30% regeling / 30% ruling

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Haalt u een werknemer met schaarse kennis uit het buitenland naar Nederland, dan lopen de kosten al snel op. De 30%-regeling, sinds 2024 officieel de expatregeling genoemd, biedt uitkomst. U mag dan een deel van het loon onbelast uitbetalen als vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf in een ander land. Voor 2026 gaat het om maximaal 30% van het loon, belastingvrij. In dit artikel leest u voor wie de regeling geldt, welke voorwaarden de Belastingdienst stelt, hoeveel u onbelast mag vergoeden en wat er vanaf 2027 verandert. Zo weet u of u de regeling kunt inzetten en wat u daarvoor moet regelen.

Wat is de 30%-regeling?

Wie tijdelijk buiten zijn eigen land werkt, maakt extra kosten. Denk aan dubbele huisvesting, hogere kosten van levensonderhoud en reizen naar het thuisland. Deze extra kosten heten extraterritoriale kosten: extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst. Als werkgever mag u deze kosten onbelast vergoeden, en daarvoor bestaan twee routes.

Bij de eerste route vergoedt u de werkelijke extra kosten en bewijst u die met bonnen en bewijsstukken. Bij de tweede route past u een vast percentage toe zonder die bewijslast. Die tweede route is de bekende 30%-regeling: u betaalt een vast deel van het loon onbelast uit, zonder de werkelijke kosten aan te tonen. In vakjargon heet dit een bewijsregel. Voor veel werkgevers is de forfaitaire route eenvoudiger, omdat u geen kostenadministratie per werknemer hoeft bij te houden.

Voor wie geldt de expatregeling?

De regeling geldt voor elke werkgever die loonbelasting inhoudt en te maken heeft met grensoverschrijdend personeel, van de eenmanszaak met personeel tot de bv, nv, stichting en overheid. Er zijn twee groepen werknemers die in beeld komen.

Ingekomen werknemers

Dit zijn werknemers die u uit een ander land aanwerft of die naar Nederland worden gezonden en die een specifieke deskundigheid hebben die op de Nederlandse arbeidsmarkt schaars is. De regeling speelt vooral in kennisintensieve sectoren, zoals tech, onderzoek en ontwikkeling, financiële dienstverlening, universiteiten en onderzoeksinstellingen, ziekenhuizen en internationale bedrijven.

Uitgezonden werknemers

Dit zijn werknemers die u juist naar het buitenland stuurt, zoals ambtenaren op een post in het buitenland, militairen en werknemers die in het buitenland wetenschap beoefenen of onderwijs geven. Voor deze groep geldt de regeling gedurende de duur van de uitzending, met de eis van ten minste 45 verblijfsdagen in twaalf maanden.

Welke voorwaarden gelden er?

De Belastingdienst stelt een aantal harde eisen voordat u de 30%-regeling mag toepassen op een ingekomen werknemer. De belangrijkste zijn de salarisnorm, de afstandseis en een tijdige aanvraag. Figuur 1 laat stap voor stap zien of uw werknemer in aanmerking komt.

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of uw werknemer in aanmerking komt voor de 30%-regeling.

De salarisnorm houdt in dat de werknemer een bepaald belastbaar jaarloon moet verdienen. Voor 2026 is dat meer dan 48.013 euro. Voor een werknemer die jonger is dan 30 jaar en een erkende wetenschappelijke mastergraad heeft, geldt een lagere norm van meer dan 36.497 euro. Wetenschappelijk onderzoekers en artsen in opleiding tot specialist worden geacht de specifieke deskundigheid te bezitten en hoeven niet aan de salarisnorm te voldoen.

Daarnaast geldt de afstandseis, ook wel de 150-kilometergrens genoemd. De werknemer moet in meer dan twee derde van de 24 maanden vóór het begin van het werk op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben gewoond. Zo wordt voorkomen dat mensen die vlak over de grens wonen de regeling gebruiken.

De looptijd van de regeling is voor ingekomen werknemers maximaal vijf jaar. Die periode wordt korter als de werknemer eerder in Nederland heeft gewerkt of gewoond; de Belastingdienst kijkt daarvoor tot 25 jaar terug. Verder maakt u als werkgever elk kalenderjaar opnieuw een keuze tussen het vergoeden van de werkelijke kosten en het toepassen van het forfait. Die keuze legt u vast in het eerste loontijdvak van het jaar.

Hoeveel mag u in 2026 onbelast vergoeden?

In 2024, 2025 en 2026 mag u maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. De grondslag is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking plus de vergoeding zelf. Schoolgelden voor internationale scholen mogen daarnaast apart onbelast worden vergoed.

Er geldt wel een plafond. Per werknemer telt maximaal 30% van de hoogste bezoldiging uit de Wet normering topinkomens mee, ook wel de Balkenendenorm genoemd. Voor 2026 is die norm 262.000 euro. De maximale onbelaste vergoeding komt daarmee uit op 78.600 euro per jaar. Deze norm wordt elk jaar per 1 januari aangepast en vóór 1 november van het voorafgaande jaar bekendgemaakt, zodat u de nieuwe grens op tijd in de loonadministratie kunt verwerken.

Rekenvoorbeeld: een uit het buitenland aangeworven software-engineer heeft een grondslag van 90.000 euro per jaar. U mag dan 30% van 90.000 euro, ofwel 27.000 euro per jaar, onbelast vergoeden. Dat is 2.250 euro per maand. Omdat 90.000 euro ruim onder het plafond blijft, speelt de aftopping op 78.600 euro hier geen rol. Figuur 2 werkt dit rekenvoorbeeld verder uit.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de onbelaste vergoeding en het plafond in 2026.

Hoe vraagt u de 30%-regeling aan?

U past de regeling niet zomaar toe. Werkgever en werknemer dienen samen een verzoek in bij de Belastingdienst, die daarop beslist met een beschikking. Tegen die beschikking is bezwaar mogelijk. Dien het verzoek in binnen vier maanden na de eerste werkdag. Doet u dat op tijd, dan werkt de regeling terug tot de start van het dienstverband. Bent u te laat, dan gaat de regeling pas later in en verliest u een deel van de looptijd.

Wisselt de werknemer binnen de looptijd van werkgever, dan loopt de regeling door zolang de onderbreking niet langer is dan drie maanden. Binnen een samenhangende groep van werkgevers wordt de vorige werkgever gelijkgesteld met de nieuwe.

Wat verandert er vanaf 2027?

Vanaf 2027 daalt het maximale onbelaste percentage van 30% naar 27%. De 30%-regeling gaat daarmee verder als 27%-regeling. Tegelijk stijgen de salarisnormen: de reguliere norm gaat naar 50.436 euro en de verlaagde norm voor jonge werknemers met een mastergraad naar 38.388 euro (beide bedragen worden jaarlijks geïndexeerd). Figuur 3 zet 2026 en 2027 naast elkaar.

Figuur 3: vergelijking van het percentage en de salarisnormen in 2026 en vanaf 2027.

Er geldt overgangsrecht. Werknemers die de regeling voor het eerst in 2024 gebruikten, mogen gedurende de resterende looptijd het percentage van 30% en de voor hen geldende salarisnorm blijven toepassen. Voor werknemers die later instromen gelden de nieuwe percentages en normen. Laat daarom per werknemer nagaan welk regime van toepassing is.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets de doelgroep: ga na of het gaat om een uit het buitenland aangeworven werknemer met schaarse kennis, of om een werknemer die u naar het buitenland uitzendt.
  • Controleer de salarisnorm: toets of het jaarloon boven 48.013 euro uitkomt, of boven 36.497 euro bij een werknemer jonger dan 30 jaar met een mastergraad.
  • Check de afstandseis: zoek uit of de werknemer in de 24 maanden vóór de baan op meer dan 150 kilometer van de grens woonde.
  • Vraag de beschikking op tijd aan: dien het gezamenlijke verzoek binnen vier maanden na de eerste werkdag in om terugwerkende kracht te behouden.
  • Bewaak de looptijd en het plafond: houd de resterende looptijd (maximaal vijf jaar) en de aftopping op 78.600 euro per jaar bij in de loonadministratie.
  • Kies jaarlijks bewust: leg elk jaar in het eerste loontijdvak vast of u het forfait toepast of de werkelijke kosten vergoedt.

Veelgestelde vragen

Blijft de 30%-regeling in 2026 gewoon 30%?

Ja. In 2024, 2025 en 2026 mag u maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. Pas vanaf 2027 daalt dit naar 27%.

Hoeveel mag ik maximaal onbelast vergoeden?

U mag 30% van de grondslag onbelast vergoeden. Wel geldt een plafond: per werknemer telt maximaal 30% van de Balkenendenorm mee. Voor 2026 is dat 262.000 euro, wat neerkomt op maximaal 78.600 euro onbelast per jaar.

Hoe lang loopt de regeling?

Voor ingekomen werknemers is de looptijd maximaal vijf jaar. Eerder werken of wonen in Nederland kan die periode verkorten. Voor uitgezonden werknemers geldt de duur van de uitzending.

Wat gebeurt er als ik de aanvraag te laat indien?

Dient u het verzoek later dan vier maanden na de eerste werkdag in, dan werkt de regeling niet terug tot de startdatum en verliest u een deel van de looptijd. Op tijd aanvragen levert dus direct voordeel op.

Kan ik de regeling combineren met een vergoeding van werkelijke kosten?

Niet tegelijk voor dezelfde werknemer in hetzelfde jaar. U kiest per kalenderjaar tussen het forfait van 30% en het vergoeden van de werkelijke extraterritoriale kosten.

Hoe Taxcount u kan helpen

De 30%-regeling levert een fors voordeel op, maar de voorwaarden zijn precies en de bedragen veranderen jaarlijks. Taxcount beoordeelt of uw werknemer aan de eisen voldoet, verzorgt de aanvraag van de beschikking en bewaakt de looptijd, de salarisnorm en het plafond in uw loonadministratie. Ook adviseren wij over de overgang naar het lagere percentage vanaf 2027 en over de samenloop met andere regelingen. Wilt u weten of u de 30%-regeling voor een medewerker kunt inzetten? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij het voor u door. In de tussentijd kan u gebruik maken van onze Expatregeling monitor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

 

English version

 

When you bring an employee with scarce expertise to the Netherlands from abroad, the costs add up quickly. The 30% ruling, officially called the expat scheme since 2024, offers relief. It allows you to pay part of the salary tax-free as compensation for the extra costs of a temporary stay in another country. For 2026 this means up to 30% of the salary, free of tax. This article explains who the scheme applies to, which conditions the Tax Administration sets, how much you may reimburse tax-free and what changes from 2027 onwards. That way you know whether you can use the scheme and what you need to arrange.

What is the 30% ruling?

Someone who works temporarily outside their own country incurs extra costs, such as double housing, higher living expenses and travel to their home country. These extra costs are called extraterritorial costs: additional costs of a temporary stay outside the country of origin. As an employer you may reimburse these costs tax-free, and there are two routes for this.

Under the first route you reimburse the actual extra costs and prove them with receipts and supporting documents. Under the second route you apply a fixed percentage without that burden of proof. This second route is the well-known 30% ruling: you pay a fixed part of the salary tax-free without demonstrating the actual costs. In technical terms this is called an evidence rule. For many employers the fixed-percentage route is simpler, because you do not have to keep a cost record for each employee.

Who does the expat scheme apply to?

The scheme applies to any employer that withholds payroll tax and deals with cross-border staff, from the sole trader with employees to the private limited company, public limited company, foundation and government. Two groups of employees come into play.

