de verhouding belast en vrijgesteld van dat jaar.

Belaste verhuur en de kleineondernemersregeling: let op de omzetgrens

Verhuurt u op kleine schaal, dan is de kleineondernemersregeling verleidelijk. Denk aan een pand dat u naast uw hoofdactiviteit verhuurt. Twee punten worden daarbij vaak gemist.

Het eerste punt is de omzetgrens. Voor de jaaromzet in Nederland waaraan de grens van 20.000 euro wordt getoetst, tellen ook de vergoedingen voor uw vrijgestelde verhuur én voor de vrijgestelde levering van onroerende zaken mee. Huur zonder btw telt dus wel mee. Alleen als de verhuur niet tot uw gebruikelijke bedrijfsactiviteiten hoort, blijft die vergoeding buiten de grens. Verhuurt u naast uw gewone omzet ook nog vrijgesteld een pand, dan kunt u daardoor onbedoeld boven de 20.000 euro uitkomen en uw KOR verliezen. Omgekeerd blijft de verkoopprijs van een pand dat u in uw bedrijf gebruikte buiten de jaaromzet, en valt die verkoop ook buiten de KOR-vrijstelling zelf.

Het tweede punt is de herziening bij een sfeerovergang. Stapt u in of uit de KOR, of vervalt uw optie belaste verhuur, dan gaat u van de belaste naar de vrijgestelde sfeer of terug. Dan kan herziening van eerder afgetrokken btw op het pand spelen. Herziening blijft achterwege als de aftrek in dat boekjaar niet meer dan 10 procent afwijkt, en bij het aanvangen of beëindigen van de KOR in ieder geval als het herzieningsbedrag in dat boekjaar onder 500 euro blijft.

Nog een punt voor verhuurders die niet in Nederland zijn gevestigd: sinds 1 januari 2025 mag een ondernemer die wel in de Europese Unie maar niet in Nederland is gevestigd de Nederlandse kleineondernemersregeling kiezen, mits hij zowel onder de Nederlandse grens van 20.000 euro als onder de Unie-grens van 100.000 euro blijft. Voor verhuurders uit landen buiten de Europese Unie blijft de regeling gesloten.

Wat is het verschil met de optie belaste levering?

Bij de koop en verkoop van bestaand vastgoed bestaat een vergelijkbare keuze: de optie belaste levering. Die twee regelingen lijken op elkaar, maar wijken op vier punten af, en juist die verschillen leiden tot fouten.

  • De toetsperiode. Bij een levering moet de koper zowel in het boekjaar van levering als in het daaropvolgende boekjaar aan de 90%-eis voldoen, dus twee boekjaren. Bij verhuur is dat één boekjaar.
  • De vorm. Bij een levering legt u de keuze vast in de notariële akte of in een gezamenlijk verzoek; bij verhuur in de huurovereenkomst of in een verzoek.
  • De verlegging. Bij een door optie belaste levering wordt de btw naar de koper verlegd. Bij belaste verhuur bestaat geen verlegging: u blijft als verhuurder zelf de btw verschuldigd.
  • Het object. Bij een levering geldt de goedkeuring voor een niet-zelfstandig gedeelte niet voor werkkamers in een woning of een pantry, terwijl de Hoge Raad dat bij verhuur juist toestaat.

Koopt u een pand met btw en verhuurt u het daarna met btw, dan sluiten die toetsperiodes van twee en één boekjaar niet op elkaar aan. Het is denkbaar dat u uw belaste verhuur behoudt via de goedkeuring bij leegstand, terwijl de levering alsnog vrijgesteld blijkt te zijn. Een regel die dat oplost bestaat niet. Laat in zo’n geval beide termijnen apart in de gaten houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Optieclausule in het contract. Zet in de huurovereenkomst voor bedrijfsruimte uitdrukkelijk dat de verhuur met btw plaatsvindt zodra uw huurder de 90%-norm (of 70%-norm) haalt en u zelf de kleineondernemersregeling niet toepast, of dien samen met uw huurder een verzoek in bij de inspecteur.
  • Vier verplichte gegevens. Controleer of de overeenkomst uitdrukkelijk vermeldt dat met btw wordt verhuurd, en of zij de plaatselijke en de kadastrale aanduiding bevat, de begindatum van het boekjaar van de huurder, en een door de huurder ondertekende 90%-verklaring.
  • Toets het gebruik van uw huurder. Vraag vóór de ondertekening na welke omzet uw huurder maakt en of die btw-belast is; controleer of hij onder de 70%-branches valt.
  • Jaarlijkse controle inregelen. Spreek af dat uw huurder u na elk boekjaar bericht of hij de norm nog haalt, en dat hij u binnen vier weken schriftelijk informeert als dat niet zo is, met een afschrift aan de inspecteur.
  • Verhaalsclausule opnemen. Leg contractueel vast dat uw huurder aansprakelijk is voor de btw-schade als hij de 90%-norm niet haalt of u te laat informeert.
  • Ingebruikneming vastleggen. Bewaar bewijs dat uw huurder het pand vóór het einde van zijn boekjaar in gebruik nam, inclusief inrichtings- en verhuurinspanningen bij een langere aanloop.
  • Herzieningstermijn bijhouden. Houd per pand een overzicht bij van het jaar van eerste gebruik, de afgetrokken btw en de resterende jaren van de tienjaarstermijn.
  • Signaleer wijzigingen. Meld een nieuwe huurder, een nieuwe eigenaar, een ingrijpende verbouwing, gebruik als woning of het ontstaan van een fiscale eenheid direct bij uw adviseur; de optie kan dan van rechtswege zijn geëindigd.
  • Splits servicekosten. Factureer nutsvoorzieningen die uw huurder zelf kan bepalen (eigen meter, afrekening op werkelijk verbruik) apart, want die vormen een van de verhuur te onderscheiden prestatie met een eigen btw-regime.
  • KOR-grens narekenen. Tel uw vrijgestelde huuropbrengsten mee bij de toets aan de omzetgrens van 20.000 euro, en beoordeel bij in- of uitstappen of herziening op het pand speelt.

Veelgestelde vragen

Kan ik altijd kiezen voor btw op de huur?

Nee. Uw huurder moet het pand voor 90 procent of meer gebruiken voor activiteiten waarvoor hij btw mag aftrekken, het pand mag niet als woning worden gebruikt en u mag als verhuurder de kleineondernemersregeling niet toepassen. Voor zes aangewezen branches, zoals makelaardij en reisbureaus, volstaat 70 procent.

Wat gebeurt er als mijn huurder de 90%-eis niet meer haalt?

Haalt hij de norm door onvoorziene omstandigheden één boekjaar niet, dan blijft de keuze in stand. Gebeurt dat twee jaar op rij, dan vervalt de optie en is de verhuur vrijgesteld. U betaalt dan via de herzieningsregels een deel van de eerder afgetrokken btw terug en uw huurder corrigeert zijn aftrek op de huurtermijnen.

Kan ik de keuze voor btw op de huur later terugdraaien?

Nee, de keuze is onherroepelijk. Ook een nieuwe huurovereenkomst met dezelfde huurder verandert daar niets aan. De optie eindigt alleen van rechtswege, bijvoorbeeld bij het einde van de verhuur, bij een huurderswissel of wanneer het pand als woning in gebruik wordt genomen.

Mijn huurovereenkomst mist de kadastrale gegevens. Wat nu?

Dan is formeel niet rechtsgeldig geopteerd en loopt uw aftrek gevaar. Heeft u wel btw gefactureerd en is de hele periode aan de 90%-norm voldaan, dan bestaat een goedkeuring waarmee de keuze terugwerkt tot de beoogde datum, mits u het gebrek binnen een redelijke termijn herstelt. Laat dit direct oppakken, want dit is de duurste en meest voorkomende fout.

Ik verhuur gemeubileerde appartementen voor drie maanden. Moet ik opteren?

Nee. Gemeubileerde verhuur voor kort verblijf is van rechtswege met btw belast en geeft u volledig aftrekrecht. Per 1 januari 2026 geldt daarvoor het algemene tarief van 21 procent. Zorg dat u de feitelijke verhuurduur en de mate van dienstverlening kunt aantonen.

Kan ik voor een deel van mijn pand kiezen voor btw?

Ja. U kunt opteren per onroerende zaak en per zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelte, en zelfs voor een niet-zelfstandig gedeelte zoals een werkkamer in een verder als woning gebruikt pand, mits die verhuur een echte economische activiteit is. Bij splitsing in appartementsrechten moet u per appartementsrecht afzonderlijk opteren en toetsen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw bij verhuur van vastgoed is een regeling waarin een klein formeel gebrek tot een naheffing van honderdduizenden euro’s kan leiden. Taxcount controleert uw huurovereenkomsten op de vier verplichte gegevens, toetst of uw huurder de 90%-norm of de 70%-norm haalt, en herstelt gebreken via de bestaande goedkeuringen zolang dat nog kan. Wij rekenen voor u door wat belaste verhuur oplevert bij een aankoop, verbouwing of verduurzaming, houden de herzieningstermijn van tien jaar per pand bij en signaleren gebeurtenissen die uw optie van rechtswege beëindigen, zoals een huurderswissel of een verkoop. Ook bij short stay, leegstand en de samenloop met de kleineondernemersregeling brengen wij de gevolgen in beeld voordat u een keuze maakt.

Verhuurt u bedrijfsruimte of staat er een investering in uw pand op de planning? Laat uw huurovereenkomst en uw btw-positie door ons beoordelen voordat de aannemer factureert. Een korte controle vooraf is vaak het verschil tussen volledige aftrek en een kostenpost.

Dit artikel bevat algemene informatie over de btw bij verhuur van onroerende zaken en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels, termijnen en beleidsbesluiten kunnen wijzigen, en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke en zakelijke omstandigheden, waaronder het feitelijke gebruik door uw huurder. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een fiscaal adviseur voordat u een keuze maakt of vastlegt.

De verleggingsregeling in de btw: wanneer je “btw verlegd” op de factuur zet en hoe je dure fouten voorkomt

Werk je als onderaannemer in de bouw, koop je diensten in bij een buitenlandse leverancier of handel je in schroot, oud metaal of mobiele telefoons? Dan kom je de verleggingsregeling tegen. Bij deze regeling betaal niet jij als verkoper de btw, maar draagt je klant de btw af. Je stuurt daarom een factuur zonder btw, met de vermelding “btw verlegd”. Dat klinkt eenvoudig, maar juist op de factuur gaat het vaak mis, en een verkeerde factuur kan zowel jou als je klant duur komen te staan. In dit artikel lees je wat de verleggingsregeling btw inhoudt, wanneer je deze in 2026 moet toepassen, wat er precies op de factuur hoort, hoe je een fout herstelt en wat je daarna in je administratie moet bewaren.

Wat is de verleggingsregeling?

Normaal geldt in de btw een simpele hoofdregel: wie een goed levert of een dienst verricht, rekent btw en draagt die af aan de Belastingdienst. Bij de verleggingsregeling wordt die rol omgedraaid. De btw wordt “verlegd” naar je afnemer: niet jij, maar je klant geeft de btw aan in zijn eigen btw-aangifte.

Voor jou als verkoper betekent dit dat je een factuur stuurt zonder btw-bedrag, met daarop de tekst “btw verlegd” en het btw-identificatienummer van je klant. Je klant vermeldt de verlegde btw in zijn aangifte als verschuldigd en mag die in dezelfde aangifte weer aftrekken, voor zover hij recht op aftrek heeft. Per saldo betaalt hij dan niets. De btw schuift dus alleen op papier van de ene naar de andere partij (zie figuur 1).

Figuur 1: bij de hoofdregel int en betaalt de verkoper de btw; bij verlegging factureert hij zonder btw en geeft de koper de btw aan, die hij in dezelfde aangifte weer aftrekt.

Waarom bestaat deze regeling? Bij prestaties van buitenlandse ondernemers is het vooral een kwestie van gemak: de buitenlandse leverancier hoeft zich dan niet in Nederland te registreren voor de btw. Bij de binnenlandse verleggingen is het doel fraudebestrijding. Als het afdragen en het aftrekken van de btw bij dezelfde partij liggen, kan een leverancier de btw niet eerst innen en daarna laten verdwijnen terwijl zijn afnemer diezelfde btw wel aftrekt.

Wanneer geldt de verleggingsregeling?

De verleggingsregeling geldt niet altijd, maar alleen in een aantal aangewezen situaties. Die vallen uiteen in twee groepen: grensoverschrijdende gevallen en binnenlandse gevallen. Figuur 2 laat zien welke vraag je per opdracht moet stellen.

Figuur 2: beslisboom “Moet ik de btw verleggen?”, met de vier uitkomsten buitenlandse leverancier, onderaanneming of uitlening, aangewezen goederen en transacties, en gewone btw.

Inkoop bij een buitenlandse leverancier

Neem je een dienst of levering af van een ondernemer die niet in Nederland woont of gevestigd is, dan verlegt die leverancier de Nederlandse btw naar jou. Dat geldt ook als hij hier wel een vestiging heeft, zolang die vestiging niet bij de opdracht betrokken is. Dit raakt vrijwel elk bedrijf dat diensten inkoopt bij een buitenlands bedrijf, bijvoorbeeld software, advies, marketing of transport, of dat een buitenlandse aannemer of monteur in Nederland laat werken. Je ontvangt dan een factuur zonder Nederlandse btw en geeft de btw zelf aan in je aangifte.

Binnenlandse verlegging in aangewezen sectoren

Daarnaast heeft de wetgever binnen Nederland een aantal fraudegevoelige sectoren en transacties aangewezen waarvoor verlegging verplicht is. De belangrijkste zijn:

  • onderaanneming en het uitlenen van personeel bij werk van stoffelijke aard aan onroerende zaken of schepen;
  • de levering van een onroerende zaak waarbij partijen voor btw-heffing hebben gekozen;
  • goud en halffabrikaten met een zuiverheid van ten minste 325/1000, en beleggingsgoud waarvoor de verkoper voor btw-heffing kiest;
  • executieverkopen, bijvoorbeeld door een hypotheekhouder, deurwaarder of curator;
  • de levering van mobiele telefoons, computerchips, spelcomputers, laptops en tablets, maar alleen als het totaalbedrag per levering per soort goed ten minste 10.000 euro exclusief btw is; blijft u daaronder, dan brengt u gewoon 21 procent btw in rekening;
  • telecommunicatiediensten tussen aanbieders van die diensten;
  • gas- en elektriciteitscertificaten en de overdracht van CO2-emissierechten;
  • de handel in oud materiaal, afval en schroot, met de bijbehorende verwerkingsdiensten.

In de praktijk gaat het op vier manieren mis. Een onderaannemer zet uit gewoonte toch 21 procent btw op zijn factuur. Een bouwbedrijf heeft niet door dat zijn opdrachtgever een eigenbouwer is. Een schroothandelaar controleert het btw-nummer van zijn afnemer niet. En een ondernemer ontvangt een buitenlandse factuur met btw en trekt die btw toch af.

Let op: de eigenbouwer in de bouw

De grootste valkuil in de bouw is de eigenbouwer. Een eigenbouwer is iemand die zonder opdracht van een derde en in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard tot stand laat brengen, bijvoorbeeld een projectontwikkelaar of een bedrijf dat met een vast concept woningen renoveert. De wet stelt zo iemand gelijk met een aannemer. Het gevolg is dat de partij die voor hem werkt als onderaannemer geldt en dus moet verleggen. Algehele leiding over het werk is voldoende; je hoeft het werk niet zelf uit te voeren. Zie je deze rol over het hoofd, dan staat er ten onrechte btw op de factuur, met alle gevolgen van dien.

