Herinvesteringsreserve: zo schuif je belasting over je boekwinst door

 

Verkoop je een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde, dan maak je boekwinst en betaal je daar normaal meteen belasting over. Wil je opnieuw investeren, dan hoeft dat niet altijd. Met de herinvesteringsreserve schuif je de boekwinst door naar een nieuw bedrijfsmiddel en stel je de belasting uit. In 2026 moet je dan wel binnen drie jaar herinvesteren en aan een aantal voorwaarden voldoen. In dit artikel lees je hoe de herinvesteringsreserve werkt, voor wie zij interessant is, hoe het doorschuiven van boekwinst gaat en wanneer de reserve alsnog belast vrijvalt.

Wat is de herinvesteringsreserve?

De herinvesteringsreserve, vaak afgekort tot HIR, laat je de belasting over een boekwinst uitstellen. Boekwinst ontstaat als je een bedrijfsmiddel verkoopt voor meer dan de boekwaarde, de waarde die er nog voor in de boeken staat. In plaats van meteen af te rekenen, zet je die boekwinst apart in een reserve. Bij een nieuwe investering trek je de reserve af van de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Het nieuwe bedrijfsmiddel komt dan lager op de balans, waardoor je er minder op afschrijft en de winst over de jaren heen weer terugkomt.

De regeling bestaat om te voorkomen dat een ondernemer die eigenlijk alleen vervangt, direct wordt afgerekend. Het voordeel is een liquiditeits- en rentevoordeel: het geld blijft in het bedrijf en de belasting schuift naar de toekomst. Het gaat dus om uitstel, niet om een definitieve vrijstelling.

Voor wie is de herinvesteringsreserve interessant?

De reserve is bruikbaar voor alle ondernemingen die een bedrijfsmiddel met boekwinst verkopen en van plan zijn opnieuw te investeren. Zij geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, vof, maatschap) als voor bv’s en andere lichamen die vennootschapsbelasting betalen. Een bedrijfsmiddel is iets dat je duurzaam in je bedrijf gebruikt, zoals een pand, machine, vrachtwagen of schip.

De regeling speelt vooral bij bedrijven met omvangrijke vaste activa, zoals de transportsector, de landbouw, vastgoed in eigen gebruik en de maakindustrie. Zij is niet bruikbaar voor de verkoop van handelsvoorraad of voor vermogensrechten die je als belegging aanhoudt.

Hoe werkt het doorschuiven van boekwinst?

Voor de hoogte van de reserve telt de netto-opbrengst. Dat is de verkoopopbrengst nadat je de kosten van de verkoop hebt afgetrokken. Een voorbeeld (zie figuur 2): de boekwaarde van een bedrijfsmiddel is 50.000 euro. Je verkoopt het voor 150.000 euro en maakt daarbij 20.000 euro kosten. De bruto boekwinst is 100.000 euro (150.000 euro min 50.000 euro). Na aftrek van de 20.000 euro verkoopkosten blijft een netto-opbrengst van 80.000 euro over. Dat bedrag mag in de herinvesteringsreserve en hoeft pas later te worden afgerekend.

Bij de nieuwe investering boek je de reserve af op de aanschafprijs. Daardoor schrijf je minder af op het nieuwe bedrijfsmiddel en komt de uitgestelde winst geleidelijk weer in de heffing terug (zie figuur 1). Zo betaal je de belasting alsnog, maar gespreid over de jaren en op een moment dat jou zelf uitkomt.

Figuur 1: je vormt de reserve bij verkoop en herinvesteert uiterlijk in het derde jaar. De boekwinst wordt afgeboekt op het nieuwe bedrijfsmiddel, dat daardoor een lagere boekwaarde krijgt.

Figuur 2: de reserve is de netto-opbrengst: de verkoopopbrengst min de boekwaarde en min de verkoopkosten. In het voorbeeld is dat 80.000 euro.

Welke voorwaarden gelden er?

Er gelden vier kernvoorwaarden: je verkoopt een bedrijfsmiddel, de opbrengst is hoger dan de boekwaarde, je hebt het voornemen om te herinvesteren en je herinvesteert op tijd. Dat voornemen moet je onafgebroken hebben en kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met offertes of plannen. De reserve moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar van vorming worden gebruikt; gebeurt dat niet, dan valt zij vrij in de winst. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd.

Daarnaast gelden er twee technische eisen bij het afboeken. De boekwaarde-eis houdt in dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet lager mag komen dan die van het verkochte bedrijfsmiddel. En bij duurzame bedrijfsmiddelen, zoals grond of panden waarop niet of pas na meer dan tien jaar wordt afgeschreven, geldt de eis van eenzelfde economische functie: het nieuwe bedrijfsmiddel moet dezelfde rol in het bedrijf vervullen als het verkochte. Voor andere bedrijfsmiddelen is die functie-eis vervallen, waardoor de reserve daar ruimer is.

Voorwaarde Kern
Bedrijfsmiddel verkocht geen voorraad of belegging
Boekwinst netto-opbrengst hoger dan de boekwaarde
Herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig en aantoonbaar
Herinvesteringstermijn uiterlijk in het derde jaar na vorming
Boekwaarde-eis nieuwe boekwaarde niet lager dan de oude
Functie-eis (duurzame bedrijfsmiddelen) nieuw bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie

 

Wanneer valt de reserve vrij?

De reserve valt vrij, en de winst wordt dan alsnog belast, als het herinvesteringsvoornemen wegvalt. Dat gebeurt op het moment zelf, niet pas aan het einde van het jaar. Ook als de driejaarstermijn verloopt zonder dat je tijdig hebt geherinvesteerd, valt de reserve verplicht vrij. Herinvesteer je ten onrechte niet en verwerk je de vrijval niet, dan mag de inspecteur die fout in een later, nog openstaand jaar herstellen via de zogenoemde foutenleer.

Ook een onjuiste afboeking heeft gevolgen. Schend je de boekwaarde-eis of de functie-eis, dan wordt de afschrijvingsbasis gecorrigeerd en volgt bijheffing. Het loont dus om de reserve zorgvuldig te administreren en de termijn goed te bewaken.

De herinvesteringsreserve in de bv en de fiscale eenheid

Voor bv’s werkt de herinvesteringsreserve via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier. Binnen een fiscale eenheid kan een reserve die bij de ene vennootschap is ontstaan, worden afgeboekt op een investering bij een andere vennootschap in dezelfde eenheid. Wel gelden er anti-misbruikregels: bij een wisseling van aandeelhouder wordt het gebruik van een bestaande reserve beperkt, om handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Bij concernstructuren is het daarom verstandig de samenloop vooraf te laten toetsen.