Incoming employees

These are employees whom you recruit from another country or who are sent to the Netherlands and who have a specific expertise that is scarce on the Dutch labour market. The scheme is especially relevant in knowledge-intensive sectors, such as technology, research and development, financial services, universities and research institutes, hospitals and international companies.

Outgoing employees

These are employees whom you send abroad, such as civil servants at a post abroad, military personnel and employees who carry out scientific work or teach abroad. For this group the scheme applies for the duration of the posting, subject to the requirement of at least 45 days of stay within twelve months.

Which conditions apply?

The Tax Administration sets a number of strict conditions before you may apply the 30% ruling to an incoming employee. The most important are the salary standard, the distance requirement and a timely application. Figure 1 shows step by step whether your employee qualifies.

Figure 1: decision tree to determine whether your employee qualifies for the 30% ruling.

The salary standard means that the employee must earn a certain taxable annual salary. For 2026 that is more than 48,013 euros. For an employee under the age of 30 who holds a recognised academic master’s degree, a lower standard of more than 36,497 euros applies. Academic researchers and doctors in specialist training are deemed to possess the specific expertise and do not have to meet the salary standard.

In addition, the distance requirement applies, also known as the 150-kilometre limit. The employee must have lived more than 150 kilometres from the Dutch border during more than two thirds of the 24 months before the start of the work. This prevents people who live just across the border from using the scheme.

The duration of the scheme for incoming employees is a maximum of five years. That period is shortened if the employee has previously worked or lived in the Netherlands; the Tax Administration looks back up to 25 years for this. Furthermore, as an employer you make a fresh choice each calendar year between reimbursing the actual costs and applying the fixed percentage. You record that choice in the first payroll period of the year.

How much may you reimburse tax-free in 2026?

In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. The basis is the salary from current employment plus the allowance itself. School fees for international schools may be reimbursed tax-free separately, on top of this.

There is a ceiling, however. Per employee, no more than 30% of the highest remuneration under the Standards for Remuneration Act (the so-called Balkenende standard) is taken into account. For 2026 that standard is 262,000 euros. The maximum tax-free allowance therefore comes to 78,600 euros per year. This standard is adjusted every year on 1 January and announced before 1 November of the preceding year, so that you can process the new limit in your payroll administration in good time.

Example: a software engineer recruited from abroad has a basis of 90,000 euros per year. You may then reimburse 30% of 90,000 euros, that is 27,000 euros per year, tax-free. That amounts to 2,250 euros per month. Because 90,000 euros is well below the ceiling, the cap of 78,600 euros plays no role here. Figure 2 works out this example in more detail.

Figure 2: example of the tax-free allowance and the ceiling in 2026.

How do you apply for the 30% ruling?

You do not simply apply the scheme. The employer and employee submit a joint request to the Tax Administration, which then decides by means of a formal decision. An objection against that decision is possible. Submit the request within four months of the first working day. If you do so on time, the scheme takes effect retroactively from the start of the employment. If you are late, the scheme starts only later and you lose part of the duration.

If the employee changes employer within the duration, the scheme continues as long as the interruption is no longer than three months. Within a related group of employers, the previous employer is treated as the new one.

What changes from 2027 onwards?

From 2027 the maximum tax-free percentage falls from 30% to 27%. The 30% ruling then continues as a 27% ruling. At the same time the salary standards rise: the regular standard goes to 50,436 euros and the reduced standard for young employees with a master’s degree to 38,388 euros (both amounts are indexed annually). Figure 3 places 2026 and 2027 side by side.

Figure 3: comparison of the percentage and the salary standards in 2026 and from 2027.

Transitional rules apply. Employees who first used the scheme in 2024 may continue to apply the 30% percentage and the salary standard applicable to them for the remaining duration. New entrants are subject to the new percentages and standards. Therefore have it checked per employee which regime applies.

Practical checklist: what you need to arrange

  • Check the target group: determine whether it concerns an employee recruited from abroad with scarce knowledge, or an employee you are sending abroad.
  • Verify the salary standard: check whether the annual salary exceeds 48,013 euros, or 36,497 euros for an employee under 30 with a master’s degree.
  • Confirm the distance requirement: find out whether the employee lived more than 150 kilometres from the border during the 24 months before the job.
  • Apply for the decision on time: submit the joint request within four months of the first working day to retain retroactive effect.
  • Monitor the duration and the ceiling: keep track of the remaining duration (a maximum of five years) and the cap of 78,600 euros per year in your payroll administration.
  • Choose deliberately each year: record in the first payroll period of each year whether you apply the fixed percentage or reimburse the actual costs.

Frequently asked questions

Does the 30% ruling remain 30% in 2026?

Yes. In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. Only from 2027 does this fall to 27%.

How much may I reimburse tax-free at most?

You may reimburse 30% of the basis tax-free. There is a ceiling, however: per employee, no more than 30% of the Balkenende standard is taken into account. For 2026 that is 262,000 euros, which amounts to a maximum of 78,600 euros tax-free per year.

How long does the scheme last?

For incoming employees the duration is a maximum of five years. Previous work or residence in the Netherlands can shorten that period. For outgoing employees the duration of the posting applies.

What happens if I submit the application late?

If you submit the request later than four months after the first working day, the scheme does not take effect retroactively from the start date and you lose part of the duration. Applying on time therefore yields an immediate advantage.

Can I combine the scheme with a reimbursement of actual costs?

Not at the same time for the same employee in the same year. You choose per calendar year between the fixed percentage of 30% and reimbursing the actual extraterritorial costs.

How Taxcount can help you

The 30% ruling delivers a considerable advantage, but the conditions are precise and the amounts change every year. Taxcount assesses whether your employee meets the requirements, arranges the application for the decision and monitors the duration, the salary standard and the ceiling in your payroll administration. We also advise on the transition to the lower percentage from 2027 and on the interaction with other schemes. Would you like to know whether you can use the 30% ruling for an employee? Present your situation to us and we will calculate it for you. In the mean time you can use our Expatruling monitor.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, amounts and thresholds may change, and the outcome depends on your personal situation. Always have your situation assessed by an adviser before making decisions.

 

pensioen internationale organisatie belasting/pension international organization tax

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

U woont in Nederland en ontvangt pensioen van een internationale organisatie, bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de NAVO, de ruimtevaartorganisatie ESA of het Europees Octrooibureau. Geeft u dat pensioen volledig op als inkomen in box 1? Dan betaalt u waarschijnlijk te veel belasting. Een deel van uw pensioen is namelijk opgebouwd uit uw eigen premies, waarover u destijds al belasting betaalde. Dat deel hoort niet in box 1, maar in box 3. Dit splitsen heet de splitsingsmethode. In dit artikel leest u hoe het werkt, voor welke organisaties het geldt en wat u moet regelen om deze besparing veilig te benutten.

Waarom is uw pensioen belast en uw salaris niet was?

Werknemers van internationale organisaties betalen over hun salaris meestal geen Nederlandse belasting. De organisatie houdt vaak zelf een interne heffing in. Voor het pensioen ligt dat anders: dat mag Nederland volgens de gewone regels belasten. De hoofdregel is daarom dat uw pensioenuitkering volledig meetelt als loon in box 1.

Op die hoofdregel bestaat een belangrijke uitzondering. Voor zover u aannemelijk maakt dat over de opbouw van uw pensioen destijds al een belasting naar het inkomen is geheven, hoeft dat deel niet nogmaals in box 1. Bij deze regelingen betaalde u uw eigen premie uit uw netto-inkomen, dus die was niet aftrekbaar. Dat deel is dus al belast geweest en verhuist naar box 3, waar de waarde van dat pensioenrecht als bezitting meetelt.

Wat is de splitsingsmethode?

De splitsingsmethode verdeelt een pensioenuitkering over twee boxen. Het deel dat is opgebouwd met werkgeverspremies blijft belast in box 1 (als loon). Het deel dat u zelf uit uw netto-inkomen betaalde, valt in box 3 (als vermogen). Omdat box 3 vaak veel lager wordt belast dan het progressieve tarief in box 1, kan dit duizenden euro per jaar schelen.

Voor het Europees Octrooibureau en de zogeheten Gecoordineerde Pensioenregeling (onder meer NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT) heeft de staatssecretaris een praktische goedkeuring gegeven. U hoeft dan niet uw premiegegevens over tientallen jaren te bewijzen. In plaats daarvan geldt een vast forfait: twee derde van de jaarlijkse uitkering geeft u aan in box 1, en een derde valt buiten box 1. De waarde van dat een derde geeft u aan in box 3. Toeslagen (allowances) en de tax adjustment horen wel volledig in box 1 (zie figuur 1).

Figuur 1: bij het forfait blijft twee derde van de uitkering in box 1 en verhuist een derde naar box 3; allowances en de tax adjustment horen volledig in box 1.

Een rekenvoorbeeld

Een alleenstaande gepensioneerde van 71 jaar ontvangt 21.000 euro pensioen uit de Gecoordineerde Pensioenregeling en daarnaast 500 euro tax adjustment. In box 1 geeft hij twee derde van 21.000 euro (14.000 euro) plus de 500 euro tax adjustment aan, samen 14.500 euro. Het overige een derde (7.000 euro) valt buiten box 1. De waarde daarvan in box 3 berekent hij door 7.000 euro te vermenigvuldigen met de leeftijdsfactor uit de wet, die bij 71 jaar 8 bedraagt: 8 maal 7.000 euro is 56.000 euro. Zo geeft hij jaarlijks 7.000 euro minder aan in het progressief belaste box 1, tegenover een box 3-bezitting van 56.000 euro (zie figuur 2).

Figuur 2: uitwerking van het rekenvoorbeeld. Van de uitkering van 21.000 euro blijft 14.500 euro in box 1; 7.000 euro wordt met factor 8 een box 3-bezitting van 56.000 euro.

Let op: voor het VN-pensioenfonds UNJSPF ligt dezelfde verhouding vast in het pensioenreglement. De werknemer draagt de helft van wat de werkgever betaalt; de eigen bijdrage is dus ook hier een derde van de totale premie, in alle opbouwjaren. Het beleidsbesluit geldt formeel alleen voor het EOB en de Gecoordineerde Pensioenregeling, dus voor een VN-pensioen is doorgaans meer onderbouwing of overleg met de Belastingdienst nodig.

Voor welke organisaties geldt dit?

De regeling geldt voor in Nederland wonende gepensioneerden en nabestaanden van internationale organisaties. In de praktijk gaat het onder meer om de Verenigde Naties (met het pensioenfonds UNJSPF), het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling van NAVO, ESA, OESO, de Raad van Europa, ECMWF en EUMETSAT. Ook pensioenen van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank, UNESCO, UNICEF, de WHO en de WTO kunnen eronder vallen.

Belangrijke uitzondering: pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting. Voor die pensioenen speelt de splitsingsmethode dus niet (zie figuur 3).

Figuur 3: de splitsingsmethode geldt voor pensioenen van veel internationale organisaties, maar niet voor de EU en de ECB (die zijn vrijgesteld).

Wanneer geldt de splitsing juist niet?

De splitsingsmethode geldt alleen voor een ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een invaliditeitspensioen (uitkering bij arbeidsongeschiktheid) is fiscaal een risicoverzekering zonder opbouw en is daarom volledig belast in box 1. Ook de bijbehorende toeslagen en de tax adjustment volgen het regime van de hoofduitkering en vallen dus in box 1.

Verder is er een aandachtspunt bij oude opbouwjaren. Tot en met belastingjaar 2024 was een deel van de vroegste opbouw (van voor 1995) in bepaalde internationale situaties nog onbelast. Vanaf 1 januari 2025 is die vrijstelling vervallen. De precieze gevolgen van deze wetswijziging zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, dus over oudere jaren is maatwerk nodig.

Waarop moet u letten?

Het grootste risico is niet een naheffing, maar dat u voordeel laat liggen door uw pensioen volledig in box 1 op te geven. Wie de splitsing wel toepast, moet het box 3-deel daadwerkelijk als bezitting aangeven en dit ieder jaar opnieuw berekenen met de leeftijdsfactor. Wijkt u af van het forfait, dan moet u het premieverloop over de hele opbouwperiode kunnen onderbouwen. En u moet kiezen: de forfaitaire benadering en de oudere saldomethode mogen niet worden gecombineerd. Zonder tijdig en verifieerbaar bewijs wordt de uitkering alsnog volledig in box 1 belast, zo blijkt uit de rechtspraak.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de herkomst van uw pensioen. Ga na van welke organisatie uw pensioen komt en of het een ouderdoms- of nabestaandenpensioen is (en dus geen invaliditeitspensioen).
  • Sluit EU en ECB uit. Komt uw pensioen van de Europese Unie of de Europese Centrale Bank, dan is het vrijgesteld en speelt de splitsing niet.
  • Vraag premieoverzichten op. Vraag bij de pensioenuitvoerder de jaaropgaven en, bij de VN, uw Annual Pension Statement op. Zonder bewijs blijft alles in box 1.
  • Geef het box 3-deel aan. Reken de waarde van het niet-belaste deel jaarlijks om met de leeftijdsfactor en neem die als bezitting op in box 3.
  • Kies bewust tussen forfait en saldomethode. De twee faciliteiten kunt u niet combineren; laat doorrekenen welke voor u het gunstigst is.
  • Controleer openstaande aanslagen. Staan er nog aanslagen open over eerdere jaren, dan kunnen die soms alsnog worden hersteld.

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen over mijn VN- of NAVO-pensioen in Nederland?

Ja. Anders dan het salaris tijdens uw dienstverband mag Nederland uw pensioen belasten. Met de splitsingsmethode betaalt u alleen over het werkgeversdeel in box 1; het deel dat u zelf uit uw netto-inkomen opbouwde, valt in box 3.

Hoeveel van mijn pensioen valt in box 3?

Bij het Europees Octrooibureau en de Gecoordineerde Pensioenregeling geldt een forfait van een derde in box 3 en twee derde in box 1. De waarde van dat een derde berekent u met een leeftijdsafhankelijke factor uit de wet.

Geldt de regeling ook voor een pensioen van de EU?

Nee. Pensioenen van de Europese Unie en de Europese Centrale Bank zijn volledig vrijgesteld van Nederlandse belasting. De splitsingsmethode is daar niet aan de orde.

Wat als ik een invaliditeitspensioen ontvang?

Een invaliditeitspensioen is volledig belast in box 1. Er vindt geen splitsing plaats, omdat er geen sprake is van opbouw met eigen premies.

Kan ik te veel betaalde belasting van eerdere jaren terugkrijgen?

Dat kan soms. Voor jaren waarvan de aanslag nog niet definitief vaststaat, kan de splitsing alsnog worden toegepast. Laat uw aanslagen en aangiften daarom nakijken.

Hoe Taxcount u kan helpen

Het pensioen van een internationale organisatie is fiscaal specialistisch werk: de juiste box, het forfait of het werkelijke premieverloop, de leeftijdsfactor voor box 3 en de keuze tussen faciliteiten luisteren nauw. Een fout kost u ofwel jaarlijks onnodig belastinggeld, ofwel een langlopende discussie met de Belastingdienst. Taxcount beoordeelt van welke regeling uw pensioen komt, past de splitsingsmethode correct toe, verzorgt zo nodig het overleg met de inspecteur en controleert of oude jaren nog te herstellen zijn. Ontvangt u pensioen van de VN, NAVO, ESA, het EOB of een vergelijkbare organisatie? Laat uw aangifte door Taxcount toetsen en betaal niet meer belasting dan nodig.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u fiscale beslissingen neemt.

 

English version


You live in the Netherlands and receive a pension from an international organisation, for example the United Nations, NATO, the space agency ESA or the European Patent Office. Do you report that pension in full as income in box 1? Then you are probably paying too much tax. Part of your pension was built up from your own contributions, on which you already paid tax at the time. That part does not belong in box 1, but in box 3. Dividing the pension in this way is called the split method. This article explains how it works, which organisations it applies to and what you need to arrange to secure this saving safely.

Why is your pension taxed while your salary was not?

Employees of international organisations usually pay no Dutch tax on their salary. The organisation often applies its own internal levy. Pensions are treated differently: the Netherlands may tax them under the ordinary rules. The main rule is therefore that your pension payment counts in full as salary in box 1.

There is an important exception to this main rule. To the extent that you can make it plausible that tax on income was already levied on the build-up of your pension, that part does not have to be taxed again in box 1. Under these schemes you paid your own contribution out of your net income, so it was not deductible. That part has therefore already been taxed and moves to box 3, where the value of the pension right counts as an asset.

What is the split method?

The split method divides a pension payment across two boxes. The part built up with employer contributions remains taxed in box 1 (as salary). The part you paid yourself out of your net income falls in box 3 (as wealth). Because box 3 is often taxed much more lightly than the progressive rate in box 1, this can save thousands of euro per year.

For the European Patent Office and the so-called Co-ordinated Pension Scheme (including NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT) the State Secretary has issued a practical approval. You then do not have to prove your contribution history going back decades. Instead a fixed ratio applies: you report two thirds of the annual payment in box 1, and one third falls outside box 1. You report the value of that one third in box 3. Allowances and the tax adjustment do belong entirely in box 1 (see figure 1).

Figure 1: under the fixed ratio two thirds of the payment stays in box 1 and one third moves to box 3; allowances and the tax adjustment belong entirely in box 1.

A worked example

A single pensioner aged 71 receives 21,000 euro of pension from the Co-ordinated Pension Scheme, plus 500 euro of tax adjustment. In box 1 he reports two thirds of 21,000 euro (14,000 euro) plus the 500 euro tax adjustment, being 14,500 euro in total. The remaining one third (7,000 euro) falls outside box 1. He calculates its box 3 value by multiplying 7,000 euro by the statutory age factor, which is 8 at the age of 71: 8 times 7,000 euro is 56,000 euro. In this way he reports 7,000 euro less each year in progressively taxed box 1, against a box 3 asset of 56,000 euro (see figure 2).

Figure 2: the worked example. Of the 21,000 euro payment, 14,500 euro stays in box 1; 7,000 euro becomes a box 3 asset of 56,000 euro using factor 8.

Which organisations does this apply to?

The scheme applies to pensioners and surviving dependants living in the Netherlands who worked for international organisations. In practice this includes the United Nations (with the UNJSPF pension fund), the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme of NATO, ESA, the OECD, the Council of Europe, ECMWF and EUMETSAT. Pensions from, for example, the IMF, the World Bank, UNESCO, UNICEF, the WHO and the WTO may also fall under it.

Important exception: pensions from the European Union and the European Central Bank are exempt from Dutch tax. The split method therefore does not apply to those pensions (see figure 3).

Figure 3: the split method applies to pensions from many international organisations, but not to the EU and the ECB (which are exempt).

When does the split not apply?

The split method applies only to an old-age or survivor pension. A disability pension (a payment on incapacity for work) is, for tax purposes, an insurance without build-up and is therefore taxed in full in box 1. The related allowances and the tax adjustment follow the treatment of the main payment and so also fall in box 1.

There is a further point of attention for older build-up years. Up to and including tax year 2024, part of the earliest build-up (from before 1995) was still untaxed in certain international situations. From 1 January 2025 that exemption has lapsed. The precise consequences of this change in the law are not yet fully settled, so older years call for a tailored assessment.

What should you watch out for?

The biggest risk is not an additional assessment, but leaving money on the table by reporting your pension in full in box 1. Anyone who does apply the split must actually report the box 3 part as an asset and recalculate it each year using the age factor. If you depart from the fixed ratio, you must be able to substantiate the contribution history for the whole build-up period. And you have to choose: the fixed-ratio approach and the older balance method may not be combined. Without timely and verifiable evidence the payment is taxed in full in box 1 after all, as the case law shows.

Practical checklist: what to arrange

  • Determine the origin of your pension. Establish which organisation your pension comes from and whether it is an old-age or survivor pension (and therefore not a disability pension).
  • Rule out the EU and the ECB. If your pension comes from the European Union or the European Central Bank, it is exempt and the split does not apply.
  • Request contribution statements. Ask the pension administrator for the annual statements and, at the UN, your Annual Pension Statement. Without evidence everything stays in box 1.
  • Report the box 3 part. Convert the value of the untaxed part each year using the age factor and report it as an asset in box 3.
  • Choose deliberately between fixed ratio and balance method. The two facilities cannot be combined; have it calculated which one is most favourable for you.
  • Check open assessments. If assessments over earlier years are still open, they can sometimes be corrected retroactively.

Frequently asked questions

Do I have to pay Dutch tax on my UN or NATO pension?

Yes. Unlike your salary during your employment, the Netherlands may tax your pension. With the split method you pay tax only on the employer part in box 1; the part you built up yourself from your net income falls in box 3.

How much of my pension falls in box 3?

For the European Patent Office and the Co-ordinated Pension Scheme a fixed ratio of one third in box 3 and two thirds in box 1 applies. You calculate the value of that one third using a statutory age-dependent factor.

Does the scheme also apply to an EU pension?

No. Pensions from the European Union and the European Central Bank are fully exempt from Dutch tax. The split method does not come into play there.

What if I receive a disability pension?

A disability pension is taxed in full in box 1. No split takes place, because there is no build-up from your own contributions.

Can I reclaim tax overpaid in earlier years?

Sometimes you can. For years whose assessment is not yet final, the split can still be applied. It is therefore worth having your assessments and returns reviewed.

How Taxcount can help you

A pension from an international organisation is specialist tax work: the correct box, the fixed ratio or the actual contribution history, the age factor for box 3 and the choice between facilities all require precision. A mistake either costs you unnecessary tax every year, or leads to a lengthy dispute with the Tax Administration. Taxcount assesses which scheme your pension comes from, applies the split method correctly, arranges any consultation with the inspector where needed and checks whether earlier years can still be corrected. Do you receive a pension from the UN, NATO, ESA, the EPO or a comparable organisation? Have your return reviewed by Taxcount and pay no more tax than necessary.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, thresholds and conditions may change and the outcome depends on your personal situation. Always seek personal advice before making tax decisions.

Samenloopvrijstelling: betaal niet dubbel btw én overdrachtsbelasting bij vastgoed

Koopt u als ondernemer een nieuw bedrijfspand, een bouwterrein of een net verbouwd pand? Dan kunnen er zomaar twee belastingen tegelijk opdoemen: btw én overdrachtsbelasting. Dat zou betekenen dat u over dezelfde aankoop dubbel betaalt. Gelukkig voorkomt de samenloopvrijstelling dat in de meeste gevallen. In dit artikel leest u wanneer een vastgoedtransactie met btw is belast, wanneer u daardoor geen overdrachtsbelasting hoeft te betalen en waar u op moet letten om deze vrijstelling niet mis te lopen.

Wat is de samenloopvrijstelling?

Als u een onroerende zaak in Nederland verkrijgt, betaalt u in beginsel overdrachtsbelasting. Wordt over diezelfde levering ook btw geheven, dan zou u twee keer betalen over één transactie. De samenloopvrijstelling neemt die dubbele heffing weg: is de levering belast met btw, dan is de verkrijging onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De belangrijkste begrippen op een rij:

  • Overdrachtsbelasting: de belasting die u betaalt bij het verkrijgen van een in Nederland gelegen onroerende zaak. Het algemene tarief voor niet-woningen (zoals bedrijfspanden) is in 2026 10,4%.
  • Btw (omzetbelasting): de belasting die de verkoper in rekening brengt bij een belaste levering. Het algemene btw-tarief is in 2026 21%.
  • Samenloopvrijstelling: de regel die voorkomt dat u over dezelfde vastgoedtransactie zowel btw als overdrachtsbelasting betaalt. Is de levering btw-belast, dan vervalt de overdrachtsbelasting.
  • Nieuw gebouw / tweejaarstermijn: de levering van een gebouw is verplicht met btw belast tot uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikname. Daarna is de levering in beginsel vrijgesteld van btw.
  • Bouwterrein: onbebouwde grond die bestemd is voor bebouwing. De levering van een bouwterrein is altijd met btw belast en dus vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Wanneer geldt de vrijstelling?

De vrijstelling hangt af van één hoofdvraag: is de levering met btw belast? U komt in aanmerking als u langs de volgende punten komt:

  • Een onroerende zaak in Nederland. Het gaat om de verkrijging van vastgoed hier te lande, waarover in beginsel overdrachtsbelasting is verschuldigd.
  • Nieuwbouw binnen twee jaar of een bouwterrein. Levert de verkoper een gebouw binnen twee jaar na de eerste ingebruikname, of een bouwterrein, dan is die levering van rechtswege met btw belast.
  • Of een ingrijpende verbouwing (“in wezen nieuwbouw”). Ontstaat door de verbouwing feitelijk een nieuw gebouw, dan start een nieuwe tweejaarstermijn en is de levering opnieuw btw-belast.
  • Of een gezamenlijke keuze voor een btw-belaste levering. Bij ouder vastgoed kunnen koper en verkoper kiezen voor btw-heffing, mits de koper het pand voor minstens 90% voor btw-belaste activiteiten gebruikt. Leg die keuze vast in de leveringsakte.
  • Resultaat: geen overdrachtsbelasting. Is de levering op één van deze gronden btw-belast, dan is de verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Heeft u recht op btw-aftrek, dan trekt u de btw bovendien als voorbelasting terug.

Kortom: hoe uw aankoop in de btw valt, bepaalt of u overdrachtsbelasting betaalt. Bij “oud” vastgoed dat al langer in gebruik is, is de levering meestal btw-vrijgesteld en dan is wél overdrachtsbelasting aan de orde.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer koopt een bedrijfspand van € 500.000 (exclusief btw) en gebruikt het volledig voor btw-belaste activiteiten, zodat hij recht heeft op btw-aftrek. We vergelijken twee scenario’s: het pand is net nieuw (btw-belaste levering) versus het pand is al jaren in gebruik (btw-vrijgesteld).

  Scenario A – nieuw pand (btw-belast) Scenario B – oud pand (btw-vrijgesteld)
Koopsom € 500.000 € 500.000
Btw (21%) € 105.000 (aftrekbaar → per saldo € 0) niet van toepassing
Overdrachtsbelasting (10,4%) € 0 (samenloopvrijstelling) € 52.000
Heffing die als kostenpost drukt € 0 € 52.000

De conclusie: in scenario A is de btw aftrekbaar en vervalt de overdrachtsbelasting dankzij de samenloopvrijstelling; de aankoop kent geen extra belastingdruk. In scenario B is de levering btw-vrijgesteld, geldt de samenloopvrijstelling niet en betaalt de koper € 52.000 overdrachtsbelasting. Het verschil bedraagt dus € 52.000, puur door de btw-status van de levering.

Praktische gevolgen

  • Beoordeel eerst de btw-status. Of u overdrachtsbelasting betaalt, staat of valt met de vraag of de levering btw-belast of btw-vrijgesteld is. Bepaal dit vóór het tekenen van de koopovereenkomst.
  • Leg de tweejaarstermijn en de ingebruikname vast. De datum van eerste ingebruikname bepaalt of de nieuwbouwlevering nog binnen de tweejaarstermijn valt. Documenteer dit zorgvuldig.
  • Neem de optie op in de akte. Kiest u voor een btw-belaste levering van ouder vastgoed, leg die keuze dan vast in de notariële leveringsakte en onderbouw dat de koper de 90%-norm haalt.
  • Let op een bedrijfsoverdracht. Draagt u een onderneming inclusief vastgoed over, dan vindt voor de btw “geen levering” plaats en is er geen btw. Dan geldt de samenloopvrijstelling in beginsel niet, tenzij u aan de goedkeuringsvoorwaarden van de staatssecretaris voldoet. Laat dit vooraf toetsen.
  • Pas op met btw-gedreven constructies. Wordt een levering bewust btw-belast gemaakt tegen een lage vergoeding, dan kan de strafheffing overdrachtsbelasting van toepassing zijn. Zulke structuren vragen om deskundig advies.
  • Bewaar uw documentatie. Houd de koopovereenkomst, de leveringsakte, de facturen met btw en het bewijs van ingebruikname goed bij; de Belastingdienst kan hier bij een controle om vragen.

Conclusie en advies

De samenloopvrijstelling voorkomt dat u bij vastgoed dubbel belasting betaalt: is de levering met btw belast, dan blijft de overdrachtsbelasting achterwege. Voor een koper met recht op btw-aftrek is een btw-belaste levering daardoor vaak juist voordelig. Het financiële belang is groot, al snel tienduizenden tot honderdduizenden euro’s, maar de regels zijn complex, doordat twee belastingwetten op elkaar inwerken. Een gemiste termijn, een verkeerd ingeschatte btw-status of een over het hoofd geziene bedrijfsoverdracht kan de vrijstelling kosten. Overweegt u de aankoop of verkoop van een bedrijfspand, bouwterrein of verbouwd vastgoed? Laat uw situatie dan vooraf door de fiscalisten van Taxcount beoordelen, dan weet u zeker dat u niet onnodig btw én overdrachtsbelasting betaalt. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek. Heeft u daarnaast hulp nodig bij uw btw-aangifte? Ook daarvoor kunt u bij ons terecht.

Vennootschapsbelasting: zo werkt de Vpb en zo houdt u meer over

Heeft u een bv of overweegt u er een op te richten? Dan krijgt u te maken met de vennootschapsbelasting, de winstbelasting voor bv’s en andere lichamen. Veel ondernemers weten dat hun bv belasting over de winst betaalt, maar niet hoe de tarieven precies werken, wanneer de aangifte moet en welke regelingen belasting kunnen besparen. In dit artikel leest u in gewone taal hoe de vennootschapsbelasting in 2026 in elkaar zit, wat u betaalt en waar de belangrijkste voordelen zitten.

Wat is vennootschapsbelasting?

De vennootschapsbelasting (Vpb) is de belasting die een bv, nv of ander lichaam betaalt over de winst. Waar een eenmanszaak of vof onder de inkomstenbelasting valt, betaalt een bv dus vennootschapsbelasting. Een paar kernbegrippen op een rij:

  • Belastbaar bedrag: de winst waarover u belasting betaalt, nadat de aftrekposten er af zijn.
  • Twee tarieven: over de eerste € 200.000 winst betaalt u 19%, over alles daarboven 25,8% (tarieven 2026).
  • Opstaptarief: de lagere schijf van 19% heet het opstaptarief of MKB-tarief, een voordeel voor kleinere winsten.
  • Belastingplichtige: elke zelfstandige bv is een eigen belastingplichtige met een eigen schijf van € 200.000 tegen 19%.

Het verschil tussen beide tarieven is 6,8 procentpunt. Over de eerste € 200.000 winst scheelt de lage schijf u dus maximaal € 13.600 per jaar.

Vpb-tarieven 2026

Belastbaar bedrag Tarief 2026
Tot en met € 200.000 19%
Boven € 200.000 25,8%

 

Wie betaalt en wanneer?

Of en hoeveel vennootschapsbelasting u betaalt, hangt af van een paar vaste punten:

  • Rechtsvorm: uw onderneming is een bv, nv of ander Vpb-plichtig lichaam. Een eenmanszaak of vof valt hier niet onder.
  • Winst: er is belastbare winst. Maakt uw bv verlies, dan betaalt u dat jaar geen Vpb en kunt u het verlies meestal met andere jaren verrekenen.
  • Aangifte: u doet elk jaar aangifte vennootschapsbelasting, in de regel binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar (met uitstel via uw adviseur vaak langer).
  • Voorlopige aanslag: de Belastingdienst legt vaak een voorlopige aanslag op, zodat u de belasting gespreid betaalt in plaats van in één keer achteraf.

Kort gezegd: zodra uw bv winst maakt, betaalt u er belasting over, maar met de juiste regelingen kunt u dat bedrag flink verlagen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer heeft drie winstgevende werk-bv’s onder één holding. Elke bv maakt € 200.000 winst, samen € 600.000. De vraag is of hij de bv’s als één fiscale eenheid laat belasten of elk apart.

Scenario A:  één fiscale eenheid (samen belast)
  • € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • € 400.000 tegen 25,8% = € 103.200
  • Totaal: € 141.200 vennootschapsbelasting
Scenario B: drie zelfstandige bv’s (elk apart belast)
  • Elke bv: € 200.000 tegen 19% = € 38.000
  • 3 × € 38.000 = € 114.000 vennootschapsbelasting

De conclusie: door de bv’s apart te houden gebruikt elke bv haar eigen opstaptarief van 19%. Dat scheelt € 141.200 − € 114.000 = € 27.200 per jaar. Let op: een fiscale eenheid heeft ook voordelen (zoals onderlinge verliesverrekening), dus dit is altijd een afweging.

Praktische gevolgen

Naast de tarieven zijn er een paar regelingen en verplichtingen die uw Vpb-rekening sterk beïnvloeden:

  • Aangifte- en administratieplicht: dien op tijd aangifte in en bewaar een deugdelijke administratie; te laat aangeven kan een boete opleveren.
  • Verliesverrekening: een verlies gaat één jaar terug en daarna onbeperkt vooruit, maar u mag per jaar maar € 1.000.000 plus 50% van de winst daarboven verrekenen.
  • Innovatiebox: maakt uw bv winst met zelf ontwikkelde innovatie (met WBSO-verklaring), dan wordt die winst effectief tegen 9% belast in plaats van 25,8%.
  • Opstaptarief benutten: bij meerdere winstgevende bv’s loont het om te bekijken of een fiscale eenheid wel of juist niet voordelig is.
  • Renteaftrekbeperking: betaalt uw bv veel rente (boven € 1.000.000 per saldo), dan is de aftrek beperkt tot 24,5% van een gecorrigeerde winst (earningsstripping).

Conclusie en advies

De vennootschapsbelasting lijkt eenvoudig, 19% tot € 200.000 en 25,8% daarboven, maar de echte winst zit in de details: het slim benutten van het opstaptarief, de keuze rond een fiscale eenheid, het op tijd verrekenen van verliezen en het gebruik van de innovatiebox. Die keuzes kunnen per jaar duizenden euro’s schelen, zoals het rekenvoorbeeld laat zien. Wilt u weten of uw bv-structuur en aangifte fiscaal optimaal zijn? De adviseurs van Taxcount beoordelen uw situatie graag en laten u zien waar u kunt besparen.

Milieu-investeringsaftrek 2026: tot 45% aftrek

 

Investeert u als ondernemer in een duurzame stal, een elektrisch werktuig, een circulair gebouw of een installatie voor hergebruik van grondstoffen? Dan kan de milieu-investeringsaftrek (MIA) u in 2026 een fors belastingvoordeel opleveren. Met de MIA mag u 45, 36 of 27 procent van uw investering extra van de winst aftrekken, afhankelijk van het soort bedrijfsmiddel. Het voordeel is aantrekkelijk, maar de regels zijn strikt: het bedrijfsmiddel moet precies op de Milieulijst staan en u moet de investering op tijd melden. In dit artikel leest u wat de MIA in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel u kunt aftrekken en wat u moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de milieu-investeringsaftrek?

De milieu-investeringsaftrek (MIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke of circulaire bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij u elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag u eenmalig een percentage van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager en u betaalt over dat jaar minder belasting.

Het aftrekpercentage hangt af van de categorie waarin het bedrijfsmiddel valt: 45 procent, 36 procent of 27 procent. De MIA geldt alleen voor nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan duurzame stallen, elektrische voertuigen en werktuigen, circulaire gebouwen en installaties voor hergebruik en grondstoffenbesparing.

Wie komt in aanmerking voor de MIA?

De milieu-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de MIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Net als bij de energie-investeringsaftrek (EIA), en anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), geldt de MIA alleen voor echte ondernemers. Bent u alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heeft u geen recht op de MIA.

Hoeveel bedraagt de MIA in 2026?

In 2026 zijn de aftrekpercentages van de MIA 45, 36 of 27 procent. Welk percentage voor u geldt, hangt af van de categorie en het type bedrijfsmiddel op de Milieulijst. Hoe groter de milieuwinst, hoe hoger de categorie en het percentage. De percentages zijn gelijk aan die van 2025 (zie figuur 1).

Categorie (2026) Aftrekpercentage
Categorie I 45% van het investeringsbedrag
Categorie II 36% van het investeringsbedrag
Categorie III 27% van het investeringsbedrag

 

Per bedrijfsmiddel moet u minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Daarnaast geldt een investeringsplafond: per jaar telt maximaal 25 miljoen euro aan milieu-investeringen mee voor de MIA. Boven dat bedrag bestaat geen recht op MIA. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote investeringen.

Figuur 1: de drie MIA-categorieen en de bijbehorende aftrekpercentages in 2026.

Rekenvoorbeeld: een melkveehouder investeert in 2026 voor 200.000 euro in een duurzame stal die op de Milieulijst in categorie I staat en meldt op tijd bij de RVO. De MIA is 45 procent van 200.000 euro, dus 90.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 33.300 euro belasting (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de MIA bij een investering van 200.000 euro in een duurzame stal (categorie I).

Aan welke voorwaarden moet uw investering voldoen?

Om de MIA te krijgen, moet uw investering aan een aantal eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Milieulijst van dat jaar staan en strikt aan de omschrijving van de betreffende code voldoen. De investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen en binnen het jaarplafond van 25 miljoen euro blijven.

De toetsing aan de Milieulijst is streng. De letterlijke tekst van de lijst is bepalend. Een kleine afwijking van de code-omschrijving, bijvoorbeeld een gering deel niet-gecertificeerd materiaal, kan de hele aftrek doen vervallen. Controleer daarom vóór ingebruikname of de gebruikte materialen en certificering exact aansluiten bij de omschrijving. Getoetst wordt aan de versie van de Milieulijst die gold op het moment dat u de verplichting aanging; leg die versie dus goed vast.

Let op: woningen zijn uitgesloten. Zo geven appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn, geen recht op MIA.

Melden bij de RVO en de verklaring

U moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint op het moment dat u de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook een opschortende of ontbindende voorwaarde in de opdracht verschuift dit startmoment niet. Daarnaast kiest u voor de MIA in uw aangifte.

Sinds 2025 geeft de RVO, net als bij de EIA, een verklaring af dat sprake is van een milieu-investering. Zonder die verklaring is er geen MIA. De driemaandstermijn is fataal: meldt u te laat, dan vervalt het recht op de aftrek volledig, ook als u de melding wel op tijd heeft verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht.

Kunt u de MIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag u de MIA en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Bijzonder aan de MIA is dat u deze bovendien mag combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), waarmee u zelf bepaalt wanneer u afschrijft. Dat levert een extra liquiditeitsvoordeel op. De MIA en de energie-investeringsaftrek (EIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. U moet dan kiezen welke regeling het gunstigst is: de MIA van 45, 36 of 27 procent of de EIA van 40 procent. Figuur 3 laat zien wat wel en niet samen mag (zie figuur 3).

Figuur 3: de MIA combineren. Met KIA en Vamil mag samen, met de EIA moet u kiezen.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoopt u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet u een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als u van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van uw MIA-investering goed.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer de Milieulijst. Kijk of uw bedrijfsmiddel op de Milieulijst van dat jaar staat en of het precies aan de code-omschrijving voldoet.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel en blijf onder het jaarplafond van 25 miljoen euro.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Wacht de RVO-verklaring af. Zonder verklaring dat sprake is van een milieu-investering krijgt u geen MIA.
  • Kies voor de MIA in de aangifte. Neem de aftrek op in uw aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Combineer waar het kan. Benut naast de MIA ook de KIA en de Vamil, maar kies tussen de MIA en de EIA.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar uw stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de milieu-investeringsaftrek in 2026?

De MIA is in 2026 45, 36 of 27 procent van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie op de Milieulijst. U moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Milieulijst staan.

Wat is het verschil tussen de MIA en de EIA?

De MIA geldt voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen op de Milieulijst, de EIA voor energiebesparende bedrijfsmiddelen op de Energielijst. Voor dezelfde investering mag u ze niet allebei gebruiken; u kiest de gunstigste. De MIA mag u wel combineren met de Vamil, de EIA niet.

Kan ik de MIA en de Vamil combineren?

Ja. Voor milieu-investeringen op de Milieulijst kunt u de MIA en de willekeurige afschrijving (Vamil) naast elkaar toepassen. Zo profiteert u van een extra aftrek én van een vrije keuze in het moment van afschrijven.

Wat gebeurt er als mijn investering net niet aan de code voldoet?

Dan kan de MIA voor de hele investering worden geweigerd, ook bij een klein afwijkend onderdeel. De letterlijke tekst van de Milieulijst is bepalend. Controleer daarom materialen en certificering vóór ingebruikname.

Geldt de MIA ook voor een verhuurde recreatiewoning?

Nee. Woningen zijn uitgesloten van de MIA, ook appartementen voor kort verblijf en recreatiewoningen die naar aard en inrichting woningen zijn.

Hoe Taxcount u kan helpen

De milieu-investeringsaftrek biedt een hoog voordeel, maar de eisen zijn strikt en een kleine fout kan de hele aftrek kosten. Taxcount beoordeelt of uw investering exact aan de Milieulijst-code voldoet, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding en de RVO-verklaring en berekent bij samenloop of de MIA of de EIA het gunstigst is. Ook combineren wij waar mogelijk de MIA met de KIA en de Vamil. Overweegt u een duurzame investering? Leg uw plannen aan ons voor, dan bepalen wij samen het maximale voordeel. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in Nederland

Heeft u dit jaar geïnvesteerd in nieuwe machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen? Dan laat u mogelijk geld liggen. Met de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) mag u in 2026 een fors bedrag, tot € 20.072, extra van uw winst aftrekken, bovenop de gewone afschrijving. Veel ondernemers vergeten deze aftrek of berekenen hem verkeerd. In dit artikel leest u wie recht heeft op de KIA, hoeveel u kunt aftrekken en waar u op moet letten om het maximale voordeel te behalen.

Wat is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek?

De KIA is een extra aftrekpost voor ondernemers die in een jaar bedrijfsmiddelen kopen. U mag eenmalig een deel van het totale investeringsbedrag van uw winst aftrekken. Daardoor betaalt u over dat jaar minder inkomsten- of vennootschapsbelasting. De belangrijkste kenmerken:

  • Extra aftrek bovenop de afschrijving. De afschrijving is het jaarlijks ten laste van de winst brengen van een deel van de aanschafprijs. De KIA komt daar los bovenop en is dus een netto-voordeel.
  • Voor bijna elke ondernemer. Eenmanszaken, vof’s, maatschappen én bv’s komen in aanmerking. Er geldt géén urencriterium en zelfs geen volledig ondernemerschap: ook een medegerechtigde en zelfs een ondernemer in een verliesjaar kan de aftrek krijgen.
  • Dit zijn zaken die u langer dan een jaar in uw bedrijf gebruikt, zoals machines, inventaris, gereedschap of zonnepanelen, geen voorraad.
  • Hoogte volgt uit een tabel. Hoeveel u mag aftrekken hangt af van het totale bedrag dat u dat jaar investeert. Bij weinig investeren krijgt u niets, bij heel veel investeren ook niet; het maximum zit in het midden.

De KIA-tabel voor 2026 (art. 3.41 Wet IB 2001) ziet er zo uit:

Investeringsbedrag in 2026 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
niet meer dan € 2.900 geen aftrek (€ 0)
€ 2.901 t/m € 71.683 28% van het investeringsbedrag
€ 71.684 t/m € 132.746 € 20.072 (vast maximum)
€ 132.747 t/m € 398.236 € 20.072 min 7,56% van het deel boven € 132.746
meer dan € 398.236 geen aftrek (€ 0)

Let op: investeringen onder € 450 per bedrijfsmiddel tellen niet mee. Boven een totaal van € 398.236 vervalt de KIA volledig.

Wanneer heeft u recht op de KIA?

De Belastingdienst toetst een aantal voorwaarden. U komt in aanmerking als u aan al deze punten voldoet:

  • U investeert in kwalificerende bedrijfsmiddelen. Het gaat om bedrijfsmiddelen die u zakelijk gebruikt en die niet zijn uitgesloten.
  • Er is winst uit onderneming. U bent ondernemer of medegerechtigde. Ontbreekt een bron van inkomen, dan bestaat er geen recht op aftrek.
  • Uw totale investering ligt tussen € 2.901 en € 398.236. Buiten deze grenzen is de KIA nihil. De grens geldt per onderneming.
  • Het is geen uitgesloten bedrijfsmiddel. Denk aan goodwill, woonhuizen, personenauto’s of zaken die u hoofdzakelijk aan derden verhuurt (art. 3.45 en 3.46).
  • Elk bedrijfsmiddel kost minstens € 450. Losse aankopen onder dat bedrag tellen niet mee voor de aftrek.
  • U kiest voor de KIA bij de aangifte. De aftrek wordt niet automatisch toegepast; u vraagt hem zelf aan. Vergeet u dat, dan kunt u tot vijf jaar later alsnog een verzoek om “ambtshalve vermindering” doen.

Voldoet u aan al deze punten, dan verlaagt de KIA uw belastbare winst, en dus uw aanslag. Investeert u samen met anderen in een vof of maatschap? Dan geldt de samentelregeling: de investeringen worden bij elkaar opgeteld voor de tabelrij en de KIA wordt naar rato verdeeld. Laat dit altijd goed berekenen.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil € 140.000 investeren in nieuwe machines. Hij betaalt belasting tegen ongeveer 37%. Hij kan alles in 2026 aanschaffen, of de investering spreiden over eind 2026 en begin 2027.

Scenario A: alles in 2026 Scenario B: gespreid 2026 + 2027
Investering € 140.000 in één jaar € 70.000 + € 70.000
Toepasselijke schijf afbouwschijf 28%-schijf (per jaar)
KIA € 19.524 € 19.600 + € 19.600 = € 39.200
Belastingvoordeel (± 37%) ± € 7.224 ± € 14.504

De conclusie: in scenario A valt de investering in de afbouwschijf en levert de KIA € 19.524 op (€ 20.072 min 7,56% van € 7.254). Door de investering te spreiden (scenario B) blijft de ondernemer twee keer in de gunstige 28%-schijf en loopt de KIA op tot € 39.200. Dat is bijna een verdubbeling, goed voor ongeveer € 7.280 extra belastingvoordeel. Spreiden moet natuurlijk wél zakelijk verantwoord zijn, en de investeringsverplichting telt mee in het jaar waarin u die aangaat.

Praktische gevolgen

  • Vraag de KIA actief aan. De aftrek is een keuze in uw aangifte. Bent u hem vergeten? Dan is herstel mogelijk via ambtshalve vermindering, tot vijf jaar na afloop van het jaar.
  • Bereken het totale investeringsbedrag zorgvuldig. De juiste tabelrij bepaalt uw aftrek. Eén verkeerde optelling kan honderden euro’s schelen.
  • Let op de desinvesteringsbijtelling. Verkoopt u een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na aanschaf, dan moet u (een deel van) de aftrek terugnemen. Leg het toegepaste KIA-percentage daarom goed vast.
  • Pas de samentelregeling toe bij samenwerkingsverbanden. Zonder juiste samentelling claimt u al snel te veel of te weinig; de inspecteur corrigeert naar rato.
  • Uitgesloten bedrijfsmiddelen tellen niet. Goodwill, woonhuizen en personenauto’s vallen buiten de regeling. Zonnepanelen mogen juist wél als zelfstandig bedrijfsmiddel meetellen.
  • Planning loont. Door investeringen slim over de jaargrens te spreiden blijft u binnen de gunstige schijven en vermijdt u de bovengrens van € 398.236.

Conclusie en advies

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is een van de eenvoudigste en meest voordelige aftrekposten voor ondernemers: tot € 20.072 extra aftrek in 2026, zonder urencriterium en zelfs in een verliesjaar. De valkuilen zitten in de details, de juiste tabelrij, uitgesloten bedrijfsmiddelen, de samentelregeling en de desinvesteringsbijtelling. Twijfelt u of u het maximale voordeel benut, of wilt u uw investeringen fiscaal slim plannen? Laat uw situatie beoordelen door de adviseurs van Taxcount; wij rekenen uw KIA precies uit en zorgen dat u geen aftrek laat liggen. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Zie ook:

Energie-investeringsaftrek 2026: 40% extra aftrek

Investeert u als ondernemer in zonnepanelen, een warmtepomp, een zuinig bedrijfsgebouw of andere energiebesparende bedrijfsmiddelen? Dan kan de energie-investeringsaftrek (EIA) u in 2026 een flink belastingvoordeel opleveren. Met de EIA mag u 40 procent van uw investering extra van de winst aftrekken, bovenop de gewone afschrijving. Veel ondernemers laten dit voordeel liggen omdat ze de investering niet op tijd melden of niet weten dat hun bedrijfsmiddel op de Energielijst staat. In dit artikel leest u wat de energie-investeringsaftrek in 2026 inhoudt, wie er recht op heeft, hoeveel de aftrek bedraagt en wat u praktisch moet regelen om het voordeel veilig te benutten.

 

Wat is de energie-investeringsaftrek?

De energie-investeringsaftrek (EIA) is een extra aftrekpost voor ondernemers die investeren in energiebesparende of duurzame bedrijfsmiddelen. Bovenop de gewone afschrijving, waarbij u elk jaar een deel van de aanschafprijs van de winst aftrekt, mag u in 2026 eenmalig 40 procent van het investeringsbedrag van de winst aftrekken. Uw belastbare winst wordt daardoor lager en u betaalt over dat jaar minder inkomstenbelasting.

De EIA geldt niet voor elk bedrijfsmiddel. Het gaat om nieuwe bedrijfsmiddelen die op de Energielijst staan, een lijst die de overheid elk jaar opnieuw vaststelt. Denk aan zonnepanelen, warmtepompen, energiezuinige bedrijfsgebouwen, elektrificatie van productieprocessen en zuinig transport. Voor gebruikte (tweedehands) bedrijfsmiddelen bestaat geen recht op EIA. In vier stappen benut u de regeling (zie figuur 1).

Figuur 1: van investering tot aftrek, de EIA in vier stappen.

Wie komt in aanmerking voor de EIA?

De energie-investeringsaftrek is bedoeld voor ondernemers voor de inkomstenbelasting: eigenaren van een eenmanszaak, vennoten in een vof en maten in een maatschap. Ook bv’s kunnen de EIA benutten, dan loopt het voordeel via de vennootschapsbelasting.

Anders dan bij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) geldt de EIA alleen voor echte ondernemers. Bent u alleen geldschieter of stille vennoot, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, dan heeft u geen recht op de EIA. U drijft de onderneming dan namelijk niet voor eigen rekening.

Hoeveel bedraagt de EIA in 2026?

In 2026 bedraagt de energie-investeringsaftrek 40 procent van het bedrag dat u in kwalificerende bedrijfsmiddelen investeert. Dit percentage is hetzelfde als in 2025. Per bedrijfsmiddel moet u minimaal 2.500 euro investeren, anders telt het niet mee. Er geldt ook een maximum: per jaar telt maximaal 153 miljoen euro aan energie-investeringen mee. Dit plafond speelt alleen bij zeer grote bedrijven.

Parameter (2026) Waarde
Aftrekpercentage EIA 40% van het investeringsbedrag
Minimale investering per bedrijfsmiddel 2.500 euro
Maximaal bedrag aan energie-investeringen per jaar 153 miljoen euro
Meldingstermijn bij de RVO 3 maanden na het aangaan van de verplichting
Desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen 5 jaar

 

Rekenvoorbeeld: een tuinder investeert in 2026 voor 50.000 euro in een warmtepomp die op de Energielijst staat en meldt de investering op tijd bij de RVO. De EIA is 40 procent van 50.000 euro, dus 20.000 euro extra aftrek, bovenop de normale afschrijving. Bij een belastingtarief van ongeveer 37 procent scheelt dat zo’n 7.400 euro belasting (zie figuur 2).

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de EIA bij een investering van 50.000 euro in een warmtepomp.

Aan welke voorwaarden moet uw investering voldoen?

Om de energie-investeringsaftrek te krijgen, moet uw investering aan drie inhoudelijke eisen voldoen. Het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn, dus niet eerder gebruikt. Het moet op de Energielijst van dat jaar staan, en de investering moet minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel bedragen. De RVO geeft een verklaring af waaruit blijkt dat het inderdaad om een energie-investering gaat.

De Energielijst is in beginsel bepalend. Toch kan een bedrijfsmiddel dat niet letterlijk op de lijst staat soms toch in aanmerking komen, namelijk als het functioneel gelijkwaardig is en aan dezelfde eisen voldoet. Twijfelt u of uw investering kwalificeert, laat dit dan vooraf toetsen.

Melden bij de RVO: let op de driemaandstermijn

Naast de inhoudelijke eisen moet u zelf twee dingen op tijd doen. U moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting digitaal melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Die termijn begint te lopen op het moment dat u de opdracht aangaat, bijvoorbeeld het tekenen van de opdrachtbevestiging. Ook als daaraan nog een voorwaarde is verbonden, zoals een vergunning, begint de termijn al te lopen. Daarnaast kiest u voor de EIA in uw aangifte.

De driemaandstermijn is hard. Meldt u te laat, dan vervalt het recht op de EIA volledig, ook als u de investering wel op tijd heeft verstuurd maar de RVO deze te laat ontvangt. De rechter houdt hier streng aan vast. Meld daarom direct na het tekenen van de opdracht en wacht niet op eventuele voorwaarden.

Kunt u de EIA met andere regelingen combineren?

Voor dezelfde investering mag u de energie-investeringsaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) naast elkaar gebruiken. Dat levert een dubbel voordeel op. De EIA en de milieu-investeringsaftrek (MIA) mogen echter niet allebei voor dezelfde investering. U moet dan kiezen welke regeling voor u het gunstigst uitpakt: de EIA van 40 procent of de MIA van 45, 36 of 27 procent, afhankelijk van de categorie. Combineren met de willekeurige afschrijving (Vamil) is bij de EIA niet mogelijk. Figuur 3 zet de EIA, MIA en KIA naast elkaar (zie figuur 3).

Figuur 3: EIA, MIA en KIA vergeleken. Let op: EIA en MIA mag u niet allebei voor dezelfde investering.

Let op de desinvesteringsbijtelling

Verkoopt u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na de investering, dan moet u een deel van de aftrek terugnemen. Dat heet de desinvesteringsbijtelling. Houd hier rekening mee als u van plan bent het bedrijfsmiddel op korte termijn weer af te stoten, en bewaar de gegevens van uw EIA-investering goed.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer de Energielijst. Kijk of uw bedrijfsmiddel op de Energielijst van dat jaar staat of functioneel gelijkwaardig is.
  • Zorg dat het nieuw is. Alleen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen komen in aanmerking.
  • Haal de drempel. Investeer minimaal 2.500 euro per bedrijfsmiddel.
  • Meld binnen drie maanden. Dien de melding digitaal in bij de RVO binnen drie maanden na het aangaan van de opdracht.
  • Kies voor de EIA in de aangifte. Neem de aftrek op in uw aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
  • Maak de juiste keuze bij samenloop. Bereken vooraf of de EIA of de MIA het hoogste voordeel geeft als beide mogelijk zijn.
  • Bewaak de vijfjaarstermijn. Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling bij verkoop binnen vijf jaar en bewaar uw stukken.

Veelgestelde vragen

Hoeveel is de energie-investeringsaftrek in 2026?

In 2026 is de EIA 40 procent van het investeringsbedrag. U moet per bedrijfsmiddel minimaal 2.500 euro investeren en het bedrijfsmiddel moet nieuw zijn en op de Energielijst staan.

Kan ik de EIA en de KIA voor dezelfde investering gebruiken?

Ja. Voor dezelfde investering mag u de energie-investeringsaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek naast elkaar toepassen. De EIA en de milieu-investeringsaftrek (MIA) sluiten elkaar wel uit; daarbij moet u kiezen.

Wat gebeurt er als ik de investering te laat meld bij de RVO?

Dan vervalt uw recht op de EIA volledig. De termijn van drie maanden is fataal. Beslissend is dat de melding binnen die termijn door de RVO is ontvangen, niet het moment waarop u deze heeft verstuurd.

Geldt de EIA ook voor mijn bv?

Ja. Een bv kan de energie-investeringsaftrek benutten via de vennootschapsbelasting. De voorwaarden zijn vergelijkbaar met die voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Krijg ik de EIA voor een tweedehands machine?

Nee. De energie-investeringsaftrek geldt alleen voor nieuwe, niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. Voor gebruikte bedrijfsmiddelen bestaat geen recht op EIA.

Hoe Taxcount u kan helpen

De energie-investeringsaftrek kan u een aanzienlijk belastingvoordeel opleveren, maar staat of valt met een tijdige melding en een goede toetsing aan de Energielijst. Taxcount beoordeelt of uw investering kwalificeert, bewaakt de driemaandstermijn, verzorgt de melding bij de RVO en berekent bij samenloop of de EIA of de MIA voor u het gunstigst is. Ook zorgen wij dat de aftrek correct in uw aangifte terechtkomt. Wilt u weten of uw geplande investering recht geeft op de EIA? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij het voordeel voor u uit. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze Investeringsaftrek Planner.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie daarom altijd beoordelen door een adviseur.

Zie ook:

Geruisloze inbreng: onderneming omzetten zonder afrekening

Uw eenmanszaak of vof groeit en u vraagt zich af of een bv niet verstandiger is. Vaak zit er dan één ding in de weg: bij de overstap naar een bv moet u in beginsel fiscaal afrekenen over de stille reserves en de goodwill in uw onderneming. Dat kan een forse belastingaanslag opleveren, precies op het moment dat u het geld liever in de onderneming houdt. Met een geruisloze inbreng zet u uw onderneming om in een bv zonder dat u direct hoeft af te rekenen. In dit artikel leest u hoe de geruisloze inbreng werkt, welke voorwaarden in 2026 gelden en wanneer deze route voor u voordelig is.

De kern in het kort

De geruisloze inbreng is geregeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De gedachte is eenvoudig: u wijzigt alleen de juridische vorm van uw onderneming, van een IB-onderneming naar een bv, zonder dat de Belastingdienst dit als een staking ziet. Daardoor blijft belastingheffing op dat moment achterwege. Belangrijk om te weten:

  • Geen afrekening (doorschuiven). De onderneming wordt geacht niet te zijn gestaakt. De bv neemt de boekwaarden over en zet de onderneming voort. U betaalt nu geen inkomstenbelasting over de stille reserves en de goodwill.
  • Uitstel, geen afstel. De fiscale claim verdwijnt niet. Die schuift mee naar de bv en komt pas aan de orde als de winst later wordt gerealiseerd.
  • Verzoek en beschikking. U vraagt de faciliteit aan bij de Belastingdienst. De inspecteur legt de voorwaarden vast in een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken.
  • Ruisend als alternatief. Bij een ruisende inbreng rekent u wél af over de stakingswinst. Dat kan aantrekkelijk zijn als u die winst kunt omzetten in een lijfrente bij uw eigen bv.

De voorwaarden

De Belastingdienst stelt aan de geruisloze inbreng een aantal standaardvoorwaarden (voor het laatst vastgesteld in het besluit van 30 juni 2010). De belangrijkste op een rij:

  • Zelfde gerechtigdheid. U moet als oprichter geheel of nagenoeg geheel (in de praktijk ten minste 90%) in dezelfde verhouding aandelen krijgen als uw aandeel in het ondernemingsvermogen. Brengt u samen met een compagnon in? Dan geldt dit per persoon.
  • Vervreemdingsverbod van drie jaar. Verkoopt u de aandelen binnen drie jaar na de inbreng? Dan mag dat alleen met voorafgaande toestemming van de Belastingdienst. U moet dan aantonen dat de inbreng geen onderdeel was van een plan om de onderneming te verkopen. Een aandelenfusie is onder voorwaarden wel toegestaan.
  • Termijn voor de oprichting. Kiest u voor terugwerkende kracht, dan gelden strakke termijnen. Werkt u met een geregistreerde voorovereenkomst, dan moet de bv binnen negen maanden na het overgangstijdstip zijn opgericht; met een notariële akte van depot geldt een termijn van vijftien maanden.
  • Vaststelling verkrijgingsprijs. De Belastingdienst stelt de verkrijgingsprijs van uw aandelen vast. Dat is van belang voor box 2, omdat u door de inbreng een aanmerkelijk belang in de bv krijgt (art. 4.36 Wet IB 2001).
  • Schriftelijke instemming. De bv moet schriftelijk akkoord gaan met de gestelde voorwaarden.

Voldoet u aan deze voorwaarden, dan zet u uw onderneming om zonder directe belastingheffing. Voldoet u er niet aan, dan volgt alsnog een ruisende inbreng mét afrekening.

Rekenvoorbeeld

De situatie: een ondernemer met een eenmanszaak wil zijn onderneming in 2026 omzetten naar een bv. In de onderneming zitten stille reserves en goodwill van samen € 150.000. De vraag: ruisend inbrengen (afrekenen) of geruisloos inbrengen (doorschuiven)?

Scenario A – Ruisende inbreng (afrekenen) Bedrag
Stakingswinst (stille reserves + goodwill) € 150.000
Af: stakingsaftrek 2026 – € 3.630
Af: mkb-winstvrijstelling 12,7% – € 18.589
Belastbare stakingswinst € 127.781
Inkomstenbelasting box 1 (toptarief 49,50%) ± € 63.251
Direct te betalen ± € 63.251

 

Scenario B – Geruisloze inbreng (doorschuiven) Bedrag
Stakingswinst (onderneming geacht niet gestaakt) € 0
Boekwaarden schuiven door naar de bv
Direct te betalen € 0
Fiscale claim later: vennootschapsbelasting (19% / 25,8%) + box 2 (24,5% / 31%) bij realisatie

De conclusie: in dit voorbeeld houdt de ondernemer met de geruisloze inbreng ruim € 63.000 in de onderneming die hij anders meteen aan belasting kwijt zou zijn. Let op: dit is uitstel, geen afstel, de claim schuift door naar de bv. Bij de ruisende variant kunt u de heffing overigens ook uitstellen door een lijfrente bij uw eigen bv te bedingen. Wij rekenen met het toptarief; uw werkelijke tarief hangt af van uw overige inkomen.

Praktische gevolgen

  • Terugwerkende kracht en termijnen. U kunt de inbreng met terugwerkende kracht laten ingaan per het begin van een boekjaar. Bewaak de negen- of vijftienmaandstermijn scherp; te laat betekent geen geruisloze inbreng.
  • Voorovereenkomst registreren. Leg uw voornemen tijdig vast in een voorovereenkomst of intentieverklaring en laat die registreren bij de Belastingdienst, of gebruik een notariële akte van depot.
  • Beschrijving van activa en passiva. Bij de inbreng wordt een beschrijving van de bezittingen en schulden gemaakt. Deze mag niet ouder zijn dan zes maanden. Een omzetting in de eerste helft van het jaar voorkomt extra tussentijdse cijfers en kosten.
  • Aanmerkelijk belang (box 2). Na de inbreng bent u aandeelhouder met een aanmerkelijk belang. Uw vastgestelde verkrijgingsprijs is bepalend bij een latere verkoop of liquidatie van de bv.
  • Gebruikelijk loon. Als bestuurder-aandeelhouder krijgt u te maken met de gebruikelijkloonregeling en met de jaarlijkse afweging tussen loon en dividend.
  • Bestaande bv gebruiken. U hoeft niet per se een nieuwe bv op te richten. Een bestaande vennootschap kan ook, mits die op het overgangstijdstip een soortgelijke onderneming drijft.

Conclusie en advies

De geruisloze inbreng is aantrekkelijk als u wilt overstappen naar een bv zonder direct een belastingaanslag over uw stille reserves en goodwill te krijgen. De keuze tussen een geruisloze en een ruisende inbreng hangt af van uw cijfers, uw wens om af te rekenen of juist uit te stellen, en van de mogelijkheid om een lijfrente te bedingen. De voorwaarden luisteren nauw, vooral de termijnen en het vervreemdingsverbod van drie jaar. Wilt u weten welke route in uw situatie het meeste oplevert? De fiscalisten van Taxcount rekenen beide scenario’s voor u door en verzorgen het verzoek bij de Belastingdienst. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvende beoordeling van uw situatie.

Fiscale eenheid Vpb: wanneer is het voor u voordelig?

Heeft u een holding met een of meer werk-bv’s, of een onderneming die over meerdere bv’s is verdeeld? Dan kunt u ervoor kiezen om die vennootschappen samen als één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting te behandelen: een fiscale eenheid. Dat kan voordelig zijn, bijvoorbeeld als de ene bv winst maakt en de andere verlies. Maar er zitten ook nadelen aan. Dit artikel legt uit wat een fiscale eenheid is, wat de voordelen en nadelen zijn, welke voorwaarden gelden en hoe u de afweging maakt.

Wat is een fiscale eenheid?

Normaal doet elke bv apart aangifte over haar eigen winst. Een fiscale eenheid doorbreekt dat. Op gezamenlijk verzoek van de moeder- en dochtervennootschap wordt de vennootschapsbelasting geheven alsof er één belastingplichtige is. De winst en het vermogen van de dochter worden bij de moeder geteld, en de belasting wordt bij de moeder geheven. De vennootschappen blijven juridisch zelfstandig, maar fiscaal worden ze als een geheel behandeld (zie figuur 1).

  Figuur 1: een fiscale eenheid van een holding (moeder) met twee werk-bv’s (dochters).

Wat zijn de voordelen?

Een fiscale eenheid heeft drie hoofdvoordelen. Het eerste is de onderlinge verliesverrekening: het verlies van de ene bv verlaagt direct het belaste resultaat van de andere bv. Het tweede is dat transacties tussen de gevoegde vennootschappen fiscaal niet meetellen, zoals onderlinge winst op leveringen, verhuur of leningen. Het derde is dat u binnen de groep geruisloos kunt reorganiseren, dus bedrijfsmiddelen verschuiven zonder direct af te rekenen. Bijkomend voordeel: u doet één gezamenlijke aangifte in plaats van een aparte aangifte per bv.

Rekenvoorbeeld

Stel, moeder M maakt 100 euro winst, dochter D maakt 200 euro verlies en dochter X maakt 300 euro winst. Zonder fiscale eenheid wordt belasting geheven over 400 euro (100 plus 300) en blijft het verlies van D van 200 euro voorlopig ongebruikt liggen. Met een fiscale eenheid worden de resultaten bij elkaar opgeteld: 100 min 200 plus 300 is 200 euro belaste winst. Het verlies van D wordt zo meteen benut, wat de groep direct belasting bespaart (zie figuur 2).

 Figuur 2: verliesverrekening met en zonder fiscale eenheid, bij winst 100, verlies 200 en winst 300.

Wat zijn de nadelen?

Een fiscale eenheid is niet altijd voordelig. De belangrijkste nadelen zijn de volgende. Het lage vennootschapsbelastingtarief van 19 procent geldt maar tot 200.000 euro winst, en binnen een fiscale eenheid geldt die schijf één keer voor de hele groep, in plaats van per bv. Ook worden investeringen van alle vennootschappen samengeteld voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, waardoor die aftrek lager kan uitvallen. Verder is elke gevoegde vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van de hele eenheid, niet alleen voor haar eigen deel. En bij het verbreken van de eenheid kunt u te maken krijgen met een verplichte afrekening over stille reserves.

Welke voorwaarden gelden?

Om een fiscale eenheid te kunnen vormen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan:

  • Belang van minstens 95 procent: de moeder bezit de juridische en economische eigendom van ten minste 95 procent van de aandelen in de dochter, met minstens 95 procent van de stemrechten, de winst en het vermogen.
  • Vpb-plichtige lichamen: het gaat om een bv, nv, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, niet om een eenmanszaak of vof.
  • Zelfde boekjaar en winstbepaling: de boekjaren vallen samen en voor beide vennootschappen gelden dezelfde regels voor de winstbepaling.
  • Gevestigd in Nederland: beide vennootschappen zijn feitelijk in Nederland gevestigd, of voldoen aan de bijzondere voorwaarden.
  • Gezamenlijk verzoek: u dient een gezamenlijk verzoek in bij de inspecteur; de eenheid kan maximaal drie maanden vóór het verzoek ingaan.

Hoe maakt u de afweging?

Een fiscale eenheid is een keuze, geen verplichting. Het loont om die keuze bewust te maken. De voordelen wegen vooral zwaar als minstens één vennootschap verlies maakt terwijl een andere winst maakt, als er veel onderlinge transacties zijn, of als er een reorganisatie op stapel staat (zie figuur 3). Zijn die voordelen er niet, dan kunnen de nadelen (het maar één keer benutten van de lage tariefschijf, de samentelling voor de investeringsaftrek en de hoofdelijke aansprakelijkheid) de doorslag geven om juist geen eenheid te vormen. Omdat de situatie per jaar kan veranderen, is het verstandig de keuze periodiek te herijken. Let bij een eventuele verbreking op de sanctietermijn: verbreekt u de eenheid binnen zes jaar (soms drie jaar) na een interne overdracht van een bedrijfsmiddel met een stille reserve, dan kan alsnog directe heffing volgen.

Figuur 3: de voordelen en nadelen van een fiscale eenheid tegen elkaar afgewogen.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Controleer het belang: de moeder moet minstens 95 procent van de aandelen, stemrechten, winst en vermogen van de dochter hebben.
  • Bepaal of er voordeel is: weeg de winst-verliespositie, onderlinge transacties en reorganisatieplannen tegen elkaar af.
  • Weeg de nadelen mee: denk aan de ene tariefschijf, de samentelling voor de KIA en de hoofdelijke aansprakelijkheid.
  • Dien een gezamenlijk verzoek in: de eenheid kan maximaal drie maanden vóór het verzoek ingaan.
  • Let op verbreking: houd rekening met de sanctietermijn van art. 15ai bij verbreking na een interne overdracht.
  • Herijk periodiek: beoordeel jaarlijks of de fiscale eenheid nog de voordeligste keuze is.

Veelgestelde vragen

Wat is een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting?

Het is een keuze waarbij een moeder- en dochtervennootschap samen als één belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting worden behandeld. De resultaten worden samengevoegd en de belasting wordt bij de moeder geheven.

Wat is het grootste voordeel van een fiscale eenheid?

Vaak de onderlinge verliesverrekening: het verlies van de ene bv verlaagt direct de belaste winst van de andere bv. Daarnaast tellen onderlinge transacties niet mee en kunt u geruisloos reorganiseren binnen de groep.

Welke nadelen heeft een fiscale eenheid?

De lage tariefschijf van 19 procent geldt maar één keer voor de hele groep, de investeringsaftrek kan lager uitvallen door samentelling, en elke gevoegde bv is hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschuld van de hele eenheid.

Aan welke voorwaarde moet ik voldoen voor een fiscale eenheid?

De belangrijkste voorwaarde is dat de moeder minstens 95 procent van de aandelen in de dochter bezit, inclusief 95 procent van de stemrechten, de winst en het vermogen. Ook moeten de boekjaren samenvallen en gelden er vestigings- en verzoekvereisten.

Kan ik een fiscale eenheid weer verbreken?

Ja, maar let op de gevolgen. Verbreekt u de eenheid binnen de sanctietermijn (in beginsel zes jaar, soms drie) na een interne overdracht van een bedrijfsmiddel met een stille reserve, dan kan een verplichte afrekening over die reserve volgen.

Hoe Taxcount u kan helpen

Of een fiscale eenheid in uw situatie voordelig is, hangt af van uw winst-verliespositie, uw concernstructuur en uw plannen. Taxcount toetst of aan de voorwaarden is voldaan, berekent het voordeel van verliesverrekening tegenover de nadelen en verzorgt het verzoek bij de inspecteur. Ook bij een eventuele verbreking begeleiden wij u, zodat u niet onverwacht hoeft af te rekenen. Wilt u weten of een fiscale eenheid voor uw bv’s loont? De adviseurs van Taxcount helpen u graag uit. Neem gerust contact met ons op. In de tussentijd kan u kijken of een Fiscale eenheid beter voor u is dan meerdere bv’s met onze fiscale eenheid dashboard.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, drempels en voorwaarden kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen.

Zie ook:

Nihilwaardering WKR: zo verstrekt u onbelast aan uw personeel

U zet een koffieautomaat neer, geeft uw monteurs bedrijfskleding en zorgt voor fruit op kantoor. Moet u daar loonheffing over betalen? Vaak niet. Voor dit soort voorzieningen op de werkplek geldt de nihilwaardering WKR, de waarde wordt op nul euro gezet, zodat het geen loon vormt én niet ten koste gaat van uw vrije ruimte. In dit artikel leest u wat er onder de nihilwaardering valt, welke voorwaarden gelden en hoeveel eindheffing u ermee kunt besparen.

Wat is een nihilwaardering?

Normaal is alles wat u aan een werknemer geeft of ter beschikking stelt loon, en dus in principe belast. Binnen de werkkostenregeling (WKR) kan u zulke vergoedingen en verstrekkingen onderbrengen in uw vrije ruimte, een jaarlijks budget waarover u geen loonheffing betaalt. Maar die vrije ruimte is beperkt.

De nihilwaardering is een derde, extra gunstige route. Bepaalde voorzieningen op de werkplek worden gewaardeerd op € 0. Het gevolg:

  • Geen loon: de werknemer betaalt er niets over.
  • Geen aanwijzing nodig: u hoeft het niet apart als eindheffingsloon te bestempelen.
  • Buiten de vrije ruimte: het slokt u budget niet op, dus u houdt ruimte over voor andere dingen.

De enige basisvoorwaarde: de voorziening wordt (deels) op de werkplek gebruikt of verbruikt. Neemt de werknemer iets mee naar huis en profiteert hij er thuis van, dan geldt de nihilwaardering niet.

Wat valt onder de nihilwaardering?

De wet (artikel 3.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting) noemt vier categorieën:

Categorie Wat valt eronder
a. Werkplekhulpmiddelen Spullen die u normaal niet buiten het werk gebruikt: bureaustoel, beeldscherm, koffieautomaat, toegangspas, kopieerapparaat.
b. Werkkleding Kleding met een bedrijfslogo van samen minstens 70 cm² per kledingstuk, kleding die (bijna) alleen op het werk te dragen is, of kleding die op het werk blijft hangen.
c. Consumpties (geen maaltijd) Koffie, thee, frisdrank, een stuk fruit, een koekje bij de vergadering. Let op: een echte lunch of diner valt hier niet onder.
d. Verplichte huisvesting Wonen op of bij het werk als het echt niet anders kan (zeevarenden, seizoenwerkers, bouwvakkers op locatie), inclusief energie en water.

 

Voorwaarden en aandachtspunten

Of een verstrekking echt op nul mag, hangt af van een paar toetsen:

  • Op de werkplek. De voorziening moet geheel of gedeeltelijk op de werkplek worden gebruikt of verbruikt. Gedeeltelijk gebruik is genoeg.
  • In redelijkheid. Het moet echt om een werkplekvoorziening gaan. Een dure garderobe met een piepklein logo die vooral privé wordt gedragen, telt niet mee.
  • Logo van 70 cm². Bij werkkleding met een logo geldt: de zichtbare beeldmerken moeten samen minstens 70 cm² per kledingstuk beslaan. Anders moet de kleding (bijna) alleen op het werk te dragen zijn of op de werkplek achterblijven.
  • Consumptie, geen maaltijd. Koffie en een koekje mogen op nul. Een warme lunch of bedrijfsdiner valt onder aparte waarderingsregels en dus niet onder de nihilwaardering.
  • Geen vrije keuze bij huisvesting. Verplichte huisvesting is alleen nihil als de werknemer zich er redelijkerwijs niet aan kan onttrekken. Kiest hij zelf voor de bedrijfswoning terwijl hij ook elders kan wonen, dan geldt de nihilwaardering niet.

Voldoet u aan de voorwaarden, dan werkt de nihilwaardering automatisch — u hoeft niets aan te wijzen of aan te vragen.

Rekenvoorbeeld

De situatie; Een MKB-bedrijf heeft een loonsom van € 400.000. De vrije ruimte is in 2026 2% daarvan, dus € 8.000. Aan kerstpakketten en cadeaus is al € 7.500 van de vrije ruimte gebruikt. Daarnaast geeft het bedrijf voor € 4.000 per jaar aan koffie, snacks en bedrijfskleding met logo.

Scenario A: nihilwaardering Scenario B: alles in vrije ruimte
Vrije ruimte (2% van € 400.000) € 8.000 € 8.000
Al gebruikt (kerstpakket, cadeaus) € 7.500 € 7.500
Koffie, snacks en werkkleding € 0 (nihil, buiten vrije ruimte) € 4.000 (in vrije ruimte)
Overschrijding vrije ruimte geen € 3.500
80% eindheffing € 0 € 2.800

 

Scenario A. Het bedrijf behandelt de koffie, snacks en werkkleding correct als nihilwaardering. Ze blijven op € 0 en buiten de vrije ruimte. De vrije ruimte wordt niet overschreden, dus er is geen eindheffing.

Scenario B. Het bedrijf stopt diezelfde € 4.000 ten onrechte in de vrije ruimte. Samen met de € 7.500 komt het op € 11.500, terwijl er maar € 8.000 ruimte is. Over de overschrijding van € 3.500 volgt 80% eindheffing.

De conclusie: door de nihilwaardering goed toe te passen bespaart dit bedrijf € 2.800 aan eindheffing per jaar.

Praktische gevolgen

  • Onderbouwing bijhouden. U moet aannemelijk kunnen maken dat een verstrekking als werkplekvoorziening kwalificeert. Bewaar bij kleding bijvoorbeeld foto’s van het logo en de oppervlakte.
  • Let op het grensvlak consumptie/maaltijd. Een broodje bij de lunch is snel een maaltijd. Weet welke regel u toepast, want dat scheelt in de administratie.
  • Verschil met gerichte vrijstellingen. Bij een gerichte vrijstelling (bijvoorbeeld reiskosten) moet u de vergoeding wél aanwijzen als eindheffingsloon. Bij een nihilwaardering niet — dat is administratief eenvoudiger.
  • Personeelsfeest in concern. Voor een gezamenlijk personeelsfeest telt elke werkplek binnen het concern als ‘werkplek’, ook een externe feestlocatie. Zo kan onderdeel a alsnog van toepassing zijn.
  • Fout = belast loon. Behandelt u iets ten onrechte als nihilwaardering, dan is het gewoon belast loon of gaat het alsnog in uw vrije ruimte — met kans op 80% eindheffing bij overschrijding.

Conclusie en advies

De nihilwaardering is een van de gunstigste onderdelen van de werkkostenregeling: koffie, werkkleding, werkplekhulpmiddelen en verplichte huisvesting kan u vaak volledig onbelast verstrekken, zonder uw vrije ruimte aan te spreken. De winst zit in het goed onderscheiden van wat wél en niet kwalificeert — vooral bij kleding en consumpties luistert dat nauw.

Twijfelt u of jouw verstrekkingen aan personeel op nul mogen, of wilt u uw vrije ruimte optimaal benutten? De fiscalisten van Taxcount lopen uw loonadministratie en verstrekkingen graag met u door, zodat ugeen euro te veel eindheffing betaalt. Neem gerust contact op voor een check.