De internationale artiestenregeling uitgelegd

Je boekt een dj voor een bedrijfsfeest, een band voor je festival of een spreker voor je congres. De factuur komt binnen en dan komt de vraag: moet je belasting inhouden voordat je uitbetaalt? Voor veel optredens geldt de artiestenregeling, een aparte heffing in de loonbelasting die de opdrachtgever verantwoordelijk maakt. Vooral bij artiesten en sporters uit het buitenland gaat het snel mis. In dit artikel lees je wanneer de artiestenregeling geldt, wanneer een buitenlandse artiest is vrijgesteld en wat je in 2026 concreet moet inhouden en afdragen.

Wat is de artiestenregeling?

De artiesten- en beroepssportersregeling is een bijzondere manier van belasting heffen in de loonbelasting. Een artiest of beroepssporter ontvangt geen loon maar een gage: een vergoeding voor een optreden of sportprestatie op grond van een overeenkomst van korte duur. De wet regelt dat niet de artiest zelf, maar de opdrachtgever de belasting inhoudt en afdraagt. Je bent als opdrachtgever dus inhoudingsplichtig zodra de regeling van toepassing is (artikel 5a en 5b van de Wet op de loonbelasting 1964).

De regeling geldt alleen als er geen sprake is van een gewone dienstbetrekking en de artiest ook niet als ondernemer factureert. In de volgende situaties pas je de artiestenregeling juist niet toe:

  • De artiest of sporter is bij je in gewone loondienst; dan gelden de normale regels voor loonheffing.
  • De artiest heeft een overeenkomst voor langer dan drie maanden; dan valt de beloning buiten de regeling.
  • De artiest of sporter is ondernemer en stuurt een factuur met btw op basis van een verklaring; dan rekent hij zelf af.
  • Het optreden vindt plaats op een privefeest, bijvoorbeeld een bruiloft; dan mag de opdrachtgever bruto uitbetalen.

De internationale regel

Bij artiesten en sporters uit het buitenland speelt eerst de vraag welk land mag heffen. Het OESO-Modelverdrag, de blauwdruk voor de meeste Nederlandse belastingverdragen, geeft in artikel 17 een uitzondering: het land waar het optreden of de wedstrijd plaatsvindt mag heffen, ook al zou de artiest daar normaal niet belastingplichtig zijn. Het woonland voorkomt vervolgens dubbele belasting via de vrijstellings- of verrekeningsmethode (artikel 23A en 23B). Nederland zou als optreedland dus mogen heffen.

Nederland heeft echter besloten van die heffing af te zien. Sinds 1 januari 2007 vallen artiesten en beroepssporters die wonen in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft niet meer onder de Nederlandse artiestenregeling. Datzelfde geldt voor inwoners van Aruba, Curacao, Sint Maarten en de BES-eilanden. Omdat Nederland met meer dan negentig landen een verdrag heeft, hoef je voor de meeste buitenlandse artiesten geen loonheffing in te houden. De heffing wordt overgelaten aan het woonland. Alleen als de artiest of sporter in een land zonder verdrag woont, pas je de heffing wel toe.

Voorwaarden en tarieven

Valt het optreden onder de regeling, dan bereken je de heffing over de gage. De gage is alles wat de artiest of sporter voor het optreden ontvangt, in geld en in natura. Een aantal posten mag je van de gage aftrekken voordat je de heffing berekent:

  • Reis- en verblijfkosten die je vergoedt op basis van originele facturen (eigen vervoer valt hier niet onder).
  • Verstrekte maaltijden en consumpties tijdens het optreden.
  • De kleinevergoedingsregeling: een vast bedrag van 163 euro per artiest per optreden, dat de artiest via een gageverklaring kan inzetten in plaats van een kostenvergoedingsbeschikking.

Over het bedrag dat overblijft, hou je de loonheffing in. Voor buitenlandse artiesten en sporters uit een niet-verdragsland, en voor buitenlandse gezelschappen, geldt een vast tarief van 20 procent. Voor binnenlandse artiesten geldt het tarief van de eerste schijf van de loonbelasting, in 2026 vastgesteld op 35,75 procent. Die inhouding bij binnenlandse artiesten is een voorheffing: de artiest verrekent het bedrag later met zijn aangifte inkomstenbelasting en krijgt vaak een deel terug. Het vaste tarief van 20 procent voor buitenlandse artiesten is voor hen in de praktijk meestal het eindstation.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een evenementenbureau (MKB) huurt voor een bedrijfsfeest een buitenlandse dj in. De afgesproken gage is 5.000 euro. Het bureau vergoedt daarnaast 800 euro aan reis- en verblijfkosten op basis van originele facturen. De uitkomst hangt volledig af van waar de dj woont.

Onderdeel Scenario A: verdragsland Scenario B: niet-verdragsland
Bruto gage 5.000 5.000
Af: reis- en verblijfkosten (facturen) 800 800
Grondslag voor de heffing 4.200 4.200
Toepasselijk tarief vrijgesteld 20%
In te houden loonheffing 0 840
Netto af te dragen aan de Belastingdienst 0 840

De conclusie: woont de dj in een verdragsland (bijvoorbeeld Duitsland of België), dan hou je niets in en betaal je de volledige gage uit. Woont de dj in een land zonder verdrag, dan hou je 840 euro loonheffing in en draag je dat af aan de Belastingdienst. Het verschil bedraagt 840 euro, plus de administratieve verplichtingen die bij de inhouding horen.

Praktische gevolgen

Zodra de artiestenregeling van toepassing is, ben je als opdrachtgever inhoudingsplichtig. Dat brengt een aantal verplichtingen met zich mee. Je meldt je aan als inhoudingsplichtige bij de Belastingdienst, houdt de loonheffing in op de gage en draagt die af via de aangifte loonheffingen. Je legt de identiteit van de artiest en de afspraken vast, en je bewaart de gageverklaring en de kostenfacturen in je administratie.

Wil je gebruikmaken van de vrijstelling voor een buitenlandse artiest, dan moet je kunnen aantonen dat de artiest in een verdragsland woont. Leg daarom vast waar de artiest woont en bewaar het bewijs daarvan. Zonder onderbouwing loop je het risico dat de Belastingdienst de niet-ingehouden heffing alsnog bij je naheft, inclusief een eventuele boete. De artiest zelf kan de ingehouden loonheffing verrekenen in zijn aangifte inkomstenbelasting; voor binnenlandse artiesten leidt dat vaak tot een teruggaaf.

Conclusie en advies

De artiestenregeling draait om twee vragen: is er sprake van een gewone dienstbetrekking of ondernemerschap, en waar woont de artiest of sporter? Bij een optreden van korte duur zonder factuur ben je als opdrachtgever verantwoordelijk voor de inhouding. Voor artiesten uit verdragslanden geldt een vrijstelling, voor artiesten uit niet-verdragslanden een tarief van 20 procent, en voor binnenlandse artiesten het tarief van de eerste schijf. De verschillen in geld en in administratieve lasten zijn groot, en een verkeerde inschatting kan je een naheffing opleveren. Huur je regelmatig artiesten of sporters in, of treedt je zelf op? Laat Taxcount je situatie beoordelen, dan weet je zeker dat je de juiste heffing toepast en niets onnodig afdraagt.

Bronnen:

Liquidatieverlies: zo houd je het verlies op een dochter-bv aftrekbaar

Heb je via je holding een dochter-bv of een andere deelneming die verlies lijdt en die je wilt opheffen? Dan kom je al snel bij een vervelende verrassing uit: winst uit een deelneming is meestal onbelast, maar een verlies is daardoor ook níet aftrekbaar. Toch is er een belangrijke uitzondering, en die kan je tienduizenden tot honderdduizenden euro’s schelen. In dit artikel lees je wanneer je een liquidatieverlies mag aftrekken, welke voorwaarden voor 2026 gelden en waar het in de praktijk misgaat.

Wat is een liquidatieverlies?

Bezit je bv minstens 5% van de aandelen in een andere vennootschap, dan is er sprake van een deelneming. Op zo’n deelneming geldt de deelnemingsvrijstelling: winst, dividend en koerswinst die je bv uit de deelneming haalt, zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De keerzijde is dat verliezen op de deelneming in beginsel ook niet aftrekbaar zijn.

De liquidatieverliesregeling (artikel 13d en 13e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) is hierop de belangrijkste uitzondering. Als een deelneming wordt ontbonden en de vereffening is voltooid, mag je bv het verlies dat op de deelneming is geleden alsnog aftrekken. De gedachte erachter: als de deelneming ophoudt te bestaan, kan het verlies nergens meer worden verrekend, dus mag de moeder het nemen.

Het liquidatieverlies bereken je met een eenvoudige formule:

  • Opgeofferd bedrag: alles wat je bv voor de deelneming heeft opgeofferd, zoals de aankoopprijs en latere stortingen op de aandelen.
  • Min de liquidatie-uitkeringen: alles wat je bv bij de ontbinding nog uit de deelneming ontvangt.

Het verschil is het liquidatieverlies. Voor een buitenlandse vaste inrichting (een filiaal in het buitenland) bestaat een vergelijkbare regeling: het stakingsverlies, geregeld in samenhang met artikel 15i van dezelfde wet.

Voorwaarden voor 2026

Sinds 2021 is de regeling aangescherpt. Belangrijk nieuws voor de meeste ondernemers: een liquidatieverlies tot en met € 5 miljoen blijft altijd volledig aftrekbaar. Deze drempel (de franchise) betekent dat de meeste mkb-verliezen buiten de extra voorwaarden vallen. Pas voor het deel van het verlies bóven € 5 miljoen gelden drie aanvullende eisen:

  • Kwantitatieve voorwaarde: je bv heeft een kwalificerend belang in de ontbonden vennootschap. Dat betekent doorgaans meer dan 50% van de zeggenschap, zodat je de activiteiten van de deelneming kon bepalen.
  • Territoriale voorwaarde: de ontbonden vennootschap is gevestigd in Nederland, een andere EU-lidstaat of de Europese Economische Ruimte (EER). Verliezen op deelnemingen daarbuiten zijn boven de drempel niet meer aftrekbaar.
  • Temporele voorwaarde: het liquidatieverlies neem je binnen drie jaar na het jaar van staking van de onderneming in aftrek. De vereffening moet dus tijdig zijn afgerond.