Wat valt onder “werk van stoffelijke aard”?

Voor de binnenlandse bouwverlegging moet het gaan om fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak. Onderhoud, schoonmaak, tuinaanleg en tuinonderhoud vallen er wel onder. Zuiver intellectueel of begeleidend werk niet: denk aan een architect, een administratieve bouwbegeleider of het uitlenen van verkeersbegeleiders bij wegwerkzaamheden. Ook geldt de verlegging niet als het werk voor meer dan de helft op de eigen vestigingsplaats van de onderaannemer gebeurt, of als het werk ondergeschikt is aan de koop van een bestaande zaak.

Lever je een pakket van werkzaamheden?

Bestaat je opdracht uit meerdere handelingen die in elkaar overlopen, dan is eerst de vraag of je voor de btw één prestatie of meerdere losse prestaties verricht. Verleg je de btw omdat één onderdeel onder een verleggingsregeling valt, terwijl het geheel als één andere, ondeelbare dienst wordt gezien, dan raak je de verlegging kwijt en is de btw alsnog bij jou verschuldigd. Dit speelt bijvoorbeeld bij het inzamelen, sorteren en rapporteren van afval en bij het leveren en monteren van goederen. Over de afvalketen loopt op dit moment een procedure bij de Hoge Raad, waarin het gerechtshof en de advocaat-generaal tot verschillende uitkomsten komen. Lever je zo’n pakket, laat dan vooraf toetsen wat je precies levert, in plaats van achteraf.

Wat moet er op de factuur staan?

Bij verlegging is de factuur geen formaliteit maar de spil van de regeling. Op een correcte verleggingsfactuur staat geen btw-bedrag, maar wel de vermelding “btw verlegd”. Voor de binnenlandse verlegging bij onderaanneming en het uitlenen van personeel luidt de voorgeschreven tekst “omzetbelasting verlegd”. Verder vermeld je het btw-identificatienummer van je afnemer, naast je eigen btw-nummer, en de volledige naam en het volledige adres van beide partijen.

De aanduiding moet voldoende specifiek zijn. Een enkele vermelding als “nultarief” of “vrijstelling” volstaat niet, omdat je klant aan de hand van je factuur moet kunnen zien dat hij de btw moet aangeven. De factuur reik je uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na die waarin je de prestatie hebt verricht. In figuur 3 zie je hoe zo’n factuur eruitziet en welke drie onderdelen moeten kloppen.

Figuur 3: voorbeeld van een verleggingsfactuur, met het btw-nummer van de afnemer, een factuur zonder btw-bedrag en de vermelding “omzetbelasting verlegd” uitgelicht.

Besteed je het factureren uit, of stelt je afnemer de factuur op (self-billing), dan blijf je als presterende ondernemer altijd verantwoordelijk voor de juistheid. Bij self-billing moet je dat vooraf schriftelijk afspreken, moet elke factuur door jou worden aanvaard en staat op de factuur “factuur uitgereikt door afnemer”. Factureert een buitenlandse leverancier onder verlegging, dan gelden meestal de factuurregels van zijn eigen land; factureert de afnemer zelf, dan die van het land van de afnemer.

Leg in je offerte en opdrachtbevestiging ook vast of je prijs exclusief of inclusief btw is. Dat lijkt een detail, maar het bepaalt later of je ten onrechte gefactureerde btw kunt terugvragen zonder die aan je klant te moeten vergoeden.

Wat gaat er mis als je tóch btw op de factuur zet?

Zet je btw op de factuur terwijl verlegging geldt, dan gebeuren er twee onaangename dingen tegelijk. Je wordt die btw verschuldigd op grond van de factuur zelf: je moet het bedrag afdragen alleen al omdat het op de factuur staat. Tegelijk mag je afnemer die btw niet aftrekken, ook niet als hij het bedrag netjes aan jou heeft betaald. De Belastingdienst kan de btw dan naheffen, bij jou als opsteller of bij de afnemer die ten onrechte heeft afgetrokken.

Belangrijk voor de afnemer: de Belastingdienst hoeft niet eerst een naheffingsaanslag aan je leverancier op te leggen. De rechter heeft bevestigd dat de te veel afgetrokken btw meteen bij de afnemer mag worden nageheven, ook als op voorhand duidelijk is dat de leverancier het bedrag toch niet zou betalen. Als afnemer kun je je er dus niet achter verschuilen dat je leverancier de fout maakte: in een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van jou verwacht dat je zelf had kunnen zien dat er geen btw op de factuur hoorde.

Bovenop de naheffing kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro; in de praktijk wordt vaak een deel van dat maximum opgelegd. Ook rekent de Belastingdienst belastingrente over de nageheven btw: voor de btw is dat in 2026 5 procent per jaar, gerekend vanaf 1 januari na het jaar waarover je te weinig hebt afgedragen. Omdat een factuurfout vaak pas jaren later aan het licht komt, loopt die rente op. Gaat de leverancier failliet voordat de fout is hersteld, dan is de te veel betaalde btw voor de afnemer definitief verloren; de rechter heeft bevestigd dat hij die btw dan niet alsnog mag aftrekken.

Rekenvoorbeeld: onderaanneming

Een onderaannemer verricht voor 50.000 euro metselwerk aan een woning, in opdracht van een hoofdaannemer. Omdat het een werk van stoffelijke aard aan een onroerende zaak in onderaanneming is, geldt verlegging. De onderaannemer factureert 50.000 euro zonder btw, met de vermelding “omzetbelasting verlegd” en het btw-nummer van de hoofdaannemer. De hoofdaannemer geeft 10.500 euro verlegde btw aan (21 procent) en trekt diezelfde 10.500 euro weer af: per saldo betaalt hij niets.

Zet de onderaannemer tóch 10.500 euro btw op de factuur, dan is hij dat bedrag verschuldigd op grond van artikel 37 van de wet Omzetbelasting 1968, terwijl de hoofdaannemer de 10.500 euro niet mag aftrekken. De btw wordt dan bij een van beiden nageheven, met belastingrente en een mogelijke verzuimboete erbovenop. Eén verkeerde regel op de factuur kan zo 10.500 euro plus rente en boete kosten (zie figuur 4).

Figuur 4: de correcte verleggingsfactuur levert een saldo van nul op; met btw op de factuur volgt een naheffing van 10.500 euro plus belastingrente en een verzuimboete van ten hoogste 6.709 euro.

Hoe herstel je een onjuiste factuur?

Een foute verleggingsfactuur is te repareren, maar alleen op de juiste manier en op tijd. Je neemt de oorspronkelijke factuur terug of je reikt een echte creditfactuur uit die duidelijk en ondubbelzinnig naar de oorspronkelijke factuur verwijst. Daarna stuur je een nieuwe, correcte factuur zonder btw en met de juiste verleggingsvermelding.

Een interne correctie in je eigen boekhouding is niet genoeg. De Belastingdienst mag verlangen dat je je klant er actief bij betrekt en de factuur samen met hem rechtzet. Dat geldt zelfs als je klant de btw nooit heeft afgetrokken en dat gezien zijn situatie ook niet zou hebben gedaan: beslissend is dat het gevaar heeft kunnen bestaan dat de Belastingdienst niet meteen zou vaststellen dat de factuur niet voor aftrek mocht worden gebruikt. Verder moet je kunnen aantonen dat je afnemer de te veel gefactureerde btw niet heeft afgetrokken, niet meer kan aftrekken, of alsnog op aangifte heeft voldaan. Herstel je niet, dan blijf je de btw verschuldigd en loopt je afnemer zijn aftrek mis.

Moet je de btw ook aan je klant terugbetalen? Dat hangt af van wat je met hem hebt afgesproken. Een creditfactuur voor het volle btw-bedrag, waarmee je het bedrag dus aan je klant vergoedt, mag alleen worden geëist als je zonder die vergoeding onterecht voordeel zou houden. Heb je exclusief btw geoffreerd, dan is de btw economisch bij je klant gebleven en ligt de vergoeding voor de hand; heb je een prijs inclusief btw afgesproken, dan is dat vaak anders. Bewaar je offerte en opdrachtbevestiging daarom bij het factuurdossier: die stukken bepalen de uitkomst.

Wat als je inkoopt onder de verleggingsregeling?

Ook aan de inkoopkant kun je de fout in gaan. Ontvang je een factuur mét btw terwijl verlegging geldt, bijvoorbeeld van een buitenlandse leverancier of van een onderaannemer, trek die btw dan niet af. Stuur de factuur terug en vraag om een correcte factuur zonder btw. Trek je de btw toch af, dan corrigeert de Belastingdienst dat bij jou, omdat je bij verlegging had kunnen weten dat er geen btw op de factuur hoorde.

Krijg je een correcte verleggingsfactuur, dan geef je de verlegde btw in je aangifte aan als verschuldigd en trek je die in hetzelfde tijdvak weer af, maar alleen voor zover je de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteer je deels vrijgesteld, dan draag je per saldo dus wel btw af. Controleer bij inkoop ook of je eigen btw-identificatienummer klopt op de factuur en of de leverancier daadwerkelijk ondernemer is.

Hoe lang moet je je verleggingsfacturen bewaren?

Bij verlegging moet uit je administratie blijken dat je de regeling terecht hebt toegepast en wie je afnemer was. Die onderbouwing moet je ook jaren later nog kunnen laten zien. De wet verplicht je je administratie zo te voeren en te bewaren dat je rechten en verplichtingen daaruit altijd duidelijk blijken, en de gegevens ten minste zeven jaar te bewaren. Voor gegevens over onroerende zaken en rechten daarop geldt een bewaartermijn van tien jaar, dus ook voor de facturen van bouw- en verbouwwerk aan een pand (zie figuur 5).

Figuur 5: bewaartermijnen van zeven jaar voor je facturen, offertes en overige administratie, en van tien jaar voor gegevens over onroerende zaken.

Bewaar je je facturen digitaal, dan mag dat, mits de weergave juist en volledig is, de gegevens de hele bewaartermijn beschikbaar blijven en ze binnen redelijke tijd leesbaar te maken zijn. Voor een balans en een staat van baten en lasten die je op papier hebt gekregen geldt een uitzondering: die mag je niet alleen digitaal bewaren, je moet ook het papieren stuk houden. Voldoet je administratie niet, dan kan de Belastingdienst een zogenoemde informatiebeschikking afgeven. Wordt die definitief, dan draait de bewijslast om: je moet dan zelf overtuigend aantonen dat een naheffingsaanslag te hoog is, in plaats van dat de Belastingdienst hem moet onderbouwen. Juist bij verlegging is dat een reëel risico, omdat de toepassing van de regeling uit je facturen en vastleggingen moet blijken.

Praktische checklist: zo houd je de verleggingsregeling op orde

  • Beoordeel per transactie: ga bij elke opdracht na of een verleggingsregeling geldt, op grond van de vestigingsplaats van de leverancier, de hoedanigheid van de afnemer en de aard van de prestatie.
  • Controleer het btw-nummer: vraag het btw-identificatienummer van je afnemer op en controleer of het geldig is; zonder vaststelbare identiteit vervalt de verlegging.
  • Zet de juiste tekst op de factuur: vermeld “btw verlegd” (of “omzetbelasting verlegd” bij bouw en uitlening) en zet er geen btw-bedrag op.
  • Vermeld beide partijen volledig: naam, adres en btw-nummer van zowel jou als je afnemer horen op de factuur.
  • Factureer op tijd: reik de factuur uiterlijk uit op de vijftiende dag van de maand na de prestatie.
  • Let op de eigenbouwer: check in de bouw of je opdrachtgever als aannemer of eigenbouwer geldt, want dan moet je verleggen.
  • Kwalificeer een pakket van werkzaamheden: verleg je op grond van één onderdeel van een samenhangende opdracht, laat dan eerst vaststellen of het geheel voor de btw één prestatie is.
  • Leg vast of de prijs exclusief btw is: noteer dat in offerte en opdrachtbevestiging; het bepaalt of je een foutief gefactureerd btw-bedrag kunt terugvragen zonder het aan je klant te vergoeden.
  • Controleer inkoopfacturen: trek geen btw af van een factuur met btw waar verlegging hoort; laat die eerst corrigeren.
  • Herstel fouten actief en samen met je klant: corrigeer een onjuiste factuur met een echte creditfactuur, betrek je afnemer erbij en toon aan dat hij niets heeft afgetrokken.
  • Houd je administratie bij: leg de uitgereikte en ontvangen facturen en de verlegde btw vast. Verricht je diensten voor zakelijke klanten in andere EU-landen die daar zelf de btw aangeven, dan neem je die op in de opgaaf ICP, de aparte opgave van EU-klanten per btw-nummer. Btw die naar jou is verlegd hoort daar niet in.
  • Bewaar zeven jaar, bij vastgoed tien jaar: houd facturen en onderliggende vastleggingen leesbaar beschikbaar, ook als je ze alleen digitaal bewaart.

Veelgestelde vragen

Wat betekent “btw verlegd” op een factuur?

Het betekent dat niet de verkoper maar de koper de btw aangeeft en afdraagt. De verkoper stuurt een factuur zonder btw-bedrag; de koper vermeldt de verlegde btw in zijn eigen aangifte en trekt die in dezelfde aangifte weer af als hij recht op aftrek heeft.

Wat moet ik als koper doen bij een verleggingsfactuur?

Je geeft de verlegde btw in je btw-aangifte aan als verschuldigd en trekt die in hetzelfde tijdvak weer af, voor zover je de inkoop gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Presteer je deels vrijgesteld, dan blijft een deel van de btw voor jouw rekening. Dit geldt ook bij inkoop bij een leverancier buiten Nederland: die verlegt de Nederlandse btw naar jou, en je geeft die zelf aan.

Mag ik btw aftrekken die ten onrechte op een factuur staat?

Nee. Staat er btw op een factuur terwijl verlegging geldt, dan bestaat daarvoor geen recht op aftrek, ook niet als je het bedrag hebt betaald. Laat de factuur eerst corrigeren voordat je iets aftrekt.

Kan de Belastingdienst de btw bij mij naheffen terwijl mijn leverancier de fout maakte?

Ja. De Belastingdienst hoeft niet eerst je leverancier een naheffingsaanslag op te leggen en mag de te veel afgetrokken btw meteen bij jou naheffen, ook als duidelijk is dat je leverancier niet zou betalen. In een sector waar de btw wordt verlegd, wordt van jou verwacht dat je zelf ziet dat er geen btw op de factuur hoort.

Hoe lang moet ik mijn verleggingsfacturen bewaren?

Ten minste zeven jaar, en tien jaar als het om onroerende zaken gaat. Digitaal bewaren mag, zolang de facturen volledig, beschikbaar en leesbaar blijven. Is je administratie gebrekkig, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren en moet je zelf aantonen dat een naheffing te hoog is.

Welke boete en rente riskeer ik bij een verkeerde verleggingsfactuur?

Naast naheffing van de btw kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen voor de onjuiste factuur, in 2026 ten hoogste 6.709 euro, plus belastingrente van 5 procent per jaar over de nageheven btw. Bij opzet of grove schuld kunnen de gevolgen hoger uitvallen. Laat je facturen daarom vooraf controleren.

