Aanmerkelijk belang (box 2) en Fiscaal advies voor DGA’s en beleggers

Aanmerkelijk belang (box 2): wanneer valt u in deze regeling?

Heeft u een belang in een bv, nv, coöperatie of buitenlands lichaam? Dan wilt u weten: val ik in box 2 met een aanmerkelijk belang, of gewoon in box 3 als belegger?

Artikel 4.6 Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt wanneer u een aanmerkelijk belang heeft. Dat artikel vormt de grens tussen:

  • de aandeelhouder‑belegger (box 3), en
  • de aandeelhouder‑ondernemer (box 2, aanmerkelijk belang).

Op deze pagina leggen we uit:

  • wat een aanmerkelijk belang precies is;
  • hoe de 5%-grens werkt;
  • wat het verschil is tussen box 2 en box 3;
  • wanneer het verstandig is om fiscaal advies in te winnen.

U leest dit als DGA, ondernemer, belegger of buitenlands belastingplichtige. Herkent u zich daarin? Dan is de kans groot dat dit direct voor u speelt.

 

Wat is een aanmerkelijk belang volgens artikel 4.6 Wet IB 2001?

Volgens artikel 4.6 Wet IB 2001 heeft u een aanmerkelijk belang als u, al dan niet samen met uw fiscale partner, direct of indirect voor minstens 5% een belang heeft in een vennootschap waarvan het vermogen (geheel of gedeeltelijk) in aandelen is verdeeld.

Het gaat daarbij niet alleen om “gewone” aandelen, maar om een reeks vermogensrechten, zoals:

  • aandelen in een bv of nv;
  • rechten om aandelen te verwerven (bijvoorbeeld opties) vanaf 5% van het geplaatste kapitaal;
  • winstbewijzen of genotsrechten die recht geven op minstens 5% van de jaarwinst of de liquidatie‑uitkering;
  • stemrechten: recht om ten minste 5% van de stemmen uit te brengen in de algemene vergadering van een coöperatie;
  • belangen in bepaalde hybride of buitenlandse lichamen die voor de vennootschapsbelasting als niet‑transparant worden behandeld (zoals omgekeerd hybride lichamen).

Kort gezegd: heeft u 5% of meer van de relevante rechten in één vennootschap of vergelijkbaar lichaam, dan ziet de fiscus u als aanmerkelijkbelanghouder.

 

Wanneer heeft u 5% of meer en dus een aanmerkelijk belang?

In het aanmerkelijkbelangbegrip zitten twee elementen:

  1. Kwantitatief – de 5%-grens
  2. Kwalitatief – wát u precies bezit (bijvoorbeeld aandelen, opties, winstbewijzen, stemrechten)

Belangrijk uit de wet:

  • De 5% wordt per categorie getoetst.
    • Dus 3% aandelen + 3% winstbewijzen = géén aanmerkelijk belang.
  • De verschillende titels cumuleren niet.
    • U kunt bijvoorbeeld 4,9% aandelen, 4,9% opties en 4,9% winstbewijzen hebben zonder dat juridisch sprake is van een aanmerkelijk belang, ook al is uw economische belang veel hoger.

De wetgever heeft bewust gekozen voor een formeel 5%-criterium: dat geeft duidelijkheid en rechtszekerheid, ook al voelt het soms economisch wat kunstmatig.

 

Aanmerkelijk belang of gewoon beleggen in box 3?

De 5%-grens bepaalt of u in box 2 of box 3 valt.

Situatie Belastingbox Waarover wordt u belast?
Minder dan 5% belang in een vennootschap Box 3 Vermogen: fictief rendement over de waarde van uw bezit
5% of meer (aanmerkelijk belang) Box 2 Werkelijke inkomsten: dividend en verkoopwinst

 

In box 2 wordt u belast als u daadwerkelijk een voordeel geniet (bijvoorbeeld dividend of verkoopwinst). In box 3 speelt juist een fictief rendement over de waarde van uw vermogen.

Direct, indirect en samen met uw partner aandelen houden

U kunt een aanmerkelijk belang hebben:

  • direct – de aandelen of rechten staan op uw naam;
  • indirect – u houdt uw belang via een holding of andere tussenvennootschap.

Voor een indirect aanmerkelijk belang geldt als hoofdregel:

  • U moet in de tussenhoudster zelf een aanmerkelijk belang hebben (dus ook daar minimaal 5%);
  • vervolgens wordt gekeken of u via die tussenhoudster in de onderliggende vennootschap ook ten minste 5% houdt.

 

Partner: samen al snel boven de 5%

Voor de 5%-toets telt de wet het belang van u en uw fiscale partner bij elkaar op.

  • U heeft 3% van de aandelen;
  • uw partner heeft 2% in dezelfde bv;

Samen is dat 5%. Dan worden beiden aanmerkelijkbelanghouder en vallen dividend en verkoopwinst in box 2.

Behoren de aandelen tot de huwelijksgemeenschap, dan worden in de rechtspraak zelfs beide echtgenoten als aanmerkelijkbelanghouder gezien, ieder voor de helft.

 

Voorbeeld: zo werkt de 5%-grens in de praktijk

 

Voorbeeld 1 – net geen aanmerkelijk belang

  • U bezit 4,9% van de aandelen in een bv;
  • uw partner bezit niets;
  • er zijn verder geen opties, winstbewijzen of andere rechten.

Gevolg:
U heeft géén aanmerkelijk belang. Uw belang valt in beginsel in box 3.

Voorbeeld 2 – samen boven de grens

  • U bezit 3% van de aandelen;
  • uw fiscale partner bezit 2% van de aandelen in dezelfde bv.

Gevolg:
Gezamenlijk belang is 5%. U wordt allebei aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder.

Krijgt u samen bijvoorbeeld € 20.000 dividend, dan wordt dat in box 2 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (ieder voor zijn/haar deel), in plaats van als box‑3‑vermogen.

Stappenplan: zelf checken of u een aanmerkelijk belang heeft

  1. Maak een overzicht van al uw belangen in één vennootschap:
    • aandelen, opties, winstbewijzen, stemrechten, genotsrechten, participaties.
  2. Bepaal per soort uw percentage (bijvoorbeeld: 6% gewone aandelen, 3% prefs, 0% winstbewijzen).
  3. Tel het bezit van uw fiscale partner mee.
  4. Kijk of u per soort of recht minstens 5% haalt.
  5. Check of u via een holding of andere route indirect ook 5% of meer houdt.
  6. Is het antwoord ja? Dan zit u in de aanmerkelijkbelangsfeer (box 2).

 

Wanneer is fiscaal advies over uw aanmerkelijk belang verstandig?

Neem in ieder geval contact op als u:

  • een bv- of holdingstructuur wilt opzetten, herstructureren of afbouwen;
  • een dividenduitkering plant (bijvoorbeeld voor privé‑investeringen of aflossing);
  • uw bedrijf (of een deel van uw aandelen) wilt verkopen of schenken;
  • bezig bent met bedrijfsopvolging, estate planning of de BOR/DSR;
  • belangen heeft in fondsen, hybride of buitenlandse entiteiten;
  • in het buitenland woont (of daarheen verhuist), maar nog een Nederlands belang heeft.

De combinatie van box 2, vennootschapsbelasting, huwelijksvermogensrecht en internationale regels maakt dit terrein complex.

 

Laat uw aanmerkelijk belang beoordelen

Bij Taxcount kijken we verder dan alleen “heeft u 5% of meer?”. We beoordelen:

  • de juridische structuur (direct/indirect, soorten aandelen, genotsrechten);
  • de positie van uw partner en huwelijksgoederenregime;
  • uw toekomstplannen (uitkeren, verkopen, schenken, erven);
  • en de samenloop met andere regelingen (gebruikelijk loon, terbeschikkingstellingsregeling, BOR/DSR).

Wilt u weten of u een aanmerkelijk belang heeft en of u niet te veel belasting betaalt? Neem contact op via Taxcount.nl voor een vrijblijvende kennismaking of offerte.