Praktische checklist: dit regel je bij de herinvesteringsreserve

  • Boekwinst berekenen: bepaal de netto-opbrengst door de verkoopkosten van de verkoopprijs af te trekken en vergelijk die met de boekwaarde.
  • Voornemen vastleggen: leg je plan om te herinvesteren vast en verzamel bewijs (offertes, plannen), zodat je het onafgebroken voornemen kunt aantonen.
  • Termijn bewaken: noteer dat je uiterlijk in het derde jaar na vorming moet herinvesteren en bewaak die termijn actief.
  • Boekwaarde-eis toepassen: controleer dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel na afboeking niet onder die van het verkochte komt.
  • Functie-eis checken: gaat het om grond, een pand of een ander duurzaam bedrijfsmiddel, ga dan na of het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft.
  • Concern en fiscale eenheid: laat bij een bv-structuur of aandeelhouderswisseling de samenloop met de vennootschapsbelasting vooraf beoordelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag ik met de herinvesteringsreserve wachten?

Je moet uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin je de reserve hebt gevormd herinvesteren. Doe je dat niet, dan valt de reserve verplicht vrij en wordt de boekwinst alsnog belast. In bijzondere gevallen is verlenging mogelijk.

Waarover wordt de reserve berekend, bruto of netto?

Over de netto-opbrengst. Je trekt eerst de kosten van de verkoop van de opbrengst af; het bedrag dat dan boven de boekwaarde uitkomt, mag in de reserve.

Geldt de herinvesteringsreserve ook voor mijn bv?

Ja. De regeling werkt via de vennootschapsbelasting op dezelfde manier voor bv’s en andere lichamen. Binnen een fiscale eenheid gelden er extra mogelijkheden en anti-misbruikregels.

Kan ik de reserve ook voor handelsvoorraad gebruiken?

Nee. De herinvesteringsreserve geldt alleen voor bedrijfsmiddelen die je duurzaam gebruikt, zoals panden, machines of voertuigen. Verkoop van handelsvoorraad of van beleggingen valt er niet onder.

Wat gebeurt er als ik toch niet herinvesteer?

Valt je voornemen om te herinvesteren weg, dan valt de reserve op dat moment vrij en wordt de boekwinst belast. Ook bij het verlopen van de driejaarstermijn zonder herinvestering volgt verplichte vrijval.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount berekent je boekwinst, beoordeelt of een herinvesteringsreserve mogelijk is en zorgt dat de reserve correct in je administratie en aangifte terechtkomt. Wij bewaken de driejaarstermijn, toetsen de boekwaarde- en functie-eis bij het afboeken en houden bij een bv-structuur rekening met de regels voor de fiscale eenheid en aandeelhouderswisselingen. Zo stel je belasting uit zonder dat je een onverwachte vrijval riskeert. Overweeg je een bedrijfsmiddel te verkopen en opnieuw te investeren? Neem contact met ons op voor een persoonlijke beoordeling.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Innovatiebox: zo betaal je 9% belasting over je innovatiewinst

Ontwikkelt je bv zelf iets innovatiefs, zoals een product, een techniek of software? Dan betaal je over de winst daaruit misschien veel meer belasting dan nodig. Met de innovatiebox wordt die innovatiewinst namelijk effectief tegen 9 procent belast, in plaats van tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief van 25,8 procent. Daar staan wel strenge voorwaarden tegenover. In dit artikel lees je wat de innovatiebox is, wanneer je onderneming kwalificeert en hoe het voordeel wordt berekend.

Wat is de innovatiebox?

De innovatiebox is een fiscale faciliteit voor winst uit innovatie (artikel 12b Wet op de vennootschapsbelasting 1969). Normaal betaalt een bv over haar winst 25,8 procent vennootschapsbelasting in de hoogste schijf. Valt een deel van de winst in de innovatiebox, dan wordt over dat deel effectief maar 9 procent belasting geheven.

Technisch is het geen apart tarief, maar een grondslagvermindering: van de innovatiewinst wordt maar een deel in de belasting betrokken en de rest is vrijgesteld. Het effect is dat je per saldo 9 procent betaalt over de winst die in de box valt. De innovatiebox is een keuze: je moet er bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor kiezen.

Voor wie is de innovatiebox bedoeld?

De innovatiebox is bedoeld voor lichamen die vennootschapsbelasting betalen en zelf onderzoek en ontwikkeling doen: in de praktijk vooral de bv en de nv. Kern is dat je een eigen immaterieel activum hebt voortgebracht, bijvoorbeeld een zelf ontwikkelde uitvinding, techniek, werkwijze of software, en dat daarvoor een S&O-verklaring (WBSO) is afgegeven.

Typische situaties zijn een technologiebedrijf dat software of hardware ontwikkelt, een maakbedrijf met een zelf ontworpen productieproces of machine, of een onderneming die licentie-inkomsten of royalty’s ontvangt uit eigen technologie. Ook als je een deel van het ontwikkelwerk uitbesteedt, kun je de box benutten, mits je het activum voor eigen rekening en risico ontwikkelt en zelf de regie voert. Voor een eenmanszaak of vof is de innovatiebox niet van toepassing; die vallen onder de inkomstenbelasting.

Wanneer kwalificeer je voor de innovatiebox?

De toegang tot de innovatiebox verloopt in twee stappen (zie figuur 1). De eerste stap geldt altijd: je hebt een S&O-verklaring (WBSO) nodig voor het speur- en ontwikkelingswerk dat tot het activum heeft geleid. Zonder die verklaring is er geen toegang.

Figuur 1: de toegang verloopt in twee stappen. De S&O-verklaring is altijd nodig; grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig.

De tweede stap geldt alleen voor grotere belastingplichtigen. Zij hebben naast de S&O-verklaring een tweede toegangsbewijs nodig, bijvoorbeeld een octrooi, een kwekersrecht, software, een geneesmiddelvergunning of een vergelijkbaar recht. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan de S&O-verklaring alleen. Je bent een kleinere belastingplichtige als je voordelen uit innovatie over vijf jaar samen onder 37,5 miljoen euro blijven en de omzet van je groep onder 250 miljoen euro. Merken, logo’s en vergelijkbare zaken kwalificeren nooit, omdat hun succes vooral van marketing afhangt.

Hoe wordt het voordeel berekend?

Het voordeel geldt pas nadat je de drempel hebt ingelopen. Alle ontwikkelkosten en eventuele innovatieverliezen moeten eerst tegen het gewone tarief zijn terugverdiend voordat het lage tarief begint. Daarnaast wordt het voordeel beperkt door de zogenoemde nexusbreuk: eigen onderzoek telt volledig mee, maar werk dat je uitbesteedt aan een eigen groepsvennootschap verlaagt het voordeel (zie figuur 2).

Figuur 2: eerst loop je de drempel in, daarna pas je de nexusbreuk toe. Over het kwalificerende voordeel dat overblijft, betaal je effectief 9%.