Hoe Taxcount je kan helpen

De verleggingsregeling lijkt eenvoudig, maar de praktijk zit vol valkuilen: de eigenbouwer die je over het hoofd ziet, de buitenlandse factuur met btw die je niet mag aftrekken, de factuurvermelding die net niet klopt en het pakket werkzaamheden dat voor de btw één prestatie blijkt te zijn. Taxcount beoordeelt voor jou wanneer verlegging geldt, controleert je uitgaande en inkomende facturen, begeleidt het herstel van fouten uit eerdere jaren voordat de Belastingdienst naheft, en kijkt mee of je administratie en bewaartermijnen op orde zijn. Wil je weten of je facturen aan de eisen voor 2026 voldoen? Laat je situatie door ons toetsen, dan weet je zeker dat je niet voor de btw van een ander opdraait.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd adviseren voordat je beslissingen neemt.

De margeregeling voor tweedehands goederen: zo betaal je btw over alleen je winstmarge

Koop je tweedehands spullen in en verkoop je die weer door? Dan loop je tegen een lastige vraag aan: hoeveel btw moet je afdragen? Wie een gebruikte fiets, auto of kast koopt van een particulier, krijgt geen btw in rekening en kan dus ook niets aftrekken. Zou je bij verkoop btw over de hele prijs rekenen, dan betaal je te veel. Voor deze situatie bestaat de margeregeling: je betaalt dan btw over alleen je winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. In dit artikel lees je wat de margeregeling voor tweedehands goederen inhoudt, wanneer je deze in 2026 mag toepassen en wat je praktisch moet regelen om problemen met de Belastingdienst te voorkomen.

Wat is de margeregeling?

De margeregeling laat een handelaar in tweedehands goederen btw betalen over zijn winstmarge in plaats van over de volle verkoopprijs. De winstmarge is het verschil tussen wat je voor een goed ontvangt (de verkoopprijs) en wat je er zelf voor betaald hebt (de inkoopprijs). De btw zit al in die marge verrekend (artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968).

De regeling voorkomt dat er dubbele btw op tweedehands goederen komt te drukken. In de prijs van een gebruikt goed zit vaak nog een restje btw van toen het nieuw was. Als je dan bij verkoop opnieuw btw over de hele prijs zou rekenen, stapelt btw zich op btw. Vakmensen noemen dat cumulatie. Door btw alleen over je marge te rekenen, betaal je precies over de waarde die je zelf toevoegt en blijft de prijs voor je klant scherp.

Voor wie geldt de margeregeling?

De margeregeling is bedoeld voor wederverkopers: ondernemers die gebruikte goederen kopen om ze weer door te verkopen. Denk aan handelaren in tweedehands auto’s en fietsen, kringloop- en vintagewinkels, inkoop en verkoop van witgoed en elektronica, en handel in tweedehands meubels, kleding en boeken. De regeling speelt vooral wanneer je inkoopt bij particulieren of bij andere partijen die je geen btw in rekening (kunnen) brengen.

Je hoeft niet dagelijks in tweedehands goederen te handelen om wederverkoper te zijn. Volgens een conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad uit 2024 is ook iemand die maar één keer een ingekocht margegoed doorverkoopt een wederverkoper, zolang hij het goed met het oog op wederverkoop heeft gekocht. Beslissend is dus waarom je het goed hebt gekocht, niet hoe vaak je handelt.

Wanneer mag je de margeregeling toepassen?

De margeregeling geldt niet zomaar voor elk tweedehands goed. Er zijn twee kernvoorwaarden: je moet het goed hebben gekocht van een leverancier die je geen aftrekbare btw in rekening bracht, en er mag geen dubbele heffing dreigen. Voldoe je daar niet aan, dan geldt de gewone btw-regeling. De beslisboom hierna helpt je snel bepalen welke route voor jou geldt (zie figuur 1).

Figuur 1: Beslisboom om te bepalen of je de margeregeling mag toepassen. De herkomst van het ingekochte goed bepaalt welke route je volgt.

Van wie moet je hebben ingekocht?

De wet somt limitatief op van welke leveranciers het goed afkomstig mag zijn (artikel 28b, lid 2). Deze lijst mag niet worden opgerekt naar vergelijkbare gevallen. Het goed moet aan jou zijn geleverd door een van de volgende vijf partijen (zie figuur 2):

  • Een particulier: iemand die geen ondernemer is en dus geen btw in rekening brengt.
  • Een vrijgestelde ondernemer: een ondernemer die de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel r toepast.
  • Een KOR-ondernemer: een ondernemer die de kleineondernemersregeling toepast (de btw-vrijstelling geldt bij een jaaromzet in Nederland tot 20.000 euro, of tot 100.000 euro omzet in de EU voor ondernemers buiten Nederland), voor een afgeschreven bedrijfsmiddel.
  • Een andere wederverkoper: die op zijn beurt ook de margeregeling toepaste.
  • Een leverancier uit een andere EU-lidstaat: bij een levering die daar onder een vergelijkbare margeregeling of vrijstelling viel.

Figuur 2: De vijf toegestane leveranciers (artikel 28b, lid 2, a tot en met e) van wie een margegoed afkomstig mag zijn. Deze lijst is limitatief.

Er mag geen dubbele btw dreigen

De margeregeling is een uitzondering en mag alleen worden gebruikt voor zover dat nodig is om dubbele heffing te voorkomen. Is de btw op het goed eerder gewoon afgetrokken, dan zit er geen restje btw meer in en dreigt er geen cumulatie. In dat geval mag je de margeregeling niet toepassen. Het Hof Amsterdam bevestigde dit begin 2026 in een zaak waarin een handelaar in tweedehands witgoed goederen uit Duitsland als margegoed verkocht, terwijl de Duitse leverancier de btw al had afgetrokken. De naheffing en boete bleven in stand.

Hoe bereken je de btw over je marge?

Je berekent de btw over je winstmarge, waarbij de btw in die marge is begrepen. Bij het algemene tarief van 21 procent (2026) reken je dus 21/121 deel van de marge als btw. Twee regels horen daarbij: je vermeldt op je verkoopfactuur geen apart btw-bedrag (artikel 28h), en je trekt over het margegoed geen voorbelasting af (artikel 28e).

Rekenvoorbeeld

Stel, je koopt een tweedehands fiets van een particulier voor 200 euro en verkoopt die voor 350 euro (zie figuur 3).

  • Je winstmarge is 350 euro min 200 euro is 150 euro (inclusief btw).
  • De verschuldigde btw is 150 euro maal 21/121, dus ongeveer 26 euro.
  • Zonder de margeregeling zou je btw over de hele 350 euro rekenen: dat is ongeveer 61 euro.

In dit voorbeeld scheelt de margeregeling je dus ongeveer 35 euro aan af te dragen btw op één fiets. Verkoop je een goed met verlies, dan is er geen positieve marge en draag je over dat goed geen btw af.

Figuur 3: Rekenvoorbeeld van de btw op een tweedehands fiets. Btw over de winstmarge (ongeveer 26 euro) tegenover btw over de hele verkoopprijs (ongeveer 61 euro).

Wat is de globalisatieregeling?

Handel je in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan is het per stuk bijhouden van inkoop- en verkoopprijzen bewerkelijk. Voor aangewezen goederen zoals vervoermiddelen, kleding, meubels en boeken mag je daarom de globalisatieregeling gebruiken (artikel 28d). Je berekent de winstmarge dan niet per goed, maar over een heel aangiftetijdvak samen: alle margeverkopen min alle marge-inkopen in dat tijdvak (zie figuur 4). Een handig gevolg is dat een negatieve marge in het ene tijdvak mag worden verrekend met een positieve marge in een volgend tijdvak. Zeg je de globalisatieregeling op, dan werkt dat pas vanaf het volgende kalenderjaar en geldt de keuze ten minste vijf kalenderjaren.

Figuur 4: Twee manieren om de winstmarge te berekenen: per goed (standaard) of per aangiftetijdvak (de globalisatieregeling).

Gelden er aparte regels voor kunst, verzamelingen en antiek?

Ja. Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten vallen niet automatisch onder de margeregeling voor gebruikte goederen. Daarvoor bestaat een aparte regeling die alleen op je eigen verzoek geldt (artikel 28c), bijvoorbeeld als je de kunst zelf invoert of rechtstreeks van de maker koopt. Handel je in kunst, verzamelobjecten of antiek, lees dan ons aparte artikel over de margeregeling voor kunst. Verkoop je zowel gewone tweedehands goederen als kunst, dan kunnen beide regelingen naast elkaar spelen.

Welke risico’s loop je bij verkeerde toepassing?

Pas je de margeregeling ten onrechte toe, dan zijn de gevolgen fors. De Belastingdienst heft de btw dan na over de volledige vergoeding tegen het normale tarief, dus niet slechts over de marge, en legt daar belastingrente en meestal een verzuimboete bovenop. In de eerder genoemde Hof-uitspraak bleven naheffingsaanslagen en boetes van enkele duizenden euro’s per tijdvak in stand, en een beroep op een verdedigbaar standpunt slaagde niet.

Belangrijk om te weten: de bewijslast ligt bij jou als wederverkoper. Je moet kunnen aantonen dat elk margegoed afkomstig is van een toegestane leverancier en dat er bij inkoop geen aftrekbare btw in rekening is gebracht. Een vermelding als “gebruikt” of “geen btw” op een inkoopfactuur is daarvoor niet genoeg. Zorg daarom voor een sluitende inkoopadministratie met inkoopverklaringen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal of je wederverkoper bent. Koop je gebruikte goederen in met het doel ze weer te verkopen? Dan ben je waarschijnlijk wederverkoper, ook bij incidentele verkoop.
  • Controleer de herkomst van elk goed. Ga na of je hebt ingekocht bij een particulier, een vrijgestelde ondernemer, een KOR-ondernemer, een andere margehandelaar of een vergelijkbare EU-leverancier.
  • Check of er btw is afgetrokken. Was bij de inkoop btw in rekening gebracht die aftrekbaar was, pas dan de margeregeling niet toe.
  • Vermeld geen btw op de verkoopfactuur. Bij de margeregeling zet je geen apart btw-bedrag op de factuur; de btw zit in de prijs verrekend.
  • Trek geen voorbelasting af op margegoederen. Over goederen die je onder de margeregeling verkoopt, mag je geen inkoop-btw aftrekken.
  • Houd de winstmarge controleerbaar bij. Leg per goed, of bij globalisatie per tijdvak, vast wat je betaalde en ontving.
  • Bewaar inkoopverklaringen. Bij inkoop van particulieren leg je de herkomst en de leveranciersstatus schriftelijk vast; de bewijslast ligt bij jou.
  • Overweeg de globalisatieregeling. Handel je in grote aantallen gelijksoortige goederen, dan bespaart de marge per tijdvak je administratief werk.

Veelgestelde vragen

Moet ik de margeregeling verplicht toepassen?

Voor gewone gebruikte goederen geldt de margeregeling in beginsel automatisch als aan de voorwaarden is voldaan. Je mag echter per levering toch voor de normale btw-regeling kiezen (artikel 28f). Dat kan gunstig zijn als je afnemer de btw kan aftrekken.

Mag ik btw op mijn factuur zetten bij een margeverkoop?

Nee. Bij de margeregeling vermeld je geen apart btw-bedrag op de verkoopfactuur. De btw is in de vergoeding begrepen. Wel is het verstandig te vermelden dat je de margeregeling toepast.

Wat als ik een goed met verlies verkoop?

Is je verkoopprijs lager dan je inkoopprijs, dan is er geen positieve marge en draag je over dat goed geen btw af. Bij de globalisatieregeling kun je een negatieve marge zelfs verrekenen met positieve marges in een volgend tijdvak.

Geldt de margeregeling ook voor kunst en antiek?

Voor kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiek geldt een aparte regeling die alleen op verzoek werkt (artikel 28c). Die vraag je apart aan bij de Belastingdienst. Zie hiervoor ons artikel over de margeregeling voor kunst.

Wat gebeurt er als ik de margeregeling ten onrechte toepas?

Dan heft de Belastingdienst btw na over de volledige verkoopprijs, met belastingrente en meestal een verzuimboete. De bewijslast dat aan alle voorwaarden is voldaan, ligt bij jou als wederverkoper.

Hoe Taxcount je kan helpen

De margeregeling levert een reëel btw-voordeel op, maar de voorwaarden zijn strikt en de bewijslast ligt volledig bij jou. Taxcount helpt je om te beoordelen of de margeregeling in jouw situatie mag worden toegepast, richt je inkoop- en margeadministratie zo in dat die een controle doorstaat, en adviseert of de globalisatieregeling voor jou voordeliger is. Ook bij handel met het buitenland of een mix van gewone goederen en kunst denken wij met je mee. Wil je zeker weten dat je de btw op je tweedehands handel goed regelt? Laat je situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempelbedragen en voorwaarden kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je actie onderneemt.

Bijleenregeling en hypotheekrenteaftrek: hoe je overwaarde je aftrek kan beperken

Veel huiseigenaren gaan ervan uit dat de rente op hun hypotheek altijd aftrekbaar is zolang het geld in de eigen woning zit. Dat klopt niet altijd. Wie een woning verkoopt met overwaarde en daarna een nieuwe woning koopt, krijgt te maken met de bijleenregeling en de aflossingsstand. Die twee regels bepalen samen welk deel van de nieuwe hypotheek nog recht geeft op renteaftrek. Een verkeerde keuze bij het afsluiten van de hypotheek kan de aftrek onbedoeld helemaal laten vervallen.

 

Wat is de bijleenregeling?

De bijleenregeling verplicht je om de overwaarde van je oude woning opnieuw in je nieuwe woning te steken als je maximale renteaftrek wilt behouden. De overwaarde die je niet herinvesteert, telt niet mee voor de eigenwoningschuld. Over dat deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar in box 1; die schuld verhuist naar box 3.
De regeling is vastgelegd in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Kort gezegd: je eigenwoningschuld voor de nieuwe woning is gelijk aan de verwervingskosten van die woning, verminderd met je eigenwoningreserve.

 

Wat is de eigenwoningreserve (overwaarde)?

De eigenwoningreserve is de fiscale naam voor je overwaarde bij verkoop. Je berekent die als de verkoopprijs van de oude woning, verminderd met de nog openstaande eigenwoningschuld en de verkoopkosten zoals de makelaarscourtage. Dit staat in artikel 3.119aa van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De eigenwoningreserve blijft na verkoop drie jaar staan. Investeer je die binnen die termijn niet opnieuw in een eigen woning, dan vervalt het restant. Zolang de reserve loopt, verlaagt zij de eigenwoningschuld van je volgende woning.

 

De aflossingsstand: je opgebouwde looptijd verhuist mee

Voor hypotheken die vanaf 2013 zijn afgesloten geldt de aflossingseis: je moet ten minste annuïtair en in maximaal 360 maanden volledig aflossen (artikel 3.119c). Wie eerder al een eigenwoningschuld had, neemt de al verstreken looptijd mee naar de nieuwe lening. Dit heet de aflossingsstand (artikel 3.119d).
Concreet: heb je op je oude hypotheek al tien jaar renteaftrek gehad, dan resteert voor het overeenkomstige deel van je nieuwe hypotheek geen 360 maanden meer, maar 240. Kies je voor de nieuwe lening toch een looptijd van 30 jaar, dan los je voor dat deel te langzaam af. Het gevolg is dat dat deel niet aan de aflossingseis voldoet en de rente erover niet aftrekbaar is.