Wordt aan alle voorwaarden voldaan, dan is het volledige liquidatieverlies aftrekbaar. Wordt boven de drempel van € 5 miljoen niet aan de voorwaarden voldaan, dan blijft alleen de eerste € 5 miljoen aftrekbaar en vervalt het meerdere. Voor je bv is dat een direct verschil in de te betalen vennootschapsbelasting.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een holding heeft jaren geleden een dochter-bv verworven. Het opgeofferd bedrag (koopsom plus latere stortingen) is € 9.000.000. De dochter lijdt structureel verlies en wordt geliquideerd. Bij de vereffening ontvangt de holding nog een liquidatie-uitkering van € 1.000.000. Het liquidatieverlies bedraagt dus € 9.000.000 min € 1.000.000, oftewel € 8.000.000.

Scenario A: aan alle voorwaarden voldaan

  • Kwalificerend belang van 100%, dochter gevestigd in Nederland, vereffening binnen drie jaar afgerond.
  • Volledig liquidatieverlies aftrekbaar: € 8.000.000.
  • Belastingvoordeel tegen 25,8% Vpb: € 2.064.000.

Scenario B: niet aan de voorwaarden voldaan

  • Dochter gevestigd buiten de EU/EER (of geen kwalificerend belang).
  • Alleen de franchise van € 5.000.000 is aftrekbaar; het meerdere van € 3.000.000 vervalt.
  • Belastingvoordeel tegen 25,8% Vpb: € 1.290.000.

De conclusie: het verschil bedraagt € 774.000 aan vennootschapsbelasting. Door tijdig aan de voorwaarden te voldoen, blijft in dit voorbeeld het volledige verlies aftrekbaar in plaats van slechts een deel.

Onderdeel Scenario A (voorwaarden gehaald) Scenario B (niet gehaald)
Liquidatieverlies € 8.000.000 € 8.000.000
Aftrekbaar bedrag € 8.000.000 € 5.000.000
Belastingvoordeel (25,8%) € 2.064.000 € 1.290.000

Praktische gevolgen

De liquidatieverliesregeling is aantrekkelijk, maar de aftrek staat of valt met een goede voorbereiding. Let op de volgende punten:

  • Onderbouw het opgeofferd bedrag: houd van begin af aan bij wat je voor de deelneming hebt betaald en gestort. Zonder deugdelijke onderbouwing kun je de hoogte van het verlies niet aantonen.
  • Bewaak de termijn van drie jaar: rond de vereffening op tijd af. Sleept de liquidatie te lang, dan riskeer je dat het verlies niet meer aftrekbaar is.
  • Let op de EU/EER-eis bij buitenlandse deelnemingen: boven € 5 miljoen is een verlies op een deelneming buiten de EU of EER niet meer aftrekbaar.
  • Kijk naar de samenhang met andere regelingen: bij een fiscale eenheid en bij eerdere waardeverminderingen of terugbetaling van kapitaal gelden extra correcties op het opgeofferd bedrag.

Omdat het verlies in mindering komt op de winst die tegen 19% of 25,8% is belast, bepaalt je winstniveau hoeveel de aftrek in euro’s waard is.

Conclusie en advies

Het opheffen van een verlieslatende dochter-bv hoeft fiscaal geen verloren zaak te zijn. Dankzij de liquidatieverliesregeling is een liquidatieverlies tot € 5 miljoen volledig aftrekbaar, en ook grotere verliezen blijven aftrekbaar zolang je aan de kwantitatieve, territoriale en temporele voorwaarden voldoet. De valkuilen zitten in de onderbouwing van het opgeofferd bedrag, de driejaarstermijn en de behandeling van buitenlandse deelnemingen. Overweeg je een deelneming te liquideren, laat je situatie dan vooraf door de fiscalisten van Taxcount beoordelen. Zo stel je de aftrek veilig en voorkom je dat een aftrekbaar verlies alsnog verloren gaat.

Aandelen certificeren via een STAK: zo scheidt u zeggenschap en financieel belang

Wilt u de touwtjes van uw onderneming in handen houden, maar het financiële belang alvast (deels) overdragen aan uw kinderen of medewerkers? Dan is het certificeren van aandelen via een STAK vaak de oplossing. U brengt uw aandelen onder in een stichting administratiekantoor, die de zeggenschap krijgt, terwijl u via certificaten recht houdt op het dividend en de waarde. De grote vraag is meestal: kost dat belasting in box 2? In dit artikel leest u wat certificering inhoudt, waarom ondernemers ervoor kiezen, wanneer het fiscaal geruisloos verloopt en aan welke voorwaarden u in 2026 moet voldoen.

Wat is het certificeren van aandelen?

Bij certificering splitst u een aandeel in twee delen: de zeggenschap en het economische belang. De zeggenschap is het stemrecht in de aandeelhoudersvergadering. Het economische belang is het recht op dividend en op de waarde van het aandeel. U draagt uw aandelen in administratie over aan een stichting administratiekantoor, kortweg de STAK. Die stichting wordt de nieuwe juridische eigenaar van de aandelen en mag stemmen (zie figuur 1).

In ruil geeft de stichting certificaten aan u uit. Als certificaathouder ontvangt u voortaan het dividend en deelt u in de waarde, maar u stemt niet meer zelf. De afspraken tussen de STAK en de certificaathouders staan in de administratievoorwaarden, niet in de statuten van de bv. De stichting zelf wordt opgericht bij notariële akte met een passend doel.

  Figuur 1: certificering in beeld. Links de uitgangssituatie, waarin stemrecht en dividend nog in één hand zitten. Rechts de situatie na certificering: de STAK is juridisch eigenaar van de aandelen en stemt in de aandeelhoudersvergadering, terwijl u als certificaathouder recht houdt op dividend en waarde.

Waarom zou u aandelen certificeren?

Certificering is populair bij familiebedrijven en bij directeur-grootaandeelhouders die aan bedrijfsopvolging of estate planning doen. U kunt de aandelen of certificaten geleidelijk overdragen aan uw kinderen, terwijl u zelf blijft stemmen en dus de leiding houdt. Zo bereidt u de opvolging voor zonder de zeggenschap meteen uit handen te geven.

Er zijn meer redenen. U kunt werknemers of investeerders laten meedelen in de winst zonder dat zij stemrecht krijgen. En u kunt de continuïteit van het bedrijf waarborgen en versnippering van de zeggenschap voorkomen. Certificering speelt alleen bij een bv of nv, want die hebben aandelen. Voor een eenmanszaak of vof is de regeling niet aan de orde.

Kost certificeren belasting in box 2?

Houdt u 5 procent of meer van de aandelen of certificaten, dan heeft u een aanmerkelijk belang. Dividend en winst bij verkoop worden dan belast in box 2 van de inkomstenbelasting. In 2026 is het box 2-tarief 24,5 procent over de eerste 68.843 euro aan inkomen uit aanmerkelijk belang, en 31 procent over het meerdere. Fiscale partners kunnen het lage tarief samen benutten tot 137.686 euro.

De kernvraag bij certificering is of de overdracht van uw aandelen aan de STAK belast wordt als een verkoop. De Belastingdienst kijkt daarvoor door de stichting heen. Kunnen de certificaten worden gelijkgesteld met de aandelen, in vaktaal vereenzelvigd, dan wordt u gewoon als de aandeelhouder behandeld. Dan geldt: de overdracht aan de STAK is geen vervreemding, dus u rekent niet af over de meerwaarde. Bovendien schuift uw verkrijgingsprijs, het bedrag waarvoor u de aandelen fiscaal geacht wordt te hebben verkregen, geruisloos door naar de certificaten. De belastingclaim verdwijnt dus niet, maar schuift mee naar de toekomst.

Rekenvoorbeeld: certificeren zonder afrekening

Stel, een directeur-grootaandeelhouder houdt alle aandelen in zijn bv. De verkrijgingsprijs is 18.000 euro en de werkelijke waarde is 2.000.000 euro. Hij richt een STAK op en brengt de aandelen daarin onder tegen uitgifte van certificaten. Voldoen de administratievoorwaarden aan alle eisen, dan is er op dat moment geen box 2-heffing en houden de certificaten dezelfde verkrijgingsprijs van 18.000 euro. Lukt de vereenzelviging niet, dan kan de inbreng wél als verkoop gelden. Ontbreekt dan een zakelijke prijs, dan wordt gerekend met de werkelijke waarde: over 2.000.000 euro min 18.000 euro, dus 1.982.000 euro, kan dan box 2-belasting verschuldigd worden (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld bij een verkrijgingsprijs van 18.000 euro en een werkelijke waarde van 2.000.000 euro. Lukt de vereenzelviging, dan is er geen box 2-heffing en schuift de verkrijgingsprijs door naar de certificaten. Lukt zij niet, dan geldt de inbreng als verkoop en kan over de meerwaarde van 1.982.000 euro ongeveer 609.945 euro box 2-belasting verschuldigd worden.

Wanneer verloopt certificering fiscaal geruisloos?

Vereenzelviging mag alleen als aan een reeks voorwaarden is voldaan. Die staan in het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang. De kern is dat het certificaat economisch precies hetzelfde voorstelt als het aandeel. Voor ieder ingeleverd aandeel komt een gelijk certificaat terug. Alle dividenden, bonusaandelen en liquidatie-uitkeringen op de aandelen gaan onmiddellijk door naar u als certificaathouder.

Daarnaast mag de STAK de aandelen niet zomaar verkopen of verpanden, en kunnen de certificaten alleen worden ingetrokken tegen teruggave van de aandelen. De certificaten moeten net zo goed verhandelbaar zijn als de aandelen. En er mogen geen bepalingen in de statuten of voorwaarden staan die de gelijkstelling belemmeren. Blijft uw volledige financiële belang bij uzelf en gaan er geen rechten naar derden, dan is er geen belaste vervreemding (zie figuur 3).

Figuur 3: beslisboom langs de vijf voorwaarden uit het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang. Is het antwoord op alle vragen ja, dan worden de certificaten met de aandelen vereenzelvigd en verloopt de certificering fiscaal geruisloos. Één nee levert een belaste vervreemding op.

Wat regelt u juridisch?

Voor een certificering richt u eerst een stichting op bij notariële akte, met een passend doel. Vervolgens stelt u administratievoorwaarden op die aan alle bovenstaande eisen voldoen. Daarna levert u de aandelen aan de stichting, geeft de STAK certificaten uit en werkt u het aandeelhoudersregister bij. Wilt u certificaathouders het recht geven de aandeelhoudersvergadering bij te wonen, dan regelt u dat vergaderrecht in de statuten. De voorwaarden moeten doorlopend zuiver blijven: één storende bepaling kan de vereenzelviging in gevaar brengen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Aanmerkelijk belang bepalen. Ga na of u, eventueel samen met uw partner, 5 procent of meer van de aandelen, winstrechten of stemmen houdt. Alleen dan speelt box 2.
  • Doel vaststellen. Bepaal waarom u certificeert: opvolging, continuïteit of het belonen van werknemers of investeerders. Dat stuurt de opzet.
  • STAK oprichten. Laat de stichting bij notariële akte oprichten met een passend statutair doel.
  • Administratievoorwaarden opstellen. Zorg dat de voorwaarden aan alle vereenzelvigingseisen voldoen, zodat de certificering geruisloos verloopt.
  • Certificaten uitgeven en register bijwerken. Lever de aandelen, geef de certificaten uit en houd het aandeelhoudersregister actueel.
  • Laten toetsen. Laat de akte en de voorwaarden vooraf controleren door een fiscalist of notaris; een kleine fout kan een belaste vervreemding opleveren.

