Belastingheffing voor internationaal opererende artiesten

De internationale artiestenregeling uitgelegd

Buitenlandse artiesten en sporters reizen vaak van land naar land en treden soms maar één avond op. Juist daarom gelden voor hen speciale belastingregels. Het uitgangspunt is simpel:

  • Het land waar het optreden plaatsvindt mag belasting heffen.

  • Het woonland van de artiest moet dubbele belasting voorkomen (meestal door verrekening).

Daarna komt de vraag: hoe regelt Nederland dit in de praktijk? In Nederland gebeurt dit vooral via inhouding van loonbelasting door de Nederlandse opdrachtgever/organisator.

1. Het internationale vertrekpunt: artikel 17 OESO-modelverdrag

In de meeste belastingverdragen (ook die van Nederland) staat een speciale bepaling voor artiesten en sporters: artikel 17 van het OESO-modelverdrag.

Wat betekent dat?

Als een artiest fysiek optreedt in Nederland, dan mag Nederland belasting heffen over de vergoeding die daarmee samenhangt.

Belangrijk: artikel 17 werkt “strenger” dan de normale regels voor arbeid of ondernemerschap:

  • er is geen 183-dagenregel zoals bij werknemers;

  • er hoeft geen dienstverband te zijn;

  • er is geen vaste inrichting nodig zoals bij ondernemers.

Kortom: één optreden in Nederland kan al genoeg zijn voor Nederlandse heffing.

2. Ook als het geld via een BV of management loopt: artikel 17 lid 2

Soms laat een artiest zich niet rechtstreeks betalen, maar via bijvoorbeeld:

  • een persoonlijke BV,

  • een management- of productiemaatschappij,

  • een tussenpersoon.

Artikel 17 lid 2 zorgt ervoor dat Nederland tóch mag heffen als de betaling uiteindelijk economisch “voor de artiest” is en duidelijk samenhangt met het optreden.

3. Waarom ontstaat er vaak dubbele belasting?

Veel landen belasten hun inwoners over het wereldinkomen. Dus:

  • Nederland heft, omdat het optreden hier plaatsvindt,

  • het woonland heft ook, omdat de artiest daar woont.

Zonder oplossing zou dat leiden tot dubbele belasting.

4. Oplossing: artikel 23 OESO-modelverdrag (verrekening)

Daarom staat in belastingverdragen vrijwel altijd een bepaling zoals artikel 23: het woonland moet dubbele belasting voorkomen.

Meestal gebeurt dat via verrekening:

  • het woonland belast het inkomen wel,

  • maar trekt de in Nederland betaalde belasting af (tot maximaal het woonlandbedrag over datzelfde inkomen).

Praktisch gevolg: als Nederland 20% inhoudt, kan die heffing in het woonland vaak (deels) worden verrekend.

5. Hoe voert Nederland dit uit? Via de loonbelasting

Belastingverdragen zeggen alleen: “Nederland mág heffen.”
De uitvoering gebeurt via Nederlandse wetgeving: Wet op de loonbelasting 1964.

Nederland kiest bewust voor een bronheffing (inhouding bij betaling), omdat:

  • artiesten vaak kort in Nederland zijn,

  • en je anders lastig kunt innen.

 

6. Wie moet inhouden? (artikel 5 Wet LB)

De hoofdregel is praktisch:
degene die betaalt, moet loonbelasting inhouden en afdragen.

In de praktijk is dat meestal:

  • de Nederlandse organisator,

  • de Nederlandse opdrachtgever,

  • het podium/festival/production company die de vergoeding uitbetaalt.

Dit is bewust zo ingericht: de Belastingdienst kan de heffing dan beter controleren.

7. De kern van de Nederlandse artiestenregeling: artikel 35a Wet LB

Artikel 35a Wet LB bepaalt dat Nederland loonbelasting moet inhouden op vergoedingen aan buitenlandse artiesten voor optredens in Nederland.

Belangrijk: het maakt niet uit of de artiest werkt als:

  • werknemer,

  • zelfstandige,

  • via managementstructuur of BV.

De trigger blijft: optreden in Nederland = Nederland mag heffen.

8. Waarom wordt de vergoeding “loon” genoemd? (artikel 34 Wet LB)

Om discussie te voorkomen of iets “loon” of “winst” is, bepaalt artikel 34 Wet LB dat deze vergoedingen voor de loonbelasting als loon worden aangemerkt.

Daardoor kan Nederland eenvoudig inhouden en afdragen.

9. Hoeveel houdt Nederland in? (20% bronheffing)

In de praktijk geldt voor de buitenlandse artiestenregeling een vast inhoudingspercentage van 20% over de bruto vergoeding.

Wat betekent dit concreet?

  • inhouding over het brutobedrag;

  • geen aftrek van kosten;

  • geen rekening met persoonlijke aftrekposten;

  • het is meestal een voorheffing, geen “definitieve” eindheffing.

 

10. Stappenplan voor organisatoren (praktisch)

Stap 1 – Check woonland en optreden in NL
Treedt de artiest in Nederland op? Zo ja, dan speelt de regeling.

Stap 2 – Check verdragspositie
Is er een belastingverdrag? Zo ja: artikel 17 (werkstaat) + artikel 23 (verrekening woonstaat).

Stap 3 – Bepaal wie inhoudingsplichtig is
Meestal: de Nederlandse betaler/opdrachtgever.

Stap 4 – Houd 20% loonbelasting in
Over de bruto vergoeding.

Stap 5 – Leg alles goed vast
Omdat de artiest het bewijs nodig heeft voor verrekening in het woonland.

11. Rekenvoorbeeld

Situatie Bedrag
Bruto vergoeding artiest VS € 50.000
Nederlandse inhouding (20%) € 10.000
Netto uitbetaling € 40.000

In het woonland wordt doorgaans het inkomen belast, maar kan de artiest (of diens adviseur) de € 10.000 als betaalde Nederlandse belasting opvoeren voor verrekening (afhankelijk van de lokale regels).

Artiest uit de VS

  • Nederland mag heffen over het optreden (artikel 17 verdrag).

  • Nederland houdt loonbelasting in (Wet LB).

  • VS belast wereldinkomen, maar moet verrekenen (artikel 23)

Van Eenmanszaak naar BV: Wanneer is het Tijd voor de Overstap?

Uw eenmanszaak groeit en de winst stijgt. Een fantastische prestatie! Met die groei komt onvermijdelijk de vraag: is het tijd om de overstap te maken naar een Besloten Vennootschap (BV)? Deze beslissing hangt af van twee cruciale factoren: de fiscale voordelen en de beperking van uw persoonlijke aansprakelijkheid. In dit artikel leggen we uit wanneer de BV de slimmere keuze wordt.

Het Fiscale Omslagpunt: De €100.000-Vuistregel

Fiscaal gezien is er een omslagpunt waarop de belastingdruk in een BV lager wordt dan in een eenmanszaak. Als algemene vuistregel wordt vaak een winst van circa €100.000 per jaar gehanteerd.

  • Onder de €100.000: De eenmanszaak is meestal voordeliger. U profiteert van waardevolle aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, die uw belastbaar inkomen aanzienlijk verlagen.
  • Boven de €100.000: De BV wordt vaak aantrekkelijker. De ondernemersaftrekposten vervallen, maar u profiteert van een lager vennootschapsbelastingtarief op de winst die in de BV achterblijft.

Het is echter cruciaal om te begrijpen dat dit een vuistregel is. De hoogte van uw DGA-salaris (het loon dat u uzelf uitkeert vanuit de BV) heeft een enorme invloed. Een hoger salaris wordt zwaarder belast in de inkomstenbelasting (Box 1), waardoor het fiscale voordeel van de BV pas bij een hogere winst wordt bereikt.

Het Voordeel van Beperkte Aansprakelijkheid

Misschien wel het belangrijkste voordeel van een BV is de juridische bescherming van uw privévermogen.

  • In een eenmanszaak bent u en uw bedrijf juridisch gezien één. Als uw bedrijf schulden maakt of een schadeclaim krijgt, bent u met uw volledige privévermogen aansprakelijk. Uw spaargeld, uw auto en zelfs uw huis kunnen in gevaar komen.
  • In een BV is er een strikte scheiding. De BV is een aparte rechtspersoon. Schulden en claims zijn in principe van de BV, niet van u persoonlijk. Uw privévermogen is veilig.

Een praktisch voorbeeld: Stel, u levert een product en een klant stelt u aansprakelijk voor €50.000 schade.

  • Met een eenmanszaak: Als de rechter de klant gelijk geeft, kan er beslag worden gelegd op uw privé-bankrekening en woning.
  • Met een BV: De claim is gericht aan de BV. Alleen het vermogen binnen de BV kan worden aangesproken. Uw privébezittingen blijven buiten schot.

Let op: Deze bescherming is niet absoluut. Bij ‘onbehoorlijk bestuur’, zoals fraude of het bewust aangaan van verplichtingen die de BV niet kan nakomen, kunt u als bestuurder alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Conclusie en Advies

De overstap van een eenmanszaak naar een BV is een strategische beslissing die verder gaat dan alleen de winstcijfers. Het is een afweging tussen fiscale optimalisatie en het afdekken van persoonlijke risico’s. De €100.000-grens is een nuttige indicator, maar het werkelijke omslagpunt is afhankelijk van uw specifieke situatie, uw salariswensen en uw risicobereidheid.

De juiste keuze is maatwerk en kan u op de lange termijn duizenden euro’s en veel kopzorgen besparen. Wilt u een heldere berekening die is toegespitst op uw onderneming? Neem contact met ons op. Wij analyseren uw situatie en adviseren u over de meest voordelige en veilige route voor uw toekomst.

Meewerkaftrek: fiscale beloning voor de partner die meehelpt

Wat is de meewerkaftrek?
De meewerkaftrek is een extra aftrekpost binnen de ondernemersaftrek voor ondernemers die samen met hun fiscale partner werken aan de winst uit onderneming. Met deze aftrek verlaag je je belastbare winst, waardoor je minder inkomstenbelasting betaalt en mogelijk meer recht hebt op toeslagen.

Je komt in aanmerking als:

  1. Ondernemer bent voor de inkomstenbelasting.

  2. Je voldoet zelf aan het urencriterium (minimaal 1.225 uur per jaar).

  3. Je fiscale partner werkt minimaal 525 uur per kalenderjaar in jouw onderneming.

  4. De vergoeding aan je partner is € 5.000 per jaar (anders vervalt de meewerkaftrek maar wordt de vergoeding wél aftrekbaar).

Het percentage is afhankelijk van het aantal gewerkte uren van je partner:

Uren partner per jaar Meewerkaftrek (% van de winst)
< 525 0 %
525 – 875 1,25 %
875 – 1.225 2 %
1.225 – 1.750 3 %
≥ 1.750 4 %

Praktijkvoorbeeld

  • Winst vóór aftrek: € 60.000

  • Uren partner: 1.000

  • Toepasselijk percentage: 2 %

  • Meewerkaftrek: 0,02 × 60.000 = € 1.200

  • Nieuwe belastbare winst: € 60.000 − € 1.200 = € 58.800

Hierdoor bespaar je bij een schijftarief van 37 % ongeveer € 444 aan inkomstenbelasting.

Werkt je partner meer dan 1.225 uur per jaar mee? Dan is het fiscaal aantrekkelijker om samen een vennootschap onder firma (VOF) te vormen in plaats van gebruik te maken van de meewerkaftrek. Lees hierover meer in ons artikel Bespaar duizenden euro’s: vorm een vof met uw partner.

Voorraadwaardering: Hoe de waarde van uw voorraad uw winst bepaalt

Heeft u een bedrijf met een fysieke voorraad, zoals een fietshandel? Dan moet u aan het einde van het jaar de waarde van die voorraad bepalen voor op de balans. De manier waarop u dit doet, is niet zomaar een administratieve handeling; het heeft directe invloed op uw winst en de hoeveelheid belasting die u betaalt.

De Belastingdienst eist dat u een methode kiest die past bij ‘goed koopmansgebruik’ en dat u deze methode consequent toepast. We leggen de meest voorkomende systemen uit met een eenvoudig voorbeeld.

Stel, u bent een fietshandelaar. We gebruiken simpele getallen voor het rekenvoorbeeld.

  • Op 1 januari koopt u 10 fietsen in voor €100 per stuk.
  • Op 1 juli koopt u nog eens 10 fietsen in voor €120 per stuk (de prijs is gestegen).
  • U heeft in totaal 20 fietsen ingekocht.
  • Aan het einde van het jaar heeft u 15 fietsen verkocht. Er zijn dus nog 5 fietsen in voorraad.

De vraag is: wat is de waarde van die 5 fietsen op uw balans?

FIFO (First-In, First-Out)
Dit is de meest logische en gebruikte methode. De fiets die als eerste binnenkwam, wordt geacht als eerste te zijn verkocht. Denk aan een rij bij de kassa: wie het eerst komt, is het eerst aan de beurt. Uw overgebleven voorraad bestaat dus uit de meest recent ingekochte fietsen.
Stel, U heeft 15 fietsen verkocht. Volgens FIFO zijn dat de eerste 10 van €100 en 5 van de partij van €120.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de laatste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €120 = €600.

LIFO (Last-In, First-Out)
Bij LIFO gaat u ervan uit dat de laatst ingekochte fietsen als eerste worden verkocht. Denk aan een stapel borden: u pakt altijd het bovenste bord. Uw overgebleven voorraad bestaat dus uit de oudste, en vaak goedkopere, fietsen.
U heeft 15 fietsen verkocht. Volgens LIFO zijn dat de laatste 10 van €120 en 5 van de eerste partij van €100.

  • De 5 fietsen die overblijven, komen dus uit de eerste partij.
  • Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.

Let op: In tijden van stijgende prijzen leidt LIFO tot een lagere voorraadwaarde en een hogere kostprijs van de omzet, wat resulteert in een lagere winst (en dus minder belasting op de korte termijn).

IJzeren Voorraadstelsel

Dit stelsel is speciaal voor bedrijven die een vaste, minimale voorraad moeten hebben om te kunnen draaien. We passen dit nu toe op ons voorbeeld, waarbij we de beginvoorraad als de ‘ijzeren voorraad’ beschouwen.

De ijzeren voorraad is vastgesteld op 10 fietsen tegen de vaste ‘ijzeren prijs’ van €100 per stuk. De 10 fietsen die later voor €120 worden ingekocht, zien we als aanvulling. We verkopen 15 fietsen. Volgens dit stelsel verkopen we eerst de ‘extra’ voorraad.

  1. We verkopen de 10 laatst ingekochte fietsen van €120.
  2. We moeten er nog 5 verkopen, dus we moeten onze ijzeren voorraad aanspreken.

Er blijven dus 5 fietsen over, die allemaal onderdeel zijn van de oorspronkelijke ijzeren voorraad. Dit creëert een tekort (manco) van 5 fietsen in onze ijzeren voorraad. De waarde van de 5 fietsen op de balans is gebaseerd op de vaste ijzeren prijs: Waarde van de voorraad: 5 fietsen x €100 = €500.
Omdat we een tekort (manco) van 5 fietsen hebben, mogen we de kostprijs van deze 5 verkochte ‘ijzeren’ fietsen direct boeken tegen de huidige vervangingswaarde (de laatste inkoopprijs van €120). Dit verlaagt uw winst. De kostprijs van de 15 verkochte fietsen is dus (10 x €120) + (5 x €120) = €1.800, wat hoger is dan bij de andere stelsels.

Aanbeveling en Conclusie

De keuze voor een waarderingsstelsel heeft direct effect op uw balans en winst- en verliesrekening.

  • FIFO is de meest gangbare methode. Het geeft een realistisch beeld van de actuele waarde van uw voorraad en wordt internationaal breed geaccepteerd.
  • GIP is een uitstekend alternatief dat prijsschommelingen dempt en administratief eenvoudig is.
  • LIFO wordt fiscaal minder vaak toegepast en kan een vertekend beeld geven van de werkelijke waarde op uw balans.
  • Het IJzeren Voorraadstelsel is specialistisch en alleen relevant voor specifieke bedrijfstypen.

De beste keuze hangt af van uw branche, de aard van uw producten en uw administratieve processen. Het is cruciaal om een stelsel te kiezen en dit consequent te hanteren. Wilt u weten welk systeem het beste bij uw onderneming past en wat de fiscale gevolgen zijn? Neem dan contact met ons op. Wij rekenen het graag voor u door.

 

Belastingvoordeel via Huwelijkse Voorwaarden Verdwijnt in 2026

Veel stellen met een aanzienlijk vermogen gebruiken een slimme constructie in hun huwelijkse voorwaarden om erfbelasting te besparen. De overheid ziet dit echter als een onbedoelde maas in de wet en heeft aangekondigd deze per 1 januari 2026 te dichten. Heeft u huwelijkse voorwaarden? Dan is dit nieuws mogelijk erg belangrijk voor u.

Hoe de Huidige Truc Werkt

Standaard bent u bij een huwelijk in gemeenschap van goederen ieder voor 50% eigenaar van het gezamenlijke vermogen. In huwelijkse voorwaarden kunt u echter een andere verdeling afspreken, bijvoorbeeld 20% voor de ene partner en 80% voor de andere. Voorbeeld (huidige situatie):
Jan en Marie hebben samen een vermogen van € 4.000.000. In hun huwelijkse voorwaarden staat dat Jan recht heeft op 20% en Marie op 80%. Als Jan overlijdt, erven Marie en de kinderen alleen zijn deel van 20% (€ 800.000). Over de overige € 3.200.000 hoeft geen erfbelasting betaald te worden, wat een enorme besparing oplevert.

Wat Gaat er Veranderen vanaf 2026?

De overheid steekt hier een stokje voor. De nieuwe regel wordt simpel: Alles wat de langstlevende partner bij een overlijden méér krijgt dan de helft (50%) van het gezamenlijke vermogen, wordt voortaan ook gezien als een erfenis. En daar moet dus erfbelasting over betaald worden. In het voorbeeld van Jan en Marie betekent dit dat, naast de erfenis van € 800.000, ook de € 1.200.000 die Marie “extra” krijgt (het verschil tussen haar 80% en de standaard 50%) wordt belast met erfbelasting. Het fiscale voordeel van de constructie verdwijnt daarmee volledig.

Let op: Heeft u al zulke Huwelijkse Voorwaarden?

Voor bestaande situaties komt er een overgangsregeling. Als uw huwelijkse voorwaarden met een ongelijke verdeling al bestonden vóór 18 april 2025, dan blijven de oude, voordelige regels voor u gelden. MAAR LET OP: Deze bescherming vervalt direct als u na 18 april 2025 iets aan uw huwelijkse voorwaarden wijzigt – zelfs als die wijziging niets met de vermogensverdeling te maken heeft. Een kleine aanpassing kan u dus onbedoeld duur komen te staan.

Wat Betekent Dit Voor U?

Heeft u huwelijkse voorwaarden met een andere verdeling dan 50/50? Dan is het cruciaal om uw situatie opnieuw te laten beoordelen. Het kan zijn dat uw huidige voorwaarden door deze wetswijziging fiscaal juist heel ongunstig uitpakken. Neem geen risico. Onze specialisten kijken graag met u mee of uw huwelijkse voorwaarden nog passen bij uw wensen en de nieuwe wetgeving. Neem vrijblijvend contact met ons op.