Een rekenvoorbeeld laat de omvang zien. Stel, je bv heeft 300.000 euro aan kwalificerende innovatiewinst, na aftrek van de drempel en toepassing van de nexusbreuk. Zonder innovatiebox betaal je daarover 25,8 procent, dat is 77.400 euro. Met de innovatiebox wordt maar een deel van die winst belast, zodat je per saldo 9 procent betaalt, dat is 27.000 euro. Het voordeel is dan 77.400 euro min 27.000 euro is 50.400 euro in dat jaar (zie figuur 3).

Figuur 3: over 300.000 euro innovatiewinst betaal je met de innovatiebox 27.000 euro in plaats van 77.400 euro, een voordeel van 50.400 euro.

De vereenvoudigde regeling voor het mkb

Voor kleinere bedrijven bestaat een praktische, forfaitaire route. Daarbij stel je het kwalificerende voordeel vast op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar. Je mag deze route gebruiken als je in het jaar zelf of in een van de twee voorafgaande jaren een kwalificerend activum hebt voortgebracht, en per activum maximaal drie jaar.

Deze forfaitaire regeling scheelt veel rekenwerk, omdat je het voordeel niet uitgebreid hoeft te onderbouwen met een aparte voordeelberekening en nexusbreuk. Voor bedrijven met een beperkte innovatiewinst is dit vaak de eenvoudigste manier om toch van de innovatiebox te profiteren.

Waar moet je op letten?

De innovatiebox is een keuzefaciliteit: doe je niets, dan volgt geen sanctie, maar je betaalt dan wel te veel belasting. De risico’s zitten in de toepassing. Maak je niet aannemelijk dat je zelf een kwalificerend activum hebt voortgebracht, dan wordt de box geweigerd. Een S&O-verklaring alleen is niet genoeg: je moet kunnen aantonen welk activum je zelf hebt ontwikkeld.

Let daarnaast op de terugname, ook wel clawback genoemd. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die aanvraag uiteindelijk afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog bij de winst geteld. Groeit je onderneming van klein naar groot zonder tweede toegangsbewijs, dan vervalt de box direct vanaf dat boekjaar. Zorg ten slotte voor een goede administratie waarin je het bezit van het activum, de hoogte van de voordelen en de berekeningswijze vastlegt.

Praktische checklist: dit regel je rond de innovatiebox

  • WBSO aanvragen: vraag tijdig een S&O-verklaring aan en behoud die; zonder WBSO is er geen toegang tot de innovatiebox.
  • Activum vastleggen: beschrijf welk eigen product, welke techniek of software je hebt ontwikkeld; kennis, databases, merken en logo’s tellen niet mee.
  • Tweede toegangsbewijs regelen: controleer als grotere onderneming of je naast de WBSO een octrooi, kwekersrecht, software of vergelijkbaar recht hebt.
  • Keuze maken in de aangifte: kies bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor toepassing van de innovatiebox.
  • Drempel en nexus berekenen: loop eerst de ontwikkelkosten in en pas de nexusbreuk toe; leg de berekening onderbouwd vast.
  • Forfait overwegen: bekijk of de eenvoudige forfaitaire regeling (25 procent van de winst, maximaal 25.000 euro) voor jou volstaat.
  • Administratie op orde houden: leg het bezit van het activum, de voordelen en de berekeningswijze vast, zodat je bij een controle sterk staat.

Veelgestelde vragen

Hoeveel belasting bespaar ik met de innovatiebox?

Over de winst die in de box valt betaal je effectief 9 procent in plaats van 25,8 procent, een verschil van 16,8 procentpunt. Bij 300.000 euro innovatiewinst scheelt dat ongeveer 50.400 euro belasting per jaar.

Heb ik een octrooi nodig voor de innovatiebox?

Niet altijd. Kleinere belastingplichtigen hebben genoeg aan een S&O-verklaring (WBSO). Grotere ondernemingen hebben daarnaast een tweede toegangsbewijs nodig, zoals een octrooi, kwekersrecht of software.

Geldt de innovatiebox ook voor een eenmanszaak of vof?

Nee. De innovatiebox is een regeling in de vennootschapsbelasting en geldt alleen voor bv’s, nv’s en andere belastingplichtige lichamen. Een eenmanszaak of vof valt onder de inkomstenbelasting.

Wat is de forfaitaire innovatiebox?

Dat is een vereenvoudigde route waarbij je het voordeel vaststelt op 25 procent van de winst, met een maximum van 25.000 euro per jaar en maximaal drie jaar per activum. Je hoeft dan geen uitgebreide voordeelberekening te maken.

Kan het voordeel later worden teruggenomen?

Ja, in bepaalde gevallen. Diende een octrooi- of kwekersrechtaanvraag als toegangsbewijs en wordt die afgewezen, dan wordt het eerder onbelast gebleven voordeel alsnog belast. Dit heet de clawback.

Moet ik de innovatiebox zelf aanvragen?

Je kiest er bij je aangifte vennootschapsbelasting uitdrukkelijk voor. In de praktijk maken veel bedrijven vooraf afspraken met de Belastingdienst over de toepassing; bij het mkb-forfait is dat vooroverleg niet verplicht.

Hoe Taxcount je kan helpen

De innovatiebox kan een fors en structureel voordeel opleveren, maar de toegangs- en onderbouwingseisen zijn zwaar. Taxcount beoordeelt of je een kwalificerend activum hebt voortgebracht, regelt en bewaakt de S&O-verklaring en een eventueel tweede toegangsbewijs, en berekent je voordeel met de drempel en de nexusbreuk. Voor kleinere ondernemingen bekijken wij of de eenvoudige forfaitaire regeling het meeste oplevert.

Wil je weten of je bv in aanmerking komt voor het effectieve tarief van 9 procent? Leg je innovatie voor aan Taxcount, dan onderzoeken wij de mogelijkheden en zorgen wij voor een goede onderbouwing.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd beoordelen door een fiscalist voordat je een beslissing neemt.

Zie ook:

Deelnemingsvrijstelling: zo blijft winst uit je dochter-bv onbelast

Heb je een holding met daaronder een of meer werk-bv’s, dan is de deelnemingsvrijstelling waarschijnlijk de belangrijkste fiscale regeling voor jou. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat dividend en verkoopwinst uit een dochtervennootschap bij je holding onbelast blijven. Zo betaal je niet twee keer vennootschapsbelasting over dezelfde winst. In dit artikel lees je wanneer sprake is van een deelneming, wat er wel en niet onder de vrijstelling valt, en waar je op moet letten om verrassingen te voorkomen.

Wat is de deelnemingsvrijstelling?

Als een bv winst maakt, betaalt zij daarover vennootschapsbelasting. Keert die bv de winst daarna als dividend uit aan haar moeder-bv, dan zou de moeder er nog een keer belasting over betalen. Datzelfde speelt bij de verkoop van een dochter: de verkoopwinst weerspiegelt vaak winst die al belast is of nog belast wordt. De deelnemingsvrijstelling voorkomt die dubbele heffing. Voordelen uit een deelneming, zoals dividend en verkoopwinst, blijven bij de moeder buiten de winst en dus onbelast.