Praktijkvoorbeeld: een langere looptijd die de renteaftrek kostte

Een klant verkocht in 2025 zijn woning met een aanzienlijke overwaarde en kocht een nieuwe woning. Voor de aankoop sloot hij een annuïteitenhypotheek af met een looptijd van 30 jaar. De financieel adviseur koos bewust voor die lange looptijd, omdat lage maandlasten belangrijker waren dan de renteaftrek.
Fiscaal pakte dit als volgt uit. Door de bijleenregeling kon maar een klein deel van de nieuwe hypotheek als eigenwoningschuld kwalificeren, omdat de overwaarde niet volledig opnieuw was geïnvesteerd. En dat kleine deel had via de aflossingsstand een kortere resterende looptijd moeten krijgen dan de gekozen 30 jaar. Doordat de hele lening over 360 maanden liep, voldeed ook dat deel niet aan de aflossingseis. Per saldo bleef er nauwelijks aftrekbare eigenwoningschuld over en was de hypotheekrente niet aftrekbaar.
De les: de keuze voor lage maandlasten en de keuze voor renteaftrek gaan niet altijd samen. Wie beide wil afwegen, moet de fiscale gevolgen kennen voordat de hypotheek wordt getekend, niet pas bij de aangifte.

Hoe voorkom je dat je renteaftrek misloopt?

Laat de fiscale opzet van je hypotheek toetsen voordat je tekent. Belangrijke aandachtspunten zijn: hoeveel overwaarde herinvesteer je, hoeveel maanden renteaftrek heb je al gehad, en welke looptijd hoort daar fiscaal bij. Soms is het mogelijk de lening te splitsen in een deel dat wel aan de aflossingseis voldoet en een deel dat je bewust in box 3 laat vallen. Zo maak je een geïnformeerde keuze tussen maandlasten en aftrek.

 

Veelgestelde vragen

Is de rente op mijn hypotheek altijd aftrekbaar als ik het geld voor mijn woning gebruik?

Nee. De aftrekbaarheid volgt de fiscale kwalificatie van de schuld, niet het gebruik van het geld. Ook een lening die je voor de aankoop van je woning afsluit, kan geheel of deels in box 3 vallen als niet aan de voorwaarden is voldaan.

Moet ik mijn hele overwaarde opnieuw in mijn woning steken?

Voor maximale renteaftrek wel. Het deel van de overwaarde dat je niet herinvesteert, verlaagt je aftrekbare eigenwoningschuld. Over het overeenkomstige deel van je financiering is de rente niet aftrekbaar.

Waarom kan een looptijd van 30 jaar een probleem zijn?

Op zichzelf is 30 jaar toegestaan; dat is het wettelijke maximum. Het probleem ontstaat als je al eerder renteaftrek hebt gehad. De al verstreken jaren gaan via de aflossingsstand van je oude schuld mee, waardoor de resterende toegestane looptijd korter is dan 30 jaar.

Hoelang blijft mijn overwaarde meetellen?

De eigenwoningreserve vervalt drie jaar na de verkoop van je oude woning. Daarna telt een niet-benut deel niet meer mee.

Kan ik de aftrek nog herstellen na het tekenen?

Soms. Afhankelijk van de situatie kan de lening worden aangepast of gesplitst zodat een deel alsnog aan de aflossingseis voldoet. Dit vraagt maatwerk en werkt meestal pas vanaf een volgend jaar.

 

Advies nodig over je hypotheek en renteaftrek?

Taxcount rekent je situatie graag door voordat je een hypotheek tekent of je aangifte indient. Wij toetsen de bijleenregeling, de eigenwoningreserve en de aflossingsstand en laten zien welk deel van je rente aftrekbaar is. Neem contact op via www.taxcount.nl of bezoek ons aan de Lange Voorhout 86 te Den Haag.

Deze tekst bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Bedragen, tarieven en termijnen zijn afhankelijk van het belastingjaar en van je persoonlijke situatie. Laat je eigen situatie beoordelen voordat je beslissingen neemt.

Btw-correctie privegebruik auto: zo betaal je jaarlijks btw over het privegebruik van je auto van de zaak

Rijdt u in een auto van de zaak en gebruikt u die ook privé? Dan hebt u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik waarschijnlijk afgetrokken. Voor het deel dat u privé rijdt, hebt u dan eigenlijk te veel afgetrokken. De Belastingdienst wil dat u dat verschil één keer per jaar rechtzet met de btw-correctie privégebruik auto. Deze correctie is makkelijk te vergeten, omdat u die niet in uw gewone kwartaalaangifte doet maar in de laatste btw-aangifte van het jaar. In dit artikel leest u wanneer de correctie speelt, hoe u het bedrag berekent met het forfait van 2,7% of 1,5% of op basis van uw werkelijke gebruik, en wat u praktisch moet regelen.

Wat is de btw-correctie privégebruik auto?

Koopt of leaset u een auto voor uw onderneming, dan mag u de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik (zoals brandstof en reparaties) aftrekken als voorbelasting. Dat mag alleen voor het deel waarmee u belaste omzet maakt. Zolang u de auto puur zakelijk gebruikt, is er niets aan de hand.

Gebruikt u de auto ook privé, dan hebt u over dat privédeel eigenlijk te veel btw afgetrokken. De wet lost dit op door uw privégebruik één keer per jaar te behandelen als een dienst die u aan uzelf verricht. Over die zogenoemde fictieve dienst betaalt u btw. Zo betaalt u alsnog de btw terug die bij het privégebruik hoort. In gewone taal: u corrigeert aan het eind van het jaar de btw die u eerder te ruim hebt afgetrokken.

Wanneer moet u de correctie toepassen?

De btw-correctie speelt zodra aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste behoort de auto tot uw ondernemingsvermogen en hebt u bij de aanschaf, de lease, het onderhoud of het gebruik btw afgetrokken. Ten tweede gebruikt u, uw personeel of de directeur-grootaandeelhouder (DGA) de auto ook privé.

Let op: woon-werkverkeer telt voor de btw als privégebruik. Dit is door de hoogste belastingrechter bevestigd en geldt zelfs voor een thuiswerker die maar af en toe naar kantoor rijdt. Ook als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, rijdt u dus vrijwel altijd een stukje privé. De correctie speelt daarom bij bijna elke auto van de zaak waarvan de btw is afgetrokken.

U hoeft de correctie niet toe te passen als u geen btw hebt afgetrokken, bijvoorbeeld bij een marge-auto of een auto die u van een particulier kocht. Ook een volledig vrijgestelde ondernemer maakt de correctie niet. En kunt u aantonen dat de auto helemaal niet privé wordt gebruikt, dan is er evenmin een correctie. Het onderstaande schema helpt u bepalen of de correctie voor u speelt (zie figuur 1).

  Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de btw-correctie privégebruik auto voor u speelt.

Hoe berekent u de btw-correctie?

U betaalt de btw over het werkelijke privégebruik van de auto. Omdat dat lastig precies bij te houden is, mag u kiezen: u gebruikt een vast forfait, of u rekent met uw werkelijke privégebruik. U mag altijd het laagste van de twee aangeven. Welk forfaitpercentage bij uw auto hoort, ziet u in figuur 2.

Figuur 2: welk forfait past bij uw auto, 2,7% of het verlaagde 1,5%.

Met het forfait van 2,7%

Hebt u geen administratie waaruit uw privégebruik blijkt, dan stelt u de verschuldigde btw op 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Dit forfait geldt ook voor lease-auto’s. U hoeft dan niets bij te houden: u rekent simpelweg met de catalogusprijs. Rijdt de auto maar een deel van het jaar mee, dan verlaagt u het forfait naar evenredigheid, bijvoorbeeld 6/12 als u de auto op 1 juli in gebruik neemt. Het forfait mag u alleen gebruiken als u alle btw op de autokosten hebt afgetrokken en uit uw administratie niet blijkt hoeveel u privé rijdt. Het uitkomstbedrag is meteen de btw die u betaalt: u telt er dus niet apart nog eens 21% bovenop.

Het verlaagde forfait van 1,5%

In twee situaties gebruikt u 1,5% in plaats van 2,7% van de catalogusprijs. De eerste situatie is een auto die u langer dan vier jaar geleden voor het eerst bent gaan gebruiken: vanaf het vijfde jaar na het jaar van ingebruikname geldt het lagere percentage. Dat komt doordat de aanschaf-btw dan is uitgewerkt en alleen de kosten van onderhoud en gebruik overblijven. De tweede situatie is een auto die u zonder btw-aftrek hebt gekocht, zoals een marge-auto of een auto van een particulier. Voor het overige blijft de berekening hetzelfde. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages als voor gewone auto’s.

Doet u ook btw-vrijgestelde dingen en kunt u de btw op de auto daardoor maar deels aftrekken, dan verlaagt u het forfait naar rato van uw aftrekrecht. Bij bijvoorbeeld 50% vrijgestelde omzet wordt het forfait van 2,7% dus verlaagd tot 1,35%. De onderstaande tabel vat de percentages samen.

Situatie Forfait (van catalogusprijs incl. btw en bpm)
Standaard: btw afgetrokken, auto binnen vier jaar na ingebruikname 2,7%
Auto langer dan vier jaar in gebruik (vanaf het vijfde jaar) 1,5%
Auto gekocht zonder btw-aftrek (marge-auto of van particulier) 1,5%
Deels vrijgestelde (gemengde) omzet: forfait naar rato verlaagd bijv. 1,35%

 

Op basis van uw werkelijke privégebruik

Het forfait is een aanbod, geen verplichting. Kunt u aantonen dat u minder privé rijdt, dan mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. U betaalt dan btw over de kosten die echt aan het privégebruik zijn toe te rekenen: de aanschaf, het onderhoud en het gebruik, telkens zonder btw en alleen voor zover u die btw hebt afgetrokken. De aanschafkosten telt u niet in één keer mee, maar verdeeld over vijf jaar (elk jaar een vijfde deel). Vanaf het zesde jaar tellen de aanschafkosten helemaal niet meer mee, waardoor de correctie dan een stuk lager uitvalt. Over die aan het privégebruik toe te rekenen kosten betaalt u het algemene btw-tarief van 21% (het tarief dat in 2026 geldt).

Het bewijs levert u met een sluitende kilometeradministratie waaruit de verhouding tussen zakelijke en privékilometers blijkt. Hebt u die niet, dan mag u het privégebruik ook onderbouwen met een redelijke schatting op basis van andere gegevens, zoals de aard van uw onderneming, de functie van de gebruiker en de manier waarop de auto privé wordt gebruikt. Belangrijk: ontbreekt een rittenadministratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar aannemen dat u vrijwel alles (bijvoorbeeld 99%) privé rijdt. De rechter heeft bepaald dat het privégebruik dan redelijk moet worden geschat. Wilt u met zo’n schatting van het forfait afwijken, dan moet uw onderbouwing wel volledig en juist zijn; een achteraf in elkaar gezette berekening met gaten wordt niet geaccepteerd.

Rekenvoorbeeld

Stel, u hebt een auto met een catalogusprijs van 45.000 euro, inclusief btw en bpm. U hebt de btw op de aanschaf, het onderhoud en het gebruik volledig afgetrokken en u gebruikt de auto het hele jaar ook privé, zonder dat u uw privégebruik bijhoudt. De correctie via het forfait bedraagt dan 2,7% van 45.000 euro, oftewel 1.215 euro. Dat bedrag geeft u aan in uw laatste btw-aangifte van het jaar.

Neemt u dezelfde auto pas op 1 september in gebruik, dan rekent u met 4/12: 4/12 van 2,7% van 45.000 euro komt uit op 405 euro. Is de auto ouder dan vijf jaar, dan rekent u met 1,5% van 45.000 euro, oftewel 675 euro. En kunt u met een rittenadministratie aantonen dat u maar weinig privé rijdt, dan mag u een lager bedrag aangeven en betaalt u dus minder btw. Figuur 3 laat de berekening in stappen zien.

Figuur 3: de correctie in drie stappen: catalogusprijs maal het forfait geeft de te betalen btw.

Is er een maximum aan de correctie?

Ja. De correctie kan nooit hoger zijn dan de btw die u dat jaar daadwerkelijk hebt afgetrokken. Valt de afgetrokken btw in de eerste vier jaar lager uit dan het forfait, dan is de correctie beperkt tot de som van twee bedragen: de btw op onderhoud en gebruik die u dat jaar hebt afgetrokken, plus een vijfde deel van de bij aanschaf afgetrokken btw. Bij een auto die u langer dan vier jaar geleden in gebruik nam, of die u zonder btw-aftrek kocht, is de correctie zelfs beperkt tot alleen de dat jaar afgetrokken btw op onderhoud en gebruik. Zo betaalt u nooit meer terug dan u ooit hebt afgetrokken.

Wat als uw werknemer een eigen bijdrage betaalt?

Betaalt uw werknemer of de DGA een vergoeding voor het privégebruik, dan verandert de berekening. Is die vergoeding kostendekkend, dan draagt u btw af over de ontvangen vergoeding en past u het forfait niet toe. Is de vergoeding niet kostendekkend, dan vergelijkt u de btw over de vergoeding met de uitkomst van het forfait en volgt u de regels van de Belastingdienst. Belangrijk is dat een te lage eigen bijdrage aan een verbonden gebruiker (zoals een werknemer, bestuurder of familielid) niet loont: in dat geval mag de Belastingdienst uitgaan van de normale, marktconforme waarde. Let op dat een vaste inhouding op het salaris die losstaat van hoeveel er werkelijk privé wordt gereden, niet als zo’n vergoeding telt; dan geldt gewoon de fictieve dienst en berekent u de correctie op de normale manier.

Gelden er bijzondere situaties?

Een paar situaties vragen om extra aandacht. Gebruikt u de auto deels voor vrijgestelde omzet, dan verlaagt u de correctie naar evenredigheid, bijvoorbeeld tot 1,35% bij 50% vrijgestelde omzet, omdat u de btw ook maar deels hebt afgetrokken. Werkt u met een maatschap of vof en hebt u de auto privé gekocht, dan mag het samenwerkingsverband onder voorwaarden toch de 2,7%- of 1,5%-regeling toepassen. En bestaat uw privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een eenvoudige rekenmethode gebruiken: u rekent met de afstand woning-werk maal het aantal keren dat u die rijdt, en u mag daarbij uitgaan van 214 werkdagen per jaar (naar verhouding minder als u parttime werkt of de auto pas in de loop van het jaar krijgt). Zo kunt u de correctie soms lager vaststellen. Twijfelt u over uw situatie, laat de berekening dan vooraf toetsen.