Veelgestelde vragen

Wat is een STAK?

Een STAK is een stichting administratiekantoor. Deze stichting houdt uw aandelen juridisch en oefent het stemrecht uit. In ruil geeft zij certificaten uit aan de oorspronkelijke aandeelhouder, die daarmee het financiële belang houdt.

Behoud ik het dividend als ik mijn aandelen certificeer?

Ja. Als certificaathouder houdt u recht op het dividend en op de waarde van de aandelen. De voorwaarden schrijven voor dat de STAK ontvangen dividenden onmiddellijk aan u doorbetaalt.

Moet ik box 2-belasting betalen als ik certificeer?

In de regel niet. Als de certificaten met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd, is de overdracht aan de STAK geen vervreemding en rekent u niet af. Uw verkrijgingsprijs schuift door naar de certificaten. Lukt de vereenzelviging niet, dan kan er wél box 2-heffing ontstaan.

Kan ik met certificaten mijn bedrijf overdragen aan mijn kinderen?

Ja. U kunt certificaten geleidelijk aan uw kinderen overdragen of schenken, terwijl u zelf blijft stemmen. Certificering wordt daarom vaak gecombineerd met de bedrijfsopvolgingsregeling en met schenken.

Geldt certificering ook voor een eenmanszaak?

Nee. Certificering werkt alleen bij een bv of nv, omdat daar aandelen zijn. Een eenmanszaak of vof heeft geen aandelen om te certificeren.

Hoe Taxcount u kan helpen

Certificering is een krachtig instrument, maar of het fiscaal geruisloos verloopt, hangt volledig af van de akte en de administratievoorwaarden. Eén bepaling die de gelijkstelling van certificaten en aandelen verstoort, kan een belaste vervreemding opleveren met een forse box 2-afrekening. Ook bij vastgoed in de structuur en bij dubbele STAK-constructies loont het om vooraf goed te toetsen. Taxcount beoordeelt of uw certificering aan alle voorwaarden voldoet, hoe u dit combineert met opvolging of schenking en hoe u een belaste vervreemding voorkomt. Wilt u uw zeggenschap en belang veilig scheiden? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen uw opzet.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Zie ook:

Periodieke gift aftrekken: het verschil dat je honderden euro’s per jaar kan opleveren

Geef je ieder jaar aan een goed doel, je kerk, een museum of een vereniging? Dan laat je waarschijnlijk geld liggen. Een gewone gift is namelijk pas aftrekbaar boven een drempel en tot een maximum. Leg je dezelfde gift vast als periodieke gift, dan trek je het volledige bedrag af, zonder drempel. Bij precies dezelfde donatie houd je zo netto meer over. In dit artikel lees je wat een periodieke gift is, welke voorwaarden in 2026 gelden en hoeveel je ermee kunt besparen.

Wat is het verschil tussen een gewone en een periodieke gift?

De inkomstenbelasting kent twee soorten aftrekbare giften. Een gewone gift is een losse donatie. Die is alleen aftrekbaar voor zover je meer geeft dan de drempel, en tot een maximum. In 2026 is de drempel 1 procent van je drempelinkomen (met een minimum van 60 euro) en het maximum 10 procent van dat inkomen. Alles onder de drempel telt dus niet mee.

Een periodieke gift is een gift die je schriftelijk vastlegt en minimaal vijf jaar lang jaarlijks doet. Het grote voordeel: de drempel en het lage maximum vervallen. Je trekt het volledige bedrag af. In 2026 geldt alleen nog een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar, dat voor de meeste gevers geen rol speelt.

Hoeveel levert een periodieke gift op?

Stel, je drempelinkomen is 80.000 euro en je schenkt 2.000 euro per jaar aan een goed doel met ANBI-status. Als gewone gift is de drempel 1 procent van 80.000 euro, dus 800 euro. Aftrekbaar is dan 1.200 euro. Als periodieke gift vervalt die drempel en trek je het volle bedrag van 2.000 euro af.

Bij een aftrektarief van 37,56 procent (het maximumtarief voor aftrekposten in 2026 bij een hoog inkomen) scheelt dat extra afgetrokken bedrag van 800 euro ongeveer 300 euro belasting per jaar. Over de looptijd van vijf jaar is dat zo’n 1.500 euro extra voordeel, bij exact dezelfde gift (zie figuur 1).

Figuur 1: dezelfde gift van 2.000 euro levert als periodieke gift een hogere aftrek op dan als gewone gift, doordat de drempel vervalt.

Aan welke voorwaarden moet een periodieke gift voldoen?

Tegenover het voordeel staat een verplichting: je bindt je voor langere tijd. Een periodieke gift is een vaste en gelijkmatige jaarlijkse uitkering die uiterlijk eindigt bij overlijden. De belangrijkste voorwaarden zijn de volgende (zie figuur 2).

  • Minimaal vijf jaar. Je verplicht je om minstens vijf jaar achter elkaar jaarlijks ongeveer hetzelfde bedrag te schenken.
  • Schriftelijk vastgelegd. Sinds 2014 hoeft dat niet meer bij de notaris. Een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling volstaat. De Belastingdienst heeft daarvoor een standaardformulier.
  • Een kwalificerende ontvanger. De ontvanger moet een ANBI, een culturele ANBI of een kwalificerende vereniging zijn. Voor verenigingen geldt de eis van volledige rechtsbevoegdheid en ten minste 25 leden zonder winststreven.
  • Geen tegenprestatie. Je geeft vrijwillig en er mag niets tegenover staan (dus geen contributie, lot of andere tegenprestatie).
  • Een reeel overlijdensrisico. De verplichting moet uiterlijk bij overlijden eindigen en er moet werkelijke onzekerheid over de looptijd zijn. Een kunstmatig weggenomen sterfterisico voldoet niet.

Figuur 2: de vier kernvoorwaarden voor een periodieke gift. Voldoe je niet aan deze eisen, dan val je terug op de gewone giftenaftrek.

Let op: alleen betalingen vanaf de datum van de overeenkomst tellen mee als periodieke gift. Leg de gift dus vast voordat je de eerste kwalificerende betaling doet.

Extra aftrek bij een culturele ANBI

Geef je aan een culturele ANBI, bijvoorbeeld een museum, theater of orkest, dan mag je de gift voor de aftrek met 25 procent verhogen. Die verhoging is in 2026 maximaal 1.250 euro per jaar, wat overeenkomt met een culturele gift van 5.000 euro. De multiplier geldt zowel voor periodieke als voor gewone giften. Fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek onderling; de extra aftrek is per huishouden begrensd.

Wat als de gift eerder stopt?

Voldoe je niet aan de vormvereisten, of is de looptijd korter dan vijf jaar, dan is er geen aftrekbare periodieke gift. De gift telt dan hooguit als gewone gift, met drempel en maximum. Stopt de gift binnen vijf jaar buiten je schuld, bijvoorbeeld door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan blijft de aftrek in stand als de overeenkomst een clausule bevat dat de gift bij inkomensdaling mag eindigen. Ontbreekt die clausule, dan val je terug op de gewone giftenaftrek. Neem zo’n clausule dus altijd op.

Praktische checklist: wat je moet regelen

In vier stappen leg je een periodieke gift correct vast (zie figuur 3).

Figuur 3: in vier stappen een periodieke gift regelen. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste betaling doet.

  • Controleer de status van de ontvanger. Zoek de instelling op in het register “ANBI opzoeken” en controleer of het (ook) een culturele ANBI is.
  • Gebruik het standaardformulier. Vraag de instelling om de “Overeenkomst periodieke gift” van de Belastingdienst en vul die volledig in.
  • Leg vast voor de eerste betaling. Onderteken de overeenkomst voordat je de eerste kwalificerende betaling doet; eerdere betalingen tellen niet mee.
  • Neem een inkomensdalingsclausule op. Zo blijft je aftrek in stand als je de gift door omstandigheden eerder moet stoppen.
  • Betaal elk jaar hetzelfde bedrag. Maak de gift minimaal jaarlijks over en houd het bedrag gelijkmatig.
  • Verwerk de aftrek in de aangifte. Neem de gift op in je aangifte inkomstenbelasting; fiscale partners tellen hun giften samen en verdelen de aftrek zo gunstig mogelijk.
  • Bewaar akte en betaalbewijzen. Houd de overeenkomst en de bankafschriften bij voor het geval de Belastingdienst vragen stelt.

Veelgestelde vragen

Is een periodieke gift altijd voordeliger dan een gewone gift?

Voor wie meerdere jaren een vast bedrag geeft, vrijwel altijd. De drempel vervalt, waardoor je volledige gift aftrekbaar is. Voor een eenmalige of wisselende gift is de gewone giftenaftrek meestal voldoende.

Heb ik een notaris nodig?

Nee. Sinds 2014 volstaat een onderhandse schriftelijke overeenkomst met de instelling. De Belastingdienst heeft hiervoor een standaardformulier.

Wat is het maximum in 2026?

Voor periodieke giften geldt geen drempel en een ruim plafond van 1.500.000 euro per jaar (voor jou en je fiscale partner samen). Voor vrijwel iedereen is je volledige gift dus aftrekbaar.

Hoeveel bedraagt het maximale aftrektarief?

De giftenaftrek valt onder de tariefmaatregel. Bij een hoog inkomen telt de aftrek in 2026 mee tegen ten hoogste 37,56 procent, niet tegen het toptarief.

Kan ik ook aan een vereniging periodiek schenken?

Ja, mits de vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft, minstens 25 leden telt en niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Voor gewone giften geldt deze route niet; die moeten naar een (culturele) ANBI.

Ik ben dga. Kan ik beter vanuit mijn bv geven?