 

Juridische basis en belangrijke uitspraken van de Hoge Raad

De uitleg hierboven sluit aan bij:

  • Artikel 4.6 Wet inkomstenbelasting 2001
    – definitie van het aanmerkelijk belang en de 5%-grens, samen met gelijkstellingen uit o.a. art. 4.3, 4.5, 4.5a, 4.7, 4.9, 4.10 en 4.11 Wet IB 2001.
  • HR 10 maart 2006
    – over aandelen in de huwelijksgemeenschap: beide echtgenoten zijn aanmerkelijkbelanghouder en worden geacht ieder de helft van de vervreemdingswinst te genieten.
  • HR 7 februari 2014
    – bevestigt dat het begrip “aandeel” in het aanmerkelijk belang formeel wordt uitgelegd, juist omwille van de rechtszekerheid (een aandeel is een aandeel als het juridisch aandeel is).

 

Verhuiskosten, dubbele huisvesting en privéauto voor ondernemers

Verhuiskosten, dubbele huisvesting en privéauto voor ondernemers

Als ondernemer mag je veel zakelijke kosten van je winst aftrekken. Maar bij sommige kosten zet de wet bewust een rem: je mag ze maar beperkt aftrekken, óók al zijn ze zakelijk.

Die beperkingen staan in artikel 3.17 Wet inkomstenbelasting 2001. Dit artikel gaat vooral over:

  • verhuiskosten (verhuizen voor je onderneming)
  • dubbele huisvesting (twee woonplaatsen door je bedrijf)
  • privévervoermiddelen (zoals je privéauto, motor of fiets)
  • en het gebruik van privébezittingen in je onderneming

Het idee: deze uitgaven zijn deels zakelijk, maar hebben óók een privévoordeel. De wet beperkt daarom de aftrek met forfaits, termijnen en maxima.

 

1. Wanneer geldt artikel 3.17?

Artikel 3.17 hoort bij een rijtje aftrekbeperkingen (art. 3.14 t/m 3.17). Pas als duidelijk is dat een uitgave zakelijk is, kijk je of dit artikel de aftrek beperkt. Het gaat om:

  • Ondernemers in de inkomstenbelasting (zzp, eenmanszaak, vof, maatschap, cv)
  • Medegerechtigden (bijvoorbeeld stille vennoten)
  • Resultaatgenieters (inkomsten uit overige werkzaamheden)

Het artikel geldt niet voor BV’s en NV’s (vennootschapsbelasting).

 

2. Verhuiskosten ondernemer – wat is aftrekbaar?

2.1. Verhuizen voor je onderneming

Artikel 3.17 beperkt de aftrek van verhuiskosten naar een andere woonruimte. Het gaat om verhuizingen die een zakelijk tintje hebben, bijvoorbeeld:

  • je onderneming verhuist naar een andere plaats en jij verhuist mee
  • je gaat dichter bij je bedrijf wonen om je werk goed te kunnen doen
  • je begint je onderneming op een nieuwe locatie en verhuist daarom

Belangrijk: eerst moet duidelijk zijn dat de verhuizing zakelijk noodzakelijk of in elk geval zakelijk verdedigbaar is. Als je puur privé groter of mooier wilt wonen, is er géén aftrek.

2.2. Hoeveel verhuiskosten mag je aftrekken?

Bij een zakelijke verhuizing zijn twee soorten kosten relevant:

  1. Kosten van het overbrengen van de inboedel
    • verhuisbedrijf, huur busje, tijdelijke opslag
    • als de verhuizing zakelijk is, zijn deze kosten volledig aftrekbaar.
  2. Overige verhuiskosten
    • denk aan herinrichting, schilderwerk, aansluiten nutsvoorzieningen, schoonmaak
    • hiervoor geldt een forfaitair maximumbedrag.
    • de wet gaat ervan uit dat je altijd zulke extra kosten hebt; je hoeft ze niet één voor één te bewijzen.

De wet hanteert dus:

werkelijke kosten van de verhuizing van je inboedel + een vast (forfaitair) bedrag aan overige verhuiskosten.

2.3. Verhuiskosten per verhuizing, per huishouden, per ondernemer

Een paar belangrijke nuances:

  • De aftrek geldt per verhuizing.
  • Verhuis je eerst naar een tijdelijke woning en daarna naar je definitieve woning?
    → Fiscaal wordt dat gezien als één verhuizing: je hebt dus maar één keer recht op het forfait voor beide verhuizingen samen.
  • Wonen jij en je partner samen en zijn jullie beiden ondernemer?
    → Dan geldt de verhuiskosten‑aftrek maar één keer per huishouden, niet dubbel.
  • Heb je meerdere ondernemingen (bijvoorbeeld een eenmanszaak én een maatschap)?
    → Dan mag je de (maximaal toegestane) verhuiskosten maar bij één onderneming in aftrek brengen.

 

3. Wanneer is een verhuizing “in het kader van de onderneming”?

De vraag of een verhuizing zakelijk is, geeft in de praktijk veel discussie. Daarom is er een ministeriële regeling met een soort “automatische ja‑check”.

3.1. Onweerlegbaar vermoeden: afstand ≥ 25 km én 60% ingekort

Volgens die regeling geldt:

Je bent in elk geval in het kader van de onderneming verhuisd als:

  • de afstand tussen woning en bedrijf vóór de verhuizing minstens 25 km was, én
  • je binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming verhuist, én
  • de afstand tussen woning en bedrijf door de verhuizing met minimaal 60% wordt verkleind.

Voorbeeld:

  • Voor verhuizing: 80 km van woning naar bedrijf
  • Na verhuizing: 30 km
  • Verkorting: 50 km = 62,5% → zakelijk verhuismotief wordt automatisch aangenomen.

In andere situaties kan de verhuizing óók zakelijk zijn, maar dan moet je dat zelf aannemelijk maken (bijvoorbeeld om gezondheidsredenen, of omdat je anders het werk niet praktisch kunt doen).

 

4. Dubbele huisvesting: twee woonplekken door je bedrijf

Soms ga je (nog) niet meteen verhuizen, maar heb je tijdelijk twee woonplekken:

  • je eigen woning (waar je gezin blijft wonen)
  • én een tweede woning / appartement / hotel / stacaravan in de buurt van je onderneming

Artikel 3.17 beperkt ook de aftrek van deze extra huisvestingskosten buiten je woonplaats.

4.1. Welke kosten vallen hieronder?

Het gaat bijvoorbeeld om:

  • huur van een tweede woning/appartement
  • hotelovernachtingen op vaste basis (bijvoorbeeld 2–3 nachten per week in hetzelfde hotel)
  • bijkomende kosten die direct samenhangen met die tweede huisvesting

Voorwaarde: de kosten moeten zakelijk zijn – bijvoorbeeld omdat de afstand tussen je woonhuis en onderneming anders niet werkbaar is.

4.2. Maximale duur: 24 maanden

De extra huisvestingskosten zijn fiscaal aftrekbaar voor maximaal 24 maanden. Daarna ziet de wet de kosten als privé (je kiest er dan in feite voor om structureel twee woonplaatsen te hebben).

Belangrijk:

  • Die termijn van 24 maanden geldt per situatie van dubbele huisvesting.
  • Ontstaan de dubbele woonlasten al vóórdat je officieel ondernemer wordt? Dan kan de 24‑maandentermijn in de praktijk gaan lopen vanaf de start van de onderneming.

Ook hier geldt weer: heb je meerdere ondernemingen, dan tel je de kosten bij elkaar op en mag je de aftrek maar één keer claimen in je totaalwinst.

 

5. Privéauto, motor, fiets: kilometervergoeding voor ondernemers

Artikel 3.17 bevat ook een belangrijke beperking voor privévervoermiddelen: de auto, motor of fiets die tot je privévermogen behoort en die je zakelijk gebruikt.