Bestelauto die u verplicht ter beschikking stelt

Voor sommige bestelauto’s geldt een uitzondering. Stelt u een bestelauto om niet ter beschikking en hebt u door de aard van het werk (bijvoorbeeld wisselende, moeilijk bereikbare projectlocaties) feitelijk geen reële keuze, terwijl het privégebruik zich beperkt tot woon-werkverkeer, dan kan het zijn dat er helemaal geen btw-correctie hoeft plaats te vinden. Het bedrijfsbelang staat dan voorop en het privévoordeel van de werknemer is daaraan ondergeschikt. Dit is maatwerk: laat een dergelijke situatie altijd apart beoordelen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of de correctie speelt: hebt u btw afgetrokken op een auto van de zaak die ook privé (inclusief woon-werkverkeer) wordt gebruikt? Dan geldt de correctie.
  • Kies uw methode: reken met het forfait (2,7% of 1,5% van de catalogusprijs) of met uw werkelijke privégebruik, en geef het laagste bedrag aan.
  • Gebruik het juiste percentage: 1,5% als de auto langer dan vier jaar in gebruik is of zonder btw-aftrek is gekocht, anders 2,7%; verlaag verder naar rato bij vrijgestelde omzet (bijvoorbeeld 1,35%).
  • Reken naar tijdsgelang: gebruikt u de auto maar een deel van het jaar, verlaag het forfait dan evenredig (bijvoorbeeld 6/12).
  • Bewaar uw onderbouwing: houd een sluitende kilometeradministratie bij als u van het forfait wilt afwijken, of leg volledige en juiste gegevens vast voor een redelijke schatting.
  • Verwerk de correctie op tijd: geef het bedrag aan en betaal het in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar, niet in een gewone kwartaalaangifte.
  • Let op oudere en dure auto’s: bij weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar is de werkelijke correctie vaak lager dan het forfait; dat verschil kunt u claimen.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet ik de btw-correctie privégebruik auto aangeven?

U geeft de correctie aan in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar. Voor de meeste ondernemers is dat de aangifte over het vierde kwartaal of over december. U doet dit dus maar één keer per jaar (zie figuur 4).

Figuur 4: u geeft de correctie één keer per jaar aan, in de laatste btw-aangifte van het kalenderjaar.

Hoeveel btw betaal ik met het forfait?

Standaard betaalt u 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm. Bij een auto van 45.000 euro is dat 1.215 euro per jaar. Voor auto’s die langer dan vier jaar in gebruik zijn of zonder btw-aftrek zijn gekocht, geldt 1,5%. Bij deels vrijgestelde omzet verlaagt u het percentage naar rato, bijvoorbeeld tot 1,35%.

Telt woon-werkverkeer mee als privégebruik?

Ja. Voor de btw geldt woon-werkverkeer als privégebruik. Zelfs als u de auto verder alleen zakelijk gebruikt, moet u daarom vrijwel altijd de correctie toepassen. Bestaat het privégebruik uitsluitend uit woon-werkverkeer, dan mag u een vereenvoudigde berekening gebruiken met 214 werkdagen per jaar.

Kan ik minder betalen dan het forfait?

Ja, als u kunt aantonen dat u weinig privé rijdt. Met een sluitende kilometeradministratie of een goed onderbouwde schatting mag u de lagere, werkelijke correctie aangeven. Ontbreekt een administratie, dan mag de Belastingdienst niet zomaar uitgaan van bijna volledig privégebruik, maar moet het privégebruik redelijk worden geschat. Afwijken loont vooral bij dure auto’s, weinig privékilometers of een auto ouder dan vijf jaar.

Geldt de correctie ook voor een elektrische auto?

Ja. Voor elektrische auto’s en waterstofauto’s gelden dezelfde percentages en regels als voor benzine- en dieselauto’s.

Wat gebeurt er als ik de correctie vergeet?

Dan hebt u te veel btw afgetrokken. De Belastingdienst kan dat naheffen en rekent daarover belastingrente; voor de btw is dat 5% in 2026. Corrigeert u een vergeten of te lage correctie zelf met een suppletie, dan volgt daarvoor in beginsel geen betaalverzuimboete meer (dat is sinds 2 juni 2023 het beleid). Alleen bij opzet of grove schuld kan de Belastingdienst nog een vergrijpboete opleggen, die kan oplopen tot 100% van de te weinig betaalde btw. Controleer de correctie daarom elk jaar, want zij valt buiten uw gewone aangiften.

Hoe Taxcount u kan helpen

De btw-correctie privégebruik auto lijkt eenvoudig, maar de keuze tussen het forfait en uw werkelijke gebruik kan flink schelen. Taxcount berekent voor u wat het voordeligst is, beoordeelt of u het verlaagde forfait van 1,5% of een naar rato verlaagd percentage mag toepassen en helpt u de correctie correct te verwerken in uw laatste btw-aangifte. Ook als u een eigen bijdrage van personeel ontvangt, de auto deels voor vrijgestelde omzet gebruikt of een bestelauto verplicht ter beschikking stelt, zorgen wij dat de berekening klopt en dat u niet te veel btw afdraagt. Wilt u weten of u de correctie juist toepast en of u niet te veel betaalt? Laat uw situatie beoordelen door Taxcount en voorkom naheffingen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is nadrukkelijk geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Het BUA: wanneer je de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen wel of niet mag aftrekken

December is voor veel ondernemers de maand van kerstpakketten, relatiegeschenken en een personeelsfeest. Wat u daarbij vaak niet weet: de btw op dit soort uitgaven mag u lang niet altijd aftrekken. Een aparte regeling, het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (het BUA), sluit de btw-aftrek uit voor uitgaven met een prive- of consumptief karakter voor derden en personeel. In dit artikel leest u wat het BUA precies is, welke uitgaven eronder vallen en hoe de belangrijkste ontsnapping werkt: de drempel van 227 euro per ontvanger per jaar. Ook laten we zien hoe u de btw-aftrek op relatiegeschenken en personeel correct beoordeelt en welke fouten u eind van het boekjaar wilt voorkomen. Zo weet u wanneer u een correctie moet maken en wanneer de btw gewoon aftrekbaar blijft.

Wat is het BUA?

Als ondernemer mag u normaal de btw op uw zakelijke inkopen aftrekken van de btw die u aan de Belastingdienst afdraagt. Die aftrekbare btw heet voorbelasting. Het BUA maakt daar een uitzondering op. Het sluit de aftrek uit voor bepaalde uitgaven die vooral een prive- of consumptief karakter hebben, ook al maakt uw onderneming ze om zakelijke redenen.

Het gaat om drie soorten uitgaven: het voeren van een zekere staat (dure statusuitgaven), relatiegeschenken en andere giften, en verstrekkingen aan uw personeel. Heeft u de btw op zulke uitgaven al afgetrokken, dan moet u die aftrek aan het einde van het boekjaar corrigeren als het BUA van toepassing is. Die correctie hoort thuis in de laatste btw-aangifte van dat boekjaar.

Welke uitgaven raakt het BUA?

Het BUA speelt bij uitgaven met een prive- of consumptief karakter. Grofweg gaat het om drie situaties: relatiegeschenken en giften, verstrekkingen aan personeel, en een aantal uitzonderingen met eigen regels (zie figuur 1). Hierna lichten we ze toe.

Figuur 1: bij welke uitgaven u de btw-aftrek moet beoordelen, en de 227-euro-drempel als uitgang.

Relatiegeschenken en giften

Een relatiegeschenk of gift is elke prestatie die u zonder vergoeding of onder de kostprijs aan een ander doet, uit zakelijke motieven of vrijgevigheid. Denk aan een cadeau voor een klant of leverancier, of een gift aan een stichting. Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. In de praktijk gaat het om ontvangers die voor 30 procent of minder recht op aftrek hebben, zoals particulieren of vrijgestelde organisaties. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw wel gewoon aftrekt, dan speelt het BUA niet.

Verstrekkingen aan personeel

Bij personeel gaat het om zaken die uw werknemers voor persoonlijke doeleinden krijgen: huisvesting, loon in natura (zoals een kerstpakket, telefoon of computer), gelegenheid tot sport of ontspanning, prive-vervoer en andere persoonlijke voorzieningen. Het moet gaan om personeel dat op het moment van verstrekken bij u in dienst is, niet om oud-medewerkers.

Wat valt er buiten het BUA?

Eten en drinken voor uw personeel volgen een eigen rekenregel, de kantineregeling. Die valt niet buiten het BUA: u rekent het kantinebedrag los uit, maar het telt mee in de toets of u per werknemer onder de 227 euro blijft. Andere verstrekkingen vallen er wel volledig buiten. Verder blijven besloten busvervoer voor woon-werkverkeer, een fiets van maximaal 749 euro inclusief btw (onder voorwaarden) en outplacement buiten schot. Ook de auto van de zaak valt sinds 1 juli 2011 niet meer onder het BUA: het privegebruik daarvan wordt via een andere correctie geregeld (de zogenoemde fictieve dienst).

De drempel van 227 euro per ontvanger

De belangrijkste ontsnapping is de drempel. Blijven de kosten per ontvanger onder 227 euro (exclusief btw) per boekjaar, dan hoeft u niets te corrigeren en blijft de btw aftrekbaar. Komt u daar bovenuit, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar, dus niet alleen over het deel boven 227 euro (zie figuur 2). U toetst per ontvanger en per boekjaar, dus per klant, per relatie of per werknemer.

Heeft de ontvanger een eigen bijdrage betaald waarover u btw afdraagt, dan blijft uw aftrek in stand tot het bedrag van die verschuldigde btw. Let op een belangrijke wijziging: sinds 1 januari 2024 mag u die eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om zo onder de 227-euro-drempel te blijven. Voor de drempeltoets telt dus de volledige kostprijs.

Figuur 2: bij overschrijding van de drempel vervalt de aftrek over het hele bedrag, niet alleen over het meerdere.

Rekenvoorbeeld

Stel: u geeft een werknemer een kerstgeschenk met een kostprijs van 300 euro (exclusief btw) en vraagt daarvoor 100 euro (exclusief btw) eigen bijdrage. U trekt eerst 63 euro btw af (21 procent van 300 euro). Over de eigen bijdrage draagt u 21 euro btw af (21 procent van 100 euro). De kostprijs is 300 euro en dus hoger dan 227 euro, waardoor de drempel is overschreden. De eigen bijdrage telt sinds 2024 niet meer mee om eronder te blijven. De BUA-correctie is dan 63 euro min 21 euro, dus 42 euro die u niet mag aftrekken (zie figuur 3).

Figuur 3: de btw-correctie voor het kerstgeschenk in vier stappen, van kostprijs tot correctie van 42 euro.

De belangrijkste bedragen en grenzen (2026) op een rij
Onderwerp Bedrag / grens Toelichting
Drempel per ontvanger 227 euro excl. btw per jaar Eronder: geen correctie. Erboven: btw over het hele bedrag niet aftrekbaar.
Grens aftrekgerechtigde ontvanger 30 procent of minder Bij relatiegeschenken speelt het BUA alleen als de ontvanger nauwelijks aftrekt.
Fiets (uitzondering) 749 euro incl. btw Tot dit bedrag volledige aftrek; leasefiets maximaal 130 euro aftrek.
Kantineregeling 9 procent van (kostprijs + 25 procent) Aparte rekenregel voor eten en drinken; het verschil waarover u rekent telt wel mee voor de 227-euro-toets.
Auto van de zaak (forfait) 2,7 procent (of 1,5 / 1,35 procent) Loopt buiten het BUA om, via een fictieve dienst.

 

De kantineregeling: aparte rekenregel voor eten en drinken

Verstrekt u als werkgever eten en drinken aan uw personeel onder de kostprijs, bijvoorbeeld in een eigen bedrijfskantine, dan geldt een aparte rekenregel. De aftrek is dan uitgesloten tot 9 procent van het verschil tussen enerzijds de aanschafkosten (exclusief btw) plus 25 procent, en anderzijds het bedrag dat u uw personeel in rekening brengt. Voor de drempel van 227 euro per werknemer per boekjaar telt niet deze 9 procent mee, maar het verschil waarover u die berekent: u telt dat bedrag per werknemer op bij de overige verstrekkingen. Blijft het totaal op of onder 227 euro, dan volgt er geen enkele correctie, ook niet voor de kantine. Heeft u een eigen kantine, houd deze berekening dan apart bij.

Bijzondere situaties: auto, parkeren, fiets en kerstpakketten

Voor een aantal veelvoorkomende verstrekkingen heeft de staatssecretaris in een beleidsbesluit uit 2020 uitgelegd hoe het uitpakt. Hierna zetten we de hoofdlijnen op een rij (zie figuur 4).

Figuur 4: vier veelvoorkomende situaties met hun eigen regel of grens.

Auto van de zaak

Het privegebruik van een auto van de zaak valt sinds 2011 niet meer onder het BUA, maar wordt gecorrigeerd via een vast forfait. Dat forfait bedraagt 2,7 procent van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm). Vanaf het zesde jaar en bij een auto die u zonder btw-aftrek heeft gekocht (een marge-auto), geldt een verlaagd forfait van 1,5 procent. Bij een auto waarvan u de btw maar deels heeft afgetrokken, is dit 1,35 procent.

Parkeergelegenheid

Biedt u uw personeel parkeergelegenheid aan, dan geldt dit als verstrekt voor bedrijfsdoeleinden. Het prive-element gaat daarin op, zodat er geen BUA-correctie nodig is.

Fiets van de zaak

Een eigen bijdrage van de werknemer (ook in de vorm van verlofdagen of brutoloon) brengt u eerst in mindering op de inkoopprijs van de fiets. Blijft het saldo op of onder 749 euro inclusief btw, dan is de btw volledig aftrekbaar en volgt er geen correctie voor eventueel ander privegebruik. Ligt de prijs na de eigen bijdrage hoger dan 749 euro, dan is de aftrek uitgesloten voor het meerdere boven 749 euro. Voor een leasefiets is de btw in de leasetermijnen aftrekbaar tot maximaal 130 euro.

Kerstpakketten en loon in natura

Bij een volledig btw-belaste ondernemer is de btw op kerstpakketten aftrekbaar zolang het totaal per werknemer per jaar op of onder 227 euro blijft. Een volledig vrijgestelde ondernemer heeft sowieso geen recht op aftrek, ook onder 227 euro. Bent u een gemengde ondernemer (deels belast, deels vrijgesteld), dan volgt de aftrek de toerekening: is de uitgave direct aan belaste omzet toe te rekenen, dan is de btw aftrekbaar mits onder 227 euro; is deze direct vrijgesteld, dan is er geen aftrek; horen de kosten bij de algemene kosten, dan geldt de pro rata met uitsluiting boven 227 euro.

Wanneer geldt het BUA niet? Het primair ondernemingsbelang

Het BUA geldt niet als een verstrekking primair in het belang van uw onderneming is en het persoonlijke voordeel van de werknemer daaraan ondergeschikt is. De rechter stelt hierbij wel een strenge eis: er moeten bijzondere omstandigheden zijn die u als ondernemer dwingen de verstrekking te doen. Een bekend voorbeeld is de noodzakelijke huisvesting van buitenlandse uitzendkrachten die geen eigen keuzevrijheid hebben. Ook een gift kan buiten het BUA blijven als die aantoonbaar rechtstreeks het bedrijfsbelang dient, bijvoorbeeld om de afname van uw producten te bevorderen. Kunt u dat onderbouwen, dan blijft uw aftrek in stand. Leg daarom goed vast aan wie en met welk zakelijk doel u verstrekkingen doet.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Houd een overzicht bij. Noteer per boekjaar en per ontvanger welke relatiegeschenken, giften en personeelsverstrekkingen u heeft gedaan en wat de kostprijs (exclusief btw) daarvan is.
  • Toets aan de 227-euro-drempel. Blijft u per ontvanger onder 227 euro, dan hoeft u niets te doen. Zit u erboven, dan corrigeert u de afgetrokken btw over het hele bedrag.
  • Reken een eigen bijdrage niet weg. Sinds 2024 mag u een eigen bijdrage niet meer van de kostprijs aftrekken om onder de drempel te blijven.
  • Beoordeel de ontvanger bij relatiegeschenken. Alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken (30 procent of minder), speelt het BUA.
  • Neem de kantine mee in de drempeltoets. Bereken per werknemer het verschil tussen de aanschafkosten plus 25 procent en wat u in rekening bracht, tel dat op bij zijn overige verstrekkingen en toets het totaal aan de 227 euro. Blijft u eronder, dan corrigeert u niets; komt u erboven, dan past u over het kantinedeel de 9-procentregeling toe en corrigeert u de rest volgens de gewone BUA-regels.
  • Verwerk de correctie op tijd. De BUA-correctie hoort in de laatste btw-aangifte van het boekjaar.
  • Onderbouw een uitzondering. Meent u dat een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient, leg de bijzondere omstandigheden dan schriftelijk vast.