Sinds 2025 is de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Voor een dga die structureel geeft, is de periodieke gift in de inkomstenbelasting daarom vaak het aangewezen instrument. Laat je situatie doorrekenen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Een periodieke gift is eenvoudig, maar de details bepalen of de aftrek standhoudt: de juiste akte, de looptijd, de inkomensdalingsclausule en de status van de ontvanger. Een kleine fout laat je terugvallen op de lagere gewone giftenaftrek. Taxcount controleert of je giften optimaal zijn ingericht, of je de culturele multiplier kunt benutten en hoe jij en je partner de aftrek het gunstigst verdelen. Voor dga’s bekijken wij bovendien of privé geven na de wijziging van 2025 voordeliger is dan geven vanuit de bv. Wil je zeker weten dat je het maximale uit je giften haalt? Leg je situatie voor aan Taxcount en wij toetsen je giftenaftrek. In de tussentijd kun je gebruik maken van onze schenkingsdashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

Schenking op papier: zo geef je vermogen door en bespaar je erfbelasting

Heb je vermogen dat vastzit in je woning of in je onderneming, maar wil je je kinderen nu al laten meeprofiteren? Dan is een schenking op papier misschien iets voor jou. Je geeft dan een bedrag weg zonder het geld echt over te maken: je erkent op papier dat je het schuldig bent aan je kind. Zo verklein je alvast je latere nalatenschap en bespaar je erfbelasting, terwijl het geld voorlopig bij jou blijft. In dit artikel lees je hoe een schenking op papier werkt, welke voorwaarden in 2026 gelden en welke valkuil je koste wat kost moet vermijden.

Wat is een schenking op papier?

Een schenking op papier heet officieel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid. Je schenkt een bedrag aan bijvoorbeeld je kind, maar in plaats van het over te maken erken je dat je het schuldig bent. Dat bedrag hoeft je kind meestal pas op te eisen bij je overlijden. De belangrijkste begrippen op een rij:

  • Schuldigerkenning: je legt vast dat je een bedrag schuldig bent aan de ontvanger, terwijl het geld op je rekening blijft staan.
  • Opeisbaar bij overlijden: je kind krijgt nu een vordering op jou, maar kan die pas innen als je overlijdt (soms ook bij opname in een verzorgingstehuis).
  • Kleinere nalatenschap: tegenover je bezit staat straks een schuld aan je kind, waardoor er minder overblijft waarover erfbelasting wordt geheven.
  • Jaarlijkse rente: je betaalt elk jaar 6% rente over het schuldig erkende bedrag aan je kind, waarmee je extra vermogen belastingvrij verschuift.

Voorwaarden

De Belastingdienst stelt strenge eisen aan een schenking op papier. Wordt aan een van deze eisen niet voldaan, dan grijpt artikel 10 van de Successiewet in en wordt het volledige bedrag bij je overlijden alsnog met erfbelasting belast. Let daarom goed op het volgende:

  • Notariële akte: de schenking moet je door een notaris laten vastleggen. Ontbreekt de akte, dan vervalt de schenking bij je overlijden en telt het bedrag toch mee in je nalatenschap.
  • 6% rente: je spreekt af dat je jaarlijks minimaal 6% rente betaalt over het schuldig erkende bedrag. Dit percentage ligt sinds 2010 wettelijk vast.
  • Rente echt betalen: je maakt die rente elk jaar daadwerkelijk over. Alleen bijschrijven of een jaar overslaan telt niet mee en is de meest gemaakte fout.
  • Familiekring: de ontvanger is je partner of een familielid tot en met de vierde graad (kinderen, kleinkinderen, ouders, broers, zussen, neven en nichten). Alleen dan heeft de regeling zin.
  • Schenkbelasting en vrijstelling: over de schenking zelf betaal je mogelijk schenkbelasting. Voor een kind is in 2026 jaarlijks € 6.908 vrijgesteld; over het meerdere geldt 10% (tot € 158.669, daarboven 20%).

Voldoe je aan al deze voorwaarden, dan blijft het overgehevelde vermogen buiten de erfbelasting en profiteert je kind van het volledige voordeel.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer wil in tien jaar tijd vermogen overhevelen naar zijn dochter. Hij schenkt elk jaar € 6.908 op papier, precies binnen de jaarlijkse vrijstelling, en legt dit notarieel vast. Na tien jaar heeft hij zo € 69.080 overgeheveld. We vergelijken twee keuzes.

  Scenario A: schenking op papier Scenario B: niets doen
Overgeheveld in 10 jaar € 69.080 € 0
Schenkbelasting € 0 (binnen vrijstelling) € 0
Bedrag in nalatenschap € 69.080 lager € 69.080 hoger
Erfbelasting over dit bedrag (10%) € 0 € 6.908

In scenario A is het vermogen al bij leven overgegaan, belastingvrij binnen de jaarlijkse vrijstelling. In scenario B zit hetzelfde bedrag nog in de nalatenschap en betaalt de dochter er, na verbruik van haar erfvrijstelling, 10% erfbelasting over.

De conclusie: de schenking op papier levert in dit voorbeeld een besparing van € 6.908 op. Daar bovenop verschuift de jaarlijkse rente van 6% nog eens extra vermogen belastingvrij naar je kind.

Praktische gevolgen

  • Discipline is bepalend: betaal de rente elk jaar op tijd en sla nooit een jaar over. Een automatische overboeking voorkomt vergissingen; bijschrijven telt niet.
  • Bewijs bewaren: bewaar de notariële akte en de jaarlijkse betaalbewijzen van de rente, zodat je bij een controle kunt aantonen dat je aan de voorwaarden voldoet.
  • Schenkaangifte: schenk je in een jaar meer dan de vrijstelling, dan doe je schenkaangifte. Let op: alle schenkingen aan hetzelfde kind in één jaar worden bij elkaar opgeteld.
  • Liquiditeit nalatenschap: bij je overlijden moet de schuld, inclusief opgelopen rente, uit je nalatenschap kunnen worden betaald. Houd hier rekening mee.
  • Gevolgen voor box 3: de vordering telt bij je kind mee als bezitting in box 3; bij jou is de schuld een box 3-schuld die je vermogen verlaagt, voor zover je totale schulden boven de drempel van € 3.800 (€ 7.600 met partner) uitkomen.

Conclusie en advies

Een schenking op papier is een beproefde manier om vermogen naar de volgende generatie over te hevelen zonder de contanten nu al weg te geven. Het voordeel kan over de jaren flink oplopen, maar staat of valt met de uitvoering: zonder notariële akte en zonder jaarlijkse betaling van 6% rente slaat het voordeel om in een naheffing erfbelasting over het volledige bedrag. Omdat de valkuil van artikel 10 in de praktijk makkelijk is gemaakt, is een zorgvuldige opzet en jaarlijkse bewaking essentieel. Wil je weten of een schenking op papier in jouw situatie voordelig is en hoe je de regeling waterdicht inricht? De adviseurs van Taxcount rekenen het graag voor je door en zorgen dat je geen enkel jaar overslaat.

30% regeling / 30% ruling

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Haal je een werknemer met schaarse kennis uit het buitenland naar Nederland, dan lopen de kosten al snel op. De 30%-regeling, sinds 2024 officieel de expatregeling genoemd, biedt uitkomst. Je mag dan een deel van het loon onbelast uitbetalen als vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf in een ander land. Voor 2026 gaat het om maximaal 30% van het loon, belastingvrij. In dit artikel lees je voor wie de regeling geldt, welke voorwaarden de Belastingdienst stelt, hoeveel je onbelast mag vergoeden en wat er vanaf 2027 verandert. Zo weet je of je de regeling kunt inzetten en wat je daarvoor moet regelen.

Wat is de 30%-regeling?

Wie tijdelijk buiten zijn eigen land werkt, maakt extra kosten. Denk aan dubbele huisvesting, hogere kosten van levensonderhoud en reizen naar het thuisland. Deze extra kosten heten extraterritoriale kosten: extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst. Als werkgever mag je deze kosten onbelast vergoeden, en daarvoor bestaan twee routes.

Bij de eerste route vergoed je de werkelijke extra kosten en bewijs je die met bonnen en bewijsstukken. Bij de tweede route pas je een vast percentage toe zonder die bewijslast. Die tweede route is de bekende 30%-regeling: je betaalt een vast deel van het loon onbelast uit, zonder de werkelijke kosten aan te tonen. In vakjargon heet dit een bewijsregel. Voor veel werkgevers is de forfaitaire route eenvoudiger, omdat je geen kostenadministratie per werknemer hoeft bij te houden.

Voor wie geldt de expatregeling?

De regeling geldt voor elke werkgever die loonbelasting inhoudt en te maken heeft met grensoverschrijdend personeel, van de eenmanszaak met personeel tot de bv, nv, stichting en overheid. Er zijn twee groepen werknemers die in beeld komen.

Ingekomen werknemers

Dit zijn werknemers die je uit een ander land aanwerft of die naar Nederland worden gezonden en die een specifieke deskundigheid hebben die op de Nederlandse arbeidsmarkt schaars is. De regeling speelt vooral in kennisintensieve sectoren, zoals tech, onderzoek en ontwikkeling, financiële dienstverlening, universiteiten en onderzoeksinstellingen, ziekenhuizen en internationale bedrijven.

Uitgezonden werknemers

Dit zijn werknemers die je juist naar het buitenland stuurt, zoals ambtenaren op een post in het buitenland, militairen en werknemers die in het buitenland wetenschap beoefenen of onderwijs geven. Voor deze groep geldt de regeling gedurende de duur van de uitzending, met de eis van ten minste 45 verblijfsdagen in twaalf maanden.

Welke voorwaarden gelden er?

De Belastingdienst stelt een aantal harde eisen voordat je de 30%-regeling mag toepassen op een ingekomen werknemer. De belangrijkste zijn de salarisnorm, de afstandseis en een tijdige aanvraag. Figuur 1 laat stap voor stap zien of je werknemer in aanmerking komt.

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of je werknemer in aanmerking komt voor de 30%-regeling.

De salarisnorm houdt in dat de werknemer een bepaald belastbaar jaarloon moet verdienen. Voor 2026 is dat meer dan 48.013 euro. Voor een werknemer die jonger is dan 30 jaar en een erkende wetenschappelijke mastergraad heeft, geldt een lagere norm van meer dan 36.497 euro. Wetenschappelijk onderzoekers en artsen in opleiding tot specialist worden geacht de specifieke deskundigheid te bezitten en hoeven niet aan de salarisnorm te voldoen.

Daarnaast geldt de afstandseis, ook wel de 150-kilometergrens genoemd. De werknemer moet in meer dan twee derde van de 24 maanden vóór het begin van het werk op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben gewoond. Zo wordt voorkomen dat mensen die vlak over de grens wonen de regeling gebruiken.

De looptijd van de regeling is voor ingekomen werknemers maximaal vijf jaar. Die periode wordt korter als de werknemer eerder in Nederland heeft gewerkt of gewoond; de Belastingdienst kijkt daarvoor tot 25 jaar terug. Verder maak je als werkgever elk kalenderjaar opnieuw een keuze tussen het vergoeden van de werkelijke kosten en het toepassen van het forfait. Die keuze leg je vast in het eerste loontijdvak van het jaar.