De vrijstelling werkt twee kanten op. Niet alleen winst en dividend zijn vrijgesteld, ook een verlies op de deelneming is niet aftrekbaar, en de kosten van aankoop of verkoop van de deelneming zijn dat evenmin. Wie een deelneming met winst verkoopt, hoeft dus niets af te rekenen. Wie hem met verlies verkoopt, kan dat verlies in beginsel niet aftrekken.

Wanneer is sprake van een deelneming?

Er is sprake van een deelneming bij een belang van ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Dat kan een Nederlandse of een buitenlandse vennootschap zijn. Ook een belang van 5 procent in een fonds voor gemene rekening telt mee, en bij een coöperatie is elk lidmaatschap al genoeg. Voor bepaalde belangen in EU-vennootschappen kan onder voorwaarden ook het stemrecht meetellen.

Zakt je belang onder de 5 procent, dan is er in beginsel geen deelneming meer. Er geldt echter een aflooptermijn van drie jaar als je het belang daarvoor meer dan een jaar onafgebroken boven de 5 procent hield. In die periode blijft de vrijstelling nog gelden. De beslisboom in figuur 1 laat zien hoe je stap voor stap beoordeelt of je belang onder de vrijstelling valt.

Figuur 1: beslisboom in vier stappen. Je toetst achtereenvolgens of je ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt, of je het belang als belegging houdt, of de dochter laagbelast is en of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming. Groen betekent dat de vrijstelling geldt, rood dat die niet geldt.

Rekenvoorbeeld

Een holding bezit 100 procent van de aandelen in een werk-bv. De werk-bv maakt 500.000 euro winst, betaalt daarover vennootschapsbelasting en keert 300.000 euro als dividend uit aan de holding. Door de deelnemingsvrijstelling is dat dividend van 300.000 euro bij de holding volledig onbelast. Verkoopt de holding de werk-bv later voor 2.000.000 euro meer dan de aankoopprijs, dan is ook die verkoopwinst van 2.000.000 euro vrijgesteld (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van een holding met een werk-bv. Links keert de werk-bv uit een winst van 500.000 euro een dividend van 300.000 euro uit, rechts verkoopt de holding de werk-bv met 2.000.000 euro verkoopwinst. In beide gevallen betaalt de holding 0 euro vennootschapsbelasting, dus blijft 2.300.000 euro onbelast binnen de holding.

Wanneer geldt de vrijstelling niet?

De deelnemingsvrijstelling geldt niet altijd. Houd je een belang als belegging en is de dochter laagbelast, dan is er sprake van een beleggingsdeelneming. In dat geval geldt de vrijstelling in beginsel niet. Er is dan pas toch vrijstelling als het een kwalificerende beleggingsdeelneming is: de dochter wordt naar Nederlandse begrippen reëel belast, of haar bezittingen bestaan doorgaans voor minder dan de helft uit laagbelaste beleggingen. Dit onderscheid speelt vooral bij internationale structuren. Ook een fiscale beleggingsinstelling valt buiten de vrijstelling. Deze afwegingen zie je terug in de beslisboom (figuur 1).

Waar je verder op moet letten

Verandert het regime van een belang, bijvoorbeeld doordat een deelneming een beleggingsdeelneming wordt of andersom, dan moet je het resultaat splitsen over de perioden waarin de vrijstelling wel en niet gold. Dat heet compartimenteren. Let ook op eerder afgewaardeerde vorderingen op de dochter: bij verkoop of omzetting daarvan kan een bijtelling volgen. Deze onderwerpen zijn technisch, dus laat ze bij twijfel beoordelen door een adviseur.

Wat levert de vrijstelling op?

De waarde van de vrijstelling hangt samen met het tarief van de vennootschapsbelasting. In 2026 is dat tarief 19 procent over de winst tot 200.000 euro en 25,8 procent over het meerdere. Doordat dividend en verkoopwinst onbelast blijven, kan de deelnemingsvrijstelling bij een bedrijfsverkoop of een winstuitkering binnen het concern een zeer groot voordeel opleveren.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Belang toetsen. Ga na of je ten minste 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal houdt; alleen dan is er een deelneming.
  • Karakter bepalen. Beoordeel of je het belang als belegging houdt en of de dochter laagbelast is; dat bepaalt of de vrijstelling geldt.
  • Kosten juist verwerken. Houd aan- en verkoopkosten van de deelneming en een deelnemingsverlies buiten aftrek.
  • Regimewijziging signaleren. Verandert de status van een deelneming, laat dan de compartimentering beoordelen.
  • Vorderingen bewaken. Let bij een eerder afgewaardeerde vordering op de dochter op een mogelijke bijtelling bij verkoop of omzetting.

Veelgestelde vragen

Vanaf welk percentage geldt de deelnemingsvrijstelling?

Vanaf een belang van 5 procent van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap. Bij een coöperatie is elk lidmaatschap al voldoende.

Is dividend uit mijn werk-bv onbelast?

Ja, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, blijft het dividend dat je holding uit de werk-bv ontvangt onbelast in de vennootschapsbelasting.

Is de verkoopwinst van een dochter belast?

Nee, als de deelnemingsvrijstelling geldt, is de winst bij verkoop van de deelneming vrijgesteld. Een verlies bij verkoop is dan echter ook niet aftrekbaar.

Wat is een beleggingsdeelneming?

Een deelneming die je als belegging houdt in een laagbelaste vennootschap. Daarop geldt de vrijstelling in beginsel niet, tenzij het een kwalificerende beleggingsdeelneming is.

Zijn de aankoopkosten van een deelneming aftrekbaar?

Nee. De kosten van aankoop en verkoop van een deelneming vallen onder de vrijstelling en zijn niet aftrekbaar van de winst.

Hoe Taxcount je kan helpen

Taxcount beoordeelt of je belangen onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook bij internationale structuren en beleggingsdeelnemingen. Wij helpen je bij de opzet van een holdingstructuur, bij de verwerking van dividend en verkoopwinst in de aangifte vennootschapsbelasting en bij lastige onderwerpen zoals compartimentering en afgewaardeerde vorderingen. Overweeg je een herstructurering of verkoop? Laat je situatie vooraf door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je adviseren voordat je beslissingen neemt.

Zie ook:

Liquidatieverlies: wanneer u het verlies op een opgeheven dochter-bv mag aftrekken

Heeft uw holding een dochtervennootschap die verlieslatend is en die definitief wordt opgeheven? Normaal zijn winst en verlies op een dochter onbelast door de deelnemingsvrijstelling. Maar bij een echte liquidatie mag u het verlies, het liquidatieverlies, onder voorwaarden tóch van uw winst aftrekken. Dat kan een flinke besparing op de vennootschapsbelasting opleveren. In dit artikel leest u wat een liquidatieverlies is, hoe u het berekent, welke voorwaarden gelden en waar u in 2026 op moet letten.