Veelgestelde vragen

Wat betekent BUA?

BUA staat voor het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het is de regeling die de btw-aftrek uitsluit voor bepaalde uitgaven met een prive- of consumptief karakter, zoals relatiegeschenken en verstrekkingen aan personeel.

Mag ik de btw op een kerstpakket aftrekken?

Dat mag als de totale kosten per werknemer op of onder 227 euro (exclusief btw) per jaar blijven. Komt u daarboven, dan is de btw over het hele bedrag niet aftrekbaar. Tel alle verstrekkingen aan dezelfde werknemer in het boekjaar bij elkaar op.

Geldt de drempel van 227 euro per geschenk of per jaar?

Per ontvanger per boekjaar, niet per afzonderlijk geschenk. U telt alle relatiegeschenken of verstrekkingen aan dezelfde persoon in het boekjaar bij elkaar op en toetst dat totaal aan de 227 euro.

Speelt het BUA ook bij een geschenk aan een andere ondernemer?

Meestal niet. Bij relatiegeschenken geldt het BUA alleen als de ontvanger de btw zelf niet of nauwelijks kan aftrekken. Geeft u een geschenk aan een gewone btw-ondernemer die de btw aftrekt, dan hoeft u niets te corrigeren.

Wanneer moet ik de BUA-correctie doen?

De correctie verwerkt u in de laatste btw-aangifte van het boekjaar. U berekent dan per ontvanger of de drempel is overschreden en corrigeert de te veel afgetrokken btw.

Valt de auto van de zaak onder het BUA?

Nee. Sinds 1 juli 2011 valt de auto van de zaak niet meer onder het BUA. Het privegebruik wordt gecorrigeerd via een forfait van 2,7 procent van de catalogusprijs (in bepaalde gevallen 1,5 of 1,35 procent).

Hoe Taxcount u kan helpen

Het BUA is een regeling waarin makkelijk fouten sluipen, vooral rond december. Een gemiste correctie kan leiden tot een naheffing met belastingrente en soms een boete, terwijl u omgekeerd ook onnodig aftrek kunt mislopen door te veel te corrigeren. Taxcount helpt u de btw op relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen correct te beoordelen: we brengen uw verstrekkingen in kaart, toetsen ze aan de 227-euro-drempel en de uitzonderingen, maken zo nodig de kantineberekening en beoordelen of een verstrekking primair het ondernemingsbelang dient. Wilt u zeker weten dat uw btw-aangifte op dit punt klopt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen, dan weet u precies waar u aan toe bent.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd door een fiscaal adviseur informeren voordat u besluiten neemt.

Zie ook:

De samenloopvrijstelling: zo voorkom je dubbele belasting bij de koop of verkoop van vastgoed

U koopt een nieuw bedrijfspand, een stuk bouwgrond of u laat uw pand ingrijpend verbouwen. Dan kunnen er ineens twee belastingen tegelijk opduiken: btw op de levering en overdrachtsbelasting op de verkrijging. Betaalt u die dan allebei over dezelfde transactie? In de meeste gevallen niet. De zogeheten samenloopvrijstelling zorgt ervoor dat u niet dubbel betaalt. In dit artikel leest u wanneer een levering van vastgoed met btw is belast, wanneer de samenloopvrijstelling geldt en wat u praktisch moet regelen om deze vrijstelling veilig te benutten.

Wat is de samenloopvrijstelling?

Als u in Nederland een onroerende zaak verkrijgt, betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting. Dat is een belasting op de verkrijging van een pand of stuk grond. Wordt over diezelfde levering ook btw geheven, dan zou u twee belastingen tegelijk over dezelfde transactie betalen. Om dat te voorkomen bestaat de samenloopvrijstelling. De regel is eenvoudig: is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

De centrale vraag is dus steeds: is deze levering belast met btw? Dat bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt. De belangen zijn groot, want btw en overdrachtsbelasting op vastgoed lopen al snel in de tienduizenden tot honderdduizenden euro.

Wanneer is de levering van vastgoed belast met btw?

De hoofdregel is dat de levering van een onroerende zaak is vrijgesteld van btw. Bij “oud” vastgoed dat al langer in gebruik is, is er dus meestal geen btw en betaalt u alleen overdrachtsbelasting. Op die hoofdregel zijn drie belangrijke uitzonderingen, waarbij de levering juist wel met btw is belast (zie figuur 1).

Figuur 1: beslisboom voor de btw-status van een vastgoedlevering. De hoofdregel is vrijstelling; drie uitzonderingen maken de levering btw-belast, waarna de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Een nieuw gebouw binnen twee jaar

De levering van een nieuw gebouw (of een deel daarvan) met bijbehorend terrein is verplicht belast met btw tot uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikneming. De datum van eerste ingebruikneming bepaalt dus wanneer die tweejaarstermijn afloopt (zie figuur 2). Legt u die datum goed vast, dan weet u zeker of de levering nog binnen de termijn valt.

  Figuur 2: binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming is de levering van een nieuw gebouw verplicht belast met btw; daarna is de levering vrijgesteld en geldt alleen overdrachtsbelasting.

Een bouwterrein

De levering van een bouwterrein is eveneens verplicht belast met btw. Een bouwterrein is onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd. Ook de levering van een terrein met een te slopen gebouw kan onder omstandigheden als levering van bouwgrond gelden, waardoor er btw is verschuldigd.

De optie belaste levering

Verkoper en koper kunnen er samen voor kiezen om een levering toch met btw te belasten. Dat kan als de koper de zaak voor ten minste 90 procent gebruikt voor prestaties waarvoor hij recht op btw-aftrek heeft. U legt deze keuze vast in de notariele akte van levering. Voor een koper met recht op btw-aftrek is een btw-belaste levering vaak juist gunstig: hij trekt de btw af en bespaart via de samenloopvrijstelling de overdrachtsbelasting.

Let op: ook een ingrijpende verbouwing kan meetellen. Ontstaat door de verbouwing “in wezen nieuwbouw”, dan is er fiscaal een nieuw vervaardigd goed en begint een nieuwe termijn van eerste ingebruikneming. De lat hiervoor ligt hoog en de beoordeling is sterk feitelijk.

Hoe werkt de vrijstelling in de praktijk? Een rekenvoorbeeld

Stel, u koopt een net opgeleverd bedrijfspand van 500.000 euro (exclusief btw), binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming. Deze levering is verplicht belast met btw: 500.000 euro maal 21 procent is 105.000 euro btw. Omdat de levering met btw is belast, is de verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting dankzij de samenloopvrijstelling.

Gebruikt u het pand voor btw-belaste prestaties, dan trekt u de 105.000 euro als voorbelasting af. Per saldo houdt u dan geen btw-last over en betaalt u geen overdrachtsbelasting. Was dezelfde levering vrijgesteld van btw geweest, dan zou u over de verkrijging het algemene overdrachtsbelastingtarief van 10,4 procent (het tarief 2026 voor niet-woningen zoals bedrijfspanden en grond) betalen, oftewel ruim 50.000 euro. Het verschil tussen beide routes is dus fors (zie figuur 3).

Figuur 3: bij een btw-belaste levering vervalt de overdrachtsbelasting en is de btw aftrekbaar; bij een vrijgestelde levering betaalt u 10,4 procent overdrachtsbelasting.

Wat geldt er bij de overname van een hele onderneming?

Draagt u een onderneming of een zelfstandig deel daarvan over, inclusief het vastgoed dat daarbij hoort, dan geldt een bijzondere regel. Voor de btw wordt geacht dat er geen levering plaatsvindt (de overgang van een algemeenheid van goederen). Er is dan geen btw. En zonder btw is de samenloopvrijstelling in beginsel niet van toepassing, waardoor over de verkrijging van het vastgoed juist wel overdrachtsbelasting wordt geheven.

Om dubbele of onbedoelde heffing te voorkomen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat de samenloopvrijstelling in deze situatie tocht kan gelden, onder twee voorwaarden. Ten eerste zou de levering zonder deze bijzondere regel belast zijn geweest (bijvoorbeeld omdat het om een nieuw pand binnen de tweejaarstermijn gaat). Ten tweede is de zaak nog niet als bedrijfsmiddel gebruikt, of had de verkrijger de btw sowieso niet kunnen aftrekken. Bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed is het dus verstandig deze voorwaarden vooraf te laten toetsen.

Waarop moet u letten om fouten te voorkomen?

De samenloop van twee heffingswetten maakt fouten makkelijk. Een levering die ten onrechte als vrijgesteld of juist als belast is behandeld, een gemiste tweejaarstermijn of een niet goed vastgelegde optie kan leiden tot een naheffing van btw of overdrachtsbelasting, met belastingrente en soms een boete. In bepaalde gevallen speelt bovendien een strafheffing overdrachtsbelasting bij structuren die bewust btw-belast worden gemaakt. Laat de kwalificatie van uw transactie daarom tijdig beoordelen, het liefst voordat de akte passeert.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Beoordeel de btw-status. Ga na of de levering verplicht met btw is belast (nieuw gebouw binnen twee jaar, bouwterrein) of vrijgesteld is. Dit bepaalt of de samenloopvrijstelling in beeld komt.
  • Leg de datum van eerste ingebruikneming vast. Zo kunt u aantonen of de levering nog binnen de tweejaarstermijn valt.
  • Regel de optie belaste levering op tijd. Wilt u kiezen voor een btw-belaste levering, neem die keuze dan op in de notariele akte en onderbouw dat de koper de zaak voor minstens 90 procent voor btw-belaste prestaties gebruikt.
  • Trek de voorbelasting juist af. Trek de btw af volgens het werkelijke gebruik van het pand en houd rekening met latere herziening.
  • Let op bij een bedrijfsoverdracht. Verkoopt of koopt u een onderneming met vastgoed, laat dan toetsen of de goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is.
  • Bewaar uw documentatie. Leg de kwalificatie, de akte en de btw-berekening vast, zodat u bij vragen van de Belastingdienst alles kunt onderbouwen.

Veelgestelde vragen

Wat is de samenloopvrijstelling precies?

Het is een vrijstelling die voorkomt dat u over dezelfde vastgoedtransactie zowel btw als overdrachtsbelasting betaalt. Is de levering van rechtswege belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Betaal ik altijd overdrachtsbelasting als er geen btw is?

Bij vastgoed dat vrijgesteld is van btw (meestal ouder vastgoed) betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting over de verkrijging. Het niet-woningtarief bedraagt in 2026 10,4 procent. Voor een woning die u zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt 2 procent, en voor een andere woning 8 procent.

Is een btw-belaste levering nadelig voor mij?

Niet als u recht op btw-aftrek heeft. U trekt de btw dan af en bespaart bovendien de overdrachtsbelasting. Voor kopers zonder btw-aftrek (bijvoorbeeld vrijgestelde ondernemers of particulieren) ligt dat anders, omdat de btw dan een kostenpost wordt.

Geldt de vrijstelling ook bij een verbouwing?

Alleen als de verbouwing zo ingrijpend is dat fiscaal een nieuw vervaardigd pand ontstaat (“in wezen nieuwbouw”). Dan start een nieuwe tweejaarstermijn en kan de levering btw-belast zijn. Of daarvan sprake is, hangt sterk af van de feiten en verdient een aparte beoordeling.

Wat moet ik doen bij de overname van een bedrijf met vastgoed?

Laat vooraf toetsen of de bijzondere goedkeuring voor de samenloopvrijstelling van toepassing is. Bij een overgang van een onderneming is er namelijk geen btw, waardoor de vrijstelling niet automatisch werkt en er anders overdrachtsbelasting verschuldigd kan zijn.

Hoe Taxcount u kan helpen

Vastgoedtransacties zitten fiscaal vol met termijnen, kwalificatievragen en de samenloop van twee belastingen. Een verkeerde inschatting kan u tienduizenden euro naheffing en rente kosten, terwijl een goede structurering juist veel voordeel oplevert. Taxcount beoordeelt vooraf of uw levering btw-belast of vrijgesteld is, of de optie belaste levering verstandig is en of de samenloopvrijstelling toepasbaar is, ook bij een bedrijfsoverdracht met vastgoed. Wij zorgen dat de juiste keuzes op tijd in de akte staan en dat uw btw-aftrek klopt. Wilt u zeker weten dat u geen dubbele belasting betaalt? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw transactie voordat de akte passeert.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Aftrek van voorbelasting: hoe je met het pro rata bepaalt hoeveel btw je mag aftrekken bij gemengd gebruik

U betaalt btw op vrijwel al uw inkopen. Levert uw onderneming alleen btw-belaste prestaties, dan trekt u die btw gewoon volledig af. Maar wat als u daarnaast ook omzet heeft waarover geen btw wordt berekend, bijvoorbeeld verhuur van een woning, verzekeringsbemiddeling, zorg of onderwijs? Dan mag u de betaalde btw, de zogenoemde voorbelasting, niet volledig aftrekken. U moet die splitsen in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel. Dit artikel legt uit hoe de aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik werkt, hoe u het pro rata berekent, wanneer u mag rekenen met het werkelijke gebruik en waar u op moet letten bij dure investeringen en de meerjarige herziening. Ook staan we stil bij een belangrijke wijziging per 1 januari 2026.

Wat is voorbelasting en wanneer mag u die aftrekken?

Btw werkt met verrekening. De btw die u aan uw klanten in rekening brengt, draagt u af aan de Belastingdienst. De btw die u zelf op uw inkopen betaalt, mag u daarvan aftrekken. Die inkoop-btw heet de voorbelasting. Per saldo drukt de btw zo op de eindverbruiker en niet op u als ondernemer.

Er is een belangrijke voorwaarde. U mag de voorbelasting alleen aftrekken voor zover u de ingekochte goederen en diensten gebruikt voor btw-belaste handelingen. Verricht u uitsluitend belaste prestaties, dan is de voorbelasting volledig aftrekbaar en heeft u met de splitsingsregels uit dit artikel niets te maken. Heeft u daarnaast ook prestaties zonder recht op aftrek, dan komt de splitsing in beeld.

Wanneer moet u de btw splitsen?

Splitsen is nodig zodra u gemengd presteert. Dat betekent dat u naast btw-belaste omzet ook omzet heeft zonder btw, of activiteiten waarvoor u geen vergoeding vraagt. Denk aan een adviseur die daarnaast vrijgestelde verzekeringen bemiddelt, een verhuurder met zowel belaste als vrijgestelde verhuur, een zorg- of onderwijsinstelling met een belaste kantine, of een pand dat u deels zakelijk en deels prive gebruikt.

De splitsing gaat in de basis om drie soorten inkopen (zie figuur 1). Inkopen die u uitsluitend voor belaste omzet gebruikt, leveren volledige aftrek op. Inkopen die u uitsluitend voor vrijgestelde omzet gebruikt, geven geen aftrek. En de kosten die u voor beide gebruikt, de zogenoemde algemene kosten, mag u maar deels aftrekken. Dat laatste deel bepaalt u met het pro rata.

Figuur 1: verdeel uw inkopen in drie groepen; alleen de algemene kosten worden met het pro rata beperkt.

Het loont om zoveel mogelijk inkopen rechtstreeks aan de belaste of vrijgestelde activiteit te koppelen. Dat heet directe toerekening. Hoe scherper u dat doet, hoe kleiner de pot met algemene kosten die door het pro rata wordt beperkt, en hoe hoger uw aftrek.

Hoe berekent u het pro rata?

Het pro rata is een omzetverhouding. U deelt de omzet waarvoor u recht op aftrek heeft door uw totale omzet, beide bedragen zonder btw. De uitkomst is een percentage dat u naar boven afrondt op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw die op uw algemene kosten drukt.

Een voorbeeld maakt het concreet (zie figuur 2). Stel, u heeft 200.000 euro belaste omzet en 50.000 euro vrijgestelde omzet, samen 250.000 euro. Op uw algemene kosten, zoals huisvesting en administratie, drukt 10.000 euro voorbelasting. Uw pro rata is dan 200.000 gedeeld door 250.000, oftewel 80 procent. U mag dus 8.000 euro aftrekken. De overige 2.000 euro is niet aftrekbaar en blijft als kostenpost drukken.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van het pro rata bij een verhouding van 200.000 euro belaste en 50.000 euro vrijgestelde omzet.

Mag u ook op basis van het werkelijke gebruik splitsen?

Ja. Als aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van uw algemene kosten een ander beeld geeft dan de omzetverhouding, dan splitst u op basis van dat werkelijke gebruik. U meet dat met een objectieve verdeelsleutel, bijvoorbeeld het aantal vierkante meters, kubieke meters of gebruiksuren. In het voorbeeld hierboven mag u, als u kunt aantonen dat de betrokken ruimtes en middelen in werkelijkheid voor 90 procent aan de belaste activiteit worden besteed, 9.000 euro in plaats van 8.000 euro aftrekken.

Let op twee dingen. U mag niet mixen: voor alle algemene kosten samen kiest u een methode, dus of het pro rata, of het werkelijke gebruik. En wie afwijkt van de omzetverhouding, moet aannemelijk maken dat zijn methode als geheel nauwkeuriger is. De bewijslast ligt dus bij u. Voor een onroerende zaak met gemengd gebruik schrijft de wet het werkelijke gebruik zelfs voor.

Aftrek naar bestemming en de meerjarige herziening

U bepaalt de aftrek op het moment dat u de factuur ontvangt, op basis van de bestemming die u de inkoop dan geeft. Wijkt het gebruik bij de eerste ingebruikneming af van die bestemming, dan corrigeert u dat. Te veel afgetrokken btw wordt alsnog verschuldigd, te weinig afgetrokken btw krijgt u op verzoek terug. Een reele belaste bestemming op het aanschafmoment is essentieel: zonder die intentie vervalt de aftrek en volgt naheffing.

Voor dure bedrijfsmiddelen stopt het daar niet. Daarvoor geldt een meerjarige herziening (zie figuur 3). Voor onroerende zaken volgt de Belastingdienst de aftrek nog negen boekjaren na het jaar van ingebruikname, telkens voor een tiende deel. Voor roerende bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, geldt vier boekjaren, telkens een vijfde deel. Verandert in zo’n jaar de verhouding tussen belast en vrijgesteld gebruik met meer dan 10 procent, dan corrigeert u een deel van de eerder afgetrokken btw. Blijft de afwijking onder de 10 procent, dan hoeft u niets te doen.

Figuur 3: de herzieningstermijnen per soort investering, inclusief de nieuwe categorie investeringsdiensten per 2026.

Nieuw per 1 januari 2026: herziening van investeringsdiensten

Sinds 1 januari 2026 vallen ook dure diensten aan onroerende zaken onder de herziening. Het gaat om investeringsdiensten met een vergoeding van ten minste 30.000 euro exclusief btw per dienst, zoals een grote verbouwing, renovatie of groot onderhoud aan een pand. Deze diensten worden, net als roerende bedrijfsmiddelen, afzonderlijk gevolgd en herzien over vijf boekjaren, telkens een vijfde deel. De regeling geldt voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 voor het eerst in gebruik worden genomen. Gebruikt u zo’n pand deels vrijgesteld, dan is het belangrijk om deze diensten voortaan apart in uw administratie bij te houden.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer of u gemengd presteert. Heeft u naast btw-belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding? Dan moet u de voorbelasting splitsen.
  • Splits uw inkopen in drie groepen. Alleen belast (volledig aftrekbaar), alleen vrijgesteld (geen aftrek) en gemengd (algemene kosten). Reken zoveel mogelijk direct toe.
  • Bereken het pro rata correct. Aftrekbare omzet gedeeld door totale omzet, exclusief btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten.
  • Overweeg het werkelijke gebruik. Geeft een verdeling op vierkante meters of uren een gunstiger en objectief onderbouwd beeld, laat die methode dan toetsen. Mix geen methoden.
  • Herreken aan het einde van het boekjaar. Pas per aangifte een voorlopig pro rata toe en corrigeer dit in de laatste aangifte op basis van de jaarcijfers.
  • Houd de herzieningsadministratie bij. Voor onroerende zaken tien jaar, voor roerende bedrijfsmiddelen en investeringsdiensten vijf jaar. Toets jaarlijks aan de 10 procent-grens.
  • Let op investeringsdiensten vanaf 2026. Registreer verbouwingen, renovaties en groot onderhoud aan panden vanaf 30.000 euro apart voor de herziening.

Veelgestelde vragen

Wat is voorbelasting precies?

Voorbelasting is de btw die u zelf op uw inkopen betaalt. Die btw mag u aftrekken van de btw die u aan uw klanten in rekening brengt, voor zover u de inkopen gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Wanneer moet ik de btw splitsen?

Zodra u naast belaste omzet ook vrijgestelde omzet of activiteiten zonder vergoeding heeft. De btw op kosten die u voor beide gebruikt, mag u dan maar voor een deel aftrekken.

Hoe bereken ik het pro rata?

Deel uw aftrekbare omzet door uw totale omzet, beide zonder btw, en rond het percentage naar boven af op hele procenten. Dat percentage past u toe op de btw van uw algemene kosten.

Mag ik kiezen tussen pro rata en werkelijk gebruik?

U rekent standaard met het pro rata. Alleen als u aannemelijk maakt dat het werkelijke gebruik een nauwkeuriger beeld geeft, mag u dat gebruiken. U moet dat wel objectief onderbouwen en u mag de methoden niet mengen.

Wat verandert er per 2026 aan de herziening?

Vanaf 1 januari 2026 vallen ook investeringsdiensten aan onroerende zaken van 30.000 euro of meer onder de meerjarige herziening. Deze worden vijf jaar lang gevolgd, net als roerende bedrijfsmiddelen.

Wat gebeurt er als ik te veel btw aftrek?

De Belastingdienst heft de te veel afgetrokken btw na, met belastingrente en mogelijk een boete. Omdat investeringsgoederen vijf of tien jaar in de herziening blijven, kan een fout jaren doorwerken.

Hoe Taxcount u kan helpen

De aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik is foutgevoelig. De keuze tussen pro rata en werkelijk gebruik, de directe toerekening, de jaarlijkse herrekening en de herziening over vijf of tien jaar vragen om een zorgvuldige aanpak, zeker sinds de nieuwe regels voor investeringsdiensten. Een fout in het aanschafjaar van een pand of dure dienst werkt jaren door en kan leiden tot naheffing met rente.

Taxcount helpt u om uw btw-aftrek scherp en aantoonbaar juist in te richten. Wij beoordelen of u gemengd presteert, zetten een heldere administratieve splitsing op, onderbouwen zo nodig een gunstigere verdeelsleutel op basis van werkelijk gebruik en bewaken uw herzieningsverplichtingen. Wilt u zeker weten dat u niet te veel of te weinig btw aftrekt? Laat uw situatie door Taxcount beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en regels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook: 

De kleineondernemersregeling (KOR): geen btw rekenen bij een omzet tot 20.000 euro

 

U bent net gestart als zzp’er, u verkoopt zelfgemaakte producten of u heeft een kleine onderneming naast uw baan. De btw-aangifte kost u elk kwartaal tijd, terwijl uw omzet nog bescheiden is. Dan komt u al snel de kleineondernemersregeling (KOR) tegen. Met de KOR hoeft u bij een omzet tot 20.000 euro per jaar geen btw meer aan uw klanten te rekenen en doet u in de meeste gevallen geen btw-aangifte meer. Daar staat wel iets tegenover: u mag de btw op uw eigen inkopen niet meer aftrekken. In dit artikel leggen we uit hoe de kleineondernemersregeling in 2026 werkt, voor wie de KOR voordelig is, hoe u zich aanmeldt en waar u op moet letten.

Wat is de kleineondernemersregeling (KOR)?

De kleineondernemersregeling is een vrijwillige btw-vrijstelling voor ondernemers met een kleine omzet. Normaal rekent u btw (omzetbelasting) aan uw klanten, draagt u die af aan de Belastingdienst en trekt u de btw op uw inkopen daarvan af. Kiest u voor de KOR, dan verandert dit: u rekent geen btw meer aan uw klanten en u hoeft voor uw gewone Nederlandse omzet geen btw-aangifte meer te doen. Ook bent u ontheven van de meeste administratieve verplichtingen voor de btw.

De keerzijde is dat u de btw die u zelf betaalt op inkopen en investeringen niet meer mag terugvragen. Op uw facturen mag u bovendien op geen enkele manier btw vermelden. De KOR is dus een vrijstelling zonder recht op aftrek: u ruilt de btw-aftrek in voor minder administratie en, als u aan particulieren levert, vaak een prijsvoordeel.

De regeling is rechtsvormneutraal. Niet alleen zzp’ers en eenmanszaken kunnen de KOR gebruiken, maar ook een bv, een vof, een maatschap, een stichting of een vereniging. Voorwaarde is wel dat de onderneming in Nederland is gevestigd. Sinds 1 januari 2025 kan een buitenlandse ondernemer die hier alleen een vaste inrichting heeft de Nederlandse kleineondernemersregeling niet meer toepassen; hij is aangewezen op de EU-regeling vanuit zijn eigen vestigingsland.

Voor wie is de KOR interessant?

De KOR is vooral aantrekkelijk als u voornamelijk levert aan particulieren of aan andere afnemers die de btw toch niet kunnen aftrekken. Voor hen is ‘geen btw op de factuur’ een echt prijsvoordeel, of het levert u een ruimere marge op. Ook is de regeling gunstig als u weinig btw op uw inkopen betaalt, want dan verliest u met de KOR maar weinig aftrek.

Levert u juist veel aan btw-plichtige bedrijven, dan pakt de KOR vaak nadelig uit. Die bedrijven kunnen de btw namelijk gewoon aftrekken, dus voor hen maakt het geen verschil of u btw rekent. U mist dan wel de aftrek van de btw op uw eigen kosten. Hetzelfde geldt als u grote investeringen doet of veel inkoopt: dan is het verlies van de aftrek meestal groter dan het voordeel. Typische situaties waarin de KOR goed uitpakt zijn kleine (neven)ondernemingen, een hobby die net een onderneming vormt en particuliere eigenaren van zonnepanelen. Met het onderstaande stappenplan bepaalt u snel of de KOR in uw geval waarschijnlijk voordelig is (zie figuur 1).

 

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of de KOR iets voor u is. U doorloopt vier vragen: blijft uw omzet onder 20.000 euro, levert u vooral aan particulieren, en betaalt u weinig btw op inkopen. Bij ‘nee’ op de laatste twee vragen laat u het voordeel eerst doorrekenen.

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

Of u de KOR mag gebruiken hangt af van uw jaaromzet in Nederland. Die mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. Voor die grens telt u vrijwel al uw Nederlandse omzet mee, exclusief btw. Ook bepaalde vrijgestelde omzet telt mee, zoals de verhuur van onroerend goed als dat uw gewone bedrijfsactiviteit is. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft, bijvoorbeeld een bestelbus of een bedrijfspand, telt juist niet mee.

Heeft u meerdere activiteiten, dan telt u die bij elkaar op. U kunt uw onderneming niet opsplitsen om onder de grens te blijven. De Hoge Raad heeft bevestigd dat alle bedrijfsactiviteiten van een ondernemer samen worden genomen (HR 27 januari 2023). Wie bijvoorbeeld naast een adviespraktijk ook zonnepanelen exploiteert, telt de omzet van beide op voor de toets aan de 20.000 euro.

Blijft u binnen de grens, dan kunt u kiezen voor de KOR. Komt u in de loop van het jaar toch boven de 20.000 euro uit, dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alles daarna zijn weer gewoon met btw belast, met de bijbehorende aangifteplicht.

Hoe meldt u zich aan en kunt u weer opzeggen?

De KOR is een keuzeregeling. U meldt de toepassing aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Wilt u de KOR dus vanaf een bepaald kwartaal gebruiken, meld u dan ruim op tijd aan, minimaal vier weken van tevoren. Een adviseur mag de aanmelding namens u verzorgen.

U kunt de KOR ook weer opzeggen. Dat heet wederopzegging. Na een opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het kalenderjaar waarin u opzegt én het hele daaropvolgende kalenderjaar. Sinds 1 januari 2025 is de vroegere verplichting om minimaal drie jaar mee te doen vervallen. U kunt uw keuze dus jaarlijks heroverwegen, met inachtneming van deze wachttermijn na opzegging. De figuur hieronder zet de belangrijkste termijnen op een rij (zie figuur 2).

Figuur 2: de termijnen van de KOR. U meldt zich minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak aan, de vrijstelling gaat daarna in, en na opzegging geldt een wachttijd tot en met het volgende kalenderjaar.

Kunt u de KOR ook in andere EU-landen gebruiken?

Sinds 1 januari 2025 kan een in Nederland gevestigde ondernemer de KOR onder voorwaarden ook in andere EU-lidstaten toepassen. Dit heet de grensoverschrijdende KOR. Voorwaarde is dat uw totale jaaromzet in de hele Europese Unie niet meer dan 100.000 euro bedraagt. U moet zich hiervoor vooraf aanmelden en krijgt een apart identificatienummer. De precieze formaliteiten, zoals de voorafgaande kennisgeving en de kwartaalrapportages, laat u het beste vooraf door een adviseur uitwerken.

Wanneer blijft u toch btw verschuldigd?

Ook met de KOR bent u in een aantal situaties toch btw verschuldigd. De vrijstelling geldt niet voor de levering van een nieuw vervoermiddel naar een ander EU-land en niet voor de levering van een onroerende zaak die u in uw bedrijf heeft gebruikt. Die blijven regulier belast.

Daarnaast blijft u btw verschuldigd bij een buitenlandse verleggingsregeling en bij intracommunautaire verwervingen boven de 10.000 euro. Koopt u dus voor meer dan 10.000 euro per jaar goederen in uit een ander EU-land, dan geeft u daarover in Nederland btw aan, ook al past u verder de KOR toe. Voor dat deel doet u dan alsnog aangifte.