5.1. Hoofdregel: vaste kilometervergoeding

Gebruik je je privéauto (of motor/fiets) voor zakelijke ritten? Dan mag je de kosten niet onbeperkt op de winst zetten. De wet zegt:

je mag per zakelijke kilometer een forfaitair bedrag in aftrek brengen, ongeacht de werkelijke kosten.

Dit bedrag sluit aan bij de maximale onbelaste reiskostenvergoeding in de loonbelasting (bijvoorbeeld € 0,23 per km in recente jaren). Het geldt voor alle vervoermiddelen: auto, motor, scooter, fiets.

Belangrijke gevolgen:

  • heb je hoge werkelijke kosten (afschrijving, onderhoud, verzekering)? → tóch maximaal het forfait per km
  • zijn je werkelijke kosten lager dan het forfait? → dan is het forfait vaak juist gunstig

5.2. Wie rijdt maakt niet uit

De beperking geldt voor het vervoermiddel, niet voor wie er rijdt. Dus ook als:

  • je medewerker in jouw privéauto rijdt voor de onderneming, of
  • je partner of kind rijdt in jouw privéauto voor zakelijke doeleinden

…dan blijft de aftrek gebonden aan de kilometervergoeding, zolang de auto tot jouw privévermogen behoort.

 

6. Privébezittingen zakelijk gebruiken

Artikel 3.17 kijkt niet alleen naar vervoermiddelen, maar ook naar andere privébezittingen die je zakelijk inzet – denk aan:

  • een privéboot die je incidenteel zakelijk gebruikt
  • een privévakantiewoning die je deels verhuurt aan je eigen onderneming
  • andere roerende zaken die in box 3 zitten

In dat geval geldt vaak:

De aftrek is beperkt tot maximaal het voordeel in box 3 (het fictieve rendement).
In de praktijk komt dat vaak neer op geen of nauwelijks aftrek, omdat het voordeel box 3 al laag of nihil is.

Zo voorkomt de wet dat je via je onderneming allerlei privébezittingen “leeg trekt” met hoge aftrek van kosten.

 

7. Eén ondernemer, meerdere ondernemingen

Heb je meerdere activiteiten, bijvoorbeeld:

  • een eenmanszaak én een vof
  • meerdere eenmanszaken
  • onderneming + resultaat uit overige werkzaamheden

…dan mag je de beperkt aftrekbare kosten (verhuiskosten, dubbele huisvesting, privévervoer) niet dubbel claimen.

Artikel 3.17 zegt dat deze kosten voor al je activiteiten samen maar één keer in aanmerking mogen worden genomen. Jij kiest bij welke onderneming je de aftrek boekt.

 

8. Praktische voorbeelden voor ondernemers

Voorbeeld 1 – Verhuizing voor de onderneming

Je salon verhuist van Arnhem naar Utrecht. Jij verhuist met je gezin mee.

  • Kosten verhuisbedrijf: € 2.500
  • Overige kosten (schilderen, behang, aansluitkosten): in werkelijkheid € 6.000

Fiscale behandeling (vereenvoudigd):

  • kosten verhuisbedrijf: volledig aftrekbaar
  • overige kosten: aftrekbaar tot het forfaitaire maximum (ongeacht of je € 3.000 of € 10.000 uitgeeft)

Is de verhuizing deels privé (je wilde ook groter wonen, betere buurt)? Dan blijft het zakelijk karakter vaak overeind, maar het forfait dekt meteen het privédeel af.

 

Voorbeeld 2 – Dubbele huisvesting

Je woont met je gezin in Groningen, maar start een praktijk in Eindhoven.
De afstand is niet werkbaar, dus je huurt daar een appartement voor 3 dagen per week.

  • Huur appartement: € 900 per maand
  • Looptijd dubbele huisvesting: 20 maanden

De extra woonlasten in Eindhoven mogen tot maximaal 24 maanden in de winst worden opgenomen. Daarna worden ze als privé gezien.

 

Voorbeeld 3 – Privéauto zakelijk gebruiken

Je rijdt 18.000 zakelijke kilometers per jaar met je privéauto.

  • Je mag voor die kilometers een bedrag per km in aftrek brengen (het fiscaal toegestane tarief).
  • Je werkelijke kosten (afschrijving, brandstof, onderhoud) kunnen hoger of lager zijn – dat maakt voor de aftrek niet uit.

Wil je méér aftrekken dan het forfait, dan moet je doorgaans overwegen de auto tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Dat heeft weer andere gevolgen (bijtelling privégebruik, btw, et cetera).

 

9. Veelgemaakte fouten in de praktijk

Een greep uit wat wij bij ondernemers regelmatig zien:

  • Verhuizing om privéredenen (bijv. groter huis, tweede kind) tóch als zakelijke verhuizing opvoeren.
  • Dubbele huisvesting langer dan 24 maanden blijven aftrekken.
  • Naast de forfaitaire verhuiskosten óók nog losse kosten (zoals bezichtigingen, extra reiskosten) apart opvoeren.
  • Met de privéauto zowel het volledige kostenplaatje boeken als de kilometervergoeding hanteren.
  • Privébezittingen zakelijk gebruiken en alle kosten aftrekken, terwijl art. 3.17 hier een harde grens zet.

10. Hoe helpt Taxcount?

De regels van artikel 3.17 zijn technisch, maar de impact is heel concreet:

  • Te véél aftrekken → risico op correcties, rente en soms boetes.
  • Te weinig aftrekken → je betaalt onnodig veel belasting.

We helpen je om:

  • te bepalen of een verhuizing of dubbele huisvesting fiscaal zakelijk en aftrekbaar is
  • de juiste kilometerkeuze te maken (privéauto of zakelijke auto)
  • privébezittingen op de fiscaal meest gunstige manier te gebruiken
  • je administratie zo in te richten dat je bij een controle sterk staat

Wil je weten welke kosten jij wél en niet mag aftrekken onder artikel 3.17?  Plan een afspraak via taxcount.nl of neem direct contact met ons op.

Wij vertalen de fiscale regels naar heldere keuzes voor jouw onderneming,  zodat jij met een gerust hart verder kunt bouwen aan je bedrijf.

Welke kosten mag je níet aftrekken als ondernemer?

Welke kosten mag je níet aftrekken als ondernemer?

Als ondernemer wil je natuurlijk zo veel mogelijk zakelijke kosten aftrekken. Maar de Belastingdienst zet bij een aantal uitgaven heel bewust een kruis: die zijn (bijna) nooit aftrekbaar, óók al hebben ze een zakelijk tintje. Die regels staan in artikel 3.16 Wet inkomstenbelasting 2001. Daarin gaat het vooral om kosten die eigenlijk vooral jou persoonlijk bevoordelen.

Op deze pagina leggen we in gewone taal uit wat dit artikel betekent, met praktische voorbeelden. Zo weet je meteen waar je aan toe bent als ondernemer.

Wat regelt artikel 3.16 precies?

Artikel 3.16 gaat over “van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de ondernemer zelf”. Dat zijn kosten die je wél in je boekhouding ziet, maar die je niet van je winst mag aftrekken. Kort samengevat gaat het om:

  • werkruimte in je eigen woning (thuiswerkplek)
  • telefoonabonnementen in je woning
  • literatuur (behalve echte vakliteratuur)
  • kleding (behalve echte werkkleding)
  • persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, etc.)
  • de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor jezelf
  • reizen en verblijf bij congressen, cursussen, studiereizen (met een plafond en uitzonderingen)
  • vergoedingen aan je partner onder een bepaalde grens
  • loonbelasting en premies volksverzekeringen die over jouw eigen winst zijn ingehouden

Belangrijk: eerst moet een uitgave zakelijk zijn. Pas daarna kijken we of artikel 3.16 zegt: “dit mag tóch niet in aftrek”.


Snel overzicht: wat valt er onder artikel 3.16?

Een beknopt “spiekbriefje” voor ondernemers:

Kostenpost Hoe kijkt de fiscus ernaar? Aftrekbaar?*
Thuiswerkplek / werkruimte in eigen woning Alleen aftrek als de ruimte zelfstandig is (eigen ingang, eigen sanitair) én je er het grootste deel van je inkomen verdient. Vaak niet
Telefoonabonnement in je woning Abonnement zelf niet aftrekbaar; zakelijke gespreks- of mobiele kosten vaak wél. Beperkt
Kranten, tijdschriften, romans Algemeen / privé → niet aftrekbaar. Nee
Vakliteratuur (bijv. specialistisch vakblad) Alleen als het duidelijk bij je beroep past. Ja
Normale kleding (pak, jurk, schoenen) Wordt gezien als privé; ook al draag je het alleen “voor je werk”. Nee
Werkkleding (uniform, veiligheidskleding, kleding met groot logo) Specifiek en niet normaal privé te dragen. Meestal wel
Persoonlijke verzorging (kapper, cosmetica, spa) Privévoordeel staat centraal. Nee
Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw voor jezelf Specifiek uitgesloten van aftrek in de winst. Nee
Reis & verblijf bij cursussen, congressen, studiereizen Aftrek beperkt; in principe max. € 1.500 per jaar per ondernemer, met uitzonderingen. Beperkt
Vergoeding aan meewerkende partner < € 5.000 Niet aftrekbaar bij jou, en ook geen belast loon bij je partner. Nee
Loonbelasting & premies volksverzekeringen over jouw winst Worden al verrekend als voorheffing, daarom geen extra aftrek in de winst. Nee

* Natuurlijk: situatieafhankelijk. Laat het altijd beoordelen.


Thuiswerkplek / werkruimte in je woning

1. De hoofdregel: thuiswerkplek is meestal níet aftrekbaar

Werk je aan de keukentafel, op zolder of in een hoek van de woonkamer? Dan ziet de Belastingdienst dat meestal als onderdeel van je privéwoning. De kosten van de ruimte (huur, hypotheek, energie, inrichting) zijn dan niet aftrekbaar als zakelijke kosten.

2. Wanneer is een werkruimte wél “fiscale werkruimte”?

Een werkruimte in je woning telt pas echt als zakelijke werkruimte als:

  1. De ruimte een zelfstandig deel van de woning vormt (zelfstandigheidscriterium):
    • eigen ingang of opgang
    • eigen sanitair / voorzieningen
    • zó zelfstandig dat je het in theorie aan een derde zou kunnen verhuren als kantoor of praktijkruimte.
  2. Je voldoet aan het inkomenscriterium:
    • grofweg moet het grootste deel (± 70%) van je relevante inkomen in of vanuit die werkruimte worden verdiend.

Wordt aan beide voorwaarden voldaan, dan kan de werkruimte fiscaal als werkruimte worden behandeld en kunnen de kosten (onder voorwaarden) wél in aftrek komen.

3. Extra beperking vanaf 2025

Vanaf 1 januari 2025 is er nog een extra beperking: ook in situaties waarin de woning zelf tot het ondernemingsvermogen behoort, zijn de gebruikelijke “huurderskosten” (gas, water, licht, inrichting, gemeentelijke lasten) voor een niet‑zelfstandige werkruimte niet aftrekbaar. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak.

 

Telefoon, literatuur en kleding

Telefoonabonnement thuis

Artikel 3.16 sluit de abonnementskosten van telefoonaansluitingen in je woning uit van aftrek. Het gaat om het vaste abonnement; de zakelijke gesprekskosten of kosten van een zakelijke mobiele telefoon kunnen vaak wél (gedeeltelijk) in de winst worden opgenomen.

Kort gezegd:

  • Vast thuisabonnement → niet aftrekbaar
  • Zakelijke mobiele telefonie → meestal (gedeeltelijk) wel aftrekbaar

Boeken, kranten en tijdschriften

De wet maakt verschil tussen:

  • Algemene literatuur (kranten, romans, algemene tijdschriften) → hoort bij het privéleven → niet aftrekbaar.
  • Vakliteratuur → boeken en bladen die duidelijk en specifiek bij jouw beroep horen → wel aftrekbaar.

De grens is: lees je het als professional, of vooral als privé-persoon?

Kleding versus werkkleding

Normale kleding, ook een “net pak”, is volgens de Belastingdienst vooral privé. Ook als je zegt: “ik draag dit alleen zakelijk”, maakt dat het nog geen zakelijke kost.

Alleen werkkleding is aftrekbaar. Denk aan:

  • uniformen
  • veiligheidskleding (bijvoorbeeld veiligheidsschoenen, helm)
  • kleding met een duidelijk en permanent bedrijfslogo die je niet normaal privé zou dragen

 

Persoonlijke verzorging en zorgverzekering

Persoonlijke verzorging

Kosten zoals:

  • kapper of barber
  • cosmetica
  • nagelstudio
  • huidverzorging

worden gezien als uitgaven met een overheersend privékarakter. Daarom zijn ze op grond van artikel 3.16 niet aftrekbaar, ook niet als je “representatief” wilt zijn voor klanten.

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw)

De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die je voor jezelf betaalt, mag je niet als ondernemingskosten aftrekken. Die bijdrage wordt in artikel 3.16 specifiek uitgezonderd.

Let op: als je als ondernemer ook werkgever bent, is de werkgeversheffing over het loon van je werknemers wél gewoon aftrekbaar van de winst.

 

Reizen en verblijf voor congressen, cursussen en opleidingen

Volg je als ondernemer congressen, seminars, studiereizen of cursussen? Dan geldt voor reis- en verblijfkosten een speciale beperking:

  • in principe is de aftrek per jaar gemaximeerd op € 1.500
  • gaat het bedrag daarboven? Dan is het meerdere alleen aftrekbaar als je aannemelijk maakt dat jouw werk zó is dat deelname noodzakelijk is (bijvoorbeeld een specialist die alleen in het buitenland relevante congressen kan volgen).

De cursuskosten zelf (bijscholing, op peil houden van bestaande vakkennis) kunnen, als ze zakelijk zijn, wél tot de normale ondernemingskosten horen. De wet en rechtspraak maken daarbij onderscheid tussen:

  • bijhouden van bestaande vakkennis → kan ondernemingskost zijn
  • vergroten / verbreden van vakkennis (nieuwe richting) → sneller privé of in een andere fiscale regeling

 

Meewerkende partner en voorheffingen

Vergoeding aan partner tot € 5.000

Betaal je je partner een vergoeding voor meewerken in de onderneming die lager is dan € 5.000 per jaar, dan zegt artikel 3.16:

  • die vergoeding is bij jou niet aftrekbaar;
  • en bij je partner niet belast als loon of resultaat.

De regeling is vooral bedoeld om discussies over kleine “partnervergoedingen” te voorkomen.

Let op: deze regeling hangt samen met de meewerkaftrek – daar moet vaak goed naar gekeken worden in de aangifte.

Loonbelasting en premies volksverzekeringen

Loonbelasting en premies volksverzekeringen die al als voorheffing op jouw inkomsten in box 1 zijn ingehouden, worden via de aanslag inkomstenbelasting verrekend. Daarom mag je die bedragen niet óók nog als kosten in de winst aftrekken.

 

Veelgemaakte fouten door ondernemers

Een paar klassiekers die we bij Taxcount vaak zien:

  • Thuiswerkplek afschrijven terwijl die niet zelfstandig is
    → bijvoorbeeld een bureau op zolder zonder eigen ingang en sanitair.
  • Thuisabonnement en internet volledig als kosten boeken
    → terwijl er een groot privégebruik is en het abonnement zelf onder artikel 3.16 kan vallen.
  • Alle kleding als werkkleding opvoeren
    → een blauw pak is voor de fiscus geen werkkleding, hoe zakelijk je het ook vindt.
  • Cursusreis als “volledige zakelijke trip” boeken
    → terwijl er duidelijk ook een vakantie-element in zit; dan grijpt artikel 3.16 in.
  • Partner een kleine vergoeding betalen en volledig als loon aftrekken
    → vergoedingen onder € 5.000 vallen onder de aftrekbeperking.

 

Hoe helpt Taxcount.nl jou met artikel 3.16?

De regels van artikel 3.16 zijn technisch, maar de gevolgen zijn heel concreet:

  • foutieve aftrek → risico op correcties, naheffingen en boetes
  • gemiste mogelijkheden → onnodig hoge belastingdruk

Bij Taxcount helpen we je om:

  • te bepalen welke kosten écht zakelijk aftrekbaar zijn
  • slim om te gaan met werkruimte, opleidingen en reiskosten
  • vergoedingen aan partner en andere gezinsleden juist vorm te geven
  • je administratie zó in te richten dat je goed voorbereid bent bij een controle

 

Hulp nodig bij niet‑aftrekbare kosten?

Twijfel je of bepaalde kosten onder artikel 3.16 vallen?
Stuur ons je situatie, of plan direct een afspraak via ons contactpagina.

Wij vertalen de fiscale regels naar duidelijke keuzes voor jouw onderneming, zodat jij zeker weet dat je foutloos én optimaal gebruikmaakt van de aftrek die wél mag.

Aftrekbeperking voor representatie- en gemengde kosten

Aftrekbeperking voor representatie- en gemengde kosten

 

Wat regelt artikel 3:15 IB 2001?

Artikel 3:15 Wet Inkomstenbelasting 2001 beperkt de aftrekbaarheid van kosten die zowel een zakelijk als een privékarakter hebben. Denk aan lunches, representatie, congressen en studiereizen. De regeling waarborgt dat ondernemers geen volledige aftrek krijgen voor uitgaven die mede een privévoordeel opleveren.

Waarom bestaat de aftrekbeperking?

1. Aftrekbeperking van gemengde kosten

Kosten die zowel zakelijk als privé zijn zoals maaltijden, drank, relatiegeschenken, recepties en entertainment mogen niet volledig worden afgetrokken. De beperking voorkomt dat privévoordelen fiscaal worden gesubsidieerd.

Zie link naar de website van de Belastingdienst waarin dit is verduidelijkt: Overzicht mogelijk aftrekbare zakelijke kosten | Belastingdienst

2. Eenvoud en voorspelbaarheid

De wet biedt ondernemers twee vaste aftrekmethodes:

  • een drempelbedrag van € 5.700, of
  • een aftrek van 80% van de kosten.

Dit maakt de regeling helder, controleerbaar en minder vatbaar voor discussie met de Belastingdienst.

3. Voorkomen van excessieve representatiekosten

Hoewel zakelijke representatie wordt erkend, voorkomt de aftrekbeperking dat buitensporige luxe-uitgaven volledig aftrekbaar zijn. De fiscus bewaakt hiermee proportionaliteit en integriteit.

Voor wie geldt de aftrekbeperking?

Ondernemers en rechtspersonen

De regeling geldt voor:

  • ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, VOF, maatschap, CV);
  • vennootschappen in de vennootschapsbelasting (BV, NV).

Kosten die onder de aftrekbeperking vallen

De aftrekbeperking ziet specifiek op:

  • voedsel, drank, genotmiddelen;
  • representatie (recepties, feesten, evenementen);
  • congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen.

Voorwaarden

  • Kosten moeten primair zakelijk zijn.
  • Kosten die uitsluitend privé zijn, zijn nooit aftrekbaar.

Voorbeelden

  • Zakelijke lunch met collega’s → aftrekbeperking toepassen.
  • Privé-etentje → volledig niet-aftrekbaar; art. 3:15 niet relevant.

Hoe bereken je de aftrek?

Aftrekmethodes volgens artikel 3:15

1. Drempelmethode (€ 5.700)

Eerst wordt € 5.700 van de totale kosten afgetrokken. Alleen het meerdere is aftrekbaar.

2. 80%-methode

Je mag 80% van de totale kosten in aftrek brengen.

Vuistregel:

  • Tot ca. € 28.500 kosten is de 80%-methode gunstiger.
  • Daarboven is de drempelmethode meestal voordeliger.

Let op: De keuze leg je vast in de aangifte en kan niet achteraf worden gewijzigd.

Specifieke bepalingen binnen artikel 3:15

A. Privéauto of privé gehuurd vervoermiddel 

Bij representatiekosten in het kader van een privéauto geldt een dubbele beperking:

  1. Kilometerplafond: maximaal aftrekbaar is
    zakelijke kilometers × € 0,23.
  2. Aftrekbeperking lid 1: binnen het plafond kies je weer tussen de drempelmethode of 80%-methode.

Voorbeeld:

  • 10.000 zakelijke km → plafond: € 2.300
  • Representatiekosten: € 1.500
  • 80%-methode → € 1.200 aftrek
  • Maximaal aftrekbaar blijft € 2.300

Doel: voorkomen van dubbele aftrek (auto + representatie).

 

B. Werknemerskosten 

Er geldt een onderscheid tussen belast en onbelast loon voor werknemers; deze kunnen namelijk ook vallen onder de aftrekbeperking:

  • Belast als loon → volledige aftrek, geen aftrekbeperking.
  • Onbelast of binnen werkkostenregeling (WKR) → aftrekbeperking artikel 3:15 wél van toepassing.

Doel: voorkomen van dubbele fiscale voordelen.

C. Vennootschapsbelasting en fiscale eenheid 

Bij rechtspersonen (BV, NV):

  • Aftrekbeperking geldt per vennootschap,
  • tenzij sprake is van een fiscale eenheid: dan worden de kosten samengenomen en wordt de aftrek slechts één keer beperkt.

Voorbeeld:

  • BV1: € 30.000 kosten
  • BV2: € 20.000 kosten
  • Binnen fiscale eenheid → totale kosten € 50.000, één keer drempel toepassen.

 

Conclusie: artikel 3:15 IB als hulpmiddel voor beheerste fiscale aftrek

Artikel 3:15 Wet IB biedt een evenwichtige en duidelijke regeling voor gemengde kosten. De regeling combineert:

  • vaste drempels en percentages;
  • specifieke anti-misbruikbepalingen;
  • consistente toepassing voor ondernemers én rechtspersonen.

Voor ondernemers helpt deze bepaling om representatie-uitgaven fiscaal verantwoord en beheerst in aftrek te brengen, zonder te vervallen in privévoordelen.

Wil je jouw representatiekosten fiscaal optimaal toepassen?

Ik help ondernemers en bedrijven met:

  • beoordeling van representatiekosten onder art. 3:15;
  • keuze tussen de 80%-methode of drempelmethode;
  • optimalisatie voor IB en Vpb;
  • toepassing binnen fiscale eenheden;
  • voorkomen van fouten en discussies met de Belastingdienst.

Aanloopkosten fiscaal aftrekken als startende ondernemer

Starten met een onderneming? Zo benut je fiscale aanloopkosten optimaal

Artikel 3:10 Wet IB 2001 biedt startende ondernemers de mogelijkheid om zakelijke kosten die al vóór de officiële start zijn gemaakt, fiscaal af te trekken. Dit verlaagt de winst in het eerste ondernemersjaar en opent mogelijkheden voor verliesverrekening. Een krachtige regeling die direct invloed heeft op je liquiditeit en belastingdruk.

Wat zijn aanloopkosten volgens artikel 3:10 Wet IB 2001?

Aanloopkosten zijn zakelijke uitgaven die je maakt tijdens de voorbereidingsfase van je onderneming, binnen de vijf jaren vóór het eerste ondernemersjaar. Denk aan kosten voor onderzoek, advies of de inrichting van je toekomstige werkplek.

Voorbeelden van aftrekbare aanloopkosten

  • Marktonderzoek en analyses
  • Advies van accountant, fiscalist, jurist of consultant
  • Reiskosten voor oriënterende gesprekken
  • Huur en inrichting van een werkruimte
  • Software en licenties ter voorbereiding op de bedrijfsvoering

Belangrijk: deze regeling geldt voor ondernemers in box 1, niet voor medegerechtigden zoals vennoten van een VOF of CV.

 

Voorwaarden voor aftrek van aanloopkosten

Om de aftrek succesvol te kunnen toepassen, moeten de uitgaven voldoen aan een aantal wettelijke criteria.

1. Zakelijk en causaal verband

De kosten moeten aantoonbaar gericht zijn op het opzetten van de onderneming.

2. Per saldo resterend bedrag

Opbrengsten in dezelfde periode worden eerst met de gemaakte kosten gesaldeerd.

3. Moment van prestatie telt

Het jaar van de dienst of levering bepaalt wanneer de kosten fiscaal meetellen.

4. Vijfjaarsgrens

Alleen kosten binnen de vijf jaar vóór de start tellen mee.

5. Controleerbare administratie

De Belastingdienst moet de aftrek kunnen toetsen; correcte vastlegging is verplicht.

6. Geen rente of voorzieningen

Alleen daadwerkelijke kosten mogen worden meegenomen.

 

Hoe werkt het ‘per saldo resterend’-principe?

Het aftrekbare bedrag wordt berekend door kosten te verminderen met eventuele opbrengsten in dezelfde periode.

Voorbeeld:

  • Aanloopkosten 2020–2024: € 8.000
  • Opbrengsten nevenactiviteiten: € 2.000
  • Aftrekbaar in 2025: € 6.000

Verliesverrekening: direct én toekomstig belastingvoordeel

Een negatief resultaat in het eerste jaar door aftrek van aanloopkosten kan worden verrekend:

Carry back (3 jaar terug)

Je ontvangt belasting terug over eerdere jaren.

Carry forward (9 jaar vooruit)

Niet verrekende verliezen mag je meenemen naar toekomstige jaren, vaak fiscaal aantrekkelijker.

Rekenvoorbeeld:

  • Winst 2025 vóór aftrek: € 20.000
  • Aanloopkosten: € 30.000
  • Fiscaal resultaat: – € 10.000
  • Carry back naar 2023 → teruggave: € 2.960
  • Carry forward naar 2026 → belastingbesparing: € 4.950

Praktijkvoorbeelden van aftrekbare aanloopkosten

  • Training geboekt in 2024, gevolgd in 2025
  • Adviestraject gestart in 2024, uitgevoerd in 2025
  • Software gekocht in 2024, gebruikt vanaf 2025
  • Marketingcampagne besteld in 2024, live bij start in 2025
  • Huur of kantoorinrichting voorafgaand aan opening

Kernvragen voor ondernemers:

  • Zijn de kosten zakelijk?
  • Zijn eventuele opbrengsten gesaldeerd?
  • Vallen de uitgaven binnen de vijfjaarsperiode?
  • Is de onderneming feitelijk gestart?
  • Is de bewijsvoering overtuigend en compleet?

Conclusie: benut aanloopkosten voor een sterke fiscale start

Artikel 3:10 Wet IB biedt starters een waardevol instrument om hun onderneming fiscaal optimaal te lanceren. Door aanloopkosten slim toe te passen, kun je:

  • de winst in het eerste jaar verlagen;
  • verliesverrekening optimaal benutten;
  • de liquiditeit verbeteren;
  • fiscale risico’s beperken door juiste documentatie en toepassing.

Een doordachte inzet van deze regeling zorgt voor directe én toekomstige belastingvoordelen.

 

Van Eenmanszaak naar BV: Wanneer is het Tijd voor de Overstap?

Uw eenmanszaak groeit en de winst stijgt. Een fantastische prestatie! Met die groei komt onvermijdelijk de vraag: is het tijd om de overstap te maken naar een Besloten Vennootschap (BV)? Deze beslissing hangt af van twee cruciale factoren: de fiscale voordelen en de beperking van uw persoonlijke aansprakelijkheid. In dit artikel leggen we uit wanneer de BV de slimmere keuze wordt.

Het Fiscale Omslagpunt: De €100.000-Vuistregel

Fiscaal gezien is er een omslagpunt waarop de belastingdruk in een BV lager wordt dan in een eenmanszaak. Als algemene vuistregel wordt vaak een winst van circa €100.000 per jaar gehanteerd.

  • Onder de €100.000: De eenmanszaak is meestal voordeliger. U profiteert van waardevolle aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, die uw belastbaar inkomen aanzienlijk verlagen.
  • Boven de €100.000: De BV wordt vaak aantrekkelijker. De ondernemersaftrekposten vervallen, maar u profiteert van een lager vennootschapsbelastingtarief op de winst die in de BV achterblijft.

Het is echter cruciaal om te begrijpen dat dit een vuistregel is. De hoogte van uw DGA-salaris (het loon dat u uzelf uitkeert vanuit de BV) heeft een enorme invloed. Een hoger salaris wordt zwaarder belast in de inkomstenbelasting (Box 1), waardoor het fiscale voordeel van de BV pas bij een hogere winst wordt bereikt.

Het Voordeel van Beperkte Aansprakelijkheid

Misschien wel het belangrijkste voordeel van een BV is de juridische bescherming van uw privévermogen.

  • In een eenmanszaak bent u en uw bedrijf juridisch gezien één. Als uw bedrijf schulden maakt of een schadeclaim krijgt, bent u met uw volledige privévermogen aansprakelijk. Uw spaargeld, uw auto en zelfs uw huis kunnen in gevaar komen.
  • In een BV is er een strikte scheiding. De BV is een aparte rechtspersoon. Schulden en claims zijn in principe van de BV, niet van u persoonlijk. Uw privévermogen is veilig.

Een praktisch voorbeeld: Stel, u levert een product en een klant stelt u aansprakelijk voor €50.000 schade.

  • Met een eenmanszaak: Als de rechter de klant gelijk geeft, kan er beslag worden gelegd op uw privé-bankrekening en woning.
  • Met een BV: De claim is gericht aan de BV. Alleen het vermogen binnen de BV kan worden aangesproken. Uw privébezittingen blijven buiten schot.

Let op: Deze bescherming is niet absoluut. Bij ‘onbehoorlijk bestuur’, zoals fraude of het bewust aangaan van verplichtingen die de BV niet kan nakomen, kunt u als bestuurder alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Conclusie en Advies

De overstap van een eenmanszaak naar een BV is een strategische beslissing die verder gaat dan alleen de winstcijfers. Het is een afweging tussen fiscale optimalisatie en het afdekken van persoonlijke risico’s. De €100.000-grens is een nuttige indicator, maar het werkelijke omslagpunt is afhankelijk van uw specifieke situatie, uw salariswensen en uw risicobereidheid.

De juiste keuze is maatwerk en kan u op de lange termijn duizenden euro’s en veel kopzorgen besparen. Wilt u een heldere berekening die is toegespitst op uw onderneming? Neem contact met ons op. Wij analyseren uw situatie en adviseren u over de meest voordelige en veilige route voor uw toekomst.

Schijnzelfstandigheid: De Risico’s voor Opdrachtgevers en ZZP’ers vanaf 2025

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) zorgt al jaren voor onzekerheid. De centrale vraag – wanneer is een zzp’er een echte ondernemer en wanneer is er sprake van een verkapte dienstbetrekking? – is voor velen een grijs gebied. De tijd van vrijblijvendheid is echter voorbij. Sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst beëindigd. Dit betekent dat de fiscus niet langer volstaat met een waarschuwing, maar direct kan ingrijpen met forse financiële gevolgen voor zowel opdrachtgevers als zzp’ers.

De Gevolgen: Waarom Dit Nu Belangrijk Is

Het beëindigen van het moratorium betekent dat de Belastingdienst bij het constateren van schijnzelfstandigheid direct naheffingsaanslagen en correctieverplichtingen kan opleggen.

  • Voor de opdrachtgever: U wordt met terugwerkende kracht als werkgever gezien. Dit betekent dat u alsnog loonbelasting, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) moet afdragen over de betaalde vergoedingen. Dit kan oplopen tot duizenden euro’s per ingehuurde ‘zzp’er’.
  • Voor de zzp’er: De gevolgen zijn eveneens pijnlijk. De Belastingdienst kan oordelen dat u geen recht had op de ondernemersfaciliteiten. Dit betekent dat de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling worden teruggedraaid. Een winstgevend jaar kan hierdoor fiscaal veranderen in een financiële strop.

De Beoordeling: De Criteria van de Belastingdienst

De Belastingdienst kijkt niet naar één enkel kenmerk, maar naar het totaalplaatje van de feitelijke samenwerking. Een KvK-nummer en een factuur zijn niet voldoende. De volgende elementen zijn cruciaal:

  • Gezagsverhouding: Wie heeft de leiding en het toezicht? Als een opdrachtgever precies bepaalt hoe, waar en wanneer het werk wordt uitgevoerd, duidt dit sterk op een dienstverband.
    • Voorbeeld: Een aannemer die een ‘ingehuurde’ timmerman elke ochtend vertelt welke specifieke taken hij die dag moet doen, met welk gereedschap en tijdens welke werktijden, oefent een gezagsverhouding uit. Dit is anders dan een timmerman die de opdracht krijgt om een dakkapel te plaatsen voor een vaste prijs en zelf bepaalt hoe en wanneer hij dit doet, zolang het maar voor de afgesproken deadline af is.
  • Zelfstandigheid en Aantal Opdrachtgevers: Een echte ondernemer is onafhankelijk en werkt doorgaans voor meerdere klanten.
    • Voorbeeld: Een tekstschrijver die een jaar lang 40 uur per week voor één enkele uitgeverij werkt, loopt een groot risico. Een tekstschrijver die in datzelfde jaar voor tien verschillende bedrijven opdrachten uitvoert, toont zelfstandigheid.
  • Ondernemersrisico: Loopt de zzp’er financieel risico? Dit is een kernmerk van ondernemerschap.
    • Voorbeeld: Een IT-consultant die per uur betaald krijgt, ongeacht het resultaat, loopt weinig risico. Een IT-consultant die een project aanneemt voor een vaste prijs en zelf verantwoordelijk is voor eventuele meerkosten, loopt wél ondernemersrisico.
  • Presentatie naar Buiten: Gedraagt de zzp’er zich als een ondernemer? Actieve acquisitie en een eigen professionele uitstraling zijn hierbij van belang.
    • Voorbeeld: Een ‘zzp’er’ die geen website, LinkedIn-profiel of visitekaartjes heeft en volledig afhankelijk is van één bemiddelingsbureau, versus een zzp’er met een eigen merk, website en een actief netwerk.
  • Continuïteit en Omvang: Gaat het om een eenmalige klus of een structurele, langdurige samenwerking?
    • Voorbeeld: Een grafisch ontwerper die eenmalig een logo ontwerpt, is duidelijk een opdracht. Als diezelfde ontwerper vervolgens twee jaar lang elke maandag vast op kantoor zit voor allerlei ontwerpklussen, kan de relatie als een dienstverband worden gezien.

Conclusie en Advies

De beëindiging van het handhavingsmoratorium dwingt opdrachtgevers en zzp’ers om hun samenwerkingen kritisch tegen het licht te houden. De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden is doorslaggevend. Het is daarom essentieel om de afspraken helder vast te leggen in een goede overeenkomst van opdracht en de relatie periodiek te toetsen.

Twijfelt u over de kwalificatie van een arbeidsrelatie of wilt u uw huidige contracten laten controleren? Neem contact op met ons. Wij helpen u de risico’s in kaart te brengen en de samenwerking op een fiscaal correcte en veilige manier vorm te geven, zodat u zich kunt richten op waar u goed in bent: ondernemen.

Bespaar Duizenden Euro’s: Vorm een VOF met uw Partner

Heeft u een succesvolle eenmanszaak waarin uw partner volop meewerkt? Dan laat u mogelijk duizenden euro’s aan belastingvoordeel liggen. Hoewel de meewerkaftrek een optie is, is het vaak fiscaal veel aantrekkelijker om samen een Vennootschap onder Firma (VOF) te starten. In dit artikel leggen we uit waarom deze strategische keuze uw gezamenlijke belastingdruk drastisch kan verlagen.

Het fiscale voordeel van een VOF met uw partner is tweeledig:

  1. Winstsplitsing: De totale winst wordt verdeeld over twee personen. Hierdoor valt ieders inkomen in een lager belastingtarief en wordt de impact van heffingskortingen veel groter.
  2. Dubbele fiscale faciliteiten: Als beide partners voldoen aan de voorwaarden (met name het urencriterium), kunnen jullie allebei profiteren van de belangrijkste fiscale voordelen. Denk hierbij aan:
    • De Zelfstandigenaftrek
    • De MKB-winstvrijstelling
    • De Algemene heffingskorting en Arbeidskorting

In feite creëert u twee keer een lage belastingdruk over het eerste deel van de winst, in plaats van één keer een hoge belastingdruk over de totale winst.

Laten we het verschil illustreren met een vereenvoudigde berekening.

Situatie 1: Eenmanszaak met €60.000 winst
Als eigenaar van de eenmanszaak wordt de volledige €60.000 winst aan u toegerekend. Na aftrek van de ondernemersfaciliteiten betaalt u over het resterende bedrag inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Totale belastingdruk (schatting): circa €14.000

Situatie 2: VOF met uw partner (50/50 verdeling)
De winst van €60.000 wordt verdeeld. U en uw partner hebben nu beiden een winstaandeel van €30.000. Omdat u allebei als ondernemer wordt gezien, past u beiden de ondernemersfaciliteiten toe op uw eigen winstdeel.

  • Winst per partner: €30.000
  • Belastingdruk per partner (schatting): circa €1.200
  • Totale belastingdruk (gezamenlijk): circa €2.400

Door de overstap naar een VOF bespaart u in dit voorbeeld ruim €11.500 aan belasting per jaar.

Belangrijke Voorwaarden

Dit enorme voordeel is niet vanzelfsprekend. De belangrijkste voorwaarde is dat uw partner ook daadwerkelijk als ondernemer kan worden gezien. Dit betekent dat hij of zij een substantiële bijdrage levert en voldoet aan de eisen van de Belastingdienst, waaronder het urencriterium van 1.225 uur per jaar om recht te hebben op de zelfstandigenaftrek.

Conclusie en Advies

Werkt uw partner intensief mee in uw onderneming? Dan is de kans groot dat een VOF-structuur u een aanzienlijk belastingvoordeel oplevert. De overstap is echter een strategische beslissing die zorgvuldigheid vereist, bijvoorbeeld bij het opstellen van een goed VOF-contract.

Bent u benieuwd of een VOF met uw partner voor u de juiste stap is? Neem contact met ons op. Wij maken graag een persoonlijke berekening en adviseren u over de optimale fiscale structuur voor uw situatie.

Vastgoed in de BV of Privé? De Fiscale Afweging  

U overweegt te investeren in vastgoed, of u bezit al een of meerdere panden. Dan staat u voor een cruciale keuze met grote financiële gevolgen: houdt u het vastgoed in privé (Box 3) of brengt u het onder in een besloten vennootschap (BV)? Wat vroeger de standaardkeuze was, is vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend. In dit artikel zetten we de voor- en nadelen van beide structuren helder op een rij.

De manier waarop de Belastingdienst uw vastgoed belast, verschilt fundamenteel tussen de twee structuren. Het is essentieel om deze verschillen te begrijpen.

Vastgoed in Privé (Box 3)

Wanneer u een pand privé bezit, valt dit in Box 3. De belastingheffing is hier gebaseerd op een fictief rendement over de WOZ-waarde van het pand, minus de eventuele schuld. Uw werkelijke huurinkomsten zijn dus niet direct van belang. Een groot nadeel is dat kosten zoals onderhoud, rente en VvE-bijdragen niet aftrekbaar zijn. Het grote voordeel is echter dat een eventuele waardestijging bij verkoop volledig onbelast is. U betaalt dus één enkele heffing in Box 3 over de waarde van uw bezit.

Vastgoed in de BV

In de BV werkt het compleet anders. Hier wordt de werkelijke winst belast. Dit is het totaal van uw huurinkomsten minus alle zakelijke kosten. Alle kosten die u maakt, zoals onderhoud, afschrijvingen en rente, zijn dus volledig aftrekbaar. Dit verlaagt uw belastbare winst. Een eventuele winst bij verkoop van het pand is echter wel volledig belast met vennootschapsbelasting. Tot slot is er sprake van een dubbele heffing: de BV betaalt eerst vennootschapsbelasting (VPB) over de winst, en als u de resterende winst naar uw privérekening wilt halen, betaalt u daarover nog eens inkomstenbelasting in Box 2.

De Grote Valstrik: De Grens Tussen Box 3 en Box 1

Een belangrijk risico bij privé-investeringen is de “Box 1 valstrik”. Als de Belastingdienst oordeelt dat u meer doet dan alleen passief beleggen, worden uw inkomsten niet in Box 3, maar in het veel hogere Box 1-tarief (tot 49,5%) belast. Dit gebeurt als u zich te actief met het vastgoed bezighoudt. Denk aan:

– Zelf intensief renoveren en verbouwen.

– Actief en veelvuldig panden aan- en verkopen (flippen).

– Zelf alle administratie, marketing en het huurderscontact doen voor een groot aantal panden.

Is er sprake van “meer dan normaal vermogensbeheer”? Dan is de BV vrijwel altijd de fiscaal betere keuze.

Het Omslagpunt: Wanneer is de BV Beter?

De keuze tussen privé en de BV hangt af van uw rendement. Er is geen magisch omslagpunt, maar de volgende vuistregels helpen:

  1. Uw werkelijke rendement hoog is. De belasting over uw werkelijke winst in de BV is dan vaak lager dan de hoge, fictieve belasting in Box 3.
  2. U veel kosten maakt. Denk aan onderhoud, rente of beheerkosten. In de BV kunt u deze kosten aftrekken, wat de belastbare winst verlaagt.
  3. U van plan bent de winst te herinvesteren. In de BV kunt u de winst (na vennootschapsbelasting) direct gebruiken voor een nieuwe aankoop. Privé moet u eerst de Box 3-heffing betalen over het vermogen.

Vooruitkijken naar 2028: De Strategische Keuze

Het huidige Box 3-stelsel met een fictief rendement wordt op zijn vroegst in 2028 vervangen door een systeem dat het werkelijke rendement belast. Dit betekent dat dan ook in privé de huurinkomsten en de waardestijging belast zullen worden.

Veel investeerders anticiperen hier nu al op door hun vastgoed in een BV onder te brengen. Waarom? Een pand later van privé naar een BV overdragen is een dure transactie. U betaalt dan overdrachtsbelasting (momenteel 10,4%) over de waarde van het pand. Door nu al de juiste structuur te kiezen, voorkomt u deze hoge kosten in de toekomst.

Conclusie: Wat is Beter, BV of Privé?

  • Privé (Box 3) is administratief eenvoudiger en de verkoopwinst is onbelast. Het is vooral geschikt voor passieve beleggers met een beperkt rendement en weinig kosten.
  • De BV is fiscaal aantrekkelijker bij een hoog rendement, veel kosten, of als u van plan bent te herinvesteren. Het is de standaardkeuze voor de actievere vastgoedbelegger.

De juiste keuze is maatwerk en kan u jaarlijks duizenden euro’s aan belasting besparen. Laat uw persoonlijke situatie daarom altijd doorrekenen. Neem contact met ons op voor een helder advies en een berekening die is toegespitst op uw plannen.

Ondernemer of resultaatgenieter: Het verschil dat u duizenden euro’s kan opleveren

U start met uw eigen werkzaamheden. U stuurt uw eerste facturen en de zaken beginnen te lopen. Dan komt de onvermijdelijke vraag van de Belastingdienst: bent u voor de inkomstenbelasting een ‘ondernemer’ of een ‘resultaatgenieter’? Het antwoord op deze vraag heeft grote financiële gevolgen. Het bepaalt namelijk of u recht heeft op duizenden euro’s aan extra belastingvoordeel. In dit artikel leggen we het verschil helder uit.

Hoewel de grens soms dun is, kunt u het verschil grofweg zo zien:

  • Winst uit Onderneming (WUO): U runt een echt bedrijf. U investeert, loopt risico, maakt reclame en bent actief op zoek naar nieuwe klanten.
  • Resultaat uit Overige Werkzaamheden (ROW): U heeft een serieuze bijverdienste. U verricht betaalde werkzaamheden, maar er is geen sprake van een volwaardige, duurzame onderneming. Denk aan een eenmalige freelance klus of het geven van een paar lezingen per jaar.

De Belastingdienst kijkt altijd eerst of u ondernemer bent. Pas als dat niet het geval is, worden uw inkomsten gezien als resultaat uit overige werkzaamheden.

De Belastingdienst gebruikt geen harde regels, maar kijkt naar het totaalplaatje. Om te bepalen of u ondernemer bent, stellen ze zichzelf (en u) de volgende vragen:

  • Zelfstandigheid: Hoeveel opdrachtgevers heeft u? Als u maar één of twee opdrachtgevers heeft, lijkt het meer op een verkapte dienstbetrekking.
  • Ondernemersrisico: Loopt u financieel risico? Bijvoorbeeld als een klant niet betaalt of als u moet investeren in bedrijfsmiddelen.
  • Continuïteit: Hoeveel tijd besteedt u aan uw werkzaamheden? Is het een doorlopende activiteit?
  • Omvang: Hoeveel omzet maakt u? Een hogere omzet wijst eerder op een onderneming.
  • Presentatie: Maakt u reclame? Heeft u een eigen website, briefpapier of visitekaartjes?

Hoe vaker u ‘ja’ kunt antwoorden op deze vragen, hoe groter de kans dat u als ondernemer wordt gezien.

Rekenvoorbeeld

Het belangrijkste verschil zit in de portemonnee. Een ondernemer heeft recht op de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Een resultaatgenieter niet. Laten we dit met een voorbeeld illustreren.

De situatie: U heeft €40.000 aan inkomsten en €5.000 aan zakelijke kosten.

Scenario A: U bent resultaatgenieter

  • Bruto resultaat: €40.000 – €5.000 = €35.000
  • Belastbaar inkomen: €35.000

Scenario B: U bent ondernemer (en voldoet aan het urencriterium)

  • Winst voor aftrekposten: €40.000 – €5.000 = €35.000
  • Zelfstandigenaftrek 2025: – €2.470
  • Winst na zelfstandigenaftrek: €32.530
  • MKB-winstvrijstelling (12,7% van €32.530): – €4.131
  • Belastbaar inkomen: €28.399

De conclusie: Als ondernemer is uw belastbare inkomen in dit voorbeeld ruim €6.600 lager. Dit leidt direct tot een aanzienlijk lagere belastingaanslag en mogelijk recht op hogere toeslagen.

Praktische Gevolgen

Tegenover het belastingvoordeel staan iets zwaardere administratieve verplichtingen voor de ondernemer:

  • Administratie: Een ondernemer moet een volledige boekhouding voeren en vaak een jaarrekening opstellen. Voor een resultaatgenieter volstaan overzichten van inkomsten en uitgaven.
  • Urencriterium: Om recht te hebben op de ondernemersaftrek, moet u een urenregistratie bijhouden en aannemelijk maken dat u minimaal 1.225 uur per jaar aan uw onderneming besteedt.

Conclusie en Advies

De kwalificatie ‘ondernemer voor de inkomstenbelasting’ is zeer waardevol, maar u moet deze status wel verdienen in de ogen van de Belastingdienst. De grens tussen winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden is niet altijd even duidelijk.

Twijfelt u over uw situatie of wilt u zeker weten dat u alle fiscale voordelen benut? Laat uw situatie dan door ons beoordelen. Wij helpen u de juiste kwalificatie te bepalen en zorgen ervoor dat uw aangifte correct en zo voordelig mogelijk wordt ingediend.