Wat is een liquidatieverlies?

De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat voordelen uit een dochtervennootschap bij de moeder onbelast blijven. Winst is vrijgesteld, maar een verlies is dan ook niet aftrekbaar. De liquidatieverliesregeling is hierop de belangrijkste uitzondering. Gaat de dochter definitief ten onder, dan zou het verlies anders nergens meer kunnen worden benut. Daarom mag de moeder het bij liquidatie alsnog aftrekken.

Let op het verschil tussen liquidatie en verkoop. Verkoopt u een dochter met verlies, dan valt dat verlies onder de deelnemingsvrijstelling en is het niet aftrekbaar. Alleen bij een echte ontbinding of liquidatie komt de aftrek in beeld. De regeling geldt voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen, meestal de bv of nv, die een deelneming van 5 procent of meer houden. Voor een eenmanszaak of vof speelt zij niet.

Hoe berekent u het liquidatieverlies?

Het liquidatieverlies is het opgeofferde bedrag min alles wat u bij de opheffing nog terugkrijgt. Het opgeofferde bedrag is vereenvoudigd wat de moeder in totaal in de dochter heeft gestoken: de aankoopprijs en de latere kapitaalstortingen. Wat u bij de afwikkeling nog ontvangt, de liquidatie-uitkeringen, gaat daarvan af.

Rekenvoorbeeld

Stel, uw bv heeft 200.000 euro in haar dochter gestoken, dus het opgeofferde bedrag is 200.000 euro. De dochter wordt geliquideerd en er blijft nog 30.000 euro over dat naar de moeder gaat. Het liquidatieverlies is dan 200.000 euro min 30.000 euro, dus 170.000 euro. Omdat dit onder de drempel van 5.000.000 euro blijft, is het volledig aftrekbaar. In 2026 is het vennootschapsbelastingtarief 19 procent tot 200.000 euro winst en 25,8 procent daarboven. Bij het hoge tarief scheelt een verlies van 170.000 euro ongeveer 43.860 euro belasting (zie figuur 1).

  Figuur 1: het liquidatieverlies is het opgeofferde bedrag min de liquidatie-uitkering. In dit voorbeeld blijft van 200.000 euro na een uitkering van 30.000 euro een verlies van 170.000 euro over, dat bij het hoge Vpb-tarief ongeveer 43.860 euro belasting scheelt.

Welke voorwaarden gelden sinds 2021?

Sinds 1 januari 2021 gelden drie belangrijke beperkingen. Ten eerste een bedragdrempel: verliezen tot 5.000.000 euro per opgeheven lichaam blijven aftrekbaar zonder de kwantitatieve en territoriale eis. De temporele voorwaarde geldt wél altijd: is de vereffening niet uiterlijk in het derde kalenderjaar na het jaar van staking afgerond, dan vervalt de aftrek ook onder die 5.000.000 euro. Door deze drempel blijft een liquidatieverlies in het MKB doorgaans volledig aftrekbaar.

Boven 5.000.000 euro gelden twee eisen naast elkaar. Een kwantitatieve eis: u moet een belang hebben gehad waarmee u de activiteiten van de dochter kon bepalen, in de regel meer dan de helft van de stemrechten. En een territoriale eis: aftrek is alleen mogelijk als de dochter in Nederland, de EU, de EER of een aangewezen associatiestaat is gevestigd. Ten derde een tijdseis: de afwikkeling moet zijn afgerond uiterlijk in het derde kalenderjaar na het jaar waarin de dochter haar onderneming (nagenoeg) helemaal staakte. Wie te lang wacht zonder goede reden, kan het recht op aftrek verliezen (zie figuur 2).

Figuur 2: de termijn loopt van het jaar waarin de onderneming (nagenoeg) geheel wordt gestaakt tot uiterlijk 31 december van het derde kalenderjaar daarna. Rondt u op tijd af, dan neemt u het verlies in het jaar van voltooiing; wacht u zonder goede reden langer, dan kan het recht op aftrek vervallen.

Wanneer mag u het verlies nemen?

U mag het liquidatieverlies pas nemen zodra de vereffening is voltooid, dus zodra de vennootschap volledig is afgewikkeld en is opgehouden te bestaan. De gedachte daarachter is dat pas dan zeker is dat het verlies bij de dochter voorgoed verloren gaat. Neemt u de aftrek te vroeg, dan corrigeert de inspecteur de aangifte.

Bij een turboliquidatie, de ontbinding van een lege vennootschap zonder bezittingen, is er geen formele vereffening. De vennootschap houdt dan meteen op te bestaan. In dat geval geldt de vereffening als voltooid op het ontbindingstijdstip, zodat u het verlies vanaf dat moment kunt nemen.

Let op bij een tussenhoudster

Hield de opgeheven vennootschap zelf ook weer aandelen in een andere vennootschap, een kleindochter? Dan geldt een bijzondere correctie. Is die kleindochter verkocht of mee overgegaan en sinds de verkrijging in waarde gedaald, dan telt het liquidatieverlies alleen mee voor zover het die waardedaling te boven gaat. Zo wordt voorkomen dat een niet-aftrekbaar deelnemingsverlies wordt omgezet in een aftrekbaar liquidatieverlies (zie figuur 3).

Belangrijk daarbij: ook tussentijdse kapitaalstortingen in de kleindochter tellen mee bij het bepalen van die waardedaling. De Hoge Raad heeft dit bevestigd. Zet u of een verbonden bedrijf de onderneming van de opgeheven dochter voort, dan wordt de aftrek bovendien uitgesteld tot die onderneming alsnog geheel wordt gestaakt of uitsluitend door een ander wordt voortgezet.

Figuur 3: bij een tussenhoudster verlaagt de waardedaling van de kleindochter het aftrekbare liquidatieverlies. Van 400.000 euro blijft in dit voorbeeld 250.000 euro over, omdat de kleindochter sinds de verkrijging 150.000 euro in waarde daalde.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Aard van het verlies bepalen. Ga na of het om een liquidatie gaat (mogelijk aftrekbaar) of om een verkoop (niet aftrekbaar).
  • Opgeofferd bedrag vaststellen. Breng aankoopprijs en latere stortingen in kaart en laat het opgeofferde bedrag bij beschikking vaststellen, zodat er later geen discussie is.
  • Vereffening afronden. Neem het verlies pas in het jaar waarin de vennootschap volledig is afgewikkeld.
  • Termijn bewaken. Rond de afwikkeling af binnen het derde kalenderjaar na het jaar van staking.
  • Tussenhoudster controleren. Breng bij een kleindochter de waardeontwikkeling en tussentijdse stortingen sinds de verkrijging in beeld.
  • Onderbouwing bewaren. Bewaar alle stukken; de bewijslast voor omvang en voorwaarden ligt zwaar bij u.

Veelgestelde vragen

Mag ik een verlies bij verkoop van mijn dochter-bv aftrekken?

Nee. Een verlies bij verkoop van een deelneming valt onder de deelnemingsvrijstelling en is niet aftrekbaar. Alleen bij een echte liquidatie of ontbinding kan het liquidatieverlies aftrekbaar zijn.

Wat is het opgeofferde bedrag?

Het opgeofferde bedrag is vereenvoudigd alles wat u in de dochter heeft gestoken: de aankoopprijs en de latere kapitaalstortingen. Het is het startpunt voor de berekening van het liquidatieverlies.

Geldt de regeling ook voor het MKB?

Ja. Dankzij de drempel van 5.000.000 euro per opgeheven lichaam is een liquidatieverlies in het MKB doorgaans volledig aftrekbaar. De extra eisen voor grote en internationale structuren spelen dan meestal niet.

Wanneer mag ik het liquidatieverlies aftrekken?

Pas nadat de vennootschap volledig is afgewikkeld en is opgehouden te bestaan. Bij een turboliquidatie geldt de afwikkeling als voltooid op het ontbindingstijdstip.

Wat is een turboliquidatie?

Een turboliquidatie is de ontbinding van een vennootschap zonder bezittingen. Er is dan geen formele vereffening en de vennootschap houdt meteen op te bestaan.

Hoe Taxcount u kan helpen

De liquidatieverliesregeling kan een aanzienlijk verlies aftrekbaar maken, maar de voorwaarden zijn talrijk en formeel. Een te vroeg genomen aftrek, een overschreden termijn of een gemiste tussenhoudstercorrectie leidt al snel tot een correctie of navordering. Taxcount stelt het opgeofferde bedrag juist vast, plant de liquidatie binnen de termijn, beoordeelt de tussenhoudster- en fiscale-eenheidsregels en onderbouwt het verlies zodat het standhoudt. Overweegt u een dochter op te heffen of is dat al gebeurd? Leg uw situatie voor aan Taxcount en wij toetsen of en hoe u het liquidatieverlies kunt benutten.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

Vennootschapsbelasting: zo werkt de Vpb en zo houdt u meer over

Heb je een bv of overweeg je er een op te richten? Dan krijg je te maken met de vennootschapsbelasting, de winstbelasting voor bv’s en andere lichamen. Veel ondernemers weten dat hun bv belasting over de winst betaalt, maar niet hoe de tarieven precies werken, wanneer de aangifte moet en welke regelingen belasting kunnen besparen. In dit artikel lees je in gewone taal hoe de vennootschapsbelasting in 2026 in elkaar zit, wat je betaalt en waar de belangrijkste voordelen zitten.

Wat is vennootschapsbelasting?

De vennootschapsbelasting (Vpb) is de belasting die een bv, nv of ander lichaam betaalt over de winst. Waar een eenmanszaak of vof onder de inkomstenbelasting valt, betaalt een bv dus vennootschapsbelasting. Een paar kernbegrippen op een rij:

  • Belastbaar bedrag: de winst waarover je belasting betaalt, nadat de aftrekposten er af zijn.
  • Twee tarieven: over de eerste € 200.000 winst betaal je 19%, over alles daarboven 25,8% (tarieven 2026).
  • Opstaptarief: de lagere schijf van 19% heet het opstaptarief of MKB-tarief, een voordeel voor kleinere winsten.
  • Belastingplichtige: elke zelfstandige bv is een eigen belastingplichtige met een eigen schijf van € 200.000 tegen 19%.

Het verschil tussen beide tarieven is 6,8 procentpunt. Over de eerste € 200.000 winst scheelt de lage schijf je dus maximaal € 13.600 per jaar.

Vpb-tarieven 2026

Belastbaar bedrag Tarief 2026
Tot en met € 200.000 19%
Boven € 200.000 25,8%

 

Wie betaalt en wanneer?

Of en hoeveel vennootschapsbelasting je betaalt, hangt af van een paar vaste punten:

  • Rechtsvorm: je onderneming is een bv, nv of ander Vpb-plichtig lichaam. Een eenmanszaak of vof valt hier niet onder.
  • Winst: er is belastbare winst. Maakt je bv verlies, dan betaal je dat jaar geen Vpb en kun je het verlies meestal met andere jaren verrekenen.
  • Aangifte: je doet elk jaar aangifte vennootschapsbelasting, in de regel binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar (met uitstel via je adviseur vaak langer).
  • Voorlopige aanslag: de Belastingdienst legt vaak een voorlopige aanslag op, zodat je de belasting gespreid betaalt in plaats van in één keer achteraf.

Kort gezegd: zodra je bv winst maakt, betaal je er belasting over, maar met de juiste regelingen kun je dat bedrag flink verlagen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer heeft drie winstgevende werk-bv’s onder één holding. Elke bv maakt € 200.000 winst, samen € 600.000. De vraag is of hij de bv’s als één fiscale eenheid laat belasten of elk apart.

Scenario A: één fiscale eenheid (samen belast)

  • € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • € 400.000 tegen 25,8% = € 103.200
  • Totaal: € 141.200 vennootschapsbelasting

Scenario B: drie zelfstandige bv’s (elk apart belast)

  • Elke bv: € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • 3 × € 38.000 = € 114.000 vennootschapsbelasting

De conclusie: door de bv’s apart te houden gebruikt elke bv haar eigen opstaptarief van 19%. Dat scheelt € 141.200 − € 114.000 = € 27.200 per jaar. Let op: een fiscale eenheid heeft ook voordelen (zoals onderlinge verliesverrekening), dus dit is altijd een afweging.

Praktische gevolgen

Naast de tarieven zijn er een paar regelingen en verplichtingen die je Vpb-rekening sterk beïnvloeden:

  • Aangifte- en administratieplicht: dien op tijd aangifte in en bewaar een deugdelijke administratie; te laat aangeven kan een boete opleveren.
  • Verliesverrekening: een verlies gaat één jaar terug en daarna onbeperkt vooruit, maar je mag per jaar maar € 1.000.000 plus 50% van de winst daarboven verrekenen.
  • Innovatiebox: maakt je bv winst met zelf ontwikkelde innovatie (met WBSO-verklaring), dan wordt die winst effectief tegen 9% belast in plaats van 25,8%.
  • Opstaptarief benutten: bij meerdere winstgevende bv’s loont het om te bekijken of een fiscale eenheid wel of juist niet voordelig is.
  • Renteaftrekbeperking: betaalt je bv veel rente (boven € 1.000.000 per saldo), dan is de aftrek beperkt tot 24,5% van een gecorrigeerde winst (earningsstripping).