Let op de herziening van btw op investeringen

Stapt u over van belast ondernemen naar de vrijgestelde KOR, dan kan de zogeheten herziening van btw-aftrek spelen. Dit betekent dat u eerder afgetrokken btw op investeringen deels moet terugbetalen als u die investering korter geleden heeft gedaan. Voor onroerende zaken geldt een herzieningstermijn van tien jaar en voor roerende investeringsgoederen vijf jaar. Sinds 1 januari 2026 geldt daarnaast een herzieningsregeling voor investeringsdiensten aan onroerende zaken vanaf 30.000 euro exclusief btw per dienst, zoals een grote verbouwing: die volgt u het jaar van ingebruikname plus de vier jaren daarna.

Er zijn drempels die de herziening beperken. Herziening blijft achterwege als de afwijking in een boekjaar niet meer dan 10 procent is. Voor roerende investeringsgoederen, zoals zonnepanelen of een computer, blijft herziening bij overgang naar de KOR na het jaar van eerste gebruik achterwege als het herzieningsbedrag lager is dan 500 euro. Doet u binnenkort grote investeringen, laat dan vooraf doorrekenen wat de KOR betekent voor uw btw-aftrek.

Rekenvoorbeeld: is de KOR voor u voordelig?

Een zzp’er verkoopt zelfgemaakte producten aan particulieren. Zij heeft 15.000 euro omzet per jaar en betaalt 1.000 euro btw op haar inkopen. Zonder de KOR draagt zij over haar verkopen 21 procent btw af, dat is 3.150 euro, waarvan zij 1.000 euro voorbelasting mag aftrekken. Per saldo draagt zij dan 2.150 euro af.

Kiest zij voor de KOR, dan rekent zij geen btw aan haar particuliere klanten en doet zij geen aangifte. Zij mist wel de aftrek van 1.000 euro. Omdat haar klanten de btw toch niet konden aftrekken, is de KOR voor haar per saldo voordelig: zij houdt meer marge over of kan een scherpere prijs bieden, en bespaart bovendien administratie. Voor een ondernemer die vooral aan bedrijven levert, die de btw wél aftrekken, levert ‘geen btw rekenen’ geen voordeel op en weegt het verlies van de 1.000 euro aftrek juist negatief. De figuur hieronder zet beide situaties naast elkaar (zie figuur 3).

Figuur 3: de situatie met en zonder KOR vergeleken bij 15.000 euro omzet en 1.000 euro btw op inkopen. Zonder KOR draagt de ondernemer per saldo 2.150 euro af en doet elk kwartaal aangifte; met KOR vervalt de aangifte en de btw, maar ook de aftrek van 1.000 euro.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw jaaromzet. Tel al uw Nederlandse omzet exclusief btw en al uw activiteiten samen op en controleer of u onder de 20.000 euro per kalenderjaar blijft.
  • Bepaal uw klantengroep. Levert u vooral aan particulieren, dan is de KOR meestal voordelig; levert u vooral aan btw-plichtige bedrijven, dan vaak niet.
  • Reken uw inkopen en investeringen door. Weeg het verlies van de btw-aftrek af tegen het voordeel; grote investeringen op korte termijn pleiten meestal tegen de KOR.
  • Meld u op tijd aan. Dien uw melding minimaal vier weken voor het gewenste ingangstijdvak in bij de Belastingdienst.
  • Pas de gevolgen consequent toe. Vermeld geen btw op uw facturen en vraag geen voorbelasting terug zolang u de KOR gebruikt.
  • Bewaak de omzetgrens. Houd uw omzet gedurende het jaar in de gaten; bij overschrijding rekent u vanaf die verkoop weer btw en meldt u dit bij de Belastingdienst.
  • Let op grensoverschrijdende situaties. Bij inkopen uit de EU boven 10.000 euro of gebruik van de KOR in andere lidstaten gelden aanvullende regels en aangifteverplichtingen.

Veelgestelde vragen

Wat is de omzetgrens van de KOR in 2026?

De jaaromzet in Nederland mag niet meer dan 20.000 euro per kalenderjaar zijn. U telt hiervoor al uw activiteiten samen op, exclusief btw. De verkoop van bedrijfsmiddelen waarop u afschrijft telt niet mee.

Moet ik met de KOR nog btw-aangifte doen?

Voor uw gewone Nederlandse omzet niet. U bent ontheven van de meeste btw-administratie en van de periodieke aangifte. Alleen in bijzondere situaties, zoals inkopen uit de EU boven 10.000 euro of een buitenlandse verleggingsregeling, blijft u voor dat deel aangifteplichtig.

Kan ik de btw op mijn inkopen nog terugvragen met de KOR?

Nee. De KOR is een vrijstelling zonder recht op aftrek. U mag de btw op uw inkopen en investeringen niet meer aftrekken zolang u de regeling gebruikt.

Hoe meld ik mij aan voor de KOR?

U meldt de KOR aan bij de Belastingdienst. De vrijstelling gaat in vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat minstens vier weken na uw melding begint. Meld u dus ruim op tijd aan. Een adviseur mag dit namens u doen.

Wat gebeurt er als ik boven de 20.000 euro uitkom?

Dan vervalt de vrijstelling meteen vanaf de verkoop waarmee u de grens overschrijdt. Die verkoop en alle latere leveringen zijn weer met btw belast, en u doet daarvoor weer aangifte.

Kan ik de KOR ook weer opzeggen?

Ja. Na opzegging kunt u pas opnieuw meedoen na afloop van het jaar van opzegging en het hele daaropvolgende kalenderjaar. De vroegere verplichting om drie jaar mee te doen is per 2025 vervallen.

Hoe Taxcount u kan helpen

De keuze voor de KOR lijkt eenvoudig, maar pakt per situatie heel verschillend uit. Het verschil zit in uw klantengroep, uw inkopen, geplande investeringen en eventuele grensoverschrijdende activiteiten. Taxcount rekent voor u door of de kleineondernemersregeling in uw geval voordelig is, let daarbij op de gevolgen voor uw btw-aftrek en een mogelijke herziening, en verzorgt zo nodig de aanmelding bij de Belastingdienst. Ook bewaken we samen met u de omzetgrens, zodat u niet voor verrassingen komt te staan. Wilt u weten of de KOR bij uw onderneming past? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd adviseren voordat u een beslissing neemt.

 

Meewerkaftrek 2026: zo verwerk je het meewerken van je partner fiscaal voordelig

 

Werkt uw partner mee in uw onderneming, maar staat hij of zij niet op de loonlijst? Dan laat u geld liggen als u daar fiscaal niets mee doet. De wet biedt twee routes: de meewerkaftrek, een aftrekpost die meestijgt met het aantal uren dat uw partner meewerkt, of een reële arbeidsbeloning van 5.000 euro of meer die u mag aftrekken en die bij uw partner wordt belast. In dit artikel leest u hoe de meewerkaftrek in 2026 werkt, wanneer een arbeidsbeloning voordeliger is en hoe u de veelgemaakte valkuil vermijdt.

Wat is de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek is een aftrekpost voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt in de onderneming (artikel 3.78 Wet inkomstenbelasting 2001). Werkt uw partner zonder vergoeding mee en haalt u zelf het urencriterium, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van het aantal uren dat uw partner per jaar meewerkt.

De meewerkaftrek is geen inkomen voor uw partner: er wordt bij uw partner niets belast. Het is dus puur een aftrekpost voor u. In 2026 levert die aftrek maximaal 37,56 procent belastingvoordeel op, omdat aftrekposten in de hoogste schijf tot dit tarief worden afgebouwd.

Voor wie geldt de meewerkaftrek?

De meewerkaftrek geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Voor een bv geldt de regeling niet; daar loopt de beloning van een meewerkende partner via de loonadministratie.

De aftrek is vooral interessant wanneer uw partner weinig of geen eigen inkomen heeft. Dan blijven heffingskortingen en een lage belastingschijf van uw partner onbenut, waardoor het verschuiven van inkomen belasting kan besparen. Let op: werkt uw partner als zelfstandige mee in een zogenoemde man-vrouw-firma, dan verdient uw partner eigen winst en is er geen sprake van een meewerkende partner. De meewerkaftrek geldt dan niet.

Route 1: de meewerkaftrek

Werkt uw partner mee zonder beloning (of voor minder dan 5.000 euro) en voldoet u zelf aan het urencriterium van 1.225 uur, dan mag u een percentage van uw winst aftrekken. Het percentage loopt op met het aantal meewerkuren (zie figuur 1):

Minder dan 525 uur: geen aftrek. 525 tot en met 874 uur: 1,25 procent van de winst. 875 tot en met 1.224 uur: 2 procent van de winst. 1.225 tot en met 1.749 uur: 3 procent van de winst. 1.750 uur of meer: 4 procent van de winst.

Figuur 1: de meewerkaftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met het aantal uren dat uw partner meewerkt. Onder 525 uur is er geen aftrek.

U hoeft de meewerkaftrek niet aan te vragen bij een aparte instantie, maar u moet het aantal meewerkuren wel aannemelijk kunnen maken. Een eenvoudige urenregistratie van uw partner is daarvoor het beste bewijs.

Route 2: een reele arbeidsbeloning

Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer voor het meewerken, dan mag u die beloning van uw winst aftrekken (artikel 3.16, lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001). Bij uw partner is dat bedrag dan belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo verdeelt u het inkomen echt over twee personen.

Deze route kan voordelig zijn als uw partner weinig ander inkomen heeft. U trekt de beloning af tegen uw eigen toptarief, terwijl uw partner er door de lage schijf en de heffingskortingen weinig tot geen belasting over betaalt. Het verschil kan het voordeel van de meewerkaftrek ruim overtreffen.

Let op de valkuil tussen 1 en 5.000 euro

Er zit een addertje onder het gras bij een vergoeding tussen 1 euro en 4.999 euro. Zo’n betaling is bij u niet aftrekbaar en bij uw partner ook niet belast. U hebt er dus niets aan: u geeft geld uit zonder aftrekpost (zie figuur 2).

Fiscaal geldt een betaling onder 5.000 euro als meewerken zonder vergoeding. Dat betekent dat u in dat geval gewoon de meewerkaftrek mag toepassen. De boodschap is simpel: betaal uw partner ofwel niets (en gebruik de meewerkaftrek), ofwel minstens 5.000 euro (en trek die beloning af). Een bedrag daartussenin is fiscaal nadelig.

Figuur 2: een vergoeding tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar en bij uw partner niet belast. Betaal daarom niets of juist minstens 5.000 euro.

Welke route is voordeliger?

Welke keuze het gunstigst is, hangt af van uw winst, het aantal meewerkuren en het inkomen van uw partner. Een rekenvoorbeeld laat het verschil zien. Stel, uw winst is 80.000 euro en uw partner werkt 900 uur mee. Dat valt in de schijf van 875 tot en met 1.224 uur, dus de meewerkaftrek is 2 procent van 80.000 euro is 1.600 euro. Tegen 37,56 procent scheelt dat ongeveer 601 euro belasting (zie figuur 3).

Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning van bijvoorbeeld 12.000 euro voordeliger uitpakken. U trekt dan 12.000 euro af tegen uw toptarief, terwijl uw partner door de heffingskortingen en de lage schijf weinig tot geen belasting over dat bedrag betaalt. Welke route in uw situatie het meeste oplevert, vraagt om een berekening vooraf.

Figuur 3: bij een winst van 80.000 euro levert de meewerkaftrek circa 601 euro op. Heeft uw partner geen ander inkomen, dan kan een arbeidsbeloning voordeliger zijn.

Let op: de meewerkaftrek gaat mogelijk verdwijnen

De meewerkaftrek staat op de nominatie om te versoberen. Volgens de Voorjaarsnota 2025 is het plan om de aftrek per 1 januari 2027 met 75 procent te verlagen en de regeling in 2030 helemaal af te schaffen. Dit zijn voorlopig beleidsvoornemens en nog geen geldend recht.

Voor het jaar 2026 verandert er niets: de percentages en voorwaarden blijven zoals hierboven beschreven. Houd de aangekondigde plannen wel in de gaten als u de meewerkaftrek voor de komende jaren in uw planning meeneemt.

Praktische checklist: dit regelt u rond het meewerken van uw partner

  • Urencriterium halen: controleer of u zelf minstens 1.225 uur per jaar in uw onderneming werkt; zonder dat urencriterium is er geen recht op meewerkaftrek.
  • Meewerkuren bijhouden: laat uw partner een urenregistratie bijhouden, zodat u het aantal meewerkuren kunt aantonen.
  • Route kiezen: bepaal vooraf of u de meewerkaftrek gebruikt of uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt; laat beide varianten doorrekenen.
  • Vijfduizend-eurogrens bewaken: betaal uw partner niets of juist minstens 5.000 euro; een bedrag daartussen levert geen aftrek op.
  • Zakelijkheid onderbouwen: zorg dat een arbeidsbeloning zakelijk is en dat het meewerken het gebruikelijke elkaar helpen tussen partners te boven gaat.
  • Man-vrouw-firma uitsluiten: ga na of uw partner niet zelf ondernemer is in de zaak; in dat geval geldt de meewerkaftrek niet.
  • Plannen volgen: houd rekening met de voorgenomen versobering vanaf 2027 en de mogelijke afschaffing in 2030.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de meewerkaftrek in 2026?

De aftrek is een percentage van uw winst dat oploopt met de meewerkuren van uw partner: 1,25 procent vanaf 525 uur, 2 procent vanaf 875 uur, 3 procent vanaf 1.225 uur en 4 procent vanaf 1.750 uur. Onder 525 uur is er geen aftrek.

Moet mijn partner meer dan 5.000 euro krijgen voor aftrek?

Alleen als u de arbeidsbeloning-route kiest. Betaalt u uw partner 5.000 euro of meer, dan is die beloning aftrekbaar en bij uw partner belast. Betaalt u niets, dan gebruikt u de meewerkaftrek. Een bedrag tussen 1 en 5.000 euro is niet aftrekbaar.

Kan ik de meewerkaftrek en een arbeidsbeloning combineren?

Nee. Zodra u uw partner een beloning van 5.000 euro of meer betaalt, vervalt de meewerkaftrek. U kiest dus per jaar voor een van beide routes.

Geldt de meewerkaftrek ook voor mijn bv?

Nee. De meewerkaftrek geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Werkt uw partner mee in uw bv, dan verloopt een beloning via de loonadministratie.

Moet ik het urencriterium halen voor de meewerkaftrek?

Ja. U moet zelf voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar. Haalt u dat niet, dan hebt u geen recht op de meewerkaftrek, maar de arbeidsbeloning-route kan dan nog wel een optie zijn.

Verdwijnt de meewerkaftrek?

Er liggen plannen om de meewerkaftrek per 2027 met 75 procent te verlagen en in 2030 af te schaffen. Voor 2026 geldt de regeling nog volledig. De plannen zijn nog niet definitief.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of de meewerkaftrek of een arbeidsbeloning voor u het voordeligst is, hangt af van meerdere factoren tegelijk: uw winst, de meewerkuren, het inkomen van uw partner en de heffingskortingen. Taxcount rekent beide routes voor u door, bewaakt de 5.000-eurogrens en zorgt dat u het urencriterium en de meewerkuren goed onderbouwt. Zo haalt u het maximale uit het meewerken van uw partner zonder fiscale valkuilen.

Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? Leg uw cijfers voor aan Taxcount, dan berekenen wij het verschil voor u.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat u een beslissing neemt.

Zie ook: