Fiets van de zaak in 2026: zo werkt de bijtelling van 7%

Steeds meer werkgevers stellen een (elektrische) fiets ter beschikking aan hun personeel. Fiscaal is dat aantrekkelijk: de bijtelling is laag en eenvoudig te berekenen. Maar er zijn een paar valkuilen. U kunt geen kilometervergoeding meer geven voor ritten met die fiets, en sinds kort geldt voor deelfietsen en hubfietsen een nihilbijtelling. In dit artikel leest u hoe de fiets van de zaak in 2026 wordt belast, wat u met de grondslag en de btw-drempel van 749 euro moet, en wanneer een renteloze lening voordeliger is dan een fiets ter beschikking stellen.

Wat is de bijtelling voor een fiets van de zaak?

Stelt uw werkgever een fiets ter beschikking die u ook prive mag gebruiken, dan is dat privevoordeel loon. Net als bij de auto van de zaak rekent de wet dat voordeel uit met een vast percentage: 7% van de waarde van de fiets per jaar. Onder de waarde verstaat de wet de consumentenadviesprijs, dus de adviesprijs die de fabrikant of importeur in Nederland publiceert, inclusief btw. Dat is niet de prijs op de factuur en niet de leaseprijs. Ook voor een tweedehandsfiets geldt de oorspronkelijke adviesprijs; er is geen korting voor de leeftijd van de fiets.

Mag u de fiets voor woon-werkverkeer gebruiken, dan gaat de wet ervan uit dat u hem ook prive gebruikt. Anders dan bij de auto van de zaak is er geen tegenbewijs mogelijk: het aantal privekilometers doet niet ter zake, en er is geen rittenregistratie. Stelt uw werkgever de fiets uitsluitend voor zakelijke ritten ter beschikking, woon-werkverkeer daarvan uitgezonderd, dan is er geen bijtelling.

Rekenvoorbeeld: een elektrische fiets van 2.800 euro

Stel, uw werkgever stelt een elektrische fiets ter beschikking met een consumentenadviesprijs van 2.800 euro inclusief btw. U neemt de fiets mee naar huis. De bijtelling is 7% van 2.800 euro = 196 euro per jaar, ongeveer 16,33 euro per maand bij uw loon (zie figuur 1). Bij een belastingtarief van 37,56% kost dat u ongeveer 74 euro per jaar, dus ruim 6 euro per maand. Betaalt u 10 euro per maand als eigen bijdrage, dan blijft 196 euro min 120 euro = 76 euro bijtelling over.

  Figuur 1: zo rekent u de bijtelling uit. De consumentenadviesprijs (2.800 euro) maal 7 procent geeft 196 euro bijtelling per jaar; bij een tarief van 37,56 procent kost dat ongeveer 74 euro netto. Een eigen bijdrage verlaagt de bijtelling.

Nieuw: nihilbijtelling voor deelfietsen en hubfietsen

Sinds het Belastingplan 2026 geldt een nihilbijtelling voor fietsen die niet bij u thuis worden gestald (zie figuur 2). Wordt de fiets niet meer dan bijkomstig (in de praktijk: niet meer dan 10% van de tijd) bij uw woon- of verblijfadres gestald, dan is het voordeel nihil. Deze regel is bedoeld voor hubfietsen die u voor het laatste stuk tussen station en werkplek gebruikt, en voor ov-fietsen en andere deelfietsen.

Van “stallen” is geen sprake als u in die periode niet zelf over de fiets kunt beschikken. Zet u de fiets voor uw deur en neemt u de sleutel mee naar binnen, dan is er wel gestald. Kunt u de fiets via een app inleveren zodat een ander hem kan gebruiken, dan niet. Belangrijk: deze nihilbijtelling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heeft u in eerdere jaren wel 7% bijtelling toegepast op zulke fietsen, dan kan een correctie over die jaren zinvol zijn.

Figuur 2: beslisboom voor de nihilbijtelling. Staat de fiets niet meer dan bijkomstig bij uw woonadres, of kunt u er in die periode niet zelf over beschikken (bijvoorbeeld een deelfiets die u via een app inlevert), dan is de bijtelling nihil. Anders geldt 7 procent.

Waarom u geen kilometervergoeding meer mag geven

Rijdt u met de fiets van de zaak, dan regelt en betaalt uw werkgever het vervoer al. Dat heet vervoer vanwege de werkgever. Voor die ritten kan geen onbelaste reiskostenvergoeding worden gegeven. Voor dagen waarop u met een eigen vervoermiddel reist, mag wel een vergoeding van maximaal 0,23 euro per kilometer worden gegeven. Werkgever en werknemer kunnen daarover vaste afspraken maken per dag per vervoermiddel, mits die afspraken realistisch zijn en aansluiten bij de persoonlijke situatie.

Ter beschikking stellen of een renteloze lening geven?

Naast een fiets ter beschikking stellen, kan uw werkgever u ook een renteloze lening geven zodat u zelf een fiets koopt. De rente mag dan op nihil worden gesteld en er is geen loon. Het grote verschil: bij een lening houdt u recht op de onbelaste kilometervergoeding van 0,23 euro per kilometer, ook voor woon-werkverkeer. De keuze komt dus hierop neer (zie figuur 3):

  • Fiets ter beschikking stellen: 7% bijtelling, maar geen kilometervergoeding voor ritten met die fiets.
  • Renteloze lening: geen bijtelling, en u houdt wel recht op de kilometervergoeding.

Figuur 3: twee routes vergeleken. Bij een fiets ter beschikking stellen (variant A) geldt 7 procent bijtelling en vervalt de kilometervergoeding; bij een renteloze lening (variant B) is er geen bijtelling en blijft de vergoeding van 0,23 euro per kilometer mogelijk, maar koopt de werknemer de fiets zelf.

Welke route voordeliger is, hangt af van de prijs van de fiets, uw reisafstand en het aantal fietsdagen. Laat dit doorrekenen voordat u een fietsplan invoert.

Vergoeden of verstrekken via de werkkostenregeling

Geeft uw werkgever de fiets in eigendom of vergoedt hij de aanschaf, dan is er geen bijtelling, maar wel loon. Dat loon kan de werkgever als eindheffingsloon aanwijzen en in de vrije ruimte van de werkkostenregeling laten vallen, als aan de gebruikelijkheidseis is voldaan. De Belastingdienst beschouwt in totaal maximaal 2.400 euro per persoon per jaar als gebruikelijk. De vrije ruimte bedraagt in 2026 2% van het loon tot en met 400.000 euro, plus 1,18% van het loon daarboven. Komt u boven de vrije ruimte uit, dan betaalt de werkgever 80% eindheffing over het meerdere.

De btw-drempel van 749 euro

De bijtelling in de loonbelasting staat los van de btw. Voor de btw geldt woon-werkverkeer wel als prive. In beginsel is de btw op een personeelsfiets daardoor niet aftrekbaar, maar er is een uitzondering: verstrekt of stelt u een fiets voor woon-werkverkeer ter beschikking, dan blijft de btw-aftrek in stand als de aanschafkosten niet meer dan 749 euro inclusief btw bedragen, u in het lopende jaar en de twee jaar daarvoor geen fiets aan die werknemer heeft gegeven, en de werknemer niet grotendeels op een andere manier reist. Is de fiets duurder dan 749 euro, dan is bij goedkeuring alleen de btw over het bedrag boven 749 euro uitgesloten van aftrek.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bepaal de juiste grondslag. Gebruik de consumentenadviesprijs inclusief btw, niet de factuur- of leaseprijs. Voor tweedehandsfietsen geldt de oorspronkelijke adviesprijs.
  • Kies bewust: ter beschikking stellen of lenen. Weeg de 7% bijtelling af tegen het behoud van de kilometervergoeding bij een renteloze lening.
  • Beoordeel de nihilbijtelling. Wordt de fiets nauwelijks thuis gestald (deelfiets, hubfiets), dan is de bijtelling nihil, ook met terugwerkende kracht tot 2020.
  • Regel de reiskostenvergoeding zorgvuldig. Geef geen kilometervergoeding voor ritten met de fiets van de zaak; maak wel duidelijke afspraken voor dagen met eigen vervoer.
  • Bewaak de btw-drempel van 749 euro. Controleer of u de btw op de fiets mag aftrekken en let op de driejaarsvoorwaarde.
  • Leg de overname vast. Neemt de werknemer de fiets later over, dan mag u uitgaan van 20% waardevermindering per jaar; na vijf jaar kan de overname onbelast.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bijtelling betaal ik voor een fiets van de zaak?

U betaalt 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets per jaar. Bij een elektrische fiets van 2.800 euro is dat 196 euro per jaar. Wat u daar netto van merkt, hangt af van uw belastingtarief.

Wat is de waarde waarover ik bijtelling betaal?

Dat is de consumentenadviesprijs inclusief btw, de officiele adviesprijs van de fabrikant of importeur. Niet de factuurprijs en niet de leaseprijs. Ook voor een tweedehandsfiets geldt die oorspronkelijke adviesprijs.

Geldt de bijtelling ook voor een speed pedelec of bakfiets?

Ja. Er is geen onderscheid tussen soorten fietsen: een stadsfiets, elektrische fiets, bakfiets en speed pedelec vallen allemaal onder hetzelfde percentage van 7%.

Wanneer is de bijtelling nihil?

Als de fiets niet meer dan bijkomstig bij uw woon- of verblijfadres wordt gestald, bijvoorbeeld bij een deelfiets of hubfiets die u alleen tussen station en werk gebruikt. Deze nihilbijtelling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.

Mag ik naast de fiets van de zaak een kilometervergoeding krijgen?

Niet voor ritten die u met die fiets maakt: dat is vervoer vanwege de werkgever. Voor dagen waarop u met een eigen vervoermiddel reist, mag wel een vergoeding van maximaal 0,23 euro per kilometer worden gegeven.

Kan ik ook een fiets naast een auto van de zaak krijgen?

Ja. Een fiets van de zaak naast een auto van de zaak is toegestaan. Voor beide geldt een eigen bijtelling.

Hoe Taxcount u kan helpen

Een fiets van de zaak is fiscaal aantrekkelijk, maar de keuze tussen ter beschikking stellen, verstrekken via de vrije ruimte of een renteloze lening bepaalt wat het u en uw personeel oplevert. Ook de nihilbijtelling voor deelfietsen en de btw-drempel van 749 euro worden vaak gemist. Taxcount helpt u een fietsplan op te zetten dat past bij uw personeelsbestand, rekent de varianten voor u door en zorgt dat de bijtelling, de reiskostenvergoeding en de btw kloppen. Overweegt u een fietsregeling? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

Bijtelling elektrische auto 2026: zo betaalt u 18% over de eerste 30.000 euro

Rijdt u een auto van de zaak die u ook prive mag gebruiken, dan betaalt u daarover belasting: de bijtelling. Kiest u voor een elektrische auto, dan is die bijtelling in 2026 een stuk lager dan voor een auto op benzine of diesel. Maar de korting geldt maar tot een bepaald bedrag, hij loopt de komende jaren af, en de datum waarop de auto voor het eerst is toegelaten bepaalt uw percentage voor vijf jaar. In dit artikel leest u hoe de bijtelling elektrische auto in 2026 werkt, wat de korting en de grens van 30.000 euro precies inhouden en wat u nu moet regelen voordat u een nieuwe auto aanschaft of least.

Wat is de bijtelling voor een auto van de zaak?

Stelt uw werkgever of uw eigen bv een auto ter beschikking die u ook prive mag gebruiken, dan is dat privevoordeel loon. De belasting daarover wordt niet berekend over de kilometers die u werkelijk prive rijdt, maar over een vast percentage van de waarde van de auto. Dat vaste bedrag heet de bijtelling. Onder de waarde van de auto verstaat de wet de catalogusprijs plus de BPM, dus niet de prijs die het bedrijf werkelijk heeft betaald.

In 2026 is de standaardbijtelling 22% van de waarde van de auto per jaar. Dat geldt voor auto’s op benzine, diesel of een plug-in hybride. Voor auto’s die geen CO2 uitstoten geldt een lagere bijtelling. Dezelfde regeling geldt voor een dga met een auto van de bv en, in een vergelijkbare vorm, voor de ondernemer met een auto op de zaak van een eenmanszaak of vof.

Hoeveel is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

Voor een volledig elektrische auto of een waterstofauto die volgens het kentekenregister 0 gram CO2 per kilometer uitstoot, krijgt u in 2026 een korting van 4% van de waarde van de auto, met een maximum van 1.200 euro per jaar (zie figuur 1). Dat maximum van 1.200 euro komt overeen met 4% van 30.000 euro. In de praktijk betekent dit: 18% bijtelling over de eerste 30.000 euro van de waarde en 22% over het deel daarboven. Die grens van 30.000 euro heet de cap.

Voor waterstofauto’s en voor zogenoemde zonnecelauto’s (auto’s met ingebouwde zonnepanelen die aan technische eisen voldoen) geldt de cap niet: die krijgen 18% over de hele waarde. In het hogere prijssegment is dat verschil groot.

Situatie in 2026 Bijtelling
Elektrische auto tot 30.000 euro 18% van de waarde
Elektrische auto, deel boven 30.000 euro 22% van dat deel
Waterstofauto of zonnecelauto 18% over de hele waarde
Auto op benzine, diesel of plug-in hybride 22% van de waarde
Auto van 16 jaar of ouder 35% van de dagwaarde

  Figuur 1: beslisboom voor de korting in 2026. Alleen auto’s met 0 gram CO2 per kilometer krijgen korting; waterstof- en zonnecelauto’s krijgen 18 procent over de hele waarde, en bij overige elektrische auto’s bepaalt het jaar van eerste toelating het percentage.

Hoe lang blijft uw percentage gelden? De zestigmaandentermijn

Het percentage en de cap van het jaar waarin de auto voor het eerst is toegelaten, blijven zestig maanden gelden. Die termijn gaat in op de eerste dag van de maand na de datum eerste toelating. Rijdt u in 2026 een elektrische auto die in 2022 voor het eerst is toegelaten, dan geldt dus nog het percentage van 2022 (16% over de eerste 35.000 euro). Loopt de termijn van vijf jaar in de loop van een jaar af, dan verandert het percentage midden in dat jaar. Voor een nieuwe auto die in 2026 wordt toegelaten, ligt de combinatie van 18% en de grens van 30.000 euro dus tot ongeveer vijf jaar later vast.

Rekenvoorbeeld: een elektrische auto van 45.000 euro

Stel, uw bv stelt u per 1 januari 2026 een nieuwe elektrische auto ter beschikking. De waarde (catalogusprijs plus BPM) is 45.000 euro. De bijtelling berekent u dan zo (zie figuur 2):

  • 18% van 30.000 euro = 5.400 euro
  • 22% van 15.000 euro (het deel boven de cap) = 3.300 euro
  • Samen 8.700 euro per jaar, oftewel 725 euro per maand bij uw loon.

Figuur 2: rekenvoorbeeld voor een elektrische auto van 45.000 euro. Over de eerste 30.000 euro geldt 18 procent (5.400 euro) en over de resterende 15.000 euro 22 procent (3.300 euro), samen 8.700 euro per jaar. Zonder korting zou dat 9.900 euro zijn.

Bij een belastingtarief van 37,56% kost die bijtelling u ongeveer 3.267 euro per jaar. Zonder de korting zou de bijtelling 22% van 45.000 euro = 9.900 euro zijn geweest. De korting scheelt u dus 1.200 euro bijtelling en ongeveer 451 euro netto per jaar. Over de volledige termijn van vijf jaar loopt dat op tot ongeveer 6.000 euro minder bijtelling.

Wanneer hoeft u geen bijtelling te betalen?

Gebruikt u de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer prive, dan is de bijtelling nihil. Ritten van huis naar het werk tellen daarbij niet als prive. U moet dat wel bewijzen, meestal met een sluitende rittenregistratie of met een Verklaring geen privegebruik auto van de Belastingdienst. De bewijslast is zwaar: een rittenregistratie met gaten of fouten verliest zijn waarde volledig, waarna u alsnog de volledige bijtelling betaalt.

Voor een bestelauto kan de bijtelling vervallen als de auto door zijn inrichting alleen geschikt is voor goederenvervoer, buiten werktijd niet kan worden gebruikt, of als u het privegebruik verbiedt. Een verbod op privegebruik werkt alleen als u aan vier voorwaarden tegelijk voldoet: u legt het schriftelijk vast, u bewaart die vastlegging bij de administratie, u houdt daadwerkelijk toezicht en u spreekt een sanctie af.

Wat betekent elektrisch rijden voor de BPM en de wegenbelasting?

Het voordeel van een emissievrije auto zit niet alleen in de bijtelling. Voor een elektrische personenauto bedraagt de BPM in 2026 alleen de vaste voet van 687 euro, terwijl de BPM voor een auto op fossiele brandstof flink oploopt met de CO2-uitstoot. Omdat de BPM in de waarde van de auto zit, verlaagt dit ook uw bijtelling. Voor de motorrijtuigenbelasting geldt voor een auto die uitsluitend op elektriciteit of waterstof rijdt in 2026 tot en met 2028 een tarief van 70% van het normale tarief, en in 2029 75%. Vanaf 2030 vervalt die korting.

Wat verandert er na 2026?

De korting op de bijtelling loopt af (zie figuur 3). Voor een auto met een datum eerste toelating in 2027 is de korting nog 2% (bijtelling 20%, maximaal 600 euro voordeel). Vanaf 2028 vervalt de korting helemaal en geldt ook voor elektrische auto’s de volle 22%. Het moment van eerste toelating bepaalt dus veel: een levering die net over de jaargrens schuift, kost 2 of 4 procentpunt meer, en dat vijf jaar lang.

Figuur 3: de korting loopt af. In 2026 geldt 18 procent (korting 4 procent, maximaal 1.200 euro), in 2027 20 procent (korting 2 procent, maximaal 600 euro) en vanaf 2028 22 procent zonder korting. Het percentage van het jaar van eerste toelating blijft zestig maanden gelden.

Daarnaast komt er per 2027 naar verwachting een extra werkgeversheffing (een pseudo-eindheffing) op auto’s van de zaak die op benzine of diesel rijden. De precieze uitwerking daarvan wordt nog vastgesteld, maar het maakt fossiel rijden voor de werkgever duurder en versterkt de businesscase voor elektrisch. Overstappen voor 2027 kan die heffing voorkomen. Ook de regeling voor oudere auto’s (youngtimers) wordt de komende jaren beperkt; laat u daarover apart adviseren als u een oudere auto van de zaak rijdt.

Laadpaal en laadstroom: wat mag onbelast?

Een laadpaal bij uw woning en de kosten daarvan horen bij de terbeschikkingstelling van de auto en zitten dus al in de bijtelling. Voor de stroom zelf ligt dat anders. Die kan onbelast worden vergoed als de werkgever de werkelijke kostprijs per kilowattuur vergoedt, of via een zakelijke leveringsafspraak binnen een marktconform tarief. Een vast bedrag per maand of een vergoeding op basis van een landelijk gemiddelde prijs is door de Belastingdienst afgewezen. Leg de berekening of de afspraak daarom goed vast.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Leg de kerngegevens vast. Noteer per auto de datum eerste toelating, de CO2-uitstoot uit het kentekenregister en de waarde (catalogusprijs plus BPM).
  • Bewaak de zestigmaandentermijn. Houd bij wanneer de termijn van vijf jaar afloopt, want dan verandert het percentage, soms midden in het jaar.
  • Verwerk de bijtelling correct. Neem de bijtelling per loontijdvak op in de loonaangifte, met een eventuele eigen bijdrage.
  • Regel bewijs bij weinig privegebruik. Wilt u onder de 500 kilometergrens blijven, zorg dan voor een sluitende rittenregistratie of vraag een Verklaring geen privegebruik aan.
  • Onderbouw de laadstroom. Vergoed stroom op basis van de werkelijke kostprijs per kilowattuur of een vastgelegde leveringsafspraak.
  • Plan de aanschaf slim. De datum van eerste toelating bepaalt uw percentage voor vijf jaar; een aanschaf net voor de jaargrens kan voordeliger zijn.

Veelgestelde vragen

Wat is de bijtelling voor een elektrische auto in 2026?

In 2026 betaalt u 18% bijtelling over de eerste 30.000 euro van de waarde van de auto en 22% over het deel daarboven. De korting bedraagt maximaal 1.200 euro per jaar. Voor auto’s op benzine of diesel geldt 22% over de hele waarde.

Wat betekent de cap van 30.000 euro?

De cap is de grens in de waarde van de auto waarboven de korting niet meer geldt. Over de eerste 30.000 euro betaalt u het lage percentage van 18%, over het meerdere het normale tarief van 22%. Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet.

Hoe lang houd ik mijn lage bijtelling?

Het percentage en de cap van het jaar van eerste toelating blijven zestig maanden gelden, gerekend vanaf de eerste dag van de maand na die datum. Voor een auto uit 2026 ligt de 18%-korting dus ongeveer vijf jaar vast.

Geldt de korting ook voor een plug-in hybride?

Nee. De korting geldt alleen voor auto’s die volgens het kentekenregister 0 gram CO2 per kilometer uitstoten. Een plug-in hybride stoot wel CO2 uit en valt daarom onder de volledige bijtelling van 22%.

Verandert de bijtelling voor elektrische auto’s na 2026?

Ja. Voor auto’s die in 2027 voor het eerst worden toegelaten daalt de korting naar 2% (bijtelling 20%). Vanaf 2028 vervalt de korting en geldt ook voor elektrische auto’s 22%. Daarnaast komt er per 2027 waarschijnlijk een extra werkgeversheffing op fossiele auto’s van de zaak.

Hoe voorkom ik bijtelling helemaal?

Als u de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer prive gebruikt, is de bijtelling nihil. U moet dat wel bewijzen met een sluitende rittenregistratie of een Verklaring geen privegebruik auto. Woon-werkverkeer telt daarbij niet als prive.

Hoe Taxcount u kan helpen

De bijtelling lijkt eenvoudig, maar de details bepalen uw voordeel: het juiste percentage per bouwjaar, de aflopende korting, de grens van 30.000 euro en het moment van aanschaf dat uw tarief voor vijf jaar vastlegt. Een verkeerd percentage of een niet-onderkende afloop van de zestigmaandentermijn werkt door in alle loontijdvakken en over meerdere jaren. Taxcount rekent voor u door wat een elektrische auto van de zaak u oplevert, controleert de verwerking in de loonaangifte en helpt u de aanschaf of het leasecontract fiscaal slim te plannen. Wilt u weten wat voor uw situatie het voordeligst is? Laat uw situatie door ons beoordelen.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

WBSO 2026: zo verlaagt u de loonkosten van onderzoek en ontwikkeling

Ontwikkelt uw bedrijf technisch nieuwe producten, productieprocessen of software? Dan kunt u met de WBSO een fors deel van de loonkosten van dat ontwikkelwerk terugkrijgen. De WBSO 2026 verlaagt namelijk de loonheffing die u als werkgever aan de Belastingdienst afdraagt. Voor veel innovatieve bedrijven is dit het belangrijkste fiscale voordeel dat er is. In dit artikel leest u wat de WBSO inhoudt, voor wie de regeling bedoeld is, welk werk meetelt, hoeveel de regeling in 2026 oplevert en hoe u de S&O-afdrachtvermindering op tijd en correct aanvraagt.

Wat is de WBSO?

WBSO staat voor de afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk. De overheid wil onderzoek en ontwikkeling in Nederland stimuleren en verlaagt daarom de loonkosten daarvan. Dat gebeurt via een korting op de loonheffing, dat zijn de loonbelasting en premies die u normaal voor uw personeel afdraagt. Uw werknemers merken er niets van: het voordeel komt volledig bij u als werkgever terecht. Naast loonkosten tellen ook andere kosten en investeringen voor het ontwikkelwerk mee.

Voor wie is de WBSO bedoeld?

De regeling is er voor elke werkgever die loonheffing afdraagt en zelf een onderneming drijft: bv’s, nv’s, en eenmanszaken of vof’s met personeel. Denk aan software- en techbedrijven, de maakindustrie, machinebouw, engineeringbureaus en R&D-afdelingen. Publieke kennisinstellingen, zoals universiteiten, zijn uitgesloten.

Ook zonder personeel kunt u profiteren. Bent u ondernemer voor de inkomstenbelasting en besteedt u zelf minstens 500 uur per jaar aan speur- en ontwikkelingswerk, dan krijgt u geen korting op de loonheffing, maar een verhoging van uw zelfstandigenaftrek. Starters krijgen een extra hoog percentage, waardoor de WBSO juist voor jonge, innovatieve bedrijven interessant is.

Welk werk telt als speur- en ontwikkelingswerk?

Alleen werk dat technisch nieuw is voor uw eigen bedrijf komt in aanmerking. Het gaat om het oplossen van een technisch probleem waarvoor de oplossing niet voor de hand ligt. Het werk moet systematisch worden uitgevoerd en binnen de Europese Unie plaatsvinden. Werk in het Verenigd Koninkrijk telt sinds 2021 niet meer mee. Uw project hoeft niet te slagen om te kwalificeren, maar het moet wel om echte technische vernieuwing gaan.

Sommige werkzaamheden vallen er nadrukkelijk buiten: marktonderzoek, organisatorisch en administratief werk, literatuuronderzoek en vormgeving. Bij software geldt een extra aandachtspunt. Alleen de uren die u nodig heeft om een concreet programmeertechnisch knelpunt op te lossen tellen mee, en niet de gewone bouw- en ontwikkeluren. Houd die uren daarom apart bij in uw administratie.

Hoe werkt de WBSO in drie stappen?

U doorloopt de WBSO in drie stappen: vooraf aanvragen, de korting laten berekenen en die daarna verrekenen en melden (zie figuur 1).

Figuur 1: de WBSO in drie stappen, van de aanvraag vooraf tot het verrekenen en jaarlijks melden.

Stap 1: vooraf aanvragen bij RVO

U vraagt de WBSO digitaal aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de aanvraag omschrijft u het geplande ontwikkelwerk, de verwachte uren en eventueel de verwachte kosten. U kunt maximaal vier keer per jaar aanvragen. De aanvraag moet uiterlijk binnen zijn op de laatste dag van de maand voordat de periode begint. Voor een periode die op 1 januari start, moet de aanvraag zelfs uiterlijk 20 december van het jaar ervoor binnen zijn. Vraag dus op tijd aan, want een te late aanvraag betekent geen korting.

Stap 2: de korting berekenen

RVO geeft een S&O-verklaring af met daarin het kortingsbedrag. De korting is 16 procent over de grondslag, met een verhoging van 20 procent over het deel van de grondslag tot 391.020 euro. Per saldo krijgt u dus 36 procent over de eerste 391.020 euro en 16 procent daarboven. Voor starters is de verhoging groter: zij krijgen 50 procent over de eerste schijf. De grondslag bestaat uit de S&O-uren maal het gemiddelde uurloon, plus de kosten en uitgaven. Voor die kosten kiest u bij de eerste aanvraag van het jaar tussen de werkelijke bedragen of een vast bedrag per uur.

Stap 3: verrekenen en terugmelden

U verrekent de korting zelf in uw aangiften loonheffingen. Binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar meldt u aan RVO hoeveel uren (en eventueel kosten) u werkelijk heeft besteed. Heeft u minder gerealiseerd dan aangevraagd, dan volgt een correctie. Vergeet deze jaarlijkse melding niet, want zonder melding volgt een boete en wordt de volledige korting teruggedraaid.

Hoeveel levert de WBSO op in 2026?

De belangrijkste percentages en bedragen voor 2026 staan in figuur 2. Let op: deze bedragen kunnen jaarlijks wijzigen, dus controleer ze elk jaar.

Figuur 2: de WBSO-percentages en de schijfgrens voor 2026. Het hogere starterspercentage is uitgelicht.

Rekenvoorbeeld: een software-bv laat twee ontwikkelaars in 2026 samen 2.000 uur aan een technisch nieuw platform werken. Het gemiddelde uurloon is 35 euro. De bv kiest het kostenforfait: 1.800 uur maal 10 euro plus 200 uur maal 4 euro is 18.800 euro. De grondslag is dan 2.000 maal 35 euro plus 18.800 euro, samen 88.800 euro. Dat blijft onder de schijfgrens, dus de korting is 36 procent van 88.800 euro, ofwel 31.968 euro minder af te dragen loonheffing. Is de bv een starter, dan is de korting 50 procent, ofwel 44.400 euro (zie figuur 3).

Figuur 3: rekenvoorbeeld van een software-bv. Bij een grondslag van 88.800 euro levert het gewone tarief 31.968 euro op en het starterstarief 44.400 euro.

Welke administratie moet u bijhouden?

Een sluitende administratie is bij de WBSO cruciaal. U houdt per project bij wat u ontwikkelt, welke technische knelpunten u oplost en hoeveel uur elke medewerker per dag aan het werk besteedt. De projectadministratie moet binnen twee maanden na afloop van het kwartaal beschikbaar zijn, de urenadministratie binnen tien werkdagen. Kiest u voor werkelijke kosten in plaats van het forfait, dan houdt u ook een kosten- en uitgavenadministratie bij. Bij een controle kijkt RVO hier scherp naar.

Aandachtspunten en veranderingen

De WBSO-verklaring is ook het toegangsticket voor de innovatiebox in de vennootschapsbelasting. Wordt uw verklaring op nihil gecorrigeerd, dan kan ook die innovatiebox vervallen. Verder zijn de percentages en de schijfgrens ieder jaar aan verandering onderhevig, dus controleer ze jaarlijks. Voor 2027 is aangekondigd dat het forfaitaire uurloon stijgt van 29 naar 33 euro. Let er ten slotte op dat de S&O-verklaring niet automatisch overgaat bij een fusie of bedrijfsoverdracht: regel dan tijdig een nieuwe aanvraag.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Op tijd aanvragen. Dien de aanvraag digitaal in bij RVO vóór de start van het werk; voor een periode vanaf 1 januari uiterlijk op 20 december.
  • Tenaamstelling controleren. Zorg dat de verklaring op naam staat van de onderneming die het personeel verloont; de verklaring is niet overdraagbaar.
  • Technisch knelpunt omschrijven. Beschrijf per project het technische probleem, niet alleen het gewenste resultaat.
  • Uren dagelijks vastleggen. Houd per medewerker per dag de S&O-uren bij en scheid bij software de knelpunturen van gewone ontwikkeluren.
  • Jaarlijks melden. Geef binnen drie maanden na afloop van het jaar de werkelijk bestede uren en kosten door aan RVO.
  • Starterspercentage nagaan. Ga na of u recht heeft op het hogere starterspercentage van 50 procent over de eerste schijf.

Veelgestelde vragen

Hoeveel bedraagt de WBSO in 2026?

De korting is 16 procent over de grondslag, oplopend tot 36 procent over de eerste 391.020 euro. Voor starters is dit 50 procent over de eerste schijf.

Moet ik de WBSO vooraf aanvragen?

Ja. U vraagt de WBSO altijd vooraf en digitaal aan bij RVO, voordat het werk begint. Een aanvraag met terugwerkende kracht is niet mogelijk.

Kan ik de WBSO als zzp’er krijgen?

Ja, als u ondernemer bent voor de inkomstenbelasting en zelf minstens 500 uur per jaar aan speur- en ontwikkelingswerk besteedt. U krijgt dan een verhoging van uw zelfstandigenaftrek in plaats van een korting op de loonheffing.

Telt software-ontwikkeling mee voor de WBSO?

Alleen als u een concreet programmeertechnisch knelpunt oplost. De uren die u daarvoor nodig heeft tellen mee; gewone bouw- en ontwikkeluren niet.

Wat gebeurt er als ik de jaarmelding vergeet?

Dan volgt een boete en wordt de toegekende korting volledig teruggedraaid via een correctie. Plan de melding daarom binnen drie maanden na het jaareinde in.

Hoe Taxcount u kan helpen

Taxcount beoordeelt of uw ontwikkelwerk als speur- en ontwikkelingswerk kwalificeert, verzorgt de aanvraag bij RVO en bewaakt de termijnen. Wij helpen u een sluitende project- en urenadministratie op te zetten, kiezen samen met u tussen het kostenforfait en de werkelijke kosten, en zorgen voor de jaarlijkse melding. Zo benut u het maximale voordeel zonder risico op boetes. Neem gerust contact met ons op om uw project te bespreken.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

30% regeling / 30% ruling

See English below/Zie Engelse versie beneden

 

Haalt u een werknemer met schaarse kennis uit het buitenland naar Nederland, dan lopen de kosten al snel op. De 30%-regeling, sinds 2024 officieel de expatregeling genoemd, biedt uitkomst. U mag dan een deel van het loon onbelast uitbetalen als vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf in een ander land. Voor 2026 gaat het om maximaal 30% van het loon, belastingvrij. In dit artikel leest u voor wie de regeling geldt, welke voorwaarden de Belastingdienst stelt, hoeveel u onbelast mag vergoeden en wat er vanaf 2027 verandert. Zo weet u of u de regeling kunt inzetten en wat u daarvoor moet regelen.

Wat is de 30%-regeling?

Wie tijdelijk buiten zijn eigen land werkt, maakt extra kosten. Denk aan dubbele huisvesting, hogere kosten van levensonderhoud en reizen naar het thuisland. Deze extra kosten heten extraterritoriale kosten: extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst. Als werkgever mag u deze kosten onbelast vergoeden, en daarvoor bestaan twee routes.

Bij de eerste route vergoedt u de werkelijke extra kosten en bewijst u die met bonnen en bewijsstukken. Bij de tweede route past u een vast percentage toe zonder die bewijslast. Die tweede route is de bekende 30%-regeling: u betaalt een vast deel van het loon onbelast uit, zonder de werkelijke kosten aan te tonen. In vakjargon heet dit een bewijsregel. Voor veel werkgevers is de forfaitaire route eenvoudiger, omdat u geen kostenadministratie per werknemer hoeft bij te houden.

Voor wie geldt de expatregeling?

De regeling geldt voor elke werkgever die loonbelasting inhoudt en te maken heeft met grensoverschrijdend personeel, van de eenmanszaak met personeel tot de bv, nv, stichting en overheid. Er zijn twee groepen werknemers die in beeld komen.

Ingekomen werknemers

Dit zijn werknemers die u uit een ander land aanwerft of die naar Nederland worden gezonden en die een specifieke deskundigheid hebben die op de Nederlandse arbeidsmarkt schaars is. De regeling speelt vooral in kennisintensieve sectoren, zoals tech, onderzoek en ontwikkeling, financiële dienstverlening, universiteiten en onderzoeksinstellingen, ziekenhuizen en internationale bedrijven.

Uitgezonden werknemers

Dit zijn werknemers die u juist naar het buitenland stuurt, zoals ambtenaren op een post in het buitenland, militairen en werknemers die in het buitenland wetenschap beoefenen of onderwijs geven. Voor deze groep geldt de regeling gedurende de duur van de uitzending, met de eis van ten minste 45 verblijfsdagen in twaalf maanden.

Welke voorwaarden gelden er?

De Belastingdienst stelt een aantal harde eisen voordat u de 30%-regeling mag toepassen op een ingekomen werknemer. De belangrijkste zijn de salarisnorm, de afstandseis en een tijdige aanvraag. Figuur 1 laat stap voor stap zien of uw werknemer in aanmerking komt.

Figuur 1: beslisboom om te bepalen of uw werknemer in aanmerking komt voor de 30%-regeling.

De salarisnorm houdt in dat de werknemer een bepaald belastbaar jaarloon moet verdienen. Voor 2026 is dat meer dan 48.013 euro. Voor een werknemer die jonger is dan 30 jaar en een erkende wetenschappelijke mastergraad heeft, geldt een lagere norm van meer dan 36.497 euro. Wetenschappelijk onderzoekers en artsen in opleiding tot specialist worden geacht de specifieke deskundigheid te bezitten en hoeven niet aan de salarisnorm te voldoen.

Daarnaast geldt de afstandseis, ook wel de 150-kilometergrens genoemd. De werknemer moet in meer dan twee derde van de 24 maanden vóór het begin van het werk op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben gewoond. Zo wordt voorkomen dat mensen die vlak over de grens wonen de regeling gebruiken.

De looptijd van de regeling is voor ingekomen werknemers maximaal vijf jaar. Die periode wordt korter als de werknemer eerder in Nederland heeft gewerkt of gewoond; de Belastingdienst kijkt daarvoor tot 25 jaar terug. Verder maakt u als werkgever elk kalenderjaar opnieuw een keuze tussen het vergoeden van de werkelijke kosten en het toepassen van het forfait. Die keuze legt u vast in het eerste loontijdvak van het jaar.

Hoeveel mag u in 2026 onbelast vergoeden?

In 2024, 2025 en 2026 mag u maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. De grondslag is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking plus de vergoeding zelf. Schoolgelden voor internationale scholen mogen daarnaast apart onbelast worden vergoed.

Er geldt wel een plafond. Per werknemer telt maximaal 30% van de hoogste bezoldiging uit de Wet normering topinkomens mee, ook wel de Balkenendenorm genoemd. Voor 2026 is die norm 262.000 euro. De maximale onbelaste vergoeding komt daarmee uit op 78.600 euro per jaar. Deze norm wordt elk jaar per 1 januari aangepast en vóór 1 november van het voorafgaande jaar bekendgemaakt, zodat u de nieuwe grens op tijd in de loonadministratie kunt verwerken.

Rekenvoorbeeld: een uit het buitenland aangeworven software-engineer heeft een grondslag van 90.000 euro per jaar. U mag dan 30% van 90.000 euro, ofwel 27.000 euro per jaar, onbelast vergoeden. Dat is 2.250 euro per maand. Omdat 90.000 euro ruim onder het plafond blijft, speelt de aftopping op 78.600 euro hier geen rol. Figuur 2 werkt dit rekenvoorbeeld verder uit.

Figuur 2: rekenvoorbeeld van de onbelaste vergoeding en het plafond in 2026.

Hoe vraagt u de 30%-regeling aan?

U past de regeling niet zomaar toe. Werkgever en werknemer dienen samen een verzoek in bij de Belastingdienst, die daarop beslist met een beschikking. Tegen die beschikking is bezwaar mogelijk. Dien het verzoek in binnen vier maanden na de eerste werkdag. Doet u dat op tijd, dan werkt de regeling terug tot de start van het dienstverband. Bent u te laat, dan gaat de regeling pas later in en verliest u een deel van de looptijd.

Wisselt de werknemer binnen de looptijd van werkgever, dan loopt de regeling door zolang de onderbreking niet langer is dan drie maanden. Binnen een samenhangende groep van werkgevers wordt de vorige werkgever gelijkgesteld met de nieuwe.

Wat verandert er vanaf 2027?

Vanaf 2027 daalt het maximale onbelaste percentage van 30% naar 27%. De 30%-regeling gaat daarmee verder als 27%-regeling. Tegelijk stijgen de salarisnormen: de reguliere norm gaat naar 50.436 euro en de verlaagde norm voor jonge werknemers met een mastergraad naar 38.388 euro (beide bedragen worden jaarlijks geïndexeerd). Figuur 3 zet 2026 en 2027 naast elkaar.

Figuur 3: vergelijking van het percentage en de salarisnormen in 2026 en vanaf 2027.

Er geldt overgangsrecht. Werknemers die de regeling voor het eerst in 2024 gebruikten, mogen gedurende de resterende looptijd het percentage van 30% en de voor hen geldende salarisnorm blijven toepassen. Voor werknemers die later instromen gelden de nieuwe percentages en normen. Laat daarom per werknemer nagaan welk regime van toepassing is.

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Toets de doelgroep: ga na of het gaat om een uit het buitenland aangeworven werknemer met schaarse kennis, of om een werknemer die u naar het buitenland uitzendt.
  • Controleer de salarisnorm: toets of het jaarloon boven 48.013 euro uitkomt, of boven 36.497 euro bij een werknemer jonger dan 30 jaar met een mastergraad.
  • Check de afstandseis: zoek uit of de werknemer in de 24 maanden vóór de baan op meer dan 150 kilometer van de grens woonde.
  • Vraag de beschikking op tijd aan: dien het gezamenlijke verzoek binnen vier maanden na de eerste werkdag in om terugwerkende kracht te behouden.
  • Bewaak de looptijd en het plafond: houd de resterende looptijd (maximaal vijf jaar) en de aftopping op 78.600 euro per jaar bij in de loonadministratie.
  • Kies jaarlijks bewust: leg elk jaar in het eerste loontijdvak vast of u het forfait toepast of de werkelijke kosten vergoedt.

Veelgestelde vragen

Blijft de 30%-regeling in 2026 gewoon 30%?

Ja. In 2024, 2025 en 2026 mag u maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. Pas vanaf 2027 daalt dit naar 27%.

Hoeveel mag ik maximaal onbelast vergoeden?

U mag 30% van de grondslag onbelast vergoeden. Wel geldt een plafond: per werknemer telt maximaal 30% van de Balkenendenorm mee. Voor 2026 is dat 262.000 euro, wat neerkomt op maximaal 78.600 euro onbelast per jaar.

Hoe lang loopt de regeling?

Voor ingekomen werknemers is de looptijd maximaal vijf jaar. Eerder werken of wonen in Nederland kan die periode verkorten. Voor uitgezonden werknemers geldt de duur van de uitzending.

Wat gebeurt er als ik de aanvraag te laat indien?

Dient u het verzoek later dan vier maanden na de eerste werkdag in, dan werkt de regeling niet terug tot de startdatum en verliest u een deel van de looptijd. Op tijd aanvragen levert dus direct voordeel op.

Kan ik de regeling combineren met een vergoeding van werkelijke kosten?

Niet tegelijk voor dezelfde werknemer in hetzelfde jaar. U kiest per kalenderjaar tussen het forfait van 30% en het vergoeden van de werkelijke extraterritoriale kosten.

Hoe Taxcount u kan helpen

De 30%-regeling levert een fors voordeel op, maar de voorwaarden zijn precies en de bedragen veranderen jaarlijks. Taxcount beoordeelt of uw werknemer aan de eisen voldoet, verzorgt de aanvraag van de beschikking en bewaakt de looptijd, de salarisnorm en het plafond in uw loonadministratie. Ook adviseren wij over de overgang naar het lagere percentage vanaf 2027 en over de samenloop met andere regelingen. Wilt u weten of u de 30%-regeling voor een medewerker kunt inzetten? Leg uw situatie aan ons voor, dan rekenen wij het voor u door. In de tussentijd kan u gebruik maken van onze Expatregeling monitor.

Dit artikel bevat algemene informatie en is geen fiscaal advies. Tarieven, bedragen en drempels kunnen wijzigen, en de uitkomst hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat uw situatie altijd door een adviseur beoordelen voordat u beslissingen neemt.

 

English version

 

When you bring an employee with scarce expertise to the Netherlands from abroad, the costs add up quickly. The 30% ruling, officially called the expat scheme since 2024, offers relief. It allows you to pay part of the salary tax-free as compensation for the extra costs of a temporary stay in another country. For 2026 this means up to 30% of the salary, free of tax. This article explains who the scheme applies to, which conditions the Tax Administration sets, how much you may reimburse tax-free and what changes from 2027 onwards. That way you know whether you can use the scheme and what you need to arrange.

What is the 30% ruling?

Someone who works temporarily outside their own country incurs extra costs, such as double housing, higher living expenses and travel to their home country. These extra costs are called extraterritorial costs: additional costs of a temporary stay outside the country of origin. As an employer you may reimburse these costs tax-free, and there are two routes for this.

Under the first route you reimburse the actual extra costs and prove them with receipts and supporting documents. Under the second route you apply a fixed percentage without that burden of proof. This second route is the well-known 30% ruling: you pay a fixed part of the salary tax-free without demonstrating the actual costs. In technical terms this is called an evidence rule. For many employers the fixed-percentage route is simpler, because you do not have to keep a cost record for each employee.

Who does the expat scheme apply to?

The scheme applies to any employer that withholds payroll tax and deals with cross-border staff, from the sole trader with employees to the private limited company, public limited company, foundation and government. Two groups of employees come into play.

Incoming employees

These are employees whom you recruit from another country or who are sent to the Netherlands and who have a specific expertise that is scarce on the Dutch labour market. The scheme is especially relevant in knowledge-intensive sectors, such as technology, research and development, financial services, universities and research institutes, hospitals and international companies.

Outgoing employees

These are employees whom you send abroad, such as civil servants at a post abroad, military personnel and employees who carry out scientific work or teach abroad. For this group the scheme applies for the duration of the posting, subject to the requirement of at least 45 days of stay within twelve months.

Which conditions apply?

The Tax Administration sets a number of strict conditions before you may apply the 30% ruling to an incoming employee. The most important are the salary standard, the distance requirement and a timely application. Figure 1 shows step by step whether your employee qualifies.

Figure 1: decision tree to determine whether your employee qualifies for the 30% ruling.

The salary standard means that the employee must earn a certain taxable annual salary. For 2026 that is more than 48,013 euros. For an employee under the age of 30 who holds a recognised academic master’s degree, a lower standard of more than 36,497 euros applies. Academic researchers and doctors in specialist training are deemed to possess the specific expertise and do not have to meet the salary standard.

In addition, the distance requirement applies, also known as the 150-kilometre limit. The employee must have lived more than 150 kilometres from the Dutch border during more than two thirds of the 24 months before the start of the work. This prevents people who live just across the border from using the scheme.

The duration of the scheme for incoming employees is a maximum of five years. That period is shortened if the employee has previously worked or lived in the Netherlands; the Tax Administration looks back up to 25 years for this. Furthermore, as an employer you make a fresh choice each calendar year between reimbursing the actual costs and applying the fixed percentage. You record that choice in the first payroll period of the year.

How much may you reimburse tax-free in 2026?

In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. The basis is the salary from current employment plus the allowance itself. School fees for international schools may be reimbursed tax-free separately, on top of this.

There is a ceiling, however. Per employee, no more than 30% of the highest remuneration under the Standards for Remuneration Act (the so-called Balkenende standard) is taken into account. For 2026 that standard is 262,000 euros. The maximum tax-free allowance therefore comes to 78,600 euros per year. This standard is adjusted every year on 1 January and announced before 1 November of the preceding year, so that you can process the new limit in your payroll administration in good time.

Example: a software engineer recruited from abroad has a basis of 90,000 euros per year. You may then reimburse 30% of 90,000 euros, that is 27,000 euros per year, tax-free. That amounts to 2,250 euros per month. Because 90,000 euros is well below the ceiling, the cap of 78,600 euros plays no role here. Figure 2 works out this example in more detail.

Figure 2: example of the tax-free allowance and the ceiling in 2026.

How do you apply for the 30% ruling?

You do not simply apply the scheme. The employer and employee submit a joint request to the Tax Administration, which then decides by means of a formal decision. An objection against that decision is possible. Submit the request within four months of the first working day. If you do so on time, the scheme takes effect retroactively from the start of the employment. If you are late, the scheme starts only later and you lose part of the duration.

If the employee changes employer within the duration, the scheme continues as long as the interruption is no longer than three months. Within a related group of employers, the previous employer is treated as the new one.

What changes from 2027 onwards?

From 2027 the maximum tax-free percentage falls from 30% to 27%. The 30% ruling then continues as a 27% ruling. At the same time the salary standards rise: the regular standard goes to 50,436 euros and the reduced standard for young employees with a master’s degree to 38,388 euros (both amounts are indexed annually). Figure 3 places 2026 and 2027 side by side.

Figure 3: comparison of the percentage and the salary standards in 2026 and from 2027.

Transitional rules apply. Employees who first used the scheme in 2024 may continue to apply the 30% percentage and the salary standard applicable to them for the remaining duration. New entrants are subject to the new percentages and standards. Therefore have it checked per employee which regime applies.

Practical checklist: what you need to arrange

  • Check the target group: determine whether it concerns an employee recruited from abroad with scarce knowledge, or an employee you are sending abroad.
  • Verify the salary standard: check whether the annual salary exceeds 48,013 euros, or 36,497 euros for an employee under 30 with a master’s degree.
  • Confirm the distance requirement: find out whether the employee lived more than 150 kilometres from the border during the 24 months before the job.
  • Apply for the decision on time: submit the joint request within four months of the first working day to retain retroactive effect.
  • Monitor the duration and the ceiling: keep track of the remaining duration (a maximum of five years) and the cap of 78,600 euros per year in your payroll administration.
  • Choose deliberately each year: record in the first payroll period of each year whether you apply the fixed percentage or reimburse the actual costs.

Frequently asked questions

Does the 30% ruling remain 30% in 2026?

Yes. In 2024, 2025 and 2026 you may reimburse up to 30% of the salary tax-free. Only from 2027 does this fall to 27%.

How much may I reimburse tax-free at most?

You may reimburse 30% of the basis tax-free. There is a ceiling, however: per employee, no more than 30% of the Balkenende standard is taken into account. For 2026 that is 262,000 euros, which amounts to a maximum of 78,600 euros tax-free per year.

How long does the scheme last?

For incoming employees the duration is a maximum of five years. Previous work or residence in the Netherlands can shorten that period. For outgoing employees the duration of the posting applies.

What happens if I submit the application late?

If you submit the request later than four months after the first working day, the scheme does not take effect retroactively from the start date and you lose part of the duration. Applying on time therefore yields an immediate advantage.

Can I combine the scheme with a reimbursement of actual costs?

Not at the same time for the same employee in the same year. You choose per calendar year between the fixed percentage of 30% and reimbursing the actual extraterritorial costs.

How Taxcount can help you

The 30% ruling delivers a considerable advantage, but the conditions are precise and the amounts change every year. Taxcount assesses whether your employee meets the requirements, arranges the application for the decision and monitors the duration, the salary standard and the ceiling in your payroll administration. We also advise on the transition to the lower percentage from 2027 and on the interaction with other schemes. Would you like to know whether you can use the 30% ruling for an employee? Present your situation to us and we will calculate it for you. In the mean time you can use our Expatruling monitor.

This article contains general information and is not tax advice. Rates, amounts and thresholds may change, and the outcome depends on your personal situation. Always have your situation assessed by an adviser before making decisions.

 

Nihilwaardering WKR: zo verstrekt u onbelast aan uw personeel

U zet een koffieautomaat neer, geeft uw monteurs bedrijfskleding en zorgt voor fruit op kantoor. Moet u daar loonheffing over betalen? Vaak niet. Voor dit soort voorzieningen op de werkplek geldt de nihilwaardering WKR, de waarde wordt op nul euro gezet, zodat het geen loon vormt én niet ten koste gaat van uw vrije ruimte. In dit artikel leest u wat er onder de nihilwaardering valt, welke voorwaarden gelden en hoeveel eindheffing u ermee kunt besparen.

Wat is een nihilwaardering?

Normaal is alles wat u aan een werknemer geeft of ter beschikking stelt loon, en dus in principe belast. Binnen de werkkostenregeling (WKR) kan u zulke vergoedingen en verstrekkingen onderbrengen in uw vrije ruimte, een jaarlijks budget waarover u geen loonheffing betaalt. Maar die vrije ruimte is beperkt.

De nihilwaardering is een derde, extra gunstige route. Bepaalde voorzieningen op de werkplek worden gewaardeerd op € 0. Het gevolg:

  • Geen loon: de werknemer betaalt er niets over.
  • Geen aanwijzing nodig: u hoeft het niet apart als eindheffingsloon te bestempelen.
  • Buiten de vrije ruimte: het slokt u budget niet op, dus u houdt ruimte over voor andere dingen.

De enige basisvoorwaarde: de voorziening wordt (deels) op de werkplek gebruikt of verbruikt. Neemt de werknemer iets mee naar huis en profiteert hij er thuis van, dan geldt de nihilwaardering niet.

Wat valt onder de nihilwaardering?

De wet (artikel 3.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting) noemt vier categorieën:

Categorie Wat valt eronder
a. Werkplekhulpmiddelen Spullen die u normaal niet buiten het werk gebruikt: bureaustoel, beeldscherm, koffieautomaat, toegangspas, kopieerapparaat.
b. Werkkleding Kleding met een bedrijfslogo van samen minstens 70 cm² per kledingstuk, kleding die (bijna) alleen op het werk te dragen is, of kleding die op het werk blijft hangen.
c. Consumpties (geen maaltijd) Koffie, thee, frisdrank, een stuk fruit, een koekje bij de vergadering. Let op: een echte lunch of diner valt hier niet onder.
d. Verplichte huisvesting Wonen op of bij het werk als het echt niet anders kan (zeevarenden, seizoenwerkers, bouwvakkers op locatie), inclusief energie en water.

 

Voorwaarden en aandachtspunten

Of een verstrekking echt op nul mag, hangt af van een paar toetsen:

  • Op de werkplek. De voorziening moet geheel of gedeeltelijk op de werkplek worden gebruikt of verbruikt. Gedeeltelijk gebruik is genoeg.
  • In redelijkheid. Het moet echt om een werkplekvoorziening gaan. Een dure garderobe met een piepklein logo die vooral privé wordt gedragen, telt niet mee.
  • Logo van 70 cm². Bij werkkleding met een logo geldt: de zichtbare beeldmerken moeten samen minstens 70 cm² per kledingstuk beslaan. Anders moet de kleding (bijna) alleen op het werk te dragen zijn of op de werkplek achterblijven.
  • Consumptie, geen maaltijd. Koffie en een koekje mogen op nul. Een warme lunch of bedrijfsdiner valt onder aparte waarderingsregels en dus niet onder de nihilwaardering.
  • Geen vrije keuze bij huisvesting. Verplichte huisvesting is alleen nihil als de werknemer zich er redelijkerwijs niet aan kan onttrekken. Kiest hij zelf voor de bedrijfswoning terwijl hij ook elders kan wonen, dan geldt de nihilwaardering niet.

Voldoet u aan de voorwaarden, dan werkt de nihilwaardering automatisch — u hoeft niets aan te wijzen of aan te vragen.

Rekenvoorbeeld

De situatie; Een MKB-bedrijf heeft een loonsom van € 400.000. De vrije ruimte is in 2026 2% daarvan, dus € 8.000. Aan kerstpakketten en cadeaus is al € 7.500 van de vrije ruimte gebruikt. Daarnaast geeft het bedrijf voor € 4.000 per jaar aan koffie, snacks en bedrijfskleding met logo.

Scenario A: nihilwaardering Scenario B: alles in vrije ruimte
Vrije ruimte (2% van € 400.000) € 8.000 € 8.000
Al gebruikt (kerstpakket, cadeaus) € 7.500 € 7.500
Koffie, snacks en werkkleding € 0 (nihil, buiten vrije ruimte) € 4.000 (in vrije ruimte)
Overschrijding vrije ruimte geen € 3.500
80% eindheffing € 0 € 2.800

 

Scenario A. Het bedrijf behandelt de koffie, snacks en werkkleding correct als nihilwaardering. Ze blijven op € 0 en buiten de vrije ruimte. De vrije ruimte wordt niet overschreden, dus er is geen eindheffing.

Scenario B. Het bedrijf stopt diezelfde € 4.000 ten onrechte in de vrije ruimte. Samen met de € 7.500 komt het op € 11.500, terwijl er maar € 8.000 ruimte is. Over de overschrijding van € 3.500 volgt 80% eindheffing.

De conclusie: door de nihilwaardering goed toe te passen bespaart dit bedrijf € 2.800 aan eindheffing per jaar.

Praktische gevolgen

  • Onderbouwing bijhouden. U moet aannemelijk kunnen maken dat een verstrekking als werkplekvoorziening kwalificeert. Bewaar bij kleding bijvoorbeeld foto’s van het logo en de oppervlakte.
  • Let op het grensvlak consumptie/maaltijd. Een broodje bij de lunch is snel een maaltijd. Weet welke regel u toepast, want dat scheelt in de administratie.
  • Verschil met gerichte vrijstellingen. Bij een gerichte vrijstelling (bijvoorbeeld reiskosten) moet u de vergoeding wél aanwijzen als eindheffingsloon. Bij een nihilwaardering niet — dat is administratief eenvoudiger.
  • Personeelsfeest in concern. Voor een gezamenlijk personeelsfeest telt elke werkplek binnen het concern als ‘werkplek’, ook een externe feestlocatie. Zo kan onderdeel a alsnog van toepassing zijn.
  • Fout = belast loon. Behandelt u iets ten onrechte als nihilwaardering, dan is het gewoon belast loon of gaat het alsnog in uw vrije ruimte — met kans op 80% eindheffing bij overschrijding.

Conclusie en advies

De nihilwaardering is een van de gunstigste onderdelen van de werkkostenregeling: koffie, werkkleding, werkplekhulpmiddelen en verplichte huisvesting kan u vaak volledig onbelast verstrekken, zonder uw vrije ruimte aan te spreken. De winst zit in het goed onderscheiden van wat wél en niet kwalificeert — vooral bij kleding en consumpties luistert dat nauw.

Twijfelt u of jouw verstrekkingen aan personeel op nul mogen, of wilt u uw vrije ruimte optimaal benutten? De fiscalisten van Taxcount lopen uw loonadministratie en verstrekkingen graag met u door, zodat ugeen euro te veel eindheffing betaalt. Neem gerust contact op voor een check.

Schijnzelfstandigheid: De Risico’s voor Opdrachtgevers en ZZP’ers vanaf 2025

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) zorgt al jaren voor onzekerheid. De centrale vraag – wanneer is een zzp’er een echte ondernemer en wanneer is er sprake van een verkapte dienstbetrekking? – is voor velen een grijs gebied. De tijd van vrijblijvendheid is echter voorbij. Sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst beëindigd. Dit betekent dat de fiscus niet langer volstaat met een waarschuwing, maar direct kan ingrijpen met forse financiële gevolgen voor zowel opdrachtgevers als zzp’ers.

De Gevolgen: Waarom Dit Nu Belangrijk Is

Het beëindigen van het moratorium betekent dat de Belastingdienst bij het constateren van schijnzelfstandigheid direct naheffingsaanslagen en correctieverplichtingen kan opleggen.

  • Voor de opdrachtgever: U wordt met terugwerkende kracht als werkgever gezien. Dit betekent dat u alsnog loonbelasting, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) moet afdragen over de betaalde vergoedingen. Dit kan oplopen tot duizenden euro’s per ingehuurde ‘zzp’er’.
  • Voor de zzp’er: De gevolgen zijn eveneens pijnlijk. De Belastingdienst kan oordelen dat u geen recht had op de ondernemersfaciliteiten. Dit betekent dat de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling worden teruggedraaid. Een winstgevend jaar kan hierdoor fiscaal veranderen in een financiële strop.

De Beoordeling: De Criteria van de Belastingdienst

De Belastingdienst kijkt niet naar één enkel kenmerk, maar naar het totaalplaatje van de feitelijke samenwerking. Een KvK-nummer en een factuur zijn niet voldoende. De volgende elementen zijn cruciaal:

  • Gezagsverhouding: Wie heeft de leiding en het toezicht? Als een opdrachtgever precies bepaalt hoe, waar en wanneer het werk wordt uitgevoerd, duidt dit sterk op een dienstverband.
    • Voorbeeld: Een aannemer die een ‘ingehuurde’ timmerman elke ochtend vertelt welke specifieke taken hij die dag moet doen, met welk gereedschap en tijdens welke werktijden, oefent een gezagsverhouding uit. Dit is anders dan een timmerman die de opdracht krijgt om een dakkapel te plaatsen voor een vaste prijs en zelf bepaalt hoe en wanneer hij dit doet, zolang het maar voor de afgesproken deadline af is.
  • Zelfstandigheid en Aantal Opdrachtgevers: Een echte ondernemer is onafhankelijk en werkt doorgaans voor meerdere klanten.
    • Voorbeeld: Een tekstschrijver die een jaar lang 40 uur per week voor één enkele uitgeverij werkt, loopt een groot risico. Een tekstschrijver die in datzelfde jaar voor tien verschillende bedrijven opdrachten uitvoert, toont zelfstandigheid.
  • Ondernemersrisico: Loopt de zzp’er financieel risico? Dit is een kernmerk van ondernemerschap.
    • Voorbeeld: Een IT-consultant die per uur betaald krijgt, ongeacht het resultaat, loopt weinig risico. Een IT-consultant die een project aanneemt voor een vaste prijs en zelf verantwoordelijk is voor eventuele meerkosten, loopt wél ondernemersrisico.
  • Presentatie naar Buiten: Gedraagt de zzp’er zich als een ondernemer? Actieve acquisitie en een eigen professionele uitstraling zijn hierbij van belang.
    • Voorbeeld: Een ‘zzp’er’ die geen website, LinkedIn-profiel of visitekaartjes heeft en volledig afhankelijk is van één bemiddelingsbureau, versus een zzp’er met een eigen merk, website en een actief netwerk.
  • Continuïteit en Omvang: Gaat het om een eenmalige klus of een structurele, langdurige samenwerking?
    • Voorbeeld: Een grafisch ontwerper die eenmalig een logo ontwerpt, is duidelijk een opdracht. Als diezelfde ontwerper vervolgens twee jaar lang elke maandag vast op kantoor zit voor allerlei ontwerpklussen, kan de relatie als een dienstverband worden gezien.

Conclusie en Advies

De beëindiging van het handhavingsmoratorium dwingt opdrachtgevers en zzp’ers om hun samenwerkingen kritisch tegen het licht te houden. De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden is doorslaggevend. Het is daarom essentieel om de afspraken helder vast te leggen in een goede overeenkomst van opdracht en de relatie periodiek te toetsen.

Twijfelt u over de kwalificatie van een arbeidsrelatie of wilt u uw huidige contracten laten controleren? Neem contact op met ons. Wij helpen u de risico’s in kaart te brengen en de samenwerking op een fiscaal correcte en veilige manier vorm te geven, zodat u zich kunt richten op waar u goed in bent: ondernemen. Neemt u een zzp’er alsnog in loondienst? Dan helpen wij u ook graag met de salarisadministratie.

Werkkostenregeling (WKR)

Heeft u personeel in dienst en wilt u uw medewerkers iets extra’s geven, zoals een kerstpakket, een personeelsfeest of een vergoeding voor thuiswerken? Dan krijgt u te maken met de werkkostenregeling, kortweg de WKR. Deze regeling bepaalt hoeveel u als werkgever belastingvrij mag vergoeden en verstrekken, en wanneer u juist belasting moet betalen. Veel ondernemers laten geld liggen omdat zij de vrije ruimte niet volledig benutten, terwijl anderen onverwacht een naheffing krijgen omdat zij een grens overschrijden. In dit artikel leggen wij uit hoe de werkkostenregeling in 2026 werkt, welke vergoedingen onbeperkt onbelast mogen blijven en wat u praktisch moet regelen om binnen de regels te blijven.

Wat is de werkkostenregeling?

Alles wat u aan uw werknemers vergoedt of verstrekt, is in principe loon. Dat geldt niet alleen voor geld, maar ook voor spullen, maaltijden, een sportabonnement of een cadeau. Over loon moet in beginsel loonbelasting worden betaald. De werkkostenregeling biedt twee manieren om vergoedingen en verstrekkingen toch belastingvrij bij uw personeel te krijgen: de vrije ruimte en de gerichte vrijstellingen.

De vrije ruimte is een vast budget: een percentage van uw totale loonsom dat u per jaar belastingvrij mag besteden aan van alles en nog wat. De gerichte vrijstellingen zijn een vaste lijst met zakelijke kosten die u altijd onbelast mag vergoeden, ook als de vrije ruimte al op is. Daarnaast bestaan er nog nihilwaarderingen voor bepaalde voorzieningen op de werkplek. Hieronder bespreken wij deze routes een voor een.

Voor wie geldt de werkkostenregeling?

De werkkostenregeling geldt voor elke werkgever die personeel in loondienst heeft. Het maakt niet uit of u een eenmanszaak met personeel, een vof, een maatschap, een bv, een nv of een stichting heeft, en er geldt geen minimum voor de omvang van uw bedrijf. Zodra u loon betaalt en inhoudingsplichtig bent voor de loonheffingen, valt u onder de regeling.

Ook een bijzondere situatie is geregeld. Werkt u voor een buitenlandse werkgever die in Nederland niet inhoudingsplichtig is, dan mag u de vrije ruimte en de gerichte vrijstellingen zelf toepassen in uw aangifte inkomstenbelasting. Zo profiteren bijvoorbeeld grenswerkers en werknemers van een buitenlands bedrijf toch van de regeling.

Hoe werkt de vrije ruimte in 2026?

De vrije ruimte berekent u over uw totale fiscale loonsom. In 2026 gelden twee percentages: u mag 2% van de loonsom tot en met € 400.000 belastingvrij besteden, plus 1,18% van het deel van de loonsom daarboven. Binnen die ruimte betaalt u geen loonbelasting en betaalt uw werknemer geen inkomstenbelasting over het voordeel.

Belangrijk is dat u een vergoeding of verstrekking actief moet aanwijzen als zogenoemd eindheffingsloon om deze in de vrije ruimte onder te brengen. Dat is een administratieve keuze die u vooraf maakt, niet iets wat u achteraf regelt. Overschrijdt het totaal van uw aangewezen vergoedingen de vrije ruimte, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing over het bedrag dat boven de vrije ruimte uitkomt. Uw werknemer merkt daar niets van: de belasting komt voor uw rekening.

Rekenvoorbeeld: vrije ruimte en eindheffing

Stel dat uw bedrijf in 2026 een fiscale loonsom van € 500.000 heeft. Uw vrije ruimte is dan 2% van € 400.000, dus € 8.000, plus 1,18% van de resterende € 100.000, dus € 1.180. In totaal mag u € 9.180 belastingvrij besteden. Geeft u dit jaar voor € 11.000 aan kerstpakketten, een personeelsfeest en kleine vergoedingen die u aanwijst als eindheffingsloon, dan overschrijdt u de vrije ruimte met € 1.820. Over dat bedrag betaalt u 80% eindheffing, dus € 1.456 extra. Door uw uitgaven vooraf te plannen, voorkomt u zulke onverwachte kosten.

Wat zijn gerichte vrijstellingen?

Naast de vrije ruimte kent de wet een lijst met gerichte vrijstellingen. Dit zijn zakelijke kosten die u onbeperkt onbelast mag vergoeden, ook als uw vrije ruimte al vol is. U moet deze vergoedingen wel aanwijzen als eindheffingsloon, maar zij gaan niet ten koste van uw vrije ruimte. Hieronder staan de belangrijkste categorieën voor 2026.

Reiskosten en vervoer

Voor zakelijke reizen, inclusief woon-werkverkeer, mag u in 2026 maximaal € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden, ongeacht het vervoermiddel. Dit bedrag is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Reist uw werknemer met het openbaar vervoer, de taxi, het vliegtuig of een schip, dan mag u de werkelijke kosten vergoeden, ook als die hoger uitvallen. Voor werknemers met een vaste werkplek mag u een vaste maandvergoeding geven, berekend alsof zij 214 dagen per jaar reizen, mits zij minstens 128 dagen per jaar naar die vaste plek reizen. Bij deeltijd of thuiswerken rekent u dit naar verhouding om.

Thuiswerkvergoeding

Voor iedere dag dat een werknemer thuiswerkt, mag u in 2026 maximaal € 2,45 onbelast vergoeden, ook als het om een deel van een dag gaat. Ook hier mag u met de 128- en 214-dagenregeling een vaste vergoeding geven. Let op: voor dezelfde dag kunt u niet zowel een thuiswerkvergoeding als een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer naar de vaste werkplek geven. U kiest per dag.

Studie, cursussen en vakkennis

Kosten voor het onderhouden en verbeteren van kennis en vaardigheden voor het huidige werk, zoals cursussen, congressen en vakliteratuur, mag u onbelast vergoeden. Datzelfde geldt voor een opleiding of studie die gericht is op het verwerven van inkomen. De kosten van een werk- of studeerruimte thuis vallen hier niet onder.

Gereedschap, laptop en telefoon

Gereedschappen en ICT-middelen zoals een laptop, telefoon of software mag u onbelast vergoeden of verstrekken als u ze in redelijkheid noodzakelijk vindt voor het werk. Dit heet het noodzakelijkheidscriterium. Voorwaarde is dat de werknemer het middel teruggeeft of de restwaarde vergoedt als het niet meer nodig is, en dat het niet is uitgeruild tegen brutoloon.

Verhuiskosten, maaltijden en personeelskorting

Verhuist een werknemer voor het werk, dan mag u de kosten van het overbrengen van de inboedel vergoeden, plus een vast bedrag van maximaal € 7.750. Maaltijden tijdens dienstreizen of maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter, bijvoorbeeld bij overwerk, mag u eveneens onbelast vergoeden. Verkoopt u eigen producten, dan mag u uw personeel een korting geven van maximaal 20% van de winkelwaarde per product, met een maximum van € 500 per werknemer per jaar. Ook een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die voor het werk nodig is, valt onder de gerichte vrijstellingen.

Buitenlandse werknemers: de 30%-regeling

Voor werknemers die u vanuit het buitenland aanwerft, bestaat de expatregeling, beter bekend als de 30%-regeling. Hiermee mag u een vast deel van het loon onbelast vergoeden voor de extra kosten van tijdelijk verblijf in Nederland, onder voorwaarden zoals een salarisnorm en de zogenoemde 150-kilometergrens. In 2026 bedraagt het forfait maximaal 30% van het loon; vanaf 2027 daalt dit naar 27%, met overgangsrecht voor wie de regeling al vóór 2024 toepaste.

Nihilwaarderingen: voorzieningen op de werkplek

Sommige voorzieningen die u op de werkplek beschikbaar stelt, worden op nihil gewaardeerd. Dat betekent dat zij geen loon vormen en dus ook geen vrije ruimte kosten. Denk aan koffie en thee op kantoor, de inrichting van de werkplek en bedrijfskleding die op het werk achterblijft. De nihilwaarderingen zijn een aparte route binnen de werkkostenregeling en helpen om uw vrije ruimte te sparen voor andere zaken.

De gebruikelijkheidstoets: niet alles mag

Aan het aanwijzen van vergoedingen als eindheffingsloon zit een grens: de gebruikelijkheidstoets. Zowel de omvang van een vergoeding als het aanwijzen zelf mag niet meer dan 30% afwijken van wat in vergelijkbare situaties gebruikelijk is. Deze toets voorkomt bijvoorbeeld dat u de hele vrije ruimte toewijst aan één werknemer om diens belaste loon te verlagen, of dat u regulier salaris omzet in onbelast eindheffingsloon. Blijf dus dicht bij wat in uw branche gangbaar is.

Wat u moet vastleggen: administratie en bewaarplicht

De werkkostenregeling steunt op een goede administratie. U moet kunnen aantonen welke vergoedingen u heeft aangewezen als eindheffingsloon, hoe u de vrije ruimte heeft berekend en hoe u kilometervergoedingen en vaste vergoedingen heeft onderbouwd. Aan een vaste kostenvergoeding moet bovendien vooraf een onderzoek naar de werkelijke kosten ten grondslag liggen; zonder dat onderzoek is de vergoeding belast.

De loonadministratie geldt als basisgegeven en moet u ten minste zeven jaar bewaren. Digitale opslag is toegestaan, zolang de gegevens gedurende de hele bewaartermijn juist, volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven. Schiet uw administratie tekort, dan kan de inspecteur de bewijslast omkeren en verzwaren, wat uw positie bij een controle sterk verslechtert.

Wat verandert er in 2027?

Vanaf 1 januari 2027 stijgt het lage percentage van de vrije ruimte van 2% naar 2,16% over de loonsom tot en met € 400.000. Daarnaast daalt het forfait van de 30%-regeling naar 27%. Houd bij uw planning voor volgend jaar rekening met deze wijzigingen, want een hogere vrije ruimte betekent meer belastingvrije ruimte voor uw personeel.

Kerncijfers werkkostenregeling 2026

De belangrijkste bedragen en percentages voor 2026 op een rij:

Onderdeel Bedrag of percentage in 2026
Vrije ruimte tot en met € 400.000 loonsom 2% van de loonsom
Vrije ruimte boven € 400.000 loonsom 1,18% van de loonsom
Eindheffing bij overschrijding vrije ruimte 80% (betaald door de werkgever)
Onbelaste kilometervergoeding € 0,25 per kilometer
Onbelaste thuiswerkvergoeding € 2,45 per thuiswerkdag
Vrijstelling verhuiskosten inboedelkosten plus maximaal € 7.750
Personeelskorting op eigen producten max. 20% van de waarde en max. € 500 per jaar
Bewaartermijn (loon)administratie ten minste 7 jaar

 

Praktische checklist: wat u moet regelen

  • Bereken uw vrije ruimte. Neem 2% van uw loonsom tot en met € 400.000 en 1,18% van het meerdere, zodat u weet hoeveel u dit jaar belastingvrij kunt besteden.
  • Wijs vergoedingen vooraf aan. Leg in uw salarisadministratie vast welke vergoedingen en verstrekkingen u aanwijst als eindheffingsloon; dit moet vooraf, niet achteraf.
  • Benut de gerichte vrijstellingen. Vergoed reiskosten, thuiswerk, studie en noodzakelijke ICT-middelen buiten de vrije ruimte om, zodat u die ruimte overhoudt voor extra’s.
  • Onderbouw vaste vergoedingen. Doe vooraf onderzoek naar de werkelijke kosten voordat u een vaste kostenvergoeding toekent.
  • Houd de kilometeradministratie bij. Registreer per werknemer de vergoede kilometers; een gebrekkige administratie is de belangrijkste oorzaak van naheffingen.
  • Bewaak de gebruikelijkheidstoets. Controleer of uw vergoedingen niet meer dan 30% afwijken van wat gebruikelijk is.
  • Toets de vrije ruimte op tijd. Controleer gedurende het jaar of u binnen de vrije ruimte blijft en reken uiterlijk af met de aangifte over het tweede tijdvak van het volgende jaar.
  • Bewaar uw administratie zeven jaar. Zorg dat uw loonadministratie en onderbouwing minstens zeven jaar toegankelijk blijven.

Veelgestelde vragen

Wat is de vrije ruimte in 2026?

De vrije ruimte is in 2026 2% van uw fiscale loonsom tot en met € 400.000, plus 1,18% van het deel daarboven. Binnen die ruimte kunt u vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij aan uw personeel geven.

Wat gebeurt er als ik de vrije ruimte overschrijd?

Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u als werkgever 80% eindheffing. Uw werknemer betaalt hier geen belasting over; de heffing komt volledig voor uw rekening.

Hoeveel mag ik in 2026 onbelast per kilometer vergoeden?

In 2026 is de onbelaste kilometervergoeding € 0,25 per kilometer, verhoogd van € 0,23 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Voor openbaar vervoer, taxi, vliegtuig of schip mag u de werkelijke kosten vergoeden.

Moet ik vergoedingen aanwijzen als eindheffingsloon?

Ja. Om een vergoeding in de vrije ruimte of onder een gerichte vrijstelling te brengen, moet u deze vooraf aanwijzen als eindheffingsloon in uw administratie. Doet u dat niet, dan wordt de vergoeding als gewoon loon belast bij de werknemer.

Geldt de WKR ook voor een eenmanszaak met personeel?

Ja. Zodra u personeel in loondienst heeft en inhoudingsplichtig bent, valt u onder de werkkostenregeling, ongeacht de rechtsvorm van uw onderneming. Ook de administratie- en bewaarplicht gelden dan voor u.

Hoelang moet ik mijn WKR-administratie bewaren?

De loonadministratie en de onderbouwing van uw vergoedingen bewaart u ten minste zeven jaar. Digitale opslag mag, zolang de gegevens juist, volledig en binnen redelijke tijd leesbaar blijven.

Hoe Taxcount u kan helpen

De werkkostenregeling biedt kansen om uw personeel belastingvrij te belonen, maar de regels zijn precies en een fout treft direct uw eigen kas. Taxcount helpt u de vrije ruimte optimaal te benutten, de juiste vergoedingen aan te wijzen en uw administratie zo in te richten dat u een controle zonder zorgen doorstaat. Wij rekenen uw vrije ruimte door, beoordelen welke vergoedingen gericht zijn vrijgesteld en signaleren waar u geld laat liggen of risico loopt. Wilt u weten of u de werkkostenregeling optimaal toepast? Laat uw situatie door ons beoordelen, dan weet u zeker dat u binnen de regels blijft en niets onbenut laat. In de tussentijd kunt u alvast gebruikmaken van onze WKR monitor.

Dit artikel bevat algemene informatie over de werkkostenregeling en is geen (fiscaal) advies. Tarieven, percentages en drempelbedragen kunnen wijzigen en de uitkomst in uw situatie hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Laat u daarom altijd persoonlijk adviseren voordat u beslissingen neemt.

Zie ook:

DGA-salaris / DGA salary

Als Directeur-Grootaandeelhouder (DGA) ben je volgens de wet directeur van je eigen B.V. én werknemer ervan. Dat betekent dat je verplicht een “gebruikelijk loon” aan jezelf moet uitkeren, oftewel wat de Belastingdienst normaal vindt voor iemand in jouw positie. Je loon moet minimaal het hoogste zijn van de volgende drie bedragen:

  1. het loon dat iemand in een vergelijkbare functie bij een andere werkgever zou krijgen,
  2. het salaris van de bestbetaalde werknemer in jouw B.V.,
  3. het wettelijk minimum van € 56.000.
    Als je kunt aantonen dat een vergelijkbare functie minder verdient, mag je dat lagere bedrag als DGA-loon gebruiken.

Tot een bepaald inkomen profiteer je van heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), waardoor je minder belasting betaalt. Het zogeheten kantelpunt ligt hierbij rond € 28.406 (bij de huidige tarieven): boven die grens ga je een deel van de algemene heffingskorting verliezen, waardoor elke extra euroloon zwaarder wordt belast dan wanneer je een dividenduitkering krijgt van je eigen B.V. (vooral als je in de lagere schijven van de vennootschapsbelasting en box 2 zit). Na € 43.071 wordt de druk nog hoger, omdat je dan ook de arbeidskorting verder kwijtraakt en dus meer belasting over je loon betaalt. Het deel dat je niet als loon neemt, kun je als dividend uitkeren, wat soms voordeliger is. Let er wel op dat dit kan variëren als je in een hogere schijf van de VPB of box 2 valt.

Stel dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, de hoogste werknemer bij jou € 59.000 verdient en dat de wettelijke ondergrens € 56.000 is. In principe zou je dan € 59.000 moeten kiezen (het hoogste bedrag), maar als je aantoont dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, mag je dat lagere bedrag gebruiken. Zo profiteer je optimaal van de heffingskortingen en betaal je minder belasting, terwijl je de rest van de winst als dividend kunt uitkeren.

Welke optie in jouw situatie het meest voordelig is, hangt af van je individuele omstandigheden. Neem gerust contact met ons op voor persoonlijk fiscaal advies.

English version

As a Director-Major Shareholder (DGA), you are considered by law to be both the director of your own B.V. and its employee. This means you are required to pay yourself a “customary salary” — in other words, an amount the Dutch Tax Administration deems appropriate for someone in your position. Your salary must be at least the highest of the following three amounts:

  1. The salary someone in a comparable position at another employer would receive,
  2. The salary of the highest-paid employee in your B.V.,
  3. The statutory minimum of € 56,000.

If you can demonstrate that a comparable position earns less, you may use that lower amount as your DGA salary.

Up to a certain level of income, you benefit from tax credits (the general tax credit and the labor tax credit), which reduces the amount of tax you pay. The so-called tipping point is around € 28,406 (based on current rates): above that threshold, you start losing part of your general tax credit, meaning that every additional euro of salary is taxed more heavily than a dividend payout from your own B.V. (particularly if you are in the lower brackets for corporate income tax and box 2). After € 43,071, the pressure increases even more, because you also lose more of the labor tax credit, which further increases the tax on your salary. Any portion you do not pay out as salary can instead be distributed as a dividend, which can sometimes be more advantageous. Note that this may vary if you are in a higher bracket for corporate income tax or box 2.

Suppose a comparable position pays € 34,000, the highest-paid employee at your company earns € 59,000, and the statutory lower limit is € 56,000. In principle, you would have to choose € 59,000 (the highest amount), but if you can show that a comparable position actually pays € 34,000, you may use that lower amount instead. This way, you fully benefit from your tax credits and pay less tax, while distributing the remainder of the company’s profit as dividend.

Which option is most beneficial in your situation depends on your individual circumstances. Feel free to contact us for personalized tax advice.