Conclusie en advies

De vennootschapsbelasting lijkt eenvoudig, 19% tot € 200.000 en 25,8% daarboven, maar de echte winst zit in de details: het slim benutten van het opstaptarief, de keuze rond een fiscale eenheid, het op tijd verrekenen van verliezen en het gebruik van de innovatiebox. Die keuzes kunnen per jaar duizenden euro’s schelen, zoals het rekenvoorbeeld laat zien. Wil je weten of je bv-structuur en aangifte fiscaal optimaal zijn? De adviseurs van Taxcount beoordelen je situatie graag en laten je zien waar je kunt besparen.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeer je als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) je in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag je 45, 36 of 27 procent van je investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en je moet de investering op tijd melden. In dit artikel lees je wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel je kunt aftrekken en wat je moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij je elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag je eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Je belastbare winst wordt daardoor lager en je betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Ben je alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heb je geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor je geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet je minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

\"\"

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

\"\"

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet je investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet je investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat je de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

Je moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat je de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kies je voor de MIA in je aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meld je te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als je de melding wel op tijd hebt verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kun je de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag je de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat je deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee je zelf bepaalt wanneer je afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. Je moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

\"\"

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet je kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoop je het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet je een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als je van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van je MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of je bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijg je geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in je aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar je stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. Je moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag je ze niet allebei gebruiken; je kiest de gunstigste. De MIA mag je wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kun je de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteer je van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount je kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of je investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweeg je een duurzame investering? Leg je plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kun je alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Fiscale eenheid Vpb: wanneer is het voor jou voordelig?

Heb je een holding met een of meer werk-bv’s, of een onderneming die over meerdere bv’s is verdeeld? Dan kun je ervoor kiezen om die vennootschappen samen als één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting te behandelen: een fiscale eenheid. Dat kan voordelig zijn, bijvoorbeeld als de ene bv winst maakt en de andere verlies. Maar er zitten ook nadelen aan. Dit artikel legt uit wat een fiscale eenheid is, wat de voordelen en nadelen zijn, welke voorwaarden gelden en hoe je de afweging maakt.

Wat is een fiscale eenheid?

Normaal doet elke bv apart aangifte over haar eigen winst. Een fiscale eenheid doorbreekt dat. Op gezamenlijk verzoek van de moeder- en dochtervennootschap wordt de vennootschapsbelasting geheven alsof er één belastingplichtige is. De winst en het vermogen van de dochter worden bij de moeder geteld, en de belasting wordt bij de moeder geheven. De vennootschappen blijven juridisch zelfstandig, maar fiscaal worden ze als een geheel behandeld (zie figuur 1).

  Figuur 1: een fiscale eenheid van een holding (moeder) met twee werk-bv’s (dochters).

Wat zijn de voordelen?

Een fiscale eenheid heeft drie hoofdvoordelen. Het eerste is de onderlinge verliesverrekening: het verlies van de ene bv verlaagt direct het belaste resultaat van de andere bv. Het tweede is dat transacties tussen de gevoegde vennootschappen fiscaal niet meetellen, zoals onderlinge winst op leveringen, verhuur of leningen. Het derde is dat je binnen de groep geruisloos kunt reorganiseren, dus bedrijfsmiddelen verschuiven zonder direct af te rekenen. Bijkomend voordeel: je doet één gezamenlijke aangifte in plaats van een aparte aangifte per bv.

Rekenvoorbeeld

Stel, moeder M maakt 100 euro winst, dochter D maakt 200 euro verlies en dochter X maakt 300 euro winst. Zonder fiscale eenheid wordt belasting geheven over 400 euro (100 plus 300) en blijft het verlies van D van 200 euro voorlopig ongebruikt liggen. Met een fiscale eenheid worden de resultaten bij elkaar opgeteld: 100 min 200 plus 300 is 200 euro belaste winst. Het verlies van D wordt zo meteen benut, wat de groep direct belasting bespaart (zie figuur 2).

 Figuur 2: verliesverrekening met en zonder fiscale eenheid, bij winst 100, verlies 200 en winst 300.

Wat zijn de nadelen?

Een fiscale eenheid is niet altijd voordelig. De belangrijkste nadelen zijn de volgende. Het lage vennootschapsbelastingtarief van 19 procent geldt maar tot 200.000 euro winst, en binnen een fiscale eenheid geldt die schijf één keer voor de hele groep, in plaats van per bv. Ook worden investeringen van alle vennootschappen samengeteld voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, waardoor die aftrek lager kan uitvallen. Verder is elke gevoegde vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van de hele eenheid, niet alleen voor haar eigen deel. En bij het verbreken van de eenheid kun je te maken krijgen met een verplichte afrekening over stille reserves.

Welke voorwaarden gelden?

Om een fiscale eenheid te kunnen vormen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan:

  • Belang van minstens 95 procent: de moeder bezit de juridische en economische eigendom van ten minste 95 procent van de aandelen in de dochter, met minstens 95 procent van de stemrechten, de winst en het vermogen.
  • Vpb-plichtige lichamen: het gaat om een bv, nv, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, niet om een eenmanszaak of vof.
  • Zelfde boekjaar en winstbepaling: de boekjaren vallen samen en voor beide vennootschappen gelden dezelfde regels voor de winstbepaling.
  • Gevestigd in Nederland: beide vennootschappen zijn feitelijk in Nederland gevestigd, of voldoen aan de bijzondere voorwaarden.
  • Gezamenlijk verzoek: je dient een gezamenlijk verzoek in bij de inspecteur; de eenheid kan maximaal drie maanden vóór het verzoek ingaan.

Hoe maak je de afweging?

Een fiscale eenheid is een keuze, geen verplichting. Het loont om die keuze bewust te maken. De voordelen wegen vooral zwaar als minstens één vennootschap verlies maakt terwijl een andere winst maakt, als er veel onderlinge transacties zijn, of als er een reorganisatie op stapel staat (zie figuur 3). Zijn die voordelen er niet, dan kunnen de nadelen (het maar één keer benutten van de lage tariefschijf, de samentelling voor de investeringsaftrek en de hoofdelijke aansprakelijkheid) de doorslag geven om juist geen eenheid te vormen. Omdat de situatie per jaar kan veranderen, is het verstandig de keuze periodiek te herijken. Let bij een eventuele verbreking op de sanctietermijn: verbreek je de eenheid binnen zes jaar (soms drie jaar) na een interne overdracht van een bedrijfsmiddel met een stille reserve, dan kan alsnog directe heffing volgen.

Figuur 3: de voordelen en nadelen van een fiscale eenheid tegen elkaar afgewogen.

