Voorraadwaardering: Hoe de waarde van uw voorraad uw winst bepaalt

Heeft u een bedrijf met een fysieke voorraad, zoals een fietshandel? Dan moet u aan het einde van het jaar de waarde van die voorraad bepalen voor op de balans. De manier waarop u dit doet, is niet zomaar een administratieve handeling; het heeft directe invloed op uw winst en de hoeveelheid belasting die u betaalt.

De Belastingdienst eist dat u een methode kiest die past bij ‘goed koopmansgebruik’ en dat u deze methode consequent toepast. We leggen de meest voorkomende systemen uit met een eenvoudig voorbeeld.

Stel, u bent een fietshandelaar. We gebruiken simpele getallen voor het rekenvoorbeeld.

  • Op 1 januari koopt u 10 fietsen in voor €100 per stuk.
  • Op 1 juli koopt u nog eens 10 fietsen in voor €120 per stuk (de prijs is gestegen).
  • U heeft in totaal 20 fietsen ingekocht.
  • Aan het einde van het jaar heeft u 15 fietsen verkocht. Er zijn dus nog 5 fietsen in voorraad.

De vraag is: wat is de waarde van die 5 fietsen op uw balans?

FIFO (First-In, First-Out)
Dit is de meest logische en gebruikte methode. De fiets die als eerste binnenkwam, wordt geacht als eerste te zijn verkocht. Denk aan een rij bij de kassa: wie het eerst komt, is het eerst aan de beurt. Uw overgebleven voorraad bestaat dus uit de meest recent ingekochte fietsen.
Stel, U heeft 15 fietsen verkocht. Volgens FIFO zijn dat de eerste 10 van €100 en 5 van de partij van €120.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de laatste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €120 = €600.

LIFO (Last-In, First-Out)
Bij LIFO gaat u ervan uit dat de laatst ingekochte fietsen als eerste worden verkocht. Denk aan een stapel borden: u pakt altijd het bovenste bord. Uw overgebleven voorraad bestaat dus uit de oudste, en vaak goedkopere, fietsen.
U heeft 15 fietsen verkocht. Volgens LIFO zijn dat de laatste 10 van €120 en 5 van de eerste partij van €100.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de eerste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.

Let op: In tijden van stijgende prijzen leidt LIFO tot een lagere voorraadwaarde en een hogere kostprijs van de omzet, wat resulteert in een lagere winst (en dus minder belasting op de korte termijn).

IJzeren Voorraadstelsel

Dit stelsel is speciaal voor bedrijven die een vaste, minimale voorraad moeten hebben om te kunnen draaien. We passen dit nu toe op ons voorbeeld, waarbij we de beginvoorraad als de ‘ijzeren voorraad’ beschouwen.

De ijzeren voorraad is vastgesteld op 10 fietsen tegen de vaste ‘ijzeren prijs’ van €100 per stuk. De 10 fietsen die later voor €120 worden ingekocht, zien we als aanvulling. We verkopen 15 fietsen. Volgens dit stelsel verkopen we eerst de ‘extra’ voorraad.

  1. We verkopen de 10 laatst ingekochte fietsen van €120.
  2. We moeten er nog 5 verkopen, dus we moeten onze ijzeren voorraad aanspreken.

Er blijven dus 5 fietsen over, die allemaal onderdeel zijn van de oorspronkelijke ijzeren voorraad. Dit creëert een tekort (manco) van 5 fietsen in onze ijzeren voorraad. De waarde van de 5 fietsen op de balans is gebaseerd op de vaste ijzeren prijs: Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.
Omdat we een tekort (manco) van 5 fietsen hebben, mogen we de kostprijs van deze 5 verkochte ‘ijzeren’ fietsen direct boeken tegen de huidige vervangingswaarde (de laatste inkoopprijs van €120). Dit verlaagt uw winst. De kostprijs van de 15 verkochte fietsen is dus (10 x €120) + (5 x €120) = €1.800, wat hoger is dan bij de andere stelsels.

Aanbeveling en Conclusie

De keuze voor een waarderingsstelsel heeft direct effect op uw balans en winst- en verliesrekening.

  • FIFO is de meest gangbare methode. Het geeft een realistisch beeld van de actuele waarde van uw voorraad en wordt internationaal breed geaccepteerd.
  • GIP is een uitstekend alternatief dat prijsschommelingen dempt en administratief eenvoudig is.
  • LIFO wordt fiscaal minder vaak toegepast en kan een vertekend beeld geven van de werkelijke waarde op uw balans.
  • Het IJzeren Voorraadstelsel is specialistisch en alleen relevant voor specifieke bedrijfstypen.

De beste keuze hangt af van uw branche, de aard van uw producten en uw administratieve processen. Het is cruciaal om een stelsel te kiezen en dit consequent te hanteren. Wilt u weten welk systeem het beste bij uw onderneming past en wat de fiscale gevolgen zijn? Neem dan contact met ons op. Wij rekenen het graag voor u door.

 

Ondernemen over de Grens: Wat is een Vaste Inrichting?

Droomt u ervan om met uw Nederlandse bedrijf de Duitse of Belgische markt te veroveren? U opent een kantoor, start een werkplaats of richt een verkooplocatie in. Op dat moment krijgt u fiscaal te maken met het begrip ‘vaste inrichting’. Een vaste inrichting is geen aparte juridische entiteit zoals een dochter-BV, maar een onderdeel van uw Nederlandse onderneming in het buitenland. Dit heeft belangrijke fiscale gevolgen. In dit artikel leggen we uit wat een vaste inrichting is, wanneer u er een heeft en wat de consequenties zijn voor de belastingheffing.

Wanneer is er sprake van een vaste inrichting?

De Belastingdienst kijkt heel praktisch naar de situatie. Er is sprake van een vaste inrichting als u in een ander land een bedrijfsruimte heeft die voldoende is uitgerust om zelfstandig te functioneren en vanuit waar u goederen of diensten levert. Denk hierbij aan (belastingdienst):

  • Een winkel of andere vaste verkooplocatie.
  • Een werkplaats of fabriek met een kantoor.
  • De plek van waaruit de leiding van de onderneming wordt gevoerd.

Wat is het juist niet?
Bepaalde ruimtes worden expliciet niet als vaste inrichting gezien, omdat ze slechts een ondersteunend karakter hebben. Voorbeelden zijn:

  • Een opslagruimte of goederendepot.
  • Een kantoor dat uitsluitend wordt gebruikt voor reclame, onderzoek of het verzamelen van informatie.
  • Een vakantiewoning die u verhuurt.

De fiscale gevolgen van een vaste inrichting

Als u een vaste inrichting heeft, heeft dat twee belangrijke consequenties voor uw winstbelasting.

  1. Belasting betalen in het buitenland
    Het land waar uw vaste inrichting is gevestigd, mag belasting heffen over de winst die specifiek door die inrichting wordt behaald. U moet de winst dus eerlijk verdelen tussen het Nederlandse hoofdkantoor en de buitenlandse vestiging. Dit moet gebeuren alsof het twee losse bedrijven zijn die met elkaar handelen tegen zakelijke prijzen (het ‘at arm’s length’-beginsel).
  2. Vrijstelling in Nederland (de objectvrijstelling)
    Gelukkig hoeft u niet twee keer belasting te betalen. Dankzij de ‘objectvrijstelling’ in Nederland is de winst van uw buitenlandse vaste inrichting hier vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De winst is immers al in het buitenland belast. Let op: deze vrijstelling geldt ook voor verliezen. Een verlies van de buitenlandse vestiging is dus in principe ook niet aftrekbaar in Nederland.

Conclusie en Advies

Het hebben van een vaste inrichting in het buitenland heeft directe fiscale gevolgen. U moet een deel van uw winst toerekenen aan het buitenland en daar belasting betalen, terwijl u in Nederland een vrijstelling krijgt. De regels voor het correct verdelen van de winst zijn complex en de internationale belastingverdragen zijn gedetailleerd. Een juiste aanpak is cruciaal om dubbele belasting of discussies met de Belastingdienst te voorkomen. Bent u internationaal actief of heeft u plannen om de grens over te gaan? Neem dan contact met ons op. Wij zorgen ervoor dat uw structuur fiscaal optimaal is en u aan alle regels voldoet.

Bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0011353/2025-03-15

De Auto van de Zaak: Wanneer is het Slim en Wanneer Kost het u Geld?

Als ondernemer staat u voor een belangrijke keuze: zet u uw auto op de zaak of houdt u hem privé? Een auto op de zaak klinkt aantrekkelijk, want alle kosten zijn aftrekbaar. Maar de Belastingdienst kijkt mee, en dat kan u geld kosten via de “bijtelling”. Wat is de beste keuze voor úw portemonnee? We zetten de twee opties simpel voor u op een rij.

Optie 1: De Auto op de Zaak

Dit is de meest bekende optie. Het grote voordeel: Alle autokosten zijn bedrijfskosten en mag u aftrekken van uw winst. Denk aan:

  • Brandstof
  • Verzekering
  • Onderhoud en reparaties
  • Motorrijtuigenbelasting
  • Afschrijving (de waardevermindering)

Hierdoor betaalt u minder belasting over uw winst. Klinkt goed, toch? Het grote nadeel: De bijtelling. Als u de auto ook privé gebruikt voor meer dan 500 kilometer per jaar, ziet de Belastingdienst dit als een soort ‘loon in natura’. Daarom moet u een bedrag bij uw winst optellen: de bijtelling. Hoe werkt het:

  • De standaard bijtelling is 22% van de cataloguswaarde van de auto. Dit bedrag wordt bij uw winst opgeteld, waardoor u over een hoger bedrag belasting betaalt.
  • Geen bijtelling? Dat kan, maar dan moet u met een sluitende kilometerregistratie bewijzen dat u op jaarbasis niet boven die 500 privékilometers uitkomt. Dit is een flinke administratieve klus.

Optie 2: De Auto Privé Houden

U kunt er ook voor kiezen de auto niet op de balans van uw bedrijf te zetten.

  • Het grote voordeel: U heeft niets te maken met de bijtelling. U hoeft dus geen ingewikkelde kilometerregistratie bij te houden.
  • Het grote nadeel: De autokosten  zijn niet aftrekbaar van de winst. U betaalt alles zelf.
    • Hoe wordt u gecompenseerd? Voor elke zakelijke kilometer die u met uw privéauto rijdt, mag u € 0,23 onbelast uit uw onderneming aan uzelf uitkeren. Dit bedrag boekt u als kosten in uw bedrijf.

Rekenvoorbeeld: Wat is Voordeliger?

Laten we de twee opties vergelijken met een praktisch voorbeeld. Ondernemer A rijdt in een auto met een cataloguswaarde van € 35.000. Zijn jaarlijkse autokosten zijn € 7.000. Ze rijdt 30.000 kilometer per jaar, waarvan 25.000 zakelijk en 5.000 privé. We gaan uit van een belastingtarief van 42%. Scenario

A: Auto op de zaak

  • Ondernemer rijdt meer dan 500 km privé, dus ze krijgt bijtelling.
  • Bijtelling: 22% van € 35.000 = € 7.700.
  • Extra belasting door bijtelling: 42% van € 7.700 = € 3.234 extra belasting.
  • Voordeel: De € 7.000 aan autokosten zijn aftrekbaar.
  • Belastingvoordeel: 42% van € 7.000 = € 2.940 minder belasting.
  • Netto resultaat: € 3.234 (kosten) – € 2.940 (voordeel) = € 294 netto kosten per jaar.

Scenario B: Auto privé

  • Ondernemer krijgt geen bijtelling.
  • Ze mag € 0,23 per zakelijke kilometer declareren.
  • Onbelaste vergoeding: 25.000 km x € 0,23 = € 5.750.
  • Dit bedrag mag ze als kosten opvoeren, wat haar een belastingvoordeel van 42% x € 5.750 = € 2.415 oplevert.
  • De werkelijke kosten van € 7.000 betaalt ze privé.
  • Netto resultaat: Ze betaalt € 7.000 en krijgt een vergoeding van € 5.750. Haar netto kosten zijn € 1.250 per jaar.

In dit specifieke voorbeeld is de auto op de zaak zetten dus voordeliger.

Conclusie, de beste keuze hangt volledig af van uw persoonlijke situatie:

  • De cataloguswaarde van de auto.
  • De verhouding tussen zakelijke en privékilometers.
  • De hoogte van de werkelijke autokosten.
  • Uw belastingtarief.

Elke situatie is uniek. Een kleine verandering in de kilometers of kosten kan de uitkomst al veranderen.

Wilt u zeker weten dat u de fiscaal meest voordelige keuze maakt? Onze specialisten rekenen het graag voor u door. Neem vandaag nog vrijblijvend contact met ons op en voorkom dat u onnodig belasting betaalt.

Belangrijke rechtspraken:

  • ECLI:NL:GHARL:2024:6420 (Privégebruik auto & Urencriterium)
  • ECLI:NL:GHARL:2024:7637 (Bijtelling bedrijfsauto)
  • ECLI:NL:RBZWB:2025:691 (Bewijslast 500km-grens)

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in Nederland

De Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een fiscale regeling in Nederland, vastgelegd in artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze regeling is ontworpen om investeringen in het midden- en kleinbedrijf (MKB) te stimuleren, een beleidsdoel dat de wetgever nastreeft door bepaalde investeringen af te trekken van de belastbare winst. Het primaire doel van de KIA is het bevorderen van economische activiteit en groei binnen kleinere bedrijven. De regeling is voortgekomen uit de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 en behoudt veel van zijn kernbegrippen, waardoor bestaande jurisprudentie nog steeds relevant is voor de interpretatie en toepassing van de huidige KIA.

De KIA maakt een deel van de investeringen van een onderneming aftrekbaar van de winst. Een belangrijk kenmerk van de KIA is dat deze niet afhankelijk is van de grootte van de onderneming of de behaalde resultaten. Zelfs bedrijven in een verliespositie kunnen aanspraak maken op de KIA, aangezien de aftrek gebaseerd is op de totale omvang van de investeringen in het kalenderjaar. De berekening van de KIA is sterk afhankelijk van de omvang van de investeringen. De wet voorziet in een dynamische tabel met percentages die variëren op basis van het totale investeringsbedrag binnen een kalenderjaar. Voor 2024 gelden de volgende drempels en percentages:

Investering (€) Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
niet meer dan €2.800 0%
€2.801 t/m €69.765 28% van het investeringsbedrag
€69.766 t/m €129.194 €19.535
€129.195 t/m €387.580 €19.535 verminderd met 7,56% van het deel boven €129.194
meer dan €387.580 0%

Niet alle investeringen komen in aanmerking voor de KIA. Investeringen in bepaalde uitgesloten bedrijfsmiddelen of aangegaan met uitgesloten partijen worden niet meegenomen in de berekening. Daarnaast geldt voor ondernemingen met een gebroken boekjaar dat de investeringen over de betrokken kalenderjaren worden verdeeld.

Voor samenwerkingsverbanden, zoals vennootschappen onder firma, wordt de KIA berekend over de gezamenlijke investeringen. Dit voorkomt dat grote samenwerkingsverbanden met vele deelnemers onevenredig voordeel halen uit de KIA door hun investeringen te ‘verknippen’. Een recente wijziging in 2021 vereist dat investeringen buiten het samenwerkingsverband moeten worden samengevoegd met investeringen binnen het samenwerkingsverband voor de KIA-berekening.

Bij de belastingaangifte kan de ondernemer kiezen om gebruik te maken van de KIA. Deze keuze is niet verplicht en kan worden herzien tot het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Het is belangrijk te beseffen dat na vaststelling van de aanslag een verzuim om de KIA aan te vragen niet meer hersteld kan worden.

De KIA is een belangrijk instrument voor kleine en middelgrote ondernemingen om hun investeringen fiscaal aantrekkelijker te maken. Door gebruik te maken van deze aftrek kunnen bedrijven investeren in groei en ontwikkeling, terwijl ze tegelijkertijd profiteren van fiscale voordelen. Het is essentieel voor ondernemers om op de hoogte te blijven van de laatste wijzigingen en voorwaarden van de KIA om optimaal van de regeling te profiteren. Voor een gedetailleerde berekening en optimaal gebruik van de KIA is het aan te raden om een fiscaal adviseur te raadplegen.

Conclusie

De KIA blijft een waardevol instrument voor het MKB om investeringen te stimuleren en fiscale voordelen te benutten. Door op de hoogte te blijven van de actuele regelgeving en nauw samen te werken met fiscale experts, kunnen ondernemers optimaal profiteren van deze regeling en hun bedrijfsvoering versterken.