De Auto van de Zaak: Wanneer is het Slim en Wanneer Kost het u Geld?

Als ondernemer staat u voor een belangrijke keuze: zet u uw auto op de zaak of houdt u hem privé? Een auto op de zaak klinkt aantrekkelijk, want alle kosten zijn aftrekbaar. Maar de Belastingdienst kijkt mee, en dat kan u geld kosten via de “bijtelling”. Wat is de beste keuze voor úw portemonnee? We zetten de twee opties simpel voor u op een rij.

Optie 1: De Auto op de Zaak

Dit is de meest bekende optie. Het grote voordeel: Alle autokosten zijn bedrijfskosten en mag u aftrekken van uw winst. Denk aan:

  • Brandstof
  • Verzekering
  • Onderhoud en reparaties
  • Motorrijtuigenbelasting
  • Afschrijving (de waardevermindering)

Hierdoor betaalt u minder belasting over uw winst. Klinkt goed, toch? Het grote nadeel: De bijtelling. Als u de auto ook privé gebruikt voor meer dan 500 kilometer per jaar, ziet de Belastingdienst dit als een soort ‘loon in natura’. Daarom moet u een bedrag bij uw winst optellen: de bijtelling. Hoe werkt het:

  • De standaard bijtelling is 22% van de cataloguswaarde van de auto. Dit bedrag wordt bij uw winst opgeteld, waardoor u over een hoger bedrag belasting betaalt.
  • Geen bijtelling? Dat kan, maar dan moet u met een sluitende kilometerregistratie bewijzen dat u op jaarbasis niet boven die 500 privékilometers uitkomt. Dit is een flinke administratieve klus.

Optie 2: De Auto Privé Houden

U kunt er ook voor kiezen de auto niet op de balans van uw bedrijf te zetten.

  • Het grote voordeel: U heeft niets te maken met de bijtelling. U hoeft dus geen ingewikkelde kilometerregistratie bij te houden.
  • Het grote nadeel: De autokosten  zijn niet aftrekbaar van de winst. U betaalt alles zelf.
    • Hoe wordt u gecompenseerd? Voor elke zakelijke kilometer die u met uw privéauto rijdt, mag u € 0,23 onbelast uit uw onderneming aan uzelf uitkeren. Dit bedrag boekt u als kosten in uw bedrijf.

Rekenvoorbeeld: Wat is Voordeliger?

Laten we de twee opties vergelijken met een praktisch voorbeeld. Ondernemer A rijdt in een auto met een cataloguswaarde van € 35.000. Zijn jaarlijkse autokosten zijn € 7.000. Ze rijdt 30.000 kilometer per jaar, waarvan 25.000 zakelijk en 5.000 privé. We gaan uit van een belastingtarief van 42%. Scenario

A: Auto op de zaak

  • Ondernemer rijdt meer dan 500 km privé, dus ze krijgt bijtelling.
  • Bijtelling: 22% van € 35.000 = € 7.700.
  • Extra belasting door bijtelling: 42% van € 7.700 = € 3.234 extra belasting.
  • Voordeel: De € 7.000 aan autokosten zijn aftrekbaar.
  • Belastingvoordeel: 42% van € 7.000 = € 2.940 minder belasting.
  • Netto resultaat: € 3.234 (kosten) – € 2.940 (voordeel) = € 294 netto kosten per jaar.

Scenario B: Auto privé

  • Ondernemer krijgt geen bijtelling.
  • Ze mag € 0,23 per zakelijke kilometer declareren.
  • Onbelaste vergoeding: 25.000 km x € 0,23 = € 5.750.
  • Dit bedrag mag ze als kosten opvoeren, wat haar een belastingvoordeel van 42% x € 5.750 = € 2.415 oplevert.
  • De werkelijke kosten van € 7.000 betaalt ze privé.
  • Netto resultaat: Ze betaalt € 7.000 en krijgt een vergoeding van € 5.750. Haar netto kosten zijn € 1.250 per jaar.

In dit specifieke voorbeeld is de auto op de zaak zetten dus voordeliger.

Conclusie, de beste keuze hangt volledig af van uw persoonlijke situatie:

  • De cataloguswaarde van de auto.
  • De verhouding tussen zakelijke en privékilometers.
  • De hoogte van de werkelijke autokosten.
  • Uw belastingtarief.

Elke situatie is uniek. Een kleine verandering in de kilometers of kosten kan de uitkomst al veranderen.

Wilt u zeker weten dat u de fiscaal meest voordelige keuze maakt? Onze specialisten rekenen het graag voor u door. Neem vandaag nog vrijblijvend contact met ons op en voorkom dat u onnodig belasting betaalt.

Belangrijke rechtspraken:

  • ECLI:NL:GHARL:2024:6420 (Privégebruik auto & Urencriterium)
  • ECLI:NL:GHARL:2024:7637 (Bijtelling bedrijfsauto)
  • ECLI:NL:RBZWB:2025:691 (Bewijslast 500km-grens)

DGA-salaris / DGA salary

Als Directeur-Grootaandeelhouder (DGA) ben je volgens de wet directeur van je eigen B.V. én werknemer ervan. Dat betekent dat je verplicht een “gebruikelijk loon” aan jezelf moet uitkeren, oftewel wat de Belastingdienst normaal vindt voor iemand in jouw positie. Je loon moet minimaal het hoogste zijn van de volgende drie bedragen:

  1. het loon dat iemand in een vergelijkbare functie bij een andere werkgever zou krijgen,
  2. het salaris van de bestbetaalde werknemer in jouw B.V.,
  3. het wettelijk minimum van € 56.000.
    Als je kunt aantonen dat een vergelijkbare functie minder verdient, mag je dat lagere bedrag als DGA-loon gebruiken.

Tot een bepaald inkomen profiteer je van heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), waardoor je minder belasting betaalt. Het zogeheten kantelpunt ligt hierbij rond € 28.406 (bij de huidige tarieven): boven die grens ga je een deel van de algemene heffingskorting verliezen, waardoor elke extra euroloon zwaarder wordt belast dan wanneer je een dividenduitkering krijgt van je eigen B.V. (vooral als je in de lagere schijven van de vennootschapsbelasting en box 2 zit). Na € 43.071 wordt de druk nog hoger, omdat je dan ook de arbeidskorting verder kwijtraakt en dus meer belasting over je loon betaalt. Het deel dat je niet als loon neemt, kun je als dividend uitkeren, wat soms voordeliger is. Let er wel op dat dit kan variëren als je in een hogere schijf van de VPB of box 2 valt.

Stel dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, de hoogste werknemer bij jou € 59.000 verdient en dat de wettelijke ondergrens € 56.000 is. In principe zou je dan € 59.000 moeten kiezen (het hoogste bedrag), maar als je aantoont dat een vergelijkbare functie € 34.000 verdient, mag je dat lagere bedrag gebruiken. Zo profiteer je optimaal van de heffingskortingen en betaal je minder belasting, terwijl je de rest van de winst als dividend kunt uitkeren.

Welke optie in jouw situatie het meest voordelig is, hangt af van je individuele omstandigheden. Neem gerust contact met ons op voor persoonlijk fiscaal advies.

English version

As a Director-Major Shareholder (DGA), you are considered by law to be both the director of your own B.V. and its employee. This means you are required to pay yourself a “customary salary” — in other words, an amount the Dutch Tax Administration deems appropriate for someone in your position. Your salary must be at least the highest of the following three amounts:

  1. The salary someone in a comparable position at another employer would receive,
  2. The salary of the highest-paid employee in your B.V.,
  3. The statutory minimum of € 56,000.

If you can demonstrate that a comparable position earns less, you may use that lower amount as your DGA salary.

Up to a certain level of income, you benefit from tax credits (the general tax credit and the labor tax credit), which reduces the amount of tax you pay. The so-called tipping point is around € 28,406 (based on current rates): above that threshold, you start losing part of your general tax credit, meaning that every additional euro of salary is taxed more heavily than a dividend payout from your own B.V. (particularly if you are in the lower brackets for corporate income tax and box 2). After € 43,071, the pressure increases even more, because you also lose more of the labor tax credit, which further increases the tax on your salary. Any portion you do not pay out as salary can instead be distributed as a dividend, which can sometimes be more advantageous. Note that this may vary if you are in a higher bracket for corporate income tax or box 2.

Suppose a comparable position pays € 34,000, the highest-paid employee at your company earns € 59,000, and the statutory lower limit is € 56,000. In principle, you would have to choose € 59,000 (the highest amount), but if you can show that a comparable position actually pays € 34,000, you may use that lower amount instead. This way, you fully benefit from your tax credits and pay less tax, while distributing the remainder of the company’s profit as dividend.

Which option is most beneficial in your situation depends on your individual circumstances. Feel free to contact us for personalized tax advice.

30% regeling / 30% ruling

(see English version below)
Een bekende regeling binnen het Nederlandse belastingstelsel is de 30% regeling voor expats, ook wel expatregeling genoemd. Deze regeling is er voor mensen die vanuit het buitenland naar Nederland komen om hier te werken. Vaak gaat het om werknemers met een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt, of om mensen die voldoen aan een bepaald minimumloon. De 30% regeling kan veel invloed hebben op de belastingdruk, daarom is het goed om te weten wat de regeling precies inhoudt, in welke situaties je er recht op hebt en hoe deze werkt.

Kom je vanuit een ander land in Nederland werken, dan maak je mogelijk extra kosten, de zogenoemde ‘extraterritoriale kosten’. Het kan bijvoorbeeld zijn dat levensonderhoud in Nederland duurder is dan in je thuisland. Je werkgever kan deze extra kosten onbelast vergoeden. In plaats daarvan kan hij er ook voor kiezen om 30% van je loon (inclusief de vergoeding) onbelast aan je uit te betalen. Dit wordt ook wel de expatregeling genoemd.

Om in aanmerking te komen voor de 30% regeling, moet je aan alle volgende voorwaarden voldoen:

  1. Je werkt in loondienst bij je werkgever.
  2. Je hebt een specifieke deskundigheid die niet of nauwelijks te vinden is op de Nederlandse arbeidsmarkt.
  3. Je bent buiten Nederland geworven.
  4. Je hebt een geldige beschikking van de Belastingdienst.

Je voldoet aan het hebben van een specifieke deskundigheid als je salaris hoger is dan:

  • € 46.107 in 2024
  • € 41.954 in 2023
  • € 39.467 in 2022

Ben je jonger dan 30 jaar en heb je een Nederlandse academische mastertitel of een gelijkwaardige titel uit het buitenland? Dan geldt voor het salaris de volgende ondergrens:

  • € 35.048 in 2024
  • € 31.891 in 2023
  • € 30.001 in 2022

In de 24 maanden vóór je eerste werkdag in Nederland mag je niet langer dan 16 maanden binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben gewoond. Woonde je in België, Luxemburg of bepaalde delen van Duitsland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk, dan geldt de 30%-regeling niet.

Hoe vraag je de 30% regeling aan?
Samen met je werkgever dien je een verzoek in bij de Belastingdienst. De benodigde formulieren vind je via de volgende link:
https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/programmas_en_formulieren/verzoek-loonheffingen-30-regeling

 

English Version

A well-known scheme in the Dutch tax system is the 30% ruling for expats, also known as the “expat ruling.” This arrangement is intended for individuals who come to the Netherlands from abroad to work. Often, these are employees with a specific expertise that is scarce in the Dutch labor market, or those who meet a certain minimum salary requirement. The 30% ruling can significantly affect one’s tax burden, which is why it’s important to understand exactly what the ruling entails, in which situations you are eligible, and how it works.

If you come to work in the Netherlands from another country, you may incur additional expenses, referred to as “extraterritorial costs.” For instance, the cost of living in the Netherlands might be higher than in your home country. Your employer can reimburse these extra costs tax-free. Alternatively, your employer may choose to pay you 30% of your salary (including this reimbursement) tax-free. This is often referred to as the expat ruling.

To qualify for the 30% ruling, you must meet all the following conditions:

  • You are employed by your employer (i.e., in regular employment).
  • You possess specific expertise that is not or hardly available in the Dutch labor market.
  • You were recruited from abroad.
  • You have a valid decision (beschikking) from the Dutch Tax and Customs Administration.

You are considered to have specific expertise if your salary exceeds:

  • €46,107 in 2024
  • €41,954 in 2023
  • €39,467 in 2022

If you are under 30 years old and have a Dutch academic master’s degree or an equivalent degree from abroad, the following lower thresholds apply to your salary:

  • €35,048 in 2024
  • €31,891 in 2023
  • €30,001 in 2022

In the 24 months before your first working day in the Netherlands, you must not have lived within 150 kilometers of the Dutch border for more than 16 months. If you lived in Belgium, Luxembourg, or certain parts of Germany, France, or the United Kingdom, the 30% ruling does not apply.

How do you apply for the 30% ruling?
You and your employer must submit a request to the Dutch Tax and Customs Administration. You can find the necessary forms via the following link: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/programmas_en_formulieren/verzoek-loonheffingen-30-regeling

Vrijstellingen, tarieven en verlegging

Vrijstellingen: wat zijn ze en waarom bestaan ze?

Een vrijstelling op grond van artikel 11 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 betekent dat je bij bepaalde leveringen of diensten geen btw in rekening hoeft te brengen en dus ook niet hoeft af te dragen. De achterliggende doelen van deze vrijstellingen zijn heel divers. Zo kan de wetgever bepaalde activiteiten ontzien omdat men ze als sociaal of maatschappelijk wenselijk beschouwt, bijvoorbeeld medische zorg, of omdat het administratief praktisch is, zoals de kleinondernemersregeling, of vanwege een andere beleidsmatige reden, bijvoorbeeld om “leed” niet te belasten bij uitvaartdiensten.

Enkele veelvoorkomende categorieën

  • Medische zorg
    • Artsen
    • Psychologen
    • Lijkbezorging
  • Sociale, culturele en opvoedkundige activiteiten
    • Jeugdwerk
    • Sportbeoefening
    • Diensten van sociale of culturele aard
  • Financiële diensten
    • Banken
    • Verzekeraars
    • Kredieten
  • Overige sectoren of gevallen
    • Uitvaart (lijkbezorging)
    • Culturele instellingen (bijv. theaters)

Vrijstellingen of toch btw-plicht?

Veel ondernemers vinden het prettig om vrijgesteld te zijn van btw, omdat ze dan geen btw hoeven af te dragen. Houd er echter rekening mee dat je als vrijgestelde ook geen btw over je zakelijke kosten kunt aftrekken. Dat kan ongunstig zijn als je veel investeert of hoge kosten maakt.

Doe je vooral zaken met andere ondernemers? Dan is het vaak voordeliger om btw te blijven rekenen. Je kunt dan de btw op je inkopen terugvragen, terwijl je klanten de door jou berekende btw óók mogen aftrekken. Per saldo kost de btw hen niets extra.

Let op dat je niet altijd vrij bent om zelf te kiezen of je vrijgesteld bent of niet. In sommige gevallen kun je je activiteiten en bedrijfsstructuur zó inrichten dat je voor de Belastingdienst wordt gezien als btw-plichtig, zodat je je voorbelasting kunt blijven aftrekken. Het hangt dus af van jouw specifieke situatie of een vrijstelling voordelig is of juist niet.

Deze beperking van je recht op vooraftrek noemen we de ‘aftrekbeperking’ bij vrijstellingen. Je hoeft dan geen btw te rekenen, maar kunt ook geen btw op je kosten terugvragen. Als je veel bedrijfskosten hebt, kan dat financieel nadelig uitpakken.

Nederlandse btw-tarieven

In de wet op de omzetbelasting onderscheiden we drie hoofdtarieven:

  1. Nultarief (0%)
    • Toegepast in specifieke gevallen, zoals bij export van goederen naar een andere EU-lidstaat.
    • Let op: 0% is niet hetzelfde als vrijgesteld. Bij 0% heb je namelijk wel recht op aftrek van voorbelasting.
  2. Laag tarief (9%)
    • Voor o.a. levensmiddelen, geneesmiddelen, boeken en bepaalde diensten zoals kappersdiensten.
    • De volledige lijst vind je terug in Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting.
  3. Hoog tarief (21%)
    • Dit is het algemene tarief, dat op de meeste goederen en diensten van toepassing is.

Als ondernemer moet je altijd checken in de wet welk tarief van toepassing is op jouw levering of dienst.

Bijzondere aandacht voor kappers

Kappers vormen een interessant geval. Kappersdiensten (knippen, verven, föhnen, scheren, etc.) vallen namelijk onder het 9%-tarief. Dit lage tarief geldt ook voor materialen en producten die tijdens de behandeling verbruikt worden (denk aan shampoo of haarverf), en voor simpele haaraccessoires die je direct in het haar aanbrengt.

Zodra je echter losse verkoop pleegt van haarproducten of accessoires, geldt het 21%-tarief. Ook diensten die niet kenmerkend zijn voor het kappersvak (bijv. schoonheidsbehandelingen, make-upadvies) vallen onder 21%.

Verleggingsregeling: waarom bestaat die?

De verleggingsregeling houdt in dat niet de leverancier, maar de afnemer de btw aangeeft en afdraagt. Deze regeling wordt bijvoorbeeld gebruikt bij bepaalde binnenlandse diensten in de bouw- en uitzendsector, en bij aankopen vanuit andere EU-landen.

Redenen voor de verleggingsregeling:

  1. Fraudebestrijding: Door de afnemer de btw te laten afdragen, verklein je de kans dat de leverancier de btw niet afdraagt.
  2. Efficiëntie: Het vereenvoudigt soms de administratie, vooral bij grensoverschrijdende transacties of specifieke sectoren met veel tussenpartijen.
  3. Gelijke spelregels: Het voorkomt dat bedrijven binnen de EU dubbel of juist helemaal geen btw afdragen.

Voor jou als ondernemer betekent een verleggingsregeling dat je de btw niet betaalt aan de leverancier, maar ‘verlegt’ naar jouw eigen btw-aangifte. Je geeft in je aangifte aan hoeveel btw verschuldigd is én je kunt diezelfde btw (mits je recht op aftrek hebt) als voorbelasting aftrekken.

Conclusie
De juiste btw-behandeling – vrijstelling, tarief (0%, 9% of 21%) of verleggingsregeling – kan een grote impact hebben op je bedrijfsvoering. Wil je zeker weten welke aanpak voor jou het gunstigst is? Neem contact met ons op voor deskundig fiscaal advies en voorkom onaangename verrassingen.

Prestaties en vergoedingen in de btw

Prestaties: levert u goederen of verricht u toch diensten?

Stel, u heeft net vastgesteld dat u ondernemer bent voor de btw. De volgende vraag is: wat verkoopt of levert u eigenlijk? En staat daar een vergoeding tegenover? In de btw wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen de levering van goederen en het verrichten van diensten. Bovendien moet er sprake zijn van een vergoeding (“bezwarende titel”) om btw te moeten afdragen.

Levering van goederen

“Wat is nu precies een goed?” Volgens de wet gaat het om “lichamelijke zaken”. Denk hierbij aan tastbare producten, maar ook aan elektriciteit of gas. Daarnaast mogen lidstaten het begrip ‘goederen’ uitbreiden, bijvoorbeeld met bepaalde zakelijke rechten die de bevoegdheid geven een onroerend goed te gebruiken. In Nederland is dat onder andere geregeld in artikel 3 lid 2 Wet OB voor rechten zoals erfpacht en opstal.

“Wanneer spreken we van een levering?” Het moment waarop de ‘macht om als eigenaar te beschikken’ overgaat, is een levering. Ook huurkoop, de oplevering van onroerende zaken door de vervaardiger en onteigening door de overheid kunnen een levering vormen. Verder bestaan er fictieve leveringen, bijvoorbeeld als u goederen onttrekt voor privégebruik terwijl u bij aankoop wel voorbelasting hebt afgetrokken.

Stel, u heeft een voorraad kantoorartikelen waar u btw over heeft afgetrokken en besluit deze zonder betaling aan een familielid mee te geven. Dit kan een fictieve levering zijn en u moet mogelijk btw voldoen over de waarde ervan.

Verrichten van diensten

“Wat als het geen levering is?” Alles dat niet kwalificeert als levering van goederen, wordt als een dienst aangemerkt. Denk aan advieswerk, online abonnementen of het gebruik van software. Ook hierbij kent de wet fictieve diensten, zoals het gratis verrichten van werk voor privédoeleinden terwijl u eerder btw kon aftrekken.

Stel, u geeft een personeelsfeestje en maakt gratis gebruik van bedrijfsmiddelen waarvoor u bij aanschaf btw heeft teruggevraagd. Dat kan onder bepaalde voorwaarden een fictieve dienst zijn en dus belastbaar.

 

Een vergoeding onder bezwarende titel

Een ander belangrijk element is de vraag of er een vergoeding is. In de beroemde Tolsma-zaak werd geoordeeld dat er pas btw verschuldigd is als er een rechtstreekse relatie is tussen de prestatie en de betaling. Als iemand zomaar een gift geeft en u dus niet kunt spreken van een overeengekomen prijs of tegenprestatie, is dat geen ‘bezwarende titel’ en dus geen btw-belaste handeling.

Vouchers

“Hoe zit het met bonnen en tegoedkaarten?”

  • Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik: u weet direct welk btw-tarief geldt. Dan is de btw al verschuldigd bij uitgifte van de voucher.
  • Bij vouchers voor meervoudig gebruik kan het tarief nog niet worden vastgesteld bij uitgifte. Dan betaalt u pas btw op het moment dat de voucher wordt ingewisseld.
Subsidies

“Geld gekregen zonder ‘echte’ levering?” Een subsidie is in principe niet belast met btw als er geen specifieke tegenprestatie is, zoals blijkt uit het arrest Mohr. Krijg je echter subsidie voor een concreet aantal geleverde diensten of producten, bijvoorbeeld een bedrag per bezoeker aan je evenement, dan kan dat wél een belaste prestatie zijn. Belangrijk is of de verstrekker jouw dienst daadwerkelijk afneemt.

Reisbureauregeling

“Wat als u reisdiensten verkoopt?” Volgens de Btw-richtlijn geldt een aparte regeling als u reisdiensten aanbiedt. U berekent uw btw dan over de winstmarge in plaats van over de totale reissom. Dit is een speciale regeling om het grenzeloze karakter van de reisbranche beheersbaar te houden.

Praktische voorbeelden in de rechtspraak
  • KLM/Air France-arrest: de verkoop van een vliegticket blijft een dienst, ook als de passagier niet komt opdagen (no-show). De betaling is geen schadevergoeding, maar een vergoeding voor het recht op vervoer.
  • Eugenie Les Bains-arrest: bij hotels die een no-show toeslag inhouden, kan dit juist wél als schadevergoeding worden gezien; er wordt immers géén dienst verricht.
  • Lubbock Fine-arrest: een afkoopsom of vertrekpremie bij een einde van een huurcontract wordt behandeld op dezelfde manier als de (vrijgestelde) verhuur zelf.

Conclusie: zodra u ondernemer bent voor de btw, bepaalt u eerst of u goederen levert of diensten verricht. Vervolgens beoordeelt u of er sprake is van een bezwarende titel en dus een belaste prestatie. Vouchers, subsidies en speciale regelingen (zoals de reisbureauregeling) kunnen het verhaal verder compliceren, maar volgen dezelfde basislogica: er moet een prestatie zijn en een vergoeding.

Zorg er daarom altijd voor dat u duidelijk vaststelt welke wet- en regelgeving op uw situatie van toepassing is en welke jurisprudentie hierbij een rol speelt. Zo weet u zeker of u een prestatie verricht waarvoor u btw moet berekenen en of er btw verschuldigd is over een bepaalde vergoeding.

 

 

Herziening voor roerende en onroerende goederen in de btw

Bij de aanschaf van een goed (roerend of onroerend) trek je in eerste instantie de betaalde btw af op basis van het (verwachte) gebruik voor btw-belaste activiteiten. Als het gebruik in de jaren erna verandert (bijvoorbeeld: minder of meer voor belaste doeleinden), dan moet je die aanvankelijke btw-aftrek corrigeren. Dit heet ‘herziening’.

Waarom is er een verschil tussen roerende en onroerende goederen?

De wet stelt verschillende herzieningstermijnen:

  • Voor roerende goederen (zoals machines, apparatuur) geldt een herzieningstermijn van 4 jaar.
  • Voor onroerende goederen (zoals gebouwen, bedrijfspanden) geldt een herzieningstermijn van 9 jaar.
    Deze langere termijn voor onroerende goederen komt door hun grotere waarde en langere levensduur.

Hoe werkt het precies?

Als je in een bepaald jaar de mate van btw-belast gebruik aanpast (bijv. een bedrijfspand meer gebruikt voor vrijgestelde prestaties zoals medische zorg), dan moet je voor dat herzieningsjaar uitrekenen hoeveel btw je oorspronkelijk te veel of te weinig hebt afgetrokken. Vervolgens corrigeer je die btw in je btw-aangifte.

Belangrijkste punten om te onthouden

  1. Controleer ieder jaar: of het gebruik van het goed is gewijzigd.
  2. Bereken de correctie: op basis van artikel 11-13 van de uitvoeringsbeschikking van de wet op de omzetbelasting (via artikel 15 lid 4 voor jaar van ingebruikname en lid 6 voor de resterende herzieningsjaren).
  3. Verwerk: deze correctie in de juiste btw-aangifte.

Zo voorkom je dat je te veel of te weinig btw hebt afgetrokken en blijf je voldoen aan de btw-regels.

Uitwerking herzien

Er zijn in de btw 3 momenten waarop herzien dient te worden:

  1. Herzien op moment van ingebruikname
  2. Herzien in het eerste jaar van ingebruikname
  3. Herzien in het tweede tot 5de of 10de jaar van ingebruikname (liggend aan roeren of onroerend goed)
Roerend goed
  1. Herziening op het moment van ingebruikname

Stel, je koopt op 1 januari 2019 een laptop met een btw-bedrag van € 1.000. In principe mag je deze btw direct aftrekken als voorbelasting (artikel 15 lid 1), uitgaande van 100% gebruik voor belaste handelingen. De wet schrijft echter (artikel 15 lid 4) voor dat je op het moment van ingebruikname moet herzien en dat je in het jaar van ingebruikname verder moet beoordelen hoe het gebruik uitpakt (zie stap 2).

Als je de laptop niet direct gebruikt en deze pas later in gebruik neemt, dan geldt de eerste gebruiksdatum als herzieningsmoment. In dit voorbeeld wordt dat 1 januari 2020.

  • Berekening: Raadpleeg artikel 11 en artikel 12 lid 1 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting.
  • Stel dat je op het moment van ingebruikname verwacht de laptop voor 50% te gebruiken voor belaste handelingen en voor 50% voor vrijgestelde handelingen. Dan moet je € 500 van de reeds afgetrokken € 1.000 btw terugbetalen aan de Belastingdienst. Je behoudt dus aftrek voor de andere 500.
  1. Herziening in het jaar van ingebruikname

Het eerste jaar van ingebruikname is in dit voorbeeld 2020. Je beoordeelt dan elk tijdvak (meestal per kwartaal) in hoeverre je de laptop gebruikt voor belaste of vrijgestelde prestaties (zie artikel 11 in combinatie met artikel 12 lid 2 van de Uitvoeringsbeschikking).

  • Stel dat je na het eerste kwartaal vaststelt dat de laptop voor 60% voor belaste prestaties wordt gebruikt (in plaats van de eerder geraamde 50%).
  • Je hebt oorspronkelijk bij de herziening op 1 januari 2020 € 500 terugbetaald. Met de nieuwe verhouding (60%) komt je totale recht op aftrek voor dat kwartaal uit op € 600 (van de oorspronkelijke € 1.000), dus ontvang je nu € 100 terug.
  • In totaal heb je dan € 600 aan aftrek behouden en € 400 terugbetaald.

Deze beoordeling herhaal je ieder tijdvak. Aan het einde van het jaar (artikel 12 lid 3) pas je nogmaals een eindberekening toe. Daarna ga je over naar de herzieningsjaren 2 t/m 5.

  1. Herziening van jaar 2 tot en met 5

In deze periode werkt de herziening iets anders:

  1. Bepaal het feitelijk aftrekbedrag uit het jaar van ingebruikname. In dit voorbeeld: € 600 van de oorspronkelijke € 1.000.
  2. Verdeel dit bedrag over de resterende 5 jaar: € 600 / 5 = € 120 per jaar.
  3. Maximale aftrek per jaar (als je het goed 100% voor belaste handelingen zou gebruiken) is in dit voorbeeld: € 1.000 / 5 = € 200 per jaar.
  • Stel dat je in 2021 (het tweede jaar) de laptop voor 70% voor belaste prestaties gebruikt. Dan heb je recht op 70% van € 200 = 140.
  • Je hebt echter al € 120 verrekend (op basis van de startberekening), dus je mag nog € 20 extra terugvragen.
  • Deze berekening herhaal je voor elk jaar in de resterende herzieningsperiode.
  1. Vervreemding tijdens de herzieningsperiode

Het kan gebeuren dat je de laptop verkoopt binnen de herzieningsperiode (5 jaar voor roerende goederen, 10 jaar voor onroerende). Dit is geregeld in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking.

  • Stel, je verkoopt de laptop op 1 januari 2024.
  • Of je bij de verkoop btw in rekening moet brengen, hangt af van het type handelingen dat je met de laptop verricht (belaste of vrijgestelde). In de meeste gevallen, omdat je de btw eerder hebt afgetrokken, moet je bij verkoop wél btw in rekening brengen.
  • Indien je btw in rekening brengt, wordt verondersteld dat je de laptop voor de resterende herzieningsperiode (1 januari 2024 – 31 december 2025) volledig voor belaste handelingen zou hebben gebruikt. Je krijgt dan dus voor die jaren de maximale aftrek.

Stel dat je per jaar € 200 als maximale aftrek mocht hebben. Fictief heb je € 120 al gekregen in 2024 en €120 euro in 2025. Je krijgt dan ook nog een bedrag van160 terug van de belastingdienst over deze twee jaar.

Op deze manier voorkom je dat je te veel of te weinig btw aftrekt en blijf je voldoen aan de btw-regels.

Onroerende goederen

Ook voor onroerende goederen werkt de herzieningsberekening in grote lijnen hetzelfde. Net als bij roerende goederen zijn de artikelen 11 tot en met 13a van de Uitvoeringsbeschikking bepalend voor de herziening. Het belangrijkste verschil is dat een gebouw op grond van artikel 13 over een periode van 10 jaar wordt herzien.

Daarnaast is het bij de levering van onroerend goed soms verplicht om van rechtswege btw te heffen, terwijl je in andere gevallen kunt opteren voor een btw-belaste levering. Dit heeft gevolgen voor de toepassing van artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking. Wanneer je immers met btw verkoopt, mag je gedurende de resterende herzieningsperiode doen alsof het pand volledig voor btw-belaste handelingen wordt gebruikt. Daarmee kan een aanzienlijk bedrag worden bespaard (zie artikel over Levering van onroerende goederen).

Conclusie: Neem gerust contact met ons op om te bespreken wat in jouw situatie de meest gunstige optie is.

 

Ondernemerschap: wanneer ben je ondernemer voor de btw?

Om te bepalen of je btw-plichtig bent, moet eerst worden vastgesteld of je ondernemer bent voor de btw. Dit wordt geregeld in artikel 7 van de Wet op de Omzetbelasting. Deze wet bepaalt dat je ondernemer bent als je zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent en economische activiteiten verricht. Hieronder bespreken we de belangrijkste criteria.

Zelfstandig een onderneming voeren

De wet stelt dat iedereen die zelfstandig een bedrijf voert in principe ondernemer is voor de btw. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar factoren zoals:

  • Voer je opdrachten uit onder je eigen naam?
  • Werk je voor meerdere opdrachtgevers?
  • Draag je ondernemersrisico?

Dit zijn enkele factoren bepalend zijn voor je status als btw-ondernemer. Meer informatie over de specifieke voorwaarden vind je op de website van de Belastingdienst: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/btw/hoe_werkt_de_btw/voor_wie_geldt_de_btw/ondernemer

Economische activiteiten

Naast zelfstandigheid is het belangrijk dat je economische activiteiten uitvoert. Dit betekent dat je werkzaamheden gericht zijn op het verkrijgen van regelmatige inkomsten. Winst is hierbij niet vereist. Zelfs als je verlies maakt, kun je als ondernemer worden aangemerkt.

Voorbeeld:

Een uitvinder werkt jarenlang zonder inkomsten aan de ontwikkeling van een machine. Wanneer hij van plan is deze machine te licentiëren in ruil voor maandelijkse vergoedingen, wordt hij al tijdens de ontwikkelfase als ondernemer voor de btw beschouwd. Dit geldt ook als hij in die periode alleen kosten maakt.

Heb je echter slechts een eenmalige opbrengst, zoals bij de verkoop van een octrooi, dan voldoe je niet aan de eis van regelmatige inkomsten. Dit onderscheid is belangrijk. Het Hong-Kong Trade-arrest bevestigt ook dat er een tegenprestatie nodig is om als ondernemer te worden aangemerkt. Gratis diensten kwalificeren dus niet als economische activiteit.

In concurrentie treden

Je kunt ook als ondernemer worden beschouwd als je met je activiteiten in concurrentie treedt met andere ondernemingen. Een voorbeeld is een gemeente of stichting die een eenmalig evenement organiseert, zoals een festival. Hoewel dit geen duurzame activiteit is, moet er toch btw worden geheven. Dit voorkomt dat zij een onterecht concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van commerciële festivals.

De Wet op de Omzetbelasting regelt ook dat overheidsinstanties en stichtingen btw-plichtig kunnen zijn wanneer zij soortgelijke diensten leveren als commerciële partijen.

Conclusie: Om als btw-ondernemer te worden aangemerkt, moet je zelfstandig werken, economische activiteiten verrichten en in sommige gevallen rekening houden met concurrentie. Dit vormt de basis voor jouw verplichtingen binnen de btw.

Levering onroerende zaken in de btw 

Artikel 11 van de wet op de omzetbelasting bespreekt de vrijgestelde prestaties in de btw. In dit stuk zal de focus liggen op lid 1 van artikel 11: In deze artikel wordt behandeld dat de levering van onroerend goed in de principe is vrijgesteld van heffing voor de omzetbelasting. Echter zijn er hier weer uitzonderingen van die van belang zijn. Hier zal de stappenplan besproken worden in welke situaties de levering belast zou zijn of niet. 

Is het een bouwterrein? 

Er is sprake van een bouwterrein wanneer het gaat om onbebouwde grond waarop bewerkingen worden of zijn uitgevoerd. Denk hierbij aan graafwerkzaamheden voor de bouw van onroerend goed, het treffen van voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond (zoals riolering of waterafvoer) of het aanleggen van nieuwe wegen en verlichting in de omgeving. Ook wanneer een bouwvergunning is verleend of de grond bestemd is voor bebouwing, kwalificeert de grond als een bouwterrein. Zodra sprake is van een bouwterrein, is de levering van dat terrein belast met btw.

Don Bosco-arrest
In het Don Bosco-arrest ging het om grond met een oud pand. De afspraak was dat de verkoper het terrein na de overdracht bouwklaar zou maken; de eerste sloopwerkzaamheden waren al verricht. Op het eerste gezicht leek dit te gaan om de levering van een oud pand (zonder btw), waarbij eventueel voor btw kon worden geopteerd en overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn. Het Hof oordeelde echter dat hier feitelijk sprake was van één prestatie: de levering van een bouwterrein. Omdat de levering van een bouwterrein met btw is belast, geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een bouwterrein, gaat u verder naar de volgende stap.

Nieuw onroerende zaak of max 2 jaar in gebruik genomen?

Als er een nieuwe onroerende zaak is gebouwd die nog niet in gebruik is genomen (bijvoorbeeld omdat het pand leeg staat), dan moet over de levering btw worden berekend. Daarnaast geldt dat een onroerende zaak tot twee jaar na de eerste ingebruikneming als ‘nieuw’ wordt aangemerkt, waardoor de levering ook in die periode met btw belast is. Omdat je de btw al dient te betalen krijg je een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Een bestaand pand kan door een ingrijpende verbouwing zó worden veranderd dat het weer als ‘nieuw’ wordt beschouwd, waarna de tweejaarsperiode opnieuw gaat lopen. Is het pand echter al twee jaar of langer geleden voor het eerst in gebruik genomen en heb je het niet zodanig verbouwd dat het als nieuw kan worden aangemerkt? Dan ga je verder met stap 3. 

Ouder dan 2 jaar na ingebruikname?

Wanneer een onroerende zaak langer dan twee jaar in gebruik is, geldt in principe dat de levering is vrijgesteld van btw. Er bestaat echter de mogelijkheid om te opteren voor een btw-belaste levering. Dat kan voor de verkoper voordelig zijn, omdat hij dan de eerder afgetrokken voorbelasting niet hoeft terug te betalen. Daarnaast is het mogelijk om, bij verkoop binnen de herzieningstermijn, niet-afgetrokken btw over de aankoop alsnog (gedeeltelijk) in aftrek te brengen. Dit kan leiden tot aanzienlijke belastingvoordelen. Voor meer informatie over de herzieningstermijn, zie het desbetreffende artikel. 

Je kunt voor een btw-belaste levering van een onroerende zaak kiezen wanneer zowel de verkoper als de koper daarvoor opteren, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de levering niet deel uitmaken van een bedrijfsoverdracht, en moet de koper voldoen aan de zogeheten 90%- of 70%-eis. De keuze voor belaste levering moet vóór de levering worden gemaakt. De koper dient het onroerend goed voor minimaal 90% (of in bepaalde gevallen 70%) te gebruiken voor btw-belaste bedrijfsactiviteiten. Zodra voor een belaste levering wordt geopteerd, start voor de koper een nieuwe herzieningstermijn van tien jaar. Bovendien behoudt de koper zijn recht op aftrek van de btw die hij bij aanschaf heeft betaald, en hoeft hij deze niet terug te betalen aan de Belastingdienst. Omdat de levering bij het opteren niet van rechtswege wordt belast, moet er bij een verkoop met geopteerde btw alsnog overdrachtsbelasting worden betaald. Hier dient dus wel rekening mee gehouden te worden.

Conclusie: Bent u van plan uw onroerende zaak binnen 10 jaar te verkopen, dan kan het fiscaal voordelig zijn om te opteren voor een btw-belaste levering; neem in zo’n geval gerust contact met ons op voor deskundig advies. 

De wet op de vennootschapsbelasting 1969

De Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 regelt de belastingheffing over de winst van rechtspersonen, zoals besloten en naamloze vennootschappen (BV’s en NV’s), coöperaties, en bepaalde stichtingen en verenigingen in Nederland. Deze belasting wordt geheven over de winst die een onderneming in een boekjaar realiseert, na aftrek van toegestane kosten en afschrijvingen. De vennootschapsbelasting is een belangrijk onderdeel van het Nederlandse belastingstelsel, aangezien het bijdraagt aan de overheidsinkomsten.

Het tarief van de vennootschapsbelasting is progressief, met verschillende tarieven voor verschillende winstniveaus. Er is een lager tarief voor de eerste schijf van de winst (het zogenaamde ‘opstaptarief’), om kleinere ondernemingen te ondersteunen, en een hoger tarief voor winsten die deze drempel overschrijden. Deze tarieven kunnen jaarlijks wijzigen op basis van fiscaal beleid en economische omstandigheden.

Het voornaamste verschil tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting is dat de vennootschapsbelasting uitsluitend van toepassing is op winsten van rechtspersonen, terwijl de inkomstenbelasting geheven wordt op het persoonlijke inkomen van natuurlijke personen (zoals werknemers, zelfstandigen, en DGA’s). In de praktijk betekent dit dat een ondernemer die een eenmanszaak of VOF runt, belasting betaalt over zijn bedrijfswinst via de inkomstenbelasting, terwijl een BV of NV belasting over de winst betaalt via de vennootschapsbelasting.

Een ander belangrijk verschil is de mogelijkheid van winstuitkering. Bij ondernemingen die onder de vennootschapsbelasting vallen, kan winst na belasting worden uitgekeerd aan aandeelhouders in de vorm van dividend. Deze uitkeringen worden vervolgens belast in Box 2 van de inkomstenbelasting (belasting over inkomen uit aanmerkelijk belang) bij de ontvangers van het dividend.

De Wet op de Vennootschapsbelasting bevat diverse regels en uitzonderingen, zoals regels voor de aftrekbaarheid van kosten, de behandeling van verliezen, en specifieke bepalingen voor multinationale ondernemingen. Ook fiscale stimuleringsmaatregelen, zoals de innovatiebox voor winsten uit innovatieve activiteiten, vallen onder deze wet. Het is een complexe wet die vereist dat ondernemingen nauwkeurig hun winst en aftrekposten berekenen en rapporteren.

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in Nederland

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een fiscale regeling in Nederland, vastgelegd in artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze regeling is ontworpen om investeringen in het midden- en kleinbedrijf (MKB) te stimuleren, een beleidsdoel dat de wetgever nastreeft door bepaalde investeringen af te trekken van de belastbare winst. Het primaire doel van de KIA is het bevorderen van economische activiteit en groei binnen kleinere bedrijven. De regeling is voortgekomen uit de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 en behoudt veel van zijn kernbegrippen, waardoor bestaande jurisprudentie nog steeds relevant is voor de interpretatie en toepassing van de huidige KIA.

De KIA maakt een deel van de investeringen van een onderneming aftrekbaar van de winst. Een belangrijk kenmerk van de KIA is dat deze niet afhankelijk is van de grootte van de onderneming of de behaalde resultaten. Zelfs bedrijven in een verliespositie kunnen aanspraak maken op de KIA, aangezien de aftrek gebaseerd is op de totale omvang van de investeringen in het kalenderjaar. De berekening van de KIA is sterk afhankelijk van de omvang van de investeringen. De wet voorziet in een dynamische tabel met percentages die variëren op basis van het totale investeringsbedrag binnen een kalenderjaar. Voor 2024 gelden de volgende drempels en percentages:

Investering (€) Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
niet meer dan €2.800 0%
€2.801 t/m €69.765 28% van het investeringsbedrag
€69.766 t/m €129.194 €19.535
€129.195 t/m €387.580 €19.535 verminderd met 7,56% van het deel boven €129.194
meer dan €387.580 0%

Niet alle investeringen komen in aanmerking voor de KIA. Investeringen in bepaalde uitgesloten bedrijfsmiddelen of aangegaan met uitgesloten partijen worden niet meegenomen in de berekening. Daarnaast geldt voor ondernemingen met een gebroken boekjaar dat de investeringen over de betrokken kalenderjaren worden verdeeld.

Voor samenwerkingsverbanden, zoals vennootschappen onder firma, wordt de KIA berekend over de gezamenlijke investeringen. Dit voorkomt dat grote samenwerkingsverbanden met vele deelnemers onevenredig voordeel halen uit de KIA door hun investeringen te ‘verknippen’. Een recente wijziging in 2021 vereist dat investeringen buiten het samenwerkingsverband moeten worden samengevoegd met investeringen binnen het samenwerkingsverband voor de KIA-berekening.

Bij de belastingaangifte kan de ondernemer kiezen om gebruik te maken van de KIA. Deze keuze is niet verplicht en kan worden herzien tot het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Het is belangrijk te beseffen dat na vaststelling van de aanslag een verzuim om de KIA aan te vragen niet meer hersteld kan worden.

De KIA is een belangrijk instrument voor kleine en middelgrote ondernemingen om hun investeringen fiscaal aantrekkelijker te maken. Door gebruik te maken van deze aftrek kunnen bedrijven investeren in groei en ontwikkeling, terwijl ze tegelijkertijd profiteren van fiscale voordelen. Het is essentieel voor ondernemers om op de hoogte te blijven van de laatste wijzigingen en voorwaarden van de KIA om optimaal van de regeling te profiteren. Voor een gedetailleerde berekening en optimaal gebruik van de KIA is het aan te raden om een fiscaal adviseur te raadplegen.

Conclusie

De KIA blijft een waardevol instrument voor het MKB om investeringen te stimuleren en fiscale voordelen te benutten. Door op de hoogte te blijven van de actuele regelgeving en nauw samen te werken met fiscale experts, kunnen ondernemers optimaal profiteren van deze regeling en hun bedrijfsvoering versterken.