Praktische checklist: wat je moet regelen

  • Controleer het belang: de moeder moet minstens 95 procent van de aandelen, stemrechten, winst en vermogen van de dochter hebben.
  • Bepaal of er voordeel is: weeg de winst-verliespositie, onderlinge transacties en reorganisatieplannen tegen elkaar af.
  • Weeg de nadelen mee: denk aan de ene tariefschijf, de samentelling voor de KIA en de hoofdelijke aansprakelijkheid.
  • Dien een gezamenlijk verzoek in: de eenheid kan maximaal drie maanden vóór het verzoek ingaan.
  • Let op verbreking: houd rekening met de sanctietermijn van art. 15ai bij verbreking na een interne overdracht.
  • Herijk periodiek: beoordeel jaarlijks of de fiscale eenheid nog de voordeligste keuze is.

Veelgestelde vragen

Wat is een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting?

Het is een keuze waarbij een moeder- en dochtervennootschap samen als één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting worden behandeld. De resultaten worden samengevoegd en de belasting wordt bij de moeder geheven.

Wat is het grootste voordeel van een fiscale eenheid?

Vaak de onderlinge verliesverrekening: het verlies van de ene bv verlaagt direct de belaste winst van de andere bv. Daarnaast tellen onderlinge transacties niet mee en kun je geruisloos reorganiseren binnen de groep.

Welke nadelen heeft een fiscale eenheid?

De lage tariefschijf van 19 procent geldt maar één keer voor de hele groep, de investeringsaftrek kan lager uitvallen door samentelling, en elke gevoegde bv is hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschuld van de hele eenheid.

Aan welke voorwaarde moet ik voldoen voor een fiscale eenheid?

De belangrijkste voorwaarde is dat de moeder minstens 95 procent van de aandelen in de dochter bezit, inclusief 95 procent van de stemrechten, de winst en het vermogen. Ook moeten de boekjaren samenvallen en gelden er vestigings- en verzoekvereisten.

Kan ik een fiscale eenheid weer verbreken?

Ja, maar let op de gevolgen. Verbreek je de eenheid binnen de sanctietermijn (in beginsel zes jaar, soms drie) na een interne overdracht van een bedrijfsmiddel met een stille reserve, dan kan een verplichte afrekening over die reserve volgen.

Hoe Taxcount je kan helpen

Of een fiscale eenheid in jouw situatie voordelig is, hangt af van je winst-verliespositie, je concernstructuur en je plannen. Taxcount toetst of aan de voorwaarden is voldaan, berekent het voordeel van verliesverrekening tegenover de nadelen en verzorgt het verzoek bij de inspecteur. Ook bij een eventuele verbreking begeleiden wij je, zodat je niet onverwacht hoeft af te rekenen. Wil je weten of een fiscale eenheid voor je bv’s loont? De adviseurs van Taxcount helpen je graag uit. Neem gerust contact met ons op. In de tussentijd kun je kijken of een Fiscale eenheid beter voor jou is dan meerdere bv’s met onze fiscale eenheid dashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van je persoonlijke situatie. Laat je situatie altijd door een adviseur beoordelen.

Zie ook:

De BV en Aansprakelijkheid: Wanneer is de Bestuurder écht Persoonlijk Aansprakelijk?

Een van de belangrijkste redenen om voor een Besloten Vennootschap (BV) te kiezen, is de beperkte aansprakelijkheid. De BV is een zelfstandige rechtspersoon, wat betekent dat de vennootschap in principe zelf aansprakelijk is voor haar schulden. Je privévermogen – je huis, je spaargeld – is veilig. Echter, deze bescherming is niet absoluut. In situaties van ‘onbehoorlijk bestuur’ kan deze juridische muur worden doorbroken en kun je als bestuurder alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Onbehoorlijk Bestuur

De meeste vormen van bestuurdersaansprakelijkheid komen voort uit wat de wet ‘onbehoorlijk bestuur’ noemt. Hier is geen harde definitie voor, maar het komt neer op handelen op een manier die geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou doen. Het gaat om een ernstig verwijt. We kunnen de risico’s onderverdelen in drie categorieën.

  1. Interne Aansprakelijkheid

Dit betreft de verantwoordelijkheid die je als bestuurder hebt naar de vennootschap. Als je handelen de BV schade berokkent, kan de BV (of de curator bij een faillissement) je persoonlijk aansprakelijk stellen.

  • Voorbeelden:
    • Het aangaan van zeer risicovolle transacties zonder gedegen vooronderzoek.
    • Het vermengen van privé-uitgaven met de zakelijke financiën.
    • Handelen in strijd met de statuten van de BV.
  1. Externe Aansprakelijkheid (Tegenover Derden)

Dit is de meest voorkomende vorm en betreft de aansprakelijkheid jegens schuldeisers, zoals leveranciers, klanten en de Belastingdienst.

  • Voorbeelden:
    • De ‘Beklamel-norm’: Je gaat namens de BV een contract aan waarvan je op dat moment al weet (of redelijkerwijs had moeten weten) dat de BV de verplichtingen niet kan nakomen. Bijvoorbeeld, het bestellen van een grote partij goederen terwijl de bankrekening leeg is en er geen zicht is op inkomsten.
    • Belastingschulden: Als de BV haar belastingen en premies niet kan betalen, ben je als bestuurder verplicht dit tijdig te melden bij de Belastingdienst (melding van betalingsonmacht). Doe je dit niet, dan wordt vermoed dat de betalingsproblemen aan jouw onbehoorlijk bestuur te wijten zijn en ben je persoonlijk aansprakelijk voor de volledige belastingschuld.
  1. Aansprakelijkheid bij Faillissement

    Bij een faillissement kan de curator je als bestuurder persoonlijk aansprakelijk stellen voor het volledige tekort in de boedel, als aannemelijk is dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

  • Cruciale valkuil: De wet stelt dat als je je boekhoudplicht hebt verzaakt (bijvoorbeeld geen deugdelijke administratie gevoerd) of de jaarrekening niet op tijd hebt gedeponeerd, er automatisch wordt aangenomen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. De bewijslast wordt dan omgedraaid: je moet dan zelf bewijzen dat dit niet de oorzaak van het faillissement was, wat in de praktijk zeer lastig is.

Conclusie en Advies

De BV biedt uitstekende bescherming voor je privévermogen, maar het is geen vrijbrief. De sleutel tot het voorkomen van persoonlijke aansprakelijkheid ligt in deugdelijk en zorgvuldig bestuur. Dit betekent:

  • Voer een correcte en volledige administratie.
  • Deponeer je jaarrekening op tijd.
  • Meld betalingsonmacht direct bij de Belastingdienst.
  • Ga geen verplichtingen aan die de BV redelijkerwijs niet kan dragen.

Een goede administratieve organisatie is je eerste en beste verdedigingslinie. Bij Taxcount helpen wij je niet alleen met de cijfers, maar ook met het inrichten van een deugdelijke administratie en het voldoen aan je wettelijke verplichtingen. Zo kun je met een gerust hart ondernemen, wetende dat je aansprakelijkheidsrisico’s geminimaliseerd zijn.