Hoeveel mag je in 2026 onbelast vergoeden?

In 2024, 2025 en 2026 mag je maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. De grondslag is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking plus de vergoeding zelf. Schoolgelden voor internationale scholen mogen daarnaast apart onbelast worden vergoed.

Er geldt wel een plafond. Per werknemer telt maximaal 30% van de hoogste bezoldiging uit de Wet normering topinkomens mee, ook wel de Balkenendenorm genoemd. Voor 2026 is die norm 262.000 euro. De maximale onbelaste vergoeding komt daarmee uit op 78.600 euro per jaar. Deze norm wordt elk jaar per 1 januari aangepast en vóór 1 november van het voorafgaande jaar bekendgemaakt, zodat je de nieuwe grens op tijd in de loonadministratie kunt verwerken.

Rekenvoorbeeld: een uit het buitenland aangeworven software-engineer heeft een grondslag van 90.000 euro per jaar. Je mag dan 30% van 90.000 euro, ofwel 27.000 euro per jaar, onbelast vergoeden. Dat is 2.250 euro per maand. Omdat 90.000 euro ruim onder het plafond blijft, speelt de aftopping op 78.600 euro hier geen rol. Figuur 2 werkt dit rekenvoorbeeld verder uit.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de onbelaste vergoeding en het plafond in 2026.

Hoe vraag je de 30%-regeling aan?

Je past de regeling niet zomaar toe. Werkgever en werknemer dienen samen een verzoek in bij de Belastingdienst, die daarop beslist met een beschikking. Tegen die beschikking is bezwaar mogelijk. Dien het verzoek in binnen vier maanden na de eerste werkdag. Doe je dat op tijd, dan werkt de regeling terug tot de start van het dienstverband. Ben je te laat, dan gaat de regeling pas later in en verlies je een deel van de looptijd.

Wisselt de werknemer binnen de looptijd van werkgever, dan loopt de regeling door zolang de onderbreking niet langer is dan drie maanden. Binnen een samenhangende groep van werkgevers wordt de vorige werkgever gelijkgesteld met de nieuwe.

Wat verandert er vanaf 2027?

Vanaf 2027 daalt het maximale onbelaste percentage van 30% naar 27%. De 30%-regeling gaat daarmee verder als 27%-regeling. Tegelijk stijgen de salarisnormen: de reguliere norm gaat naar 50.436 euro en de verlaagde norm voor jonge werknemers met een mastergraad naar 38.388 euro (beide bedragen worden jaarlijks geïndexeerd). Figuur 3 zet 2026 en 2027 naast elkaar.

Figuur 3: vergelijking van het percentage en de salarisnormen in 2026 en vanaf 2027.

Er geldt overgangsrecht. Werknemers die de regeling voor het eerst in 2024 gebruikten, mogen gedurende de resterende looptijd het percentage van 30% en de voor hen geldende salarisnorm blijven toepassen. Voor werknemers die later instromen gelden de nieuwe percentages en normen. Laat daarom per werknemer nagaan welk regime van toepassing is.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Toets de doelgroep: ga na of het gaat om een uit het buitenland aangeworven werknemer met schaarse kennis, of om een werknemer die je naar het buitenland uitzendt.
  • Controleer de salarisnorm: toets of het jaarloon boven 48.013 euro uitkomt, of boven 36.497 euro bij een werknemer jonger dan 30 jaar met een mastergraad.
  • Check de afstandseis: zoek uit of de werknemer in de 24 maanden vóór de baan op meer dan 150 kilometer van de grens woonde.
  • Vraag de beschikking op tijd aan: dien het gezamenlijke verzoek binnen vier maanden na de eerste werkdag in om terugwerkende kracht te behouden.
  • Bewaak de looptijd en het plafond: houd de resterende looptijd (maximaal vijf jaar) en de aftopping op 78.600 euro per jaar bij in de loonadministratie.
  • Kies jaarlijks bewust: leg elk jaar in het eerste loontijdvak vast of je het forfait toepast of de werkelijke kosten vergoedt.

Veelgestelde vragen

Blijft de 30%-regeling in 2026 gewoon 30%?

Ja. In 2024, 2025 en 2026 mag je maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. Pas vanaf 2027 daalt dit naar 27%.

Hoeveel mag ik maximaal onbelast vergoeden?

Je mag 30% van de grondslag onbelast vergoeden. Wel geldt een plafond: per werknemer telt maximaal 30% van de Balkenendenorm mee. Voor 2026 is dat 262.000 euro, wat neerkomt op maximaal 78.600 euro onbelast per jaar.

Hoe lang loopt de regeling?

Voor ingekomen werknemers is de looptijd maximaal vijf jaar. Eerder werken of wonen in Nederland kan die periode verkorten. Voor uitgezonden werknemers geldt de duur van de uitzending.

Wat gebeurt er als ik de aanvraag te laat indien?

Dien je het verzoek later dan vier maanden na de eerste werkdag in, dan werkt de regeling niet terug tot de startdatum en verlies je een deel van de looptijd. Op tijd aanvragen levert dus direct voordeel op.

Kan ik de regeling combineren met een vergoeding van werkelijke kosten?

Niet tegelijk voor dezelfde werknemer in hetzelfde jaar. Je kiest per kalenderjaar tussen het forfait van 30% en het vergoeden van de werkelijke extraterritoriale kosten.

Hoe Taxcount je kan helpen

De 30%-regeling levert een fors voordeel op, maar de voorwaarden zijn precies en de bedragen veranderen jaarlijks. Taxcount beoordeelt of je werknemer aan de eisen voldoet, verzorgt de aanvraag van de beschikking en bewaakt de looptijd, de salarisnorm en het plafond in je loonadministratie. Ook adviseren wij over de overgang naar het lagere percentage vanaf 2027 en over de samenloop met andere regelingen. Wil je weten of je de 30%-regeling voor een medewerker kunt inzetten? Leg je situatie aan ons voor, dan rekenen wij het voor je door. In de tussentijd kun je gebruik maken van onze Expatregeling monitor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat je beslissingen neemt.

 

English version

 

When you bring an employee with scarce expertise to the Netherlands from abroad, the costs add up quickly. The 30% ruling, officially called the expat scheme since 2024, offers relief. It allows you to pay part of the salary tax-free as compensation for the extra costs of a temporary stay in another country. For 2026 this means up to 30% of the salary, free of tax. This article explains who the scheme applies to, which conditions the Tax Administration sets, how much you may reimburse tax-free and what changes from 2027 onwards. That way you know whether you can use the scheme and what you need to arrange.

What is the 30% ruling?

Someone who works temporarily outside their own country incurs extra costs, such as double housing, higher living expenses and travel to their home country. These extra costs are called extraterritorial costs: additional costs of a temporary stay outside the country of origin. As an employer you may reimburse these costs tax-free, and there are two routes for this.

Under the first route you reimburse the actual extra costs and prove them with receipts and supporting documents. Under the second route you apply a fixed percentage without that burden of proof. This second route is the well-known 30% ruling: you pay a fixed part of the salary tax-free without demonstrating the actual costs. In technical terms this is called an evidence rule. For many employers the fixed-percentage route is simpler, because you do not have to keep a cost record for each employee.

Who does the expat scheme apply to?

The scheme applies to any employer that withholds payroll tax and deals with cross-border staff, from the sole trader with employees to the private limited company, public limited company, foundation and government. Two groups of employees come into play.

Incoming employees

These are employees whom you recruit from another country or who are sent to the Netherlands and who have a specific expertise that is scarce on the Dutch labour market. The scheme is especially relevant in knowledge-intensive sectors, such as technology, research and development, financial services, universities and research institutes, hospitals and international companies.

Outgoing employees

These are employees whom you send abroad, such as civil servants at a post abroad, military personnel and employees who carry out scientific work or teach abroad. For this group the scheme applies for the duration of the posting, subject to the requirement of at least 45 days of stay within twelve months.

Which conditions apply?

The Tax Administration sets a number of strict conditions before you may apply the 30% ruling to an incoming employee. The most important are the salary standard, the distance requirement and a timely application. Figure 1 shows step by step whether your employee qualifies.

Figure 1: decision tree to determine whether your employee qualifies for the 30% ruling.

The salary standard means that the employee must earn a certain taxable annual salary. For 2026 that is more than 48,013 euros. For an employee under the age of 30 who holds a recognised academic master’s degree, a lower standard of more than 36,497 euros applies. Academic researchers and doctors in specialist training are deemed to possess the specific expertise and do not have to meet the salary standard.

In addition, the distance requirement applies, also known as the 150-kilometre limit. The employee must have lived more than 150 kilometres from the Dutch border during more than two thirds of the 24 months before the start of the work. This prevents people who live just across the border from using the scheme.

The duration of the scheme for incoming employees is a maximum of five years. That period is shortened if the employee has previously worked or lived in the Netherlands; the Tax Administration looks back up to 25 years for this. Furthermore, as an employer you make a fresh choice each calendar year between reimbursing the actual costs and applying the fixed percentage. You record that choice in the first payroll period of the year.

How much may you reimburse tax-free in 2026?

In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. The basis is the salary from current employment plus the allowance itself. School fees for international schools may be reimbursed tax-free separately, on top of this.

There is a ceiling, however. Per employee, no more than 30% of the highest remuneration under the Standards for Remuneration Act (the so-called Balkenende standard) is taken into account. For 2026 that standard is 262,000 euros. The maximum tax-free allowance therefore comes to 78,600 euros per year. This standard is adjusted every year on 1 January and announced before 1 November of the preceding year, so that you can process the new limit in your payroll administration in good time.

Example: a software engineer recruited from abroad has a basis of 90,000 euros per year. You may then reimburse 30% of 90,000 euros, that is 27,000 euros per year, tax-free. That amounts to 2,250 euros per month. Because 90,000 euros is well below the ceiling, the cap of 78,600 euros plays no role here. Figure 2 works out this example in more detail.

Figure 2: example of the tax-free allowance and the ceiling in 2026.

How do you apply for the 30% ruling?

You do not simply apply the scheme. The employer and employee submit a joint request to the Tax Administration, which then decides by means of a formal decision. An objection against that decision is possible. Submit the request within four months of the first working day. If you do so on time, the scheme takes effect retroactively from the start of the employment. If you are late, the scheme starts only later and you lose part of the duration.

If the employee changes employer within the duration, the scheme continues as long as the interruption is no longer than three months. Within a related group of employers, the previous employer is treated as the new one.

What changes from 2027 onwards?

From 2027 the maximum tax-free percentage falls from 30% to 27%. The 30% ruling then continues as a 27% ruling. At the same time the salary standards rise: the regular standard goes to 50,436 euros and the reduced standard for young employees with a master’s degree to 38,388 euros (both amounts are indexed annually). Figure 3 places 2026 and 2027 side by side.

Figure 3: comparison of the percentage and the salary standards in 2026 and from 2027.

Transitional rules apply. Employees who first used the scheme in 2024 may continue to apply the 30% percentage and the salary standard applicable to them for the remaining duration. New entrants are subject to the new percentages and standards. Therefore have it checked per employee which regime applies.

Practical checklist: what you need to arrange

  • Check the target group: determine whether it concerns an employee recruited from abroad with scarce knowledge, or an employee you are sending abroad.
  • Verify the salary standard: check whether the annual salary exceeds 48,013 euros, or 36,497 euros for an employee under 30 with a master’s degree.
  • Confirm the distance requirement: find out whether the employee lived more than 150 kilometres from the border during the 24 months before the job.
  • Apply for the decision on time: submit the joint request within four months of the first working day to retain retroactive effect.
  • Monitor the duration and the ceiling: keep track of the remaining duration (a maximum of five years) and the cap of 78,600 euros per year in your payroll administration.
  • Choose deliberately each year: record in the first payroll period of each year whether you apply the fixed percentage or reimburse the actual costs.

Frequently asked questions

Does the 30% ruling remain 30% in 2026?

Yes. In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. Only from 2027 does this fall to 27%.

How much may I reimburse tax-free at most?

You may reimburse 30% of the basis tax-free. There is a ceiling, however: per employee, no more than 30% of the Balkenende standard is taken into account. For 2026 that is 262,000 euros, which amounts to a maximum of 78,600 euros tax-free per year.

How long does the scheme last?

For incoming employees the duration is a maximum of five years. Previous work or residence in the Netherlands can shorten that period. For outgoing employees the duration of the posting applies.

What happens if I submit the application late?

If you submit the request later than four months after the first working day, the scheme does not take effect retroactively from the start date and you lose part of the duration. Applying on time therefore yields an immediate advantage.

Can I combine the scheme with a reimbursement of actual costs?

Not at the same time for the same employee in the same year. You choose per calendar year between the fixed percentage of 30% and reimbursing the actual extraterritorial costs.

How Taxcount can help you

The 30% ruling delivers a considerable advantage, but the conditions are precise and the amounts change every year. Taxcount assesses whether your employee meets the requirements, arranges the application for the decision and monitors the duration, the salary standard and the ceiling in your payroll administration. We also advise on the transition to the lower percentage from 2027 and on the interaction with other schemes. Would you like to know whether you can use the 30% ruling for an employee? Present your situation to us and we will calculate it for you. In the mean time you can use our Expatruling monitor.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, amounts and thresholds may change, and the outcome depends on your personal situation. Always have your situation assessed by an adviser before making decisions.

 

pensioen internationale organisatie belasting/pension international organization tax

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Je woont in Nederland en ontvangt pensioen van een internationale organisatie, bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de NAVO, de ruimtevaartorganisatie ESA of het Europees Octrooibureau. Geef je dat pensioen volledig op als inkomen in box 1? Dan betaal je waarschijnlijk te veel belasting. Een deel van je pensioen is namelijk opgebouwd uit je eigen premies, waarover je destijds al belasting betaalde. Dat deel hoort niet in box 1, maar in box 3. Dit splitsen heet de splitsingsmethode. In dit artikel lees je hoe het werkt, voor welke organisaties het geldt en wat je moet regelen om deze besparing veilig te benutten.

Waarom is je pensioen belast en je salaris niet was?

Werknemers van internationale organisaties betalen over hun salaris meestal geen Nederlandse belasting. De organisatie houdt vaak zelf een interne heffing in. Voor het pensioen ligt dat anders: dat mag Nederland volgens de gewone regels belasten. De hoofdregel is daarom dat je pensioenuitkering volledig meetelt als loon in box 1.

Op die hoofdregel bestaat een belangrijke uitzondering. Voor zover je aannemelijk maakt dat over de opbouw van je pensioen destijds al een belasting naar het inkomen is geheven, hoeft dat deel niet nogmaals in box 1. Bij deze regelingen betaalde je je eigen premie uit je netto-inkomen, dus die was niet aftrekbaar. Dat deel is dus al belast geweest en verhuist naar box 3, waar de waarde van dat pensioenrecht als bezitting meetelt.

Wat is de splitsingsmethode?

De splitsingsmethode verdeelt een pensioenuitkering over twee boxen. Het deel dat is opgebouwd met werkgeverspremies blijft belast in box 1 (als loon). Het deel dat je zelf uit je netto-inkomen betaalde, valt in box 3 (als vermogen). Omdat box 3 vaak veel lager wordt belast dan het progressieve tarief in box 1, kan dit duizenden euro per jaar schelen.

Voor het Europees Octrooibureau en de zogeheten Gecoordineerde Pensioenregeling (onder meer NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT) heeft de staatssecretaris een praktische goedkeuring gegeven. Je hoeft dan niet je premiegegevens over tientallen jaren te bewijzen. In plaats daarvan geldt een vast forfait: twee derde van de jaarlijkse uitkering geef je aan in box 1, en een derde valt buiten box 1. De waarde van dat een derde geef je aan in box 3. Toeslagen (allowances) en de tax adjustment horen wel volledig in box 1 (zie figuur 1).

Figuur 1: bij het forfait blijft twee derde van de uitkering in box 1 en verhuist een derde naar box 3; allowances en de tax adjustment horen volledig in box 1.

Een rekenvoorbeeld

Een alleenstaande gepensioneerde van 71 jaar ontvangt 21.000 euro pensioen uit de Gecoordineerde Pensioenregeling en daarnaast 500 euro tax adjustment. In box 1 geeft hij twee derde van 21.000 euro (14.000 euro) plus de 500 euro tax adjustment aan, samen 14.500 euro. Het overige een derde (7.000 euro) valt buiten box 1. De waarde daarvan in box 3 berekent hij door 7.000 euro te vermenigvuldigen met de leeftijdsfactor uit de wet, die bij 71 jaar 8 bedraagt: 8 maal 7.000 euro is 56.000 euro. Zo geeft hij jaarlijks 7.000 euro minder aan in het progressief belaste box 1, tegenover een box 3-bezitting van 56.000 euro (zie figuur 2).

Figuur 2: uitwerking van het rekenvoorbeeld. Van de uitkering van 21.000 euro blijft 14.500 euro in box 1; 7.000 euro wordt met factor 8 een box 3-bezitting van 56.000 euro.

Let op: voor het VN-pensioenfonds UNJSPF ligt dezelfde verhouding vast in het pensioenreglement. De werknemer draagt de helft van wat de werkgever betaalt; de eigen bijdrage is dus ook hier een derde van de totale premie, in alle opbouwjaren. Het beleidsbesluit geldt formeel alleen voor het EOB en de Gecoordineerde Pensioenregeling, dus voor een VN-pensioen is doorgaans meer onderbouwing of overleg met de Belastingdienst nodig.

Voor welke organisaties geldt dit?

De regeling geldt voor in Nederland wonende gepensioneerden en nabestaanden van internationale organisaties. In de praktijk gaat het onder meer om de Verenigde Naties (met het pensioenfonds UNJSPF), het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling van NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT. Ook pensioenen van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank, UNESCO, UNICEF, de WHO en de WTO kunnen eronder vallen.

Belangrijke uitzondering: pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting. Voor die pensioenen speelt de splitsingsmethode dus niet (zie figuur 3).

Figuur 3: de splitsingsmethode geldt voor pensioenen van veel internationale organisaties, maar niet voor de EU en de ECB (die zijn vrijgesteld).

Wanneer geldt de splitsing juist niet?

De splitsingsmethode geldt alleen voor een ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een invaliditeitspensioen (uitkering bij arbeidsongeschiktheid) is fiscaal een risicoverzekering zonder opbouw en is daarom volledig belast in box 1. Ook de bijbehorende toeslagen en de tax adjustment volgen het regime van de hoofduitkering en vallen dus in box 1.

Verder is er een aandachtspunt bij oude opbouwjaren. Tot en met belastingjaar 2024 was een deel van de vroegste opbouw (van voor 1995) in bepaalde internationale situaties nog onbelast. Vanaf 1 januari 2025 is die vrijstelling vervallen. De precieze gevolgen van deze wetswijziging zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, dus over oudere jaren is maatwerk nodig.

Waarop moet je letten?

Het grootste risico is niet een naheffing, maar dat je voordeel laat liggen door je pensioen volledig in box 1 op te geven. Wie de splitsing wel toepast, moet het box 3-deel daadwerkelijk als bezitting aangeven en dit ieder jaar opnieuw berekenen met de leeftijdsfactor. Wijk je af van het forfait, dan moet je het premieverloop over de hele opbouwperiode kunnen onderbouwen. En je moet kiezen: de forfaitaire benadering en de oudere saldomethode mogen niet worden gecombineerd. Zonder tijdig en verifieerbaar bewijs wordt de uitkering alsnog volledig in box 1 belast, zo blijkt uit de rechtspraak.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Bepaal de herkomst van je pensioen. Ga na van welke organisatie je pensioen komt en of het een ouderdoms- of nabestaandenpensioen is (en dus geen invaliditeitspensioen).
  • Sluit EU en ECB uit. Komt je pensioen van de Europese Unie of de Europese Centrale Bank, dan is het vrijgesteld en speelt de splitsing niet.
  • Vraag premieoverzichten op. Vraag bij de pensioenuitvoerder de jaaropgaven en, bij de VN, je Annual Pension Statement op. Zonder bewijs blijft alles in box 1.
  • Geef het box 3-deel aan. Reken de waarde van het niet-belaste deel jaarlijks om met de leeftijdsfactor en neem die als bezitting op in box 3.
  • Kies bewust tussen forfait en saldomethode. De twee faciliteiten kun je niet combineren; laat doorrekenen welke voor jou het gunstigst is.
  • Controleer openstaande aanslagen. Staan er nog aanslagen open over eerdere jaren, dan kunnen die soms alsnog worden hersteld.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over mijn VN- of NAVO-pensioen in Nederland?

Ja. Anders dan het salaris tijdens je dienstverband mag Nederland je pensioen belasten. Met de splitsingsmethode betaal je alleen over het werkgeversdeel in box 1; het deel dat je zelf uit je netto-inkomen opbouwde, valt in box 3.

Hoeveel van mijn pensioen valt in box 3?

Bij het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling geldt een forfait van een derde in box 3 en twee derde in box 1. De waarde van dat een derde bereken je met een leeftijdsafhankelijke factor uit de wet.

Geldt de regeling ook voor een pensioen van de EU?

Nee. Pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn volledig vrijgesteld van Nederlandse belasting. De splitsingsmethode is daar niet aan de orde.

Wat als ik een invaliditeitspensioen ontvang?

Een invaliditeitspensioen is volledig belast in box 1. Er vindt geen splitsing plaats, omdat er geen sprake is van opbouw met eigen premies.

Kan ik te veel betaalde belasting van eerdere jaren terugkrijgen?

Dat kan soms. Voor jaren waarvan de aanslag nog niet definitief vaststaat, kan de splitsing alsnog worden toegepast. Laat je aanslagen en aangiften daarom nakijken.

Hoe Taxcount je kan helpen

Het pensioen van een internationale organisatie is fiscaal specialistisch werk: de juiste box, het forfait of het werkelijke premieverloop, de leeftijdsfactor voor box 3 en de keuze tussen faciliteiten luisteren nauw. Een fout kost je ofwel jaarlijks onnodig belastinggeld, ofwel een langlopende discussie met de Belastingdienst. Taxcount beoordeelt van welke regeling je pensioen komt, past de splitsingsmethode correct toe, verzorgt zo nodig het overleg met de inspecteur en controleert of oude jaren nog te herstellen zijn. Ontvang je pensioen van de VN, NAVO, ESA, het EOB of een vergelijkbare organisatie? Laat je aangifte door Taxcount toetsen en betaal niet meer belasting dan nodig.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je daarom altijd persoonlijk adviseren voordat je fiscale beslissingen neemt.

 

English version


You live in the Netherlands and receive a pension from an international organisation, for example the United Nations, NATO, the space agency ESA or the European Patent Office. Do you report that pension in full as income in box 1? Then you are probably paying too much tax. Part of your pension was built up from your own contributions, on which you already paid tax at the time. That part does not belong in box 1, but in box 3. Dividing the pension in this way is called the split method. This article explains how it works, which organisations it applies to and what you need to arrange to secure this saving safely.

Why is your pension taxed while your salary was not?

Employees of international organisations usually pay no Dutch tax on their salary. The organisation often applies its own internal levy. Pensions are treated differently: the Netherlands may tax them under the ordinary rules. The main rule is therefore that your pension payment counts in full as salary in box 1.

There is an important exception to this main rule. To the extent that you can make it plausible that tax on income was already levied on the build-up of your pension, that part does not have to be taxed again in box 1. Under these schemes you paid your own contribution out of your net income, so it was not deductible. That part has therefore already been taxed and moves to box 3, where the value of the pension right counts as an asset.

What is the split method?

The split method divides a pension payment across two boxes. The part built up with employer contributions remains taxed in box 1 (as salary). The part you paid yourself out of your net income falls in box 3 (as wealth). Because box 3 is often taxed much more lightly than the progressive rate in box 1, this can save thousands of euro per year.

For the European Patent Office and the so-called Co-ordinated Pension Scheme (including NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT) the State Secretary has issued a practical approval. You then do not have to prove your contribution history going back decades. Instead a fixed ratio applies: you report two thirds of the annual payment in box 1, and one third falls outside box 1. You report the value of that one third in box 3. Allowances and the tax adjustment do belong entirely in box 1 (see figure 1).

Figure 1: under the fixed ratio two thirds of the payment stays in box 1 and one third moves to box 3; allowances and the tax adjustment belong entirely in box 1.

A worked example

A single pensioner aged 71 receives 21,000 euro of pension from the Co-ordinated Pension Scheme, plus 500 euro of tax adjustment. In box 1 he reports two thirds of 21,000 euro (14,000 euro) plus the 500 euro tax adjustment, being 14,500 euro in total. The remaining one third (7,000 euro) falls outside box 1. He calculates its box 3 value by multiplying 7,000 euro by the statutory age factor, which is 8 at the age of 71: 8 times 7,000 euro is 56,000 euro. In this way he reports 7,000 euro less each year in progressively taxed box 1, against a box 3 asset of 56,000 euro (see figure 2).

Figure 2: the worked example. Of the 21,000 euro payment, 14,500 euro stays in box 1; 7,000 euro becomes a box 3 asset of 56,000 euro using factor 8.

Which organisations does this apply to?

The scheme applies to pensioners and surviving dependants living in the Netherlands who worked for international organisations. In practice this includes the United Nations (with the UNJSPF pension fund), the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme of NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT. Pensions from, for example, the IMF, the World Bank, UNESCO, UNICEF, the WHO and the WTO may also fall under it.

Important exception: pensions from the European Union and the European Central Bank are exempt from Dutch tax. The split method therefore does not apply to those pensions (see figure 3).

Figure 3: the split method applies to pensions from many international organisations, but not to the EU and the ECB (which are exempt).

When does the split not apply?

The split method applies only to an old-age or survivor pension. A disability pension (a payment on incapacity for work) is, for tax purposes, an insurance without build-up and is therefore taxed in full in box 1. The related allowances and the tax adjustment follow the treatment of the main payment and so also fall in box 1.

There is a further point of attention for older build-up years. Up to and including tax year 2024, part of the earliest build-up (from before 1995) was still untaxed in certain international situations. From 1 January 2025 that exemption has lapsed. The precise consequences of this change in the law are not yet fully settled, so older years call for a tailored assessment.

What should you watch out for?

The biggest risk is not an additional assessment, but leaving money on the table by reporting your pension in full in box 1. Anyone who does apply the split must actually report the box 3 part as an asset and recalculate it each year using the age factor. If you depart from the fixed ratio, you must be able to substantiate the contribution history for the whole build-up period. And you have to choose: the fixed-ratio approach and the older balance method may not be combined. Without timely and verifiable evidence the payment is taxed in full in box 1 after all, as the case law shows.

Practical checklist: what to arrange

  • Determine the origin of your pension. Establish which organisation your pension comes from and whether it is an old-age or survivor pension (and therefore not a disability pension).
  • Rule out the EU and the ECB. If your pension comes from the European Union or the European Central Bank, it is exempt and the split does not apply.
  • Request contribution statements. Ask the pension administrator for the annual statements and, at the UN, your Annual Pension Statement. Without evidence everything stays in box 1.
  • Report the box 3 part. Convert the value of the untaxed part each year using the age factor and report it as an asset in box 3.
  • Choose deliberately between fixed ratio and balance method. The two facilities cannot be combined; have it calculated which one is most favourable for you.
  • Check open assessments. If assessments over earlier years are still open, they can sometimes be corrected retroactively.

Frequently asked questions

Do I have to pay Dutch tax on my UN or NATO pension?

Yes. Unlike your salary during your employment, the Netherlands may tax your pension. With the split method you pay tax only on the employer part in box 1; the part you built up yourself from your net income falls in box 3.

How much of my pension falls in box 3?

For the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme a fixed ratio of one third in box 3 and two thirds in box 1 applies. You calculate the value of that one third using a statutory age-dependent factor.

Does the scheme also apply to an EU pension?

No. Pensions from the European Union and the European Central Bank are fully exempt from Dutch tax. The split method does not come into play there.

What if I receive a disability pension?

A disability pension is taxed in full in box 1. No split takes place, because there is no build-up from your own contributions.

Can I reclaim tax overpaid in earlier years?

Sometimes you can. For years whose assessment is not yet final, the split can still be applied. It is therefore worth having your assessments and returns reviewed.

How Taxcount can help you

A pension from an international organisation is specialist tax work: the correct box, the fixed ratio or the actual contribution history, the age factor for box 3 and the choice between facilities all require precision. A mistake either costs you unnecessary tax every year, or leads to a lengthy dispute with the Tax Administration. Taxcount assesses which scheme your pension comes from, applies the split method correctly, arranges any consultation with the inspector where needed and checks whether earlier years can still be corrected. Do you receive a pension from the UN, NATO, ESA, the EPO or a comparable organisation? Have your return reviewed by Taxcount and pay no more tax than necessary.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, thresholds and conditions may change and the outcome depends on your personal situation. Always seek personal advice before making tax decisions.

Samenloopvrijstelling: betaal niet dubbel btw én overdrachtsbelasting bij vastgoed

Koop je als ondernemer een nieuw bedrijfspand, een bouwterrein of een net verbouwd pand? Dan kunnen er zomaar twee belastingen tegelijk opdoemen: btw én overdrachtsbelasting. Dat zou betekenen dat je over dezelfde aankoop dubbel betaalt. Gelukkig voorkomt de samenloopvrijstelling dat in de meeste gevallen. In dit artikel lees je wanneer een vastgoedtransactie met btw is belast, wanneer je daardoor geen overdrachtsbelasting hoeft te betalen en waar je op moet letten om deze vrijstelling niet mis te lopen.

Wat is de samenloopvrijstelling?

Als je een onroerende zaak in Nederland verkrijgt, betaal je in beginsel overdrachtsbelasting. Wordt over diezelfde levering ook btw geheven, dan zou je twee keer betalen over één transactie. De samenloopvrijstelling neemt die dubbele heffing weg: is de levering belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De belangrijkste begrippen op een rij:

  • Overdrachtsbelasting: de belasting die je betaalt bij het verkrijgen van een in Nederland gelegen onroerende zaak. Het algemene tarief voor niet-woningen (zoals bedrijfspanden) is in 2026 10,4%.
  • Btw (omzetbelasting): de belasting die de verkoper in rekening brengt bij een belaste levering. Het algemene btw-tarief is in 2026 21%.
  • Samenloopvrijstelling: de regel die voorkomt dat je over dezelfde vastgoedtransactie zowel btw als overdrachtsbelasting betaalt. Is de levering btw-belast, dan vervalt de overdrachtsbelasting.
  • Nieuw gebouw / tweejaarstermijn: de levering van een gebouw is verplicht met btw belast tot uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikname. Daarna is de levering in beginsel vrijgesteld van btw.
  • Bouwterrein: onbebouwde grond die bestemd is voor bebouwing. De levering van een bouwterrein is altijd met btw belast en dus vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Wanneer geldt de vrijstelling?

De vrijstelling hangt af van één hoofdvraag: is de levering met btw belast? Je komt in aanmerking als je langs de volgende punten komt:

  • Een onroerende zaak in Nederland. Het gaat om de verkrijging van vastgoed hier te lande, waarover in beginsel overdrachtsbelasting is verschuldigd.
  • Nieuwbouw binnen twee jaar of een bouwterrein. Levert de verkoper een gebouw binnen twee jaar na de eerste ingebruikname, of een bouwterrein, dan is die levering van rechtswege met btw belast.
  • Of een ingrijpende verbouwing (“in wezen nieuwbouw”). Ontstaat door de verbouwing feitelijk een nieuw gebouw, dan start een nieuwe tweejaarstermijn en is de levering opnieuw btw-belast.
  • Of een gezamenlijke keuze voor een btw-belaste levering. Bij ouder vastgoed kunnen koper en verkoper kiezen voor btw-heffing, mits de koper het pand voor minstens 90% voor btw-belaste activiteiten gebruikt. Leg die keuze vast in de leveringsakte.
  • Resultaat: geen overdrachtsbelasting. Is de levering op één van deze gronden btw-belast, dan is de verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Heb je recht op btw-aftrek, dan trek je de btw bovendien als voorbelasting terug.

Kortom: hoe je aankoop in de btw valt, bepaalt of je overdrachtsbelasting betaalt. Bij “oud” vastgoed dat al langer in gebruik is, is de levering meestal btw-vrijgesteld en dan is wél overdrachtsbelasting aan de orde.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer koopt een bedrijfspand van € 500.000 (exclusief btw) en gebruikt het volledig voor btw-belaste activiteiten, zodat hij recht heeft op btw-aftrek. We vergelijken twee scenario’s: het pand is net nieuw (btw-belaste levering) versus het pand is al jaren in gebruik (btw-vrijgesteld).

  Scenario A – nieuw pand (btw-belast) Scenario B – oud pand (btw-vrijgesteld)
Koopsom € 500.000 € 500.000
Btw (21%) € 105.000 (aftrekbaar → per saldo € 0) niet van toepassing
Overdrachtsbelasting (10,4%) € 0 (samenloopvrijstelling) € 52.000
Heffing die als kostenpost drukt € 0 € 52.000

De conclusie: in scenario A is de btw aftrekbaar en vervalt de overdrachtsbelasting dankzij de samenloopvrijstelling; de aankoop kent geen extra belastingdruk. In scenario B is de levering btw-vrijgesteld, geldt de samenloopvrijstelling niet en betaalt de koper € 52.000 overdrachtsbelasting. Het verschil bedraagt dus € 52.000, puur door de btw-status van de levering.

Praktische gevolgen

  • Beoordeel eerst de btw-status. Of je overdrachtsbelasting betaalt, staat of valt met de vraag of de levering btw-belast of btw-vrijgesteld is. Bepaal dit vóór het tekenen van de koopovereenkomst.
  • Leg de tweejaarstermijn en de ingebruikname vast. De datum van eerste ingebruikname bepaalt of de nieuwbouwlevering nog binnen de tweejaarstermijn valt. Documenteer dit zorgvuldig.
  • Neem de optie op in de akte. Kies je voor een btw-belaste levering van ouder vastgoed, leg die keuze dan vast in de notariële leveringsakte en onderbouw dat de koper de 90%-norm haalt.
  • Let op een bedrijfsoverdracht. Draag je een onderneming inclusief vastgoed over, dan vindt voor de btw “geen levering” plaats en is er geen btw. Dan geldt de samenloopvrijstelling in beginsel niet, tenzij je aan de goedkeuringsvoorwaarden van de staatssecretaris voldoet. Laat dit vooraf toetsen.
  • Pas op met btw-gedreven constructies. Wordt een levering bewust btw-belast gemaakt tegen een lage vergoeding, dan kan de strafheffing overdrachtsbelasting van toepassing zijn. Zulke structuren vragen om deskundig advies.
  • Bewaar je documentatie. Houd de koopovereenkomst, de leveringsakte, de facturen met btw en het bewijs van ingebruikname goed bij; de Belastingdienst kan hier bij een controle om vragen.

Conclusie en advies

De samenloopvrijstelling voorkomt dat je bij vastgoed dubbel belasting betaalt: is de levering met btw belast, dan blijft de overdrachtsbelasting achterwege. Voor een koper met recht op btw-aftrek is een btw-belaste levering daardoor vaak juist voordelig. Het financiële belang is groot, al snel tienduizenden tot honderdduizenden euro’s, maar de regels zijn complex, doordat twee belastingwetten op elkaar inwerken. Een gemiste termijn, een verkeerd ingeschatte btw-status of een over het hoofd geziene bedrijfsoverdracht kan de vrijstelling kosten. Overweeg je de aankoop of verkoop van een bedrijfspand, bouwterrein of verbouwd vastgoed? Laat je situatie dan vooraf door de fiscalisten van Taxcount beoordelen, dan weet je zeker dat je niet onnodig btw én overdrachtsbelasting betaalt. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek. Heb je daarnaast hulp nodig bij je btw-aangifte? Ook daarvoor kun je bij ons terecht.

Vennootschapsbelasting: zo werkt de Vpb en zo houdt u meer over

Heb je een bv of overweeg je er een op te richten? Dan krijg je te maken met de vennootschapsbelasting, de winstbelasting voor bv’s en andere lichamen. Veel ondernemers weten dat hun bv belasting over de winst betaalt, maar niet hoe de tarieven precies werken, wanneer de aangifte moet en welke regelingen belasting kunnen besparen. In dit artikel lees je in gewone taal hoe de vennootschapsbelasting in 2026 in elkaar zit, wat je betaalt en waar de belangrijkste voordelen zitten.

Wat is vennootschapsbelasting?

De vennootschapsbelasting (Vpb) is de belasting die een bv, nv of ander lichaam betaalt over de winst. Waar een eenmanszaak of vof onder de inkomstenbelasting valt, betaalt een bv dus vennootschapsbelasting. Een paar kernbegrippen op een rij:

  • Belastbaar bedrag: de winst waarover je belasting betaalt, nadat de aftrekposten er af zijn.
  • Twee tarieven: over de eerste € 200.000 winst betaal je 19%, over alles daarboven 25,8% (tarieven 2026).
  • Opstaptarief: de lagere schijf van 19% heet het opstaptarief of MKB-tarief, een voordeel voor kleinere winsten.
  • Belastingplichtige: elke zelfstandige bv is een eigen belastingplichtige met een eigen schijf van € 200.000 tegen 19%.

Het verschil tussen beide tarieven is 6,8 procentpunt. Over de eerste € 200.000 winst scheelt de lage schijf je dus maximaal € 13.600 per jaar.

Vpb-tarieven 2026

Belastbaar bedrag Tarief 2026
Tot en met € 200.000 19%
Boven € 200.000 25,8%

 

Wie betaalt en wanneer?

Of en hoeveel vennootschapsbelasting je betaalt, hangt af van een paar vaste punten:

  • Rechtsvorm: je onderneming is een bv, nv of ander Vpb-plichtig lichaam. Een eenmanszaak of vof valt hier niet onder.
  • Winst: er is belastbare winst. Maakt je bv verlies, dan betaal je dat jaar geen Vpb en kun je het verlies meestal met andere jaren verrekenen.
  • Aangifte: je doet elk jaar aangifte vennootschapsbelasting, in de regel binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar (met uitstel via je adviseur vaak langer).
  • Voorlopige aanslag: de Belastingdienst legt vaak een voorlopige aanslag op, zodat je de belasting gespreid betaalt in plaats van in één keer achteraf.

Kort gezegd: zodra je bv winst maakt, betaal je er belasting over, maar met de juiste regelingen kun je dat bedrag flink verlagen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer heeft drie winstgevende werk-bv’s onder één holding. Elke bv maakt € 200.000 winst, samen € 600.000. De vraag is of hij de bv’s als één fiscale eenheid laat belasten of elk apart.

Scenario A: één fiscale eenheid (samen belast)

  • € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • € 400.000 tegen 25,8% = € 103.200
  • Totaal: € 141.200 vennootschapsbelasting

Scenario B: drie zelfstandige bv’s (elk apart belast)

  • Elke bv: € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • 3 × € 38.000 = € 114.000 vennootschapsbelasting

De conclusie: door de bv’s apart te houden gebruikt elke bv haar eigen opstaptarief van 19%. Dat scheelt € 141.200 − € 114.000 = € 27.200 per jaar. Let op: een fiscale eenheid heeft ook voordelen (zoals onderlinge verliesverrekening), dus dit is altijd een afweging.

Praktische gevolgen

Naast de tarieven zijn er een paar regelingen en verplichtingen die je Vpb-rekening sterk beïnvloeden:

  • Aangifte- en administratieplicht: dien op tijd aangifte in en bewaar een deugdelijke administratie; te laat aangeven kan een boete opleveren.
  • Verliesverrekening: een verlies gaat één jaar terug en daarna onbeperkt vooruit, maar je mag per jaar maar € 1.000.000 plus 50% van de winst daarboven verrekenen.
  • Innovatiebox: maakt je bv winst met zelf ontwikkelde innovatie (met WBSO-verklaring), dan wordt die winst effectief tegen 9% belast in plaats van 25,8%.
  • Opstaptarief benutten: bij meerdere winstgevende bv’s loont het om te bekijken of een fiscale eenheid wel of juist niet voordelig is.
  • Renteaftrekbeperking: betaalt je bv veel rente (boven € 1.000.000 per saldo), dan is de aftrek beperkt tot 24,5% van een gecorrigeerde winst (earningsstripping).

Conclusie en advies

De vennootschapsbelasting lijkt eenvoudig, 19% tot € 200.000 en 25,8% daarboven, maar de echte winst zit in de details: het slim benutten van het opstaptarief, de keuze rond een fiscale eenheid, het op tijd verrekenen van verliezen en het gebruik van de innovatiebox. Die keuzes kunnen per jaar duizenden euro’s schelen, zoals het rekenvoorbeeld laat zien. Wil je weten of je bv-structuur en aangifte fiscaal optimaal zijn? De adviseurs van Taxcount beoordelen je situatie graag en laten je zien waar je kunt besparen.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeer je als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) je in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag je 45, 36 of 27 procent van je investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en je moet de investering op tijd melden. In dit artikel lees je wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel je kunt aftrekken en wat je moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij je elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag je eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager en je betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Ben je alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heb je geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor je geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet je minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

\"\"

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

\"\"

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet je investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet je investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat je de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

Je moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat je de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kies je voor de MIA in je aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meld je te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als je de melding wel op tijd hebt verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kun je de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag je de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat je deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee je zelf bepaalt wanneer je afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. Je moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

\"\"

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet je kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoop je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet je een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als je van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van je MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of je bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijg je geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in je aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar je stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. Je moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag je ze niet allebei gebruiken; je kiest de gunstigste. De MIA mag je wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kun je de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteer je van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount je kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of je investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweeg je een duurzame investering? Leg je plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook: